Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
427
Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over dat allochtone jongeren vaker depressief zijn. (Ingezonden 5 november 2002)
1
Hebt u kennis genomen van het artikel waarin gesteld wordt dat allochtone
jongeren vaker depressief zijn?1
2
Bent u op de hoogte van een eerder onderzoek door het Trimbos-instituut
en het Sociaal Cultureel Planbureau waaruit bleek dat vooral meisjes uit migrantengroepen
depressief en suïcidaal zijn? Zo ja, wat heeft u met de bevindingen van
dit onderzoek gedaan?
3
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere schriftelijke vragen2 waarin gesteld werd dat er geen verklaringen waren te geven voor de
toename van het aantal zelfmoorden onder allochtone jongeren? Bent u nog steeds
deze mening toegedaan? Zo ja, waarop baseert u deze mening?
4
Hoe verhoudt dit antwoord zich tot het onderzoek van de hoogleraar Vollebergh,
verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), waaruit blijkt dat
allochtone jongeren vaker depressief, angstig en suïcidaal zijn dan hun
autochtone leeftijdgenoten?
5
Wat vindt u van de bevindingen van het onderzoek van de hoogleraar Vollebergh?
Wat vindt u van de constatering dat gedragsproblemen bij allochtone jongeren
door hulpverleners vaak over het hoofd worden gezien? Wat gaat u hieraan doen?
6
Moeten deze jongeren vaak op behandeling wachten? Wat is de gemiddelde
wachttijd voor behandeling? Bent u het met de onderzoeker prof. Vollebergh
eens dat veel gedragsproblemen voorkomen kunnen worden door in een vroeger
stadium in te grijpen? Zo ja, welke maatregelen gaat u ondernemen om bij problemen
vroegtijdig te kunnen ingrijpen?
7
Welke taak heeft de jeugd-GGZ hierin en wat wordt er vanuit de GGZ in
het bijzonder ondernomen om adequate hulp aan allochtone jongeren te bieden?
Antwoord
Antwoord van minister De Geus (Volksgezondheid, Welzijn
en Sport). (Ontvangen 2 december 2002)
2
Recente onderzoeken op dit terrein zijn mij niet bekend. Ik vermoed dat
u verwijst naar de «Rapportage Jeugd» van het SCP (verschenen
december 2000). Daaruit blijkt o.a. dat met name jonge vrouwen met een Turkse
of Marokkaanse achtergrond twee keer zo vaak als autochtone leeftijdgenoten
een suïcidepoging doen.
Deze onderzoeksresultaten bevestigen het belang van een vraaggerichte
benadering in de zorg. Het vraaggericht maken van de GGZ vindt plaats in het
kader van de trajecten «vernieuwing van de GGZ», «modernisering
AWBZ» en «modernisering curatieve zorg», trajecten waarover
de Kamer is geïnformeerd. In principe zullen deze zorgbrede trajecten
er toe moeten leiden dat het zorgaanbod te allen tijde goed aansluit op de
vraag van cliënten, ook als dat cliënten zijn uit bijzondere doelgroepen,
zoals allochtone jongeren.
Gezien de soms moeilijke positie van bijzondere doelgroepen in de zorg
zijn er, naast bovengenoemde zorgbrede vernieuwingstrajecten, ook verbetertrajecten
voor specifieke doelgroepen gestart. Zo is voor de verbetering van de zorg
aan allochtonen het project Interculturalisatie van de gezondheidszorg gestart.
Een plan van aanpak voor dit project is in 2001 aan de Kamer gezonden bij
brief met kenmerk GVM/2236400. Het project heeft tot doel de gezondheidszorg
voor zover nodig toegankelijker te maken voor allochtonen, onder wie ook allochtone
jongeren.
3 en 4
In de Kamervragen1 vroeg u naar een mogelijke verklaring
voor het relatief hoge percentage suïcides onder allochtone jongeren.
