Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1380

Vragen van de leden Vliegenthart (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Mulder-van Dam (CDA), Stellingwerf (RPF) en Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels) over de contracteerplicht binnen de AWBZ van thuiszorginstellingen. (Ingezonden 25 april 1997)

1

Herinnert u zich het debat over de contracteerplicht binnen de AWBZ van thuiszorginstellingen en de afspraak dat nieuwe instellingen die voor 31 december 1996 over een erkenning, beschikten, in 1997 zouden worden aangemerkt als toegelaten categorie (Art. XII, 1e lid) waarvoor ook contracteerplicht bestaat (Art. 45 AWBZ)?1

2

Bent u op de hoogte van het feit, dat ook na de brief van 11 maart2 en het debat op 20 maart3 er nog steeds verbindingskantoren zijn die van mening zijn dat er geen contracteerplicht bestaat ten aanzien van nieuw erkende instellingen?

3

Heeft het COTG actie ondernomen in de richting van de verbindingskantoren om ongewenst gedrag tegen te gaan zoals aangekondigd in de brief van 11 maart? Zo ja, wat heeft men gedaan?

4

Krijgen nieuw erkende instellingen die zich bij het COTG melden met een verzoek conform de mogelijkheid die in de brief van 11 maart geschetst wordt, te horen, dat het COTG niet bevoegd is en dat men er niets aan kan doen?

5

Reageren zowel medewerkers van de Ziekenfondsraad als ambtenaren van het ministerie van VWS op de betreffende problemen met de mededeling aan de instellingen dat «men het ook niet meer weet»?

6

Welke afspraken zijn gemaakt met de uitvoeringsinstanties over de oplossing van gerezen problemen?

7

Is de toegezegde inventarisatie van knelpunten met betrekking tot het contracteren van zogenaamde nieuw erkende instellingen per 1 april afgerond? Wat is de uitkomst van die inventarisatie?

8

Is een aantal nieuw erkende instellingen door de hierboven geschetste onduidelijkheden zodanig in de financiële problemen geraakt, dat zij – op korte termijn – failliet dreigen te gaan?

Antwoord

Antwoord van minister Borst-Eilers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (Ontvangen 12 juni 1997), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 1313, vergaderjaar 1996–1997

1

Ja.

2

Uit het onderzoek dat de Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie (CTU) heeft laten uitvoeren is gebleken dat 6 van de 21 nieuw toegelaten instellingen nog geen overeenkomst met het verbindingskantoor hebben kunnen sluiten. In die gevallen dat wel een overeenkomst is gesloten is de omvang van de gecontracteerde zorg niet altijd even groot als in 1996. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is niet aan te geven welke de oorzaken hiervoor zijn en kan niet worden vastgesteld dat sommige verbindingskantoren van mening zijn dat er geen contracteerplicht bestaat ten aanzien van de voor 1997 nieuw toegelaten instellingen.

Wel blijkt uit het onderzoek dat in bepaalde regio's verbindingskantoren een keuze maken bij het sluiten van overeenkomsten. Gelet op de beperkte omvang van de vrij te besteden financiële ruimte, kiezen sommige verbindingskantoren er niet voor een overeenkomst te sluiten met alle nieuw toegelaten instellingen die in het werkgebied zorg verlenen. Redenen hiervoor zijn dat het sluiten van overeenkomsten met alle in de regio werkende nieuw toegelaten instellingen er toe zou leiden dat de beperkte regiomiddelen (gemiddeld f 1,5 mln) moeten worden verdeeld over meer dan een instelling. Dat is niet de meest doelmatige aanwending van de middelen aangezien op die wijze een relatief groot deel wordt besteed aan overhead en andere organisatiekosten.

3 en 4

Voor zover bekend heeft het Cotg niet actief stappen ondernomen in de richting van verbindingskantoren. Dat is ook niet de primaire taak van het Cotg. Het Cotg toetst budgetverzoeken aan de hand van de richtlijnen die door de minister van VWS zijn goedgekeurd. Daarbij gaat het om in hoofdzaak beoordelen en goedkeuren dan wel vaststellen van tweezijdige of eenzijdige budgetverzoeken. De bevoegdheid van het Cotg strekt in deze dan ook niet verder dan deze wettelijke taak. Wel ligt het voor de hand dat in die gevallen waarin het Cotg vermeend ongewenst gedrag signaleert, het Cotg dit aan de minister meldt.

5

Desgevraagd wordt door de medewerkers van de Ziekenfondsraad en het ministerie alle nodige informatie verstrekt aan de instellingen. Daarbij worden ook de juridische mogelijkheden aangegeven die voor de instellingen eventueel openstaan. Deze informatieverschaffing leidt niet in alle gevallen tot het oplossen van de problemen die individuele instellingen ervaren.

6 en 7

Op 24 april 1997 is het Cotg verzocht een overgangsmaatregel te treffen om met name de zorg aan de cliënten te waarborgen. Het gaat hierbij met name om die situaties waarin de tot 1997 nieuw toegelaten instellingen de in 1996 aangevangen zorg in 1997 hebben gecontinueerd, in de verwachting dat ook voor 1997 een contract met het verbindingskantoor zou kunnen worden gesloten. Aangezien in een aantal gevallen het contract met het verbindingskantoor nog geheel of gedeeltelijk was uitgebleven, dreigden deze instellingen in de financiële problemen te komen met negatieve gevolgen voor de zorgverlening aan hun cliënten. Om dit te voorkomen is een overgangsregeling vastgesteld die erin voorziet dat de voor 1 januari 1997 aangevangen zorg ten laste van de AWBZ kan worden voltooid. De betreffende instellingen zijn ook zo snel mogelijk bevoorschot ter leniging van de ergste financiële nood.

Zodra in de voortgangsrapportage thuiszorg, die op 6 juni 1997 aan de Tweede Kamer is gezonden, is meegedeeld is in aanvulling op de hiervoor genoemde overgangsregeling besloten dat ook voor 1997 aan de nieuw toegelaten instellingen een basisbudget van f 2,375 mln op jaarbasis zal worden toegekend. Hiermee blijft voor deze instellingen voor het jaar 1997 de situatie van 1996 gehandhaafd toen ook het systeem van een basisbudget gold, terwijl tevens een verbinding wordt gelegd met 1998 waarin ook een budgetgarantie in de vorm van een basisbudget zal gelden. Dit laatste was reeds gemeld in de nota «Thuiszorg en zorg thuis, kansen voor de toekomst»1.

8

Enkele van de nieuw toegelaten instellingen hebben te kennen gegeven dat zij in ernstige financiële problemen verkeren. Het is niet bekend of deze problemen zo acuut en ernstig zijn dat dit tot een faillissement zou leiden. Met het besluit om deze instellingen ook voor het jaar 1997 een basisbudget toe te kennen, zullen de financiële problemen van de betreffende instellingen worden opgelost.


XNoot
1

VAO van 27 november 1996, kamerstuk 23 235 nr. 34. Zie ook de brief van de minister en de staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer, dd. 15 november 1996, kamerstuk 23 235 nr. 29.

XNoot
2

Kamerstuk 23 235 nr. 36.

XNoot
3

Handelingen II, vergaderjaar 1996-1997 nr. 22.

COTG = Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg.

XNoot
1

Kamerstuk 23 351, nrs. 1–3.

Naar boven