Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200629708 nr. 19

29 708
Regels met betrekking tot de financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht)

nr. 19
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 20 oktober 2005

A

Het Algemeen deel komt als volgt te luiden:

ALGEMEEN DEEL

HOOFDSTUK 1.1 INLEIDENDE BEPALINGEN

AFDELING 1.1.1 DEFINITIES

Artikel 1:1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanbieden:

a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument of, indien het een verzekering betreft, cliënt inzake een financieel product dat geen financieel instrument is of het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst;

b. het rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een cliënt inzake een recht van deelneming in een beleggingsinstelling of het rechtstreeks of middellijk vragen of verkrijgen van gelden of andere goederen aan onderscheidenlijk van een cliënt ter deelneming in een beleggingsinstelling;

aanbieder: degene die aanbiedt;

aangewezen staat: een staat die op grond van deze wet is aangewezen als staat waar toezicht wordt uitgeoefend op beleggingsinstellingen, clearinginstellingen onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeraars dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

adviseren: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten aan een bepaalde consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt;

adviseur: degene die adviseert;

Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële Markten;

bank: degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen;

beheerder: een rechtspersoon die het beheer voert over een of meer beleggingsinstellingen;

beheren van een individueel vermogen: alle werkzaamheden gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf op grond van een overeenkomst, anders dan als beheerder, voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten, daaronder begrepen het verrichten of doen verrichten van transacties in financiële instrumenten voor rekening van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten;

beleggerscompensatiestelsel: een stelsel omtrent een garantie voor vorderingen van beleggers in verband met beleggingsverrichtingen op banken, beleggingsondernemingen of financiële instellingen waaraan het is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, tegen het risico dat deze financiële ondernemingen hun verplichtingen met betrekking tot die vorderingen niet kunnen nakomen;

beleggingsfonds: een niet in een beleggingsmaatschappij ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

beleggingsinstelling: beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds;

beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat: een beleggingsinstelling met zetel buiten Nederland in een staat die niet op grond van artikel 1a:63, eerste lid, is aangewezen als staat waar toezicht wordt uitgeoefend op beleggingsinstellingen dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, niet zijnde een instelling voor collectieve belegging in effecten;

beleggingsmaatschappij: een rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of verkrijgt teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;

beleggingsobject:

1°. een zaak, een recht op een zaak of een recht op het al dan niet volledige rendement in geld of een gedeelte van de opbrengst van een zaak, niet zijnde een financieel product als bedoeld in artikel 1:1, onderdelen b tot en met i, welke anders dan om niet wordt verkregen, bij welke verkrijging aan de verkrijger een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van de zaak hoofdzakelijk wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger;

2°. een ander bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen recht;

beleggingsonderneming: degene die een beleggingsdienst verleent;

bemiddelaar: degene die bemiddelt;

bemiddelen:

a. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake een ander financieel product dan een financieel instrument, krediet of verzekering tussen een consument en een aanbieder;

b. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake krediet tussen een consument en een aanbieder of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst;

c. alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst van verzekering tussen een cliënt en een verzekeraar of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst;

besloten kring: een kring, bestaande uit natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen waarvan een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt,

a. die nauwkeurig is omschreven;

b. waarvan de toetredingscriteria vooraf zijn bepaald, toetsbaar zijn en niet resulteren in het op eenvoudige wijze toetreden van niet tot de kring behorende natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; en

c. waarbinnen degenen die er deel van uitmaken in een op het tijdstip van het verkrijgen van de opvorderbare gelden reeds bestaande rechtsbetrekking staan tot de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die de gelden ter beschikking verkrijgt, op grond waarvan zij redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van diens financiële toestand;

bewaarder: een rechtspersoon die is belast met de bewaring van de activa van een beleggingsinstelling;

bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 2:197, vierde lid, of degene die is aangewezen door de bestuurlijke of rechterlijke instanties in een andere lidstaat om saneringsmaatregelen uit te voeren;

bijkantoor:

a. een duurzaam in een andere staat dan de staat van de zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming die geen verzekeraar is; of

b. een duurzame aanwezigheid van een verzekeraar, met uitzondering van de zetel, beheerd door eigen personeel van de verzekeraar of door een zelfstandig persoon die is gemachtigd duurzaam voor de verzekeraar op te treden;

centrale kredietinstelling: een bank die met betrekking tot een groep banken tot welke groep die bank zelf ook behoort, het beleid mede bepaalt;

clearinginstelling: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van overeenkomsten betreffende financiële instrumenten met een centrale tegenpartij die optreedt als exclusieve wederpartij bij deze overeenkomsten, waarvan de bedingen die de kern van de prestaties aangeven overeenkomen met de bedingen die deel uitmaken van overeenkomsten, gesloten door derden of door hemzelf in zijn hoedanigheid van partij, op een markt in financiële instrumenten en die in de laatstbedoelde overeenkomsten de kern van de prestaties aangeven;

clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat: een clearinginstelling met zetel in een staat buiten Nederland die niet op grond van artikel 1a:5, tweede lid, is aangewezen als staat waar toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

cliënt: een persoon aan wie een financiële onderneming een financiële dienst verleent of aan wie deze voornemens is een financiële dienst te verlenen;

communautaire co-assurantie: een directe schadeverzekering betreffende grote risico's, in co-assurantie gesloten, waarbij:

a. de schadeverzekeraar die als eerste schadeverzekeraar optreedt, zijn verplichtingen uit hoofde van de schadeverzekering is aangegaan vanuit een vestiging in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin ten minste een van de overige co-assuradeuren zulks heeft gedaan; en

b. het risico in een lidstaat is gelegen;

consument: een niet in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming een financiële dienst verleent of aan wie deze voornemens is een financiële dienst te verlenen;

deelnemer: een aandeelhouder of een deelgerechtigde in een beleggingsinstelling;

deposito: een tegoed bij een bank dat onmiddellijk kan worden opgevraagd en waarvan de rentetermijn ten hoogste twaalf maanden bedraagt;

depositogarantiestelsel: een stelsel omtrent een garantie voor vorderingen van depositohouders op banken tegen het risico dat deze banken hun verplichtingen met betrekking tot die vorderingen niet kunnen nakomen;

duurzame drager: een hulpmiddel dat een persoon in staat stelt om aan hem persoonlijk gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;

effect:

a. een verhandelbaar aandeel of een ander daarmee gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs of recht, niet zijnde een recht van deelneming in een beleggingsinstelling dat op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, een appartementsrecht of een geldmarktinstrument met een looptijd van minder dan twaalf maanden;

b. een verhandelbare obligatie of een ander verhandelbaar schuldinstrument of een geldmarktinstrument met een looptijd van minder dan twaalf maanden;

c. elk ander door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar waardebewijs waarmee een onderdeel a of b bedoeld effect door uitoefening van de daaraan verbonden rechten of door conversie kan worden verworven of dat in geld wordt afgewikkeld of een geldmarktinstrument met een looptijd van minder dan twaalf maanden.

effectief kredietvergoedingspercentage: de bij de uitvoering van een overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de betalingsregeling aan de consument in rekening te brengen kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het uitstaand saldo, berekend op bij ministeriële regeling vast te stellen wijze;

elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager of die op afstand is opgeslagen in een centrale rekeningadministratie;

elektronischgeldinstelling: degene die, geen bank zijnde, zijn bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan degene die het elektronisch geld uitgeeft;

financieel instrument:

a. een effect;

b. een recht van deelneming in een beleggingsinstelling dat op verzoek van een deelnemer ten laste van de activa direct of indirect wordt ingekocht of terugbetaald;

c. een instrument dat gewoonlijk op de geldmarkt wordt verhandeld;

d. een recht op overdracht op termijn van goederen, met inbegrip van een gelijkwaardig instrument dat gericht is op verrekening in geld;

e. een rentetermijncontract;

f. een renteswap, valutaswap of aandelenswap;

g. een optie ter verwerving of vervreemding van een bovengenoemd instrument, met inbegrip van een gelijkwaardig instrument dat gericht is op verrekening in geld; of

h. een grondstoffenderivaat;

financieel product:

a. een beleggingsobject;

b. een betaalrekening met inbegrip van de daaraan verbonden betaalfaciliteiten;

c. elektronisch geld;

d. een financieel instrument;

e. krediet;

f. een niet-verhandelbaar recht van deelneming in een beleggingsinstelling dat niet op verzoek van een deelnemer ten laste van de activa direct of indirect wordt ingekocht of terugbetaald;

g. een spaarrekening met inbegrip van de daaraan verbonden spaarfaciliteiten;

h. een verzekering; of

i. een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander product;

financiële dienst:

a. aanbieden;

b. adviseren;

c. bemiddelen;

d. herverzekeringsbemiddelen;

e. optreden als clearinginstelling;

f. optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent; of

g. verlenen van een beleggingsdienst;

financiëledienstverlener: degene die een financiële dienst verleent en die geen beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, clearinginstelling, financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft verkregen, kredietinstelling of verzekeraar is;

financiële instelling: degene die, geen kredietinstelling zijnde, in hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het verrichten van een of meer van de werkzaamheden, bedoeld onder 2 tot en met 12 in Bijlage I van de richtlijn banken, of van het verwerven of houden van deelnemingen;

financiële onderneming:

a. een beheerder;

b. een beleggingsinstelling;

c. een beleggingsonderneming;

d. een bewaarder;

e. een clearinginstelling;

f. een financiëledienstverlener;

g. een financiële instelling;

h. een kredietinstelling; of

i. een verzekeraar;

gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming, waarbij bij het bepalen van het aantal stemrechten dat iemand in een onderneming heeft, tot diens stemrechten mede worden gerekend de stemmen waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 5:45;

gemeentelijke kredietbank: een aanbieder van krediet, opgericht door een of meer gemeenten;

gereglementeerde markt: een markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten of een soortgelijke markt in grondstoffenderivaten;

gereglementeerde markt in Nederland: een gereglementeerde markt waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid;

gevolmachtigde agent: degene die optreedt als gevolmachtigde agent;

grondstoffenderivaat: een financieel instrument waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van grondstoffen;

grote risico's:

a. de risico's die behoren tot de in de bijlage bij deze wet genoemde branches Casco rollend spoorwegmaterieel, Luchtvaartuigcasco, Casco zee- en binnenschepen, Vervoerde zaken, Aansprakelijkheid luchtvaartuigen en Aansprakelijkheid zee- en binnenschepen;

b. de risico's die behoren tot de in de bijlage bij deze wet genoemde branches Krediet en Borgtocht, voorzover de verzekeringnemer handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en het risico daarop betrekking heeft;

c. de risico's die behoren tot de in de bijlage bij deze wet genoemde branches Voertuigcasco, Brand en Natuurevenementen, Andere schaden aan zaken, Aansprakelijkheid motorrijtuigen, Aansprakelijkheid wegvervoer, Algemene aansprakelijkheid en diverse geldelijke verliezen, voorzover de verzekeringnemer voldoet aan ten minste twee van de volgende vereisten:

1°. de waarde van de activa volgens de balans bedraagt meer dan € 6 200 000;

2°. de netto-omzet over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan € 12 800 000;

3°. het gemiddeld aantal werknemers over het voorafgaande boekjaar bedraagt meer dan 250;

waarbij bovengenoemde vereisten, indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een groep waarvan de geconsolideerde jaarrekening overeenkomstig de richtlijn geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld, worden toegepast op basis van de geconsolideerde jaarrekening en indien de verzekeringnemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband, bovengenoemde vereisten gelden voor de deelnemers in het samenwerkingsverband gezamenlijk;

herverzekeraar: degene die geen levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar is, en die zijn bedrijf maakt van het accepteren van door een levensverzekeraar, een natura-uitvaartverzekeraar, een schadeverzekeraar of een andere herverzekeraar overgedragen risico's;

herverzekeringsbemiddelaar: degene die herverzekeringsbemiddelt;

herverzekeringsbemiddelen: alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst waarbij risico's uit overeenkomsten inzake een verzekering worden overgenomen of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst;

instelling voor collectieve belegging in effecten: een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen, niet zijnde een beleggingsmaatschappij die via dochterondernemingen voornamelijk belegt in andere objecten dan effecten;

krediet: geldkrediet of goederenkrediet, waarbij wordt verstaan onder:

a. geldkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten;

b. goederenkrediet: het aan een consument verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject of het aan een consument verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, dan wel het aan een consument of een derde ter beschikking stellen van een geldsom ter zake van het aan die consument verschaffen van het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject of ter zake van het aan die consument verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten;

kredietinstelling: een bank of elektronischgeldinstelling;

levensverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die levensverzekeringen;

levensverzekering: een levensverzekering als bedoeld in artikel 7.17.3.9 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de prestatie van de levensverzekeraar uitsluitend in geld geschiedt, of een natura-uitvaartverzekering als bedoeld in dit artikel;

lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

markt in financiële instrumenten: een markt die aan regels is onderworpen en die bestemd is voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van financiële instrumenten;

moedermaatschappij: een rechtspersoon die een of meer dochtermaatschappijen heeft als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

natura-uitvaartverzekeraar: degene die, geen levensverzekeraar zijnde, zijn bedrijf maakt van het sluiten van natura-uitvaartverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die natura-uitvaartverzekeringen;

natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een staat buiten Nederland die niet op grond van artikel 1a:48, tweede lid, is aangewezen als staat waar toezicht wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

natura-uitvaartverzekering: een verzekering in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon waarbij de verzekeraar zich verbindt tot het leveren van een prestatie die niet tevens inhoudt het doen van een geldelijke uitkering;

Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

onderbemiddelaar: een bemiddelaar die bemiddelt voor een andere bemiddelaar;

ondergevolmachtigde agent: degene die optreedt als ondergevolmachtigde agent;

ondernemingsspaarfonds: een fonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

optreden als gevolmachtigde agent: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf als gevolmachtigde van een verzekeraar voor diens rekening sluiten van een verzekering met een cliënt;

optreden als ondergevolmachtigde agent: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf op grond van een ondervolmacht afgegeven door een gevolmachtigde agent of door een ondergevolmachtigde agent als gevolmachtigde van een verzekeraar voor diens rekening sluiten van een verzekering met een cliënt;

opvanginstelling: een naamloze vennootschap met zetel in Nederland die uitsluitend tot doel heeft in opdracht van de Nederlandsche Bank een in problemen verkerende levensverzekeraar op te vangen door herverzekering of overname van de portefeuille van de levensverzekeraar;

opvorderbare gelden: gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald;

overeenkomst op afstand: een overeenkomst inzake een financiële dienst of financieel product tussen een financiële onderneming en een consument die wordt gesloten in het kader van een door de financiële onderneming georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverrichting op afstand, waarbij tot en met de totstandkoming van deze overeenkomst uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een of meer technieken voor communicatie op afstand;

persoon: een natuurlijke persoon of rechtspersoon;

pensioenfonds:

a. een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

b. een ondernemingspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

c. een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

premie: de in geld uitgedrukte prestatie door de verzekeringnemer te leveren uit hoofde van een verzekering, daaronder niet begrepen de assurantiebelasting;

professionele belegger:

a. een beleggingsinstelling;

b. een beleggingsonderneming;

c. een tot de centrale overheid behorend publiekrechtelijk lichaam;

d. een financiële instelling;

e. een internationale of supranationale publiekrechtelijke organisatie;

f. een kredietinstelling;

g. een pensioenfonds dat beschikt over een belegd vermogen van ten minste € 25 000 000 of het equivalent daarvan in vreemde valuta;

h. een rechtspersoon met een geconsolideerd balanstotaal van minimaal € 500 000 000 of die beschikt over een belegd vermogen van ten minste € 25 000 000 of het equivalent daarvan in vreemde valuta;

i. een verzekeraar die beschikt over een belegd vermogen van ten minste € 25 000 000 of het equivalent daarvan in vreemde valuta;

professionele marktpartij:

a. een ieder die onder toezicht staat van een toezichthouder of een toezichthoudende instantie om op de financiële markt actief te mogen zijn;

b. de Staat der Nederlanden, tot de centrale overheid behorende buitenlandse overheidslichamen, de Nederlandsche Bank, buitenlandse centrale banken, openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden, dan wel daarmee vergelijkbare buitenlandse decentrale overheidslichamen, internationale verdragsorganisaties of supranationale publiekrechtelijke instellingen;

c. een ieder die anderszins een gereglementeerde activiteit op de financiële markten uitoefent; of

d. andere bij algemene maatregel van bestuur als professionele marktpartij aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen;

prospectusverordening: verordening nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149);

rechtsbijstandverzekeraar: een schadeverzekeraar die de branche Rechtsbijstand uitoefent;

reclame-uiting: iedere vorm van informatieverstrekking die dient ter aanprijzing van of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde financiële dienst of een bepaald financieel product;

registerhouder:

a. voorzover het register betrekking heeft op financiële ondernemingen die werkzaamheden mogen verrichten ingevolge de afdelingen 1a.2.1 tot en met 1a.2.4 en 1a.3.1 tot en met 1a.3.4 en op gegevens die op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen worden geregistreerd: de Nederlandsche Bank;

b. voorzover het register betrekking heeft op financiële ondernemingen die werkzaamheden mogen verrichten ingevolge de afdelingen 1a.2.5 tot en met 1a.2.13 en 1a.3.5 tot en met 1a.3.8 en op gegevens die op grond van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of het Deel Gedragstoezicht financiële markten worden geregistreerd: de Autoriteit Financiële Markten;

richtlijn banken: richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);

richtlijn beleggingsdiensten: richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141);

richtlijn beleggingsinstellingen: richtlijn nr. 85/611/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PbEG L 375);

richtlijn geconsolideerde jaarrekening: zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, derde lid, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193);

richtlijn kapitaaltoereikendheid: richtlijn nr. 93/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PbEG L 141);

richtlijn prospectus: richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEG L 345);

richtlijn verzekeringsbemiddeling: richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9);

saneringsmaatregel: de noodregeling, bedoeld in afdeling 2.5.7, of een maatregel, genomen in een andere lidstaat, die enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelst en bestemd is om de financiële positie van een kredietinstelling of een verzekeraar in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat de maatregel bestaande rechten van derden aantast;

schadeverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van schadeverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die schadeverzekeringen;

schadeverzekering: een schadeverzekering als bedoeld in artikel 7.17.2.1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een ongevallenverzekering en een sommenverzekering als bedoeld in artikel 7.17.3.1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een levensverzekering, als een schadeverzekering worden beschouwd en een natura-uitvaartverzekering niet als een schadeverzekering wordt beschouwd;

staat waar het risico is gelegen:

a. de staat waar de zaken waarop een schadeverzekering betrekking heeft zich bevinden, indien de schadeverzekering betrekking heeft op een onroerende zaak, dan wel op een onroerende zaak en op de inhoud daarvan, voorzover deze door dezelfde schadeverzekering wordt gedekt;

b. de staat van registratie, van voertuigen of vaartuigen van om het even welke aard waarop een schadeverzekering betrekking heeft;

c. de staat waar een verzekeringnemer een verzekering heeft gesloten, indien het een schadeverzekering betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking heeft op tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, ongeacht de branche;

d. in alle andere gevallen van schadeverzekering, de staat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de staat waar zich elke duurzame, vaste inrichting van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering betrekking heeft;

techniek voor communicatie op afstand: ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van een financiële onderneming en een consument of cliënt, kan worden gebruikt voor het verlenen van financiële diensten;

toezichthoudende instantie: een buitenlandse overheidsinstantie of een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;

toezichthouder: de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten, ieder voorzover belast met de uitoefening van het toezicht overeenkomstig artikel 1:7 onderscheidenlijk artikel 1:8;

uitgevende instelling: een ieder die effecten heeft uitgegeven of voornemens is effecten uit te geven;

vangnetregeling: het beleggerscompensatiestelsel of het depositogarantiestelsel;

verlenen van een beleggingsdienst:

a. alle werkzaamheden gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon, anders dan op grond van een overeenkomst inzake het beheren van een individueel vermogen, werkzaam zijn bij de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten;

b. alle werkzaamheden gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan bij aanbieding ervan als bedoeld in hoofdstuk 5.1, voor eigen rekening verrichten van transacties in financiële instrumenten teneinde een markt in financiële instrumenten te onderhouden of een voordeel te behalen uit een verschil tussen vraag- en aanbodprijzen van financiële instrumenten;

c. alle werkzaamheden gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf, bij aanbieding ervan als bedoeld in hoofdstuk 5.1, overnemen of plaatsen van financiële instrumenten;

d. het beheren van een individueel vermogen;

vermogensbeheerder: degene die een individueel vermogen beheert;

verrichten van diensten, voorzover het verzekeraars betreft:

a. het door een levensverzekeraar sluiten van een levensverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of waar zich, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de verzekering betrekking heeft;

b. het door een natura-uitvaartverzekeraar sluiten van een natura-uitvaartverzekering vanuit een vestiging, gelegen in een andere staat dan die waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft;

c. het door een schadeverzekeraar sluiten van een schadeverzekering betreffende een risico dat is gelegen in een andere staat dan de vestiging van waaruit de verzekering wordt gesloten;

vertegenwoordiger van een verzekeraar: degene die door een verzekeraar is aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een andere staat dan de staat van de zetel van die verzekeraar bij de uitoefening van de bevoegdheden van de verzekeraar en bij de naleving van de voorschriften die in eerstbedoelde staat voor de verzekeraar gelden;

verzekeraar: een levensverzekeraar, een natura-uitvaartverzekeraar of een schadeverzekeraar;

verzekering:

a. een levensverzekering;

b. een natura-uitvaartverzekering;

c. een schadeverzekering.

vestiging: bijkantoor of zetel;

vordering uit hoofde van verzekering: een vordering, rechtstreeks op de verzekeraar, van een verzekerde, verzekeringnemer, begunstigde of benadeelde, met inbegrip van de vordering ter zake van voor deze personen gereserveerde bedragen zo lang nog niet alle elementen van de vordering bekend zijn, alsmede de vordering tot teruggave van premies die een verzekeraar heeft ontvangen in de niet beantwoorde verwachting dat een verzekering zou worden gesloten dan wel heeft ontvangen op grond van een verzekering die vervolgens is ontbonden of vernietigd;

zetel: de plaats waar een onderneming volgens haar statuten of reglementen is gevestigd of, indien zij geen rechtspersoon is, de plaats waar die onderneming haar hoofdvestiging heeft.

AFDELING 1.1.2 REIKWIJDTE MET BETREKKING TOT FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

§ 1.1.2.1. Algemeen

Artikel 1:2

Deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken 5.1, 5.3 en 5.5 en afdeling 5.4.2, is niet van toepassing op de Europese Centrale Bank, de centrale banken van de lidstaten, nationale instellingen van de lidstaten met een soortgelijke functie en overheidsinstellingen van de lidstaten die zijn belast met of betrokken bij het beheer van de overheidsschuld.

Artikel 1:3

Voor de toepassing van het ingevolge deze wet bepaalde wordt onder financiële onderneming mede verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die behoort tot een van de categorieën van financiële ondernemingen en die niet tot doel heeft het maken van winst.

§ 1.1.2.2. Clearinginstellingen, elektronischgeldinstellingen en kredietinstellingen

Artikel 1:4

De Nederlandsche Bank is geen clearinginstelling en geen kredietinstelling in de zin van deze wet.

Artikel 1:5

1. Met uitzondering van de artikelen 2:63 en 4:31, is deze wet met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op een elektronischgeldinstelling die elektronisch geld uitgeeft met een maximum geldswaarde van € 150 per elektronische waardedrager, indien:

a. de gezamenlijke waarde van de financiële verplichtingen van de elektronischgeldinstelling die met de uitgifte van elektronisch geld verband houden nooit hoger is dan € 6 000 000;

b. het elektronische geld slechts wordt aanvaard door een onderneming die behoort tot de groep, waartoe de elektronischgeldinstelling behoort; of

c. het elektronische geld slechts wordt aanvaard door een beperkt aantal gemakkelijk te onderscheiden ondernemingen die hetzij hetzelfde gebouw, terrein of een andere feitelijk begrensde locatie delen, hetzij nauwe financiële of zakelijke banden hebben met de elektronischgeldinstelling.

2. Artikel 2:96 en de daarop gebaseerde bepalingen is van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen als bedoeld in het eerste lid. De jaarrekening vermeldt welk onderdeel van het eerste lid van toepassing is en de totale waarde van de financiële verplichtingen die met de uitgifte van elektronisch geld verband houden.

3. Deze wet is niet van toepassing op:

a. financiële diensten met betrekking tot elektronisch geld waarmee alleen bij de financiële onderneming die het elektronisch geld uitgeeft, betalingen kunnen worden verricht;

b. financiële diensten met betrekking tot elektronisch geld dat wordt uitgegeven door een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid die worden verleend door een ander dan de elektronischgeldinstelling zelf.

§ 1.1.2.3. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars

Artikel 1:6

1. Deze wet is niet van toepassing op:

a. de Sociale Verzekeringsbank;

b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

c. ziekenfondsen die overeenkomstig de Ziekenfondswet zijn toegelaten;

d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en ondernemingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die uitsluitend schadeverzekeringen aangaan met betrekking tot schade, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij; en

e. ondernemingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen in geval van een ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, indien ingevolge de dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de grens beperkt is tot:

1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;

2°. het vervoer van het wegvoertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;

3°. het vervoer van het wegvoertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;

en, voorzover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of defect in het buitenland, indien de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2° bedoelde verrichtingen, de bestuurder of een passagier lid is van de onderneming en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft verplicht.

2. Indien bij een levensverzekering naast de verplichting tot het doen van geldelijke uitkeringen, verplichtingen van andere aard worden aanvaard, of bij die levensverzekering verplichtingen worden aanvaard in verband met voorvallen waarvan het ontstaan onzeker is en die een natuurlijke persoon treffen, verliest het bedrijf van levensverzekeraar zijn karakter niet en worden deze verplichtingen niet beschouwd te zijn aangegaan in de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar.

Artikel 1:6a

De levensverzekeraars en schadeverzekeraars, verenigd onder de naam Lloyd's, te Londen, Verenigd Koninkrijk, worden voor de toepassing van deze wet tezamen als een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar beschouwd.

Artikel 1:6b

1. Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door een pensioenfonds voorzover dat pensioenfonds daarvoor een toezegging omtrent pensioen uitvoert als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2. Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet of toezeggingen ten aanzien waarvan krachtens artikel 29 van de Pensioen- en spaarfondsenwet ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid, van die wet.

Artikel 1:6c

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de bij of krachtens deze wet gestelde regels met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar, onder daarbij te stellen voorwaarden, niet van toepassing zijn op de volgende categorieën schadeverzekeraars:

a. onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland en ondernemingen op onderlinge grondslag van beperkte omvang met zetel buiten Nederland;

b. schadeverzekeraars met zetel in Nederland die zich beperken tot het sluiten en afwikkelen van exportkredietverzekeringen voor rekening of met garantie van de Staat der Nederlanden.

Artikel 1:6d

Voor toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten aanzien van het bedrijf van schadeverzekeraar wordt de Zwitserse Bondsstaat aangemerkt als lidstaat, met dien verstande dat met betrekking tot bepaalde onderwerpen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur afwijkende regels kunnen worden gesteld.

§ 1.1.2.4. Beleggingsinstellingen

Artikel 1:6e

1. Deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken 5.3, 5.4 en 5.5, is niet van toepassing op beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming worden aangeboden aan:

a. minder dan 100 personen die geen professionele marktpartij zijn; of

b. uitsluitend professionele marktpartijen, mits bij het aanbod dan wel in advertenties en documenten waarin het aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat het aanbod uitsluitend is onderscheidenlijk zal zijn gericht tot professionele marktpartijen.

2. Deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken 5.3, 5.4 en 5.5, is niet van toepassing op beheerders en bewaarders van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming worden aangeboden aan:

a. minder dan 100 personen die geen professionele marktpartij zijn; of

b. uitsluitend professionele marktpartijen, mits bij het aanbod dan wel in advertenties en documenten waarin het aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt vermeld dat het aanbod uitsluitend is onderscheidenlijk zal zijn gericht tot professionele marktpartijen.

Artikel 1:6f

1. Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van een beleggingsinstelling die een beleggingsfonds of een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is, is gericht tot haar beheerder.

2. Het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van een beheerder is van overeenkomstige toepassing op een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, met uitzondering van de artikelen 1:40, eerste lid, 1a:62, eerste lid, onderdeel a, 1a:64, 1a:68, 2:82, 2:122, en 4:59.

3. Het ingevolge de artikelen 4:49, 4:50 en 4:52 bepaalde ten aanzien van een beheerder is van overeenkomstige toepassing op een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat als bedoeld in artikel 1a:63, eerste lid, eerste lid, die geen aparte beheerder heeft.

4. De zetel van een beleggingsfonds bevindt zich in de staat van de zetel van zijn beheerder.

Artikel 1:6g

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het ingevolge deze wet bepaalde ten aanzien van instellingen voor collectieve belegging in effecten niet van toepassing is op beleggingsinstellingen ten aanzien waarvan de ingevolge de artikelen 2:82, zevende lid, en 4:61 gestelde regels gelet op hun beleid ter zake van het aangaan van leningen of het beleggen niet geschikt zijn.

AFDELING 1.1.3 REIKWIJDTE MET BETREKKING TOT FINANCIËLE DIENSTEN

§ 1.1.3.1. Algemeen

Artikel 1:6h

Deze wet, met uitzondering van het Deel Gedragstoezicht financiële markten, is niet van toepassing op:

a. het verlenen van financiële diensten door pensioenfondsen of ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de bedrijfstak, onderneming, dan wel beroepsgroep waarmee zij zijn verbonden; en

b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van pensioenfondsen of ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.

§ 1.1.3.2. Diensten van de informatiemaatschappij

Artikel 1:6i

1. Deze wet, met uitzondering van de artikelen 1a:33, tweede tot en met vierde lid, 1a:35, 1a:36 en 1a:43, is niet van toepassing op financiële diensten die kunnen worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en die worden verleend door een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat of vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor door een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is.

2. Indien ter bescherming van een van de belangen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel, maatregelen noodzakelijk zijn, kan Onze Minister zonodig met toepassing van het zesde lid van dat artikel besluiten dat het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen en de daarop gebaseerde bepalingen geheel of gedeeltelijk, in afwijking van het eerste lid, van toepassing is op een bepaalde financiële dienst als bedoeld in dat lid.

Artikel 1:6j

Onder het verlenen van een financiële dienst in Nederland wordt mede verstaan het verlenen van een financiële dienst die kan worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in een andere lidstaat door een financiële onderneming met zetel in Nederland of door een in Nederland gelegen bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is.

§ 1.1.3.2. Adviseren over financiële instrumenten en het verlenen van beleggingsdiensten

Artikel 1:6k

Deze wet, met uitzondering van het Deel Gedragstoezicht financiële markten, is niet van toepassing op het adviseren over financiële instrumenten en het verlenen van beleggingsdiensten voorzover:

a. deze financiële diensten worden verleend door adviseurs of beleggingsondernemingen aan de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn, voor hun dochtermaatschappijen of voor een andere dochtermaatschappij van de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn;

b. deze financiële diensten bestaan uit het op grond van een overeenkomst met een werkgever beheren van een werknemersparticipatieplan met betrekking tot financiële instrumenten die zijn uitgegeven ten laste van die werkgever; of

c. het hoofdbedrijf van de adviseurs of beleggingsondernemingen bestaat uit het verhandelen van zaken met producenten, met gebruikers die handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf, of met anderen met eenzelfde hoofdbedrijf en zij deze financiële diensten uitsluitend verlenen aan deze wederpartijen, in de mate waarin hun hoofdbedrijf zulks vereist.

Artikel 1:6l

Het ingevolge deze wet bepaalde met betrekking tot werkzaamheden gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon, anders dan op grond van een overeenkomst inzake het beheren van een individueel vermogen, werkzaam zijn bij de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten, is niet van toepassing op de inkoop of verkoop van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen door de beheerders van die beleggingsinstellingen.

§ 1.1.3.3. Financiële diensten met betrekking tot krediet

Artikel 1:6m

Deze wet is niet van toepassing op:

a. het door openbare lichamen ter uitvoering van een wettelijke taak aanbieden van krediet;

b. financiële diensten die worden verleend door geregistreerde geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, voorzover het diensten betreft die zij mogen verlenen op grond van die wet;

c. financiële diensten met betrekking tot krediet waarbij het effectief kredietvergoedingspercentage op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover het krediet wordt aangeboden aan minder dan 100 consumenten;

d. financiële diensten met betrekking tot krediet bestaande uit een overeenkomst van huur en verhuur of waartoe een zodanige overeenkomst behoort, tenzij deze betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken en de strekking heeft dat het verschaffen van het genot van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, al dan niet door verlenging van die overeenkomst of het aangaan van een nieuwe overeenkomst, langer dan zes maanden zal duren;

e. financiële diensten met betrekking tot krediet bestaande uit het in ontvangst nemen van roerende zaken van een consument tegen het ter beschikking stellen van een geldsom aan de consument, voorzover de vordering op de consument tot terugbetaling teniet gaat indien de betreffende roerende zaken door de financiële onderneming te gelde worden gemaakt; en

f. financiële diensten met betrekking tot krediet waarbij is overeengekomen dat geen van de terzake verschuldigde betalingen van de consument later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld, het genot van een roerende zaak, financieel instrument of beleggingsobject is verschaft, dan wel een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst is verleend.

§ 1.1.3.4. Financiële diensten met betrekking tot verzekeringen

Artikel 1:6n

Deze wet is niet van toepassing op:

a. bemiddelen in verzekeringen, voorzover:

1°. het bemiddelen slechts kennis vergt van de verzekeringsdekking die geboden wordt;

2°. het een verzekering betreft die geen levensverzekering is en geen aansprakelijkheidsrisico's dekt;

3°. de betreffende bemiddelaar een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddelen in verzekeringen;

4°. het een verzekering betreft die een aanvulling is op de levering van een zaak of de verlening van een dienst door de betreffende bemiddelaar, hetgeen het geval is indien de betreffende verzekering het risico dekt van defect, verlies, of beschadiging van door die bemiddelaar geleverde zaken dan wel het risico dekt van beschadiging of verlies van bagage of andere risico's die verband houden met een bij die bemiddelaar geboekte reis, ook indien de verzekering levensverzekering- of aansprakelijkheidsrisico's dekt indien dat een bijkomende dekking is ten opzichte van de hoofddekking betreffende de met die reis verband houdende risico's; en

5°. het een verzekering betreft waarvan het bedrag van de jaarlijkse premie niet hoger is dan € 500 en de volledige looptijd van de verzekering, met inbegrip van eventuele verlengingen, niet langer is dan een periode van vijf jaar; en

b. financiële diensten met betrekking tot verzekeringen met betrekking tot risico's en verplichtingen die zijn gelegen in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 1:6o

Onder adviseren over verzekeringen, bemiddelen in verzekeringen en herverzekeringsbemiddelen in Nederland wordt mede verstaan adviseren over verzekeringen, bemiddelen in verzekeringen en herverzekeringsbemiddelen vanuit Nederland in een andere lidstaat.

AFDELING 1.1.4 AANTASTBAARHEID VAN RECHTSHANDELINGEN

Artikel 1:6p

De rechtsgeldigheid van een rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.

AFDELING 1.1.5 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 1:7

1. Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.

2. De Nederlandsche Bank heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot de financiële markten.

Artikel 1:8

1. Gedragstoezicht is gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten.

2. De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot die markten.

Artikel 1:9

1. Het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van het bestuur worden bij koninklijk besluit benoemd. Elke benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. De raad van toezicht kan voor elke benoeming van een lid van het bestuur een niet-bindende voordracht bij Onze Minister indienen. Herbenoeming is onbeperkt mogelijk.

2. De voorzitter en de andere leden van het bestuur kunnen door Onze Minister worden geschorst of bij koninklijk besluit worden ontslagen, indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of daarin op ernstige wijze zijn tekortgeschoten. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek.

3. Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde benoemingen, schorsingen en ontslagen.

4. De salarissen en de regelingen ten aanzien van pensioen en vergoeding van onkosten van de voorzitter en de andere leden van het bestuur worden vastgesteld door de raad van toezicht en behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 1:10

1. De Autoriteit Financiële Markten heeft een raad van toezicht.

2. De raad van toezicht ziet toe op het doelmatig en doeltreffend functioneren van het bestuur, in het bijzonder ten aanzien van het financieel beheer, en staat het bestuur met raad terzijde.

3. De raad van toezicht bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht worden door Onze Minister benoemd. Elke benoeming geschiedt voor ten hoogste vier jaren. De raad van toezicht kan voor elke benoeming een niet-bindende voordracht bij Onze Minister indienen. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaren plaatsvinden.

4. De voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek.

5. Onze Minister draagt zorg voor de mededeling in de Staatscourant van de in dit artikel bedoelde benoemingen, schorsingen en ontslagen.

Artikel 1:11

1. Indien ingevolge deze wet aan de toezichthouder de bevoegdheid wordt toegekend om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen, gaat de toezichthouder daartoe niet over dan nadat hij een daarvoor in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van onder zijn toezicht staande ondernemingen heeft geraadpleegd.

2. De toezichthouder stelt Onze Minister onverwijld in kennis van door hem vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 1:12

1. Indien de door de toezichthouder vastgestelde algemeen verbindende voorschriften naar het oordeel van Onze Minister in strijd zijn met de wet, een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en de toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, stelt Onze Minister bij ministeriële regeling regels voor het desbetreffende onderwerp, onder gelijktijdige intrekking van de door de toezichthouder voor het desbetreffende onderwerp vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

2. Indien de door de toezichthouder vastgestelde algemeen verbindende voorschriften een onredelijke belasting voor de financiële markten tot gevolg hebben, en de toezichthouder de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, kan Onze Minister bij ministeriële regeling regels stellen voor het desbetreffende onderwerp, onder gelijktijdige intrekking van de door de toezichthouder voor het desbetreffende onderwerp vastgestelde algemeen verbindende voorschriften.

