Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-19971265

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1265

Vragen van het lid Giskes (D66) over offertes. (Ingezonden 29 april 1997)

1

Heeft het overgrote deel van de levensverzekeraars in Nederland zich verplicht per 1 januari 1997 bij het uitbrengen van offertes uit te gaan van prognoses gebaseerd op rendementen over de afgelopen 20 jaar, zoals vastgelegd in de Code rendement en risico van het Verbond voor Verzekeraars?

2

Weet u dat dit in de huidige situatie blijkt te leiden tot zeer hoge prognose-rendementen (soms 16%)?

3

Acht u een dergelijke offerte-techniek in het belang van de verzekeringsconsumenten?

4

Acht u het uw verantwoordelijkheid erop toe te zien dat de belangen van consumenten op dit punt niet onevenredig worden geschaad? Zo ja, zou het niet beter zijn jaarlijks maximale verwachtingspercentages te laten vaststellen (waarin incidenteel opgetreden zeer hoge of zeer lage rendementen minder nadrukkelijk doorwerken) of anderszins grenzen en/of verantwoordingsplicht vast te laten leggen?

5

Is het u bekend dat in diezelfde Code niet is vastgelegd hoe verzekeraars de kosten van hun producten voor de consument inzichtelijk moeten maken, terwijl van die kosten een belangrijke invloed uitgaat op de maximaal haalbare rendementen?

6

Bent u bereid op het punt van rendementen en kosten van levensverzekeringen nadrukkelijker gebruik te maken van het u ter beschikking staande toezichtsinstrumentarium?

Antwoord

Antwoord van minister Zalm (Financiën). (Ontvangen 26 mei 1997)

1

Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven dat het overgrote deel van de levensverzekeraars in Nederland de Code heeft onderschreven.

Het betreft meer dan 95% van de Verbondsleden die het levensverzekerings- of spaarkasbedrijf uitoefenen. De Code staat het geven van prognoses niet toe. Wel bestaat er uit hoofde van de Code een verplichting tot het geven van ten minste 2 voorbeelden, die gebaseerd dienen te zijn op gerealiseerde rendementen over de afgelopen 15 of 20 jaar, tenzij er geen historische gegevens voorhanden zijn.

2

Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. Bij deze methodiek wordt allereerst een bandbreedte berekend waarbij uitzonderlijke waarden eruit worden gefilterd. Daarna worden als voorbeeldpercentages het laagste en het gemiddelde percentage van de bandbreedte genomen. Voor enkele verzekeringsproducten heeft toepassing van de methodiek geleid tot relatief hoge rendementen in voorbeelden, aangezien in het verleden ook relatief hoge rendementen gerealiseerd zijn. Overigens weerhoudt de Code verzekeraars er niet van daarnaast ook lagere voorbeeldrendementen te hanteren.

3

Ik ben van mening dat het nuttig is dat de consument bij de aankoopbeslissing van een kapitaalverzekering of spaarkasovereenkomst een voorstelling heeft van de mogelijke einduitkering van zijn verzekering en van de door hem te lopen risico's. Dat in de markt mechanismen worden gevonden om de consument inzicht te bieden in rendement en risico van verzekeringsproducten vind ik dan ook op zich wenselijk. Het initiatief van het Verbond moet in dit licht worden bezien. De in de Code gehanteerde techniek maakt gebruik van de beleggingsprestaties die de verzekeraar in het verleden heeft geboekt en die voor dat product in het verleden relevant waren. Indien een verzekeraar in de referentieperiode een beter dan gemiddeld beleggingsresultaat heeft behaald leidt dat ingevolge de Code tot hogere voorbeeldrendementen. Op dit punt – de in het verleden behaalde rendementen – wordt de onderlinge vergelijkbaarheid bevorderd. Wel meen ik dat uitkomsten die leiden tot voorbeeldrendementen van 16%, hoewel feitelijk gerealiseerd in het verleden, een mogelijk te positieve indruk geven. Tevens ben ik van mening dat de voorbeeldrendementen er niet toe mogen leiden dat in de perceptie van de consument het (concrete) toekomstvoorspellingen zou betreffen. Mijns inziens zou de Code met betrekking tot de relatief hoge voorbeeldrendementen, mede in het licht van de door het Verbond gedane uitspraak dat de Code niet alleen naar de letter moet worden toegepast, maar dat ook prudent met de Code moet worden omgegaan, nader moeten worden bezien.

