Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-2002284

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

284

Vragen van het lid Weekers (VVD) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de monopolisering van de kinderopvang in Den Haag. (Ingezonden 25 oktober 2001)

1

Hebt u kennisgenomen van het bericht: «Klacht tegen monopolisering Haagse kinderopvang»1?

2

Is het waar dat slechts de drie genoemde grote koepelorganisaties aanspraak maken op een investeringssubsidie? Wat is hiervan de oorzaak?

3

Deelt u de opvatting dat het fnuikend is voor een gezond systeem van vraagsturing, wanneer de kinderopvang door gemeentelijk beleid wordt gemonopoliseerd, en niet alle ondernemers gelijke kansen krijgen?

4

Deelt u de opvatting dat alle – dus ook nieuwe – ondernemers in de kinderopvang die aan de basiskwaliteitscriteria voldoen gelijke kansen c.q. toegang tot de markt, en dus ook tot de investerings- en stimuleringssubsidies, moeten hebben?

5

Deelt u voorts de opvatting dat het voor ouders van groot belang is dat er voldoende opvangplaatsen voor kinderen worden gecreëerd? Hoe verhoudt zich dit met de situatie in Den Haag?

6

Garandeert de stimuleringsmaatregel kinderopvang dat gemeenten ondernemers en toetreders gelijke kansen in de kinderopvang bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie onderneemt u tegen de gemeente Den Haag?

Antwoord

Antwoord van staatssecretaris Vliegenthart (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). (Ontvangen 20 november 2001)

1

Ik ben op de hoogte van genoemd artikel.

2

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik graag naar het Raadsvoorstel 229, nr. 2000.0686 van de Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn van de gemeente Den Haag (zie bijlage), dat is aangenomen op 6 juli 2000.

Daaruit blijkt dat de gemeente Den Haag ten behoeve van de uitbreidingsoperatie kinderopvang 1999–2002 middelen aan de stichting Kinderopvang DAK, Triodus centrale voor kinderopvang en stichting Twee Samen verstrekt.

De gemeente heeft overwogen om met deze drie koepelorganisaties in zee te gaan om volgende redenen:

1. instandhouding van het joint-venture principe, waardoor er geen kloof tussen «arme» en gesubsidieerde kinderopvang versus «rijke» en particuliere opvang zou ontstaan;

2. door de schaalgrootte en de expertise van de koepels kunnen die kwalitatief goede opvang bieden voor een redelijke prijs;

3. bij de uitbreidingsoperatie kan worden aangesloten bij het netwerk dat reeds in ontwikkeling is;

4. aangezien de gemeente met de koepelinstellingen een subsidierelatie heeft, kunnen ook inhoudelijke voorwaarden worden gesteld met betrekking tot inhoudelijke vernieuwing en samenwerking met derden.

De gemeente heeft mogelijkheden onderzocht om particuliere instellingen voor kinderopvang in het kader van de uitbreidingsoperatie te subsidiëren en is daarbij van volgende voorwaarden uitgegaan:

1. behoud van de mogelijkheid van de gemeente mede sturing te geven aan de verdeling van de voorzieningen over wijken met ouders met hogere en lagere inkomens;

2. behoud van de mogelijkheid om samenwerkingsverbanden aan te gaan in het kader van het lokale jeugd- en onderwijsbeleid;

3. behoud van continuïteit;

4. aanvaardbare prijs/kwaliteit-verhouding.

De gemeente Den Haag heeft ervoor gekozen tijdens de huidige uitbreidingsmaatregel af te zien van openbare aanbesteding. De gemeente overwoog daartoe dat de uitbreidingsmaatregel spoedige uitvoering vereiste; dat openbare aanbesteding specifieke deskundigheid van de gemeente vordert; dat de VNG de gemeente pas najaar 2000 hierover zou kunnen informeren en dat het moeilijk zou zijn om na die datum binnen de termijn van 31-12-2002 de uitbreidingstaakstelling te halen. Voor het overige overwoog de gemeente dat het niet verplicht was tot het starten van een openbare aanbestedingsprocedure.