3. Indien Onze Minister op grond van het eerste of tweede lid voorschriften vaststelt doet hij zo spoedig mogelijk een voordracht tot wijziging van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur.

HOOFDSTUK 1.2 REKENING EN VERANTWOORDING

Artikel 1:13

1. De toezichthouder stelt jaarlijks een begroting op van de in het daaropvolgende jaar te verwachten baten en lasten, investeringsuitgaven alsmede inkomsten en uitgaven met betrekking tot de uitvoering van de ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden. De begroting wordt op een zodanige wijze opgesteld dat de lasten en de uitgaven structureel worden gedekt door de baten en de inkomsten.

2. De begrotingsposten worden van een toelichting voorzien.

3. Tenzij de werkzaamheden waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, bevat de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatste jaarrekening of verantwoording waarmee Onze Minister heeft ingestemd.

4. De toezichthouder zendt de begroting voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister.

5. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ingeval van gebleken strijdigheid wordt instemming niet onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te passen, binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn.

6. De toezichthouder doet onverwijld na instemming mededeling van de begroting in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.

7. Wanneer Onze Minister niet voor 1 januari van het jaar waarop deze betrekking heeft met de begroting heeft ingestemd, kan de toezichthouder, in het belang van een juiste uitvoering van zijn taak, voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen in de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.

Artikel 1:14

Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de toezichthouder daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

Artikel 1:15

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de inrichting van de begroting.

Artikel 1:16

1. De Autoriteit Financiële Markten stelt jaarlijks een jaarrekening op van de ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

2. De jaarrekening van de Autoriteit Financiële Markten, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financieel beheer en van de geleverde prestaties over het verstreken boekjaar, wordt zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ingericht.

3. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Autoriteit Financiële Markten aangewezen accountant.

4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van deze wet.

5. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de Autoriteit Financiële Markten uit hoofde van deze wet voldoen aan eisen van doelmatigheid.

6. De Autoriteit Financiële Markten zendt de jaarrekening voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.

7. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

8. De Autoriteit Financiële Markten doet onverwijld na instemming mededeling van de jaarrekening in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.

Artikel 1:17

1. De Nederlandsche Bank stelt jaarlijks een verantwoording op van de ingevolge deze wet opgedragen taak en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

2. De verantwoording gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Nederlandsche Bank aangewezen accountant.

3. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, een verslag van zijn bevindingen omtrent de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet.

4. De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de Nederlandsche Bank uit hoofde van deze wet voldoen aan eisen van doelmatigheid.

5. De Nederlandsche Bank zendt de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister.

6. De instemming kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

7. De Nederlandsche Bank doet onverwijld na instemming mededeling van de verantwoording in de Staatscourant en houdt deze gedurende een jaar na instemming op elektronische wijze ter inzage.

Artikel 1:18

1. Het verschil tussen de aan het eind van een begrotingsjaar gerealiseerde baten van de toezichthouder en de gerealiseerde lasten van de toezichthouder vormt het exploitatiesaldo.

2. Indien in enig boekjaar een exploitatiesaldo ontstaat en de toezichthouder dit exploitatiesaldo wil betrekken bij de in rekening te brengen kosten als bedoeld in artikel 1:23, doet de toezichthouder daaromtrent een voorstel in de jaarrekening of de verantwoording.

Artikel 1:19

1. De toezichthouder stelt jaarlijks een jaarverslag op. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het daartoe gevoerde beleid uit hoofde van deze wet in het voorafgaande jaar. Het jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg.

2. De toezichthouder zendt het jaarverslag voor 1 mei aan Onze Minister. Onze Minister zendt een afschrift van het jaarverslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

3. De toezichthouder houdt het jaarverslag op elektronische wijze ter inzage.

Artikel 1:20

1. De toezichthouder legt een voorgenomen statutenwijziging ter voorafgaande instemming voor aan Onze Minister. De artikelen 10:29 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2. De instemming, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:

a. indien de statuten na wijziging onvoldoende zijn afgestemd op het in deze wet bepaalde;

b. indien de statuten na wijziging onvoldoende waarborgen bieden voor een onafhankelijke taakvervulling door de toezichthouder;

c. wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 1:21

1. De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet zorg voor:

a. een tijdige voorbereiding en uitvoering;

b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;

c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in aanraking komt;

d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten die worden ontvangen.

2. De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die met hem in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot verbetering van werkwijzen en procedures te doen.

3. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 1:19, doet de toezichthouder verslag van hetgeen tot uitvoering van het eerste en het tweede lid is verricht.

Artikel 1:22

1. De toezichthouder organiseert overleg over:

a. de door de toezichthouder op te stellen begroting;

b. de door de toezichthouder gerealiseerde baten en lasten alsmede inkomsten en uitgaven, en verrichte werkzaamheden;

c. de kosten voor ondernemingen die verband houden met de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

2. Het overleg wordt gevoerd door de toezichthouder en een daarvoor in aanmerking komende representatieve vertegenwoordiging van de onder zijn toezicht staande ondernemingen. De toezichthouder kan tevens daarvoor in aanmerking komende cliëntenorganisaties toelaten tot het overleg. Onze Minister wijst ambtenaren aan die namens hem het overleg bijwonen.

3. Het overleg vindt tweemaal per jaar plaats.

4. De toezichthouder maakt het verslag van het overleg binnen een redelijke termijn na het overleg openbaar.

Artikel 1:23

1. De toezichthouder brengt de kosten van de werkzaamheden die hij verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet in rekening bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die werkzaamheden worden verricht, voorzover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting. Tot de kosten behoren onder meer de kosten die hij ter voorbereiding op de uitvoering van nieuwe onderdelen van zijn taak heeft gemaakt, voordat deze aan hem werden opgedragen.

2. De toezichthouder die in het kader van een aanvraag van een vergunning of instemming op grond van artikel 1:31 advies vraagt aan de andere toezichthouder kan ten behoeve van de andere toezichthouder bij de aanvrager kosten in rekening brengen die betrekking hebben op de werkzaamheden die in dit kader door laatstgenoemde toezichthouder worden verricht.

3. De kosten worden gebaseerd op de begroting waarmee Onze Minister heeft ingestemd en op het exploitatiesaldo indien Onze Minister heeft ingestemd met de jaarrekening of de verantwoording waarin een voorstel als bedoeld in artikel 1:18, tweede lid, is opgenomen.

4. Op de begrote kosten worden de opbrengsten uit boetes en verbeurde dwangsommen, voorzover de hieraan ten grondslag liggende besluiten van de toezichthouder in het voorafgaande jaar onherroepelijk zijn geworden, in mindering gebracht.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen incidenteel en jaarlijks in rekening te brengen kosten. Deze regels hebben onder meer betrekking op de toerekening van toezichthandelingen aan ondernemingen.

6. Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld op basis waarvan de kosten, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, worden doorberekend.

Artikel 1:24

De toezichthouder verstrekt Onze Minister desgevraagd inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van algemene beleidsvoornemens en voorgenomen wettelijke voorschriften, voorzover deze betrekking hebben op het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht ingevolge deze wet.

Artikel 1:25

1. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betreft in de zin van artikel 1:72, eerste lid, die:

a. betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële onderneming:

1°. waaraan een vergunning op grond van het Deel Markttoegang financiële ondernemingen is verleend of die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138 heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen; en

2°. ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, of overeenkomstig afdeling 2.5.7 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. betrekking hebben op ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een financiële onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. zijn ontvangen van een toezichthoudende instantie of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële onderneming, en niet de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die toezichthoudende instantie of van de toezichthoudende instantie van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid ontvangen gegevens of inlichtingen. 6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de beide kamers der Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

Artikel 1:26

1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2. Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een of meer onderdelen van de taak van de toezichthouder zelf uit te voeren of door de andere toezichthouder te laten uitvoeren. Alsdan komen de desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze Minister onderscheidenlijk aan de andere toezichthouder.

3. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

4. Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem op grond van het eerste lid getroffen voorzieningen.

Artikel 1:27

1. Onze Minister zendt drie jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens elke vijf jaar een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de toezichthouders.

2. Onze Minister zendt drie jaar na inwerkingtreding van deze wet een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de samenwerking van de toezichthouders ingevolge deze wet.

3. De toezichthouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen ten behoeve van deze verslagen.

Artikel 1:28

Tegen besluiten van Onze Minister inzake instemming met de begroting, de jaarrekening of de verantwoording kan geen beroep worden ingesteld als bedoeld in artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 1.3 SAMENWERKING TOEZICHTHOUDERS

AFDELING 1.3.1 SAMENWERKING TOEZICHTHOUDERS NATIONAAL

Artikel 1:29

1. De toezichthouders werken samen met het oog op de vaststelling van algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels opdat deze, voorzover zij betrekking hebben op onderwerpen die zowel tot het prudentieel toezicht als tot het gedragstoezicht behoren, zoveel mogelijk gelijkluidend zijn.

2. Tot de in het eerste lid bedoelde onderwerpen worden in elk geval gerekend:

a. het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in afdeling 1.4.2;

b. de betrouwbaarheid, bedoeld in de artikelen 2:37 en 4:10;

c. de deskundigheid, bedoeld in de artikelen 2:36 en 4:9;

d. de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 2:45, tweede lid, onderdelen a en b, en 4:14, tweede lid, onderdelen a en b; en

e. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

Artikel 1:30

1. De toezichthouder neemt geen besluit tot het treffen van een in het tweede lid genoemde maatregel dan nadat hij aan de andere toezichthouder een redelijke termijn heeft geboden om daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.

2. De maatregelen zijn:

a. de benoeming van een curator op grond van artikel 1:59;

b. de intrekking van een vergunning op grond van artikel 1:83, aanhef en onderdeel b, c, d, e, f of j;

c. het opleggen van het verbod, bedoeld in artikel 1:38, 1:39, tweede lid, 1:48, eerste lid of 4:4; en

d. de aanwijzing op grond van artikel 1:58, strekkende tot het doen heenzenden van een persoon die het beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt of strekkende tot het doen heenzenden van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een financiële onderneming.

3. De zienswijze wordt schriftelijk naar voren gebracht, tenzij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zich daartegen verzet. In dat geval kan worden volstaan met een mondeling naar voren gebrachte zienswijze, met dien verstande dat deze zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt bevestigd. Indien de toezichthouder een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt dat afwijkt van de door de andere toezichthouder naar voren gebrachte zienswijze, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering van het besluit vermeld. De zienswijze of de schriftelijke bevestiging van een mondeling gegeven zienswijze vormt een integraal onderdeel van het besluit tot het treffen van een toezichtmaatregel.

4. Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het aanvragen van het faillissement op grond van artikel 212k of artikel 213b van de Faillissementswet en het aanvragen van de noodregeling op grond van afdeling 2.5.7.

Artikel 1:31

1. Indien de Nederlandsche Bank in het kader van de behandeling van een in artikel 1a:12, 1a:19, 1a:29, 1a:30, 1a:39, 1a:40, 2:61 of 2:138, vierde of vijfde lid, bedoelde aanvraag dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan het bij of krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen bepaalde vraagt zij, alvorens te beslissen op die aanvraag, daarover advies aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Indien de Autoriteit Financiële Markten in het kader van de behandeling van een in artikel 1a:64, 1a:65 of 1a:96 bedoelde aanvraag dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen bepaalde vraagt zij, alvorens te beslissen op die aanvraag, daarover advies aan de Nederlandsche Bank.

3. De toezichthouder wiens advies als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gevraagd, brengt het advies schriftelijk uit binnen zes weken na het verzoek.

4. Indien de Autoriteit Financiële Markten in het kader van een aanvraag van instemming als bedoeld in artikel 1a:121 of 1a:124 dient te beoordelen of de financiële positie van de aanvrager toereikend is, vraagt zij daarover advies aan de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank brengt het advies schriftelijk uit binnen drie weken na het verzoek.

5. Indien de toezichthouder die het advies heeft gevraagd overweegt af te wijken van het advies stelt hij de toezichthouder die het advies heeft gegeven in de gelegenheid om het advies mondeling toe te lichten.

6. Het advies, bedoeld in het eerste, tweede lid of vierde lid, maakt deel uit van het besluit ten aanzien van de vergunning of instemming.

Artikel 1:32

1. Indien een toezichthouder constateert dat de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid bepaalt of mede bepaalt van een financiële onderneming waaraan door de andere toezichthouder een vergunning is verleend of die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een zodanige onderneming, niet of niet langer buiten twijfel staat, stelt hij de andere toezichthouder daarvan in kennis en doet hij daarbij een aanbeveling voor een te treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.

2. Indien een toezichthouder constateert dat een persoon die het dagelijks beleid bepaalt van een financiële onderneming waaraan door de andere toezichthouder een vergunning is verleend, niet of niet langer over de ingevolge deze wet vereiste deskundigheid beschikt, stelt hij de andere toezichthouder daarvan in kennis en doet hij daarbij een aanbeveling voor een te treffen maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.

3. De kennisgeving en aanbeveling worden schriftelijk gedaan, tenzij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zich daartegen verzet. In dat geval kan worden volstaan met een mondelinge kennisgeving en aanbeveling, met dien verstande dat deze zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd.

4. De andere toezichthouder bericht de toezichthouder die de kennisgeving en de aanbeveling heeft gedaan binnen een redelijke termijn gemotiveerd of hij naar aanleiding van de kennisgeving en de aanbeveling overgaat tot het treffen van een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2.

5. Indien de andere toezichthouder naar aanleiding van de kennisgeving en de aanbeveling een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2 treft, is artikel 1:30 niet van toepassing.

6. Indien op basis van de kennisgeving wordt overgegaan tot het treffen van een maatregel als bedoeld in afdeling 1.4.2 vormen de kennisgeving en de aanbeveling een integraal onderdeel van het besluit tot het treffen van de toezichtmaatregel.

Artikel 1:32a

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten toezicht houdt op een financiële onderneming die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat als bedoeld in artikel 2:321, is artikel 1:35a, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing op de Autoriteit Financiële Markten.

2. Artikel 1:35a, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de samenwerking tussen de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

AFDELING 1.3.2 SAMENWERKING MET ANDERE LIDSTATEN ALGEMEEN

§ 1.3.2.1. Samenwerking en uitwisseling van gegevens en inlichtingen

Artikel 1:33

1. De toezichthouder werkt samen met toezichthoudende instanties van andere lidstaten, indien dat voor het vervullen van zijn taak op grond van deze wet of voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instanties nodig is.

2. De toezichthouder verstrekt op verzoek aan een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, met inachtneming van artikel 1:73, eerste tot en met derde lid, alle gegevens en inlichtingen die voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instantie nodig zijn.

Artikel 1:34

Vervallen.

Artikel 1:35

1. De toezichthouder kan ten behoeve van de uitvoering van zijn taak op grond van artikel 1:33 van een ieder inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat nodig is.

2. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:35a

1. De Nederlandsche Bank werkt ten behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 2.6.4, samen met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten. In het kader daarvan verstrekt de Nederlandsche Bank aan die toezichthoudende instanties desgevraagd alle relevante informatie en verstrekt zij hun uit eigen beweging alle essentiële informatie.

2. De in het eerste lid bedoelde samenwerking behelst ten minste het vergaren en uitwisselen van informatie met betrekking tot de volgende aspecten:

a. de structuur van de groep, bedoeld in artikel 2:320, onderdeel e, alle belangrijke ondernemingen die tot het financiële conglomeraat behoren en de toezichthoudende instanties van andere lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de gereglementeerde entiteiten, bedoeld in artikel 2:320, onderdeel d, in de groep;

b. de door het financiële conglomeraat gevolgde strategie;

c. de financiële situatie van het financiële conglomeraat, in het bijzonder de kapitaaltoereikendheid, de transacties binnen de groep, de risicoconcentratie, bedoeld in artikel 2:320, onderdeel l, en de winstgevendheid;

d. de belangrijkste aandeelhouders en het bestuur van het financiële conglomeraat;

e. de bedrijfsvoering op het niveau van het financiële conglomeraat;

f. de procedures voor de verzameling van informatie bij de ondernemingen in het financiële conglomeraat en de verificatie van deze informatie;

g. ontwikkelingen bij gereglementeerde entiteiten of bij andere groepsleden van het financiële conglomeraat die ernstige nadelige gevolgen voor de gereglementeerde entiteiten kunnen hebben;

h. belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de toezichthoudende instanties van andere lidstaten ten aanzien van het financieel conglomeraat of onderdelen daarvan hebben getroffen.

3. De Nederlandsche Bank pleegt, voordat zij een besluit neemt in verband met de hierna vermelde aangelegenheden, overleg met de toezichthoudende instanties van andere lidstaten die zijn belast met het toezicht op gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat, indien dat besluit van belang is voor de toezichthoudende taken van die toezichthoudende instanties:

a. veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van een gereglementeerde entiteit die haar goedkeuring behoeven;

b. belangrijke sancties of buitengewone maatregelen ten aanzien van een gereglementeerde entiteit.

4. De Nederlandsche Bank kan, onverminderd het in het derde lid bedoelde overleg in spoedeisende gevallen, of indien dat overleg de doeltreffendheid van haar besluiten in gevaar kan brengen, achterwege laten. In dat geval stelt zij de toezichthoudende instanties van andere lidstaten van haar besluit onverwijld in kennis.

5. Op verzoek van de coördinator, bedoeld in artikel 2:324, eerste lid, wint de Nederlandsche Bank bij de moederonderneming, bedoeld in artikel 2:303, eerste lid, onderdeel h, met zetel in Nederland die, alleen of samen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van de groep waartoe een gereglementeerde entiteit behoort, alle inlichtingen in die relevant zijn voor de uitoefening van de taken van de coördinator.

6. Indien de Nederlandsche Bank geen coördinator is en de coördinator het nodig acht dat met het oog op het toezicht, bedoeld in afdeling 2.6.4, maatregelen worden getroffen tegen een gemengde financiële holding met zetel in Nederland, neemt zij op verzoek van de coördinator de naar haar oordeel redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen tegen die gemengde financiële holding, met gebruikmaking van de haar ingevolge deze wet toekomende bevoegdheden.

§ 1.3.2.2. Samenwerking in het kader van toezicht op de naleving

Artikel 1:36

1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland een bijkantoor heeft in een andere lidstaat, kan de toezichthouder ten behoeve van het toezicht op de naleving van deze wet door die financiële onderneming:

a. de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat verzoeken om bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren; of

b. na kennisgeving aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat zelf bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen verifiëren of doen verifiëren.

2. Indien de Nederlandsche Bank ten behoeve van het toezicht op geconsolideerde basis als bedoeld in hoofdstuk 2.6 gegevens of inlichtingen wenst te verifiëren bij een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, kan zij ten behoeve van dat toezicht:

a. de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat verzoeken om bij die onderneming gegevens of inlichtingen te verifiëren;

b. na kennisgeving aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat zelf bij die onderneming gegevens of inlichtingen verifiëren of doen verifiëren.

Artikel 1:37

1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor heeft in Nederland, kan de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat, na de toezichthouder in kennis te hebben gesteld, bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen verifiëren die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

2. De toezichthoudende instantie van de andere lidstaat kan voorts de toezichthouder verzoeken bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht op die beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar. De toezichthouder geeft aan dit verzoek gevolg, of stelt de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat in de gelegenheid om bij het bijkantoor gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen verifiëren.

3. Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ten behoeve van het toezicht op geconsolideerde basis op een kredietinstelling met zetel in die lidstaat gegevens of inlichtingen wenst te verifiëren bij een in Nederland gevestigde onderneming, kan zij de Nederlandsche Bank verzoeken dat te doen. De Nederlandsche Bank geeft aan dit verzoek gevolg, of geeft de toezichthoudende instantie gelegenheid om de gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen verifiëren.

4. De toezichthouder kan ten behoeve van een verificatie als bedoeld in het eerste of tweede lid bij het bijkantoor onderscheidenlijk bij de onderneming inlichtingen vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:37a

1. Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat ten behoeve van het toezicht, bedoeld in afdeling 2.6.4, verzoekt gegevens of inlichtingen te verifiëren betreffende een groepslid met zetel in Nederland, geeft de Nederlandsche Bank aan dit verzoek gevolg of stelt zij de betrokken toezichthoudende instantie in de gelegenheid om de gegevens of inlichtingen te verifiëren of te doen verifiëren. Indien de toezichthoudende instantie de gegevens niet zelf verifieert, kan die instantie bij de verificatie aanwezig zijn.

2. De Nederlandsche Bank kan ten behoeve van een verificatie als bedoeld in het eerste lid inlichtingen vorderen. De artikelen 5:13, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 1.3.2.3. Samenwerking in het kader van handhaving

Artikel 1:38

1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor in Nederland haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel diensten verricht naar Nederland, geen gevolg geeft aan een door de toezichthouder gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58, stelt de toezichthouder de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat daarvan in kennis.

2. Indien de betrokken beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in weerwil van de door de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft getroffen maatregelen of omdat die toezichthoudende instantie geen maatregelen heeft getroffen, niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, kan de toezichthouder, na die toezichthoudende instantie daarvan in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de betrokken beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag afsluiten, onverminderd de artikelen 1:61 en 1:62.

3. De toezichthouder doet van een op grond van het tweede lid genomen besluit onverwijld mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de betrokken beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar zetel heeft.

4. De toezichthouder doet van een op grond van het tweede lid genomen besluit voorts mededeling in de Staatscourant zodra de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, zodra onherroepelijk op het beroep is beslist.

Artikel 1:39

1. Indien een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel diensten verricht naar een andere lidstaat niet voldoet aan in die andere lidstaat geldende wettelijke voorschriften, geeft de toezichthouder na daartoe een kennisgeving van de toezichthouder van die andere lidstaat te hebben ontvangen, zo spoedig mogelijk een aanwijzing aan de betrokken beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn de in de aanwijzingsbeschikking bepaalde gedragslijn te volgen, ten einde de strijdigheid met de in die andere lidstaat geldende wettelijke voorschriften te beëindigen.

2. Indien niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan de aanwijzing, kan de toezichthouder, na die toezichthoudende instantie daarvan in kennis te hebben gesteld, het besluit nemen dat de betrokken beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar geen nieuwe overeenkomsten in de andere lidstaten mag afsluiten.

3. De toezichthouder doet aan de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededeling van de maatregelen genomen op grond van het eerste of tweede lid.

§ 1.3.2.4. Raadplegen in het kader van overige procedures en kennis geven van bepaalde besluiten

Artikel 1:40

1. De Autoriteit Financiële Markten raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een beheerder die:

a. een dochtermaatschappij is van een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

c. onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens zeggenschap uitoefent over een beheerder, beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.

2. De Autoriteit Financiële Markten raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een beleggingsonderneming die:

a. een dochtermaatschappij is van een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

c. onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens zeggenschap uitoefent over een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.

3. De Nederlandsche Bank raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een kredietinstelling die:

a. een dochtermaatschappij is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

c. onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.

4. De Nederlandsche Bank raadpleegt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat alvorens een vergunning wordt verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die:

a. een dochtermaatschappij is van een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

b. een dochtermaatschappij is van een moedermaatschappij van een beleggingsonderneming, kredietinstelling,levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in de andere lidstaat een vergunning is verleend;

c. onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die tevens zeggenschap uitoefent over een beleggingsonderneming, kredietinstelling,levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.

Artikel 1:41

1. De toezichthouder stelt de toezichthoudende instanties van de lidstaten waar een financiële onderneming met zetel in Nederland vanuit een bijkantoor haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel waarnaar een financiële onderneming diensten verricht in kennis van de intrekking van de aan die financiële onderneming verleende vergunning, bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, 1a:24, eerste lid, 1a:62 of 1a:93.

2. Indien een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat vanuit een bijkantoor in Nederland haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent dan wel diensten verricht naar Nederland en de toezichthoudende instantie van die lidstaat de toezichthouder in kennis heeft gesteld van de intrekking van de vergunning van die financiële onderneming door die toezichthoudende instantie, maakt de toezichthouder deze kennisgeving openbaar.

Artikel 1:42

De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122 verleent of een mededeling als bedoeld in artikel 2:136, vierde lid, doet, indien de beleggingsonderneming of kredietinstelling waarin de aanvrager een deelneming wil houden ten gevolge van de deelneming dochtermaatschappij zou worden van de aanvrager, en de aanvrager:

a. een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend;

b. de moedermaatschappij is van een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend; of

c. een natuurlijke persoon of rechtspersoon is die anderszins zeggenschap heeft over een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar waaraan in een andere lidstaat een vergunning is verleend.

Artikel 1:43

1. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie van de lidstaat, bedoeld in artikel 2:85, eerste lid, in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij een ontheffing als bedoeld in dat artikel verleent aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

2. Alvorens een ontheffing als bedoeld in artikel 2:85, eerste lid, in te trekken, verzoekt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van de desbetreffende lidstaat die aan dezelfde financiële onderneming een overeenkomstige ontheffing heeft verleend, deze ontheffing in te trekken op het door de toezichthouder voorgestelde tijdstip.

3. Indien de toezichthoudende instantie van de lidstaat, bedoeld in artikel 2:85, eerste lid, hierom verzoekt, trekt de Nederlandsche Bank een ontheffing als bedoeld in dat artikel in op het door die toezichthoudende instantie voorgestelde tijdstip.

Artikel 1:44

Vervallen.

Artikel 1:45

Indien een financiële instelling met zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft niet langer voldoet aan artikel 2:138, derde tot en met zesde lid, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar die financiële instelling vanuit een bijkantoor haar bedrijf uitoefent of financiële diensten verleent, dan wel waarnaar zij diensten verricht, daarvan in kennis.

AFDELING 1.3.3 SAMENWERKING MET TOEZICHTHOUDENDE INSTANTIES VAN STATEN DIE GEEN LIDSTAAT ZIJN

Artikel 1:46

1. De toezichthouder kan aan een toezichthoudende instantie van een staat die geen lidstaat is gegevens of inlichtingen verstrekken, indien met betrekking tot de gegevens en inlichtingen krachtens de wet in die staat ten minste gelijkwaardige waarborgen gelden ten aanzien van geheimhouding als op grond van artikel 1:73, eerste lid, en voorzover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening van toezicht door de desbetreffende toezichthoudende instantie geschiedt. Artikel 1:73, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. De toezichthouder zendt onverwijld nadat met inachtneming van het eerste lid met een toezichthoudende instantie van een staat die geen lidstaat is een overeenkomst is gesloten ten einde gegevens of inlichtingen te kunnen uitwisselen een afschrift van de overeenkomst aan Onze Minister.

Artikel 1:47

1. Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is bij het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een andere lidstaat geen gevolg geeft aan een door de Nederlandsche Bank gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58, stelt deze de toezichthoudende instantie van die lidstaat daarvan in kennis.

2. Artikel 1:38, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:48

1. Indien een clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een andere staat geen gevolg geeft aan een door de toezichthouder gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58, kan de toezichthouder indien dat noodzakelijk is, het besluit nemen dat de betrokken clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar geen nieuwe overeenkomsten in Nederland mag afsluiten door middel van het verrichten van diensten, onverminderd de artikelen 1:61 en 1:62.

2. Artikel 1:38, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:49

1. De toezichthouder kan voor de uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen, dan wel voor de uitvoering van met toezichthoudende instanties gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 1:46, van een ieder inlichtingen vorderen.

2. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 1.3.4 INFORMATIEVERSTREKKING DOOR TOEZICHTHOUDER AAN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Artikel 1:50

De toezichthouder stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van een vergunning die ingevolge deze wet:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling is verleend;

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar, schadeverzekeraar of beleggingsonderneming is verleend aan een dochtermaatschappij van een financiële onderneming waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is.

Artikel 1:51

De Nederlandsche Bank stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van:

a. een verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122 voor een gekwalificeerde deelneming in een bank, beleggingsonderneming, levensverzekeraar of schadeverzekeraar;

b. een gedane mededeling als bedoeld in artikel 2:136, vierde lid, voor een gekwalificeerde deelneming in een elektronischgeldinstelling, indien deze gekwalificeerde deelneming gehouden wordt door een financiële onderneming waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is waardoor de bank, beleggingsonderneming, elektronischgeldinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar een dochtermaatschappij van die financiële onderneming wordt.

Artikel 1:52

De toezichthouder stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van:

a. de algemene moeilijkheden die beheerders, beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in Nederland ondervinden bij het uitoefenen van hun bedrijf of het verlenen van financiële diensten vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is of het verrichten van diensten naar een staat die geen lidstaat is;

b. het aantal en de aard van de gevallen waarin de toezichthouder een door een beheerder, beleggingsonderneming of kredietinstelling gedane aanvraag van instemming met het voornemen als bedoeld in artikel 1a:117, 1a:119 en 1a:124 heeft geweigerd;

c. het aantal en de aard van de gevallen waarin hij een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, ten aanzien van een beheerder, beleggingsonderneming of kredietinstelling die een bijkantoor in Nederland heeft.

HOOFDSTUK 1.4 TOEZICHT EN HANDHAVING

AFDELING 1.4.1 TOEZICHT OP DE NALEVING

Artikel 1:56

1. Met het toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels zijn belast de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen.

2. Van een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 1:57

1. De personen, bedoeld in artikel 1:56, eerste lid, beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Voorzover de door de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 1:56 aangewezen personen voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 2:45, tweede lid, onderdeel a of b, maken deze personen geen gebruik van hun bevoegdheden op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

3. Voorzover de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:56 aangewezen personen voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Autoriteit Financiële Markten een vergunning heeft verleend, gegevens nodig hebben over aspecten van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a of b, maken de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:56 aangewezen personen geen gebruik van hun bevoegdheden op grond van de artikelen 5:15, 5:16 of 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

4. Van het tweede en derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding van het bij of krachtens deze wet gestelde en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 1:57a

1. De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels van een ieder inlichtingen vorderen.

2. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Voorzover de Autoriteit Financiële Markten voor het uitoefenen van het gedragstoezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 2:45, tweede lid, onderdeel a en b, vordert de Autoriteit Financiële Markten geen inlichtingen, dan nadat de Nederlandsche Bank is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Nederlandsche Bank niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

4. Voorzover de Nederlandsche Bank voor het uitoefenen van het prudentieel toezicht ten aanzien van financiële ondernemingen waaraande Autoriteit Financiële Markten een vergunning heeft verleend, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14, tweede lid, onderdeel a of b, vordert de Nederlandsche Bank geen inlichtingen, dan nadat de Autoriteit Financiële Markten is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken dat de Autoriteit Financiële Markten niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.

5. Van het derde en vierde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder, worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

AFDELING 1.4.2 HANDHAVING

Artikel 1:58

1. De toezichthouder kan een hierna bedoelde persoon die niet voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen:

a. een financiële onderneming;

b. een vertegenwoordiger van een verzekeraar;

c. een houder van een verklaring van geen bezwaar, ingevolge artikel 2:122, 2:123 of 5:32;

d. een ieder die in of vanuit Nederland bedrijfsmatig buiten besloten kring, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft.

2. De toezichthouder kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid eveneens aan een financiële onderneming geven indien hij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.

Artikel 1:59

1. De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien die financiële onderneming niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.

2. Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:

a. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58, eerste lid, gevolg is gegeven; of

b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate functionering van de financiële onderneming ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of

c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van consumenten of, indien het financiële instrumenten of verzekeringen betreft, de belangen van cliënten met uitzondering van professionele beleggers ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.

3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien hij bij die financiële onderneming tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.

4. Het besluit ingevolge het derde lid wordt slechts genomen:

a. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58, tweede lid, gevolg is gegeven; of

b. indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is en de financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.

5. Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan de financiële onderneming is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.

6. Na de benoeming van een curator:

a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de financiële onderneming de curator alle medewerking;

b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van de financiële onderneming toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;

c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator vervangen;

d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de financiële onderneming dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de financiële onderneming, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;

e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.

7. Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking onverwijld bekend aan de financiële onderneming.

8. Het eerste tot en met het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die in of vanuit Nederland bedrijfsmatig buiten besloten kring, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen aan trekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft.

Artikel 1:59a

1. Indien een financiële onderneming ten aanzien waarvan de toezichthouder heeft ingestemd met het voornemen als bedoeld in artikel 1a:105, 1a:108, 1a:112, 1a:118, 1a:119, 1a:122 of 1a:124, van de toezichthouder een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58 heeft gekregen met betrekking tot de bedrijfsvoering of haar financiële positie, en die financiële onderneming hieraan niet of onvoldoende gevolg heeft gegeven, kan de toezichthouder besluiten er niet langer mee in te stemmen dat die financiële onderneming vanuit het bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten haar bedrijf uitoefent. De toezichthouder doet mededeling van dit besluit aan de toezichthoudende instantie van de betrokken lidstaat. Vanaf het tijdstip van deze mededeling is het de financiële onderneming verboden nog langer vanuit het bijkantoor of door middel van diensten haar bedrijf uit te oefenen.

2. Indien een verzekeraar een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58 heeft gekregen met betrekking tot de betrouwbaarheid en deskundigheid van de vertegenwoordiger van de verzekeraar of van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van die verzekeraar, en de verzekeraar hieraan niet of onvoldoende gevolg heeft gegeven is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:60

1. Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot de financiële onderneming naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder ten aanzien van deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot die financiële onderneming af te leggen.

2. De toezichthouder maakt het besluit, bedoeld in het eerste lid, bekend aan de financiële onderneming.

Artikel 1:61

1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen terzake van een overtreding van voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen en de prospectusverordening alsmede terzake van overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Ten aanzien van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is artikel 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:62

1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van voorschriften, gesteld ingevolge de in de bijlage bij dit artikel genoemde artikelen en de prospectusverordening alsmede terzake van overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. De bestuurlijke boete komt toe aan de toezichthouder die de boete heeft opgelegd.

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1:63

1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete.

3. De toezichthouder kan het bedrag van de bestuurlijke boete lager stellen dan in de algemene maatregel van bestuur is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval onevenredig hoog is.

Artikel 1:64

Degene jegens wie de toezichthouder een handeling heeft verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de toezichthouder hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal opleggen, is niet verplicht ter zake daarvan enige inlichting te verstrekken. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 1:65

1. Indien de toezichthouder voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de toezichthouder de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Artikel 1:66

1. De toezichthouder legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in elk geval:

a. het feit terzake waarvan de bestuurlijke boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

c. de termijn, bedoeld in artikel 1:67, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 1:67

1. De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

2. De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken.

3. Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt de toezichthouder schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de boete, voorzover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.

4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de toezichthouder die de bestuurlijke boete heeft opgelegd.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 1:68

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 1:62 vervalt, indien de toezichthouder ter zake van hetzelfde feit reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd.

Artikel 1:69

1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Artikel 1:70

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 1:71

Vervallen.

HOOFDSTUK 1.5 GEHEIMHOUDINGSPLICHT, UITZONDERINGEN DIENAANGAANDE EN PUBLICATIEMOGELIJKHEDEN

AFDELING 1.5.1 GEHEIMHOUDINGSPLICHT EN UITZONDERINGEN DIENAANGAANDE

Artikel 1:72

1. Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld in artikel 1:73, eerste lid, onderscheidenlijk 1:74, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

2. In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.

Artikel 1:73

1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:72, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, tenzij:

a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;

c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

2. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, verstrekt de toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere toezichthoudende instantie in een andere lidstaat, tenzij de toezichthoudende instantie in een andere lidstaat waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

3. Indien een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:

a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; of

b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en

c. na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

4. De Autoriteit Financiële Markten dan wel het organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank dat is belast met de in artikel 1:7 genoemde taak kan vertrouwelijke informatie of gegevens verstrekken aan het organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank dat is belast met het vervullen van haar monetaire taak, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van die taak.

5. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de toezichthouder. De toezichthouder waarborgt dat bovenstaande informatie-uitwisseling plaatsvindt met inachtneming van het geheimhoudingsregime dat ingevolge Europese richtlijnen op de desbetreffende gegevens of inlichtingen van toepassing is.

Artikel 1:74

1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:72, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een persoon als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e, of f voorzover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taak:

a. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 2:197, vierde lid, is benoemd;

b. een bewindvoerder die ingevolge artikel 2:197, vierde lid, is benoemd;

c. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de Faillissementswet is benoemd;

d. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van de Faillissementswet is benoemd;

e. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is benoemd;

f. een curator die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is aangesteld.

2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:

a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn verkregen van de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie, en deze andere toezichthouder of die toezichthoudende instantie niet instemt met het verstrekken van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen.

3. De curator die is aangesteld in het faillissement van een financiële onderneming kan, in afwijking van artikel 1:72, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de failliete onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

4. Artikel 1:72, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een financiële onderneming die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging de desbetreffende onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

Artikel 1:76

1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:72, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is belast, voorzover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die opdracht.

2. Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen heeft toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de toezichthouder vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 1:72, eerste lid, stelt die instantie voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.

Artikel 1:77

1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 1:72, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:

a. de Europese Centrale Bank, een buitenlandse nationale centrale bank of een andere buitenlandse instantie die is belast met een soortgelijke taak, handelend in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, voorzover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van haar monetaire taak;

b. een accountant die is belast met de wettelijke controle van de jaarrekening van een financiële onderneming, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die financiële onderneming en noodzakelijk zijn voor de controle;

c. een actuaris die is belast met de wettelijke controle van een financiële onderneming, voorzover de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die financiële onderneming en noodzakelijk zijn voor de controle; of

d. aan de houder van een op grond van artikel 5:26, eerste lid, erkende markt in financiële instrumenten met het oog op de controle op de naleving van de voor die markt te hanteren regels.

2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste lid indien:

a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;

c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

3. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

4. Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:

a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste, tweede lid of derde lid; of

b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan in deze wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en

c. na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

AFDELING 1.5.2 PUBLICATIEMOGELIJKHEDEN VAN DE TOEZICHTHOUDERS

Artikel 1:78

De toezichthouder kan een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid, bij overtreding van de verbodsbepalingen uit deze wet en overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 1:38, 1:39, 1:48 en 4:4.

