Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 18 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 18 |
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Seksueel kindermisbruik kan zeer ingrijpende en langdurige gevolgen hebben voor slachtoffers, hun ouders en/of verzorgers, andere direct betrokkenen, zoals de school, en de bredere gemeenschap. Het is van groot belang dat slachtoffers en hun naasten de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben.
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties. Veel slachtoffers doen geen melding bij de politie, omdat minderjarigen dat vaak niet durven, zij niet weten dat wat hen is overkomen strafbaar is, men niet weet dat melden kan of bang zijn voor gevolgen, sommige slachtoffers geen vervolging wensen, of dat zij enkel verwijdering van beeldmateriaal willen zonder verdere (strafrechtelijke) stappen.
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om slachtoffers eerder in beeld te krijgen door de meldingsbereidheid te vergroten en de toegang tot passende hulp te versterken. Zo heeft het traject «goed georganiseerd hulplandschap voor slachtoffers van seksueel geweld» geresulteerd in een nieuwe werkwijze die eind 2025 in twee regio’s is getest en geëvalueerd. Uit het procesevaluatierapport blijkt dat de ontwikkelde werkwijze positief kan bijdragen aan de mate waarin slachtoffers zich geholpen voelen.1 De Kamer zal in het najaar worden geïnformeerd over een mogelijke landelijke uitrol van deze nieuwe werkwijze, en de wijze waarop nog bestaande knelpunten in de samenwerking zullen worden geadresseerd. Daarnaast zet het kabinet in op relationele en seksuele vorming in het (speciaal) basisonderwijs, het (speciaal) voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs als belangrijk onderdeel van de preventie van seksueel geweld tegen kinderen.
Ook de politie zet in op het in beeld krijgen van slachtoffers van seksueel misbruik. Zo spannen de Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK’s) van de politie zich dagelijks in om jonge slachtoffers die onmachtig zijn zichzelf uit een misbruiksituatie te bevrijden, op te sporen en uit de misbruiksituatie te halen. Daarnaast is de aanpak van online seksueel kindermisbruik als geprioriteerd thema opgenomen in de huidige Veiligheidsagenda en zal deze ook deel uitmaken van de Veiligheidsagenda 2027–2030.
Zie voor de inzet op het gebied van vroegsignalering tevens de antwoorden op vragen 6 en 8.
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Onderstaand overzicht geeft, op basis van een bevraging van de registratiesystemen van de politie een weergave van het aantal meldingen en aangiftes van seksueel geweld met een minderjarig slachtoffer in de afgelopen vijf jaar.2 De tabel levert een onderschatting op van het werkelijk aantal geregistreerde incidenten bij de politie van seksueel misbruik van minderjarigen omdat niet alle incidenten onder de juiste categorie worden geregistreerd en omdat er in sommige gevallen bewust anders wordt geregistreerd om de anonimiteit van het slachtoffer te kunnen waarborgen.3
Tabel 1 Aantal incidenten van seksueel geweld met minderjarig slachtoffer

(Bron: politie (periode 01-01-2021-30-06-2026))
Uit het tabel blijkt dat in meer dan de helft van de gevallen een aangifte volgt op de melding.
Daarnaast geeft de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen een overzicht van de ontwikkelingen in de aard, omvang en aanpak van seksueel geweld tegen kinderen in de periode 2020–2024. De Monitor bevat geen cijfers over 2025.
In ongeveer 34% van de meldingen wordt een zaak naar het Openbaar Ministerie (OM) gestuurd. In dezelfde periode zijn 6.848 zaken van seksueel geweld tegen kinderen bij het Openbaar Ministerie ingeschreven en heeft het OM 6.728 zaken inhoudelijk afgehandeld. eindigen er 3.939 in een dagvaarding en 2.266 zaken eindigen in een technisch sepot. In de jaren 2020 tot en met 2024 heeft de rechter in totaal 3.446 zaken van seksueel geweld tegen kinderen in eerste aanleg afgedaan, waarvan 2.902 tot een veroordeling met strafoplegging en/of -maatregel hebben geleid van de in totaal 2.949 veroordelingen voor seksueel geweld tegen kinderen in de periode 2020–2024.
