Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-1997808

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

808

Vragen van het lid Van der Stoel (VVD) over mogelijke handel in persoonsgegevens. (Ingezonden 3 februari 1997)

1

Kent u de berichten over de handel in persoonlijke gegevens als schulden, gezondheids- en psychische problemen, sexuele voorkeur en anderen?1

2

Zo, ja kunt u verklaren hoe met name overheidsinstellingen als de Gemeentelijke Sociale Dienst en de Belastingdienst deze persoonsgegevens verstrekken?

3

Bent u bereid betrokken diensten nader te informeren over de Wet Persoonsregistratie?

4

Worden de overtreders van de wet vervolgd?

Antwoord

Antwoord van minister Sorgdrager (Justitie), mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën. (Ontvangen 7 maart 1997) zie ook aanhangsel handelingen nr. 754, vergadering 1996–1997

1

Ja.

2

Uit een bijlage bij het rapport «Privacy-audit bij handelsinformatiebureau» d.d. 11 juli 1996, 95.O.019 van de Registratiekamer1 blijkt dat bij het handelsinformatiebureau een lijst circuleert waarin de belastingdienst en de sociale dienst worden genoemd als een van de bronnen waar, volgens het handelsinformatiebureau, gegevens kunnen worden vergaard over personen. De lijst is een geheugensteun voor de medewerkers van het bureau omdat deze bronnen over interessante informatie beschikken. Daarmee is echter niet gezegd dat die bronnen ook informatie verstrekken aan het handelsinformatiebureau. Uit het rapport blijkt eveneens dat de herkomst van gegevens door het bureau onvoldoende worden gespecificeerd. De vergaring van gegevens uit diverse bronnen is daarmee oncontroleerbaar. Van de zijde van de Registratiekamer is desgevraagd medegedeeld dat tijdens het onderzoek niet is geconstateerd dat de belastingdienst ook daadwerkelijk gegevens zou hebben verstrekt. Deze constatering geldt in zijn algemeenheid ook ten aanzien van de sociale diensten met dien verstande dat in een enkel geval wel is gebleken dat een sociale dienst informatie heeft gegeven die zij niet had mogen geven. In het geval een sociale dienst weigert informatie te geven wordt dit namelijk nadrukkelijk door de medewerkers van het handelsinformatiebureau in het dossier vermeld. Op deze wijze wordt door het bureau aan de opdrachtgever verantwoording afgelegd voor het feit dat geen of onvoldoende informatie over een bepaalde persoon kan worden vergaard. Uit het rapport van de Registratiekamer blijkt dat voor het vergaren van gegevens door het bureau geen middel wordt geschuwd. Dit neemt echter niet weg dat sociale diensten geen informatie mogen geven anders dan hun op grond van de WPR en andere wetgeving is toegestaan.

3

De belastingdienst is nauwkeurig geïnstrueerd over welke informatie mag worden verstrekt en aan welke instanties. Aangezien het bij fiscale gegevens gaat om privacy-gevoelige informatie wordt aan het beheer en gebruik van deze gegevens voortdurend aandacht besteed, zowel richting de medewerkers van de belastingdienst als richting het publiek. Zo wordt niet alleen in beleidsvoorschriften aandacht besteed aan de Wet persoonsregistraties maar is in het kader van de informatiebeveiliging tevens een folder gemaakt voor de medewerkers van de belastingdienst. Hierin wordt beschreven onder welke strikte voorwaarden gegevens mogen worden verstrekt. Het publiek is geïnformeerd over hun rechten op grond van de Wet persoonsregistraties met de brochure «Privacy-bescherming», waarin de betekenis van de wet voor de burger in zijn relatie met de belastingdienst centraal staat. Uit het feit dat de sociale diensten doorgaans geen informatie verstrekken, blijkt dat zij op de hoogte zijn van hetgeen daaromtrent in de Algemene bijstandswet (Abw) is geregeld. In hoofdstuk IX, paragraaf 2 van de Abw is uitdrukkelijk bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd of verplicht zijn om gegevens te verstrekken. Bovendien kent de Abw een geheimhoudingsplicht die een ieder die bij de uitvoering van de Abw is betrokken, verbiedt om mededelingen te doen anders dan op grond van de Abw noodzakelijk is, is voorgeschreven of is toegestaan. Er zijn overigens geen signalen bekend dat sociale diensten onzorgvuldig omspringen met de gegevens van hun cliënten. Deze problematiek zal namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het reguliere bestuurlijk overleg met de VNG onder de aandacht worden gebracht. Vooralsnog acht hij het niet noodzakelijk andere maatregelen te treffen.

4

Het rapport van de Registratiekamer gaat vergezeld van een aantal aanbevelingen aan het handelsinformatiebureau. Deze aanbevelingen betreffen diverse aspecten op het terrein van de privacybescherming, zoals het aanmelden van persoonsregistraties, de wijze waarop gegevens worden verkregen, de informatie die aan betrokkenen moet worden verstrekt, het beveiligingsbeleid en de administratieve organisatie. Enkel het niet naleven van de aanmeldingsplicht is strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet persoonsregistraties. De Registratiekamer heeft ten aanzien van de aanmeldingsplicht het bureau aanbevolen uiterlijk binnen zes maanden na het uitbrengen van het rapport de persoonsregistraties correct bij de kamer aan te melden en op een correcte manier het feitelijk gebruik en de daarin opgenomen gegevens te beschrijven zodat het bureau daarmee voldoet aan haar wettelijke verplichting. Ten aanzien van de overige aspecten wordt het bureau gedurende twaalf maanden na de dagtekening van het rapport in de gelegenheid gesteld zodanige wijzigingen in organisatie en werkwijzen aan te brengen opdat ze wel aan de eisen van de WPR voldoet. In een naar aanleiding van deze aanbevelingen opgesteld actieplan van het bureau in overleg met de kamer is het bureau ten aanzien van de aanmeldingsverplichting eveneens een termijn van twaalf maanden gegund. Na verloop van deze termijn zal de kamer een vervolgonderzoek uitvoeren. Een beslissing over het al dan niet vervolgen van het bureau acht ondergetekende niet opportuun zolang de termijn van twaalf maanden nog loopt.


XNoot
1

Nieuws van de Dag, 31 januari jl.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.