Vragen van het lid Van Rooijen (50PLUS) op 9 juli 2024 medegedeeld aan de Minister-President over de staatsrechtelijke aspecten van het volgen van de zgn. SGH route bij de afwikkeling van de toeslagenaffaire.

Antwoorden van de Minister-President en de Staatssecretaris van Financiën ontvangen op 6 december 2024.

Vraag 1

Is de Minister-President bekend met de wijze waarop de Stichting (Gelijk)waardig Herstel («SGH») betrokken is bij de afwikkeling van de toeslagenaffaire?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Is dit onderwerp aan de orde geweest bij de ambtsoverdracht van de Minister-President? Zo ja, is het als een voldongen besluit aan de nieuwe premier gepresenteerd?

Antwoord 2

Over de Stichting is niets opgenomen in het introductiedossier. Het introductiedossier is openbaar.

Vraag 3

Beschikt de Minister-President naar zijn oordeel op dit moment nog over beleidsruimte op dit onderwerp?

Antwoord 3

De verantwoordelijkheid voor het beleid en de uitvoering van de hersteloperatie ligt bij de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane.

Vraag 4

Is de Minister-President van oordeel dat de betrokkenheid van SGH leidt tot een beter resultaat inzake de individuele uitkeringen? Zo ja, op welke gronden is dat oordeel gebaseerd?

Antwoord 4

De schadevergoedingsroute van SGH is in mei 2024 uitgebreid geëvalueerd door het Ministerie van Financiën. Over de inhoud van deze brief zijn beide Kamers geïnformeerd in de Kamerbrief van 31 mei jl.1 Kort gezegd leidt de aanpak van SGH tot hoge oudertevredenheid, lage uitvoeringskosten en een grotere behandelcapaciteit voor het vergoeden van aanvullende schade ten gevolge van de toeslagenaffaire. De forfaitaire schaderoute via SGH voorziet bovendien in de behoefte van een deel van de gedupeerde ouders om op basis van hun verhaal een grofmazige forfaitaire schadevergoeding te ontvangen en deze af te sluiten met een VSO. Dat is een andere benadering dan de precieze berekening van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) of de vaststellingsovereenkomst (VSO) via de regieroute-VSO. Het is daarom niet goed mogelijk de twee benaderingen kwalitatief één op één te vergelijken aan de hand van criteria zoals die in vraag 5 door de vragensteller geschetst zijn. Voor een meer uitgebreid oordeel en de gronden waar deze op gebaseerd is, verwijs ik naar de Kamerbrief van 31 mei jl. en de bijgevoegde evaluatie.

Vraag 5

In welk opzicht zou het hier gaan om een verbetering ten opzichte van de andere, door het Ministerie van Financiën gevolgde, procedures: in de snelheid van de procedure, in de kwaliteit van de procedure, in de hoogte van de in individuele gevallen uitgekeerde en nog uit te keren bedragen, in de rechtvaardigheid van de beslissingen in de individuele gevallen, in het volgen van de relevante rechtsbeginselen of in de gevolgen voor ’s Rijks Schatkist?

Antwoord 5

Zie het antwoord op vraag 4.

Vraag 6

Is de Minister-President bekend met de inhoud van het artikel in De Correspondent van 11 juni van de hand van Jesse Frederik, waarin wordt gesteld dat de compensatieregeling voor de toeslagenaffaire via de SGH route onuitlegbaar, onuitvoerbaar en onbetaalbaar is?

Antwoord 6

Ja.

Vraag 7

Erkent de Minister-President de risico’s die zijn verbonden aan het volgen van de SGH route? Welke risico’s ziet de Minister-President in het bijzonder?

Antwoord 7

In de evaluatie van de SGH-route heeft het Ministerie van Financiën een aantal risico’s geïdentificeerd, die het ministerie voor zover mogelijk gemitigeerd heeft in de nieuwe dienstverleningsovereenkomst met SGH. Dat is echter niet mogelijk voor alle risico’s. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief die de nota van wijziging op de 1e suppletoire begroting van Financiën begeleidde van 26 juni jl., blijft het totaal aantal ouders dat kiest voor een aanvullende schaderoute in de ogen van het Ministerie van Financiën nog onzeker. De opschalingsrisico’s die deze onzekerheid met zich meebrengt, zijn echter niet gelimiteerd tot SGH maar gelden ook voor de CWS.

Vraag 8

Acht de Minister-President het verstandig en verantwoord dat leden van het Koninklijk Huis inhoudelijk bij deze procedure worden betrokken en aldus medeverantwoordelijkheid dragen voor de inhoud van de regeling en de wijze van uitvoering?

Antwoord 8

De Minister-President heeft de algemene ministeriële verantwoordelijkheid voor het Koninklijk Huis. Leden van het Koninklijk Huis kunnen, gelet op hun ontplooiingsmogelijkheden en invulling van hun maatschappelijke positie, functies aanvaarden. De website van het Koninklijk Huis bevat een actueel overzicht van de functies van de leden van het Koninklijk Huis.

Daarnaast speelt de ministeriële verantwoordelijkheid in specifieke zin een rol in het geval waarin een individueel bewindspersoon een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het terrein waarop de beoogde functie betrekking heeft.

De betrokkenheid van Prinses Laurentien bij de opstart van de pilotfase is getoetst door de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane, en er is toen geconcludeerd dat er geen bezwaren zijn bij de aanvaarding van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van deze betrokkenheid. De Minister-President heeft deze conclusie onderschreven.