Deze cijfers geven echter geen volledig beeld van de daadwerkelijke omvang van seksueel geweld tegen kinderen. Een groot deel van de minderjarige slachtoffers komt namelijk niet in beeld bij de politie of hulpverlening. De werkelijke omvang van seksueel geweld tegen kinderen is daarom groter dan uit de geregistreerde aantallen blijkt.
Meer inzicht in de prevalentie van seksueel geweld tegen kinderen in alle leeftijdsgroepen is daarom van groot belang. Het kabinet acht het waardevol dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen hier in toekomstige rapportages prioriteit aan geeft.
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
De bevindingen uit het WODC-onderzoek «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik» onderstrepen de ernst en urgentie van transnationaal seksueel kindermisbruik. Het gaat om ernstige seksuele misdrijven tegen kinderen, waaronder fysiek en online seksueel misbruik. De grensoverschrijdende aard van deze misdrijven maakt de aanpak complex en internationale samenwerking noodzakelijk.
Het kabinet zet zich onverminderd in voor het voorkomen en bestrijden van transnationaal seksueel kindermisbruik. Kinderen, waar zij zich ook ter wereld bevinden, moeten worden beschermd, slachtoffers moeten worden geholpen en daders moeten worden aangepakt.
Op basis van deze bevinding kunnen geen algemene conclusies worden getrokken over de omvang van seksuele interesse in kinderen onder Nederlandse mannen of over het risico op seksueel kindermisbruik door Nederlandse daders binnen of buiten Nederland. Het onderzoek was daar niet op gericht. Vanuit mijn verantwoordelijkheid zet ik mij in voor het voorkomen en bestrijden van seksueel kindermisbruik en voor de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik, zowel binnen als buiten Nederland.
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Er zijn verschillende preventieve voorzieningen beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken. Zonder uitputtend te zijn, noem ik hieronder enkele voorbeelden.
Offlimits biedt met hun preventielijn anonieme ondersteuning en advies aan mensen die zich zorgen maken over hun eigen of andermans seksuele gevoelens of gedrag ten aanzien van minderjarigen, aan diens naasten, en aan professionals die met deze problematiek te maken hebben. De medewerkers brengen samen met de hulpvrager de risico’s in kaart, bieden handvatten om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen en verwijzen zo nodig door naar passende professionele hulpverlening. Daarnaast kunnen hulpzoekenden via de website Stoppenismogelijk.eu anoniem verschillende hulpmodules volgen die passend zijn voor hun situatie. Deze module biedt informatie en praktische handvatten aan mensen die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bekijken of vrezen dit te gaan doen.
Voor specialistische behandeling kunnen personen zich, onder meer via de huisarts, wenden tot de reguliere geestelijke gezondheidszorg en forensische poliklinieken. Zo biedt De Waag in vrijwillig kader behandeling en gespreksgroepen aan mensen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en niet naar deze gevoelens willen handelen.
In 2025 namen 996 personen contact op met de preventielijn. Dit is een stijging van 12,3 procent ten opzichte van het jaar ervoor (887). In totaal vonden 1.909 contactmomenten plaats via telefoon, chat of e-mail. Voor 99 personen werd een belafspraak met een behandelaar bij forensische polikliniek de Waag ingepland, is er 71 keer doorverwezen naar andere forensische poliklinieken in Nederland, en 35 keer naar een seksuoloog. Daarnaast werd Stoppenismogelijk.eu in 2025 26.586 keer bezocht. Dat is 45 procent meer dan het jaar ervoor (18.247).4
Omdat de ondersteuning anoniem kan worden verkregen en gegevens over het gebruik van andere vormen van hulpverlening niet centraal worden geregistreerd, is niet bekend hoeveel personen jaarlijks van alle beschikbare voorzieningen gezamenlijk gebruikmaken.
