Kamervragen (Aanhangsel)
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 1543 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 1543 |
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
1543
Vragen van de leden Van der Vlies (SGP) en Rouvoet (ChristenUnie) aan de ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de berichtgeving rondom het jaarverslag van Stichting De Einder. (Ingezonden 20 maart 2003)
1
Hebt u kennisgenomen van het jaarverslag over 2002 van Stichting De Einder en de berichtgeving hierover in de media?1
2
Welke conclusies verbindt u aan het feit dat het aantal zelfmoorden onder mensen die begeleid worden door deze stichting sterk is toegenomen?
3
Hoe beoordeelt u de stelling van deze stichting dat «omzichtig» en «op en langs de vage grens van het strafrecht» wordt gehandeld?
4
Staat u nog steeds op het standpunt dat deze stichting een «ongewenste vorm van hulpverlening» biedt?2
5
Bent u bereid een grens te trekken en deze vorm van «hulpverlening» te verbieden? Zo nee, waarom niet?
6
Welke andere maatregelen bent u van plan te nemen om activiteiten van deze stichting en bijvoorbeeld de «Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding» tegen te gaan?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen ter zake van het lid Ormel, vraagnr. 2020308150H, ingezonden 28 februari jl.
Antwoord
Antwoord van minister Donner (Justitie), mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (Ontvangen 2 juli 2003), zie ook Aanhangsel Handelingen nrs. 1151 en 1298, vergaderjaar 2002–2003
2
Uit het jaarverslag blijkt dat het aantal cliënten dat is overleden ten gevolge van een zelf gekozen dood is gestegen van 32 in 2001 naar 46 in 2002. In de toelichting staat evenwel het volgende: «De rubriek «Overleden» geeft weer het aantal cliënten van wie bekend is (uit eigen waarneming of naar aanleiding van bericht van nabestaanden) dat deze een (wel, of ten aanzien van een enkele terminale cliënt misschien niet) gekozen dood is gestorven.» Geconcludeerd kan worden dat niet met zekerheid kan worden aangegeven met welk percentage het aantal zelfmoorden is toegenomen.
Dit laat onverlet dat, indien de medewerkers van de Stichting binnen de grenzen van artikel 294 Wetboek van Strafrecht handelen en de statuten van de Stichting niet in strijd zijn met de wet, niet tegen (medewerkers van) de Stichting kan worden opgetreden.
3
In het jaarverslag geeft de Stichting nadrukkelijk aan dat het uitgangspunt van de hulpverlening is dat binnen de grenzen van de Strafwet wordt gehandeld. Daaraan doet niet af dat de Stichting deze grenzen blijkbaar vaag vindt.
4
Ja. Wij zijn nog steeds van mening dat euthanasie en hulp bij zelfdoding dienen te geschieden met inachtneming van de zorgvuldigheidsvereisten als omschreven in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Dit houdt onder andere in dat de levensbeëindigende handeling moet worden verricht door en onder begeleiding van een arts.
5
Artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft een strafbaar feit pleegt indien de zelfdoding volgt, tenzij een arts de zorgvuldigheidseisen, vermeld in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, in acht heeft genomen. Voor zover uit het jaarverslag kan worden opgemaakt zijn de hulpverleners van de Stichting geen arts met als gevolg dat het inachtnemen van de zorgvuldigheidseisen geen strafuitsluitingsgrond oplevert.
De hulpverleners dienen binnen de grenzen van het Strafrecht te handelen om zich niet schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (zie 5 december 1995, NJ 1996, 322) kan worden opgemaakt dat onder het begrip behulpzaamheid bij zelfdoding in de zin van artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht niet kan worden verstaan het verschaffen van algemene informatie, het voeren van gesprekken en het geven van morele steun. Dergelijk handelen is derhalve volgens deze uitleg van de Hoge Raad in het algemeen niet strafbaar. Wel strafbaar is in beginsel degene die in het concrete geval middelen verschaft of toedient en duidelijke, op navolging en uitvoering gerichte instructies geeft aan degene die tot zelfdoding heeft besloten.
Uit het jaarverslag kan in beginsel niet worden opgemaakt dat de hulpverleners een ontoelaatbare vorm van hulpverlening geven. Dit laat onverlet dat het Openbaar Ministerie in een concreet geval strafrechtelijke vervolging in kan stellen, zoals blijkt uit een strafzaak tegen een counselor van de Stichting De Einder Noord wegens overtreding van artikel 294 Wetboek van Strafrecht. De arrondissementsrechtbank te Groningen heeft de counselor bij vonnis van 10 april 2002 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
6
Wij zien geen reden om maatregelen te nemen om activiteiten van Stichting De Einder en van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding tegen te gaan nu niet is gebleken dat het doel van beide Stichtingen, dan wel het handelen van medewerkers van deze Stichtingen, er op is gericht om artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht te overtreden.
Artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht biedt reeds voldoende waarborg om ontoelaatbare hulpverlening aan te pakken.
Het uitbreiden van de bestaande strafbaarstelling is naar ons oordeel thans wenselijk noch noodzakelijk. Het zou betekenen dat het enkele adviseren over zelfmoordmogelijkheden apart strafbaar gesteld zou moeten worden. In dit kader wordt opgemerkt dat artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht reeds een bijzonder delict is omdat het behulpzaamheid en het verschaffen van middelen strafbaar stelt aan een feit dat niet afzonderlijk strafbaar is gesteld. Dat is uitzonderlijk gelet op het accessoire karakter van deze deelnemingsvorm. Regel is dat deelneming aan een feit pas strafbaar is als het grondfeit ook strafbaar is. De wetgever heeft er destijds uitdrukkelijk van afgezien de poging tot zelfmoord strafbaar te stellen.
Overigens betekent dat niet dat het verstrekken van inlichtingen over mogelijkheden tot zelfmoord nooit een strafbaar feit kan opleveren. Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag is aangegeven kan dit in een concreet geval al worden aangemerkt als het behulpzaam zijn bij zelfdoding: het kan daarvan onderdeel uitmaken. Er moet dan wel sprake zijn van een causaal verband tussen het geven van inlichtingen en het plegen van zelfmoord. Praktisch gezien betekent dit dat dit alleen kan worden aangetoond door de eigen verklaring van de consulent. Het openbaar ministerie heeft door het instellen van vervolging telkens blijk gegeven van alertheid op de mogelijkheid van overtreding van de bestaande delictsomschrijving. In het kader van de uitvoering van een zorgvuldig en verantwoord beleid ten aanzien van hulpverlening bij levensbeëindiging op verzoek past voortzetting van de getoonde waakzaamheid van het openbaar ministerie.
Tenslotte verwijzen wij naar de beantwoording van de vragen inzake een boek over humane zelfdoding, ingezonden op 3 maart 2003, nr. 2020308170 en beantwoord op 14 april 2003, kenmerk 5220689/503, Aanhangsel Handelingen nr. 1143, vergaderjaar 2002–2003.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20022003-1543.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.