Op 28 augustus jl. heeft prinses Laurentien haar besluit kenbaar gemaakt om te stoppen als voorzitter van SGH. Het kabinet respecteert deze keuze, en is de prinses dankbaar voor haar grote inzet voor gedupeerde ouders. Het kabinet wil daarbij benadrukken dat het vertrek van de prinses geen gevolgen heeft voor het vervolg van de afhandeling van aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade via SGH. Een eventuele nieuwe betrokkenheid van de prinses in dezelfde of andere rol, zal opnieuw gewogen moeten worden door de beleidsverantwoordelijke bewindspersoon en de Minister-President.

Vraag 9

Indien burgers niet tevreden zijn met het resultaat van de SGH in hun specifieke geval, tot wie kunnen zij zich dan wenden?

Antwoord 9

Ouders die gebruik maken van de SGH-route om tot een VSO te komen met de Staat, worden gedurende het proces ondersteund door medewerkers van SGH en kunnen worden bijgestaan door bijvoorbeeld een advocaat. Wanneer ouders niet tevreden zijn over de inhoud van de VSO, kunnen zij ervoor kiezen deze niet te tekenen en zich – met behoud van hun oorspronkelijke plek in de wachtrij – te wenden tot de CWS of de civiele rechter. Dit is tot dusver niet tot zeer weinig voorgekomen.

Vraag 10

Is de Minister-President van oordeel dat hier in staatsrechtelijk opzicht risico’s worden gelopen, door de combinatie van betrokkenheid van deze leden van het Koninklijk Huis en de ministeriële verantwoordelijkheid van de regering, in het bijzonder de Minister-President, voor handelingen van leden van het Koninklijk Huis?

Antwoord 10

Nee, zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 11

Is van regeringszijde met de betrokken leden van het Koninklijk Huis gesproken over deze risico’s? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer is dat gebeurd, voorafgaande aan de daadwerkelijke betrokkenheid of in een later stadium?

Antwoord 11

De conclusie met betrekking tot de ministeriële verantwoordelijkheid is door de Minister-President verzonden aan het kabinet van de Koning. Het kabinet doet verder geen uitspraken over de aard en inhoud van gesprekken met leden van het koninklijk huis.

Vraag 12

Waarom is van regeringszijde geen actie ondernomen om deze leden van het Koninklijk huis te weerhouden van actieve betrokkenheid? Is een dergelijk ingrijpen bij de regering op enig moment in overweging geweest?

Antwoord 12

Nee, zoals bij antwoord 8 is toegelicht is geconcludeerd dat er geen bezwaren zijn bij de aanvaarding van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de genoemde betrokkenheid.

Vraag 13

Realiseert de Minister-President zich dat deze betrokkenheid van leden van het Koninklijk Huis ook impliceert dat deze leden (mede)verantwoordelijkheid dragen voor miljarden euro’s aan uitgaven ten laste van de Rijksbegroting, de wijze waarop de gelden worden verdeeld en de regels die daarbij al dan niet worden toegepast dan wel al dan niet worden nageleefd?

Antwoord 13

Dit is niet correct. De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane draagt verantwoordelijkheid voor de uitgaven ten laste van de Rijksbegroting die worden gedaan in het kader van de dienstverleningsovereenkomst met SGH.

Vraag 14

Op welke wijze zou naar het oordeel van de Minister-President de verantwoordelijkheid van deze leden van het Koninklijk Huis kunnen worden gemitigeerd dan wel voorkomen?

Antwoord 14

Zie het antwoord op vraag 13.

Vraag 15

In welke mate zou de Minister-President bereid zijn om leden van het Koninklijk Huis (enige) vrijheid te geven om maatschappelijke activiteiten die risico’s en externe verantwoordelijkheid met zich brengen uit te oefenen?

Antwoord 15

Leden van het Koninklijk Huis kunnen, gelet op hun ontplooiingsmogelijkheden en invulling van hun maatschappelijke positie, functies aanvaarden. De website van het Koninklijk Huis bevat een actueel overzicht van de functies van leden van het Koninklijk Huis. In het bijzonder voor de niet-uitkeringsgerechtigde leden geldt dat het aanvaarden van een functie ook van belang is om te kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Hoe de aanvaarding en de invulling van een functie zich verhoudt tot de ministeriële verantwoordelijkheid, dient per geval te worden bekeken.

Vraag 16

Verwacht de Minister-President nog verdere aanbiedingen van de zijde van het Koninklijk Huis om ambtelijke taken anders, beter en sneller uit te voeren?

Antwoord 16

Er is op dit moment geen verzoek ingediend om te toetsen of de ministeriële verantwoordelijkheid zich verzet tegen aanvaarding van een nieuwe functie.

Vraag 17

Welke consequenties zou de Minister-President te zijner tijd willen verbinden jegens deze leden van het Koninklijk Huis aan een resultaat van de SGH route wanneer dit resultaat maatschappelijk, juridisch en/of politiek onaanvaardbaar is?

Antwoord 17

Indien de SGH-route leidt tot maatschappelijke, juridische of politiek onaanvaardbare resultaten, is dit een beleidskwestie waarvoor de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane verantwoordelijk is. Het is in dat geval aan haar om het beleid waarvan deze route deel uitmaakt aan te passen. Dat staat los van de rol die individuele leden van het Koninklijk Huis spelen in de SGH-route.


X Noot
1

Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1391.

Naar boven