Deze voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van seksueel kindermisbruik. Tegelijkertijd blijft het een uitdaging om personen met risicovolle gevoelens of gedrag tijdig te bereiken en hen te bewegen hulp te zoeken. Het is daarom van belang om blijvend in te zetten op het bereik van deze doelgroep. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid subsidieert in dit kader de preventielijn van Offlimits. Offlimits zet onder meer gerichte voorlichtings- en bewustwordingscampagnes in om de bekendheid en het bereik van de preventielijn te vergroten.
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Het kabinet onderschrijft het belang van vroegsignalering. Het tijdig herkennen en bespreekbaar maken van signalen van seksueel kindermisbruik is essentieel om seksueel kindermisbruik zoveel mogelijk te voorkomen, bestaand misbruik zo snel mogelijk te stoppen en passende hulp en bescherming te bieden. Daarbij is het van belang dat professionals, over voldoende kennis en deskundigheid beschikken om signalen te herkennen en weten hoe zij daarop adequaat kunnen handelen. Het kabinet onderschrijft daarom het belang van het versterken van deze deskundigheid.
Het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht organisaties een meldcode vast te stellen en ervoor te zorgen dat professionals worden geïnstrueerd in het gebruik daarvan. Dit omvat het herkennen van en reageren op signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling, waaronder seksueel kindermisbruik. De meldcode bestaat uit vijf stappen en helpt professionals vanaf het moment van signaleren tot aan het besluit over het eventueel doen van een melding bij Veilig Thuis.5 Het werken met de meldcode is verplicht in de sectoren gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en justitie.
Ook binnen de Nederlandse sportsector wordt ingezet op scholing en professionele ontwikkeling op het gebied van sociale veiligheid en de bescherming van kinderen. Via NOC*NSF, de koepelorganisatie voor de georganiseerde sport in Nederland, draagt de Kwalificatiestructuur Sport (KSS) hieraan bij door opleidingsniveaus, competenties en kwalificaties voor coaches en trainers vast te stellen, waarbij aandacht bestaat voor integriteit en veilig handelen. Daarnaast zijn e-learnings en scholingsmodules beschikbaar die coaches en andere medewerkers ondersteunen bij het creëren van een sociaal veilige sportomgeving.
Zie voor de preventiemaatregelen de antwoorden op vragen 5 en 10.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen wordt in de cijfers van Veilig Thuis niet als afzonderlijke categorie geregistreerd. Wel zijn cijfers beschikbaar over casussen van kindermishandeling waarbij sprake is van seksueel misbruik. Deze cijfers zijn als volgt:6
|
Mishandeling kind: seksueel misbruik |
2020 |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|
|
Adviezen, meldingen en diensten |
||||||
|
Gestarte adviezen |
3.315 |
3.435 |
3.635 |
3.560 |
3.730 |
4.515 |
|
Ontvangen meldingen |
1.955 |
1.935 |
1.985 |
1.930 |
1.750 |
1.830 |
|
Casussen met ontvangen melding(en) |
1.700 |
1.660 |
1.675 |
1.635 |
1.470 |
1.510 |
|
Afgeronde diensten |
||||||
|
Afgeronde diensten onderzoek |
65 |
85 |
80 |
60 |
70 |
55 |
|
Afgeronde diensten voorwaarden en vervolging |
125 |
145 |
130 |
100 |
100 |
90 |
Bron: CBS (14 augustus 2026)
Het aantal meldingen bij Veilig Thuis waarbij sprake was van seksueel kindermisbruik bedroeg 1.955 in 2020 en 1.830 in 2025. De cijfers over 2025 zijn voorlopig en worden nog nader geanalyseerd voordat zij definitief worden vastgesteld. Dit betreft het totale aantal meldingen dat Veilig Thuis heeft ontvangen. Het aantal afzonderlijke casussen waarop één of meer ontvangen meldingen betrekking hebben bedroeg 1700 in 2020 en 1510 in 2025.
Het aantal adviesvragen over seksueel kindermisbruik lag hoger: 3.315 in 2020 en 4.515 in 2025. Professionals en burgers kunnen Veilig Thuis, desgewenst anoniem, om advies vragen. Veilig Thuis denkt mee over de situatie en adviseert over passende vervolgstappen, waaronder het al dan niet doen van een melding.
