Vragen van het lid Van Rooijen (50 PLUS) medegedeeld aan de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen naar aanleiding van de op 2 september 2022 ontvangen antwoorden van de Minister op de vragen bij het artikel «Koopkrachtbehoud toch een illusie»1Zie Aanhangsel van de Handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 2021–2022, nr. 11 (ingezonden 6 september 2022).

Antwoorden van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen (ontvangen 17 oktober 2022).

Vraag 1

Kan de Minister een onderbouwing leveren van haar keuze om te rekenen met een projectierendement van 0%?

Antwoord 1

Er is in de door de heer Van Rooijen genoemde berekening uitgegaan van een veronderstelde risicovrije rente van 1,5%, waarbij een indexatie-afslag is toegepast, zodanig dat het projectierendement gelijk is aan 0%. Zoals ik al eerder heb aangegeven in het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer op 15 september jongstleden over het wetsvoorstel toekomst pensioenen, had dit in de beantwoording beter toegelicht moeten worden. Daardoor is een verwarrend beeld ontstaan. Dat betreur ik.

Door het hanteren van een projectierendement van 0% lijkt het alsof het totale behaalde rendement op de beleggingsportefeuille leidt tot een verhoging van pensioenen. Het was daarom logischer geweest om het projectierendement in eerste instantie gelijk te stellen aan de risicovrije rente en vervolgens in een aparte tabel te laten zien wat er gebeurt bij een afslag op het projectierendement, waardoor het projectierendement lager wordt dan de risicovrije rente en er een stijgend uitkeringenpatroon wordt gecreëerd. Hierdoor kan de inflatie beter worden bijgehouden, maar dat is uiteraard niet gratis. De startuitkering zal dan lager zijn. Tot slot merk ik hierbij op dat dit het pensioen over de gehele uitkeringsfase per saldo niet lager maakt. Het opgebouwde persoonlijke pensioenvermogen wordt slechts anders verdeeld over de tijd.

Vraag 2

Kan de Minister aangeven wat de dekkingsgraad van een gemiddeld pensioenfonds voor invaren moet zijn om zonder pensioenrechten te verlagen na invaren een projectierendement te kunnen hanteren van 1,7% onder de RTS?

Antwoord 2

Hier valt geen eenduidig antwoord op te geven, aangezien dit afhangt van de decentrale besluitvorming van fondsen. Zo hangt het antwoord af van het gekozen invaardoel en in hoeverre bij invaren door decentrale partijen collectief vermogen wordt aangewend voor toedeling richting de pensioenrechten van gepensioneerden. Ook zijn uitkomsten bijvoorbeeld afhankelijk van de vraag welke mate van vergrijsdheid van een fonds wordt verondersteld.

Vraag 3

Kan de Minister aangeven met hoeveel procent de premie ongeveer stijgt als wordt overgestapt van de huidige rekenrente naar een projectierendement van 1,7% onder de RTS?

Antwoord 3

De premie in het huidige contract moet kostendekkend zijn op basis van de risicovrije rentetermijnstructuur of mag binnen bepaalde voorwaarden worden gedempt. Dit kan op basis van een 10-jaars voortschrijdend gemiddelde van de historische risicovrije rente of op basis van een verwacht reëel rendement. In dat geval moet een indexatie-afslag op het verwachte portefeuillerendement van het pensioenfonds worden toegepast op basis van de systematiek die de Commissie parameters heeft geadviseerd (maximale parameters voor verwachte rendementen en minimale parameters voor inflatie).

Het projectierendement waar de heer Van Rooijen deze vragen over stelt, dus op basis van de rentetermijnstructuur – waarbij eventueel een op- en/of afslag kan worden gehanteerd – wordt uitsluitend als instrument in het nieuwe stelsel gebruikt om het uitkeringenpatroon op basis van het opgebouwde persoonlijke pensioenvermogen voor de uitkeringsfase te bepalen en op basis daarvan de uitkeringen periodiek te onttrekken. De heer Van Rooijen vraagt naar een effect op de premie van dit specifieke projectierendement, maar voor dit doel wordt dit type projectierendement dus niet gebruikt. Voor de bepaling van de premie in het nieuwe stelsel kunnen sociale partners gebruik maken van scenario-analyses die zijn uitgevoerd door de pensioenuitvoerder. Zoals gezegd, staat deze stochastische projectiemethode, het doorrekenen van economische toekomstscenario’s, los van het deterministische projectierendement voor de bepaling van het pensioen in de uitkeringsfase.