Artikel 1:79

1. De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare waarschuwing uit te zullen vaardigen als bedoeld in artikel 1:78 de betrokken onderneming in kennis van het besluit.

2. Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht kan de toezichthouder de toepassing van artikel 4:8 van die wet achterwege laten, indien van de betrokken onderneming geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 1:80

1. Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing als bedoeld in artikel 1:78 geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken onderneming overeenkomstig artikel 1:80 in kennis is gesteld van het besluit.

2. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de uitvoering van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van de voorzieningenrechter.

3. Indien bescherming van de belangen die deze wet beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de toezichthouder, in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen.

Artikel 1:81

De toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, tenzij de openbaarmaking het besluit in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de naleving van deze wet.

HOOFDSTUK 1.6 PROCEDURES

AFDELING 1.6.1 VERGUNNINGEN

Artikel 1:82

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend.

2. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld met het oog op de belangen die het desbetreffende deel beoogt te beschermen.

3. De toezichthouder beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.

4. De toezichthouder bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 1:82a

1. In afwijking van artikel 1:82, derde lid, houdt de toezichthouder de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een vergunning aan, indien er tevens een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, onderdeel b of c, is ingediend, uiterlijk tot zes weken na het tijdstip waarop de beschikking inzake de verklaring van geen bezwaar is bekendgemaakt. Indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening terzake van die beschikking is gedaan, houdt de toezichthouder de beslissing aan tot twee weken na het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.

2. Ongeacht of toepassing is gegeven aan het vorige lid, neemt de toezichthouder in elk geval binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit omtrent de vergunning.

Artikel 1:83

1. De toezichthouder kan een door hem verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;

b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;

d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;

e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;

f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit heeft beëindigd dan wel, de vergunninghouder een verzekeraar is die zijn bedrijf in de branche waarvoor hij een vergunning heeft, gedurende meer dan zes maanden heeft gestaakt;

g. de vergunninghouder de onderneming ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;

h. de vergunninghouder overlijdt indien het een natuurlijk persoon betreft of wordt ontbonden indien het een rechtspersoon of personenvennootschap betreft;

i. uit de verklaring omtrent de getrouwheid, deel uitmakende van de overige gegevens, bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, of de verklaring, bedoeld in de artikelen 2:98, zesde lid, 2:109, derde lid, of 2:118, eerste of tweede lid, niet blijkt dat de jaarrekening of de staten bedoeld in artikel 2:98, eerste of derde lid, een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

j. indien de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van hem de schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is verklaard, indien door een rechterlijke beschikking een of meer goederen van de vergunninghouder onder bewind zijn gesteld als bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of indien de ondercuratelestelling van de vergunninghouder is uitgesproken.

2. De toezichthouder trekt de door hem verleende vergunning in indien:

a. een machtiging bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is verleend, op het tijdstip waarop die machtiging is verleend, of zo spoedig mogelijk daarna, voorzover de onderneming onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning had;

b. een machtiging bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is verleend, op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de onderneming te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, voorzover de onderneming onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning had; c. hij heeft ingestemd met een portefeuilleoverdracht als bedoeld in artikel 2:144, 2:145 en 2:146.

3. De toezichthouder kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat de financiële onderneming binnen een door de toezichthouder te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door de toezichthouder, wordt de financiële onderneming of de curator in faillissement van de financiële onderneming aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.

Artikel 1:84

1. Het bij of krachtens deze afdeling met betrekking tot een vergunning bepaalde is van overeenkomstige toepassing op:

a. een erkenning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, met dien verstande dat aan deze erkenning voorschriften kunnen worden verbonden met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

b. een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138;

c. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de artikelen 2:122, 2:123 en 5:32;

d. een ontheffing van de verboden, bedoeld in de artikelen 1a:20, 1a:52, 1a:57, 1a:72, 1a:77, 1a:83, 1a:89, 2:28, 4:3, 5:27, tweede lid, 5:71, zesde lid, met dien verstande dat de ontheffing ook geheel of gedeeltelijk kan worden verleend; en

e. een instemming als bedoeld in artikel 2:148 met dien verstande dat indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat advies of instemming over de voorgenomen overdracht geeft, de beslistermijn wordt opgeschort met maximaal de termijn die die toezichthoudende instantie ter beschikking staat ingevolge artikel 2:150, vijfde lid.

2. Op een andere ontheffing dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is artikel 1:82, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorschriften die aan deze ontheffing kunnen worden verbonden. Deze ontheffing kan worden ingetrokken.

Artikel 1:85

1. Ter uitvoering van een daartoe strekkend bindend besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie met betrekking tot een staat die geen lidstaat is, schort de toezichthouder respectievelijk Onze Minister, in afwijking van artikel 1:82, geheel of gedeeltelijk op:

a. de behandeling van aanvragen van een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming, die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is;

b. de behandeling van aanvragen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122 die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is;

c. de behandeling van kennisgevingen als bedoeld in artikel 2:130 die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing is van een staat die geen lidstaat is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. aanvragen van een vergunning ten behoeve van het oprichten van dochtermaatschappijen die tevens dochtermaatschappijen zijn van een financiële onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming;

b. aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar voor gekwalificeerde deelnemingen die tevens gekwalificeerde deelnemingen zijn van een financiële onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor het uitoefenen van een bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming;

c. kennisgevingen van een voornemen van een gekwalificeerde deelneming in een elektronischgeldinstelling die tevens gekwalificeerde deelnemingen zijn van een financiële onderneming die in een lidstaat een vergunning heeft voor het uitoefenen van een bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming.

3. Indien in een staat die geen lidstaat is de markttoegang en de concurrentiemogelijkheden voor financiële ondernemingen met zetel in een lidstaat beperkter zijn dan voor financiële ondernemingen met een zetel in een staat die geen lidstaat is, stelt de toezichthouder de Commissie van de Europese Gemeenschappen desgevraagd in kennis van:

a. aanvragen voor een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of voor het verlenen van financiële diensten als beheerder of beleggingsonderneming, die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door een financiële onderneming waarop het recht van toepassing is van de staat die geen lidstaat is;

b. aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar voor gekwalificeerde deelnemingen in een bank, beheerder of beleggingsonderneming, levensverzekeraar of schadeverzekeraar die rechtstreeks of middellijk zijn ingediend door financiële ondernemingen waarop het recht van toepassing is van de staat die geen lidstaat is, ten gevolge waarvan die bank, beleggingsonderneming, levensverzekeraar of schadeverzekeraar dochtermaatschappij zou worden van de aanvrager.

Artikelen 1:86 tot en met 1:92

Vervallen.

AFDELING 1.6.2 REGISTRATIE

Artikel 1:93

1. Er is een openbaar register dat wordt gehouden door de registerhouder. De registerhouder draagt zorg voor het goed functioneren van het register en verricht de inschrijving en doorhaling daarin op zodanige wijze dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van de zetel.

2. De registerhouder draagt onverwijld zorg voor de inschrijving van:

a. financiële ondernemingen:

1°. waaraan een vergunning ingevolge deze wet of een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1a:20, 1a:52, 1a:57, 1a:72, 1a:77, 1a:83, 1a:89, 2:28, 4:3, 5:27, tweede lid, of 5:71, zesde lid, is verleend;

2°. waarop een vrijstelling van toepassing is, indien zij ingevolge een voorschrift dat aan die vrijstelling is verbonden de toezichthouder in kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende diensten te verrichten;

3°. waaraan het anderszins ingevolge deze wet is toegestaan vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van dienstverrichting naar Nederland, hun bedrijf uit te oefenen of diensten te verlenen;

4°. waaraan een verklaring van ondertoezichtstelling is verleend;

5°. waaraan een verbod ingevolge artikel 1:38, 1:39, 1:48 of 4:4 is opgelegd;

6°. die aangesloten onderneming zijn als bedoeld in artikel 1a:102;

7°. waarop de vangnetregeling, bedoeld in afdeling 2.5.8, van toepassing is;

8°. die worden beheerd door beheerders waaraan een vergunning is verleend; deze financiële ondernemingen worden in het register opgenomen bij de beheerder die het beheer over hen voert;

9°. die zich hebben gemeld als beleggingsmaatschappij met veranderlijk kapitaal;

b. markten in financiële instrumenten aan de houder waarvan Onze Minister een erkenning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 5:27 heeft verleend;

c. de naam en woonplaats van de vertegenwoordiger in Nederland van een verzekeraar met bijkantoor in Nederland of die diensten verricht naar Nederland;

d. de aard van de risico's voor schadeverzekeraars die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland uitoefenen dan wel de aard van de overeenkomst van levensverzekering voorzover het verzekeraars betreft die door middel van dienstverrichting hun bedrijf in Nederland uitoefenen;

e. de gegevens die moeten worden gemeld op grond van:

1°. hoofdstuk 5.3 met dien verstande dat deze gegevens worden ingeschreven binnen een werkdag volgend op de werkdag waarop de registerhouder de betreffende melding heeft ontvangen en met uitzondering van adresgegevens van meldingsplichtige natuurlijke personen;

2°. artikel 5:59, eerste of vijfde lid, met inbegrip van het tijdstip waarop de informatie door de uitgevende instelling openbaar is gemaakt; en

3°. artikel 5:60 met uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtigen;

f. prospectussen die op grond van artikel 5:9 zijn goedgekeurd;

g. de namen van de staten die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge de artikelen 1a:5, 1a:48 en 1a:63.

3. Indien van toepassing wordt bij doorhaling vermeld dat het desbetreffende besluit nog niet onherroepelijk is.

Artikel 1:94

1. De registerhouder houdt de in artikel 1:93 bedoelde gegevens gedurende ten minste vijf jaar voor een ieder kosteloos ter inzage in het register. De registerhouder verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting en werking van het register.

AFDELING 1.6.3 BEROEP

Artikel 1:95

1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit op grond van deze wet of indien om een voorlopige voorziening wordt verzocht ingevolge deze wet is, in afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

2. Ten aanzien van een besluit terzake van de regels, gesteld bij of krachtens artikel 5:71, tweede en derde lid, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:62, blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing.

B

Na het Algemeen deel wordt een deel ingevoegd, luidende:

DEEL MARKTTOEGANG FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK 1A.1 INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1a:1

Vergunningen en ontheffingen, verleend ingevolge deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.

Artikel 1a:2

Indien de toezichthouder bij de verlening van een vergunning een ontheffing als bedoeld in artikel 1a:4, derde lid, 1a:6, derde lid, 1a:11, vierde lid, 1a:12, derde lid, 1a:16, derde lid, 1a:19, derde lid, 1a:28, derde lid, 1a:29, derde lid, 1a:34, derde lid, 1a:38, derde lid, 1a:39, derde lid, 1a:49, tweede lid, 1a:55, derde lid, 1a:60, derde lid, 1a:64, vijfde lid, 1a:75, derde lid, 1a:80, derde lid, 1a:86, derde lid, 1a:91, derde lid, of 1a:96, derde lid, verleent, geldt die ontheffing tevens als een ontheffing van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen onderscheidenlijk het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.

Artikel 1a:2a

1. Indien, onverminderd artikel 1a:2, de Autoriteit Financiële Markten bij de verlening van een vergunning, waarbij ingevolge artikel 1:31 advies aan de Nederlandsche Bank is gevraagd, tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 1a:55, derde lid, 1a:60, derde lid, 1a:64, vijfde lid, 1a:75, derde lid, 1a:80, derde lid, 1a:86, derde lid, 1a:91, derde lid, of 1a:96, derde lid, verleent, is de Autoriteit Financiële Markten bevoegd tegelijkertijd ontheffing te verlenen van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, indien het advies daartoe aanleiding geeft. In die gevallen worden de door de Nederlandsche Bank eventueel geadviseerde voorschriften verbonden aan die ontheffing. Die ontheffing wordt geacht te zijn verleend door de Nederlandsche Bank voorzover betrekking hebbend op regels ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen.

2. Indien, onverminderd artikel 1a:2, de Nederlandsche Bank bij de verlening van een vergunning, waarbij ingevolge artikel 1:31 advies aan de Autoriteit Financiële Markten is gevraagd, tevens een ontheffing als bedoeld in artikel 1a:4, derde lid, 1a:6, derde lid, 1a:11, vierde lid, 1a:12, derde lid, 1a:16, derde lid, 1a:19, derde lid, 1a:28, derde lid, 1a:29, derde lid, 1a:34, derde lid, 1a:38, derde lid, 1a:39, derde lid, of 1a:49, tweede lid, verleent, is de Nederlandsche Bank bevoegd tegelijkertijd ontheffing te verlenen van de dienovereenkomstige regels ingevolge het Deel Gedragstoezicht toezicht financiële ondernemingen, indien het advies daartoe aanleiding geeft. In die gevallen worden de door de Autoriteit Financiële Markten eventueel geadviseerde voorschriften verbonden aan die ontheffing. Die ontheffing wordt geacht te zijn verleend door de Autoriteit Financiële Markten voorzover betrekking hebbend op regels ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen.

HOOFDSTUK 1A.2 TOEGANG TOT DE NEDERLANDSE FINANCIËLE MARKTEN

AFDELING 1A.2.1 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN CLEARINGINSTELLING

§ 1a.2.1.1. Vergunningplicht en -eisen voor clearinginstellingen met zetel in Nederland

Artikel 1a:3

1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van clearinginstelling.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:4

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:3, eerste lid,indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. de artikelen 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44 met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:47, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van de raad van commissarissen of het daarmee vergelijkbaar orgaan als bedoeld in artikel 2:47, tweede lid;

h. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

i. artikel 2:82, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

j. artikel 2:88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h, i en j genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel c, d, f, g, h, i, of j, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.1.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door clearinginstellingen met zetel buiten Nederland

Artikel 1a:5

1. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van clearinginstelling wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.

3. Een besluit tot aanwijzing van een staat, bedoeld in het tweede lid en de intrekking daarvan, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 1a:14 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1a:6

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:5, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. de artikelen 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot beleid in zake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

e. artikel 2:49 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

f. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

g. artikel 2:82, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

h. artikel 2:88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit,

met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en f tot en met h in de genoemde artikelen voor «een clearinginstelling met zetel in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat», en dat voor de toepassing van onderdeel e in het genoemde artikel voor «kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, moet worden gelezen: «clearinginstelling met zetel in een niet-aangewezen staat».

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, d, f, g en h genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel c, d, f, g of h, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:7

1. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden het bedrijf van clearinginstelling door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen, tenzij hij ervoor zorgt en aantoont dat zal worden voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 2:82 is bepaald en hij de Nederlandsche Bank van dit voornemen kennis heeft gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een door Onze Minister ingevolge artikel 1a:5, tweede lid, aan te wijzen staat.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op clearinginstellingen met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij de vergunning anders vermeldt. Artikel 1a:16a is van overeenkomstige toepassing.

4. Voor de toepassing van het eerste lid oefenen clearinginstellingen met zetel buiten Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit door middel van het verrichten van diensten naar Nederland indien zulks geschiedt op een ingevolge artikel 5:26, tweede lid, erkende markt in financiële instrumenten.

5. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.

Artikel 1a:8

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

2. De financiële onderneming, bedoeld in artikel 1a:7, eerste lid, kan overgaan tot het verrichten van diensten nadat zij de mededeling, bedoeld in artikel 1a:7, zesde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.

Artikel 1a:9

1. Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 1a:5, tweede lid, of artikel 1a:7, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen.

2. De clearinginstelling kan overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat het voornemen of de beoogde wijze van uitoefening in strijd is met deze wet.

3. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mede.

4. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de clearinginstelling mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.

AFDELING 1A.2.2 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN KREDIETINSTELLING EN FINANCIËLE INSTELLING

§ 1a.2.2.1. Vergunningplicht en -eisen voor kredietinstellingen met zetel in Nederland

Artikel 1a:10

1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van bank of elektronischgeldinstelling.

2. Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:11

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. de artikelen 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44 met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:47, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal leden van een raad van commissarissen of een daarmee vergelijkbaar orgaan als bedoeld in artikel 2:47, tweede lid;

h. artikel 2:59 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;

i. artikel 2:78, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

j. artikel 2:82, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

k. artikel 2:88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, i, j en k genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. Ingeval een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122 wordt gehouden in de kredietinstelling verleent de Nederlandsche Bank, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling voldoet aan artikel 2:122, tweede lid, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 2:126 tot en met 2:128 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.

3. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel c, f, g, i, j of k, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:12

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10 aan de kredietinstelling die naast de uitoefening van het bedrijf van bank voornemens is tevens beleggingsdiensten in Nederland te verlenen, indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:11, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten; en

c. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b en c genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel a of c, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.2.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door kredietinstellingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 1a:13

1. Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat tot het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de betrokken kredietinstelling onverwijld deze ontvangst mede.

2. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de kredietinstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de kredietinstelling.

Artikel 1a:14

1. Een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die een vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf, verleend door de toezichthoudende instantie van die lidstaat, en voornemens is haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan daartoe overgaan twee maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:13, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:13, tweede lid.

2. Het is de kredietinstelling toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I van de richtlijn banken, te verrichten, tenzij in de mededeling, bedoeld in artikel 1a:13, eerste lid, uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

Artikel 1a:15

1. Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen..

2. Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, tenzij deze vergunning anders vermeldt. Artikel 1a:14 is van overeenkomstige toepassing.

3. Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van bank uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland tenzij hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 2:82. Indien ingevolge artikel 2:82, tweede lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Artikel 1a:16

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:15, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. de artikelen 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

e. artikel 2:49 met betrekking tot het minimum aantal personen dat hetdagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

f. artikel 2:73 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;

g. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

h. artikel 2:82, eerste en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;

i. artikel 2:88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit;en

j. artikel 2:103 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,

met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en g tot en met i in de genoemde artikelen voor «een kredietinstelling in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat».

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, g, h en i genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel c, d, g, h of i, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:16a

1. Een bank met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland haar bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft, kennis heeft gegeven van het voornemen.

2. Het is de bank toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I van de richtlijn banken, te verrichten, tenzij de Nederlandsche Bank van de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de desbetreffende bank een mededeling heeft ontvangen waarin uitdrukkelijk anders is bepaald of die mededeling, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

Artikel 1a:16b

Een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland haar bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan nadat zij de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft, kennis heeft gegeven van het voornemen.

§ 1a.2.2.3. Vergunningplicht en -eisen voorkredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 1a:17

1. Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van bank of elektronischgeldinstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

2. Het eerste lid is voorzover het betreft het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die voor het uitoefenen van het bedrijf van bank vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:18

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:17, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid in zake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

e. artikel 2:49 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van het bijkantoor bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

f. artikel 2:73 met betrekking tot geconsolideerd toezicht;

g. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

h. artikel 2:82, eerste lid en tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit;

i. artikel 2:88, eerste en tweede lid, met betrekking tot de liquiditeit;

j. artikel 2:103 met betrekking tot een afzonderlijke boekhouding,

met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met d en g tot en met i in de genoemde artikelen voor «een kredietinstelling in Nederland» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is».

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, d, g, h, en i genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, d, g, h of i, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

3. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:19

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:17 aan een kredietinstelling die naast de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling voornemens is een beleggingsdienst te verlenen, indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:18, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6° met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

b. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten; en

c. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten.

Indien ingevolge de in de onderdelen a tot en met c genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel a of c, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:20

1. Het is een elektronischgeldinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden het bedrijf van elektronischgeldinstelling uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat is.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

§ 1a.2.2.4. Bijkantoor en verrichten van diensten door financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 1a:21

1. Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat tot het uitoefenen van haar bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de betrokken financiële instelling onverwijld deze ontvangst mede.

2. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling die betrekking heeft op het voornemen tot het uitoefenen van het bedrijf vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de financiële onderneming in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf of het verlenen van financiële diensten in Nederland. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de financiële instelling.

Artikel 1a:22

1. Een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende verklaring heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt met de verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 2:138 en die voornemens is haar bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan daartoe overgaan twee maanden na de datum waarop de Nederlandsche Bank de mededeling, bedoeld in artikel 1a:21, eerste lid, heeft ontvangen of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:21, tweede lid.

2. Het is de financiële instelling toegestaan de werkzaamheden, genoemd in bijlage I, onderdelen 2 tot en met 14, van de richtlijn banken, te verrichten, tenzij in de aan haar verleende verklaring, bedoeld in het eerste lid, uitdrukkelijk anders is bepaald of de mededeling, bedoeld in artikel 1a:21, eerste lid, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

Artikel 1a:23

Het is een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende verklaring heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf die overeenkomt met de verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 2:138, en die haar bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan de werkzaamheden genoemd in bijlage I, onderdelen 2 tot en met 14, van de richtlijn banken te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende verklaring, die overeenkomt met de verklaring van ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 2:138, uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de werkzaamheden die zij voornemens is door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen geen kennis heeft gegeven aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft.

AFDELING 1A.2.3 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN LEVENSVERZEKERAAR EN SCHADEVERZEKERAAR

§ 1a.2.3.1. Vergunningplicht en -eisen voor levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 1a:24

1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

2. Het bedrijf van levensverzekeraar en het bedrijf van schadeverzekeraar worden onderscheiden in de branches die zijn genoemd in de bijlage bij deze wet.

Artikel 1a:25

1. Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar heeft, wordt geen vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar verleend.

2. Aan degene die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar heeft, wordt geen vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar verleend.

Artikel 1a:26

1. De levensverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in de branche Permanent health insurance heeft, komt niet in aanmerking voor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in een andere branche.

2. De levensverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in een andere branche dan de branche Permanent health insurance heeft, komt niet in aanmerking voor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar in de branche Permanent health insurance.

Artikel 1a:27

De Nederlandsche Bank verleent, onverminderd artikel 1a:28, een levensverzekeraar met zetel in Nederland slechts een vergunning voor de branche Kapitalisatieverrichtingen of voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen indien de aanvrager een vergunning heeft voor de branche Levensverzekering algemeen en ervoor zorgt en aantoont dat hij:

a. de werkzaamheden in de genoemde branche Kapitalisatieverrichtingen onderscheidenlijk in de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen in zodanige mate uitoefent dat zij voor zijn gehele bedrijf van ondergeschikte betekenis zijn; en

b. in geval van een aanvraag voor de branche Beheer over collectieve pensioenfondsen voldoet aan overige bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 1a:28

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:48 met betrekking tot de rechtsvorm;

h. artikel 2:78, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

i. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

j. artikel 2:95 met betrekking tot het boekjaar.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h en i genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder vermelding van de branche of branches waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel c, d, f, j of h, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:29

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:28, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:70, eerste lid, onderdelen a en b, met betrekking tot de uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende verplichtingen; en

b. artikel 4:70, tweede lid, met betrekking tot de schade-regelaar.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel a of b, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die artikel 4:70, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:30

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar in de branche Rechtsbijstand indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:28, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in artikel 4:65 met betrekking tot het voorkomen van belangenconflicten.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

§ 1a.2.3.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat

Artikel 1a:31

1. Indien de Nederlandsche Bank een mededeling van het voornemen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat tot het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit een in Nederland gelegen of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de betrokken levensverzekeraar of schadeverzekeraar onverwijld deze ontvangst mede.

2. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling die betrekking heeft op het voornemen tot het uitoefenen van het bedrijf vanuit een bijkantoor, de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van zijn bedrijf in Nederland. De Nederlandsche Bank zendt hiervan een afschrift aan de levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

Artikel 1a:32

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf en voornemens is zijn bedrijf uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan daartoe overgaan twee maanden na de ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:31, eerste lid of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:31, tweede lid.

Artikel 1a:33

1. Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf uit te oefenen van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar.

2. Het is een ieder met zetel in een andere lidstaat die naar het recht van de lidstaat van de zetel geen door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning behoeft te hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een dergelijke vergunning niet op vrijwillige basis heeft verkregen, verboden het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis heeft gegeven en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

a. artikel 2:52 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid; en

b. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot solvabiliteit, met dien verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet worden gelezen: «een verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is».

Indien ingevolge artikel 2:82, tweede lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

3. De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. De verzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor twee maanden na de ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:31, eerste lid.

5. De verzekeraar oefent zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.

Artikel 1a:34

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:33, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid in zake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:52 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid;

h. artikel 2:74 met betrekking tot de vertegenwoordiger van een verzekeraar;

i. artikel 2:78, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

j. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

k. ingevolge artikel 2:95 met betrekking tot het boekjaar, met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met k in de in die onderdelen genoemde artikelen voor «een verzekeraar» of «levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar «telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat» onderscheidenlijk «het bijkantoor in Nederland van een levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat».

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h, i en j genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid , aanhef en onderdeel c, d, f of h tot en met k, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:35

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een andere lidstaat zijn bedrijf uit te oefenen, kan daartoe overgaan na de ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:31, eerste lid.

2. De verzekeraar oefent zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de lidstaat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.

3. In geval van communautaire co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.

Artikel 1a:36

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijf, en die voornemens is voor de eerste maal vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor diensten te verrichten naar Nederland, geeft, alvorens met het verrichten van diensten aan te vangen, de Nederlandsche Bank daarvan kennis bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

2. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt hij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de verzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan. De verzekeraar kan overgaan tot de uitoefening van zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland na ontvangst van de mededeling.

3. In geval van communautaire co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.

§ 1a.2.3.3. Bijkantoor en verrichten van diensten door levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 1a:37

Het is een ieder met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor in Nederland.

Artikel 1a:38

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:37 indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid in zake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:52 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid;

h. artikel 2:74 met betrekking tot de vertegenwoordiger van een verzekeraar;

i. artikel 2:78, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

j. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

k. artikel 2:95 met betrekking tot het boekjaar, met dien verstande dat voor de toepassing van de onderdelen a tot en met k in de in die onderdelen genoemde artikelen voor «een verzekeraar» of «levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is» onderscheidenlijk «het bijkantoor in Nederland van een levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is»..

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h, i en j genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, d, f, h of k, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:39

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:37 aan de aanvrager die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen wil uitoefenen indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:38, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

a. artikel 4:70, eerste lid, onderdelen a en b, met betrekking tot de uit de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen voortvloeiende verplichtingen; en

b. artikel 4:70, tweede lid, met betrekking tot de schade-regelaar.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel a of b, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die artikel 4:70, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:40

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:37 aan de aanvrager die de branche Rechtsbijstand wil uitoefenen indien de aanvrager, onverminderd artikel 1a:38, aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge artikel 4:65 met betrekking tot het voorkomen van belangenconflicten.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:41

1. Degene die in een staat die geen lidstaat is zowel het bedrijf van schadeverzekeraar als het bedrijf van levensverzekeraar uitoefent, komt slechts in aanmerking voor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op verzekeraars die sedert 15 maart 1979 vanuit in Nederland gelegen bijkantoren uitsluitend het bedrijf van levensverzekeraar uitoefenen.

Artikel 1a:42

1. Het is een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat is zijn bedrijf uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis geeft en aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge:

a. artikel 2:52 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid; en

b. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit, met dien verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel in dat artikel voor «een verzekeraar met zetel in Nederland» moet worden gelezen: «een verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is».

2. De kennisgeving geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland na de mededeling, bedoeld in artikel 1a:44.

4. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, oefent zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uitsluitend uit in de branches tot het uitoefenen waarvan hij in de staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is.

Artikel 1a:43

1. Het is een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is verboden door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat zijn bedrijf uit te oefenen, tenzij hij hiervan kennis geeft aan de Nederlandsche Bank.

2. De kennisgeving geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van zijn bedrijf door middel van het verrichten van diensten vanuit het bijkantoor naar Nederland na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:44.

4. In geval van communautaire co-assurantie zijn het eerste en tweede lid slechts van toepassing op schadeverzekeraars die als eerste schadeverzekeraar optreden.

Artikel 1a:44

Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in artikel 1a:42, eerste lid, of 1a:43, eerste lid, heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de levensverzekeraar of schadeverzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.

AFDELING 1A.2.4 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN NATURA-UITVAARTVERZEKERAAR

§ 1a.2.4.1. Vergunningplicht en -eisen voor natura-uitvaartverzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 1a:45

1. Het is een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van natura-uitvaartverzekeraar.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:46

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:45 indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid in zake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44, derde lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:48 met betrekking tot de rechtsvorm;

h. artikel 2:78, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

i. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

j. artikel 2:95 met betrekking tot het boekjaar.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h, en i genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, d of h tot en met j, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.4.2. Vergunningplicht en -eisen voor natura-uitvaartverzekeraars met zetel buiten Nederland

Artikel 1a:47

Vervallen.

Artikel 1a:48

1. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op levensverzekeraars die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:33 of 1a:37 hebben voor de branche Levensverzekering algemeen.

Artikel 1a:49

1. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:48 indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:38, eerste en tweede lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 2:44, derde lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 2:45, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 2:52 met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de bevoegdheid tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar en de uitoefening van die bevoegdheid;

h. artikel 2:74 met betrekking tot de vertegenwoordiger van een verzekeraar;

i. artikel 2:78, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

j. artikel 2:82, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot de solvabiliteit; en

k. ingevolge artikel 2:95 met betrekking tot het boekjaar, met dien verstande dat voor «een verzekeraar» of «een natura-uitvaartverzekeraar» telkens moet worden gelezen: «het bijkantoor in Nederland van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat».

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, h, i, en j genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, d, f, h, of k, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid genoemde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:50

1. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen, tenzij hij de Nederlandsche Bank van dit voornemen kennis heeft gegeven.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een door Onze Minister ingevolge artikel 1a:48 aan te wijzen staat.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op levensverzekeraars met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar.

4. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de financiële onderneming die de kennisgeving heeft gedaan.

Artikel 1a:51

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 1a:50, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

2. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in artikel 1a:50, eerste lid, kan overgaan tot het verrichten van diensten nadat hij de mededeling, bedoeld in artikel 1a:50, vijfde lid, van de Nederlandsche Bank heeft ontvangen.

Artikel 1a:51a

1. Een natura-uitvaartverzekeraar, bedoeld in artikel 1a:48, tweede lid of artikel 1a:50, tweede lid, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van dat voornemen.

2. De natura-uitvaartverzekeraar kan overgaan tot het uitoefenen van het voorgenomen bedrijf door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat het voornemen in strijd is met deze wet.

3. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de ontvangst hiervan onverwijld mede aan de natura-uitvaartverzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.

4. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de natura-uitvaartverzekeraar mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de natura-uitvaartverzekeraar in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van zijn bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.

AFDELING 1A.2.5 AANBIEDEN VAN BELEGGINGSOBJECTEN

§ 1a.2.5.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:52

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsobjecten aan te bieden.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 1a:53

Artikel 1a:52, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden;

b. een door de Nederlandsche Bank op grond het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:54

Artikel 1a:52, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden;

b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 2.4.1 is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden; of

c. als verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.3 of afdeling 1a.2.4 is toegestaan beleggingsobjecten aan te bieden.

Artikel 1a:55

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in 1a:52, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c en e genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, of de tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.5.2. Vrijstelling

Artikel 1a:56

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:52, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:55, eerste lid.

AFDELING 1A.2.6 AANBIEDEN VAN KREDIET

§ 1a.2.6.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:57

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning krediet aan te bieden.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 1a:58

1. Artikel 1a:57, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan krediet aan te bieden;

b. een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan krediet aan te bieden; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

2. Artikel 1a:57, eerste lid, is niet van toepassing op gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan is voldaan aan artikel 4:37, eerste en tweede lid.

Artikel 1a:59

Artikel 1a:57, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan krediet aan te bieden;

b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan krediet aan te bieden; of

c. als verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.3 of 1a.2.4 is toegestaan krediet aan te bieden.

Artikel 1a:60

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:57, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en

f. artikel 4:32 met betrekking tot deelname aan een stelsel van kredietregistratie.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c en e genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en het vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.6.2. Vrijstelling

Artikel 1a:61

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:57, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:60, eerste lid.

AFDELING 1A.2.7 AANBIEDEN VAN RECHTEN VAN DEELNEMING IN BELEGGINGSINSTELLINGEN

§ 1a.2.7.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:62

1. Het is verboden in Nederland een recht van deelneming in een beleggingsinstelling aan te bieden:

a. zonder dat de beheerder van de beleggingsinstelling een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning voor het beheren van beleggingsinstellingen heeft; of

b. indien het een beleggingsmaatschappij betreft die geen aparte beheerder heeft, zonder dat de beleggingsmaatschappij een door de Autoriteit Financiële Markten daartoe verleende vergunning heeft.

2. Onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is het verboden in Nederland een recht van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is aan te bieden zonder dat de beheerder ten behoeve van die beleggingsmaatschappij een door de Autoriteit Financiële Markten daartoe verleende vergunning heeft.

Artikel 1a:63

1. Artikel 1a:62, eerste lid, is niet van toepassing op het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op beleggingsinstellingen wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen, indien is voldaan aan artikel 1a:70. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.

2. Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het eerste lid en de intrekking daarvan worden bekend gemaakt in de Staatscourant.

3. Artikel 1a:62, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op het aanbieden van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging met zetel in een andere lidstaat indien is voldaan aan artikel 1a:68 onderscheidenlijk artikel 1a:69.

Artikel 1a:64

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, eerste lid, aanhef en onderdeel a, indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders die zijn verbonden aan de beleggingsinstellingen die de beheerder voornemens is te beheren zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

f. artikel 4:39 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en artikel 4:40 met betrekking tot de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

g. artikel 4:42 met betrekking tot het treffen van maatregelen door de beheerder ter bescherming van de rechten van deelnemers;

h. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beheerder en de bewaarders te sluiten overeenkomsten;

i. artikel 4:44, eerste lid, met betrekking tot de rechtsvorm en statutaire doelomschrijving van de bewaarders;

j. artikel 4:44, tweede lid, met betrekking tot het bewaren van de activa van een beleggingsfonds door een bewaarder die uitsluitend ten behoeve van het desbetreffende beleggingsfonds bewaart;

k. artikel 4:48 met betrekking tot het in dat artikel bedoelde registratiedocument; en

l. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, e, h, k en l genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. Een aanvrager van een vergunning als bedoeld in het eerste lid die voornemens is instellingen voor collectieve belegging in effecten te beheren toont in aanvulling op het eerste lid tevens aan dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beheerder en bewaarders te sluiten overeenkomsten;

b. artikel 4:56 met betrekking tot het bewaren van de activa door bewaarders;

c. artikel 4:57 met betrekking tot de zetel van de bewaarders;

d. artikel 4:59, eerste lid, met betrekking tot de zetel van de beheerder;

e. artikel 4:59, tweede lid, met betrekking tot de werkzaamheden van de beheerder;

f. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen; en

g. artikel 2:82, eerste, tweede lid, met betrekking tot de solvabiliteit.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, f en g genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

3. Ingeval een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122 wordt gehouden in de beheerder verleent de Autoriteit Financiële Markten, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de beheerder voldoet aan artikel 2:122, tweede lid, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 2:126 tot en met 2:128 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.

4. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:14, j of l, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:65

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, eerste lid, aanhef en onderdeel b, indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot de beleggingsmaatschappij en, indien van toepassing, de daaraan verbonden bewaarder zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

f. artikel 4:39 met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en artikel 4:40 met betrekking tot de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

g. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beleggingsmaatschappij en de bewaarder te sluiten overeenkomst;

h. artikel 4:44, eerste lid, met betrekking tot de rechtsvorm en statutaire doelomschrijving van de bewaarder;

i. artikel 4:48 met betrekking tot het in dat artikel bedoelde registratiedocument; en

j. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, e, g, i, en j genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. Een aanvrager van een vergunning als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van een instelling voor collectieve belegging in effecten toont in aanvulling op het eerste lid tevens aan dat met betrekking tot de beleggingsmaatschappij en, indien van toepassing, de daaraan verbonden bewaarder zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:43 met betrekking tot de tussen de beleggingsmaatschappij en de bewaarder te sluiten overeenkomst;

b. artikel 4:56 met betrekking tot het bewaren van de activa door een bewaarder;

c. artikel 4:57 met betrekking tot de zetel van de bewaarder;

d. artikel 4:60, eerste lid, met betrekking tot het statutaire doel van de beleggingsmaatschappij;

e. artikel 4:60, tweede lid, met betrekking tot het zonder beperkingen in Nederland aanbieden van de rechten van deelneming en de inkoop of terugbetaling daarvan op verzoek van een deelnemer;

f. artikel 4:60, derde lid, met betrekking tot de zetel van de beleggingsmaatschappij;

g. artikel 4:60, vierde lid, met betrekking tot de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij; en

h. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

Indien ingevolge de in de onderdelen a en h genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

3. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, e of j, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 1a:66

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat met betrekking tot de beleggingsmaatschappij en, indien van toepassing, de daaraan verbonden bewaarder zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

b. artikel 4:40 met betrekking tot de plaats van waaruit de personen die het dagelijks beleid van de beleggingsmaatschappij bepalen hun werkzaamheden verrichten;

c. artikel 4:44, eerste lid, met betrekking tot de rechtsvorm en statutaire doelomschrijving van de bewaarder;

d. artikel 4:56 met betrekking tot het bewaren van de activa door de bewaarder;

e. artikel 4:57 met betrekking tot de zetel van de bewaarder;

f. artikel 4:60, eerste lid, met betrekking tot het statutaire doel van de beleggingsmaatschappij;

g. artikel 4:60, tweede lid, met betrekking tot het zonder beperkingen in Nederland aanbieden van de rechten van deelneming en de inkoop of terugbetaling daarvan op verzoek van een deelnemer;

h. artikel 4:60, derde lid, met betrekking tot de zetel van de beleggingsmaatschappij; en

i. artikel 4:60, vierde lid, met betrekking tot de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij .

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

§ 1a.2.7.2. Bijkantoor en verrichten van diensten

Artikel 1a:67

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling van het voornemen van een beheerder tot het aanbieden van rechten van deelneming in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, deelt zij de betrokken beheerder onverwijld deze ontvangst mede.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de beheerder in acht moeten worden genomen bij het verlenen van diensten in Nederland. De Autoriteit Financiële Markten zendt hiervan een afschrift aan de beheerder.