Het aantal casussen met «afgeronde diensten Onderzoek»7 wijst op het aantal casussen waarin Veilig Thuis een onderzoek is gestart om de veiligheidssituatie te beoordelen en op basis van de uitkomsten van het onderzoek passende vervolgstappen te bepalen. In de «diensten Voorwaarden en Vervolg»8 werkt Veilig Thuis met het gezin of huishouden en met de ketenpartners samen aan directe veiligheid. Veilig Thuis adviseert daarbij over verdere hulp of ondersteuning. Het aantal «afgeronde diensten Onderzoek» bedroeg 65 in 2020 en 55 in 2025. Het aantal «afgeronde diensten Voorwaarden en Vervolg» bedroeg 125 in 2020 en 90 in 2025.
Op basis van de beschikbare cijfers kan niet worden vastgesteld welk percentage van de ontvangen meldingen heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging. De beschikbare cijfers bevatten wel informatie over het aantal «afgeronde diensten Onderzoek en Voorwaarden en Vervolg», maar deze kunnen niet worden herleid tot de meldingen die in een bepaald jaar zijn ontvangen. Ook zijn op basis van deze cijfers geen gegevens beschikbaar over strafrechtelijke vervolging.
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik hierover vertellen of melding maken, onderstreept het belang van vroegsignalering, deskundigheid bij professionals en laagdrempelige mogelijkheden om over seksueel geweld te spreken en hulp te zoeken. Slachtoffers moeten weten waar zij terecht kunnen en professionals moeten signalen kunnen herkennen, bespreekbaar maken en weten hoe zij moeten handelen. Tegelijkertijd moet passende hulp beschikbaar zijn voor slachtoffers die pas jaren later over het misbruik vertellen of daarvan melding maken.
Zie voor de inzet op het vergroten van de meldingsbereidheid en de toegang tot passende hulp het antwoord op vraag 2. Zie voor de inzet op het gebied van vroegsignalering tevens het antwoord op vraag 6.
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Binnen de politie zijn er twee soorten specialistische teams politiemedewerkers die zich bezighouden met de opsporing en vervolging van seksueel kindermisbruik; de Teams Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) en de teams opsporing seksuele misdrijven. De TBKK’s zijn gespecialiseerd in de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. De afgelopen jaren is de formatie van de TBKK’s met 26 fte uitgebreid als gevolg van diverse investeringen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik (waaronder transnationaal seksueel kindermisbruik) tot een totale formatie van 186 fte medio 2026. Hoewel de politie voortdurend werkt aan zowel de werving en selectie van politiemedewerkers als het behoud van politiepersoneel, is er binnen deze teams sprake van een structurele onderbezetting van ongeveer 20%.
De teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen «zedenrecherche») zijn belast met de aanpak van seksuele misdrijven, waaronder zaken waarbij kinderen het slachtoffer zijn. De huidige bezetting van deze teams (672 fte) blijft achter bij de formatie (708 fte).9 Het verhogen van de bezetting bij de politieteams die zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven heeft prioriteit. Ook dit kabinet stelt aanvullende middelen beschikbaar voor de aanpak door de politie van online seksueel (kinder)misbruik.10
In het Halfjaarbericht politie van 3 juli jl. is de Kamer, in antwoord op de motie van Michon-Derkzen en Van der Werf, geïnformeerd over de werkvoorraad op het terrein van zedenzaken en de afspraken om deze werkvoorraad terug te dringen.11
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
Het kabinet zet zich in om seksueel kindermisbruik zoveel mogelijk te voorkomen, slachtoffers te beschermen en daders op te sporen en te vervolgen. Hieraan wordt uitvoering gegeven via een integrale aanpak, waarbij wordt ingezet op preventie en bewustwording, internationale samenwerking, een bestuursrechtelijke aanpak en, als ultimum remedium, het strafrecht. Het kabinet hanteert daarbij geen overkoepelende kwantitatieve doelstelling voor de afname van het aantal slachtoffers van seksueel kindermisbruik.
