Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

372

Vragen van de leden Van den Doel en Te Veldhuis (beiden VVD) aan de ministers van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de wateroverlast in het Noorden en Oosten van het land. (Ingezonden 2 november 1998)

1

Deelt u de kritiek van de Commissaris van de Koningin van Drenthe van 28 oktober jl. op de trage reactie op zijn verzoek om militairen ter beschikking te stellen voor de bestrijding van de wateroverlast? Zo neen, waarom niet?

2

Wat is de geëigende procedure om militaire steunverlening aan te vragen en hoeveel tijd is met deze procedure gemoeid?

3

Is voorzien dat bij calamiteiten van deze procedure kan worden afgeweken? Zo neen, waarom niet?

4

Welke instantie heeft het verzoek bij Defensie ingediend en hoe lang heeft het geduurd voordat dit verzoek werd geëffectueerd?

5

Hoeveel militairen zijn dagelijks beschikbaar om bij eventuele calamiteiten te worden ingezet?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Van Ardenne-van der Hoeven, ingezonden 30 oktober jl.

Antwoord

Antwoord van minister De Grave (Defensie), mede namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. (Ontvangen 23 november 1998)

1

Ik deel de mening van de Commissaris der Koningin dat de inzet van militairen eerder had moeten plaats vinden. In de evaluatie van de bijstand die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik samen met de betrokken medeoverheden op korte termijn zullen uitvoeren, zullen alle factoren die daarbij van invloed zijn geweest, worden geanalyseerd.

2

Ingevolge de Wet Rampen en zware ongevallen kan de Commissaris der Koningin in bijzondere gevallen een verzoek tot bijstand van militairen richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze wendt zich dan tot de Minister van Defensie die de nodige voorzieningen treft.

Dergelijke verzoeken om bijstand worden – met het oog op met name de interprovinciale inzet van civiele middelen – bij het Nationaal Coördinatie Centrum (NCC) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ontvangen en gecoördineerd.

Vanuit het NCC wordt in voorkomend geval contact opgenomen met het ministerie van Defensie waar wordt bezien of het verzoek kan worden gehonoreerd en door welke eenheden dit het beste kan gebeuren. Bij het NCC en het ministerie van Defensie zijn 24 uur per dag functionarissen bereikbaar om een verzoek om bijstand te behandelen.

De reactietijd benodigd voor de inzet van specifieke militaire eenheden is afhankelijk van een aantal factoren waaronder een eventuele voorwaarschuwing aan Defensie, de aard (bijvoorbeeld benodigd specialistisch personeel/materieel) en omvang van de gevraagde bijstand, de locatie waar bijstand moet worden verleend en de plaats waar de militairen en middelen zich op het moment van aanvraag bevinden.

Op het moment dat een verzoek om militaire bijstand binnenkomt bij Defensie, dient derhalve aan de hand van de beschikbare informatie over de benodigde inzet binnen de krijgsmacht te worden geïnventariseerd welke eenheid het beste en het snelste in staat is aan het verzoek te voldoen. Daarbij speelt mee dat de eenheden van de krijgsmacht gedurende de dag – vaak op verschillende plaatsen – ingezet zijn in het kader van oefeningen, lesprogramma's en andere reguliere werkzaamheden. Dit betekent dat militairen van verschillende locaties bijeen moeten worden gebracht, voertuigen moeten worden verzameld en de uitrusting van de betrokken militairen moeten worden gereedgemaakt. Ook moeten veelal logistieke voorzieningen worden getroffen voor de inzet.

3

Doordat bij het NCC en het Ministerie van Defensie 24 uur per dag functionarissen bereikbaar zijn om een verzoek om bijstand te behandelen, kan bij calamiteiten de instemmingsprocedure op een verzoek om bijstand snel plaatsvinden. De beschikbaarheid van het personeel van de eenheden kan echter een beperkende factor vormen. De mogelijkheid van een rechtstreeks verzoek van de burgemeester tot bijstand van militairen aan de regionale militaire autoriteiten is bij de wijziging van de Wet Rampen en zware ongevallen in 1997 vervallen. Dit hing met name samen met de behoefte aan versterking van de coördinerende rol van de Commissaris van de Koningin en het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen en de beschikbaarheid van moderne communicatiemiddelen.

4

Op 28 oktober heeft de Provincie Drenthe vroeg in de ochtend aan het militair garnizoen te Assen verzocht zandzakken te leveren. Bij daarop volgende telefonische contacten tussen het Regionaal Militair Commando-Oost en de Provincie Drenthe heeft Defensie aangegeven dat voor eventuele verzoeken inzake bijstand van personeel en materieel de bestaande procedure van de Wet Rampen en zware ongevallen via het NCC diende te worden gevolgd.

De Provincie Drenthe heeft om 11.00 uur het Nationaal Coördinatiecentrum van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het eerst verzocht zorg te dragen voor inzet van militairen. Om 11.20 uur heeft het NCC getracht contact op te nemen met Defensie. Na aanvankelijke communicatieproblemen is vanaf 12.35 uur een inventarisatie van beschikbare eenheden gemaakt en is opdracht gegeven liaisons te plaatsen in onder meer het Provinciaal Coördinatiecentrum te Assen. Tussentijds is er met het NCC ook nog contact geweest over de taken voor de militairen. Om 14.00 uur heeft Defensie opdracht tot inzet verstrekt. Gelet op de onduidelijkheid ten aanzien van de exacte wensen (waaronder de vraag welke middelen de militairen mee moesten nemen) is een verkenningsteam vooruitgestuurd dat om 17.19 uur ter plaatse arriveerde. De hoofdmacht van 280 militairen werd vervolgens vanaf 19.30 uur ingezet.

Vanaf 14.45 uur heeft het NCC nadere verzoeken om militaire bijstand aan Defensie doorgegeven onder meer betreffende de opvang van geëvacueerde personen in een kazerne en de inzet van F-16 fotoverkenningsvliegtuigen.

5

In 1996 is met instemming van de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie en Verkeer en Waterstaat besloten de systematiek van de «luisterplichteenheid» binnen Defensie op te heffen. De Commissarissen van de Koningin hebben destijds met deze opheffing ingestemd. Het systeem van de «luisterplichteenheid» hield in dat een periodiek aan te wijzen eenheid circa 6 uur na oproep (eventueel via radio en televisie) inzetbaar was op locatie in het kader van militaire bijstand op basis van de Politiewet 1993 of de Rampenwet. Achtergrond bij de opheffing was dat het civiele potentieel in de voorgaande jaren steeds beter geëquipeerd en georganiseerd was geraakt en in staat was gebleken in de initiële fase van een crisis c.q. ramp zonder steun van de «luisterplichteenheid» te kunnen opereren. Er worden derhalve geen specifieke eenheden meer paraat gehouden voor een eventuele inzet bij rampen en zware ongevallen.

Uiteraard blijft de capaciteit van Defensie bij een crisis of ramp beschikbaar als vangnet. Uitgangspunt is dat in de initiële fase van een crisis c.q. ramp Defensie zo spoedig mogelijk geïnformeerd wordt – zoals in het onderhavige geval bijvoorbeeld mogelijk was geweest – dat een verzoek om militaire bijstand te verwachten is.

Naar boven