2 t/m 6
De invoering van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is een massale
operatie die circa vijf miljoen belastingplichtigen raakt. Zowel bij de Belastingdienst
als bij het publiek is er uiteraard sprake van een zekere gewenningsperiode.
Bij de voorbereiding van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is een
aantal probleemterreinen voorzien en zijn er maatregelen genomen om hierop
zoveel mogelijk te anticiperen. Al in een vroeg stadium is gestart met een
uitgebreide voorlichtingscampagne naar het publiek toe. Zo zijn er anderhalf
miljoen brochures verspreid en is op radio en televisie (Postbus 51) uitvoerig
aandacht besteed aan de nieuwe wet.
Daarnaast heeft de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) in samenwerking
met het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting (CBM) onder meer een uitgebreide
«schoningsaktie» van het kentekenregister uitgevoerd en is als
onderdeel daarvan aan de houders aangegeven dat de tenaamstelling in het kentekenregister
gevolgen heeft voor de belastingheffing. Ik verwijs u hierbij naar de brief
van 8 februari 19951, waarin u uitgebreid bent geïnformeerd
omtrent deze schoningsaktie van het kentekenregister. De RDW geeft gemiddeld
30.000 houder- en voertuigwijzigingen per dag op aan het CBM.
Omdat een aantal belanghebbenden toch verzuimd heeft de wijzigingen aan
de RDW door te geven, blijkt dat niet alle houder- en voertuiggegevens in
het RDW-bestand waarop de heffing is gebaseerd, overeenkomen met de werkelijkheid.
Dat levert bij de uitvoering van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
problemen op.
Het aanmaken en sturen van een rekening voor de motorrijtuigenbelasting
is gekoppeld aan de gegevens in het kentekenregister. Dit register is een
meldingsregister. Dat betekent dat de houder er zelf verantwoordelijk voor
is dat de gegevens in het register overeenkomen met de werkelijke situatie.
Als de houder verzuimd heet de gegevens te laten wijzigen – bijvoorbeeld
de tenaamstelling of de brandstof is niet gewijzigd of er is niet gemeld dat
het voertuig is gesloopt – kan het niet anders zijn dat de RDW de (onjuiste)
gegevens aan het CBM doorgeeft, omdat de gegevens in het kentekenregister
pas gewijzigd worden op initiatief van de houder. Het CBM maakt vervolgens
op basis van die gegevens de rekening aan.
Hoewel, zoals hiervoor is aangegeven, in de voorlichtingscampagne is gewezen
op het belang van een correcte registratie, komen toch veel «voormalige»
houders van voertuigen pas nu in actie omdat de onjuiste registratie financiële
consequenties met zich meebrengt. Het oplossen van deze zaken levert zowel
het CBM als de RDW veel werk op. Zo wordt in deze gevallen in overleg met
de RDW aan de hand van o.a. door belanghebbende toegezonden bescheiden bezien
of en in hoeverre de registergegevens juist zijn. Aan de hand van die gegevens
wordt zonodig de kentekenregistratie aangepast, waarna de rekening wordt herzien
of vernietigd.
Daarnaast roep de nieuwe wet vragen op.
De nieuwe wetgeving kent – anders dan de wet uit 1966 – rekeningen
voor een zogenoemd kort tijdvak. Voorts is bij verkoop van een auto door een
particulier aan een andere particulier er geen mogelijkheid meer de resterende
belasting terug te vragen of over te schrijven van de oude auto naar de nieuwe.
Bij verkoop in zo een geval zouden verkoper en koper de belasting over het
lopende tijdvak onderling kunnen verrekenen. Dit zijn zaken die als zodanig
zijn geregeld in de nieuwe wet. Na een gewenningsperiode zullen de belastingplichtigen
daarop kunnen inspelen. In de voorlichtingsbrochures zijn deze zaken duidelijk
uiteengezet.
Met verwijzing naar het bovenstaande merk ik op dat alle mogelijke stappen
worden ondernomen om de gesignaleerde problemen zo spoedig mogelijk op te
lossen.