Vragen van het lid Heutink (Groep Markuszower) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen (ingezonden 18 juni 2026).

Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 25 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2606.

Vraag 1

Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1

Antwoord 1

Ja. Uit de studie van het CPB blijkt dat de inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen voor de meeste huishoudens beperkt zijn, maar dat er ook groepen zijn die hierdoor merkbaar harder geraakt worden2. Het gaat daarbij met name om huishoudens met een inkomen tot modaal die relatief veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen. In een negatief scenario kan het inkomenseffect voor deze huishoudens oplopen tot 6% van het besteedbaar inkomen. Het Kabinet heeft bijzondere aandacht voor huishoudens die minder financiële ruimte hebben. Daarom zijn in het voorjaar extra middelen vrijgemaakt zodat huishoudens kunnen meekomen in de energietransitie en voor het openstellen van het Noodfonds. Op deze manier komt de ondersteuning terecht bij de huishoudens die dat het meeste nodig hebben.

Vraag 2

Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

Het kabinet vindt het belangrijk dat ook huishoudens met een lager inkomen kunnen profiteren van verduurzaming en zich daarmee beter kunnen beschermen tegen te hoge energieprijzen of het risico op sterke fluctuatie van die prijzen. Daarom zijn er verschillende gerichte maatregelen om deze huishoudens te ondersteunen.

Het kabinet en medeoverheden realiseren zich bovendien dat naast geld vaak meer nodig is. Via gemeenten worden huishoudens met een slecht geïsoleerde woning geholpen met subsidies, energiecoaches, energiefixers en begeleiding bij de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van aanvullende regelingen. Zo verstrekt het Nationaal Warmtefonds leningen tegen aantrekkelijke voorwaarden, met 0% rente bij een inkomen lager dan 60.000 euro, om verduurzamingsmaatregelen te kunnen financieren. Met het energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek waar huishoudens terechtkunnen voor informatie, advies, financiering en ondersteuning.

De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is voor iedereen beschikbaar om het nemen van isolatiemaatregelen, een warmtepomp en/of een zonneboiler te stimuleren.

Vraag 3

Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?

Antwoord 3

Veel subsidies die gericht zijn op het stimuleren van energiebesparende maatregelen in woningen en mobiliteit werden voorheen veel gebruikt door mensen met hoge middeninkomens en hoge inkomens. Uit cijfers van het CBS over 2024 blijkt dat van de toegekende subsidies voor woningen 29,4% terechtkwam bij huishoudens met een verzamelinkomen van meer dan € 100.000. Bij de ISDE was dit ongeveer 33%.

Voor huishoudens in een kwetsbare positie is vaak aanvullende financiële en praktische ondersteuning nodig om verduurzamingsmaatregelen te kunnen nemen en gebruik te kunnen maken van landelijke subsidies. Daarom zet de overheid gericht in op ondersteuning van huishoudens die dit het hardst nodig hebben, onder meer via het Nationaal Isolatieprogramma, energiecoaches en energiefixers.

Daarnaast zijn maatregelen getroffen zoals het uitfaseren van de labels E, F en G uiterlijk in 2028 in de huursector, het Nationaal Warmtefonds, het Isolatieoffensief en het Energiehuis. Zo heeft inmiddels ruim de helft van de particuliere leningnemers bij het Nationaal Warmtefonds een verzamelinkomen tot € 60.000. Voor deze groep geldt bovendien een rentepercentage van 0%.

Vraag 4

Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?

Antwoord 4

In 2024 hadden ongeveer 241 duizend huishoudens zowel een laag inkomen (<130% van de lage inkomensgrens) als een woning met een lage energetische kwaliteit (LILEK). Dit komt overeen met 2,9% van alle huishoudens.3

De bredere groep huishoudens met energiearmoede bestond in 2024 uit ongeveer 510.000 huishoudens, oftewel 6,1% van alle huishoudens. Van deze groep woonde 74,6% in een corporatiewoning, 17,2% in een overige huurwoning en 8,1% in een koopwoning.

Vraag 5

Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

De prijs van ruwe olie fluctueert aanzienlijk, inmiddels is de prijs van weer gedaald vergeleken met een aantal weken terug. Wanneer de prijs van ruwe olie hoger wordt kan dit wel een negatieve impact hebben op de bereikbaarheid van laagste inkomensgroepen, omdat de brandstofkosten ten opzichte van het totale besteedbaar inkomen kunnen toenemen. Dit is echter sterk afhankelijk van autobezit en van de hoeveelheid kilometers die gereden wordt.

Een accijnskorting zou ook voor een groot deel terecht komen bij hogere inkomens, omdat daar zowel meer autobezit als meer gereden kilometers zijn. Het kabinet kiest voor gerichtere maatregelen, die niet tot gevolg hebben dat de vraag naar fossiele brandstoffen verder stijgen nu de commerciële reserves van brandstoffen nog schaars zijn.

Vraag 6

Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?

Antwoord 6

Sociale isolatie en vereenzaming zijn complexe problemen die het gevolg kunnen zijn van uiteenlopende persoonlijke, sociale en financiële omstandigheden, maar ook samenhangen met de mate waarin mensen in staat zijn hulp in te schakelen. Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding en versnelt de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens. Gemeentes hebben daarnaast zelf vaak sociaal beleid als het gaat om het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk, die op korte afstand zijn en lopend te bereiken (buurtcentra, buurttuinen etc.).

Vraag 7

Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?

Antwoord 7

Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voor heel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Daarnaast wordt de openstelling van de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast houdt het kabinet de brandstofprijzen en koopkrachtontwikkelingen van burgers nauwgezet in de gaten. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan het kabinet nieuwe gerichte maatregelen overwegen in de jaarlijkse koopkrachtbesluitvorming in augustus.

Vraag 8

Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?

Antwoord 8

Het Kabinet wil er voor zorgen dat alle groepen mee kunnen in de transitie. Dit kabinet zet daarom al meerdere jaren stappen in het verduurzamen van huur- en koopwoningen en zet daar met het Isolatieoffensief en het Energiehuis extra kracht bij. Ook wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin op zowel de woningbouw als mobiliteit plannen worden opgenomen voor de lagere inkomens. In het voorjaar van 2027 ligt de brede beleidsherziening van het energie- en klimaatbeleid voor, waarbij de overheid ook aandacht zal schenken aan de gevolgen voor kwetsbare huishoudens.

Vraag 9

Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 9

Ja, het kabinet deelt het belang om huishoudens met een lager inkomen te ondersteunen bij het verminderen van hun afhankelijkheid van fossiele energie. Daarom zet het kabinet onder meer in op gerichte ondersteuning bij woningisolatie en op een sloop- en vervangingsregeling voor particuliere auto’s.

Via het Nationaal Isolatieprogramma en gemeenten kunnen huishoudens met een slecht geïsoleerde woning aanvullende subsidies, begeleiding en ontzorging krijgen. Met het Energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek voor informatie, advies, financiering en ondersteuning. Ook wordt ingezet op gerichte communicatie om huishoudens beter te bereiken.

Daarnaast kunnen huishoudens met een lager inkomen via het Nationaal Warmtefonds gebruikmaken van leningen tegen 0% rente. In de huursector wordt ingezet op het uitfaseren van slechte energielabels en het verduurzamen van sociale en particuliere huurwoningen. Zo verkleint het kabinet de afhankelijkheid van fossiele energie voor lagere inkomens via maatregelen op het gebied van wonen en mobiliteit.

Naar boven