Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
411
Vragen van het lid Van der Laan (D66) aan de staatssecretaris
van Economische Zaken over de betrokkenheid van Nederlandse bedrijven
bij gevaarlijke kinderarbeid in India. (Ingezonden 11 oktober
2004)
1
Is het u bekend dat in India vele kinderen werken in de gevaarlijke katoenzaadproductie
voor onder andere Nederlandse bedrijven, ondanks de belofte van die bedrijven
in 2003 dat het probleem snel zou worden aangepakt?1
2
Hoe oordeelt u over deze situatie?
3
Op welke wijze kunt u deze situatie verbeteren? Op welke termijn verwacht
u daarvan concrete verbeteringen?
4
Deelt u de mening dat de overheid een voorbeeldfunctie vervult en bij
haar inkoopbeleid dan ook rekening moet houden met de omstandigheden waaronder
producten tot stand komen?
5
Welke invulling heeft u tot nu toe gegeven aan de motie De Graaf c.s.2 die in 2002 bij de begroting Buitenlandse Zaken is aangenomen om te
komen tot een verantwoord inkoopbeleid?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerder vragen terzake van het lid
Van Bommel (SP), ingezonden 8 oktober 2004 (vraagnummer 2040501360).
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Van Gennip (Economische
Zaken) en van minister De Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). (Ontvangen 17 november 2004), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 272,
vergaderjaar 2004–2005
1
Het persbericht van de Landelijke India Werkgroep is ons bekend.
2
Bedrijven zijn onverantwoord bezig als ze gebruik maken van kinderarbeid.
Het is onwenselijk dat grote aantallen kinderen in India werken in plaats
van naar school te gaan.
3
De brancheorganisatie «Association of Seed Industry» (ASI),
waarvan de in het onderzoek genoemde Nederlandse bedrijven lid zijn, heeft
een duidelijk «no child labour» beleid. Dit houdt in dat de leden
van ASI geen kinderen in dienst nemen.
Helaas komt kinderarbeid verderop in de productieketen voor; katoenboeren
huren kinderen in. ASI pleit daarom met alle partijen in de productieketen
tot een actieprogramma tegen kinderarbeid te komen. ASI heeft onder meer samen
met de MV Foundation een aantal concrete activiteiten opgezet zoals educatieve
programma's en de organisatie van seminars en de beoogde organisatie van «Punishment
& Reward schemes».
Een belangrijke rol bij het uitbannen van kinderarbeid in India is weggelegd
voor de Indiase overheid. Hoewel de overheid programma's tegen kinderarbeid
heeft ingesteld in 150 districten, constateert de Internationale Arbeidsorganisatie
(ILO) dat er meer moet worden gedaan. Zo heeft de Indiase overheid Conventie
182 nog niet geratificeerd.
In mijn MVO-beleid staat de promotie van de OESO-richtlijnen centraal.
In de OESO-richtlijnen worden bedrijven opgeroepen een bijdrage te leveren
aan het afschaffen van kinderarbeid. Bedrijven die gebruik willen maken van
het financieel buitenlandinstrumentarium dienen te onderschrijven dat ze de
OESO-richtlijnen naar beste vermogen zullen uitvoeren. Daarnaast geldt als
minimumeis dat bij projecten waarvoor financiële overheidssteun wordt
gevraagd, het ILO-verbod op kinderarbeid wordt gerespecteerd. De uitvoerende
instanties voor de financiële regelingen toetsen daarop.
De Nederlandse overheid geeft daarnaast financiële ondersteuning
aan organisaties als FNV Mondiaal, HIVOS en NOVIB, die zich ook in India inzetten
voor het tegengaan van kinderarbeid, met name ook in de katoenindustrie.
5
Economische Zaken en andere departementen geven invulling aan deze motie
door middel van het Actieprogramma Duurzame Ontwikkeling, waarvoor de staatssecretaris
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer coördinerend
bewindspersoon is. Deze zal daarover dit jaar aan uw kamer rapporteren. Duurzaam
inkopen is een belangrijk onderdeel van het Illustratieprogramma Duurzame
Bedrijfsvoering Overheid uit dat Actieprogramma.
XNoot
1 Persbericht landelijke India Werkgroep, 4 oktober 2004.
XNoot
2 Kamerstuk 28 600 V, nr. 37.