Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over effectiviteit en slagkracht van de politieorganisatie (ingezonden 13 mei 2026).

Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 3 juli 2026)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2133.

Vraag 1 t/m 8

Vindt u het zelf niet onthutsend dat u op meerdere volstrekt basale vragen over de politieorganisatie geen enkel concreet inzicht kunt geven?

Sinds wanneer is bij het ministerie bekend dat deze informatie ontbreekt?

Acht u dit niveau van informatievoorziening passend bij een organisatie met een begroting van ruim zes miljard euro?

Op basis waarvan maakt u beleidskeuzes of bezuinigingsafwegingen als deze cijfers ontbreken?

Hoe kan worden vastgesteld of beleid effectief is wanneer de onderliggende data niet beschikbaar is?

Kunt u garanderen dat er geen verspilling van publiek geld plaatsvindt op onderdelen waar nauwelijks inzicht in bestaat?

Welke andere onderdelen binnen de politieorganisatie kennen vergelijkbare «blinde vlekken» in de informatievoorziening?

Hoeveel geld en welk percentage van de totale politiebegroting wordt momenteel uitgegeven aan beleid of programma’s waarvan de exacte kosten niet inzichtelijk zijn?

Antwoord 1 t/m 8

De korpschef is, op basis van artikel 27 van de Politiewet 2012, belast met de leiding en het beheer van de politie en wordt hierin ondersteund door de leden van de korpsleiding. De korpschef moet ervoor zorgen dat haar beslissingen over de organisatie, het personeelsbeleid, materieel en financiële middelen/budgettering bijdragen aan het zo doeltreffend mogelijk functioneren van het politiekorps. De korpschef functioneert in de uitoefening van haar verantwoordelijkheid voor het beheer van de politie onder ministeriële verantwoordelijkheid en legt verantwoording af aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid.

De wettelijke basis ten aanzien van de begroting en verantwoording van de politie is verankerd in de Politiewet 2012 en het Besluit financieel beheer politie. Ik leg als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks verantwoording af over de begroting van mijn ministerie, via het jaarverslag van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarin ook de verantwoording over het begrotingsartikel 31 politie. Ik stel als Minister van Justitie en Veiligheid jaarlijks de begroting en jaarverantwoording van de politie vast, waarin de korpschef verantwoording aflegt over het beheer van de politie. Deze documenten worden als bijlagen bij de begroting en het jaarverslag van mijn departement aan uw Kamer gezonden.

De financiële verantwoording van de politie vindt plaats conform algemeen geldende kaders. Deze kaders betreffen in het bijzonder artikel 35 van de Politiewet 2012, het Besluit financieel beheer politie, de meerjarige aanschrijving politie van de Minister van JenV en de bepalingen bij en krachtens de Wet normering topinkomens. Voor zover in het Besluit financieel beheer politie niet anders is bepaald, is de jaarrekening vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van Boek 2 Rechtspersonen (Titel 9 De jaarrekening en het bestuursverslag) van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving. De in de jaarrekening gebruikte modellen voor de exploitatierekening, de balans en het kasstroomoverzicht zijn conform het Besluit financieel beheer politie door mij voorgeschreven en zijn grotendeels gebaseerd op Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze kaders voor de financiële verantwoordingen gelden voor rechtspersonen. De wijze waarop politie verantwoordt is daarmee vergelijkbaar met die van andere overheidsorganisaties met een baten-lastenstelsel. De jaarrekening van de politie wordt gecontroleerd door de accountant die ik als Minister van Justitie en Veiligheid benoem. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het beheer ten opzichte van de politie monitor ik door middel van de planning en controlecyclus de doelmatigheid van de besteding van middelen.

