Vragen van het lid Kostić (PvdD) aan de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over massasterfte van zwaluwen door pesticiden (ingezonden 22 mei 2026).

Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 24 september 2026).

Inleiding:

Op 22 mei 2026 stelde het lid Kostić (PvdD) vragen met het kenmerk 2026Z10725 massasterfte onder zwaluwen door pesticiden over het bericht «Hoe «veilige» pesticiden toch een kolonie oeverzwaluwen deden sterven bij Haarrijnse plas» en over het artikel «Acute mortality in sand martins (Riparia riparia) and barn swallows (Hirundo rustica) linked to dermal or inhalation pyrethroid insecticide exposure».

De vragen zijn gesteld aan de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (verder: LVVN).

De Staatssecretaris van LVVN heeft taken en bevoegdheden over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (verder: IenW) over biociden. Daarom doe ik u mede namens de Staatssecretaris van LVVN de antwoorden op deze vragen toekomen.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?

Antwoord 2

Op grond van dit incident kan niet worden geconcludeerd of de problematiek van het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt onderschat. Wel is afgelopen maart een rapport van Wageningen UR e.a. verschenen over doorvergiftiging door het gebruik van bepaalde biociden (rapport «Vergiftiging van niet-doelsoorten met anticoagulante rodenticiden», CLM-publicatienummer: 1271). Daaruit blijkt dat vergiftiging en doorvergiftiging nog steeds plaatsvindt. Dit onderstreept het belang van mijn beleid om krachtig te blijven inzetten op Integraal Plaag Management (IPM). Hierbij wordt prioriteit gegeven aan preventie, vervolgens niet-chemische bestrijding en tenslotte -als vangnet- chemische bestrijding van plaagsoorten.

Vraag 3

Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?

Antwoord 3

De Ministeries van IenW en LVVN laten geen structurele monitoring uitvoeren van de sterfte bij vogels en andere wilde dieren als gevolg van het gebruik van biociden respectievelijk gewasbeschermingsmiddelen. Het heeft de voorkeur de beperkt beschikbare middelen in te zetten voor verdere implementatie van «integraal plaag management» (integrated pest management). De toepassing van preventieve en niet-chemische maatregelen om een plaag te beheersen heeft de voorkeur boven het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Daarmee wordt vergiftiging als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen verminderd.

Vraag 4

Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2

Antwoord 4

Ja.

Vraag 5

Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?

Antwoord 5

De stoffen permethrine en tetramethrine mogen in Nederland niet worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen. De beantwoording van deze vragen zal zich daarom beperken tot biociden. Bestrijdingsmiddelen, in de vragen aangeduid als pesticiden, kunnen bestaan uit biociden en uit gewasbeschermingsmiddelen.

De conclusies in het onderzoek richten zich op biociden met daarin de werkzame stoffen permethrine en tetramethrine. Biociden zijn bedoeld voor de bestrijding of afwering van schadelijke organismen en hebben daarom gevaarlijke eigenschappen. Een biocide is dan ook niet veilig of «relatief veilig». Wel kan worden gesteld dat een toegelaten gebruik van een biocide, mits toegepast volgens het gebruiksvoorschrift, niet leidt tot onaanvaardbare effecten voor mens, dier of het milieu.

Vraag 6

Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?

Antwoord 6

Volgens het onderzoek is de blootstelling aan de insecticiden met permethrine en tetramethrine via de huid of inhalatie de meest waarschijnlijke oorzaak van de dood van de zwaluwen in Utrecht en Noordwijk. Een deel van de (vertaalde) conclusie luidt: «Hoewel er geen referentiemonsters beschikbaar waren, ondersteunen de detectie van deze insecticiden in hoge concentraties bij alle getroffen individuen, de consistent waargenomen neurologische symptomen en de afwezigheid van pathologische of infectieuze verklaringen onze hypothese dat acute neurotoxiciteit door directe blootstelling aan insecticiden de meest waarschijnlijke oorzaak is van de dood van de zwaluwen.» Bij gebruik volgens voorschriften is dit geen normale blootstellingsroute.

Vraag 7

Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?

Antwoord 7

In het toelatingsbeleid worden de realistische blootstellingsroutes beoordeeld. Dat zijn kort gezegd de manieren waarop -in dit geval- vogels redelijkerwijs in contact (kunnen) komen met deze insecticiden. Daarom wordt bij de beoordeling van deze middelen wel een scenario toegepast voor de route orale blootstelling maar niet voor de routes inhalatie en dermale blootstelling.

Gelet op de feiten en omstandigheden die in de berichten worden genoemd, is het niet aannemelijk dat de vogelsterfte een gevolg is van een normaal, toegelaten gebruik van biociden met de werkzame stoffen permethrine en tetramethrine. Er lijkt sprake van incidenten, zonder direct aanwijsbare verklaring hoe de zwaluwen aan deze biociden zijn blootgesteld.