Artikel 1a:68

1. Een beheerder kan overgaan tot het voor de eerste maal vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aanbieden van rechten van deelneming in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat, twee maanden na de mededeling van de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 1a:67, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 1a:67, tweede lid, indien tevens is voldaan aan artikel 1a:69.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op beheerders die hebben voldaan aan artikel 1a:98, eerste lid.

Artikel 1a:69

1. Een beheerder die voornemens is rechten van deelneming in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat in Nederland aan te bieden, geeft kennis van dit voornemen aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Bij de kennisgeving legt de beheerder over:

a. een verklaring van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat dat de beleggingsinstelling voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn beleggingsinstellingen;

b. de statuten of reglementen van de beleggingsinstelling;

c. het prospectus van de beleggingsinstelling;

d. het vereenvoudigde prospectus van de beleggingsinstelling;

e. gegevens over de beoogde wijze van informatieverschaffing, van verhandeling, van uitkeringen op alsmede inkoop van of terugbetaling op rechten van deelneming in Nederland; en

f. in voorkomend geval, de laatste jaarrekening en halfjaarcijfers van de beleggingsinstelling.

3. De beheerder kan het aanbieden van de rechten van deelneming in Nederland aanvangen twee maanden na de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, tenzij de Autoriteit Financiële Markten voor het verstrijken van die twee maanden aan de beheerder heeft bekendgemaakt, dat:

a. het voornemen, bedoeld in het eerste lid, niet in overeenstemming is met toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen; of

b. de beoogde wijze van verhandeling in strijd is met wettelijke voorschriften die betrekking hebben op het niet door de richtlijn beleggingsinstellingen bestreken gebied.

Artikel 1a:70

1. Een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat als bedoeld in artikel 1a:63, eerste lid, die voornemens is in Nederland rechten van deelneming aan te bieden geeft de Autoriteit Financiële Markten daarvan kennis en legt daarbij een verklaring van ondertoezichtstelling over, afgegeven door de toezichthoudende instantie van die aangewezen staat.

2. De beleggingsinstelling kan het aanbieden van de rechten van deelneming in Nederland aanvangen tenzij de Autoriteit Financiële Markten voor het verstrijken van die acht weken heeft bekendgemaakt, dat het voornemen of de beoogde wijze van verhandeling, bedoeld in het eerste lid, niet in overeenstemming is met toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen.

§ 1a.2.7.3. Vrijstelling

Artikel 1a:71

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:62, eerste lid.

AFDELING 1A.2.8 ADVISEREN

§ 1a.2.8.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:72

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning te adviseren.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 1a:73

1. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan te adviseren;

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan te adviseren;

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben; of

d. voor het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan te adviseren.

2. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen, met uitzondering van instellingen voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij zijn, die een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning voor het verlenen van andere financiële diensten dan adviseren als bedoeld in dit deel hebben, voorzover het betreft het adviseren over een financieel product waartoe die vergunning strekt.

3. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan is voldaan aan artikel 4:37, eerste en tweede lid, voorzover het betreft het adviseren over door de gemeentelijke kredietbank zelf aangeboden kredieten.

4. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op bemiddelaars als bedoeld in artikel 1a:78, tweede lid.

5. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op bemiddelaars aan die een ontheffing als bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid is hebben voorzover het betreft het adviseren over een financieel product waartoe die ontheffing strekt.

Artikel 1a:74

1. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan te adviseren;

b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan te adviseren;

c. als verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.3 of 1a.2.4 is toegestaan te adviseren; of

d. als elektronischgeldinstelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan te adviseren.

2. Artikel 1a:72, eerste lid, is niet van toepassing op bemiddelaars in verzekeringen of herverzekeringsbemiddelaars die in een andere lidstaat zijn geregistreerd in de zin van artikel 3 van de richtlijn verzekeringsbemiddeling en waaraan het ingevolge artikel 3, vijfde lid, van die richtlijn is toegestaan hun financiële diensten in Nederland te verlenen, voorzover is voldaan aan artikel 1a:81, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 1a:87, tweede lid.

Artikel 1a:75

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:72, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c en e genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4;11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.8.2. Vrijstelling

Artikel 1a:76

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:72, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:75, eerste lid.

AFDELING 1A.2.9 BEMIDDELEN

§ 1a.2.9.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:77

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning te bemiddelen.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beoogt te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid aan:

a. een persoon die met een overleden bemiddelaar tot het tijdstip van diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad; of

b. een niet tot de huishouding behorend kind van een overleden bemiddelaar, indien het bedrijf van de overleden bemiddelaar wordt voortgezet en de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

4. De in het derde lid bedoelde ontheffing kan met terugwerkende kracht worden verleend tot de datum van overlijden. De ontheffing wordt voor ten hoogste een jaar verleend en kan ten hoogste tweemaal met een jaar worden verlengd.

Artikel 1a:78

1. Artikel 1a:77, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan te bemiddelen; of

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan te bemiddelen; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

2. Artikel 1a:77, eerste lid, is niet van toepassing op het bemiddelen door bemiddelaars die bemiddelen voor een aanbieder, of, indien het niet om onderling concurrerende financiële producten gaat, meerdere aanbieders en die, ingeval het bemiddelen in verzekeringen betreft, in naam en voor rekening van de aanbieder of aanbieders bemiddelen zonder daarbij premies of voor de cliënt bestemde bedragen te innen, indien de aanbieders voor wie de bemiddelaars bemiddelen:

a. volledig verantwoordelijk zijn voor de bemiddelaars, in die zin dat zij er voor zorg dragen dat de bemiddelaars voldoen aan deze wet; en

b. de betrokken bemiddelaars als verbonden bemiddelaar hebben aangemeld bij de Autoriteit Financiële Markten.

3. Een aanbieder die niet langer verantwoordelijk is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor een bemiddelaar, geeft daarvan kennis aan de Autoriteit Financiële Markten en de betrokken bemiddelaar.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanmelding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, plaatsvindt, de gegevens die daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden overgelegd.

Artikel 1a:79

1. Artikel 1a:77, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan te bemiddelen;

b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan te bemiddelen; of

c. als verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover is het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.3 of 1a.2.4 is toegestaan te bemiddelen.

2. Artikel 1a:77, eerste lid, is niet van toepassing op bemiddelaars in verzekeringen die in een andere lidstaat zijn geregistreerd in de zin van artikel 3 van de richtlijn verzekeringsbemiddeling, voorzover is voldaan aan artikel 1a:81, tweede lid.

Artikel 1a:80

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in Artikel 1a:77, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering; en

f. indien het bemiddelen in verzekeringen betreft, artikel 4:75, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot het beschikken over beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c, e en f genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15 of f, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:75, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.9.2. Bijkantoor en verrichten van diensten

Artikel 1a:81

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat met betrekking tot het bemiddelen in verzekeringen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland door een bemiddelaar in verzekeringen met zetel in die andere lidstaat, kan de toezichthouder binnen een maand na ontvangst van de mededeling bekend maken welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de betrokken bemiddelaar in verzekeringen in acht moeten worden genomen bij het verlenen van zijn financiële diensten in Nederland.

2. Een bemiddelaar in verzekeringen met zetel in een andere lidstaat kan een maand na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat aan de Autoriteit Financiële Markten overgaan tot het verlenen van diensten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

§ 1a.2.9.3. Vrijstelling

Artikel 1a:82

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:77, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:79, eerste lid.

AFDELING 1A.2.10 HERVERZEKERINGSBEMIDDELEN

§ 1a.2.10.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:83

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning te herverzekeringsbemiddelen.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 1a:84

Artikel 1a:83, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan te herverzekeringsbemiddelen;

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan te herverzekeringsbemiddelen; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:85

Artikel 1a:83, eerste lid, is niet van toepassing op herverzekeringsbemiddelaars die in een andere lidstaat zijn geregistreerd in de zin van artikel 3 van de richtlijn, voorzover is voldaan aan artikel 1a:87, tweede lid.

Artikel 1a:86

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in Artikel 1a:83, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur; en

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c en e genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, of tweede volzin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.10.2. Bijkantoor en verrichten van diensten

Artikel 1a:87

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat met betrekking tot het herverzekeringsbemiddelen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland door een herverzekeringsbemiddelaar met zetel in die andere lidstaat, kan de toezichthouder binnen een maand na ontvangst van de mededeling bekend maken welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de betrokken herverzekeringsbemiddelaar in acht moeten worden genomen bij het verlenen van zijn financiële diensten in Nederland.

2. Een herverzekeringsbemiddelaar met zetel in een andere lidstaat kan een maand na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat aan de Autoriteit Financiële Markten overgaan tot het verlenen van diensten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

§ 1a.2.10.3. Vrijstelling

Artikel 1a:88

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:83, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:86, eerste lid.

AFDELING 1A.2.11 OPTREDEN ALS GEVOLMACHTIGDE AGENT OF ONDERGEVOLMACHTIGDE AGENT

§ 1a.2.11.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:89

1. Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 1a:90

Artikel 1a:89, eerste lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent;

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben.

Artikel 1a:91

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste, tweede en vierde lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, tweede en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:13, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur; en

e. artikel 4:15, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering.

Indien ingevolge de in de onderdelen a, b, c en e genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

2. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen a, met betrekking tot het tweede en vierde lid van artikel 4:9, c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, of e, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:15, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.11.2. Vrijstelling

Artikel 1a:92

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:89, eerste lid.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:91, eerste lid.

AFDELING 1A.2.12 VERLENEN VAN BELEGGINGSDIENSTEN

§ 1a.2.12.1. Vergunningplicht en -eisen

Artikel 1a:93

Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen.

Artikel 1a:94

1. Artikel 1a:93 is niet van toepassing op financiële ondernemingen die:

a. voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben;

b. voor het uitoefenen van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank op grond van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben, voorzover het aan hen ingevolge die verklaring is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen; of

c. voor het uitoefenen van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben, voorzover het aan hen ingevolge die vergunning is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen.

2. Artikel 1a:93 is, voorzover het betreft het beheren van individuele vermogens, niet van toepassing op gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan is voldaan aan artikel 4:37, eerste en tweede lid.

3. Artikel 1a:93 is, voorzover het betreft het beheren van individuele vermogens, niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in Nederland die voor het aanbieden van rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, eerste lid, onderdeel a, hebben.

Artikel 1a:95

1. Artikel 1a:93 is niet van toepassing op financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. als bank hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen;

b. als financiële instelling hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen; of

c. als verzekeraar hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.3 of 1a.2.4 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen.

2. Artikel 1a:93 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die:

a. vanuit een bijkantoor in Nederland beleggingsdiensten verlenen, voorzover is voldaan aan artikel 1a:98; of b door middel van het verrichten van diensten naar Nederland beleggingsdiensten verlenen, voorzover is voldaan aan artikel 1a:99.

Artikel 1a:96

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 4:9, eerste lid, met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 4:10 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

c. artikel 4:11, eerste en derde lid, met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening;

d. artikel 4:83, eerste lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijkse beleid bepaalt en ingevolge artikel 4:84 met betrekking tot de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

e. artikel 4:13, eerste en tweede lid, met betrekking tot de zeggenschapstructuur;

f. artikel 4:14, eerste en tweede lid, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten;

h. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten;

i. artikel 2:78, eerste en derde en 2:79, eerste lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen.

Indien ingevolge de in de onderdelen b, c, f, g, h en i genoemde artikelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels zijn gesteld, toont de aanvrager tevens aan dat zal worden voldaan aan die regels, voorzover dat met betrekking tot de aanvraag bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Indien de aanvraag betrekking heeft het bemiddelen of beheren van individuele vermogens door een in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, toont de aanvrager tevens aan dat de beleggingsonderneming in de staat waar hij zijn zetel heeft bevoegd is beleggingsdiensten te verlenen en bevoegd is een bijkantoor in Nederland te openen.

2. Ingeval een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122wordt gehouden in de beleggingsonderneming, verleent de Autoriteit Financiële Markten, onverminderd het eerste lid, een vergunning indien de houder van de gekwalificeerde deelneming in de beleggingsonderneming voldoet aan artikel 2:122, tweede lid, en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat voldaan is aan het bepaalde ingevolge de artikelen 2:126 tot en met 2:128 met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar.

3. De aanvraag van de vergunning geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, aanhef en onderdelen c, met betrekking tot het derde lid van artikel 4:11, f, met betrekking tot het tweede lid van artikel 4:14, h met betrekking tot het derde lid van artikel 4:88, of i, of tweede volzin indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die de in het eerste lid bedoelde artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 1a.2.12.2. Bijkantoor en verrichten van diensten

Artikel 1a:97

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten een mededeling van het voornemen van een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat tot het verlenen van beleggingsdiensten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland heeft ontvangen van een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, doet zij van deze ontvangst onverwijld mededeling aan de betrokken beleggingsonderneming,

2. De Autoriteit Financiële Markten kan onmiddellijk na ontvangst van de mededeling, of indien het verlenen van beleggingsdiensten vanuit een bijkantoor betreft, binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat berichten welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de beleggingsonderneming in acht moeten worden genomen bij het verlenen van beleggingsdiensten in Nederland. De Autoriteit Financiële Markten zendt hiervan een afschrift aan de beleggingsonderneming.

Artikel 1a:98

1. Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor verlenen van beleggingsdiensten twee maanden na de mededeling van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat, bedoeld in artikel 1a:97, eerste lid, of onmiddellijk na ontvangst van het bericht, bedoeld in artikel 1a:97, tweede lid.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat, voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 of 2.4.1 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die hebben voldaan aan artikel 1a:68, eerste lid.

Artikel 1a:99

1. Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat kan overgaan tot het door middel van het verrichten van diensten naar Nederland verlenen van beleggingsdiensten na de mededeling van de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat, bedoeld in artikel 1a:97, eerste lid.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat voorzover het aan hen ingevolge afdeling 1a.2.2 of 2.4.1 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Artikel 1a:100

Het is een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1a:95, tweede lid, niet toegestaan financiële diensten als bedoeld in deel A van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten te verlenen indien het verlenen van die financiële diensten niet wordt vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 1a:97, eerste lid.

§ 1a.2.12.3. Vrijstelling

Artikel 1a:101

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:93.

2. Bij ministeriële regeling kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden geregeld van artikel 1a:96, eerste lid.

AFDELING 1A.2.13 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 1a:102

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in de artikelen 1a:52, 1a:57, 1a:72, 1a:77, 1a:83, 1a:89 en 1a:93 aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die mede strekt ten behoeve van bij die rechtspersoon aangesloten ondernemingen, indien die rechtspersoon aantoont dat hij:

a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem aangesloten ondernemingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem aangesloten ondernemingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens de aangesloten ondernemingen om een handelen of nalaten van een zodanige onderneming in strijd met het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen met betrekking tot aanbieden van beleggingsobjecten, aanbieden van krediet, adviseren, bemiddelen, herverzekeringsbemiddelen, optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent en verlenen van beleggingsdiensten tegen te kunnen gaan en door de Autoriteit Financiële Markten gegeven aanwijzingen op te laten volgen;

b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige ondersteuning van de aangesloten ondernemingen; en

c. gemachtigd is die ondernemingen bij de vergunningaanvraag en ook overigens voor de toepassing van de afdelingen 1a.2.5, 1a.2.6, 1a.2.8, 1a.2.9, 1a.2.10, 1a.2.11, 1a.2.12, 1a.3.6, 1a.3.7 en 1a.3.8 en voor de toepassing van het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen met betrekking tot het aanbieden van beleggingsobjecten, aanbieden van krediet, adviseren, bemiddelen, herverzekeringsbemiddelen, optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent en verlenen van beleggingsdiensten te vertegenwoordigen.

2. Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een onderneming zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de vergunning mede voor die onderneming, indien de rechtspersoon ten aanzien van deze onderneming voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

3. Voor de toepassing van de afdelingen 1a.2.5, 1a.2.6, 1a.2.8, 1a.2.9, 1a.2.10, 1a.2.11, 1a.2.12, 1a.3.6, 1a.3.7 en 1a.3.8 geldt het handelen en het nalaten te handelen van de aangesloten onderneming als het handelen onderscheidenlijk het nalaten te handelen van de rechtspersoon.

4. Onze Minister kan na raadpleging van de Autoriteit Financiële Markten ondernemingen aanwijzen die voor de toepassing van het tweede en het derde lid geacht worden over een vergunning als bedoeld in het eerste lid te beschikken, indien deze ondernemingen een door de Nederlandsche Bank op grond van dit deel verleende vergunning hebben en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b.

HOOFDSTUK 1A.3 TOEGANG TOT DE BUITENLANDSE FINANCIËLE MARKTEN

Artikel 1a:103

Het bepaalde in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 1a:114 en 1a:115, is niet van toepassing op het verlenen van financiële diensten die kunnen worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek naar een andere lidstaat door een financiële onderneming met zetel in Nederland.

AFDELING 1A.3.1 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN CLEARINGINSTELLING

§ 1a.3.1.1. Bijkantoor buiten Nederland

Artikel 1a:104

1. Een clearinginstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:3, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van clearinginstelling uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager voldoet aan het ingevolge het tweede lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de clearinginstelling niet toereikend is.

4. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

AFDELING 1A.3.2 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN KREDIETINSTELLING EN FINANCIËLE INSTELLING

§ 1a.3.2.1. Bijkantoor en verrichten van diensten door een kredietinstelling naar een andere lidstaat

Artikel 1a:105

1. Een kredietinstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:106

1. De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:105, eerste lid, tenzij, gelet op het voornemen van de kredietinstelling, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de kredietinstelling niet toereikend is.

2. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

3. De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de aanvrager voornemens is door middel van een bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens over de omvang van het eigen vermogen, de solvabiliteitsratio alsmede voorzover van toepassing gegevens over de toepasselijkheid van een vangnetregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling.

5. De Nederlandsche Bank deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de aanvrager de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.

Artikel 1a:107

1. Een kredietinstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, heeft en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat haar bedrijf uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat zij kennis heeft gegeven van haar voornemen aan de Nederlandsche Bank onder opgave van de lidstaat waarnaar zij voornemens is diensten te verrichten en van de voorgenomen werkzaamheden.

2. De Nederlandsche Bank doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen, daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de kredietinstelling voornemens is diensten te verrichten. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de kredietinstelling.

§ 1a.3.2.2. Bijkantoor en verrichten van diensten door een kredietinstelling naar een staat die geen lidstaat is

Artikel 1a:108

1. Een kredietinstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een bijkantoor in een staat die geen lidstaat is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank stemt in met het voornemen indien de aanvrager voldoet aan het ingevolge het eerste lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is.

4. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

§ 1a.3.2.3. Bijkantoor en verrichten van diensten door een financiële instelling naar een andere lidstaat

Artikel 1a:109

1. Een financiële instelling met zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138 heeft en voornemens is haar bedrijf vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:110

1. De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:109, eerste lid, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is.

2. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

3. De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie in de lidstaat waar de aanvrager voornemens is door middel van een bijkantoor haar bedrijf uit te oefenen. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens over de omvang van het eigen vermogen, de solvabiliteitsratio alsmede voorzover van toepassing gegevens over de toepasselijkheid van een vangnetregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de financiële instelling.

5. De Nederlandsche Bank deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de aanvrager de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.

Artikel 1a:111

1. Een financiële instelling met zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138 heeft en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat haar bedrijf uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat zij kennis heeft gegeven van haar voornemen aan de Nederlandsche Bank onder opgave van de lidstaat waarnaar zij voornemens is diensten te verrichten en van de voorgenomen werkzaamheden.

2. De Nederlandsche Bank doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen, daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de financiële instelling voornemens is diensten te verrichten. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de financiële instelling.

AFDELING 1A.3.3 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN LEVENSVERZEKERAAR EN SCHADEVERZEKERAAR

§ 1a.3.3.1. Bijkantoor en verrichten van diensten naar een andere lidstaat

Artikel 1a:112

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24 heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:113

1. De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:112, eerste lid, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is, of de betrouwbaarheid of deskundigheid van een dagelijkse beleidsbepaler of van de vertegenwoordiger van de aanvrager niet buiten twijfel staat.

2. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

3. De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie in de lidstaat waar de aanvrager voornemens is door middel van een bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens over de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsmarge.

5. De Nederlandsche Bank deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de aanvrager de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.

Artikel 1a:114

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een vestiging in een andere lidstaat voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn bedrijf uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 1a:113, eerste lid, met het voornemen heeft ingestemd.

2. In geval van communautaire co-assurantie is het eerste lid slechts van toepassing op de schadeverzekeraar die als eerste schadeverzekeraar optreedt.

3. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:115

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit Nederland voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uit te oefenen, gaat daartoe slechts over indien de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 1a:116

1. De Nederlandsche Bank stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:114, eerste lid, of 1a:115, eerste lid, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is.

2. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen een maand na ontvangst van de aanvraag.

3. De Nederlandsche Bank doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de aanvrager voornemens is diensten te verrichten. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat gegevens omtrent de solvabiliteitsmarge van de aanvrager, de aard van de verbintenissen die de aanvrager door middel van het verrichten van diensten voornemens is in de andere lidstaat aan te gaan en de branches waarin hij het verzekeringsbedrijf mag uitoefenen.

§ 1a.3.3.2. Bijkantoor in een staat die geen lidstaat is

Artikel 1a:117

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank stemt in met het voornemen, indien de aanvrager voldoet aan het ingevolge het tweede lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is, of de betrouwbaarheid of deskundigheid van een dagelijkse beleidsbepaler of van de vertegenwoordiger van de aanvrager niet buiten twijfel staat.

4. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

AFDELING 1A.3.4 UITOEFENEN VAN BEDRIJF VAN NATURA-UITVAARTVERZEKERAAR

§ 1a.3.4.1. Bijkantoor buiten Nederland

Artikel 1a:118

1. Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:45, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen, gaat daartoe slechts over nadat de Nederlandsche Bank met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank stemt in met het voornemen indien de aanvrager voldoet aan het bij of krachtens het tweede lid bepaalde, tenzij, gelet op het voornemen van de aanvrager, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de aanvrager niet toereikend is, of de betrouwbaarheid of deskundigheid van een dagelijkse beleidsbepaler of van de vertegenwoordiger van de aanvrager niet buiten twijfel staat.

4. De Nederlandsche Bank neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

AFDELING 1A.3.5 AANBIEDEN VAN RECHTEN VAN DEELNEMING IN INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING IN EFFECTEN

§ 1a.3.5.1. Bijkantoor en verrichten van diensten naar een lidstaat

Artikel 1a:119

1. Een beheerder die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, heeft en voornemens is voor de eerste maal vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor rechten van deelneming in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland aan te bieden, gaat daartoe slechts over indien de Autoriteit Financiële Markten met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op beheerders die hebben voldaan aan artikel 1a:124, eerste lid.

Artikel 1a:120

1. Een beheerder die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, eerste lid aanhef en onderdeel a, of tweede lid, heeft en voornemens is rechten van deelneming in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland in een andere lidstaat aan te bieden gaat daartoe slechts over indien hij van dit voornemen kennis heeft gegeven aan de toezichthoudende instantie van die lidstaat en aan de Autoriteit Financiële Markten .

2. De Autoriteit Financiële Markten verstrekt op aanvraag aan een beheerder die voornemens is rechten van deelneming in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland in een andere lidstaat aan te bieden een verklaring dat die instelling voor collectieve belegging in effecten voldoet aan de richtlijn beleggingsinstellingen.

Artikel 1a:121

1. De Autoriteit Financiële Markten stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:119, tenzij, gelet op het voornemen van de beheerder, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beheerder niet toereikend is.

2. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag.

3. De Autoriteit Financiële Markten doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de beheerder voornemens is door middel van een bijkantoor rechten van deelneming in door hem beheerde instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland aan te bieden. De Autoriteit Financiële Markten zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het derde lid, bevat tevens gegevens omtrent de toepasselijkheid van het beleggerscompensatiestelsel.

5. De Autoriteit Financiële Markten deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de aanvrager de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.

AFDELING 1A.3.6 BEMIDDELEN IN VERZEKERINGEN

§ 1a.3.6.1. Bijkantoor en verrichten van diensten naar een andere lidstaat

Artikel 1a:122

1. Een bemiddelaar in verzekeringen met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat te bemiddelen in verzekeringen, gaat daartoe slechts over indien hij kennis heeft gegeven van zijn voornemen aan de Autoriteit Financiële Markten onder opgave van de lidstaat waarin hij voornemens is een bijkantoor te openen onderscheidenlijk waarnaar hij voornemens is diensten te verrichten.

2. De Autoriteit Financiële Markten doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de bemiddelaar in verzekeringen voornemens is financiële diensten te verlenen, indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen een kennisgeving heeft gedaan dat die lidstaat een dergelijke mededeling wenselijk acht. De Autoriteit Financiële Markten zendt een afschrift van de mededeling aan de desbetreffende bemiddelaar in verzekeringen.

3. Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen geen kennisgeving heeft gedaan dat de desbetreffende lidstaat een dergelijke mededeling wenselijk acht, meldt de Autoriteit Financiële Markten dit onverwijld na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aan de desbetreffende bemiddelaar in verzekeringen.

AFDELING 1A.3.7 HERVERZEKERINGSBEMIDDELEN

§ 1a.3.7.1. Bijkantoor en verrichten van diensten naar een andere lidstaat

Artikel 1a:123

1. Een herverzekeringsbemiddelaar met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:83, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat te herverzekeringsbemiddelen, gaat daartoe slechts over indien hij kennis heeft gegeven van het voornemen aan de Autoriteit Financiële Markten onder opgave van de lidstaat waarin hij voornemens is een bijkantoor te openen onderscheidenlijk waarnaar hij voornemens is diensten te verrichten.

2. De Autoriteit Financiële Markten doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de herverzekeringsbemiddelaar voornemens is te herverzekeringsbemiddelen, indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen een kennisgeving heeft gedaan dat die lidstaat een dergelijke mededeling wenselijk acht. De toezichthouder zendt een afschrift van de mededeling aan de desbetreffende herverzekeringsbemiddelaar.

3. Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen geen kennisgeving heeft gedaan dat de desbetreffende lidstaat een dergelijke mededeling wenselijk acht, meldt de Autoriteit Financiële Markten dit onverwijld na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, aan de desbetreffende herverzekeringsbemiddelaar.

AFDELING 1A.3.8 VERLENEN VAN BELEGGINGSDIENSTEN

§ 1a.3.8.1. Bijkantoor en verrichten van diensten naar een andere lidstaat

Artikel 1a:124

1. Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93, of 1a:62, eerste lid, aanhef en onderdeel a, heeft en voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor met betrekking tot een of meer van de in deel B van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten beleggingsdiensten te verlenen, gaat daartoe slechts over indien de Autoriteit Financiële Markten met het voornemen heeft ingestemd.

2. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen die hebben voldaan aan artikel 1a:119, eerste lid.

Artikel 1a:125

1. De Autoriteit Financiële Markten stemt in met een voornemen als bedoeld in artikel 1a:124, tenzij, gelet op het voornemen van de beleggingsonderneming, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beleggingsonderneming niet toereikend is.

2. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

3. De Autoriteit Financiële Markten doet binnen een werkdag na het nemen van het besluit daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de aanvrager voornemens is door middel van een bijkantoor beleggingsdiensten te verlenen.. De Autoriteit Financiële Markten zendt een afschrift van de mededeling aan de aanvrager.

4. De mededeling, bedoeld in het vorige lid, bevat tevens gegevens omtrent de toepasselijkheid van het beleggerscompensatiestelsel.

5. De Autoriteit Financiële Markten deelt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het derde lid, de aanvrager de voorwaarden mede die de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft verbonden aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de betrokken lidstaat.

Artikel 1a:126

1. Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 of 1a:62, eerste lid, aanhef en onderdeel a, heeft en voornemens is voor de eerste maal door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat met betrekking tot een of meer van de in deel B van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten beleggingsdiensten te verlenen, gaat daartoe slechts over indien zij kennis heeft gegeven van haar voornemen aan de Autoriteit Financiële Markten onder opgave van de lidstaat waarnaar zij voornemens is diensten te verrichten en van de financiële diensten die zij voornemens is te verlenen.

2. De Autoriteit Financiële Markten doet binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het voornemen daarvan mededeling aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waarnaar de beleggingsonderneming voornemens is diensten te verrichten. De Autoriteit Financiële Markten zendt een afschrift van de mededeling aan de beleggingsonderneming.

3. De mededeling, bedoeld in het tweede lid, bevat tevens gegevens omtrent de toepasselijkheid van het beleggerscompensatiestelsel.

§ 1a.3.8.2. Bijkantoor in een staat die geen lidstaat is

Artikel 1a:127

1. Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 of 1a:62, eerste lid, heeft en voornemens is vanuit een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor beleggingsdiensten te verlenen gaat daartoe slechts over indien de Autoriteit Financiële Markten met het voornemen heeft ingestemd. De aanvraag van instemming geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

2. Artikel 1a:124, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De Autoriteit Financiële Markten stemt in met het voornemen, tenzij, gelet op het voornemen van de beleggingsonderneming, de bedrijfsvoering of de financiële positie van de beleggingsonderneming niet toereikend is.

4. De Autoriteit Financiële Markten neemt een besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

C

Het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen komt te luiden als volgt:

DEEL PRUDENTIEEL TOEZICHT FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK 2.1 INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 2:1

Vervallen.

Artikel 2:2

Vervallen.

Artikel 2:3

Voor de toepassing van dit deel en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. het sluiten van een verzekering die strekt tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon, geacht te zijn aangegaan in de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar, indien de verzekering wordt aangegaan door een natura-uitvaartverzekeraar en voor deze natura-uitvaartverzekeraar geen beleggingsrisico met zich brengt;

b. het beheer over een collectief pensioenfonds beschouwd als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar, indien het wordt gevoerd door een levensverzekeraar.

Artikel 2:4

1. Het in dit deel bepaalde met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van bank is niet van toepassing op het, zonder een door de Nederlandsche Bank of door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank, buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen als gevolg van het aanbieden van effecten in overeenstemming met het ingevolge hoofdstuk 5.1 bepaalde, voorzover degene die de gelden ter beschikking verkrijgt zorg draagt voor:

a. een onvoorwaardelijke garantie voor alle verplichtingen ontstaan door het ter beschikking verkrijgen van die gelden, welke onvoorwaardelijke garantie is afgegeven door een onderneming met een geconsolideerd eigen vermogen dat gedurende de gehele looptijd van de garantie positief is, van welke onderneming degene die de gelden ter beschikking verkrijgt dochtermaatschappij is;

b. een overeenkomst, aangegaan met een onderneming waarvan degene die de gelden ter beschikking verkrijgt dochtermaatschappij is en die een geconsolideerd eigen vermogen heeft dat gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst positief is, op grond van welke overeenkomst de onvoorwaardelijke verplichting bestaat voor die onderneming om degene die de gelden ter beschikking verkrijgt steeds van voldoende fondsen te voorzien om aan zijn verplichtingen te voldoen; of

c. een garantstelling voor alle verplichtingen ontstaan door het ter beschikking verkrijgen van die gelden die is verstrekt door:

1°. een bank die een door de Nederlandsche Bank of een toezichthoudende instantie in een andere lidstaat verleende vergunning heeft; of

2°. een bank met zetel in een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen staat die geen lidstaat is, die een vergunning heeft die is verleend door de toezichthoudende instantie van die staat of die in die staat het bedrijf van bank mag uitoefenen.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing voorzover degene die de gelden ter beschikking verkrijgt, deze voor ten minste 95 procent van zijn balanstotaal als krediet uitzet binnen het concern waartoe hij behoort. Onder een concern wordt verstaan de gezamenlijkheid van een rechtspersoon en haar dochtermaatschappijen.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van dit artikel, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:5

1. Een ieder met zetel in Nederland die, geen bank zijnde, zijn bedrijf maakt van:

a. het van professionele marktpartijen of binnen besloten kring ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, of

b. het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van beleggingen, niet zijnde kredietuitzettingen, kan een vergunning aanvragen bij de Nederlandsche Bank voor het uitoefenen van dat bedrijf. Bij de toepassing van artikel 1a:11 merkt de Nederlandsche Bank de werkzaamheden van de aanvrager aan als het uitoefenen van het bedrijf van bank.

2. Op degene die op grond van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een vergunning heeft verkregen van de Nederlandsche Bank, is het ingevolge deze wet met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van bank bepaalde van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de afdelingen 1a.3.2 en 2.5.7 en artikel 2:307.

Artikelen 2:6 en 2:27

Vervallen.

HOOFDSTUK 2.2 AANTREKKEN VAN OPVORDERBARE GELDEN

Artikel 2:28

1. Het is verboden in of vanuit Nederland in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. banken die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, of 1a:17, eerste lid, en banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland en die hebben voldaan aan het in artikel 1a:14 of 1a:15 bepaalde met betrekking tot het verrichten van de werkzaamheden, genoemd onder 1 in bijlage I van de richtlijn banken;

b. banken met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van hun bedrijf en die hebben voldaan aan de in die andere lidstaat geldende verplichtingen voor het verrichten van diensten naar een andere lidstaat;

c. de lidstaten, alsmede de regionale of lokale overheden van de lidstaten;

d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan een of meer lidstaten deelnemen; en

e. degenen die opvorderbare gelden aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben als gevolg van het aanbieden van effecten in overeenstemming met het ingevolge hoofdstuk 5.1 bepaalde.

3. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel beoogt te beschermen voldoende worden beschermd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.

Artikelen 2:29 tot en met 2:34

Vervallen.

HOOFDSTUK 2.3 REGELS VOOR HET WERKZAAM ZIJN OP DE FINANCIËLE MARKTEN

AFDELING 2.3.1 VERBOD GEBRUIK VAN HET WOORD «BANK»

Artikel 2:35

1. Het is een ieder die geen vergunninghoudende kredietinstelling is verboden het woord «bank» of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in zijn naam of bij de uitoefening van zijn bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat hij niet werkzaam is op de financiële markten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben als bedoeld in artikel 2:138 of die hebben voldaan aan het in artikel 1a:22 of 1a:23 bepaalde met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in bijlage I van de richtlijn banken vanuit een bijkantoor onderscheidenlijk door middel van het verrichten van diensten; en

b. vertegenwoordigende organisaties van onder toezicht staande kredietinstellingen of financiële instellingen.

3. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.

AFDELING 2.3.2 DESKUNDIGHEID, BETROUWBAARHEID EN INTEGRITEIT

§ 2.3.2.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:36

Het dagelijks beleid van een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming.

Artikel 2:37

1. Het beleid van een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2. De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen.

Artikel 2:38

1. Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:

a. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;

b. wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

c. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten, kan worden geschaad; en

d. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen.

3. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid verstrekt aan de Nederlandsche Bank bij algemene maatregel van bestuur te bepalen informatie over incidenten die verband houden met de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 2.3.2.2. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:39

De artikelen 2:36, 2:37 en 2:38 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van kredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 2:40

Artikel 2:38 is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

§ 2.3.2.3. Financiële ondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:41

De artikelen 2:36, 2:37 en 2:38 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 2:42

Artikel 2:38 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

AFDELING 2.3.3 STRUCTURERING EN INRICHTING

§ 2.3.3.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:43

1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland.

2. De personen die het dagelijks beleid van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid aan een clearinginstelling of verzekeraar indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die het eerste lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:44

1. Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

2. De kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een staat die geen lidstaat is, dat op die personen van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

3. De clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een andere staat, dat op die personen van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

Artikel 2:45

1. Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op:

a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico's;

b. integriteit, waaronder wordt verstaan het tegengaan van:

1°. belangenverstrengeling;

2°. het begaan van strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de financiële onderneming of haar werknemers, die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

3°. relaties met cliënten die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden; en

4°. andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad;

c. de soliditeit van de financiële onderneming, waaronder wordt verstaan:

1°. het beheersen van financiële risico's;

2°. het beheersen van andere risico's die de soliditeit van de financiële onderneming kunnen aantasten;

3°. het zorgen voor de instandhouding van de vereiste financiële waarborgen; en

4°. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen.

3. Vervallen.

4. Onverminderd artikel 4:14 is het tweede lid, aanhef en onderdeel c, van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent in Nederland en een bewaarder die is verbonden aan een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden.

5. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:46

1. Indien een financiële onderneming met zetel in Nederland werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt de financiële onderneming er zorg voor dat deze derde de ingevolge dit deel met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende financiële onderneming van toepassing zijnde regels, naleeft.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen werkzaamheden worden aangewezen die niet worden uitbesteed.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

a. worden in verband met het toezicht op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde, regels gesteld met betrekking tot de uitbesteding; en

b. worden regels gesteld met betrekking tot de beheersing van risico's die verband houden met de uitbesteding.

Artikel 2:47

1. Een clearinginstelling of kredietinstelling met zetel in Nederland die een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dan wel een verzekeraar met zetel in Nederland die een naamloze vennootschap of Europese vennootschap is, heeft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen als bedoeld in de artikelen 140, onderscheidenlijk 250, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Een clearinginstelling of kredietinstelling met zetel in Nederland die geen naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, heeft een uit ten minste drie leden bestaand orgaan dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:48

Een verzekeraar met zetel in Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij of Europese vennootschap.

§ 2.3.3.2. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:49

1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een in Nederland gelegen bijkantoor van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is.

2. De personen die het dagelijks beleid van een bijkantoor als bedoeldin het eerste lid bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

Artikel 2:50

De artikelen 2:45, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde lid en 2:46 zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen in Nederland.

Artikel 2:51

De artikelen 2:45 en 2:46 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van kredietinstellingen, levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 2:52

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of diensten verricht naar Nederland:

a. is naar het recht van de staat van zijn zetel rechtspersoon;

b. is in de staat van zijn zetel bevoegd tot de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk het bedrijf van schadeverzekeraar; en

c. oefent dit bedrijf daadwerkelijk uit vanuit een vestiging in die staat.