Vraag 4

Kan de Minister aangeven van hoeveel fondsen zij verwacht dat ze straks een projectierendement kiezen van 1,7% of meer onder de RTS?

Antwoord 4

Nee, hier bestaat op dit moment nog geen beeld van. Het is aan decentrale partijen om het te hanteren projectierendement voor de betreffende pensioenregeling vast te stellen.

Vraag 5

Kan de Minister aangeven van hoeveel fondsen zij verwacht dat ze straks een projectierendement kiezen die groter dan of gelijk is aan de RTS?

Antwoord 5

Nee, ook hier bestaat op dit moment nog geen beeld van.

Vraag 6

De Minister geeft aan dat het nieuwe stelsel aanvullende voordelen biedt in de vorm van het wegvallen van buffers. Acht de Minister de solidariteitsreserve dan geen vorm van een buffer? En zou indien in het huidige uitkeringsstelsel alle zekerheden worden weggenomen, zoals bij het oorspronkelijke pensioenakkoord het geval was, door het wegvallen van de buffers niet hetzelfde voordeel zijn ontstaan?

Antwoord 6

De solidariteitsreserve heeft een andere functie dan solvabiliteitsbuffers in het huidige ftk-contract. De werking is ook anders. In het huidige ftk-contract moeten boven een dekkingsgraad van 100 procent zekerheidsbuffers worden opgebouwd op basis van vooral behaalde overrendementen. Alle overrendementen onder 110% dekkingsgraad zijn bestemd voor bufferopbouw. Daarboven mag heel geleidelijk geïndexeerd worden op basis van de regels voor toekomstbestendige indexatie. Deze behaalde overrendementen komen hierdoor niet direct ten goede aan deelnemers en gepensioneerden. In het nieuwe stelsel worden dekkingsgraden losgelaten. Het pensioen wordt opgebouwd in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens. Daarnaast moet in de solidaire premieovereenkomst een solidariteitsreserve worden aangehouden. Door middel van de solidariteitsreserve worden financiële mee- of tegenvallers collectief gedeeld op een wijze die op voorhand leidt tot gemiddeld stabielere of hogere toekomstige en al ingegane pensioenuitkeringen voor alle generaties. De solidariteitsreserve is dus niet bedoeld als een zekerheidsbuffer die structureel aanwezig moet zijn om een bepaalde zekerheidsmaat te garanderen. Voor de financiering van de solidariteitsreserve mogen weliswaar ook overrendementen worden gebruikt, maar dat is begrensd op jaarlijks maximaal 10% van het behaalde overrendement op fondsniveau. Bovendien is de omvang van de solidariteitsreserve gemaximeerd op 15% van het totale belegde vermogen. Solvabiliteitsbuffers in het huidige stelsel zijn aan bovenkant in beginsel onbegrensd.

Verder heeft de heer Van Rooijen de vraag gesteld of met het wegnemen van alle zekerheden in het huidige uitkeringenstelsel, zoals bij het oorspronkelijke pensioenakkoord het geval was, door het wegvallen van de buffers niet hetzelfde voordeel zou ontstaan. Het weglaten van alle zekerheidsbuffers in een stelsel waarbij nog steeds loongerelateerde aanspraken zouden worden opgebouwd, zou tot gevolg hebben dat behaalde overrendementen ook dan eerder aan deelnemers en gepensioneerden ten goede zouden komen. Het wetsvoorstel Wet Toekomst pensioenen heeft echter meerdere doelen dan alleen meer perspectief geven op een koopkrachtiger pensioen. Zo is het nieuwe stelsel transparanter en persoonlijker, waardoor het stelsel voor deelnemers begrijpelijker en persoonlijker wordt. Er is niet langer sprake van de doorsneesystematiek en de daarbij horende herverdeling van geldstromen. Ook sluit het nieuwe stelsel beter aan bij de ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Tenslotte kunnen behaalde rendementen veel gerichter aan deelnemers- en gepensioneerden worden toebedeeld, omdat financiële mutaties niet meer via één uniforme dekkingsgraad worden verwerkt. Omdat een veel passender risicoprofiel voor verschillende leeftijden kan worden gehanteerd, wordt welvaartswinst behaald en daarmee een in verwachting beter pensioenresultaat.

Vraag 7

Kan de Minister de vragen beantwoorden op zo kort mogelijke termijn?

Antwoord 7

Ja, hierbij treft u deze antwoorden aan.


X Noot
1

Zie Aanhangsel van de Handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 2021–2022, nr. 11

Naar boven