Voorgesteld werd om bij een volgende uitbreidingsoperatie tot openbare aanbesteding over te gaan.

3

Onder de huidige systematiek van de Welzijnswet is het niet mogelijk om de gemeente procesmatige aanwijzingen te geven over de wijze waarop zij de stimuleringsgelden doorsluizen naar kinderopvanginstellingen. Dit neemt niet weg dat ik voorstander ben van een open markt, waarin verschillende organisaties gelijke kansen krijgen om kinderopvang aan te bieden en te profiteren van de stimuleringsgelden die in het kader van de huidige uitbreidingsoperatie door het Rijk zijn verstrekt. Transparantie en toegankelijk van de markt zijn van belang vanuit een oogpunt van risicospreiding en het voorkomen van monopolies.

Met name bij grotere gemeenten vind ik het ongewenst dat de totale nieuwe capaciteit bij één bestaande organisatie terecht komt. Marktwerking in de kinderopvang kan bovendien leiden tot meer keuzevrijheid voor ouders en betere prijs/kwaliteitsverhoudingen. Deze aspecten zullen onder de Wet basisvoorziening kinderopvang dan ook ruimte krijgen indien de markt vraaggestuurd zal worden.

Overigens wijs ik erop dat deze problematiek naar aanleiding van mijn brief aan uw voorzitter en Beleidsnota Kinderopvang, kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 587, nrs. 1 en 2, de daarop volgende vragen en antwoorden, nr. 3, alsmede het verslag van het algemeen overleg over dit onderwerp, nr. 4, uitvoerig aan de orde is geweest en door uw Kamer is goedbevonden.

4

Zie het antwoord op vraag 3.

5

Bij ouders bestaat een toenemende behoefte aan voorzieningen voor de opvang van hun kinderen. Voor steeds meer ouders is kinderopvang immers een voorwaarde om betaald werk te aanvaarden of te blijven doen. Daarbij is het van belang dat de opvang van goede kwaliteit is.

Niet alleen voor ouders is het van belang dat er voldoende opvangplaatsen gecreëerd worden, maar ook voor de overheid. Kinderopvang vergroot de mogelijkheid voor ouders om deel te nemen aan de arbeidsmarkt, hetgeen bevorderlijk is voor de macro-economische groei. Daarom voert het kabinet beleid dat is gericht op het stimuleren van de combinatie van betaalde arbeid (of zorg hiertoe) en zorgtaken.

Aan Den Haag is een uitkering verleend van maximaal f 29.848.187,00 voor het realiseren van 2.493,9 kindplaatsen tot eind december 2002.

De toedeling van deze middelen aan Den Haag, heeft, evenals de verlening van de middelen aan alle andere Nederlandse gemeenten, plaatsgevonden op basis van objectieve verdeelmaatstaven. De uiteindelijke capaciteitsuitbreiding per 2002 zal het eindresultaat zijn van gemeentelijk keuzen in het aantal plaatsen capaciteitsuitbreiding en keuzen uit de verschillende opvangvormen, denkt u bijvoorbeeld aan opvang voor 0–4 of 4–12 jarigen of opvang via kindercentra of gastouderschap. Hoe zich dus de verleende middelen verhouden tot de uiteindelijke uitbreiding en behoefte op de markt is dus deels afhankelijk van de wijze waarop de desbetreffende gemeente gebruik maakt van de stimuleringsgelden.

Volgens het raadsvoorstel van de gemeente Den Haag zullen er bovenop de opvangplaatsen die in het kader van de huidige uitbreidingsoperatie worden gerealiseerd nog eens 4.000 kindplaatsen nodig zijn in de stad. Ik kan en wil dit cijfer echter niet staven. Dit sluit ook aan bij hetgeen ik in de vorige alinea heb gesteld. Kinderopvang is op dit moment de verantwoordelijkheid van de gemeenten.

6

Zie het antwoord op vraag 3.


XNoot
1

Het Financieele Dagblad, 23 oktober jl.