§ 2.3.3.3. Financiële ondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:53

De artikelen 2:45, tweede lid, aanhef en onderdeel c, vierde en vijfde lid en 2:46 zijn van overeenkomstige toepassing op beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, beleggingsinstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden en bewaarders die zijn verbonden aan een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden.

Artikel 2:54

De artikelen 2:45 en 2:46 zijn van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 2:55

De artikelen 2:45, 2:46 en 2:49 zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 2:56

Artikel 2:52 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

AFDELING 2.3.4 OVERIGE BEPALINGEN

§ 2.3.4.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:57

1. Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 1a:4, tweede lid, 1a:11, derde lid, 1a:28, tweede lid, 1a:46, tweede lid, 1a:104, tweede lid, 1a:105, tweede lid, 1a:108, eerste lid, 1a:112, tweede lid, 1a:114, derde lid, 1a:115, tweede lid, 1a:117, eerste lid, 1a:118, tweede lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.

2. Een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen, waarover ingevolge artikel 1a:105, eerste lid, of 1a:112, eerste lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank en aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële onderneming haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent vanuit een bijkantoor.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald van welke wijzigingen kennis wordt gegeven, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 2:58

1. Een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn bedrijf heeft besloten, raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt gegeven.

2. De Nederlandsche Bank kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten.

3. De Nederlandsche Bank wordt aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 23, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Ingeval een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid besluit tot ontbinding en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste lid, en 23c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 23, eerste lid, en 23a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de vennootschapsovereenkomst als statuten.

Artikel 2:59

Een kredietinstelling met zetel in Nederland die een dochtermaatschappij is van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, staat in de staat waar de laatstbedoelde kredietinstelling haar zetel heeft onder voldoende geconsolideerd toezicht.

Artikel 2:60

Het is een bank met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de uitoefening van het bedrijf van bank toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de richtlijn banken te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 2:61

Indien een financiële onderneming een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van bank en deze vergunning omvat niet het verlenen van beleggingsdiensten, kan zij een uitbreiding van de vergunning met deze activiteiten aanvragen, indien zij ervoor zorgt en aantoont dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de artikelen 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, 4:87 en 4:88 met betrekking tot de aanvraag van de vergunning.

Artikel 2:62

1. Het is een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor het uitoefenen van het bedrijf van elektronischgeldinstelling verboden naast het ter beschikking krijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven andere dan de volgende werkzaamheden te verrichten:

a. het verrichten van met de uitgifte van elektronisch geld samenhangende diensten;

b. het uitgeven en beheren van andere betaalmiddelen, met uitsluiting van de werkzaamheden, bedoeld onder punt 2 van bijlage I van de richtlijn banken;

c. het vastleggen van informatie op een elektronische drager ten behoeve van andere ondernemingen.

2. Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid, houdt uitsluitend een deelneming in een andere onderneming indien die onderneming werkzaamheden verricht die samenhangen met het bedrijf van die elektronischgeldinstelling.

3. Onder een deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer in het geplaatste kapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van de stemrechten in een onderneming.

Artikel 2:63

Een kredietinstelling geeft slechts elektronisch geld uit tegen een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte te ontvangen gelden.

Artikel 2:64

1. Het is een verzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar, het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar heeft, verboden een ander bedrijf dan het bedrijf waarvoor de vergunning is verleend, uit te oefenen. In afwijking daarvan is het een levensverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar heeft, toegestaan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen zonder een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar.

2. Het is een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar die een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar heeft, verboden dat bedrijf in een andere branche uit te oefenen dan de branche of branches waarvoor de vergunning is verleend.

3. Op een levensverzekeraar met zetel in Nederland die een vergunning heeft voor de branche Levensverzekering algemeen en die uitsluitend het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefent, zijn de bepalingen inzake de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar van toepassing.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, in afwijking van het tweede lid, bepaald welke risico's die behoren tot een andere branche dan de branche of branches waarvoor een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend als bijkomend risico mogen worden verzekerd, alsmede welke risico's niet als bijkomende risico's met andere branches mogen worden gecombineerd.

Artikel 2:65

1. Een verzekeraar met zetel in Nederland die voornemens is vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die voornemens is vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn vertegenwoordiger een persoon aan.

2. De vertegenwoordiger heeft ten aanzien van de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit de bijkantoren van rechtswege alle bevoegdheden die de verzekeraar, bedoeld in het eerste lid, heeft. Hij maakt daarvan in ieder geval gebruik indien de Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde verlangt.

3. Indien de vertegenwoordiger rechtspersoon is, wijst hij op zijn beurt een natuurlijk persoon aan die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en bij de nakoming van zijn verplichtingen.

4. De artikelen 2:36 en 2:37 zijn van overeenkomstige toepassing op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger van een verzekeraar is aangesteld en op de natuurlijke persoon, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2:66

Het is een schadeverzekeraar met zetel in Nederland verboden schaden te verzekeren veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij. In zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringen is het evenwel toegestaan risico's van molest te verzekeren in de algemeen gebruikelijke molestclausules zolang de Nederlandsche Bank daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.

§ 2.3.4.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:67

1. Het is een bank met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uitoefent toegestaan ten minste de werkzaamheden, genoemd in bijlage I van de richtlijn banken, te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel de mededeling, bedoeld in artikel 1a:13, eerste lid, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

2. Het is een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de richtlijn banken te verrichten, tenzij in de in die lidstaat verleende vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald dan wel zij van de werkzaamheden die zij voornemens is door middel van het verrichten van diensten naar Nederland uit te oefenen geen kennis heeft gegeven aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar zij haar zetel heeft.

3. Artikel 2:62 is van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen met zetel in een andere lidstaat die vanuit een bijkantoor dan wel door middel van het verrichten van diensten in Nederland hun bedrijf uitoefenen.

Artikel 2:68

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het adres van de door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn.

Artikel 2:69

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden, waaronder wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 1a:13, eerste lid, de Nederlandsche Bank gegevens heeft ontvangen, ten uitvoer mogen worden gelegd.

2. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 1a:36, eerste lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

§ 2.3.4.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:70

1. De artikelen 2:60, 2:62, 2:64, en 2:66 zijn van overeenkomstige toepassing op een bank, levensverzekeraar en schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent, voorzover deze artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële ondernemingen.

2. Een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent, geeft kennis van wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 1a:18, tweede lid, 1a:38, tweede lid, 1a:42, tweede lid, 1a:43, tweede lid of 1a:49, derde lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 2:71

1. Een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn in Nederland gelegen bijkantoor heeft besloten, raadpleegt de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden ten minste dertien weken voordat aan de beslissing uitvoering wordt gegeven.

2. Artikel 2:58, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:72

Een financiële onderneming die een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank heeft en die voornemens is tevens een beleggingsdienst te verlenen, geeft kennis van dat voornemen aan de Nederlandsche Bank en zorgt ervoor en toont aan, onverminderd de artikelen 2:36, 2:37, 2:43, 2:44, 2:45, 2:46, 2:47, 2:59, 2:78, en 2:95, dat wordt voldaan aan het bepaalde ingevolge de artikelen 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, 4:87 en 4:88 met betrekking tot de aanvraag van de vergunning.

Artikel 2:73

Een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor haar bedrijf uitoefent en die een dochteronderneming is van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, staat in de staat waar de laatstbedoelde kredietinstelling haar zetel heeft onder voldoende geconsolideerd toezicht.

Artikel 2:74

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die voornemens is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor zijn bedrijf uit te oefenen, stelt als zijn vertegenwoordiger een natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan die zijn woonplaats in Nederland heeft.

2. De vertegenwoordiger van een verzekeraar heeft ten aanzien van de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren van rechtswege alle bevoegdheden die de levensverzekeraar onderscheidenlijk schadeverzekeraar heeft. Hij maakt daarvan gebruik voorzover de Nederlandsche Bank zulks met het oog op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde verlangt.

3. De vertegenwoordiger van een verzekeraar voldoet namens de verzekeraar aan de ingevolge deze wet gestelde regels. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of zijn in gebreke zijn, ontslaat de schadeverzekeraar onderscheidenlijk levensverzekeraar niet van de verplichting deze regels na te leven.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het derde lid, eerste zin, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

5. Is de vertegenwoordiger van de verzekeraar rechtspersoon, dan wijst hij op zijn beurt een natuurlijke persoon aan die in Nederland zijn woonplaats heeft en die hem bij uitsluiting van ieder ander vertegenwoordigt bij de uitoefening van zijn bevoegdheden en van zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het adres van de door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is aangestelde vertegenwoordiger waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan, en wordt geregeld onder welke omstandigheden de vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn en wordt de opvolging van de vertegenwoordiger geregeld.

7. Als woonplaats van de verzekeraar in Nederland geldt de woonplaats van zijn vertegenwoordiger, met dien verstande dat, indien de vertegenwoordiger een natuurlijk persoon is die een kantoor houdt, dit kantoor als woonplaats van de verzekeraar wordt aangemerkt.

8. De artikelen 2:36 en 2:37 zijn van overeenkomstige toepassing op devertegenwoordiger indien die natuurlijk persoon is en op de natuurlijk persoon, bedoeld in het vijfde lid.

§ 2.3.4.4. Financiële ondernemingen met zetel buiten Nederland

Artikel 2:75

Artikel 2:57 is van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf vanuit in Nederland gelegen bijkantoren uitoefenen.

Artikel 2:76

1. Artikel 2:71 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

2. Artikel 2:74 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel buiten Nederland.

Artikel 2:77

Het is een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat verboden vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor een ander bedrijf dan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen.

AFDELING 2.3.5 MINIMUM VERMOGEN

§ 2.3.5.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:78

1. Een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent in Nederland, een bewaarder die is verbonden aan een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen.

2. Onverminderd het eerste lid beschikt een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid over financiële middelen tot dekking van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en de samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen. Bij de vaststelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden rechtsvormen onder eigen vermogen wordt verstaan.

4. Voor een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid is het minimumbedrag aan eigen vermogen gelijk aan het minimumbedrag van het garantiefonds, dan wel het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, bedoeld in artikel 2:82, tweede en derde lid, indien dit minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge hoger is dan het minimumbedrag van het garantiefonds.

5. Indien een beheerder, niet zijnde een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten of een bewaarder als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn minimumbedrag aan eigen vermogen niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het derde lid, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

6. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een beheerder, beleggingsonderneming,bewaarder, clearinginstelling of kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste of derde lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 2.3.5.2. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:79

1. Artikel 2:78, eerste, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen in Nederland, en kredietinstellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

2. Artikel 2:78, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumbedrag van het garantiefonds en de lokalisatie van de waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar vertegenwoordigen. Hierbij kan worden bepaald dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar voor bepaalde handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank behoeft.

§ 2.3.5.3. Financiële ondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:80

1. Artikel 2:78, eerste, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, bewaarders die zijn verbonden aan een beleggingsinstelling met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan rechten van deelneming worden aangeboden, en clearinginstellingen en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het minimumbedrag van het garantiefonds en de lokalisatie van de waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van de natura-uitvaartverzekeraar vertegenwoordigen. Hierbij kan worden bepaald dat de natura-uitvaartverzekeraar voor bepaalde handelingen toestemming van de Nederlandsche Bank behoeft.

Artikel 2:81

Artikel 2:78, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

AFDELING 2.3.6 SOLVABILITEIT

§ 2.3.6.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:82

1. Een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland waarvan rechten van deelneming in Nederland worden aangeboden, een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent in Nederland, een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland beschikt over voldoende solvabiliteit.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de minimumomvang van de solvabiliteit, de samenstelling van de solvabiliteit en de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend. Tevens worden regels gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde garantiefonds.

3. De aan te houden solvabiliteit van een verzekeraar wordt uitgedrukt in een solvabiliteitsmarge.

4. Een derde gedeelte van het overeenkomstig het tweede lid berekende minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, is het garantiefonds.

5. Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat haar solvabiliteit niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, geeft zij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.

6. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, aan een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, beleggingsonderneming, clearinginstelling of kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

7. Onverminderd het eerste lid voldoet de beheerder, beleggingsonderneming, clearinginstelling of kredietinstelling, de instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is met zetel in Nederland of de bewaarder die is verbonden aan een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling.

§ 2.3.6.2. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:83

1. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen in Nederland, en kredietinstellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

2. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 2:84

1. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het garantiefonds en de lokalisatie van de waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid vertegenwoordigen.

Artikel 2:85

1. Aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die zijn bedrijf uitoefent of wil uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor kan op aanvraag ontheffing worden verleend van het bij of krachtens de artikelen 2:79, eerste en derde lid, en 2:84 bepaalde, ertoe leidend dat:

a. de solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het gehele bedrijf van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar dat de levensverzekeraar onderscheidenlijk de schadeverzekeraar vanuit de in de lidstaten gelegen bijkantoren uitoefent;

b. de waarden die het garantiefonds vertegenwoordigen, in de lidstaat aanwezig zijn van waaruit het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor wordt uitgeoefend; en

c. ten minste de helft van het minimumbedrag van het garantiefonds wordt aangehouden in waarden volgens de terzake geldende voorschriften in de lidstaat van waaruit het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor wordt uitgeoefend.

2. De aanvraag voor de ontheffing bevat een gemotiveerde keuze van de toezichthoudende instantie die zich zal belasten met het toezicht op de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

§ 2.3.6.3. Financiële ondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:86

1. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

2. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een niet-aangewezen staat.

Artikel 2:87

1. Artikel 2:82 is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de lokalisatie van de waarden die de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor vertegenwoordigen.

AFDELING 2.3.7 LIQUIDITEIT

§ 2.3.7.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:88

1. Een beleggingsinstelling met zetel in Nederland waarvan in Nederland de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, een clearinginstelling of kredietinstelling met zetel in Nederland beschikt over voldoende liquiditeit.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de liquiditeit van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid.

3. Indien een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat haar liquiditeit niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, doet zij hiervan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 2.3.7.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:89

Artikel 2:88 is van overeenkomstige toepassing op banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

§ 2.3.7.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:90

Artikel 2:88 is van overeenkomstige toepassing op kredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

§ 2.3.7.4. Financiële ondernemingen met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:91

Artikel 2:88 is van overeenkomstige toepassing op beleggingsinstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat waarvan in Nederland de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

AFDELING 2.3.8 TECHNISCHE VOORZIENINGEN

§ 2.3.8.1. Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:92

1. Een verzekeraar met zetel in Nederland houdt toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

2. Een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor te sluiten levensverzekeringen onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeringen op adequate wijze vast. Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor schadeverzekeringen op adequate wijze vast.

3. De verzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 2:233, tweede lid, onderdelen b, c en d, derde lid, onderdelen a, b en c, dan wel vierde lid, onderdelen a, b en c, volledig door waarden.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

a. het bepaalde in het eerste en derde lid; en

b. de lokalisatie van de waarden, bedoeld in het eerste en derde lid, en de muntsoort waarin die waarden luiden.

5. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het vierde lid, onderdeel b, bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 2.3.8.2. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:93

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, houdt voor zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

2. Artikel 2:92, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:92, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op schadeverzekeraars als bedoeld in het eerste lid.

3. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 2:233, tweede lid, onderdelen b, c en d, dan wel derde lid, onderdelen a, b en c, volledig door waarden.

4. Artikel 2:92, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars.

§ 2.3.8.3. Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:94

1. Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat houdt voor zijn vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verplichtingen uit natura-uitvaartverzekeringen toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.

2. Artikel 2:92, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars als bedoeld in het eerste lid.

3. De natura-uitvaartverzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 2:233, vierde lid, onderdelen a, b en c, volledig door waarden.

4. Artikel 2:92, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars.

AFDELING 2.3.9 BOEKHOUDING EN RAPPORTAGE

§ 2.3.9.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:95

1. Een verzekeraar met zetel in Nederland doet het boekjaar gelijk lopen met het kalenderjaar.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:96

1. Een clearinginstelling, herverzekeraar, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdeel a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van de verstrekking van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens.

3. Onverminderd het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Nederlandsche Bank op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:97

Vervallen.

Artikel 2:98

1. Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland die beleggingsdiensten verleent in Nederland, een clearinginstelling of kredietinstelling met zetel in Nederland verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de Nederlandsche Bank, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen als bedoeld in het eerste lid, waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 2:82, zesde lid, of 2:88, vierde lid, is verleend.

3. Een verzekeraar met zetel in Nederland verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten aan de Nederlandsche Bank, die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde.

4. Indien een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland een nieuw type levensverzekering of natura-uitvaartverzekering heeft gesloten, voegt hij bij de staten een opgave van de technische grondslagen voor de berekening van het desbetreffende tarief en van de desbetreffende technische voorzieningen. De levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar voegt bij de staten eveneens een opgave van de wijzigingen in de technische grondslagen voor de berekening van zijn tarieven en van de technische voorzieningen.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de staten en de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking, en wordt bepaald welke staten worden verstrekt en welke staten openbaar worden gemaakt.

5a. De Nederlandsche Bank kan, indien zich een gebeurtenis voordoet of heeft voorgedaan die ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële positie van een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of derde lid, voorschrijven dat een of meer staten tijdelijk worden verstrekt met een hogere frequentie of op een kortere termijn dan ingevolge het vijfde lid is bepaald. Deze staten worden niet openbaar gemaakt.

6. Staten, verstrekt door een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar, zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant. De Nederlandsche Bank kan bepalen dat staten, verstrekt door een beleggingsonderneming, voorzien zijn van een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. De accountant waarmerkt de betrokken staten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het onderzoek en de waarmerking van de staten.

7. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of derde lid indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

8. Een verzekeraar legt de ingevolge het vijfde lid openbaar te maken staten op al zijn kantoren in Nederland ter inzage van een ieder tot achttien maanden na afloop van het boekjaar. Tot zolang verstrekt hij een ieder op verzoek een afschrift tegen ten hoogste de kostprijs.

9. De Nederlandsche Bank publiceert periodiek de voornaamste geaggregeerde gegevens op basis van de staten die ingevolge het eerste lid door kredietinstellingen met zetel in Nederland aan haar zijn verstrekt.

Artikel 2:99

Een van de staten, bedoeld in artikel 2:98, derde lid, omvat het actuarieel verslag. Het actuarieel verslag is voorzien van een verklaring van een actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat de in het actuarieel verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld en, indien het een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar betreft, dat de in de staat opgenomen sterftevergelijking juist is weergegeven. De actuaris waarmerkt de betrokken staten. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het onderzoek van het actuarieel verslag.

Artikelen 2:100 en 2:101

Vervallen.

Artikel 2:102

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit Nederland of andere lidstaten gelegen vestigingengesloten levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen, onder aparte vermelding van de uit hoofde van het verrichten van diensten naar andere lidstaten gesloten verzekeringen.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de vanuit de vestigingen in Nederland gesloten levensverzekeringen of schadeverzekeringen waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten.

4. De Nederlandsche Bank verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot een lidstaat in geaggregeerde vorm aan de toezichthoudende instantie van die lidstaat indien deze daarom verzoekt.

§ 2.3.9.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:103

Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor voert in Nederland ten minste een afzonderlijke boekhouding met betrekking tot het in Nederland gelegen bijkantoor, die zodanig is dat de Nederlandsche Bank het toezicht op de naleving van het ingevolge artikel 2:88 in samenhang met artikel 2:89 bepaalde kan uitoefenen.

Artikel 2:104

1. Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag.

2. De jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de lidstaat waar de bank haar zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken.

Artikel 2:105

Indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, verstrekt een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een andere lidstaat al dan niet periodiek staten als bedoeld in artikel 2:98, eerste lid, aan de Nederlandsche Bank, die deze nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het ingevolge artikel 2:88 in samenhang met artikel 2:89 bepaalde. Artikel 2:98, vijfde tot en met zevende lid en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:106

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in een staat die geen lidstaat is gelegen bijkantoor zijn bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit de bijkantoren gesloten levensverzekeringen of schadeverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

§ 2.3.9.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:107

Artikel 2:95 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 2:108

Artikel 2:103 is van overeenkomstige toepassing op kredietinstellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 2:109

1. Een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die haar onderscheidenlijk zijn bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van de verstrekking van de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag.

3. De jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, haar zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken.

Artikel 2:110

Vervallen.

Artikel 2:111

1. Artikel 2:98, eerste lid en vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is die beleggingsdiensten verlenen in Nederland en in Nederland gelegen bijkantoren van kredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming of kredietinstelling haar zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken. Artikel 2:98, negende lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van kredietinstellingen met zetel in een staat die geen lidstaat is.

2. De artikelen 2:98, derde lid en vijfde tot en met achtste lid en 2:99 zijn van overeenkomstige toepassing op bijkantoren in Nederland van levensverzekeraars of schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken. Artikel 2:98, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van levensverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikelen 2:112 en 2:113

Vervallen.

Artikel 2:114

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren gesloten levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar andere lidstaten.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven en de wijze van de verstrekking.

3. Artikel 2:102, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Artikel 2:106 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, die diensten verrichten naar Nederland.

§ 2.3.9.4. Financiële ondernemingen met zetel buiten Nederland

Artikel 2:115

Artikel 2:95 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 2:116

1. De artikelen 2:103 en 2:109 zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen en natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

2. Artikel 2:109 is van overeenkomstige toepassing op herverzekeraars met zetel buiten Nederland, die hun bedrijf uitoefenen vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

Artikel 2:118

1. Artikel 2:98, eerste lid en vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de clearinginstelling haar zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken.

2. De artikelen 2:98, derde tot en met achtste lid, en 2:99, zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat, met dien verstande dat de staten zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met de verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de natura-uitvaartverzekeraar zijn zetel heeft, bevoegd is de staten te onderzoeken.

Artikelen 2:119 en 2:120

Vervallen.

Artikel 2:121

1. Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat, die zijn bedrijf uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank een opgave met betrekking tot de gesloten natura-uitvaartverzekeringen uit hoofde van het verrichten van diensten naar Nederland.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud en de modellen van de opgaven, bedoeld in het eerste lid, en de wijze van de verstrekking.

AFDELING 2.3.9A MELDINGSPLICHTEN

§ 2.3.9a.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:121a

1. Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, dan wel van de staten van een financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 2:98, eerste of derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die:

a. in strijd is met de ingevolge dit deel opgelegde verplichtingen; of

b. het voortbestaan van de financiële onderneming bedreigt.

2. Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland, dan wel van de staten van een financiële onderneming met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 2:98, eerste of derde lid, geeft de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een accountant die naast het onderzoek van de jaarrekening of de staten, bedoeld in het eerste en tweede lid, ook het onderzoek uitvoert van de jaarrekening of de staten van een persoon waarmee een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of tweede lid, in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden.

4. De accountant verstrekt zo spoedig mogelijk alle inlichtingen aan de Nederlandsche Bank die deze redelijkerwijs nodig heeft voor het toezicht op de naleving van dit deel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens en de in acht te nemen procedures.

5. De Nederlandsche Bank stelt de financiële onderneming in de gelegenheid aanwezig te zijn bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, en bij het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, door de accountant.

6. De accountant die op grond van het eerste, tweede of derde lid tot een melding of op grond van het vierde lid tot het verstrekken van inlichtingen aan de Nederlandsche Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot kennisgeving of tot het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.

Artikel 2:121b

1. De actuaris die het onderzoek uitvoert van het actuarieel verslag van een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:99 verstrekt zo spoedig mogelijk alle inlichtingen aan de Nederlandsche Bank die deze redelijkerwijs nodig heeft voor het toezicht op de naleving van het ingevolge dit deel bepaalde. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens en de in acht te nemen procedures.

2. De Nederlandsche Bank stelt de verzekeraar in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de actuaris.

3. Artikel 2:121a, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op actuarissen die ingevolge het eerste lid zijn overgegaan tot het verstrekken van inlichtingen aan de Nederlandsche Bank.

§ 2.3.9a.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:121c

Artikel 2:121a is van overeenkomstige toepassing op accountants die het onderzoek, bedoeld in artikel 2:105 uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een bank met zetel in een andere lidstaat.

§ 2.3.9a.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:121d

Artikel 2:121a is van overeenkomstige toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 2:111, eerste of tweede lid, uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming, kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, of van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die diensten verricht naar Nederland.

Artikel 2:121e

Artikel 2:121b is van overeenkomstige toepassing op actuarissen die het onderzoek, bedoeld in artikel 2:111, tweede lid, uitvoeren van het actuarieel verslag van een in Nederland gelegen bijkantoor van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is.

§ 2.3.9a.4. Financiële ondernemingen met zetel buiten Nederland

Artikel 2:121f

Artikel 2:121a is van overeenkomstige toepassing op accountants of andere deskundigen die het onderzoek, bedoeld in artikel 2:118, eerste of twee lid, uitvoeren van de staten van een in Nederland gelegen bijkantoor van een clearinginstelling of natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet aangewezen staat.

Artikel 2:121g

Artikel 2:121b is van overeenkomstige toepassing op actuarissen die het onderzoek, bedoeld in artikel 2:118, tweede lid, uitvoeren van het actuarieel verslag van een in Nederland gelegen bijkantoor van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.

AFDELING 2.3.10 GEKWALIFICEERDE DEELNEMINGEN IN EN DOOR FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

§ 2.3.10.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:122

1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank of, in de gevallen, bedoeld in artikel 2:124, van Onze Minister, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een:

a. bank met zetel in Nederland;

b. beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland;

c. beleggingsonderneming met zetel in Nederland; of

d. verzekeraar met zetel in Nederland.

2. De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank. De aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, kan evenwel bij de Autoriteit Financiële Markten worden ingediend, indien die financiële onderneming op het moment van de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar geen vergunning heeft.

3. De Nederlandsche Bank zendt een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 2:124, eerste lid, vergezeld van haar advies, door aan Onze Minister.

Artikel 2:123

1. Het is een bank met zetel in Nederland verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank of, in de gevallen, bedoeld in artikel 2:124, eerste lid, van Onze Minister:

a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen dan wel een uitkering te doen uit de post omvattende de dekking voor algemene bankrisico's, bedoeld in artikel 424 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

b. een gekwalificeerde deelneming in een bank, een beleggingsonderneming, een financiële instelling, of een verzekeraar te verwerven dan wel te vergroten, indien het balanstotaal van die bank, beleggingsonderneming, financiële instelling of verzekeraar ten tijde van de verwerving onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

c. een gekwalificeerde deelneming in een onderneming, niet zijnde een financiële onderneming als bedoeld in onderdeel b, te verwerven dan wel te vergroten, indien het bedrag dat wordt betaald voor de verwerving van die gekwalificeerde deelneming onderscheidenlijk voor de vergroting van die gekwalificeerde deelneming tezamen met de bedragen die voor de verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn betaald, meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de bank, bedoeld in de aanhef;

d. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk over te nemen indien het totaalbedrag van de over te nemen activa of van de over te nemen passiva meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

e. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling indien het balanstotaal van de onderneming of instelling waarmee de fusie wordt aangegaan meer bedraagt dan een procent van het geconsolideerde balanstotaal van de bank, bedoeld in de aanhef;

f. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;

g. een beherend vennoot tot de bank te doen toetreden.

2. De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank zendt een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 2:124, eerste lid, vergezeld van haar advies, door aan Onze Minister.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op gekwalificeerde deelnemingen in vennootschappen wier activa op het moment van verwerving van de gekwalificeerde deelneming door de bank voor meer dan negentig procent uit liquide middelen bestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke middelen tot de liquide middelen mogen worden gerekend.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel c.

5. Onder «gekwalificeerde deelneming» als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, wordt niet begrepen de stemrechten op aandelen die een bank kan uitoefenen op grond van een verkregen pandrecht op de aandelen.

Artikel 2:124

1. Onze Minister beslist op een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar voor:

a. het houden, het verwerven dan wel het vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dan wel het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming, in een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland door:

1°. een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland;

2°. een verzekeraar met zetel in Nederland die gerekend naar bruto premie-inkomen over het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste verzekeraars met zetel in Nederland; of

3°. een ieder die niet behoort tot de categorieën, bedoeld onder 1° of 2° in geval van een voorgenomen belang van meer dan twintig procent;

b. het houden, het verwerven dan wel het vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel d, dan wel het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming, in een verzekeraar met zetel in Nederland die gerekend naar bruto premie-inkomen over het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste verzekeraars met zetel in Nederland door:

1°. een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland;

2°. een verzekeraar met zetel in Nederland die gerekend naar bruto premie-inkomen over het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste verzekeraars met zetel in Nederland; of

3°. een ieder die niet behoort tot de categorieën, bedoeld onder 1° of 2° in geval van een voorgenomen belang van meer dan twintig procent;

c. het verwerven dan wel het vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, aanhef en onderdeel b, door een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland in:

1°. een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland;

2°. een bank met zetel in een andere lidstaat of in een staat die geen lidstaat is, indien het balanstotaal van die bank per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedroeg dan vijf procent van het balanstotaal van de verwervende bank per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag; of

3°. een verzekeraar met zetel in Nederland die gerekend naar bruto premie-inkomen over het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste verzekeraars met zetel in Nederland; en

d. het aangaan van een fusie als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, onderdeel e, door een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland met:

1°. een bank met zetel in Nederland die gerekend naar balanstotaal per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag behoorde tot de vijf grootste banken met zetel in Nederland; of

2°. een bank met zetel in een andere lidstaat of in een staat die geen lidstaat is, indien het balanstotaal van die bank per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer bedroeg dan vijf procent van het balanstotaal van de verwervende bank per ultimo van het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

2. Onze Minister verleent een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector of naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een of meer van de overwegingen, bedoeld in artikel 2:127, aanhef, onderdeel a of b, of 2:128, aanhef, onderdeel a of b, de verlening van een verklaring van geen bezwaar in de weg staan.

3. Indien Onze Minister ingevolge het eerste lid beslist op een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar, heeft hij ten aanzien van de naleving van het ingevolge deze afdeling bepaalde van rechtswege alle bevoegdheden die de Nederlandsche Bank heeft op grond van de afdelingen 1.4.2 en 1.4.3 alsmede alle bevoegdheden die de Nederlandsche Bank heeft op grond van deze afdeling.

Artikel 2:125

1. Artikel 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing op handelingen waarvoor ingevolge artikel 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of 2:123, eerste lid, een verklaring van geen bezwaar is verleend.

2. Tevens is artikel 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel c, niet van toepassing op handelingen waarvoor ingevolge artikel 2:123, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, geen verklaring van geen bezwaar is vereist.

Artikel 2:126

1. De betrouwbaarheid van de aanvrager en houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen staat buiten twijfel.

2. De betrouwbaarheid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

Artikel 2:127

De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, tenzij:

a. de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de desbetreffende financiële onderneming waardoor een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening van die onderneming in gevaar komt;

b. in het geval van een handeling als bedoeld in artikel 2:122, onderdeel a of d, de handeling ertoe zou kunnen leiden of zou leiden dat de betrokken financiële onderneming in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur wordt verbonden met personen die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming; of

c. in het geval van een handeling als bedoeld in artikel 2:122, onderdeel a of d, de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.

Artikel 2:128

De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, tenzij:

a. de handeling in strijd zou kunnen komen of zou zijn met hetgeen voor de betrokken bank ingevolge artikel 2:82, eerste en tweede lid, is bepaald met betrekking tot de solvabiliteit;

b. de handeling anderszins in strijd zou kunnen komen of zou zijn met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening; of

c. de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.

Artikel 2:129

1. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan op aanvraag de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden.

2. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, kan, op aanvraag, worden bepaald dat die verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.

3. Indien een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, wordt verleend, kan deze betrekking hebben op door de aanvrager:

a. via een dochtermaatschappij verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen; of

b. verworven dan wel nog te verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld in onderdeel a, voorzover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven.

Artikel 2:130

1. Een ieder geeft de Nederlandsche Bank vooraf kennis van een wijziging van zijn gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid:

a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de betrokken financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of

b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de betrokken financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

2. Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, geeft, voorzover haar bekend, de Nederlandsche Bank in de maand juli van elk jaar kennis van de identiteit van iedere persoon die een gekwalificeerde deelneming in deze financiële onderneming houdt. Tevens geeft de financiële onderneming, zodra zulks haar bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze financiële onderneming:

a. waardoor de omvang van deze deelneming boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de betrokken financiële onderneming een dochtermaatschappij wordt; of

b. waardoor de omvang van deze deelneming onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de betrokken financiële onderneming ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

3. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.

Artikel 2:131

1. Onverminderd de artikelen 1:82, tweede lid, en 1:84, eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan de Nederlandsche Bank aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, of 2:123, eerste lid, beperkingen stellen dan wel voorschriften verbinden op grond van de in artikel 2:127 of 2:128 genoemde overwegingen.

2. Indien enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, is uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is verkregen of dat de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Nederlandsche Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank binnen wier rechtsgebied de financiële onderneming haar zetel heeft, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend of de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

3. De Nederlandsche Bank kan degene die niet voldoet aan artikel 2:122, eerste lid, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

Artikel 2:132

1. Van de verleende verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, wordt door de Nederlandsche Bank aan de financiële onderneming waarin de gekwalificeerde deelneming wordt gehouden, verworven of vergroot mededeling gedaan. Indien de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig artikel 2:122, tweede lid, tweede volzin, is ingediend bij de Autoriteit Financiële Markten, zendt de Nederlandsche Bank de verleende verklaring van geen bezwaar aan de Autoriteit Financiële Markten. De Autoriteit Financiële Markten deelt de verleende verklaring van geen bezwaarmede aan de betrokken financiële onderneming.

2. Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

3. Onverminderd de artikelen 1:83 en 1:84, eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan de Nederlandsche Bank de verklaring van geen bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken:

a. indien aan de houder een nieuwe verklaring van geen bezwaar wordt verleend die betrekking heeft of mede betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was verleend; of

b. indien de houder van een verklaring van geen bezwaar niet de gedragslijn volgt die de Nederlandsche Bank op grond van artikel 1:58 aan die houder heeft voorgeschreven.

4. Onverminderd de artikelen 1:83 en 1:84, eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan de Nederlandsche Bank aan een verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken indien zich met betrekking tot de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke:

a. in het geval van een handeling zouden kunnen leiden of zouden leiden tot een invloed op de betrokken financiële onderneming waardoor een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening van die onderneming in gevaar komt;

b. in het geval van een handeling als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, onderdeel a of d, ertoe zouden kunnen leiden of zouden leiden dat de betrokken financiële onderneming in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur met personen wordt verbonden die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming; of

c. in geval van een handeling als bedoeld in artikel 2:122, eerste lid, onderdeel a of d, of een handeling als bedoeld in artikel 2:123, eerste lid, zouden kunnen leiden of zouden leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.

5. De Nederlandsche Bank deelt de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar mede aan de betrokken financiële onderneming.

6. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door de Nederlandsche Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

Artikel 2:133

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot houders van een verklaring van geen bezwaar waarvan ten minste een dochtermaatschappij een beleggingsonderneming is die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 heeft, om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de beleggingsonderneming die in strijd is met de financiële soliditeit van die beleggingsonderneming.

2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op de vorm waarin die gegevens en inlichtingen worden verstrekt.

3. De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing van het eerste lid indien de houder van de verklaring van geen bezwaar aantoont dat aan die regels redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze regels beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 2:134

Vervallen.

Artikel 2:135

De Nederlandsche Bank deelt Onze Minister eens per jaar de gegevens mede waarover zij ingevolge artikel 2:130, eerste en tweede lid, beschikt.

Artikel 2:136

1. Een ieder die voornemens is een gekwalificeerde deelneming in een elektronischgeldinstelling met zetel in Nederland te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt dan wel die elektronischgeldinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in die elektronischgeldinstelling uit te oefenen, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Nederlandsche Bank van zijn voornemen schriftelijk kennis. Het is een ieder verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het vierde lid, niet is gedaan.

2. Een ieder wiens gekwalificeerde deelneming in een elektronischgeldinstelling, bedoeld in het eerste lid, zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de elektronischgeldinstelling, bedoeld in het eerste lid, ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Nederlandsche Bank daarvan in kennis.

3. De elektronischgeldinstelling geeft, voorzover haar bekend, de Nederlandsche Bank in de maand juli van elk jaar kennis van de identiteit van een ieder die een gekwalificeerde deelneming in deze elektronischgeldinstelling houdt. Tevens geeft een elektronischgeldinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Nederlandsche Bank kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze elektronischgeldinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder de 10, 20, 33, of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de elektronischgeldinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

4. Indien het voornemen, bedoeld in het eerste lid, niet zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de betrokken elektronischgeldinstelling waardoor de financiële soliditeit van de elektronischgeldinstelling in gevaar komt, deelt de Nederlandsche Bank degene die de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.

5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Nederlandsche Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen het rechtsgebied waarvan de elektronischgeldinstelling haar zetel heeft, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

§ 2.3.10.2. Banken met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:137

De artikelen 2:123, 2:124, eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, tweede en derde lid, 2:126, 2:128, 2:129, eerste en derde lid, 2:131, eerste lid, 2:132, tweede, derde en vierde lid, aanhef, onderdelen a en c, en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:17 hebben.

HOOFDSTUK 2.4 REGELS VOOR BEPAALDE ONDERNEMINGEN WERKZAAM OP DE FINANCIËLE MARKTEN

AFDELING 2.4.1 ONDERTOEZICHTSTELLING FINANCIËLE INSTELLINGEN

§ 2.4.1.1. Financiële instellingen met zetel in Nederland

Artikel 2:138

1. Een financiële instelling met zetel in Nederland die dochtermaatschappij is van één of meer banken die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, hebben, en die voornemens is haar bedrijf dat zij in Nederland uitoefent, uit te oefenen vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat, kan een verklaring van ondertoezichtstelling verkrijgen van de Nederlandsche Bank.

