Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

229

Vragen van het lid Reitsma (CDA) over de houderschapsbelasting. (Ingezonden 18 oktober 1995)

1

Kent u de recente berichten1 betreffende de problemen bij de houderschapsbelasting?

2

Zijn er grote problemen bij het al dan niet terecht opleggen van de houderschapsbelasting?

3

Is de onderlinge afstemming tussen het centrale computerbestand bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) in Veendam en het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting (CBM) in Apeldoorn inmiddels optimaal?

4

Hoeveel meldingen komen dagelijks bij het CBM en de RDW met gegevens voor de houderschapsbelasting?

5

Hoe verklaart u dat er zoveel problemen zijn bij de aanslag autobelasting?

6

Welke stappen onderneemt u om zo snel mogelijk de problemen de baas te worden en de ergernis bij de autobezitter te doen verdwijnen?

Antwoord

Antwoord van minister Jorritsma-Lebbink (Verkeer en Waterstaat), mede namens de staatssecretaris van Financiën. (Ontvangen 14 november 1995)

1

Ja.

2 t/m 6

De invoering van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is een massale operatie die circa vijf miljoen belastingplichtigen raakt. Zowel bij de Belastingdienst als bij het publiek is er uiteraard sprake van een zekere gewenningsperiode. Bij de voorbereiding van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is een aantal probleemterreinen voorzien en zijn er maatregelen genomen om hierop zoveel mogelijk te anticiperen. Al in een vroeg stadium is gestart met een uitgebreide voorlichtingscampagne naar het publiek toe. Zo zijn er anderhalf miljoen brochures verspreid en is op radio en televisie (Postbus 51) uitvoerig aandacht besteed aan de nieuwe wet.

Daarnaast heeft de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) in samenwerking met het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting (CBM) onder meer een uitgebreide «schoningsaktie» van het kentekenregister uitgevoerd en is als onderdeel daarvan aan de houders aangegeven dat de tenaamstelling in het kentekenregister gevolgen heeft voor de belastingheffing. Ik verwijs u hierbij naar de brief van 8 februari 19951, waarin u uitgebreid bent geïnformeerd omtrent deze schoningsaktie van het kentekenregister. De RDW geeft gemiddeld 30.000 houder- en voertuigwijzigingen per dag op aan het CBM.

Omdat een aantal belanghebbenden toch verzuimd heeft de wijzigingen aan de RDW door te geven, blijkt dat niet alle houder- en voertuiggegevens in het RDW-bestand waarop de heffing is gebaseerd, overeenkomen met de werkelijkheid. Dat levert bij de uitvoering van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 problemen op.

Het aanmaken en sturen van een rekening voor de motorrijtuigenbelasting is gekoppeld aan de gegevens in het kentekenregister. Dit register is een meldingsregister. Dat betekent dat de houder er zelf verantwoordelijk voor is dat de gegevens in het register overeenkomen met de werkelijke situatie. Als de houder verzuimd heet de gegevens te laten wijzigen – bijvoorbeeld de tenaamstelling of de brandstof is niet gewijzigd of er is niet gemeld dat het voertuig is gesloopt – kan het niet anders zijn dat de RDW de (onjuiste) gegevens aan het CBM doorgeeft, omdat de gegevens in het kentekenregister pas gewijzigd worden op initiatief van de houder. Het CBM maakt vervolgens op basis van die gegevens de rekening aan.

Hoewel, zoals hiervoor is aangegeven, in de voorlichtingscampagne is gewezen op het belang van een correcte registratie, komen toch veel «voormalige» houders van voertuigen pas nu in actie omdat de onjuiste registratie financiële consequenties met zich meebrengt. Het oplossen van deze zaken levert zowel het CBM als de RDW veel werk op. Zo wordt in deze gevallen in overleg met de RDW aan de hand van o.a. door belanghebbende toegezonden bescheiden bezien of en in hoeverre de registergegevens juist zijn. Aan de hand van die gegevens wordt zonodig de kentekenregistratie aangepast, waarna de rekening wordt herzien of vernietigd.

Daarnaast roep de nieuwe wet vragen op.

De nieuwe wetgeving kent – anders dan de wet uit 1966 – rekeningen voor een zogenoemd kort tijdvak. Voorts is bij verkoop van een auto door een particulier aan een andere particulier er geen mogelijkheid meer de resterende belasting terug te vragen of over te schrijven van de oude auto naar de nieuwe. Bij verkoop in zo een geval zouden verkoper en koper de belasting over het lopende tijdvak onderling kunnen verrekenen. Dit zijn zaken die als zodanig zijn geregeld in de nieuwe wet. Na een gewenningsperiode zullen de belastingplichtigen daarop kunnen inspelen. In de voorlichtingsbrochures zijn deze zaken duidelijk uiteengezet.

Met verwijzing naar het bovenstaande merk ik op dat alle mogelijke stappen worden ondernomen om de gesignaleerde problemen zo spoedig mogelijk op te lossen.


XNoot
1

Haagsche Courant, 14 oktober 1995.

XNoot
1

Kamerstukken 23 934, nr. 7.

Naar boven