Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-19981014

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1014

Vragen van het lid Koekkoek (CDA) over handel in persoonsgegevens. (Ingezonden 4 maart 1998)

1

Hebt u kennisgenomen van het artikel «Big brother is kind aan huis»?1

2

Wat is uw oordeel over het feit dat «de handel in persoonsgegevens de laatste jaren «booming business» is geworden»?2

3

In hoeverre vindt u verkoop van gegevensbestanden uit commerciële overwegingen toelaatbaar?

4

Hoe verhoudt dit zich tot de eis van doelbinding? Kan hier niet te gemakkelijk (b.v. door middel van «kleine letters») van worden afgeweken waar het gaat om gebruik voor commerciële doeleinden?

5

Hoe acht u het mogelijk dat volgens genoemd artikel een gerenommeerd handelsinformatiebureau over grote hoeveelheden informatie beschikt, zoals politiedossiers, banksaldi, uitkeringen, hypotheken en gegevens over seksuele geaardheid en medisch-psychologische achtergrond?

6

Bent u bereid op korte termijn maatregelen te nemen die (commerciële) handel in persoonsgegevens beperken?

Antwoord

Antwoord van minister Sorgdrager (Justitie), mede namens de minister van Binnenlandse Zaken. (Ontvangen 31 maart 1998)

1

Ja.

2 en 3

De handel in personeelsgegevens is binnen bepaalde grenzen mogelijk gemaakt in artikel 14 van de Wet persoonsregistraties. De beschikbaarstelling van gegevensbestanden voor dat doel is aan een aantal randvoorwaarden gebonden. Zo mogen alleen voor communicatie benodigde gegevens (naam, adres, woonplaats e.d.) aan derden worden verstrekt. Tot op zekere hoogte kan uit de categorisering van deze gegevens informatie over personen worden afgeleid. Zo ligt bijvoorbeeld in de namen en adressen van de abonnees van een tijdschrift voor een bepaalde hobby, de informatie besloten dat deze personen naar alle waarschijnlijkheid belangstelling voor die hobby hebben. Wanneer door impliciete verstrekking van dergelijke informatie de persoonlijke levenssfeer onevenredig zou worden aangetast, is een dergelijke verstrekking ontoelaatbaar. Dit blijkt uit de verwijzing in het slot van het eerste lid van artikel 14 naar onder meer artikel 13, vierde lid, onder c. Dit is een zachte norm die nader gestalte zal dienen te krijgen in de praktijk. De Registratiekamer gaat er van uit dat lijsten van namen en adressen die zijn geselecteerd op een gevoelig gegeven in de zin van artikel 7 van de Wet persoonsregistraties, zoals gegevens over godsdienst, levensovertuiging, ras, seksuele gerichtheid en medische of strafrechtelijke achtergrond, in ieder geval een dergelijke onevenredige inbreuk maken. Personen op wie een geheimhoudingsplicht rust mogen evenmin persoonsgegevens aan derden verstrekken. Verder dienen blijkens artikel 14, tweede lid, op verzoek van de geregistreerde verstrekkingen als hiervoor bedoeld achterwege te worden gelaten.

Ingevolge het Besluit genormeerde vrijstelling dient de betrokkene in veel gevallen vooraf in de gelegenheid te worden gesteld een dergelijk verzoek te doen. De branchevereniging DMSA, die een groot deel van de desbetreffende markt bestrijkt, heeft hiertoe een speciaal antwoordnummer geopend. Dat is: DMSA, Antwoordnummer 666, 1000 TL Amsterdam. Voor zover de handel zich binnen dit wettelijk kader afspeelt, kan ik daartegen geen bezwaar maken.

4

Blijkens artikel 14 van de Wet persoonsregistraties is het gebruik van persoonsgegevens voor commerciële doeleinden, binnen de daarbij aangegeven grenzen, een vorm van gebruik die verenigbaar is met het oorspronkelijk gebruik. Deze vormen van gebruik hoeven daarom ook niet als een aparte doelstelling van de registratie te worden vermeld. Artikel 5, onder b, van het Verdrag inzake gegevensbescherming (Stb. 1988, 7, ook te vinden in de S&J-serie nr. 199, blz. 306) laat dergelijke vormen van gegevensgebruik toe. Artikel 14, tweede lid, van de Wet persoonsregistraties biedt de geregistreerde de mogelijkheid bezwaar te maken. Zolang hij geen bezwaar heeft gemaakt is een dergelijk gebruik van persoonsgegevens toegestaan. Daarvoor is geen toestemming van de betrokkene nodig. Daar noch de doelstelling, noch de toestemming middels kleine lettertjes in een contract noodzakelijk zijn om binnen de aangegeven grenzen voor commerciële doeleinden af te wijken van het persoonlijk doel, ligt daar niet het gevaar van de privacybedreiging.

5

In het krantenbericht waarnaar de vraagsteller verwijst, wordt melding gemaakt van velerlei informatie die kennelijk illegaal is verkregen. Voor zover het gaat om informatie uit politiedossiers of -registraties, wijs ik erop dat de Wet politieregisters uitputtend regelt aan wie strafrechtelijke gegevens mogen worden verstrekt. Verstrekking is alleen mogelijk aan met name in het Besluit politieregisters genoemde organen met een publiekrechtelijke taak. De politieambtenaar die met overschrijding van zijn bevoegdheid persoonsgegevens aan anderen verstrekt, overtreedt zijn ambtelijke geheimhoudingsplicht en is strafbaar op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Het openbaar ministerie heeft reeds geruime tijd geleden laten weten in voorkomend geval daadwerkelijk strafrechtelijk op te treden. De opsporing van dit soort delicten blijkt in de praktijk evenwel niet gemakkelijk. Wat betreft informatie afkomstig van particuliere instanties rijst de indruk dat deze niet steeds met inachtneming van alle regels inzake de bescherming van persoonsgegevens is behandeld. Naar aanleiding van klachten hierover kan de Registratiekamer een onderzoek instellen en aanbevelingen doen. Naar aanleiding van haar ervaringen op dit gebied heeft de Registratiekamer contact opgenomen met de Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureaus met het verzoek de regulering op haar terrein aan te scherpen.

6

Het wetsvoorstel bescherming persoonsgegevens (kamerstukken II 1997/98, 25 892, nrs. 1–2) bevat op het punt van de direct marketing aangescherpte regels. Artikel 41 legt de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking de verplichting op om minstens eens per jaar de betrokkene erop te wijzen dat, hoe en waar hij bezwaar kan maken tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de slotalinea van artikel 14 van de EU-dataprotectierichtlijn van 24 oktober 1995 (PbEG 23 november 1995, L 281/31). Ik hoop dat de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer in staat zal zijn op korte termijn een verslag uit te brengen.


XNoot
1

Parool, 28 februari jl.

XNoot
2

idem.