Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
1448
Vragen van het lid Waalkens (PvdA) aan de staatssecretaris
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over veldproeven
met genetisch gemodificeerde cichorei en aardappel. (Ingezonden
26 maart 2004)
1
Bent u op de hoogte van de positieve beschikking van 17 februari 2004
inzake Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen (BGGO)-aanvraag 03/07 voor
het doen van een veldproef door Plant Research International met genetisch
gemodificeerde cichorei in Wageningen, alsmede de positieve ontwerpbeschikking
van 4 februari 2004 inzake BGGO aanvragen 03/09, 03/10, 03/11 voor het doen
van veldproeven door BASF Plant Sciences met genetisch gemodificeerde aardappelen
in Borger-Odoorn?
2
Is het kabinetsbeleid ten aanzien van genetisch gemodificeerde planten
gebaseerd op het uitfaseren van antibioticaresistentiegenen? Loopt dit parallel
met Europese wetgeving en discussie op dit gebied?
3
Bent u van oordeel dat bij een uitfasering van antibioticaresistentiegenen
het onwenselijk is om dergelijke veldproeven met antibioticaresistentiegenen
toe te staan?
4
Bent u van mening dat genetisch gemodificeerde organismen uiteindelijk
niet gebaseerd kunnen zijn op antibioticaresistentiegenen? Zo neen, waarom
niet? Zo ja, waarom staat u dan verdere veldproeven hiermee toe?
5
Hoe staat het met de herziening van het standpunt uit de Integrale Nota
Biotechnologie, gelet op het feit dat u in de ontwerpbeschikking van 4 februari
2004 (inzake BGGO aanvragen 03/09, 03/10, 03/11) schrijft dat de Raad van
State zich heeft uitgesproken over het kabinetsbesluit ten aanzien van de
toepassing van antibioticaresistentiegenen in genetisch gemodificeerde planten
en dat op basis van deze uitspraak het INB-standpunt op dit punt herzien zal
worden?
6
Zijn betrokken bedrijven, na uw toezegging dat bedrijven tijdig op de
hoogte gesteld zullen worden van beleidsveranderingen, hier ook daadwerkelijk
van op de hoogte gesteld? Zo ja, wat is de reden dat deze veldproeven wel
worden toegestaan, terwijl zij niet tot marktintroductie kunnen leiden? Zo
neen, waarom niet?
7
Vindt u dat het beleid gericht op het uitfaseren van antibioticaresistentiegenen
leidt tot een verdere kennisontwikkeling in de juiste richting?
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Van Geel (Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), mede namens de minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit. (Ontvangen 6 mei 2004)
2
Het kabinetsbeleid met betrekking tot biotechnologie is neergelegd in
de Integrale Nota Biotechnologie (INB) van 28 september 2000. In deze nota
wordt onder meer ingegaan op het beleid ten aanzien van de toelating van antibioticumresistentiegenen
in genetisch gemodificeerde planten. Daarin is vastgelegd dat «geen
goedkeuring meer zal worden verleend aan grootschalige marktintroductie van
genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) die antibioticumresistentiegenen
bevatten. De toepassing van antibioticumresistentiegenen in ggo's ten behoeve
van veldproeven zal worden beperkt tot de genen nptll en hpt. Deze genen leiden
tot resistenties tegen antibiotica die niet meer van belang zijn voor de humane
en dierlijke gezondheidszorg». Ten grondslag aan deze beleidslijn ligt
de mogelijkheid dat bij grootschalige toepassing van ggo-planten horizontale
overdracht van antibioticumresistentiegenen kan plaatsvinden naar andere organismen.
Omdat dit een negatief effect heeft op de mogelijke inzetbaarheid van antibiotica
in de humane of veterinaire gezondheidszorg, is, uitgaande van het voorzorgbeginsel,
besloten toepassing van deze genen op grote schaal te vermijden. Deze beleidslijn
is in lijn met de Europese regelgeving. Hierin is vastgelegd dat de toepassing
van antibioticumresistentiegenen die een mogelijk negatief effect hebben op
de volksgezondheid en het milieu, geleidelijk zal worden geëlimineerd.