In het kader van de preventie van seksueel kindermisbruik en het verwijderen van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik geeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) subsidie aan Offlimits. De bestuursrechtelijke aanpak wordt vormgegeven door de op 1 juli 2024 in werking getreden Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze Wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) om aanbieders van communicatiediensten gevestigd in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet doen. Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is tevens als thema opgenomen in de huidige Veiligheidsagenda en zal deel uitmaken van de Veiligheidsagenda 2027–2030. In de Veiligheidsagenda worden de landelijke beleidsdoelstellingen voor de taakuitvoering van de politie eens per vier jaar vastgesteld. Daarmee blijft het een prioriteit voor de opsporing.
Of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers, kan niet rechtstreeks worden vastgesteld. Een groot deel van de minderjarige slachtoffers komt niet in beeld bij de politie of hulpverlening. Bovendien kunnen ontwikkelingen in het aantal meldingen, aangiften of geregistreerde slachtoffers niet eenduidig worden geïnterpreteerd. Een stijging kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een toename van het misbruik, van betere signalering, een grotere meldings- en aangiftebereidheid, wijzigingen in wet- en regelgeving of intensievere opsporing. Op basis van deze cijfers kan daarom geen rechtstreeks causaal verband worden gelegd tussen het gevoerde beleid en een eventuele toe- of afname van het aantal slachtoffers.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen aan de hand van verschillende indicatoren waaronder meldingen en aangiften bij de politie, gegevens over opsporing, vervolging en berechting, meldingen bij Offlimits, het Centrum Seksueel Geweld en Veilig Thuis, het aantal verwijderde afbeeldingen van seksueel kindermisbruik, de resultaten van de inzet van de ATKM en de bevindingen uit onderzoeken, zoals de Monitor seksueel geweld tegen kinderen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen. Gezamenlijk biedt dit inzicht in de aard, omvang en ontwikkeling van de problematiek en in de uitvoering van de aanpak, maar maakt het niet sluitend inzichtelijk in hoeverre het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers.
In het registratiesysteem van de politie, Basisvoorziening Handhaving (BVH), worden incidenten en activiteiten gecategoriseerd door middel van labels (maatschappelijke klassen), zoals misdrijven, overlast of overtredingen. De maatschappelijke klassen (MK’s) die in deze bevraging zijn betrokken zijn: aanstootgevend gedrag, verkrachting met dwang/geweld/bedreiging, verkrachting zonder dwang/geweld (opzet/schuld), aanranding met dwang/geweld/bedreiging, aanranding zonder dwang/geweld (opzet/schuld), overige zedenmisdrijven, sexchatting, seksueel corrumperen, pornografie/schadelijke vertoning aan kind, seksueel misbruik afh. relatie (18+slachtoffer), seksueel misbruik kind (verkrachting/aanranding kind), kinderprostitutie, misbruik seksueel beeldmateriaal, grooming. De resultaten zijn daarna gefilterd op een «minderjarig slachtoffer». De politie heeft hierbij dezelfde zoekslag en criteria gehanteerd als die de politie hanteert voor de data die politie aanlevert bij de Nationaal Rapporteur tbv de monitor seksueel geweld.
Ook om te voorkomen dat een melding automatisch wordt doorgemeld aan de ouders van de minderjarige wordt in gevallen expres anders geregistreerd.
CBS StatLine, Huiselijk geweld; aard geweld, aanvullende informatie, regio, (geraadpleegd op 25 augustus 2026)
De dienst «Onderzoek» wordt ingezet als er nog geen antwoord is op de vraag of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. De dienst «Onderzoek» wordt ook ingezet in het geval de leden van het gemelde gezin of huishouden niet willen samenwerken met Veilig Thuis.
In de dienst «Voorwaarden en Vervolg» werkt Veilig Thuis met het gezin of huishouden en met de ketenpartners samen aan directe veiligheid en verdere hulp en behandeling. In de dienst «Voorwaarden en vervolg» komt Veilig Thuis niet tot een oordeel of er sprake is van kindermishandeling en/of huiselijk geweld.
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Bijlage 3: Moties en toezeggingen inzake politie, 3 juli 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20262027-0018.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.