Vraag 8

Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?

Antwoord 8

Ik betreur deze vogelsterfte. De incidenten zijn echter niet bepalend voor het voortbestaan van de populaties oeverzwaluwen en boerenzwaluwen in Nederland.

Vraag 9

Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?

Antwoord 9

In het artikel wordt geconcludeerd dat de huidige beoordeling voor niet-doelwitdieren («non-targeted wildlife») zich voornamelijk richt op blootstelling via voedsel en dat die niet altijd voldoende rekening houdt met de impact van blootstelling via de huid of inademing.

Vraag 10

Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?

Antwoord 10

In het artikel wordt aangetoond dat de blootstelling aan pesticiden (in dit geval: biociden) via de huid en inademing zeer relevant («of crucial relevance») zijn geweest voor het optreden van de negatieve gevolgen. Het artikel constateert vervolgens dat de kennis over de mogelijke gevolgen van blootstelling via de huid en inademing beperkt is, hetgeen volgens het artikel kan leiden tot een onderschatting van de risico’s als gevolg van die blootstelling. Incidenten zoals bedoeld in antwoord 7 betreffen vogelsterfte die hoogstwaarschijnlijk het gevolg is van een niet normaal gebruik van biociden. Er is daarom geen aanleiding tot de ontwikkeling van extra scenario’s.

Vraag 11

Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 11

Ik verwijs u kortheidshalve naar het antwoord op vraag 13.

Vraag 12

Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?

Antwoord 12

Het Ctgb heeft mij informatie verstrekt die is gebruikt voor de beantwoording van de vragen.

Vraag 13

Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13

Het Ctgb en het Europese agentschap ECHA zijn onafhankelijke, deskundige organisaties, die zich bewust zijn van mogelijke cumulatieve en synergetische effecten van bestrijdingsmiddelen en het belang ervan. Gelet op die positie ben ik terughoudend om bij hen aan te dringen op het meenemen van die effecten in hun beoordelingen.

Ik vind de ontwikkeling van methodieken voor het bepalen van cumulatieve en synergistische effecten van bestrijdingsmiddelen belangrijk en ik steun het werk dat hiertoe in de EU wordt uitgevoerd. Op Europees niveau worden dergelijke (complexe) beoordelingsmethoden ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is het PERA-project van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) waarin een beoordelingskader wordt ontwikkeld dat een groot aantal factoren uit het ecosysteem meeweegt, waaronder de invloed van chemische stoffen.

Op het moment dat een geharmoniseerde beoordelingsmethode in werking is getreden, zullen het Ctgb en ECHA die toepassen in hun beoordelingen.

Vraag 14

Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?

Antwoord 14

In antwoord 7 heb ik aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van incidenten, waarbij de zwaluwen op een uitzonderlijke manier zijn blootgesteld. Het is daarom niet goed mogelijk de huidige bevindingen te verwerken in Europees beleid.

In de onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder pleit ik voor een werkprogramma waarin stoffen worden aangewezen om eerder herbeoordeeld te worden als nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven. Ik heb voorgesteld dat de Europese Commissie aan ECHA het mandaat geeft om de relevante wetenschappelijke literatuur en beschikbare monitoringgegevens over de veiligheid van alle goedgekeurde en aangemelde werkzame stoffen periodiek te herbeoordelen en hierover verslag te doen aan de Europese Commissie en de lidstaten. De Omnibus is beperkt in scope en in het aantal bepalingen dat wordt aangepast. De Commissie heeft aangekondigd te komen tot een herziening van de Biocidenverordening. Dat is een beter moment om te werken aan verbetering van het beschermingsniveau.

Vraag 15

Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?

Antwoord 15

In de antwoorden 2 en 3 heb ik aangegeven dat ik mij blijf inzetten op een verdere implementatie van integraal plaag management, waarbij het gebruik van biociden tot het noodzakelijk minimum wordt beperkt.

Vraag 16

Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?

Antwoord 16

Vanwege de noodzakelijke afstemming is de beantwoording van de vragen vertraagd.


X Noot
1

AD, 19 mei 2026, «Hoe veilige pesticiden toch een kolonie oeverzwaluwen deden sterven bij Haarrijnse plas», (https://www.ad.nl/utrecht/hoe-veilige-pesticiden-toch-een-kolonie-oeverzwaluwen-deden-sterven-bij-haarrijnse-plas~adf5a43a0/)

X Noot
2

Wageningen University and Research, 9 april 2026, «Acute mortality in sand martins (Riparia riparia) and barn swallows (Hirundo rustica) linked to dermal or inhalation pyrethroid insecticide exposure», (https://research.wur.nl/en/publications/acute-mortality-in-sand-martins-riparia-riparia-and-barn-swallows/)

Naar boven