Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2002-2003378

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

378

Vragen van het lid De Wit (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan de minister van Justitie over de uitspraken van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard inzake de twee AH-medewerkers. (Ingezonden 31 oktober 2002)

1

Hebt u kennisgenomen van de opvatting van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard over de vervolging van twee AH-medewerkers?1

2

Wat is uw opvatting over deze mening? Is het gepast dat de prins zich mengt in de thans gevoerde discussie over het optreden van bedoelde AH-medewerkers?

3

Nu deze uitlatingen vallen onder uw ministeriële verantwoordelijkheid heeft Prins Bernhard u hierover tevoren geraadpleegd en zijn deze met uw instemming gedaan?

4

Tot welke nadere stappen uwerzijds leidt deze handelwijze van Prins Bernhard?

Antwoord

Antwoord van minister-president Balkenende (Algemene Zaken), mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie. (Ontvangen 19 november 2002)

1

Ja.

2 t/m 4

Prins Bernhard heeft gesproken met de informatie die hij op dat moment uit de media had. Daarbij is duidelijk dat hij vanuit zijn hart heeft gesproken. Hij is daarbij binnen de ruimte gebleven die hij, gelet op zijn positie en plaats binnen het Koninklijk Huis, heeft. Hij hoefde daarover dan ook niet tevoren met mij te overleggen en hij heeft dat ook niet gedaan.

Gelet op het hierboven gestelde ga ik niet in op de inhoud van hetgeen Prins Bernhard heeft gezegd.


XNoot
1

De Telegraaf, 30 oktober jl.