Mijn ambtsvoorganger antwoordde toen dat er nog geen sluitende verklaringen
zijn voor een verhoogd suïciderisico van allochtone jongeren (of andere
bevolkingsgroepen). Wel gaf zij aan dat op grond van het toenmalige onderzoek
bekend was dat het suïciderisico toeneemt naarmate het sociaal, psychisch
en/of economisch slechter met iemand gaat en dat er kon worden verondersteld
dat het gebrek aan toekomstperspectief en sociale problemen belangrijke verklarende
factoren zijn voor suïcides van allochtone jongeren.
De door u aangehaalde onderzoeksresultaten nuanceren bovenstaand beeld:
uit de oratie van prof. Vollebergh blijkt dat er met name een relatie is tussen
gedragsproblematiek en sociale factoren (zoals huwelijks- en gezinsconflicten,
persoonlijke en psychische problemen van ouders). Minder verband is er tussen
gedragsproblematiek van allochtone jongeren en sociaal-economische achterstand
of armoede.
Deze nieuwe onderzoeksresultaten laten dus, net zoals eerdere onderzoeken,
zien dat er een samenhang is tussen allerlei sociale en economische factoren
en depressiviteit en suïcidaliteit. Waarom al deze factoren samenhangen
en of dit ook relevante factoren zijn voor een mogelijke oplossing van het
probleem kan echter niet uit het onderzoek worden afgeleid. In die zin ontbreekt
dus nog steeds een wetenschappelijk verantwoorde verklaring voor het hoge
percentage suïcides onder allochtone jongeren.
5
De onderzoeksbevinding dat hulpverleners gedragsproblemen van allochtone
jongeren vaak over het hoofd zien is uiteraard zorgelijk. Een doel van het
bovengenoemde project interculturalisatie van de gezondheidszorg is dat hulpverleners
bewuster (leren) omgaan met cultuurverschillen. In het plan van aanpak wordt
onder meer aandacht besteed aan het interculturaliseren van de zorgopleidingen.
6, 7 en 8
Er zijn geen gegevens over de gemiddelde wachttijd voor behandeling van
allochtone jongeren met deze problematiek: een dergelijk cliëntniveau
ontbreekt in de registratie van wachttijden en wachtlijsten. Wel zijn gegevens
bekend over wachttijden voor de totale groep jeugdigen. Bij een eerste meting
in 2001 bleek dat de wachtlijstdruk bij de Jeugd-GGZ relatief hoog is. Aanpak
van de wachtlijsten in de Jeugd-GGZ is dan ook één van de speerpunten
voor het wachtlijstbeleid in de GGZ. Inmiddels begint dit beleid zijn eerste
vruchten af te werpen: begin 2002 bleek het aantal wachtenden in de intramurale
Jeugd-GGZ gedaald te zijn met 3%, in de ambulante Jeugd-GGZ zelfs met 7%.
Ik deel de mening van prof. Vollebergh dat vroegtijdig ingrijpen problemen
kan voorkomen. Vandaar ook dat er binnen de Jeugd-GGZ sinds jaar en dag aan
preventie van psychische problematiek wordt gedaan. Mochten er op dit punt
tekortkomingen zijn in de zorg dan zullen deze worden aangepakt via het project
Interculturalisatie van de zorg.
Bovengenoemde gedragsproblemen zijn overigens niet het exclusieve terrein
van de Jeugd-GGZ: ook de jeugdhulpverlening, de jeugdbescherming en de zorg
voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen leveren veel zorg op het terrein
van het aanpakken van gedragsproblematiek. Afstemming van de zorg van verschillende
zorginstellingen is daarbij cruciaal. Vandaar ook dat die afstemming één
van de doelstellingen is van de nieuwe Wet op de Jeugdzorg die momenteel voorligt
bij de Tweede Kamer.
XNoot
1 Trouw, 1 november jl.
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen nr. 1326, vergaderjaar 1999–2000.
XNoot
1 Aanhangsel Handelingen nr. 1326, vergaderjaar 1999–2000.