1 t/m 6
In algemene zin geldt dat strafrechtelijke onderzoeken en onderzoeken
van de veiligheids- en inlichtingendiensten wezenlijk van elkaar verschillen.
Die onderzoeken hebben verschillende doelen. Daarom worden zij op verschillende
manieren uitgevoerd en zijn aan de diensten en aan het openbaar ministerie
verschillende bevoegdheden toegekend.
Naast deze verschillen is er ook een cruciaal verschil in fase: het openbaar
ministerie treedt op als er aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake
is van een strafbaar feit. Daarbij is de blik gericht op het verleden: vanuit
de hypothese dat er sprake is van een strafbaar feit wordt in het verleden
gezocht naar materiaal waarmee dat strafbare feit kan worden bewezen. De AIVD
houdt mensen of groepen mensen in het oog waarvan niet op voorhand duidelijk
is welk gedrag, mogelijk strafbaar gedrag, die personen gaan vertonen. Gezien
deze verschillen in invalshoek is het onjuist om conclusies van AIVD en strafrechtelijke
onderzoeken zonder meer naast elkaar te stellen.
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving naar aanleiding van de uitzending
van Reporter waarin uitspraken voorkwamen uit een interview met het plaatsvervangend
hoofd van de AIVD en van uitspraken van het hoofd van de AIVD in zijn contacten
met de pers inzake het AIVD-jaarverslag op 28 april 2005.
In het interview met het plaatsvervangend hoofd van de AIVD is eventuele
informatie die door een informant zou zijn verstrekt over het voornemen van
Mohammed B. om de heer Theo van Gogh te vermoorden, niet aan de orde geweest.
Desgevraagd is hij in het interview ingegaan op de geloofwaardigheid van
de verklaring van Nouredine el-F. met betrekking tot zijn beweringen over
Mohammed B. en het zijn testament. El-F. gaf in die verklaring aan dat het
testament – een in het Arabisch gesteld handgeschreven document dat
door El-F. zelf was ondertekend en in de aanhef zijn naam bevat – door
Mohammed B. zou zijn geschreven. Deze uitspraken zijn destijds beoordeeld
als ongeloofwaardig, omdat El-F. zelf bekend stond als zeer radicaal en redenen
had om zichzelf vrij te pleiten door anderen te belasten. Bovendien leert
de ervaring dat personen die deel uitmaken van radicaal-islamitische netwerken,
vrijwel altijd ontwijkende en misleidende antwoorden geven indien zij worden
aangesproken. Het bovenstaande is ook beschreven in de brief met feitenrelaas
aan de Tweede Kamer van 10 november 2004 (kamerstuk 29 854, nr. 3)1.
In dezelfde brief van 10 november 2004 hebben mijn ambtgenoot van Justitie
en ik geconcludeerd dat, gelet op het feitenrelaas, ook achteraf niet in redelijkheid
kan worden gesteld dat de operationele diensten met betrekking tot Mohammed
B. tot een andere afweging hadden moeten komen.
In het hierop volgende debat met de Kamer op 11 november 2004 heb ik aan
deze conclusie toegevoegd:
«Dit soort processen kan natuurlijk altijd beter. Die conclusie
heb ik natuurlijk ook wel getrokken. Dat geldt ook voor dit geval. Dat steek
ik niet onder stoelen of banken.»
Het plaatsvervangend hoofd van de AIVD heeft tot uitdrukking willen brengen
dat het op de moord op de heer Van Gogh volgende strafrechtelijke onderzoek
vanzelfsprekend veel meer informatie over Mohammed B. heeft opgeleverd dan
in de periode voorafgaand aan de moord bij de diensten beschikbaar was. Zijn
opmerkingen zijn tegen die achtergrond gemaakt, terwijl in de woorden van
het hoofd van de AIVD de redelijkheid van de afweging tot uitdrukking is gebracht
zoals die destijds, op basis van de toen beschikbare informatie, is gemaakt.
In dit licht is er naar mijn oordeel van tegenstrijdigheid dan ook geen sprake.
XNoot
1 In deze brief schreven mijn ambtgenoot van Justitie en ik hierover het
volgende:
«De AIVD voert de gesprekken met de teruggekeerde leden (uit Portugal,
red.) van de groep samen met het KLPD/UTBT. In het gesprek dat de AIVD heeft
gevoerd met E. na zijn aanhouding vertelt hij dat hij bij Mohammed B. heeft
gewoond, met hem koranlessen heeft gevolgd en dat hij Mohammed B. een gevaarlijk
persoon vindt die in tegenstelling tot hemzelf gelooft in de ideologie van
de Takfir. In het gesprek wordt aan E. gevraagd naar het testament dat (bij
de huiszoeking in oktober 2003) in het pand aan de Marianne Philipsstraat
27 is aangetroffen. Het gaat hierbij om een in het Arabisch gesteld hadgeschreven
document, dat na vertaling een zogenaamde martelaarsbrief of jihad-testament
blijkt te zijn, dat expliciet op naam was gesteld van de hierboven genoemde
E. Volgens zijn verklaring zou de radicale Mohammed B. dit testament hebben
geschreven. E. beweert dat het testament dat is aangetroffen in het RL 8020-onderzoek
en dat door hemzelf is ondertekend en in de aanhef zijn naam bevat door Mohammed
B. zou zijn geschreven.
Deze uitspraken worden beoordeeld als ongeloofwaardig, omdat de zegsman
zelf bij de AIVD bekend is als zeer radicaal en redenen heeft om de aandacht
van zichzelf weg te leiden en zichzelf vrij te pleiten door anderen te belasten.
Bovendien leren ervaringen van de AIVD met het aanspreken van personen die
deel uitmaken van radicaal-islamitische netwerken, dat vrijwel altijd ontwijkende
en misleidende antwoorden worden gegeven.»