2. De aanvraag geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. De Nederlandsche Bank verleent de verklaring van ondertoezichtstelling, indien:

a. het de aanvrager is toegestaan, voorzover op zijn werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing zijn, deze werkzaamheden te verrichten;

b. ten minste 90 procent van de stemrechten in de aanvrager worden gehouden door de bank of banken, bedoeld in het eerste lid;

c. de verplichtingen van de aanvrager worden gegarandeerd door de bank of banken, bedoeld in het eerste lid, en de Nederlandsche Bank met deze garantie heeft ingestemd;

d. de bank of banken, bedoeld in het eerste lid, zorgdragen dat de financiële instelling de bedrijfsvoering zodanig inricht dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt.

4. De aanvrager van een verklaring van ondertoezichtstelling die voornemens is beleggingsdiensten te verlenen, geeft hiervan kennis aan de Nederlandsche Bank en toont aan, dat zal worden voldaan aan het bepaalde in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten;

d. artikel 2:44 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

f. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten; en

h. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten.

5. Een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft verkregen ingevolge het derde lid en die voornemens is beleggingsdiensten te verlenen, geeft van het voornemen kennis aan de Nederlandsche Bank en toont aan, dat zal worden voldaan aan het bepaalde, in:

a. artikel 2:36 met betrekking tot de deskundigheid van de in dat artikel bedoelde personen;

b. artikel 2:37 met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel genoemde personen;

c. artikel 2:43, eerste en tweede lid, met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt en de plaats van waaruit zijn hun werkzaamheden verrichten;

d. artikel 2:44 met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

e. artikel 2:78, eerste en derde lid, met betrekking tot het minimum eigen vermogen;

f. artikel 4:14, tweede lid, onderdeel c, onder 1° tot en met 6°, met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering;

g. artikel 4:87 met betrekking tot het treffen van adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van cliënten; en

h. artikel 4:88 met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van de in dat artikel bedoelde belangenconflicten.

6. De artikelen 2:36, 2:37, 2:38, 2:43, 2:44, 2:45, 2:46, 2:61, 2:78, 2:82, 2:122, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, eerste volzin, derde lid, 2:126, 2:127, 2:129, eerste en tweede lid, 2:130 en 2:132, zijn van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben.

7. Artikel 1:31 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:139

Vervallen.

Artikel 2:140

Een financiële instelling met zetel in Nederland die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138 heeft voor het uitoefenen van haar bedrijf en haar bedrijf vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor uitoefent, meldt wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover krachtens artikel 1a:109 verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke wijzigingen dit betreft, op welk moment en op welke wijze de melding plaatsvindt, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikelen 2:141 en 142

Vervallen. Afdeling 2.4.2 Regime voor banken aangesloten bij een centrale kredietinstelling

Artikel 2:143

1. Bij ministeriële regeling kan een groep banken die op 15 december 1977 blijvend was aangesloten bij een centrale kredietinstelling die controle uitoefent op de bedrijfsvoering, uitbesteding, solvabiliteit en liquiditeit van die banken, worden vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank op de naleving van het ingevolge de artikelen 2:38, 2:45, 2:46, 2:82, met uitzondering van het vijfde lid en 2:88, met uitzondering van het derde lid, bepaalde, indien:

a. de centrale kredietinstelling en de bij haar aangesloten banken hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de aangesloten banken door de centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;

b. de centrale kredietinstelling in voldoende mate bevoegd is voor de naleving van deze wet noodzakelijke instructies te geven aan de aangesloten banken; en

c. het ingevolge de artikelen 2:82 en 2:88 uitgeoefende toezicht op de centrale kredietinstelling en de aangesloten banken op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.

2. De Nederlandsche Bank kan ten aanzien van een bank die behoort tot een groep die is vrijgesteld ingevolge het eerste lid, bepalen dat de artikelen 1:58, 1:83, 1a:10, eerste lid, 1a:11, 2:57, 2:78, eerste, derde en vijfde lid, 2:96 en 2:121a geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.

3. De centrale kredietinstelling oefent controle uit op de bij haar aangesloten banken krachtens haar statuten en de statuten van de bij haar aangesloten banken of krachtens een overeenkomst met de bij haar aangesloten banken. Deze controle behelst:

a. het geven van instructies die naar inhoud en strekking overeenkomen met de regels die ingevolge de artikelen 2:38, 2:45, 2:46, 2:82 en 2:88 zijn gesteld, aan de bij haar aangesloten banken;

b. het toetsen door de centrale kredietinstelling of de bij die centrale kredietinstelling aangesloten banken voldoen aan de instructies, bedoeld in onderdeel a;

c. het bepalen voor de groep van de bij de centrale kredietinstelling aangesloten banken van de vorm, waarin de staten, bedoeld in artikel 2:98 worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten die deze staten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop deze staten betrekking hebben, de termijnen waarbinnen deze staten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten;

d. het indienen door de bij de centrale kredietinstelling aangesloten banken van de staten, bedoeld in artikel 2:98, bij de centrale kredietinstelling; en

e. het inwinnen van inlichtingen bij de banken die zijn aangesloten bij de centrale kredietinstelling ten behoeve van de controle op de naleving van de op grond van dit artikel door de centrale kredietinstelling gegeven instructies.

HOOFDSTUK 2.5 BIJZONDERE REGELS EN MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN FINANCIËLE ONDERNEMINGEN WERKZAAM OP DE FINANCIËLE MARKTEN

AFDELING 2.5.1 PORTEFEUILLEOVERDRACHT

§ 2.5.1.1. Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:144

1. Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;

b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;

c. de overdracht van rechten en verplichtingen uit een levensverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche bank hebben ingestemd.

3. In afwijking van het eerste lid behoeven levensverzekeraars met zetel in Nederland niet de instemming van de Nederlandsche Bank voor overdracht van hun rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op verzoek van de verzekeringnemer.

Artikel 2:145

1. Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;

b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.

2. Een levensverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor de instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar met vestiging in Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland;

b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een buiten Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.

3. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instantie van die staat, voorzover aanwezig, daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft ingestemd.

4. In afwijking van het eerste lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland zijn rechten en verplichtingen uit een individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.

Artikel 2:146

1. Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:

a. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;

b. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor;

c. de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een lidstaat gelegen bijkantoor.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts met de overdracht in indien de betrokken toezichthoudende instanties daarmee eveneens op verzoek van de Nederlandsche Bank instemmen.

Artikel 2:147

1. Met een overdracht van de rechten en verplichtingen uit alle levensverzekeringen, uit alle natura-uitvaartverzekeringen of krachtens alle schadeverzekeringen wordt gelijkgesteld de overgang van deze rechten en verplichtingen bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een levensverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 2:144, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, 2:148, 2:149, eerste lid, 2:150, eerste lid, onderdeel a, vierde en vijfde lid, 2:151 en 2:152, eerste tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing, voorzover deze artikelen betrekking hebben op een overdracht door een levensverzekeraar.

3. Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 2:145, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 2:148, 2:150, zesde lid, 2:151 en 2:152, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, voorzover deze artikelen betrekking hebben op een overdracht door een natura-uitvaartverzekeraar.

4. Op een overgang als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot een schadeverzekeraar met zetel in Nederland, zijn de artikelen 2:146, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 2:148, 2:149, tweede lid, 2:150, met uitzondering van het zesde lid, en 2:152, eerste tot en met derde lid en vijfde tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing, voorzover deze artikelen betrekking hebben op een overdracht door een schadeverzekeraar.

Artikel 2:148

De aanvraag van instemming met een overdracht als bedoeld in artikel 2:144, eerste lid, 2:145, eerste en tweede lid, of 2:146, eerste lid, geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

Artikel 2:149

1. Indien een voorgenomen overdracht als bedoeld in artikel 2:144, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op levensverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 2:144, eerste lid, onderdeel c, legt de Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 2:148 deze gegevens voor advies voor aan de toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.

2. Indien een voorgenomen overdracht als bedoeld in artikel 2:146, eerste lid, onderdeel a, betrekking heeft op schadeverzekeringen, gesloten vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, en in geval van een overdracht als bedoeld in artikel 2:146, eerste lid, onderdeel c, legt de Nederlandsche Bank na ontvangst van de gegevens, bedoeld in artikel 2:148 deze gegevens voor advies voor aan de toezichthoudende instantie van elke betrokken lidstaat.

Artikel 2:150

1. De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 2:144, eerste lid, of artikel 2:146, eerste lid, aan:

a. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van die levensverzekeraar of schadeverzekeraar;

b. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge; en

c. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

2. Indien een toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat die toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en dat, indien van toepassing, van het bijkantoor geen plan dat overeenkomt met een herstelplan als bedoeld in artikel 2:167 is verlangd.

3. De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 2:146, eerste lid, aan een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, indien:

a. de toezichthoudende instantie van die lidstaat dan wel, indien een andere toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor, laatstbedoelde instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft medegedeeld dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge;

b. de toezichthoudende instantie van die lidstaat geen plan dat overeenkomt met een herstelplan als bedoeld in artikel 2:167 heeft verlangd van het bijkantoor; en

c. de betrokken toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank instemt met de overdracht.

4. Voorzover een overdracht betrekking heeft op schadeverzekeringen bij het sluiten waarvan in een andere lidstaat gelegen risico's zijn verzekerd dan wel op door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat gesloten levensverzekeringen, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard met de overdracht in te stemmen.

5. Indien de toezichthoudende instantie, bedoeld in het vierde lid of in artikel 2:149 niet binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek van de Nederlandsche Bank heeft gereageerd, wordt zulks gelijkgesteld met een gunstig advies onderscheidenlijk een instemming.

6. De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 2:145, eerste of tweede lid, aan:

a. een levensverzekeraar met zetel in Nederland, met zetel in een andere lidstaat of met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en, voorzover het betreft een levensverzekeraar met zetel in een lidstaat, de Nederlandsche Bank of een toezichthoudende instantie van een lidstaat geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 onderscheidenlijk een herstelplan dat overeenkomt met het herstelplan, bedoeld in artikel 2:167, heeft verlangd van die levensverzekeraar;

b. een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van die natura-uitvaartverzekeraar; en

c. een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van die natura-uitvaartverzekeraar.

Artikel 2:151

1. Indien de gegevens, bedoeld in artikel 2:148 voldoende zijn voor de voorbereiding van de beschikking, geeft de Nederlandsche Bank opdracht aan de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar om van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling te doen in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. Daarbij doet de Nederlandsche Bank mededeling van de termijn waarbinnen de betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.

2. Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, tegen de voorgenomen overdracht door een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.

3. Heeft de Nederlandsche Bank bedenkingen tegen de overdracht, dan deelt zij deze bedenkingen na afloop van de gestelde termijn mee aan de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar.

4. Indien zich niet binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn, bedoeld in het eerste lid, een vierde of meer van de polishouders tegen de voorgenomen overdracht heeft verzet en tegen de overdracht ook bij de Nederlandsche Bank geen bedenkingen bestaan, verleent de Nederlandsche Bank de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar instemming met de overdracht. De overdracht kan dan plaatsvinden en is van kracht ten aanzien van alle betrokkenen.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder polishouder verstaan de verzekeringnemer of zijn rechtsopvolger, doch indien een uitkering uit de verzekering opeisbaar is, de tot de uitkering gerechtigde. In het geval van overdracht door een levensverzekeraar wordt, indien de verzekeringnemer bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel B, of artikel 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet ontbreekt, onder polishouder verstaan degene die wegens het verbreken van de band met de onderneming van zijn werkgever een premievrije aanspraak op uitkeringen heeft verkregen. In afwijking van de eerste en tweede volzin wordt ingeval van een collectieve levensverzekering voor de toepassing van het tweede lid het aantal verzekerden in aanmerking genomen.

Artikel 2:152

1. De verzekeraar die rechten en verplichtingen met instemming van de Nederlandsche Bank heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant.

2. Een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar vermeldt bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, de datum waarop de overdracht is geschied. Een schadeverzekeraar doet tevens van de overdracht mededeling op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.

3. De inhoud van de mededelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

4. Indien in de overdracht levensverzekeringen zijn betrokken die door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten, doet de levensverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige toepassing.

5. Indien in de overdracht schadeverzekeringen zijn betrokken, waarbij risico's zijn verzekerd, die in een andere lidstaat zijn gelegen, doet de schadeverzekeraar van de overdracht tevens mededeling in die lidstaat. Het derde lid is in dat geval van overeenkomstige toepassing.

6. De overdracht door een schadeverzekeraar wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen dan de betrokken schadeverzekeraars van kracht met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.

7. De bij de overdracht door een schadeverzekeraar betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De schadeverzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie en de assurantiebelasting werden betaald.

8. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel in een staat die geen lidstaat is ingevolge de overdracht geen verzekering meer bij deze verzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap uit dien hoofde van rechtswege met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.

9. Indien bij de overdracht het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging overeenkomstig het zevende lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.

Artikel 2:153

Deze paragraaf is voorzover deze betrekking heeft op een overdracht door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar niet van toepassing met betrekking tot de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering.

§ 2.5.1.2. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:154

1. Indien de wetgeving van een andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een levensverzekeraar met zetel aldaar voor de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.

2. Indien de wetgeving van een andere lidstaat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een schadeverzekeraar met zetel aldaar voor de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank en zonder medewerking of instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen.

3. De Nederlandsche Bank verleent geen instemming alvorens de toezichthoudende instantie van de lidstaat van de zetel van de overdragende verzekeraar op verzoek van de Nederlandsche Bank aan haar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.

Artikel 2:155

1. Indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat de Nederlandsche Bank vraagt om haar advies over of instemming met een voorgenomen overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering of krachtens schadeverzekering, geeft zij haar advies of instemming binnen drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek.

2. Indien de overdracht geschiedt aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een andere lidstaat stemt de Nederlandsche Bank niet in met:

a. een overdracht door een levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten levensverzekering waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen ontlenen; en

b. een overdracht door een schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten schadeverzekering waarvan de risico's in Nederland zijn gelegen en de overdracht niet in het belang is van degenen die aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.

3. Indien de overdracht geschiedt aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een andere lidstaat stemt de Nederlandsche Bank niet in met:

a. een overdracht door een levensverzekeraar aan een levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten levensverzekering waarbij geen sprake is van het verrichten van diensten, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan die levensverzekering rechten kunnen ontlenen;

b. een overdracht door een schadeverzekeraar aan een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien de overdracht betrekking heeft op een vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor gesloten schadeverzekering waarvan de risico's in Nederland zijn gelegen, tenzij de overdracht in het belang is van degenen die aan die schadeverzekering rechten kunnen ontlenen.

Artikel 2:156

1. De instemming, verleend door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in die lidstaat met overdracht van rechten en verplichtingen uit een levensverzekering of krachtens een schadeverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor dan wel in het kader van het verrichten van diensten naar Nederland vanuit een vestiging in een lidstaat, treedt in de plaats van de medewerking of de instemming van degenen die aan die schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen.

2. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar die rechten en verplichtingen ingevolge het eerste lid heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. De inhoud van deze publicaties behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

3. De overdracht wordt ten aanzien van alle andere betrokkenen dan de betrokken levensverzekeraars of schadeverzekeraars van kracht op het volgens het recht van de betrokken lidstaat te bepalen tijdstip, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.

4. In geval van overdracht door een schadeverzekeraar kunnen de bij een overdracht betrokken verzekeringnemers de schadeverzekering volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze opzeggen. Bij gebreke van een regeling in die lidstaat is artikel 2:152, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Indien bij de overdracht door een schadeverzekeraar het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland of van een onderneming op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland is verkregen, eindigt in geval van opzegging ingevolge het vierde lid dit lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor een tekort van rechtswege volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 2:152, zevende lid.

6. Indien een verzekeringnemer die lid is van een onderneming op onderlinge grondslag ingevolge de overdracht geen levensverzekeringen meer bij de levensverzekeraar heeft lopen, eindigt zijn lidmaatschap van rechtswege volgens de door het recht van de betrokken lidstaat bepaalde wijze, dan wel, bij gebreke van een regeling in die lidstaat, met ingang van de tweede dag, volgend op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst.

Artikel 2:157

1. Indien een levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat instemming vraagt aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat van zijn zetel om rechten en verplichtingen uit een levensverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor over te dragen aan een andere levensverzekeraar, doet hij van de voorgenomen overdracht onverwijld mededeling in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze. Daarbij wordt mededeling gedaan van een door de Nederlandsche Bank vast te stellen termijn, waarbinnen de betrokken polishouders zich bij de Nederlandsche Bank schriftelijk tegen de overdracht kunnen verzetten.

2. Indien een vierde of meer van de polishouders zich binnen de gestelde termijn tegen de overdracht heeft verzet, verleent de Nederlandsche Bank geen instemming.

3. Artikel 2:151, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 2.5.1.3. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:158

1. Een levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen uit levensverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft:

a. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;

b. de overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

2. Voorzover levensverzekeringen als bedoeld in het eerste lid door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat zijn gesloten, kan de levensverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van het eerste lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een andere levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in die lidstaat gelegen bijkantoor.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen levensverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is hun rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering op schriftelijk verzoek van de verzekeringnemer overdragen.

Artikel 2:159

1. Een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die rechten en verplichtingen krachtens schadeverzekering wenst over te dragen, kan die overdracht met instemming van de Nederlandsche Bank doen plaatsvinden zonder medewerking of instemming van degenen die aan schadeverzekeringen rechten kunnen ontlenen indien het betreft:

a. de overdracht aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een lidstaat in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in een lidstaat;

b. de overdracht aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

2. Voorzover bij het sluiten van de in het eerste lid bedoelde schadeverzekeringen in een andere lidstaat gelegen risico's zijn verzekerd, kan de schadeverzekeraar rechten en verplichtingen onder de in de aanhef van dat lid gestelde voorwaarde tevens overdragen aan een andere schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de lidstaat waar het risico is gelegen.

Artikel 2:160

1. De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in artikel 2:158, eerste en tweede lid, of 2:159, eerste lid, aan:

a. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland indien deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van de verzekeraar;

b. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat indien de toezichthoudende instantie van die lidstaat op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge;

c. een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 heeft verlangd van die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

2. Indien een andere toezichthoudende instantie van een lidstaat belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van het betrokken bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, stemt de Nederlandsche Bank slechts in nadat die toezichthoudende instantie op verzoek van de Nederlandsche Bank heeft verklaard dat het bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge en dat, indien van toepassing, van het bijkantoor geen plan dat overeenkomt met een herstelplan als bedoeld in artikel 2:167 is verlangd.

Artikel 2:161

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die rechten en verplichtingen uit levensverzekering onderscheidenlijk rechten of verplichtingen krachtens schadeverzekering, door hem bij het verrichten van diensten naar Nederland gesloten, met instemming van de bevoegde toezichthoudende instantie aan een andere levensverzekeraar onderscheidenlijk een andere schadeverzekeraar heeft overgedragen, doet van de overdracht in Nederland mededeling op door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.

2. De inhoud van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

Artikel 2:162

Deze paragraaf is voorzover deze betrekking heeft op een overdracht door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is niet van toepassing met betrekking tot de overdracht van rechten en verplichtingen uit herverzekering.

§ 2.5.1.4. Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:163

1. Een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat die rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering wenst over te dragen, behoeft daarvoor instemming van de Nederlandsche Bank indien het betreft de overdracht van rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland.

2. Indien de wetgeving van een andere staat niet voorziet in een instemmingprocedure voor een natura-uitvaartverzekeraar met zetel aldaar tot overdracht van zijn rechten en verplichtingen uit natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, aan een andere natura-uitvaartverzekeraar of aan een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, kan de overdracht plaatsvinden met instemming van de Nederlandsche Bank.

3. De Nederlandsche Bank stemt slechts in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan:

a. een natura-uitvaartverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze natura-uitvaartverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge en de Nederlandsche Bank geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 of 2:169 heeft verlangd van de natura-uitvaartverzekeraar;

b. een levensverzekeraar in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in Nederland indien deze levensverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge en, voorzover het betreft een levensverzekeraar met zetel in een lidstaat, de Nederlandsche Bank of een toezichthoudende instantie van een lidstaat geen herstelplan ingevolge artikel 2:167 onderscheidenlijk een herstelplan dat overeenkomt met het herstelplan, bedoeld in artikel 2:167, heeft verlangd van die levensverzekeraar.

4. De Nederlandsche Bank stemt in met een overdracht als bedoeld in het eerste lid nadat de toezichthoudende instantie, voorzover aanwezig, in de staat van de zetel van de overdragende natura-uitvaartverzekeraar heeft verklaard met die overdracht in te stemmen.

5. In afwijking van het tweede en vierde lid kan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat zijn rechten en verplichtingen uit een individuele natura-uitvaartverzekering op verzoek van de verzekeringnemer overdragen.

AFDELING 2.5.2 OMZETTING VAN DE RECHTSVORM

Artikel 2:164

1. Het is een verzekeraar met zetel in Nederland verboden om zonder instemming van de Nederlandsche Bank tot omzetting van zijn rechtsvorm over te gaan.

2. De aanvraag tot instemming met de voorgenomen omzetting geschiedt onder opgave van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

3. Indien de Nederlandsche Bank instemming heeft verleend voor omzetting van de rechtsvorm, doet de verzekeraar, zodra de omzetting heeft plaatsgevonden hiervan mededeling in de Staatscourant en op andere door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.

4. Indien door een levensverzekeraar door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat levensverzekeringen zijn gesloten, of indien het een schadeverzekeraar betreft risico's zijn verzekerd die in een andere lidstaat zijn gelegen, doet de verzekeraar van de omzetting van de rechtsvorm tevens mededeling in die lidstaat. De inhoud van deze mededeling behoeft voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

5. Indien door een natura-uitvaartverzekeraar door middel van het verrichten van diensten naar een andere staat natura-uitvaartverzekeringen zijn gesloten, doet de verzekeraar van de omzetting van de rechtsvorm tevens mededeling in die staat. De inhoud van deze mededeling behoeft de voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

6. De bij een omzetting van de rechtsvorm betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de mededeling is geplaatst de schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. Artikel 2:152, zevende lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

7. Indien ten gevolge van een omzetting van de rechtsvorm door een schadeverzekeraar het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij is verkregen, eindigt in geval van opzegging ingevolge het zesde lid dit lidmaatschap van rechtswege eveneens met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in dat lid.

8. De Nederlandsche Bank deelt de omzetting van de rechtsvorm mede aan de toezichthoudende instanties van andere lidstaten op wiens grondgebied een bijkantoor van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar is gelegen, alsmede de toezichthoudende instantie van andere lidstaten waarnaar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit Nederland diensten verricht.

AFDELING 2.5.3 OVERBOEKING

§ 2.5.3.1. Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:165

1. Het is een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland verboden levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen, gesloten vanuit een vestiging in een lidstaat, zonder instemming van degenen die aan die verzekeringen rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een in een andere staat gelegen bijkantoor.

2. Het is een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland verboden natura-uitvaartverzekeringen, gesloten vanuit een vestiging in Nederland, zonder instemming van degenen die aan die verzekeringen rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een in een andere staat gelegen bijkantoor

3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden indien de verzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken verzekeringen rechten kunnen ontlenen, zich niet verzetten tegen de overboeking.

§ 2.5.3.2. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:166

1. Het is een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, verboden levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, zonder instemming van degenen die aan die verzekeringen rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een vestiging in een andere staat.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid indien de levensverzekeraar of schadeverzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken verzekeringen rechten kunnen ontlenen, zich niet verzetten tegen de overboeking.

§ 2.5.3.3 Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:166a

1. Het is een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat, verboden natura-uitvaartverzekeringen, gesloten vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, zonder instemming van degenen die aan die verzekeringen rechten kunnen ontlenen, over te boeken naar een vestiging in een andere staat.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid indien de natura-uitvaartverzekeraar aannemelijk maakt dat de belangen van degenen die aan de betrokken verzekeringen rechten kunnen ontlenen, zich niet verzetten tegen de overboeking.

AFDELING 2.5.4 HERSTELPLAN

§ 2.5.4.1. Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:167

1. Indien de rechten van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij verzekeringen, gesloten door een verzekeraar met zetel in Nederland, in het gedrang komen, kan de Nederlandsche Bank van de verzekeraar een herstelplan verlangen dat binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt, aan haar instemming wordt onderworpen, tenzij artikel 2:171 van toepassing is.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het herstelplan.

3. Indien de Nederlandsche Bank een herstelplan heeft verlangd en de financiële positie van de verzekeraar verslechtert, kan de Nederlandsche Bank aan die verzekeraar voorschrijven dat hij over een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge beschikt dan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is voorgeschreven, teneinde te waarborgen dat die verzekeraar in staat is in de nabije toekomst te blijven voldoen aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorgeschreven minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge. Bij de vaststelling van het niveau van een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge wordt uitgegaan van het herstelplan, bedoeld in het eerste lid, en kan de termijn worden bepaald waarbinnen het hogere minimumbedrag, dient te zijn bereikt.

§ 2.5.4.2. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:168

Artikel 2:167 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

§ 2.5.4.3. Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:169

Artikel 2:167 is van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

AFDELING 2.5.5 BEPERKING VAN DE BESCHIKKINGSBEVOEGDHEID, SANERINGSPLAN EN FINANCIERINGSPLAN

§ 2.5.5.1 Verzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:170

1. Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:92 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht, in kennis van haar voornemen.

3. De Nederlandsche Bank kan indien zij een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.

4. De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.

5. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:92 bepaalde.

6. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis van het besluit, bedoeld in het eerste en vijfde lid.

Artikel 2:171

1. Indien een verzekeraar met zetel in Nederland niet meer voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:82, eerste tot en met derde lid, bepaalde met betrekking tot het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge dient hij op verzoek van de Nederlandsche Bank, tenzij het tweede lid van toepassing is, binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt, bij de Nederlandsche Bank een saneringsplan ter instemming in.

2. Indien de solvabiliteitsmarge niet meer het garantiefonds, bedoeld in artikel 2:82, vierde lid, bereikt, dient de verzekeraar, op verzoek van de Nederlandsche Bank, binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt bij de Nederlandsche Bank een financieringsplan ter instemming in.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan en het financieringsplan, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk het tweede lid.

4. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag van de verzekeraar wijzigingen in een plan waarvoor instemming is verleend toestaan. Eveneens kan de Nederlandsche Bank bij gewijzigde omstandigheden, wijzigingen in het plan eisen of de instemming intrekken.

5. Ingeval het eerste of tweede lid wordt toegepast en de Nederlandsche Bank daartoe aanleiding ziet, stelt zij de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht, hiervan in kennis.

Artikel 2:172

Een verzekeraar met zetel in Nederland wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:82 bepaalde, doet aan de Nederlandsche Bank binnen een door haar te bepalen termijn en op een door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 2:92 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin optreden.

Artikel 2:173

1. De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 2:171, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, evenals in het geval, bedoeld in artikel 2:171, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft, deelt de Nederlandsche Bank haar besluit, zo mogelijk voordat dit van kracht wordt, mee aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn vestigingen in een lidstaat diensten verricht. Zij kan deze toezichthoudende instantie verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaten aanwezige waarden, onder opgave van die waarden.

3. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instanties, bedoeld in het tweede lid, in kennis van dit besluit.

Artikel 2:174

1. De Nederlandsche Bank kan, indien aan een verzekeraar op grond van artikel 2:167, derde lid, een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en die verzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. De artikelen 2:170, vierde lid, en 2:173, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2.5.5.2. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:175

1. De Nederlandsche Bank neemt een besluit als bedoeld in artikel 2:170, eerste lid, of 2:173, eerste lid, indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar een levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn zetel heeft hierom verzoekt.

2. De Nederlandsche Bank kan in dringende gevallen de in het eerste lid bedoelde maatregelen treffen zonder een daartoe strekkend verzoek van de in dat lid bedoelde toezichthoudende instantie, indien de levensverzekeraar of schadeverzekeraar inbreuk maakt op bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.

3. De beperking of het verbod heeft betrekking op de in Nederland aanwezige waarden. Indien de maatregel wordt getroffen op verzoek van de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de verzekeraar zijn zetel heeft en die instantie opgave van deze waarden heeft gedaan, houdt de Nederlandsche Bank daarmee rekening.

4. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, dat verzoekt of indien daartoe aanleiding bestaat.

6. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, in kennis van het besluit inzake de beperking of het verbod en van het besluit, bedoeld in het vijfde lid.

7. Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat een bijkantoor heeft in Nederland of diensten verricht naar Nederland en de toezichthoudende instantie van die lidstaat de Nederlandsche Bank in kennis heeft gesteld van de intrekking van de aan die verzekeraar verleende vergunning, doet de Nederlandsche Bank daarvan mededeling in de Staatscourant. Bij deze publicatie wordt tevens mededeling gedaan van de beperking of het verbod, opgelegd ingevolge het eerste lid.

§ 2.5.5.3. Levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:176

1. Indien een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is niet voldoet aan het ingevolge artikel 2:93 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over de waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van levensverzekeraar onderscheidenlijk bedrijf van schadeverzekeraar, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 2:85, tweede lid, op de hoogte van haar voornemen.

3. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen.

5. De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toezichthoudende instanties van de lidstaten waarnaar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar, bedoeld in het eerste lid, vanuit Nederland diensten verricht in kennis van het besluit betreffende de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.

Artikel 2:177

Artikel 2:171 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is.

Artikel 2:178

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet bepaalde dan wel aan de in een andere lidstaat gestelde eisen indien een ontheffing is verleend overeenkomstig artikel 2:85, doet aan de Nederlandsche Bank binnen een door haar te bepalen termijn en op een door haar te bepalen wijze opgave van de in artikel 2:93 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin optreden.

Artikel 2:179

1. De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 2:171, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is nog verder zal verslechteren, evenals in het geval, bedoeld in artikel 2:171, tweede lid, de vrije beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. De Nederlandsche Bank deelt haar besluit, zo mogelijk voordat dit van kracht wordt, mee aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat waar de levensverzekeraar of schadeverzekeraar een bijkantoor heeft of waarnaar hij vanuit zijn bijkantoor in een lidstaat diensten verricht. Zij kan deze toezichthoudende instantie verzoeken overeenkomstige maatregelen te treffen ten aanzien van de in de betrokken lidstaat aanwezige waarden.

3. Ten aanzien van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar, waarvan op de solvabiliteitsmarge toezicht wordt gehouden door de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat op grond van artikel 2:85, tweede lid, neemt de Nederlandsche Bank een besluit als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van de hier te lande aanwezige waarden, indien die toezichthoudende instantie dit verzoekt op grond van het feit dat de levensverzekeraar of schadeverzekeraar in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in het eerste lid.

4. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de levensverzekeraar of schadeverzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge, dan wel, indien het besluit uitsluitend berust op het derde lid, zodra de aldaar bedoelde toezichthoudende instantie hierom verzoekt. De Nederlandsche Bank doet van het besluit tot opheffing van de beperking of het verbod mededeling aan de toezichthoudende instantie, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2:180

1. De Nederlandsche Bank kan, indien aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is op grond van artikel 2:167, derde lid, een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge is voorgeschreven en de levensverzekeraar of schadeverzekeraar niet of niet meer beschikt over dit minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, in uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de financiële positie van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar nog verder zal verslechteren, de vrije beschikking door de levensverzekeraar of schadeverzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Artikel 2:179, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 2.5.5.4. Natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat

Artikel 2:181

1. Indien een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:94 bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de natura-uitvaartverzekeraar over de waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de natura-uitvaartverzekeraar weer voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:94 bepaalde.

Artikel 2:182

De artikelen 2:171, 2:172 en 2:173, eerste en vierde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 2:183

1. De Nederlandsche Bank kan indien zich in het geval, bedoeld in artikel 2:171, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan de financiële positie van de natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat nog verder zal verslechteren, alsook in het geval, bedoeld in artikel 2:171, tweede lid, de vrije beschikking door de natura-uitvaartverzekeraar over zijn waarden, die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2. Artikel 2:170, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra de natura-uitvaartverzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge.

AFDELING 2.5.6 OPVANGREGELING VOOR LEVENSVERZEKERAARS

§ 2.5.6.1. Levensverzekeraars met zetel in Nederland

Artikel 2:184

1. Deze paragraaf is van toepassing op levensverzekeraars met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:24, eerste lid, hebben.

2. Deze paragraaf en de artikelen 2:36, 2:37, 2:43, 2:45, 2:46, 2:95, 2:96, 2:122, 2:124, 2:126 en 1:61 tot en met 1:70, zijn van overeenkomstige toepassing op opvanginstellingen die het bedrijf van levensverzekeraar uitsluitend als herverzekeraar uitoefenen in de zin van artikel 2:187, tweede lid.

Artikel 2:185

1. Er is een vertrouwenscommissie bestaande uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier overige leden, die tot taak heeft:

a. de Nederlandsche Bank te adviseren in gevallen waarin dat in deze paragraaf is voorgeschreven;

b. desgevraagd de Nederlandsche Bank te adviseren bij de ingevolge deze paragraaf door haar te nemen beslissingen; en

c. desgevraagd de Nederlandsche Bank behulpzaam te zijn bij een onderzoek naar de mogelijkheden van samenwerking tussen een levensverzekeraar waarop de opvang kan worden toegepast en een andere verzekeraar, dan wel overname door laatstbedoelde verzekeraar.

2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden van de vertrouwenscommissie volgens een bij ministeriële regeling te bepalen procedure die ten minste voorziet in een recht van voordracht door de Nederlandsche Bank en de vertegenwoordigende organisaties van levensverzekeraars gezamenlijk.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de werkwijze van de vertrouwenscommissie.

Artikel 2:186

1. De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, besluiten tot opvang indien:

a. artikel 2:171, tweede lid, van toepassing is;

b. met betrekking tot het opgestelde financieringsplan, bedoeld in 2:171, tweede lid, van de levensverzekeraar, de instemming is geweigerd; en

c. de portefeuille van de levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.

2. Met het weigeren van instemming voor het financieringsplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voor de toepassing van deze paragraaf gelijk gesteld het intrekken van een verleende instemming voor een financieringsplan, het niet binnen de door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn indienen van een financieringsplan, of het niet binnen de door de Nederlandsche Bank bepaalde termijn aanbrengen van door haar aangegeven wijzigingen in een financieringsplan waarvoor instemming is verleend.

3. Opvang geschiedt aan de hand van een door de Nederlandsche Bank, gehoord de vertrouwenscommissie, op te stellen opvangplan. De levensverzekeraar en de opvanginstelling handelen overeenkomstig het opvangplan.

4. De Nederlandsche Bank deelt de inwerkingstelling van de opvang en het daarbij behorende opvangplan mede aan de levensverzekeraar en de opvanginstelling.

5. De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, het opvangplan wijzigen.

Artikel 2:187

1. De in het opvangplan geregelde opvang kan bestaan uit herverzekering door een opvanginstelling of overdracht van de portefeuille aan een opvanginstelling.

2. In geval van herverzekering van de portefeuille worden de verplichtingen van de levensverzekeraar uit directe verzekering geheel of gedeeltelijk herverzekerd bij een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De voorwaarden waaronder herverzekering plaatsvindt, worden opgesteld door de opvanginstelling en behoeven instemming van de Nederlandsche Bank.

3. In geval van overdracht van de portefeuille worden de rechten en verplichtingen van de levensverzekeraar uit directe verzekering overgedragen aan een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen opvanginstelling. De opvanginstelling brengt daarbij de solvabiliteitsmarge op de ingevolge artikel 2:82 vereiste omvang.

4. De statuten van de opvanginstelling, met inbegrip van wijzigingen daarvan, behoeven voorafgaande instemming van de Nederlandsche Bank.

Artikel 2:188

De Nederlandsche Bank kan de levensverzekeraar en de opvanginstelling aanwijzingen geven in het belang van de goede werking van de opvang. De levensverzekeraar en de opvanginstelling volgen de aanwijzingen van de Nederlandsche Bank op. De aanwijzingen hebben geen betrekking op de herverzekeringsvoorwaarden, bedoeld in artikel 2:187, tweede lid, laatste volzin.

Artikel 2:189

1. Overdracht van de portefeuille van de levensverzekeraar ingevolge het opvangplan vindt slechts plaats nadat de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de levensverzekeraar zijn zetel heeft op verzoek van de Nederlandsche Bank daartoe een machtiging heeft verleend.

2. De Nederlandsche Bank kan een verzoek tot het verlenen of tot het intrekken van een machtiging bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een procureur.

3. De rechtbank verleent de machtiging, tenzij de Nederlandsche Bank in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de portefeuille van de levensverzekeraar nog overlevingskans heeft.

4. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van haar verzoek tot machtiging aan de levensverzekeraar.

5. De rechtbank behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot machtiging met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.

6. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de levensverzekeraar.

7. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de levensverzekeraar en de Nederlandsche Bank zijn gehoord althans daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.

8. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.

9. De rechtbank kan op verzoek van de Nederlandsche Bank de machtiging intrekken.

10. De Nederlandsche Bank deelt de verlening van de machtiging mede aan de betrokken levensverzekeraar en de opvanginstelling.

11. Tegen de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. Tot het instellen van beroep in cassatie tegen de beschikking van de rechtbank uit hoofde van deze paragraaf is, buiten de Nederlandsche Bank, de levensverzekeraar bevoegd, ongeacht of deze bij de rechtbank is verschenen.

12. Beroep in cassatie tegen de beschikking wordt ingesteld binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak van de rechtbank. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. De uitspraak wordt niet in het openbaar gedaan.

Artikel 2:190

1. De levensverzekeraar draagt, ter uitvoering van het opvangplan, aan de opvanginstelling de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen, voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden herverzekerd, onderscheidenlijk worden overgedragen.

2. De levensverzekeraar draagt niet meer waarden over dan benodigd zijn voor de herverzekering, onderscheidenlijk overdracht, van de portefeuille.