Een Europese werkgroep is momenteel bezig om hierover een voorstel voor te
bereiden. Deze groep zal voor het einde van dit jaar haar werk afronden.
3
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, dient het gebruik van
antibioticumresistentiegenen te worden vermeden, als deze een mogelijk negatief
effect hebben op de inzetbaarheid van antibiotica in de humane of veterinaire
gezondheidszorg. De veldproeven als bedoeld in vraag 1 worden uitgevoerd met
planten welke het nptll-gen bevatten. Dit gen leidt tot resistentie tegen
antibiotica die niet meer van belang zijn voor de humane en dierlijke gezondheidszorg.
Om deze reden is er geen aanleiding deze veldproeven niet toe te staan.
4
Criterium voor de toelaatbaarheid van ggo's met antibioticumresistentiegenen
die doelbewust in het milieu worden toegelaten via veldproeven of marktintroducties,
is het risico voor mens en milieu en in het bijzonder de eventuele horizontale
overdracht van genen die mogelijk negatieve effecten hebben op de toepasbaarheid
van antibiotica in de humane of veterinaire gezondheidszorg.
5
Op 10 december 2003 heeft de Raad van State (zaaknummer 200202197/1) zich
uitgesproken over het besluit om een aanvraag voor verlenging van vergunning
BGGO 95/05-04 te weigeren. Daarin wordt gesteld dat het tegen de weigering
ingestelde beroep gegrond is, omdat de aardappelen en bijproducten niet als
diervoederproducten zullen worden afgezet, waarmee de kans op enige vermenging
met voor veevoer bestemde producten uiterst klein wordt geacht. Daarmee is
de vrees voor horizontale overdracht van een gen voor antibioticumresistentie
en aldus ook voor verminderde toepasbaarheid van het betreffende antibioticum
in gezondheidszorg, niet terecht. Op basis van deze uitspraak moet het INB-standpunt
op dit punt herzien worden. In de tussentijd zullen aanvragen waarbij gebruik
gemaakt wordt van antibioticumresistentiegenen in genetisch gemodificeerde
planten in lijn met de uitspraak van de Raad van State van geval tot geval
worden beoordeeld op hun mogelijke risico's voor mens en milieu. De interdepartementale
werkgroep die de herziening van het beleid voorbereidt, zal daarbij rekening
houden met de voorstellen die in Europees verband worden voorbereid over de
uitfasering van het gebruik van antibioticumresistentiegenen. Deze herziening
zal begin 2005 zijn afronding vinden, afhankelijk van het tijdstip waarop
de Europese werkgroep haar definitieve voorstellen heeft gedaan.
6
In de positieve beschikking BGGO 03/07 en de positieve ontwerpbeschikkingen
BGGO 03/09, BGGO 03/10 en BGGO 03/11 zijn de aanvragers geïnformeerd.
Zodra de beleidsherziening is afgerond, zal het bedrijfsleven hierover worden
ingelicht.
De beoordeling of een veldproef wel of niet wordt toegestaan, wordt bepaald
door de mogelijke risico's voor mens en milieu van de aangevraagde activiteiten.
Of met de ggo's waarmee de experimenten worden uitgevoerd een marktintroductie
beoogd wordt, is hierbij irrelevant. Deze afweging is eventueel aan het bedrijf
die de veldproef aanvraagt.
7
Doel van het beleid om antibioticumresistentiegenen uit te faseren is
te bewerkstelligen dat de risico's voor mens en milieu van ggo's die antibioticumresistentiegenen
bevatten, aanvaardbaar zijn. Daarmee is op zichzelf geen verdere kennisontwikkeling
in een bepaalde richting beoogd.