Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
412
Vragen van de leden Samsom, Douma, Tjon-A-Ten (allen
PvdA) aan de staatssecretaris van Economische Zaken over kinderarbeid
in de katoenindustrie. (Ingezonden 11 oktober 2004)
1
Bent u op de hoogte van het rapport «Child Labour in Hybrid Cottonseed
Production in Andhra Pradesh: recent Developments»?1
2
Wat is uw beoordeling van het feit dat de MV Foundation aangeeft dat de
betrokken bedrijven effectieve samenwerking hebben vertraagd?
3
Deelt u de mening dat de Association of Seed industry (ASI) in voldoende
mate de belofte, zoals gedaan in september 2003, is nagekomen? Zo ja, waarom?
Zo neen, waarom niet?
4
Kunt u aangeven wat de uitkomst is geweest van eerdere gesprekken tussen
u en Unilever met betrekking tot dit onderwerp?2
5
Bent u bereid de betrokken bedrijven nadrukkelijk te wijzen op hun verantwoordelijkheden
en het grote belang van de OESO-richtlijnen?
6
Bent u eveneens bereid hen wederom, zowel op Europees als Nederlands niveau,
hierop aan te spreken, alsmede op de aangegane overeenkomsten met de MV Foundation
en andere betrokken organisaties?
7
Bent u bereid er bij de betrokken bedrijven op aan te dringen, dat zij
op effectieve wijze de kinderarbeid aanpakken, het officiële minimumloon
aan de boeren uitbetalen, de schuldslavernij uitbannen, het recht op collectieve
onderhandelingen voor werknemers garanderen en openheid geven over de door
hen genomen stappen op deze terreinen?
8
Kunt u aangeven welke resultaten tot op heden zijn geboekt met het project
van de ILO in India, Pakistan, Bangladesh en Nepal, waarbij schuldslavernij
van kinderen in de tapijt- en zijde-industrie wordt bestreden door middel
van het opzetten van microfinancieringssystemen en complementaire diensten
op het gebied van onderwijs en gezondheid?3
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid
Van Bommel (SP), ingezonden 8 oktober 2004 (vraagnummer 2040501360) en van
het lid Van der Laan (D66), ingezonden 11 oktober 2004 (vraagnummer 2040501450).
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Van Gennip (Economische
Zaken) en van minister De Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). (Ontvangen 17 november 2004), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 271,
vergaderjaar 2004–2005
2
Wij constateren dat de brancheorganisatie «Association of Seed Industry»
(ASI), waarvan de in het onderzoek genoemde bedrijven lid zijn, is gaan samenwerken
met de MV Foundation in de «Child Labour Elimination Group». Deze
samenwerking heeft geleid tot een aantal concrete activiteiten zoals educatieve
programma's en de organisatie van seminars en de beoogde organisatie van «Punishment
& Reward schemes».
De intentie van ASI is om (in samenwerking met de MV Foundation) een driejarenprogramma
op te stellen waarin concrete mijlpalen worden afgesproken. Een obstakel hierbij
is het gegeven dat kinderarbeid met name voorkomt aan het begin van de productieketen,
bij de kleine katoenboeren, waar ASI geen invloed op heeft. De ASI benadrukt
dan ook dat het probleem met alle belanghebbenden moet worden opgepakt. Wij
hopen dat de onderlinge samenwerking tussen ASI en de MV Foundation kan worden
voortgezet aangezien beide partijen zich ten doel stellen een bijdrage te
leveren aan de afschaffing van kinderarbeid. In een gesprek met de Nederlandse
ambassade in New Delhi naar aanleiding van het verschijnen van het hierboven
genoemde rapport heeft een vertegenwoordiger van ASI verklaard de samenwerking
met de MV Foundation onverkort voort te zullen zetten.
3
Op basis van de ons ter beschikking staande informatie kunnen wij geen
oordeel vellen over het al dan niet in voldoende mate zijn nagekomen van beloften.
Wij constateren wel dat het ASI een «Position Paper, Child Labor Issue»
heeft opgesteld, waarin een overzicht is opgenomen van de door ASI ondernomen
activiteiten om uitvoering te geven aan hun «no-child labor»-beleid
en aan de beloften aan de MV-foundation.
4
In de reguliere contacten met Unilever wordt over maatschappelijk verantwoord
ondernemen gesproken. Van de kant van Unilever is aangegeven dat het aandacht
besteedt aan het voorkomen van inzet van kinderarbeid in de keten.
5
Met de betrokken Nederlandse bedrijven is gesproken over de verantwoordelijkheden
in het kader van de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, met
name inzake ketenbeheer.
In het MVO-beleid van de regering staat de promotie van de OESO-richtlijnen
centraal. In de OESO-richtlijnen worden bedrijven opgeroepen een bijdrage
te leveren aan het afschaffen van kinderarbeid. Bedrijven die gebruik willen
maken van het financieel buitenlandinstrumentarium dienen te onderschrijven
dat ze de OESO-richtlijnen naar beste vermogen zullen uitvoeren. Daarnaast
geldt als minimumeis dat bij projecten waarvoor financiële overheidsteun
wordt gevraagd, het ILO-verbod op kinderarbeid wordt gerespecteerd. De uitvoerende
instanties voor de financiële regelingen toetsen daarop.
6
Bedrijven ervan bewust maken dat het goed is om MVO in hun bedrijfsvoering
te incorporeren is een belangrijk onderdeel van het MVO-beleid. Dit gebeurt
op nationaal niveau en internationaal niveau. De Nederlandse overheid wil
dit in Europees kader gestalte geven. Daarom zijn tijdens de recent gehouden
Europese MVO-conferentie veel bedrijven uitgenodigd. Daarnaast zal ik meer
aandacht vragen voor MVO in de Concurrentiekrachtraad.
7
Zie ook antwoorden op vraag 5 en 6. Bedrijven op nationaal niveau bewust
maken van hun maatschappelijke verantwoordelijkheden, waaronder het aanpakken
van kinderarbeid, staat centraal in het MVO-beleid van de regering.
8
Inmiddels is de ILO gevraagd inzicht te verschaffen in de resultaten tot
op heden met diverse kinderarbeidprojecten. Dit inzicht zal na ontvangst aan
de TK worden aangeboden.
XNoot
1 «Child Labour in Hybrid Cottonseed Production in Andhra Pradesh:
Recent Developments», Dr. Venkateswarlu, zie: http://www.indianet.nl/katoenz.html.
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen nr. 1476, vergaderjaar 2002–2003.