3. Indien voor de opvang meer waarden benodigd zijn dan de in het eerste lid bedoelde, draagt de levensverzekeraar aan de opvanginstelling tevens aanvullende waarden over tot het benodigde bedrag.

4. Op de portefeuilleoverdracht door de levensverzekeraar aan de opvanginstelling zijn de artikelen 2:144, 2:149, eerste lid, 2:150, 2:151, 2:152, 2:158 en 2:160 niet van toepassing.

Artikel 2:191

1. Voor uitvoering van opvang wordt op enig moment ten hoogste € 213 610 176 ter beschikking gesteld, met dien verstande dat:

a. per opvangsituatie maximaal € 106 805 088 ter beschikking kan worden gesteld; en

b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Nederlandsche Bank bij het in werking stellen van de opvang, gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan € 106 805 088.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van het totaal van de minimumbedragen aan solvabiliteitsmarge van de levensverzekeraars, bedoeld in de artikelen 2:184, eerste lid, en 2:194, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de Nederlandsche Bank.

3. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden in januari van het jaar waarop zij betrekking hebben door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

4. Indien als gevolg van toepassing van de opvang voor een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Nederlandsche Bank de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.

5. De Nederlandsche Bank, gehoord de vertrouwenscommissie, stelt het bedrag vast dat in een voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van de opvang. De Nederlandsche Bank bepaalt per levensverzekeraar in hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. De levensverzekeraars waarop deze paragraaf van toepassing is, nemen de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:122, aanhef en eerste lid, onderdeel d, vereist. De Nederlandsche Bank bepaalt de voorwaarden van de achtergestelde lening.

6. De levensverzekeraars waarop deze paragraaf van toepassing is verschaffen het ingevolge het vijfde lid vastgestelde bedrag. De Nederlandsche Bank legt daartoe aan de levensverzekeraars een aanslag op.

7. Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en op levensverzekeraars ten aanzien waarvan opvang wordt toegepast of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.

8. De Nederlandsche Bank kan een levensverzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de solvabiliteitsmarge van die levensverzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 2:82 en de levensverzekeraar niet in staat lijkt te zijn de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke termijn op de vereiste omvang te brengen.

9. Ingeval een levensverzekeraar niet voldoet aan zijn verplichtingen, voortvloeiend uit het zesde lid, kan de Nederlandsche Bank een dwangbevel uitvaardigen, dat executoir kan worden verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het rechtsgebied waarvan de Nederlandsche Bank is gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de Nederlandsche Bank ten uitvoer gelegd kan worden.

10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot opvang op grond van deze paragraaf.

Artikel 2:192

1. Indien de opvanginstelling de portefeuille overdraagt aan een andere levensverzekeraar, is artikel 2:151, eerste tot en met vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing.

2. Indien de Nederlandsche Bank geen bedenkingen heeft tegen de overdracht, verleent zij aan de opvanginstelling instemming met de overdracht.

Artikel 2:193

1. De Nederlandsche Bank stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het einde van de toepassing van de opvang vast.

2. De Nederlandsche Bank deelt het einde van de toepassing van de opvang mede aan de levensverzekeraar en de opvanginstelling.

3. Indien na beëindiging van de toepassing van de opvang, waarbij een portefeuilleoverdracht heeft plaatsgevonden, bij de opvanginstelling een batig saldo resteert, keert de opvanginstelling dit uit aan de levensverzekeraar ten behoeve waarvan de opvang is toegepast.

4. De opvanginstelling trekt na beëindiging van de toepassing van de opvang in elk geval de aandelen in die niet het minimumkapitaal, bedoeld in artikel 67, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigen. De aandeelhouders werken hieraan mee.

§ 2.5.6.2. Levensverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:194

Paragraaf 2.5.6.1 is van overeenkomstige toepassing op levensverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is, die vanuit in Nederland gelegen bijkantoren het bedrijf van levensverzekeraar uitoefenen, voorzover het betreft overeenkomsten uit directe verzekering gesloten vanuit een bijkantoor in Nederland, tenzij met betrekking tot het bijkantoor een ontheffing is verleend in de zin van artikel 2:85.

AFDELING 2.5.7 NOODREGELING EN SANERINGSMAATREGELEN EN LIQUIDATIEPROCEDURES NAAR BUITENLANDS RECHT

§ 2.5.7.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:195

1. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling met zetel in Nederland die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, heeft, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank, binnen het rechtsgebied waarvan de kredietinstelling haar zetel heeft, op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de kredietinstelling in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.

2. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling zodanig is dat redelijkerwijs te voorzien is dat de kredietinstelling haar verplichtingen ter zake van de door haar verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de kredietinstelling haar zetel heeft, op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de kredietinstelling in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:196

Indien het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van verzekeraar met zetel in Nederland een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de verzekeraar zijn zetel heeft, op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:197

1. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland en geeft kennis van de inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar het bijkantoor van de kredietinstelling of verzekeraar is gelegen of waarnaar zij of hij diensten verricht vanuit haar of zijn vestigingen in een andere lidstaat.

2. De rechtbank behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

3. De rechtbank geeft geen beschikking als bedoeld in artikel 2:195, eerste lid, of 2:196 dan nadat de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, en de Nederlandsche Bank zijn gehoord, althans daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.

4. Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden of een van de leden van een andere rechtbank tot rechter-commissaris en benoemt zij een of meer bewindvoerders. De Nederlandsche Bank kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.

5. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De uittreksels vermelden naam en zetel van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de desbetreffende onderneming een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beslissing hoger beroep kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van het Gerechtshof, het onderwerp van de beslissing en de rechtsgrondslag.

Artikel 2:198

1. Bij het uitspreken van de noodregeling of daarna kan de rechtbank aan de bewindvoerders een machtiging verlenen die strekt tot:

a. overdracht van het geheel of een gedeelte van de verbintenissen van de kredietinstelling, welke zij in de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan onderscheidenlijk van het geheel of van een gedeelte van de verbintenissen van de verzekeraar krachtens overeenkomsten van verzekering;

b. gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling onderscheidenlijk van de portefeuille van de verzekeraar; of

c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als liquidatie als bedoeld in onderdeel b.

2. In geval van een machtiging met betrekking tot een verzekeraar, strekt de machtiging, bedoeld in de onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar, zolang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft.

3. De Nederlandsche Bank kan in het verzoek, bedoeld in de artikelen 2:195, eerste of tweede lid, en 2:196, vermelden welke van de machtigingen, bedoeld in het eerste lid, naar haar oordeel het meest passend is.

Artikel 2:199

1. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel c.

2. De griffier zendt een afschrift van de voordracht of het verzoek aan de kredietinstelling onderscheidenlijk de verzekeraar met zetel in Nederland en, indien het een voordracht betreft, tevens aan de Nederlandsche Bank.

3. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de rechter de Nederlandsche Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Nederlandsche Bank maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.

4. Nadat de Nederlandsche Bank haar mening ingevolge het derde lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van de in het derde lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het eerste lid, met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voorzover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Artikel 2:200

1. De rechtbank is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen, door daartoe door haar aangewezen deskundigen, van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken kredietinstelling of verzekeraar.

2. Degene die de gegevens onder zich heeft, verstrekt de gegevens of inlichtingen binnen een door de rechtbank te stellen termijn.

Artikel 2:201

De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van de voordracht of het verzoek, bedoeld in artikel 2:199, eerste lid, aan de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland en deelt de inhoud daarvan mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende financiële onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.

Artikel 2:202

De beschikkingen, bedoeld in de artikelen 2:195, eerste en tweede lid, 2:196 en 2:199, eerste lid, worden met redenen omkleed.

Artikel 2:203

Indien de rechtbank een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, verleent, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging tot zowel overdracht als liquidatie, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging tot zowel overdracht als liquidatie op de resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.

Artikel 2:204

1. De griffier van de rechtbank stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van een beschikking als bedoeld in artikel 2:195, eerste of tweede lid, 2:196, of 2:199, eerste lid.

2. De Nederlandsche Bank deelt, onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikking, de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten de beschikking mede, alsmede de mogelijke gevolgen in het desbetreffende geval. Tevens deelt de Nederlandsche Bank onverwijld de door Onze Minister op grond van artikel 212d van de Faillissementswet aangewezen systemen de beschikking mede.

Artikel 2:205

1. De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan alle bekende schuldeisers.

2. De kennisgeving aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.

3. Iedere schuldeiser kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.

Artikel 2:206

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 2:205, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een vordering uit hoofde van verzekering heeft, geschiedt in de officiële taal of talen van die lidstaat.

2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 2:205, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat, die een andere vordering heeft dan de vordering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle officiële talen van de lidstaten het opschrift draagt «Oproep tot indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen. Termijnen».

3. Iedere schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een lidstaat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in een officiële taal van die lidstaat met een verklaring met als opschrift in de Nederlandse taal «Indiening van een vordering», onderscheidenlijk «Indiening van opmerkingen betreffende een vordering».

4. In geval van een noodregeling ten aanzien van een kredietinstelling kunnen de bewindvoerders een vertaling in het Nederlands van de indiening van de vordering en de opmerkingen verlangen.

Artikel 2:207

Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c:

a. stellen de bewindvoerders alle bekende schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling; en

b. deelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks verzoeken het verloop van de noodregeling mede.

Artikel 2:208

1. De rechter-commissaris houdt toezicht op de overdracht onderscheidenlijk de liquidatie, bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, en op het beheer van de boedel.

2. Met betrekking tot de beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het in het in het eerste lid bepaalde, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Artikel 67, tweede lid, van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing voorzover de daarin opgesomde artikelen in artikel 2:215, tweede lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van overeenkomstige toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de verzekeraar.

Artikel 2:209

1. Een beschikking als bedoeld in artikel 2:195, eerste of tweede lid, 2:196, 2:198, eerste lid, of 2:199, eerste lid, is uitvoerbaar bij voorraad. Een beschikking als bedoeld in artikel 2:195, eerste of tweede lid, of 2:196 werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.

2. In afwijking van het eerste lid, werkt een beschikking als bedoeld in het eerste lid niet terug ten aanzien van een door een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland:

a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet; of

b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren,

ingeval deze overboekingsoverdracht of financiëlezekerheidsovereenkomst is gegeven onderscheidenlijk gesloten voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven.

3. Het eerste lid en artikel 2:210, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een financiële onderneming als bedoeld in het tweede lid:

a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, ingeval de overboekingsopdracht is gegeven na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking; of

b. gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, ingeval de financiëlezekerheidsovereenkomst is gesloten na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze ten tijde van het sluiten van die overeenkomst niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

4. Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op goederenrechtelijke zekerheidsrechten die door financiële ondernemingen als bedoeld in het tweede lid in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b, van de Faillissementswet, zijn gelegen ten behoeve van een centrale bank als bedoeld in artikel 212a, onderdeel h, van de Faillissementswet of ten behoeve van een financiële onderneming die deelneemt aan het systeem.

5. In afwijking van het eerste lid werkt een in dat lid bedoelde beschikking niet terug ten aanzien van een door financiële ondernemingen als bedoeld in het tweede lid, voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.

6. Het eerste lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een, door een financiële onderneming als bedoeld in het tweede lid, na het tijdstip waarop de rechtbank een beschikking als bedoeld in het eerste lid heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

7. De rechtbank vermeldt op een beschikking als bedoeld in het eerste lid het tijdstip waarop de beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.

Artikel 2:210

1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders, commissarissen van de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland of, in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland, vertegenwoordigers van de verzekeraar uit.

2. De bewindvoerders waken voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.

3. De bestuurders en commissarissen van de kredietinstelling of verzekeraar of de vertegenwoordigers van de verzekeraar verlenen alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking.

4. Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, is voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de president van de rechtbank vereist. De bewindvoerder aan wie bij een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

5. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en de Nederlandsche Bank gehoord, dan wel behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of aan hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van de bewindvoerder zelf, de andere bewindvoerders, de Nederlandsche Bank of een of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.

6. De bewindvoerders kunnen de bestuurders van een kredietinstelling of verzekeraar of de vertegenwoordiger van de verzekeraar machtigen bepaalde handelingen te verrichten.

7. Een besluit van aandeelhouders of leden van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, behoeft, om van kracht te zijn, de toestemming van de bewindvoerders.

8. Wordt een besluit van aandeelhouders of leden dat ingevolge de statuten of reglement van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, voor een handeling is vereist, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten of reglementen vereiste toestemming, dan kunnen de bewindvoerders dit besluit nemen.

9. De bewindvoerders kunnen personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen die zij ingevolge het eerste lid hebben. De bewindvoerders kunnen de rechtbank verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De bewindvoerders doen van de naam en woonplaats van een door hen gemachtigde alsook van de intrekking van een machtiging mededeling in de Staatscourant.

10. Het loon van de personen, aangewezen ingevolge artikel 2:200, eerste lid, het loon en de verschotten van de bewindvoerders, alsmede de overige kosten van de noodregeling worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.

11. De bewindvoerders kunnen de bestuurders, commissarissen en vertegenwoordigers namens de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande echter dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.

12. De bewindvoerders kunnen personen aanwijzen om hen te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan.

13. Artikel 69 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:211

1. Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar onderscheidenlijk zijn verplichtingen die voor het uitspreken van de noodregeling zijn ontstaan.

2. Executies die zijn aangevangen voor het uitspreken van de noodregeling worden geschorst.

3. Beslagen die zijn gelegd voor het uitspreken van de noodregeling vervallen.

4. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde verplichtingen.

5. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor:

a. vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, zijn gedekt;

b. termijnen van huurkoop; en

c. vorderingen tot nakoming van financiëlezekerheidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

6. Voorzover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de daaraan onderworpen goederen kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.

Artikel 2:212

1. De artikelen 52 en 234 tot en met 241a van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.

2. In afwijking van het eerste lid, bevrijdt voldoening na de bekendmaking van de vaststelling van de noodregeling van een kredietinstelling niet zijnde een natuurlijk persoon tegenover de boedel indien degene die haar deed, bewijst dat hij niet bekend was met de vaststelling van de noodregeling, ingeval een machtiging is verleend als bedoeld in 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of, ingeval een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel c, vanaf het moment waarop activa van de desbetreffende financiële onderneming te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden van de desbetreffende financiële onderneming.

Artikel 2:213

1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit handelingen met de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland na het uitspreken van de noodregeling verricht, voorzover dit gelet op de liquiditeitspositie van de desbetreffende financiële onderneming verantwoord is te achten en indien is voldaan aan het tweede lid en de artikelen 2:214 tot en met 2:219.

2. Artikel 2:206 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:205, moet worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:214, tweede lid, tweede volzin.

Artikel 2:214

1. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de financiële onderneming, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank neergelegd.

2. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis. Deze kennisgeving betreft in elk geval tevens de gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. Aan schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt de kennisgeving voorts welke de belangrijkste gevolgen van de noodregeling voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn, en de rechten en verplichtingen van de verzekerde en anderen in verband met de overeenkomsten van verzekering.

3. De bewindvoerders doen, ingeval van een kredietinstelling, schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in Nederland, tevens mededeling van de beschikkingen in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar de desbetreffende onderneming een bijkantoor heeft of waarnaar zij diensten verricht en, ingeval van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland, in de Staatscourant en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.

4. De artikelen 110 tot en met 113 en 213l, onderdeel e, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:215

1. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.

2. Met betrekking tot verificaties zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge artikel 2:214, tweede lid, voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de artikelen 2:195, eerste en tweede lid, en 2:196, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 2:230, eerste lid, slechts geldt voorzover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.

Artikel 2:216

De bestuurders van de financiële onderneming, bedoeld in artikel 2:213, wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in de artikelen 2:195 of 2:196 bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die aan hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders te vragen. De vragen aan de bestuurders gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, welke ingevolge artikel 2:229, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:230, eerste lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.

Artikel 2:217

1. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd artikel 2:219 is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.

2. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 2:218

1. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen alsmede indien het een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft met zetel in Nederland in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.

2. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de in het eerste lid, eerste volzin van dit artikel genoemde termijn geldt.

3. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 2:217 van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voorzover nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 2:213 tot en met 2:219 bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 2:219

In afwijking van artikel 2:217, tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de artikelen 2:195, eerste en tweede lid, en 2:196, voorzover artikel 2:198, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 2:220

Ingevolge de hun verleende machtiging, bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, kunnen de bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de betrokken kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland is bepaald:

a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een verzekeraar met zetel in Nederland uitschrijven en innen; en

b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van een verzekeraar met zetel in Nederland die een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland is bepaalde maximum.

Artikel 2:221

De bewindvoerders brengen tijdens de noodregeling telkens na verloop van drie maanden, alsmede na beëindiging van de noodregeling, zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank. Een afschrift van dit verslag zenden de bewindvoerders aan Onze Minister en aan de Nederlandsche Bank.

Artikel 2:222

Voor de toepassing van de artikelen 194, 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland verkeert zolang de noodregeling ten aanzien van deze financiële onderneming van kracht is.

Artikel 2:223

1. Nadat de rechtbank een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, heeft gegeven, kan zij in afwijking van artikel 1 van de Faillissementswet, de Nederlandsche Bank gehoord, op verzoek van de bewindvoerders, op voordracht van de rechter-commissaris of ambtshalve, de desbetreffende kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland in staat van faillissement verklaren indien blijkt dat deze een negatief eigen vermogen heeft en het met de verleende machtiging te bereiken doel is verwezenlijkt of niet meer kan worden verwezenlijkt.

2. De noodregeling en de machtiging houden van rechtswege op van kracht te zijn ingeval de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, in staat van faillissement wordt verklaard.

Artikel 2:224

1. De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de noodregeling beëindigen.

2. De bewindvoerders kunnen een verzoek tot beëindiging van de noodregeling bij de rechtbank indienen zonder tussenkomst van een procureur.

3. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland en de Nederlandsche Bank zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.

4. De bewindvoerders maken het beëindigen van de noodregeling bekend in de Staatscourant en, indien het een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland betreft, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in een of meer door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.

5. De Nederlandsche Bank deelt het beëindigen van de noodregeling mede aan de toezichthoudende instanties van andere lidstaten waar een bijkantoor van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.

Artikel 2:225

Indien de bekendmaking, bedoeld in artikel 2:224, vierde lid, 2:229, derde lid, of artikel 212o, eerste lid, van de Faillissementswet betrekking heeft op alle verbintenissen van de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland, vervallen door deze bekendmaking van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge het uitspreken van de noodregeling hadden verkregen.

Artikel 2:226

1. Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 2:195, eerste of tweede lid, 2:196, 2:198, eerste lid, en 2:229, heeft, indien het verzoek om toepassing van de noodregeling wordt afgewezen, de Nederlandsche Bank het recht van hoger beroep gedurende acht dagen na de dag van de afwijzing.

2. Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 2:195, eerste of tweede lid, 2:196, 2:198, eerste lid, 2:229 en 2:230, eerste lid, hebben, indien het verzoek om toepassing van de noodregeling wordt toegewezen, de kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland, nadat zij of hij op de aanvraag van de toepassing van de noodregeling is gehoord gedurende acht dagen na de dag van toewijzing, het recht van hoger beroep en, zo zij niet zijn gehoord, het recht van verzet.

3. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed.

4. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door het Gerechtshof aan te wijzen Nederlandse dagbladen en ten minste twee door het Gerechtshof aan te wijzen landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht. De uittreksels vermelden de naam en zetel van de desbetreffende financiële onderneming, de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de landelijke dagbladen van iedere lidstaat waar een bijkantoor van de desbetreffende onderneming is gelegen of waarnaar zij diensten verricht wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, de rechtsgrondslag, dat de Nederlandsche Bank de bevoegde toezichthouder is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beslissing beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad, het onderwerp van de beslissing en de rechtsgrondslag.

5. Beroep in cassatie tegen deze beschikking op het hoger beroep of het verzet moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

6. Indien ten gevolge van verzet, hoger beroep of cassatie de uitspraak tot toepassing van de noodregeling wordt vernietigd, blijven niettemin geldig en verbindend voor de kredietinstelling of verzekeraar de handelingen, door de bewindvoerders verricht vóór of op de dag waarop aan het voorschrift tot aankondiging in de Staatscourant overeenkomstig artikel 2:227, eerste lid, is voldaan.

Artikel 2:227

1. Zodra een vonnis waarbij de noodregeling is toegepast ten gevolge van verzet, hoger beroep of cassatie is vernietigd, en, in de eerste twee gevallen de termijn om in hoger beroep of cassatie te komen is verstreken zonder dat daarvan gebruik is gemaakt, wordt door de griffier van het rechtscollege dat de vernietiging heeft uitgesproken, van die uitspraak kennis gegeven aan de bewindvoerders. De bewindvoerders doen daarvan aankondiging in de bladen, bedoeld in artikel 2:197, vijfde lid.

2. Artikel 15, tweede en derde lid, van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:228

1. Een vereniging waarvan ten minste 35 procent van:

a. de schuldeisers met een vordering op de kredietinstelling met zetel in Nederland uit hoofde van een overeenkomst die zij heeft gesloten in de uitoefening van haar bedrijf als tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan; of

b. de schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering;

lid is, kan zich melden bij de bewindvoerders.

2. De bewindvoerders horen de vereniging alvorens zij de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2:229 of 2:230, uitoefenen, indien deze op een door de bewindvoerders te bepalen moment ten genoegen van de bewindvoerders heeft aangetoond dat zij aan de in het eerste lid gestelde vereisten voldoet.

Artikel 2:229

1. De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten die de kredietinstelling met zetel in Nederland in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die overeenkomsten, met dien verstande dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 2:211, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de kredietinstelling worden gedekt of termijnen van huurkoop daarbij niet kunnen worden gewijzigd.

2. Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2:197, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 200, 203, 204, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 209, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de Staatscourant, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in ten minste drie door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.

4. De overdracht en de wijziging worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken kredietinstellingen van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de bekendmaking is geplaatst.

5. De Nederlandsche Bank deelt de overdracht mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de kredietinstelling is gelegen of waarnaar zij diensten verricht vanuit haar vestigingen in andere lidstaten.

6. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 2:213 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste lid.

7. Gedurende de liquidatie, bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, regelt de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldingsduur van lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het advies van de bewindvoerders en de Nederlandsche Bank heeft ingewonnen.

Artikel 2:230

1. De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt:

a. bij de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de verzekeraar met zetel in Nederland heeft gesloten, tot wijziging van die verzekering; of

b. tot verkorting van de duur van verzekering.

2. Met betrekking tot de bijzondere machtiging, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2:197, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 2:200, 2:203, 2:204, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 2:209, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 2:198, eerste lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen en indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland betreft in het Publicatieblad van de Europese Unie. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.

4. De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden dan de betrokken verzekeraar van kracht met ingang van de tweede dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant waarin de publicatie is geplaatst. Op overdrachten zijn de artikelen 2:144 tot en met 2:146, 2:148 en 2:152 niet van toepassing.

5. De Nederlandsche Bank deelt de overdracht en de handelingen indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft, mede aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de desbetreffende financiële onderneming is gelegen of waarnaar hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in andere lidstaten.

6. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, laten onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 2:213 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging, bedoeld in het eerste lid.

7. Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op een levensverzekering betrekking hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd.

Artikel 2:231

In geval van overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, of een bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 2:230, eerste lid, draagt de verzekeraar met zetel in Nederland de waarden over die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voorzover deze voorzieningen betrekking hebben op de verplichtingen die worden overgedragen.

Artikel 2:232

Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel a of c, mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.

Artikel 2:233

1. In geval van toepassing van de noodregeling op grond van dit hoofdstuk worden de boedelschulden, overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet, al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij omgeslagen over ieder deel van de boedel, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken. Onder boedelschulden vallen in ieder geval de kosten van inschrijving in een openbaar register in een andere lidstaat.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een schadeverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:

a. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan krachtens een schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens een herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd, en van uitkeringen ter zake van pensioenen, toegezegd aan werknemers of gewezen werknemers van de verzekeraar of aan hun nabestaanden;

b. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;

c. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar bij wie zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;

d. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar is verschuldigd, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens Titel 10van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;

e. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende niet-periodieke uitkeringen ter zake van ziekte, letsel of overlijden van natuurlijke personen, ontstaan krachtens een schadeverzekering, met uitzondering evenwel van uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd;

f. de vorderingen uit hoofde van verzekering betreffende uitkeringen ter zake van andere dan in de onderdelen a en e bedoelde schaden, ontstaan uit overeenkomsten van schadeverzekering;

g. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.

3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een levensverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:

a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;

b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;

c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;

d. de vorderingen uit hoofde van verzekering en rechten betreffende uitkeringen, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit een levensverzekering;

e. de vorderingen tot teruggave van bedragen die zonder rechtsgrond zijn betaald of aan de betaling waarvan de rechtsgrond is komen te ontvallen, welke betaling heeft plaatsgevonden in de veronderstelling dat daarmee premies zijn betaald.

4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en behoudens vorderingen door pand of hypotheek gedekt, worden in geval van een noodregeling van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in Nederland de volgende vorderingen verhaald op de boedel in de volgende volgorde:

a. de vorderingen van werknemers en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot reeds vervallen termijnen van pensioen, voorzover de vordering niet ouder is dan een jaar;

b. de vorderingen van werknemers, niet zijnde bestuurders van de verzekeraar waarbij zij in dienst zijn, en gewezen werknemers alsmede de vorderingen van hun nabestaanden met betrekking tot in de toekomst tot uitkering komende termijnen van toegezegd pensioen;

c. de vorderingen van werknemers met betrekking tot het loon over het voorafgaande jaar en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag van de verhoging van dat loon ingevolge artikel 625 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede het bedrag van de uitgaven, door de werknemer voor de verzekeraar als werkgever gedaan, en de bedragen, door de verzekeraar aan de werknemer krachtens titel 10van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd;

d. de vorderingen en rechten betreffende prestaties, die zijn ontstaan of nog zullen ontstaan uit een natura-uitvaartverzekering, gesloten vanuit een vestiging in Nederland.

5. Vorderingen die niet worden genoemd in het tweede, derde en vierde lid, worden eerst dan voldaan indien de vorderingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid zijn voldaan en, in geval van vorderingen, bedoeld in het tweede en derde lid, indien vaststaat dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan, naar evenredigheid van elke vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.

6. De in het vijfde lid bedoelde redenen van voorrang gelden zowel voor vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in Nederland als voor soortgelijke vorderingen van schuldeisers met gewone verblijfplaats, woonplaats of statutaire zetel in een andere lidstaat.

Artikel 2:234

1. Indien de opvang, bedoeld in artikel 2:187, eerste lid, ten tijde van het uitspreken van de noodregeling reeds in werking is gesteld, kan de toepassing ervan door de Nederlandsche Bank worden voortgezet in de in artikel 2:187, derde lid, bedoelde vorm.

2. De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.

Artikel 2:235

1. De Nederlandsche Bank kan, gehoord de vertrouwenscommissie, de opvang, bedoeld in artikel 2:187, eerste lid, in werking stellen tijdens de noodregeling indien de portefeuille van de levensverzekeraar overlevingskans heeft.

2. De bewindvoerders verlenen hieraan hun medewerking.

3. De opvang blijft in een in het eerste lid bedoeld geval beperkt tot de in artikel 2:187, derde lid, bedoelde verplichte overdracht van de portefeuille.

4. Artikel 2:186, eerste en tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 2:236

1. Indien na de inwerkingstelling van de opvang overeenkomstig artikel 2:186, tweede lid, of 2:235 verplichte overdracht van de portefeuille niet tot stand kan worden gebracht, doet de Nederlandsche Bank hiervan mededeling aan de bewindvoerders.

2. Zolang de Nederlandsche Bank deze mededeling niet heeft gedaan, verleent de rechtbank de bewindvoerders geen bijzondere machtiging als bedoeld in artikel 2:230, eerste lid.

3. De rechtbank verleent de bijzondere machtiging evenmin zolang de Nederlandsche Bank de opvang niet in werking heeft gesteld, tenzij de Nederlandsche Bank aan de bewindvoerders mededeling heeft gedaan van de omstandigheid dat er geen aanleiding is tot die inwerkingstelling.

§ 2.5.7.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:237

Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een in Nederland gelegen bijkantoor van een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die geen vergunning heeft, zodanig is dat te voorzien is dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor haar of zijn verplichtingen ter zake van de door haar of hem verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is gelegen, op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de kredietinstelling in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:238

Indien het belang van de schuldeisers met een vordering uit hoofde van verzekering bij de afwikkeling van het bedrijf van een in Nederland gelegen bijkantoor van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die geen vergunning heeft, een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan die verzekeraar zijn zetel heeft, op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:239

De artikelen 2:197 tot en met 2:236 zijn van overeenkomstige toepassing op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 2:237 en verzekeraars als bedoeld in artikel 2:238 voorzover deze artikelen betrekking hebben op de desbetreffende financiële ondernemingen.

Artikel 2:240

1. Indien de rechtbank het noodzakelijk acht dat in verband met een in Nederland gelegen bijkantoor van een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die krachtens artikel 1a:14 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen, een saneringsmaatregel wordt vastgesteld, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank hiervan in kennis.

2. De Nederlandsche Bank deelt nadat zij overeenkomstig het eerste lid in kennis is gesteld de toezichthoudende instanties van alle andere lidstaten dat mede.

§ 2.5.7.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en met een in Nederland gelegen bijkantoor

Artikel 2:241

1. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling met een in Nederland gelegen bijkantoor en met zetel in een staat die geen lidstaat is die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:17, eerste lid, heeft dan wel de solvabiliteit of de liquiditeit van een in Nederland gelegen bijkantoor van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:17, eerste lid, heeft, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank, binnen het rechtsgebied waarvan het bijkantoor is gelegen, op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de kredietinstelling in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.

2. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling met een in Nederland gelegen bijkantoor en met zetel in een staat die geen lidstaat is dan wel van een in Nederland gelegen bijkantoor van een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is zodanig is dat te voorzien is dat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor haar onderscheidenlijk zijn verplichtingen ter zake van de door haar onderscheidenlijk hem verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bijkantoor is gelegen, op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van de kredietinstelling in het belang van de gezamenlijke schuldeisers de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:242

Indien het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar op wie artikel 1a:37 van toepassing is of van de gezamenlijke schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor van een dergelijke verzekeraar voortvloeiende verplichting een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn zetel heeft, op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.

Artikel 2:243

1. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de kredietinstelling, bedoeld in artikel 2:241, eerste en tweede lid, levensverzekeraar en schadeverzekeraar, bedoeld in artikel 2:242, en aan het bijkantoor en deelt de inhoud van het verzoekschrift mede aan:

a. de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarnaar zij diensten verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en

b. indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken verzekeraar, die toezichthoudende instantie.

2. Artikel 2:197, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De griffier van de rechtbank zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 2:197, derde lid, aan een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid en het bijkantoor.

4. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt de naam en zetel en het bijkantoor van de financiële onderneming, de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.

Artikel 2:244

Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders de bekende schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van een in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.

Artikel 2:245

1. Ten aanzien van een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de machtigingen betrekking op het vanuit de in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.

2. Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.

Artikel 2:246

1. De artikelen 2:198 tot en met 2:203, 2:206, 2:208 en 2:209, 2:210, eerste tot en met zesde lid, en negende tot en met dertiende lid, 2:211 tot en met 2:236, zijn van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die overeenkomstig artikel 2:241 of 2:242 is uitgesproken met dien verstande dat voor «schuldeisers» moet worden gelezen «schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting».

2. In afwijking van het eerste lid behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2:214, derde lid, en de nederlegging, bedoeld in artikel 2:218, eerste lid, niet in het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden gedaan.

Artikel 2:247

1. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is gegeven, stelt de griffier van de rechtbank de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt daarna onverwijld de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de kredietinstelling, bedoeld in artikel 2:241, eerste of tweede lid, of van de verzekeraar, als bedoeld in artikel 2:242 is gelegen de beschikking mede, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten de beschikking mede.

2. Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en de bewindvoerder gaat over tot liquidatie, stelt de bewindvoerder de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt daarna onverwijld de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waar een bijkantoor van de kredietinstelling, bedoeld in artikel 2:241, eerste of tweede lid, of van de verzekeraar, bedoeld in artikel 2:242 is gelegen de beschikking mede, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Nederlandsche Bank deelt de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten de beschikking mede.

3. De rechtbank tracht de gezamenlijke optredens met de rechterlijke of administratieve instanties van de andere lidstaten te coördineren.

Artikel 2:248

1. Indien een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is een in Nederland gelegen bijkantoor heeft en een of meer in andere lidstaten gelegen bijkantoren, trachten zowel de rechtbank als de Nederlandsche Bank hun optreden te coördineren met de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter zake van het treffen van saneringsmaatregelen onderscheidenlijk de toezichthoudende instanties van die andere lidstaten.

2. In het in het eerste lid bedoelde geval trachten de in Nederland benoemde bewindvoerders hun optreden te coördineren met de bewindvoerders in de andere lidstaten waarin aan de kredietinstelling een vergunning is verleend.

Artikel 2:249

Onverminderd artikel 2:201 zendt de Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens aan het in Nederland gelegen bijkantoor.

Artikel 2:250

1. De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, onmiddellijk schriftelijk kennis aan de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:244.

2. De kennisgeving aan schuldeisers als bedoeld in artikel 2:244 met een vordering uit hoofde van verzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van verzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van verzekering.

3. Iedere schuldeiser als bedoeld in artikel 2:244 kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.

Artikel 2:251

Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid,aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:244, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling, en deelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten die zulks verzoeken het verloop van de noodregeling mede.

Artikel 2:252

Ingevolge de hun verleende machtiging, bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, kunnen de bewindvoerders, ongeacht hetgeen daaromtrent bij de statuten van de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, is bepaald:

a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar onderscheidenlijk het waarborgkapitaal van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar uitschrijven en innen; en

b. naheffingen opleggen en innen tot het in de statuten van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een onderlinge waarborgmaatschappij met zetel in Nederland is bepaalde maximum.

Artikel 2:253

Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit haar of zijn in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.

Artikel 2:254

De Nederlandsche Bank deelt van het beëindigen van de noodregeling mede:

a. aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarnaar een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is diensten verricht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor; en

b. indien het een levensverzekeraar of schadeverzekeraar betreft en een andere toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is belast met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de desbetreffende verzekeraar: die toezichthoudende instantie.

Artikel 2:255

1. De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt tot wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten die de kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking verkrijgen van gelden heeft aangegaan, van die overeenkomsten gesloten vanuit haar in Nederland gelegen bijkantoor, met dien verstande dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 2:211, vijfde lid, vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de kredietinstelling worden gedekt of termijnen van huurkoop daarbij niet kunnen worden gewijzigd.

2. Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2:197, eerste tot en met derde lid, en vijfde lid, eerste volzin, 2:200, 2:203, 2:204, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 2:209, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen bekend door plaatsing in de Staatscourant, en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.

4. Artikel 2:229, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:256

1. De rechtbank kan tegelijk met een machtiging als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, of daarna de bewindvoerders op hun verzoek een bijzondere machtiging verlenen die strekt:

a. bij de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens verzekering die de verzekeraar met zetel in Nederland heeft gesloten, tot wijziging van die verzekering; of

b. tot verkorting van de duur van die verzekering.

2. Met betrekking tot bijzondere machtigingen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2:197, eerste tot en met derde lid en vijfde lid, eerste volzin, 2:200, 2:203, 2:204, eerste en tweede lid, eerste volzin, en 2:209, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

3. Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 2:198, eerste lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, doen de bewindvoerders van deze overdracht en, zo handelingen door hen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, van deze handelingen mededeling in de Staatscourant, en in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen dagbladen. De bewindvoerders kunnen, indien zij dit in het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen achten, de bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze publiceren.

5. Artikel 2:230, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 2.5.7.4. Natura-uitvaartverzekeraars met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor

Artikel 2:257

1. Indien het belang van de gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar of van de gezamenlijke schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor van een dergelijke verzekeraar voortvloeiende verplichting een bijzondere voorziening behoeft, kan de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bijkantoor van de natura-uitvaartverzekeraar is gelegen, op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling uitspreken.

2. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en zetel van de natura-uitvaartverzekeraar en het bijkantoor en de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.

Artikel 2:258

1. De Nederlandsche Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de natura-uitvaartverzekeraar, bedoeld in artikel 2:257, eerste lid, en aan het bijkantoor.

2. Artikel 2:197, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De griffier van de rechtbank zendt een afschrift van de oproeping, bedoeld in artikel 2:197, derde lid, aan het bijkantoor.

4. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel onverwijld door de bewindvoerders bekend gemaakt in de Staatscourant, alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen. Het uittreksel vermeldt naam en zetel van de natura-uitvaartverzekeraar en het bijkantoor en de zetel en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking.

Artikel 2:259

1. De artikelen 2:198 tot en met 2:203, 2:206, 2:208, 2:209, 2:210, eerste tot en met zesde lid en negende tot en met elfde lid, en 2:211 tot en met 2:233, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op noodregelingen die ingevolge artikel 2:257 zijn uitgesproken met dien verstande dat voor «schuldeisers» moet worden gelezen «schuldeisers wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting».

2. In afwijking van het eerste lid behoeft van de beschikkingen, bedoeld in artikel 2:214, derde lid, en de nederlegging, bedoeld in artikel 2:218, eerste lid, niet in het Publicatieblad van de Europese Unie mededeling te worden gedaan.

Artikel 2:260

1. Ten aanzien van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor hebben de machtigingen, bedoeld in de artikelen 2:198, eerste lid, en 2:229, eerste lid, betrekking op het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitgeoefende bedrijf.

2. Ten behoeve van de toepassing van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.

Artikel 2:261

Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland en met een in Nederland gelegen bijkantoor worden uitsluitend de activa en passiva inaanmerking genomen die moeten worden gerekend tot het vanuit zijn in Nederland gelegen bijkantoren uitgeoefende bedrijf.