Binnen deze algemeen geldende en binnen de overheid breed gebruikte kaders en gegeven de wettelijke verantwoordelijkheden in het politiebestel dient de mate van detaillering van de verantwoording en andere informatie die de politie verstrekt juist en proportioneel te zijn gegeven. De gevraagde gedetailleerde informatie uit sommige van uw vragen wordt op korpsniveau niet vastgelegd en kan niet geaggregeerd uit de systemen worden gehaald. Mijns inziens is dit voor de adequate verantwoording van het beheer van het korps op landelijk niveau ook niet nodig.

Ik streef ernaar om uw Kamer zo goed als mogelijk te voorzien van de informatie die nodig is om de rol die uw Kamer heeft te kunnen uitoefenen. Niet alle gevraagde informatie is op het geaggregeerde niveau waarop u het vraagt voorhanden en het achterhalen ervan zou een disproportionele inspanning vergen. Ik vind het van belang om zorgvuldig de balans te bewaken tussen administratieve last en het afleggen van verantwoording.

Vraag 9

Klopt het dat binnen de interne telefoongids en personeelsregistraties van de politie eenvoudig gezocht en gefilterd kan worden op tijdelijke functies, ingehuurd personeel, functiecategorieën en functieschaalniveaus? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan meegedeeld dat een uitsplitsing van extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden «niet beschikbaar» zou zijn?

Antwoord 9

Het klopt dat in de telefoongids / het personeelssysteem van de politie kan worden gefilterd op titel (LFNP functie) waaruit schaalniveau herleidbaar is. Dit geldt voor iedereen die in vaste dienst is bij de politie. Echter, iedereen die wel gebruik maakt van de politiesystemen, maar geen dienstverband heeft bij de politie (waaronder, maar dus niet exclusief externe inhuur), krijgt de titel: tijdelijke functie ten behoeve van vulling. Uit deze titel is functie, aard van werkzaamheden en schaal niet herleidbaar. Er is dus geen eenvoudige mogelijkheid om extern ingehuurd personeel naar functiecategorieën of werkzaamheden in te delen.

Vraag 10 en 11

Waarom is er geen overzicht van externe bureaus en de bedragen die hiermee gemoeid zijn, terwijl het om aanzienlijke publieke uitgaven gaat?

Hoe controleert u op doelmatigheid en afhankelijkheid van externe partijen zonder gedetailleerd inzicht in inhuurstromen?

Antwoord 10 en 11

In mijn beheersrol ten opzichte van de politie monitor ik via de P&C-cyclus de doelmatigheid van de besteding van middelen. De korpsleiding informeert mij op hoofdlijnen over externe inhuur en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Ik verwijs daarvoor naar de beantwoording van vraag 5, 6, 7 en 8 van de vorige set Kamervragen over dit thema.1 In de invulling van mijn beheersrol is het altijd zoeken naar een balans tussen genoeg weten om te kunnen controleren en de politie ruimte geven om maatwerk te kunnen toepassen, waarbij de administratieve lasten in verhouding moeten zijn met het doel van monitoring.

Vraag 12

Herkent u het signaal dat de centralisering van de bedrijfsvoering sinds de reorganisatie van 2015 heeft geleid tot langere doorlooptijden bij reparaties en onderhoud van politievoertuigen, waardoor voertuigen vaker langdurig niet inzetbaar zijn? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u gehad voor de operationele inzetbaarheid van basisteams?

Antwoord 12

Nee, dat herken ik niet. De politie treft allerlei maatregelen om voertuigen zo min mogelijk te laten uitvallen in het operationele proces:

  • – Door preventief onderhoud goed te plannen.

  • – Door gebruik te maken van vrijwel alle merkdealers in Nederland is de werklast goed te verdelen.

  • – Ook blijken leveranciers welwillend te zijn om de politie voorrang te geven waar dat echt nodig is.

  • – Vanuit het Politiedienstencentrum wordt hier dagelijks regie op gevoerd.