Het Verbond heeft ook zelf aangegeven de werking van de Code te zullen volgen. Hiertoe is een onafhankelijke Toetsingscommissie geïnstalleerd die jaarlijks een openbaar verslag zal uitbrengen. Daar waar de Code geen of juist een tegengesteld effect bereikt, dan wel de geest van de Code onvoldoende tot uiting komt in reclame-uitingen van verzekeraars, zal worden bezien op welke wijze de Code moet worden aangepast.

Zo heeft het Verbond in haar circulaire van 24 april 1997 op enkele punten een verduidelijking van de Code gegeven (lagere voorbeeldrendementen toegestaan, consument mag niet de indruk hebben dat het een voorspelling betreft, Code is ook van toepassing op clickfondsen, met de Code moet prudent worden omgegaan). De Toetsingscommissie heeft de suggestie gedaan het productrendement, d.i. het effectief rendement op de inleg na aftrek van kosten, op te nemen in de code.

4

Ik verwijs in dit verband naar mijn antwoorden op de vragen van de leden Witteveen-Hevinga, Voûte-Droste en Giskes over toezicht op buitenlandse beleggingsfondsen met dochters en/of vestigingen in Nederland1, waarin ik een aantal voornemens ter bevordering van transparantie van financiële producten en de versterking van de positie van de consument heb uiteengezet. Het betreft onder andere een eventuele aanpassing van de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 en de evaluatie van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf. Deze voornemens worden thans uitgewerkt, waar noodzakelijk in samenspraak met de relevante toezichthouders en representatieve organisaties. Daarnaast is de Verzekeringskamer in nauw overleg met mijn ministerie een onderzoek gestart naar de naleving van de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994, waarbij tevens wordt geïnventariseerd welke informatie ten aanzien van voorbeeldrendementen, risicobandbreedtes en productkosten aan de consument wordt verstrekt. Hierbij zal ook de relevante regelgeving in andere landen worden betrokken. Dit onderzoek zal mij gegevens verschaffen op basis waarvan ik kan bezien, lettend op de wijze waarop de markt omgaat met de Code, de effecten van de Code en de Europeesrechtelijke aspecten, of er aanleiding is nadere voorschriften te geven om de consumenten beter te beschermen. Bij deze afweging zal ik ook het kostenaspect en de suggesties van het gebruik van maximumpercentages en productrendementen betrekken.

5

Ja, de bedoeling van het Verbond is geweest het inzicht in rendement en risico te vergroten. Het kostenaspect is hierbij buiten beschouwing gelaten. Zoals bij het antwoord op vraag 4 is aangegeven zal ik ook dit kostenaspect nader bezien.

6

In artikel 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is bepaald dat bij Ministeriële Regeling regels worden gesteld aan de informatie die een verzekeraar moet verstrekken aan polishouders. De Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 geeft hier uitvoering aan. De Regeling is gebaseerd op Bijlage II van de 3e richtlijn levensverzekering (92/96/EEG). Ingevolge artikel 31, derde lid, van die richtlijn, kunnen deze voorschriften worden uitgebreid, mits de aanvullende gegevens nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van het product. Bij de beantwoording van vragen van de leden Rabbae en Vos over teakhout2 heb ik aangegeven te zullen bezien of het wenselijk is de Regeling aan te passen. Gezien het in antwoord 4 genoemde onderzoek is het daarbij wenselijk de uitkomst van dit onderzoek in de overwegingen te betrekken.


XNoot
1

Aanhangsel Handelingen nr. 1206, vergaderjaar 1995–1996, antwoord 3.

XNoot
2

Aanhangsel Handelingen nr. 911, vergaderjaar 1995–1996, antwoord 5.