Het kan voorkomen dat er tijdelijke verstoringen zijn in de wereldwijde logistiek. Centrale regie maakt het mogelijk om hier goed op te anticiperen en reageren. In het verleden is gebleken dat met de omvang van het wagenpark, goede medewerking van leveranciers, de eigen expertise en door het hergebruik van onderdelen de politie goed weerbaar is. Mede uit het oogpunt van deze weerbaarheid zijn bijvoorbeeld de contracten voor de voertuigen voor de basispolitiezorg met meerdere leveranciers afgesloten.

Vraag 13 en 14

Hoe weet u dat het vervoer van arrestanten geen onevenredig beslag legt op politie-inzet als die uren niet worden geregistreerd?

Hoeveel politiecapaciteit gaat jaarlijks verloren aan het vervoeren van arrestanten naar cellencomplexen buiten het eigen district of de eigen eenheid wegens beperkte beschikbare celcapaciteit, en waarom wordt deze capaciteitsinzet niet structureel geregistreerd?

Antwoord 13 en 14

Het transport van arrestanten behoort tot de reguliere uitvoering van de politietaak. Er is geen noodzaak tot het registreren van reguliere taakuitvoering, dit zou een onevenredige administratieve last opleveren.

Vraag 15 en 16

Hoe kan de politie gericht beleid voeren op mentale weerbaarheid, uitval en Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als de aard en omvang van psychische problematiek niet inzichtelijk zijn?

Welke alternatieve indicatoren gebruikt u momenteel om de ontwikkeling van PTSS en psychische problematiek binnen de politie te monitoren?

Antwoord 15 en 16

Vanaf 1 april 2025 is het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten in werking getreden. Nieuwe meldingen van politiemedewerkers met beroepsgerelateerde klachten, waaronder PTSS en psychische problematiek, vallen onder dit nieuwe stelsel. Voor het maken van aanspraak op de voorzieningen in het nieuwe stelsel is een medische diagnose niet noodzakelijk. Hierdoor ontvangt een politiemedewerker die zich meldt met gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, direct de benodigde begeleiding, zorg en vergoedingen. Zij hoeven hiervoor niet te wachten op een medische diagnose. Het aantal meldingen wordt door de politie geregistreerd en er wordt bijgehouden of het fysieke of mentale gezondheidsklachten betreft. De politie deelt deze cijfers met mijn ministerie. In 2025 zijn er 1804 meldingen geregistreerd die vallen onder het nieuwe stelsel.

De werking van het nieuwe stelsel wordt continue gemonitord door de werkgever. Daarvoor zijn kengetallen overeengekomen met de politie, de politievakorganisaties en mijn ministerie, zodat trends en opvallendheden tijdig zichtbaar zijn en daar op bijgestuurd kan worden. Het resultaat van de eerste monitor van het nieuwe stelsel is positief, waaronder op de gemiddelde doorlooptijden van een melding, het advies op de melding en het besluit daarover. In 2026 volgt een invoeringstoets om te bezien of het nieuwe stelsel naar verwachting is ingevoerd. Na drie en vijf jaar wordt een bredere evaluatie van het nieuwe stelsel uitgevoerd. Deze evaluaties zijn opgenomen in de Strategische Evaluatie Agenda van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Op basis van deze uitkomst wordt, indien nodig, bijgestuurd op het beleid.

Vraag 17

Hoe kunt u stellen dat politiemedewerkers die dat nodig hebben beschikken over gehoorbescherming, terwijl signalen uit de praktijk erop wijzen dat diverse specialistische eenheden nog altijd werken met middelen waarvan de gehoorbeschermende werking volgens betrokkenen onvoldoende is en agenten daardoor onnodig risico lopen op blijvende gehoorschade? Bent u bereid dit uit te zoeken?

Antwoord 17

Elke politiemedewerker, die op straat werkt, beschikt over goede gehoorbescherming. Wel is het zo dat er geen gehoorbescherming bestaat die bescherming biedt tegen de knallen van zwaar vuurwerk van een korte afstand. Daarom informeert de politie haar medewerkers, met name rond de jaarwisseling, actief over preventie en (na)zorg via briefings in de teams, interne nieuwsberichten, de Gezond Werken-app en met factsheets over gehoorschade en nazorg en veilig en gezond werken tijdens oud en nieuw.

Vraag 18

Hoeveel politiecapaciteit en publieke middelen zijn de afgelopen vijf jaar besteed aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten binnen het programma «Politie voor Iedereen», inclusief ingehuurde theatergroepen, consultants en trainers? Graag een helder overzicht.

Antwoord 18

In de jaarverantwoording politie legt de korpschef verantwoording af over het gevoerde beleid van de organisatie en haar uitgaven. De politie heeft geen aparte uitsplitsing van de uitgaven aan externe diversiteits-, cultuur- en bewustwordingsprojecten.2

Dit houdt in dat de bestede middelen in de afgelopen vijf jaar met deze details, niet zodanig zijn vastgelegd dat ze op te tellen zijn naar uitgaven op landelijk niveau. Voor de verantwoording van de politie als geheel zijn deze details ook niet noodzakelijk.

Vraag 19

Hoe groot is het budget dat eenheden en diensten krijgen voor het realiseren van wervingsactiviteiten die effect hebben op de arbeidsmarkt precies en waaraan wordt dit besteed?

Antwoord 19

Het budget voor het realiseren van wervingsactiviteiten is belegd bij de dienst HRM van het PDC. Individuele diensten en eenheden hebben geen wervingsbudget. Het budget voor wervingskosten voor 2026 is ongeveer 7,5 miljoen euro. Dit budget wordt uitgegeven op drie onderdelen:

  • – Productie (+/- 1 miljoen)

    Dit bevat kosten voor het bedenken (strategie &, concepten), creëren en daadwerkelijk produceren van alle middelen die worden ingezet in arbeidsmarktcommunicatie. Hieronder vallen ook kosten voor het produceren van campagnes, content voor de recruitmentsite, social media kanalen en de beheers- en hostingkosten voor diverse applicaties.

  • – Media (+/- 5,7 miljoen)

    Inkoop van on- en offline media, waaronder; tv-commercials, online bannering, social media, vacaturesites, etc. Ook contracten met o.a. LinkedIn, Google en Indeed vallen hieronder.

  • – Events (+/- 750k)

    Deelname aan diverse carrière-, sport- en culturele events en onderwijsbeurzen, landelijk en regionaal. Kosten voor inschrijving, materiaal en gadgets vallen ook hieronder. Daarnaast maken de voorlichtingen en events die in eigen beheer worden gegeven onderdeel uit van deze kosten.

Vraag 20

Bent u bereid alsnog een inventarisatie uit te voeren naar de volgende ontbrekende aspecten:

  • • Uitsplitsing van externe inhuur naar functiecategorieën of werkzaamheden;

    Zie antwoord op vraag 9

  • • Overzicht van welke externe bureaus exact hoeveel ontvangen hebben via inhuurconstructies;

    Zie antwoorden op de vragen 10 en 11

  • • Specifieke kostenoverzichten van «Politie voor Iedereen», zoals: personeel, trainingen, communicatiecampagnes, onderzoeken, evenementen en iftars;

    Zie antwoord op vraag 18

  • • Externe consultants/trainers;

    Zie antwoorden op de vragen 10 en 11

  • • Aantallen politiemedewerkers met PTSS of andere psychische klachten;

    Zie antwoorden op de vragen 15 en 16

  • • Gegevens over hoeveel arrestanten vanuit Utrecht elders moesten worden ondergebracht én hoeveel politie-uren dat kost?

    Zie antwoorden op de vragen 13 en 14

Antwoord 20

Ik heb in het voorgaande zo goed mogelijk antwoord gegeven op de vragen, voor zover de gegevens mij ter beschikking staan. In verder detail is het helaas niet mogelijk om aan het informatieverzoek te voldoen.


X Noot
1

Kamerstukken II 2025/2026, 2026Z05117

X Noot
2

Kamerstukken II, 2024/25, 29 628, nr. 1984

Naar boven