Artikel 2:262

Onverminderd artikel 2:201 zendt de Nederlandsche Bank een afschrift als bedoeld in dat artikel tevens aan het in Nederland gelegen bijkantoor, en, indien bij de Nederlandsche Bank bekend is dat de natura-uitvaartverzekeraar in de staat waar zij haar zetel heeft onder toezicht staat, deelt zij de inhoud van het verzoekschrift aan de toezichthoudende instanties van die staat mede.

Artikel 2:263

1. De bewindvoerders geven van een machtiging, bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onverwijld schriftelijk kennis aan bekende schuldeisers, wier vordering het resultaat is van een uit de exploitatie van het in Nederland gelegen bijkantoor voortvloeiende verplichting.

2. De kennisgeving aan schuldeisers als bedoeld in het eerste lid met een vordering uit hoofde van natura-uitvaartverzekering vermeldt tevens welke de belangrijkste gevolgen van de machtiging voor de overeenkomsten uit hoofde van natura-uitvaartverzekering zijn en de rechten en verplichtingen van de schuldeiser met een vordering uit hoofde van natura-uitvaartverzekering.

3. Iedere schuldeiser als bedoeld in het eerste lid kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.

Artikel 2:264

1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op vorderingen die niet voortvloeien uit handelingen met de natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland na het uitspreken van de noodregeling verricht, voorzover dit gelet op de liquiditeitspositie van de natura-uitvaartverzekeraar verantwoord is te achten en mits is voldaan aan het tweede lid en de artikelen 2:265 tot en met 2:270.

2. Artikel 2:206 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de verwijzing naar de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:205, moet worden gelezen: de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:265, tweede lid, tweede volzin.

Artikel 2:265

1. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de natura-uitvaartverzekeraar, de namen en woonplaatsen van ieder van de schuldeisers bedoeld in artikel 2:263, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder van die schuldeisers. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank neergelegd.

2. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, schriftelijk kennis. Deze kennisgeving betreft in ieder geval tevens de gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. Ieder van de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, met een vordering uit hoofde van natura-uitvaartverzekering vermeldt de kennisgeving voorts welke de belangrijkste gevolgen van de noodregeling voor de verzekering zijn, en de rechten en verplichtingen van de verzekerde en anderen in verband met natura-uitvaartverzekering.

3. De bewindvoerders doen tevens mededeling van de beschikkingen in de Staatscourant alsmede in ten minste twee door de rechtbank aan te wijzen Nederlandse dagbladen.

4. De artikelen 110 tot en met 113 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders onderscheidenlijk de natura-uitvaartverzekeraar. Artikel 213l, eerste lid, onderdeel e, van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:266

1. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen.

2. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en 262, eerste en derde lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van overeenkomstige toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de natura-uitvaartverzekeraar. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge artikel 2:265, tweede lid, voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in artikel 2:257, eerste lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 2:229 slechts geldt voorzover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.

Artikel 2:267

1. De bestuurders van de natura-uitvaartverzekeraar of de feitelijk-leidinggevenden van het in Nederland gelegen bijkantoor wonen de verificatievergadering bij teneinde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 2:257, eerste lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die aan hen door de rechter-commissaris worden gevraagd. Ieder van de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, kan de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders of de feitelijk-leidinggevenden te vragen.

2. De vragen aan de bestuurders of de feitelijk-leidinggevenden gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de natura-uitvaartverzekeraar welke ingevolge artikel 2:230, eerste lid, worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voorzover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.

Artikel 2:268

1. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd artikel 2:270 is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.

2. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 2:269

1. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank neergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag.

2. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 van de Faillissementswet bedoelde termijn de in het eerste lid, eerste volzin, genoemde termijn geldt.

3. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, is ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft artikel 2:268 van overeenkomstige toepassing, en kan vervolgens, nadat voor zover nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in de artikelen 2:264 tot en met 2:270 bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 2:270

In afwijking van artikel 2:268, tweede lid, laatste volzin, kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking, bedoeld in de artikelen 2:241, eerste en tweede lid, en 2:242 voorzover artikel 2:229, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 2:271

Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 2:198, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, stellen de bewindvoerders ieder van de schuldeisers, bedoeld in artikel 2:263, regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.

Artikel 2:272

Zodra de noodregeling is beëindigd, doen de bewindvoerders daarvan mededeling in de Staatscourant.

§ 2.5.7.5. Bepalingen van internationaal privaatrecht

Artikel 2:273

De verwijzingen in deze paragraaf naar een lidstaat waar een financiële onderneming haar zetel heeft, worden tevens beschouwd als verwijzingen naar een lidstaat waar een bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, is gelegen.

Artikel 2:274

1. Een in een andere lidstaat dan Nederland genomen beslissing tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van een kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar wordt van rechtswege erkend, indien de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar in die lidstaat haar of zijn zetel heeft.

2. De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft.

Artikel 2:275

De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het recht van de lidstaat waar de saneringsmaatregel is vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 2:276

1. De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de kredietinstelling of verzekeraar en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot opening van de saneringsprocedure rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:

a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te wordenvoldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;

b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;

c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;

d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.

4. Voor de toepassing van dit artikel is de lidstaat waar een goed zich bevindt:

a. met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de lidstaat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;

b. met betrekking tot zaken, voorzover niet vallend onder onderdeel a: de lidstaat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt; en

c. met betrekking tot schuldvorderingen: de lidstaat op het grondgebied waarvan de statutaire zetel van de derde-schuldenaar zich bevindt.

Artikel 2:277

1. Ingeval een kredietinstelling of verzekeraar een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft.

2. Ingeval de financiële onderneming een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding of beëindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft.

3. Artikel 2:276, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:278

Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de kredietinstelling of verzekeraar bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de kredietinstelling of verzekeraar op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering van de kredietinstelling of verzekeraar, laat de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.

Artikel 2:279

De artikelen 2:276 tot en met 2:278 staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.

Artikel 2:280

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat op die overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.

Artikel 2:281

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen.

Artikel 2:282

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de kredietinstelling of verzekeraar op een registergoed beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.

Artikel 2:283

1. In afwijking van artikel 2:275 worden, onverminderd artikel 2:276, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.

2. Het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers die van die rechtshandeling het gevolg is.

Artikel 2:284

In afwijking van artikel 2:275 wordt de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de kredietinstelling of verzekeraar na het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee deze beschikt over een registergoed of effecten of andere waardepapieren waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een lidstaat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de lidstaat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak betreft, door het recht van de lidstaat waar de onroerende zaak is gelegen.

Artikel 2:285

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een goed waarover de kredietinstelling of verzekeraar het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.

Artikel 2:286

Artikel 2:275 is niet van toepassing op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:

a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft; en

b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.

Artikel 2:287

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een kredietinstelling, voor de gevolgen van een overeenkomst tot verrekening als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet en novatie uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.

Artikel 2:288

In afwijking van artikel 2:275 worden, onverminderd artikel 2:289, de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een kredietinstelling, voor een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt tot een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat dat van toepassing is op die overeenkomst.

Artikel 2:289

In afwijking van artikel 2:275 worden de gevolgen van een saneringsmaatregel, vastgesteld met betrekking tot een kredietinstelling, voor het uitoefenen van rechten op financiële instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een register, op een rekening of in een in een lidstaat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt, uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd.

Artikel 2:290

1. De bewindvoerder uit een andere lidstaat dan Nederland waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft, heeft in Nederland de bevoegdheden die hij heeft in de lidstaat van de zetel van de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar, behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een geschil heeft. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.

2. Indien op grond van het recht van de lidstaat waar de kredietinstelling, levensverzekeraar of schadeverzekeraar haar of zijn zetel heeft personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die lidstaat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.

Artikel 2:291

1. Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een andere lidstaat volstaat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander door de bestuurlijke of rechtelijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen van de lidstaat gegeven schriftelijke verklaring.

2. De bewindvoerder uit een andere lidstaat toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.

Artikel 2:292

Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere lidstaat worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lidstaat, door de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Faillissementswet.

AFDELING 2.5.8 BELEGGERSCOMPENSATIESTELSEL EN DEPOSITOGARANTIESTELSEL

§ 2.5.8.1. Financiële ondernemingen met zetel in Nederland

Artikel 2:293

1. Deze paragraaf is van toepassing op:

a. banken die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:10 hebben;

b. beleggingsondernemingen die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 hebben; en

c. financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 2:138 hebben en die beleggingsdiensten mogen verlenen.

2. De intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op vorderingen van beleggers op de financiële onderneming die verband houden met beleggingsverrichtingen die tot het tijdstip van intrekking van de vergunning hebben plaatsgevonden en laat onverlet de toepasselijkheid van deze paragraaf op bestaande vorderingen van crediteuren op de financiële onderneming op het tijdstip van de intrekking van de vergunning.

Artikel 2:294

1. Er is een beleggerscompensatiestelsel dat tot doel heeft personen die op grond van een beleggingsdienst als omschreven in artikel 1, punt 1 van de richtlijn beleggingsdiensten, of een dienst als vermeld in de bijlage, deel C, punt 1, bij die richtlijn, geld of financiële instrumenten aan een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling hebben toevertrouwd, te compenseren ingeval de betreffende onderneming niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen die verband houden met die beleggingsdienst of met die dienst. Banken waarop artikel 1a:12 of 2:61 van toepassing is, beleggingsondernemingen en financiële instellingen dragen de kosten van het beleggerscompensatiestelsel.

2. Er is een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito's als bedoeld in artikel 1, punt 1 van richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135). Banken dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

a. categorieën van financiële ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van de vangnetregeling vallen, dan wel hiervan worden uitgesloten;

b. categorieën van vorderingen die onder de reikwijdte van een vangnetregeling vallen, de wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden voor vergoeding van deze vorderingen, de hoogte van de vergoeding, het doen van uitkeringen aan beleggers of crediteuren en de wijze van informatieverschaffing daarover door financiële ondernemingen.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

a. de bekendmaking van een vangnetregeling; en

b. de financiering, bekostiging en verdeling van baten van een vangnetregeling.

Artikel 2:295

1. De Nederlandsche Bank besluit tot toepassing van een vangnetregeling indien een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2:293, eerste lid, betalingsonmachtig is. Dit besluit wordt genomen:

a. zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 21 dagen nadat de Nederlandsche Bank voor het eerst heeft geconstateerd dat de financiële onderneming heeft nagelaten een verschuldigd en betaalbaar deposito terug te betalen of aan een verschuldigde en betaalbare verplichting te voldoen die voortvloeit uit een vordering van een belegger, verband houdende met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 2:294, eerste lid; of

b. zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijke instantie in een lidstaat, om redenen die rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de financiële onderneming, een beslissing heeft genomen die leidt tot schorsing van de mogelijkheid voor beleggers of crediteuren om hun vordering op de betreffende financiële onderneming te verhalen.

2. Een financiële onderneming is betalingsonmachtig indien de Nederlandsche Bank constateert dat die financiële onderneming, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, niet in staat lijkt te zijn deposito's van crediteuren terug te betalen of aan verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit vorderingen van beleggers die verband houden met een beleggingsdienst of dienst als bedoeld in artikel 2:294, eerste lid, en die financiële onderneming daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn.

3. De Nederlandsche Bank doet van het besluit mededeling in de Staatscourant.

Artikel 2:296

1. Bij de toepassing van een vangnetregeling stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 2:294, derde lid, onderdeel b, bepaalde de omvang vast van de vorderingen die voor vergoeding in aanmerking komen, alsmede de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen van beleggers of crediteuren.

2. De Nederlandsche Bank draagt zorg voor betaling van de ingevolge deze paragraaf voor vergoeding in aanmerking komende vorderingen aan beleggers of crediteuren. Betaling geschiedt niet later dan drie maanden na het tijdstip waarop een belegger of crediteur zijn vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend. De Nederlandsche Bank kan in bijzondere gevallen de termijn verlengen, ten hoogste driemaal en telkens voor ten hoogste drie maanden.

3. De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een belegger of crediteur terzake van een vordering op de betalingsonmachtige financiële onderneming heeft voorzover zij de vordering van die belegger of crediteur heeft voldaan.

Artikel 2:297

De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van het ingevolge artikel 2:294, vierde lid, onderdeel b, bepaalde de bijdragen vast van de financiële ondernemingen, bedoeld in artikel 2:293, eerste lid, aan de vangnetregeling. De bijdrageplichtige financiële ondernemingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.

Artikel 2:298

1. Een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2:293, eerste lid, stelt op verzoek informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling. Voorzover op een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor een met een vangnetregeling vergelijkbare regeling toepasselijk is, stelt de financiële onderneming op verzoek eveneens informatie ter beschikking over die regeling.

2. De informatie moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en crediteuren in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.

3. De informatie over de vangnetregeling wordt in de Nederlandse taal ter beschikking gesteld of voorzover het een vergelijkbare regeling betreft die op een bijkantoor toepasselijk is, in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar het desbetreffende bijkantoor is gelegen.

Artikel 2:299

1. Het is een financiële onderneming niet toegestaan informatie over een vangnetregeling ten behoeve van reclamedoeleinden te gebruiken.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op financiële ondernemingen die in een reclame-uiting vermelden dat op hen een vangnetregeling van toepassing is.

Artikel 2:300

1. De Nederlandsche Bank verhaalt de vorderingen op de betalingsonmachtige financiële onderneming die ingevolge artikel 2:296, derde lid, op haar zijn overgegaan, op die financiële onderneming.

2. Ingeval bij de toepassing van een vangnetregeling een batig saldo resteert, stelt de Nederlandsche Bank met inachtneming van het ingevolge artikel 2:294, vierde lid, onderdeel b, bepaalde dit ter beschikking aan de financiële ondernemingen die een bijdrage als bedoeld in artikel 2:297 hebben gedaan.

§ 2.5.8.2. Financiële ondernemingen met zetel in een andere lidstaat

Artikel 2:301

1. Paragraaf 2.5.8.1 is van overeenkomstige toepassing op:

a. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het tweede lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel;

b. banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het derde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het depositogarantiestelsel; en

c. banken en financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor en die ingevolge het vierde lid hebben gekozen voor een aanvullende deelname aan het beleggerscompensatiestelsel.

2. Een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.

3. Een bank met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor kan, indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van depositogarantie beperkter is dan de dekking van het depositogarantiestelsel, kiezen voor deelname aan het depositogarantiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat van de zetel.

4. Een bank of een financiële instelling met zetel in een andere lidstaat die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 1a:14, onderscheidenlijk artikel 1a:109, is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen, kan indien de dekking van een in die lidstaat toepasselijk stelsel van beleggerscompensatie beperkter is dan de dekking van het beleggerscompensatiestelsel, kiezen voor deelname aan het beleggerscompensatiestelsel, ter aanvulling van de dekking van het stelsel in de lidstaat waar de zetel zich bevindt.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de deelname aan een vangnetregeling door een bank of beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat die een in Nederland gelegen bijkantoor heeft.

§ 2.5.8.3. Financiële ondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is

Artikel 2:302

1. De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge paragraaf 2.5.8.1 bepaalde betreffende het beleggerscompensatiestelsel van overeenkomstige toepassing is op een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 is verleend, of op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, waaraan het ingevolge artikel 1a:19 is toegestaan beleggingsdiensten te verlenen en, indien op de vorderingen van beleggers op die beleggingsondernemingen in verband met beleggingsverrichtingen geen stelsel van beleggerscompensatie van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).

2. De Nederlandsche Bank kan al dan niet op aanvraag besluiten dat het ingevolge paragraaf 2.5.8.1 bepaalde betreffende het depositogarantiestelsel van overeenkomstige toepassing is op banken met zetel in een staat die geen lidstaat is die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, indien op de vorderingen van crediteuren op die banken geen stelsel van depositogarantie van toepassing is, waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn nr. 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).

3. Een bank of beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent onderscheidenlijk beleggingsdiensten verleent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt op verzoek informatie ter beschikking over de toepasselijke vangnetregeling.

4. De informatie, bedoeld in het derde lid, wordt in de Nederlandse taal ter beschikking gesteld en moet zodanig zijn dat al dan niet potentiële beleggers en crediteuren in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering valt onder de dekking van de vangnetregeling dan wel onder een vergelijkbare buitenlandse regeling.

HOOFDSTUK 2.6 AANVULLENDE BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN FINANCIËLE GROEPEN

AFDELING 2.6.1 DEFINITIES EN ALGEMEEN

Artikel 2:303

1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. deelnemende onderneming: een moederonderneming, een onderneming die een deelneming bezit of een onderneming die met een andere onderneming verbonden is door het feit dat zij daarover een centrale leiding uitoefent krachtens een door deze ondernemingen gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van een of meer van deze ondernemingen, dan wel door het feit dat de bestuurs-, leidinggevende, of toezichthoudende organen van deze ondernemingen gedurende het boekjaar en tot de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening in meerderheid bestaan uit dezelfde personen;

b. deelneming:

1°. een deelneming als bedoeld in artikel 24c, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; of

2°. een rechtstreeks of middellijk belang van twintig procent of meer in het geplaatst kapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van twintig procent of meer van de stemrechten in een onderneming;

c. dochteronderneming: een dochteronderneming als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een onderneming waarop, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent;

d. financiële holding: een financiële instelling die als dochteronderneming uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen heeft, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is;

e. gemengde holding: een moederonderneming die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding is en die ten minste een kredietinstelling als dochteronderneming heeft;

f. gemengde financiële holding: een moederonderneming die geen gereglementeerde entiteit als bedoeld in artikel 2:320, onderdeel d, is en die tezamen met haar dochterondernemingen, waarvan er ten minste één een gereglementeerde entiteit met zetel in een lidstaat is, en met andere ondernemingen een financieel conglomeraat als bedoeld in artikel 2:321 vormt;

g. gemengde verzekeringsholding: een moederonderneming die geen levensverzekeraar, schadeverzekeraar, herverzekeraar, verzekeringsholding of gemengde financiële holding is, en die een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland of levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat als dochteronderneming heeft;

h. moederonderneming: een moederonderneming als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, of een onderneming die, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

i. onderneming die nevendiensten van het bedrijf van kredietinstelling verricht: een onderneming die activiteiten verricht die ten opzichte van de hoofdactiviteit van een kredietinstelling het karakter van een ondersteunende activiteit hebben;

j. verbonden onderneming: een dochteronderneming, een andere onderneming waarin een deelneming bestaat of een onderneming die met een andere onderneming verbonden is door een door die andere onderneming uitgeoefende centrale leiding krachtens een door deze ondernemingen gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van een of meer van deze ondernemingen, dan wel door het feit dat de bestuurs-, leidinggevende, of toezichthoudende organen van deze ondernemingen gedurende het boekjaar en tot de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening in meerderheid bestaan uit dezelfde personen;

k. verzekeringsholding: een moederonderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verkrijgen en houden van deelnemingen in dochterondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk levensverzekeraars, schadeverzekeraars of herverzekeraars zijn, en die een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland of een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat als dochteronderneming heeft, welke moederonderneming geen gemengde financiële holding is.

2. Een dochteronderneming van een dochteronderneming wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als dochteronderneming van de moederonderneming.

Artikel 2:304

Een onderneming die binnen de reikwijdte van het geconsolideerde toezicht op een kredietinstelling met zetel in Nederland valt, dan wel een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die bij het aanvullende toezicht op levensverzekeraars en schadeverzekeraars in een verzekeringsgroep is betrokken, richt de bedrijfsvoering zodanig in dat zij, onderscheidenlijk hij de inlichtingen, bedoeld in artikel 1:35, kan verschaffen.

Artikel 2:305

1. De Nederlandsche Bank kan besluiten een onderneming niet in het toezicht, bedoeld in de afdelingen 2.6.2 en 2.6.3, te betrekken indien:

a. de onderneming haar zetel heeft in een staat die geen lidstaat is en waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de voor het toezicht noodzakelijke informatie;

b. de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen betekenis is; of

c. het in aanmerking nemen van de financiële positie van die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht misplaatst of misleidend zou zijn.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 2:305a

Het dagelijks beleid van een gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de tot de desbetreffende groep als bedoeld in artikel 2:320, onderdeel e, behorende gereglementeerde entiteiten als bedoeld in artikel 2:320, onderdeel d, en van de gemengde financiële holding, financiële holding onderscheidenlijk verzekeringsholding.

Artikel 2:305b

1. Het beleid van een gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2. De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 2:305c

1. Een gemengde financiële holding, financiële holding of verzekeringsholding met zetel in Nederland meldt wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:305a of 2:305b verstrekking van gegevens is voorgeschreven, aan de Nederlandsche Bank.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke gegevens daarbij worden verstrekt, en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

AFDELING 2.6.2 GECONSOLIDEERD TOEZICHT OP KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 2:306

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Nederlandse kredietinstelling: een kredietinstelling met zetel in Nederland die voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;

b. Europese kredietinstelling: een kredietinstelling met zetel in een andere lidstaat die aldaar voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft;

c. niet-Europese kredietinstelling: een kredietinstelling met zetel in een staat die geen lidstaat is die aldaar voor de uitoefening van haar bedrijf een vergunning heeft.

Artikel 2:307

1. Indien een moederonderneming een Nederlandse kredietinstelling is, houdt de Nederlandsche Bank toezicht op die moederonderneming op geconsolideerde basis als bedoeld in artikel 2:310.

2. Indien een Nederlandse kredietinstelling als moederonderneming een financiële holding heeft, houdt de Nederlandsche Bank op die kredietinstelling toezicht op geconsolideerde basis, onverminderd het derde en vijfde lid.

3. Indien een Nederlandse kredietinstelling als moederonderneming een financiële holding met zetel in Nederland heeft die een Europese kredietinstelling als dochteronderneming heeft, houdt de Nederlandsche Bank op die Nederlandse kredietinstelling toezicht op geconsolideerde basis.

4. Indien een financiële holding met zetel in Nederland geen Nederlandse kredietinstelling als dochteronderneming heeft of indien een financiële holding met zetel buiten Nederland een Nederlandse kredietinstelling als dochteronderneming heeft, kan de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met de toezichthoudende instanties van de betrokken lidstaten, met inbegrip van de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar de financiële holding zijn zetel heeft, bepalen wie het toezicht op geconsolideerde basis zal uitoefenen. Ingeval geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis door de Nederlandsche Bank uitgeoefend:

a. indien de Nederlandse kredietinstelling het hoogste balanstotaal heeft; of

b. indien aan de Nederlandse kredietinstelling als eerste een vergunning is verleend en tot de groep ook Europese kredietinstellingen behoren waarvan de balanstotalen gelijk zijn aan die van de Nederlandse kredietinstelling.

5. In afwijking van het tweede en derde lid kan de Nederlandsche Bank ermee instemmen, na overleg met de toezichthoudende instanties van de andere betrokken lidstaten, dat een van die andere toezichthoudende instanties het toezicht op geconsolideerde basis uitoefent. De Nederlandsche Bank kan eveneens, na overleg met de toezichthoudende instanties van de andere betrokken lidstaten, ermee instemmen, dat de Nederlandsche Bank het toezicht op geconsolideerde basis uitoefent in met het tweede en derde lid overeenkomende gevallen waarin een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat bevoegd zou zijn tot het uitoefenen van het toezicht op geconsolideerde basis.

Artikel 2:308

1. Op een Nederlandse kredietinstelling die als dochteronderneming een kredietinstelling als bedoeld in artikel 2:306, onderdeel a, b of c, of een financiële instelling heeft, of een deelneming in dergelijke instellingen houdt, wordt, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, toezicht gehouden op basis van haar geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht omvat het toezicht op de solvabiliteit, en de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 2:304.

2. Op een Nederlandse kredietinstelling waarvan de moederonderneming een financiële holding is, wordt, in de mate en op de wijze als bepaald in deze afdeling, toezicht gehouden op basis van de geconsolideerde financiële positie van de financiële holding. Het eerste lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit op geconsolideerde basis van de kredietinstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 2:308a

1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op Nederlandse kredietinstellingen die een moederonderneming hebben die een niet-Europese kredietinstelling of een financiële holding met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien:

a. die kredietinstellingen niet reeds onderworpen zijn aan toezicht dat gelijkwaardig is aan het toezicht op geconsolideerde basis, bedoeld in artikel 52 van de richtlijn banken; en

b. de Nederlandsche Bank op basis van een overeenkomstige toepassing van artikel 2:307 verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op die kredietinstellingen.

2. Teneinde vast te stellen of het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, raadpleegt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instanties van andere lidstaten die belast zijn met het toezicht op gereglementeerde entiteiten als bedoeld in artikel 2:320, onderdeel d, die dezelfde moederonderneming, bedoeld in het eerste lid, aanhef, hebben. Zij neemt de algemene richtsnoeren in aanmerking die ingevolge artikel 56 bis, tweede alinea, van de richtlijn banken door het Raadgevend Comité voor het bankwezen, bedoeld in artikel 57 van die richtlijn, zijn opgesteld. De Nederlandsche Bank raadpleegt het Comité voordat zij de uitkomst van haar onderzoek vaststelt.

3. De Nederlandsche Bank kan, in overeenstemming met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten, ten aanzien van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in het eerste lid, andere toezichtmethoden toepassen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis worden bereikt. De Nederlandsche Bank deelt die methoden mede aan de betrokken toezichthoudende instanties en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 2:309

1. Indien de Nederlandsche Bank toezicht uitoefent op geconsolideerde basis op een Nederlandse kredietinstelling die moederonderneming of dochteronderneming is, kan de Nederlandsche Bank op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het toezicht op basis van subconsolidatie of op individuele basis ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 2:308, eerste lid, laatste volzin, aan elke moederonderneming of dochteronderneming met zetel in Nederland van die kredietinstelling die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 1a:10, 1a:12 of 1a:93 en die:

a. indien het een moederonderneming betreft, aan toezicht op geconsolideerde basis is onderworpen en heeft aangetoond dat het kapitaal binnen de groep van kredietinstellingen adequaat is verdeeld of de belangen van de crediteuren die hierdoor worden beschermd anderszins voldoende worden beschermd; of

b. indien het een dochteronderneming betreft, in het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming is opgenomen en heeft aangetoond dat het kapitaal binnen de groep van kredietinstellingen adequaat is verdeeld of de belangen van de crediteuren die hierdoor worden beschermd anderszins voldoende worden beschermd.

2. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verlenen aan een moederonderneming van een Nederlandse kredietinstelling indien de moederonderneming een financiële holding is met zetel in Nederland en op de moederonderneming het omschreven toezicht met betrekking tot de solvabiliteit, bedoeld in artikel 2:308, wordt uitgeoefend en indien het kapitaal binnen de groep van kredietinstellingen adequaat is verdeeld of de belangen van de crediteuren die hierdoor worden beschermd anderszins voldoende worden beschermd.

3. Vervallen.

4. Artikel 2:82, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op Nederlandse kredietinstellingen, indien de Nederlandsche Bank geen ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft verleend.

5. Indien een Nederlandse kredietinstelling een dochteronderneming is van een Europese kredietinstelling, oefent de Nederlandsche Bank op eerstbedoelde kredietinstelling ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in artikel 2:308, eerste lid, laatste volzin, toezicht uit op individuele basis, dan wel, in voorkomend geval, op basis van subconsolidatie.

6. De Nederlandsche Bank kan ermee instemmen, na overleg met een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die een vergunning heeft verleend aan een kredietinstelling die een moederonderneming is van een Nederlandse kredietinstelling, dat het toezicht op de Nederlandse kredietinstelling wordt uitgeoefend door die toezichthoudende instantie. De Nederlandsche Bank deelt dit mede aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 2:310

1. Een Nederlandse kredietinstelling of financiële holding met zetel in Nederland waarop ingevolge deze afdeling toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend, zorgt voor een volledige consolidatie van kredietinstellingen en financiële instellingen die haar dochterondernemingen zijn.

2. De Nederlandsche Bank kan een proportionele consolidatie toestaan indien de moederonderneming die een deel van het kapitaal houdt, aantoont, zo nodig aan de hand van uitdrukkelijk aangegane overeenkomsten met de overige aandeelhouders en vennoten, dat haar aansprakelijkheid beperkt is tot dat deel van het kapitaal, op grond van de aansprakelijkheid van die overige aandeelhouders of vennoten en van de toereikende solvabiliteit van deze laatsten.

3. Indien een Nederlandse kredietinstelling of financiële holding met zetel in Nederland met een andere onderneming verbonden is door een betrekking als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, bepaalt de Nederlandsche Bank voor elke kredietinstelling of financiële holding hoe de consolidatie wordt uitgevoerd.

4. Deelnemingen in kredietinstellingen of financiële instellingen die gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een daarin niet opgenomen onderneming worden geleid, worden proportioneel geconsolideerd indien uit die deelnemingen een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van het door hen gehouden aandeel van het kapitaal.

5. In geval van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in het tweede en vierde lid, bepaalt de Nederlandsche Bank of en in welke vorm consolidatie plaatsvindt.

6. Indien de Nederlandsche Bank toezicht op geconsolideerde basis uitoefent, bepaalt zij, onverminderd het eerste tot en met vijfde lid, in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie plaatsvindt:

a. een kredietinstelling oefent een invloed van betekenis uit op een of meer kredietinstellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en

b. twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd is.

7. Indien in een geval als bedoeld in het zesde lid consolidatie plaatsvindt, bepaalt de Nederlandsche Bank tevens of het gebruik van de methode, bedoeld in artikel 12 van de richtlijn geconsolideerde jaarrekening is toegestaan of voorgeschreven.

8. Indien toezicht op geconsolideerde basis ingevolge artikel 2:308, eerste of tweede lid, is voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten van het bedrijf van kredietinstelling verrichten, in de consolidatie betrokken in de gevallen en op de wijzen, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

Artikel 2:311

1. Indien een Nederlandse kredietinstelling een gemengde holding als moederonderneming heeft, oefent de Nederlandsche Bank toezicht uit op de intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

2. De kredietinstelling zorgt voor de berekening en bewaking van haar intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

3. De kredietinstelling dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage bij de Nederlandsche Bank in waarin zijn opgenomen significante intragroepsovereenkomsten en -posities met de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.

5. Indien uit de intragroepsovereenkomsten en -posities blijkt dat de financiële positie van de kredietinstelling in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die kredietinstelling.

AFDELING 2.6.3 AANVULLEND TOEZICHT OP LEVENSVERZEKERAARS EN SCHADEVERZEKERAARS IN EEN VERZEKERINGSGROEP

Artikel 2:312

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar: een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland die voor de uitoefening van zijn bedrijf een vergunning heeft;

b. Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar: een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die aldaar een vergunning heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf die overeenkomt met de in artikel 1a:24 bedoelde vergunning;

c. niet-Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar: een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die aldaar een vergunning heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf.

Artikel 2:313

1. Op een Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een deelnemende onderneming is in een Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in een Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in een niet-Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar of in een herverzekeraar, wordt aanvullend toezicht uitgeoefend als bedoeld in de artikelen 2:315, 2:316 en 2:318. Artikel 2:304 is van overeenkomstige toepassing.

2. Op een Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een dochteronderneming is van een verzekeringsholding, van een niet-Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar of van een herverzekeraar, wordt aanvullend toezicht uitgeoefend als bedoeld in de artikelen 2:315, 2:317 en 2:318.

3. Op een Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarvan de moederonderneming een gemengde verzekeringsholding is, wordt aanvullend toezicht uitgeoefend als bedoeld in de artikelen 2:315 en 2:317.

Artikel 2:314

In het aanvullende toezicht, bedoeld in artikel 2:313, worden betrokken:

a. met de Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar verbonden ondernemingen;

b. in de Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar deelnemende ondernemingen;

c. ondernemingen die zijn verbonden met de in onderdeel b bedoelde ondernemingen.

Artikel 2:315

1. De Nederlandsche Bank betrekt in het aanvullende toezicht, bedoeld in artikel 2:313, onder andere intragroepsovereenkomsten en -posities tussen de aan dat toezicht onderworpen Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar en:

a. met die levensverzekeraar of schadeverzekeraar verbonden ondernemingen;

b. in die levensverzekeraar of schadeverzekeraar deelnemende ondernemingen;

c. ondernemingen die zijn verbonden met de ondernemingen, bedoeld in onderdeel b; en

d. natuurlijke personen die een deelneming bezitten in:

1°. die levensverzekeraar of schadeverzekeraar of een daarmee verbonden onderneming;

2°. een in die levensverzekeraar of schadeverzekeraar deelnemende onderneming;

3°. een onderneming die is verbonden met een onderneming als bedoeld onder 2°.

2. De levensverzekeraar of schadeverzekeraar dient periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen een rapportage bij de Nederlandsche Bank in waarin zijn opgenomen overeenkomsten en posities voorzover die van significante betekenis zijn.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de verstrekking, de modellen en de periodiciteit van de rapportage.

4. Indien uit de intragroepsovereenkomsten en -posities blijkt dat de solvabiliteit van de levensverzekeraar of schadeverzekeraar in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

Artikel 2:316

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarop het aanvullende toezicht, bedoeld in artikel 2:313, eerste lid, van toepassing is, berekent een aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2. Alle verbonden ondernemingen, deelnemende ondernemingen en met een deelnemende onderneming verbonden ondernemingen worden in de berekening betrokken.

3. Indien uit de berekening blijkt dat de aangepaste solvabiliteit negatief is, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

Artikel 2:317

1. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar waarop het toezicht, bedoeld in artikel 2:313, tweede lid, van toepassing is, berekent de aangepaste solvabiliteit overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

2. Alle met de verzekeringsholding, herverzekeraar, niet-Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar verbonden ondernemingen worden in de berekening betrokken.

3. Indien uit de berekening, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de solvabiliteit van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar die een dochteronderneming is van de verzekeringsholding, van de herverzekeraar, van de niet-Europese levensverzekeraar of schadeverzekeraar, in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen jegens die levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

Artikel 2:318

1. De Nederlandsche Bank vordert de voor het in deze afdeling geregelde toezicht benodigde inlichtingen slechts rechtstreeks van de betrokken ondernemingen, bedoeld in artikel 2:314, indien die inlichtingen eerst van de Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar zijn gevorderd, maar niet zijn verkregen.

2. De Nederlandsche Bank kan de inlichtingen zelf dan wel door de personen, bedoeld in artikel 1:56, eerste lid, ter plaatse verifiëren bij:

a. de aan het toezicht, bedoeld in artikel 2:313, onderworpen levensverzekeraar of schadeverzekeraar;

b. de dochterondernemingen van deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar;

c. de moederondernemingen van deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar; of

d. de dochterondernemingen van een moederonderneming van deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

3. Indien de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat belangrijke informatie wenst te verifiëren betreffende een in Nederland gevestigde onderneming die een verbonden levensverzekeraar of schadeverzekeraar, een dochteronderneming, een moederonderneming of een dochteronderneming van een moederonderneming van de aan het toezicht, bedoeld in artikel 2:313 onderworpen Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar is, verricht de Nederlandsche Bank een door die toezichthoudende instantie gevraagde verificatie binnen het kader van haar bevoegdheden, verleent zij toestemming aan die toezichthoudende instantie om de verificatie zelf te verrichten dan wel staat zij toe dat de verificatie door een deskundige wordt verricht. De toezichthoudende instantie van de andere lidstaat kan aan de verificatie deelnemen indien zij die niet zelf verricht.

Artikel 2:319

Indien een Nederlandse levensverzekeraar of schadeverzekeraar en een of meer Europese levensverzekeraars of Europese schadeverzekeraars als moederonderneming dezelfde verzekeringsholding, herverzekeraar, gemengde verzekeringsholding, niet-Europese levensverzekeraar of niet-Europese schadeverzekeraar hebben, kan de Nederlandsche Bank na overleg met de desbetreffende toezichthoudende instanties van andere lidstaten, ermee instemmen dat het aanvullende toezicht, bedoeld in artikel 2:313, eerste lid, door een van die andere toezichthoudende instanties zal worden uitgeoefend.

AFDELING 2.6.4 PRUDENTIEEL TOEZICHT OP FINANCIËLE CONGLOMERATEN

§ 2.6.4.1. Inleidende bepalingen

Artikel 2:320

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. beleggingsonderneming: een beleggingsonderneming waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 is verleend, waaraan een vergunning is verleend in een andere lidstaat, of waaraan een vergunning is verleend in een staat die geen lidstaat is waar naar het oordeel van de Nederlandsche Bank het prudentieel toezicht ten minste gelijkwaardig is aan het prudentieel toezicht op grond van deze wet;

b. deelsector: de verzameling ondernemingen binnen een groep die wordt gevormd door alle van die groep deel uitmakende:

1°. kredietinstellingen, ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf verrichten, beleggingsondernemingen en financiële instellingen, welke deelsector wordt aangeduid als sector kredietinstellingen en beleggingsondernemingen; of

2°. levensverzekeraars, schadeverzekeraars, herverzekeraars en verzekeringsholdings, welke deelsector wordt aangeduid als sector verzekeraars;

c. financiële marktsector: de verzameling ondernemingen binnen een groep die wordt gevormd door de gezamenlijke deelsectoren;

d. gereglementeerde entiteit: een kredietinstelling, levensverzekeraar, schadeverzekeraar of beleggingsonderneming;

e. groep: het geheel van een moederonderneming, haar dochterondernemingen, andere ondernemingen waarin de moederonderneming of een of meer van haar dochterondernemingen een deelneming heeft, alsmede ondernemingen die met een van de eerdergenoemde ondernemingen zijn verbonden door een centrale leiding die bestaat krachtens een met deze ondernemingen gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van een of meer van deze ondernemingen, dan wel door het feit dat de bestuurs-, leidinggevende, of toezichthoudende organen van deze ondernemingen gedurende het boekjaar en tot de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening in meerderheid bestaan uit dezelfde personen;

f. groepslid: een onderneming die behoort tot een groep als bedoeld in onderdeel e;

g. intragroepsovereenkomsten en -posities: elke overeenkomst en de daaruit voortvloeiende financiële verhoudingen tussen een gereglementeerde entiteit in een financieel conglomeraat en hetzij een ander groepslid hetzij een met een groepslid in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur verbonden persoon;

h. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 2:306, onderdeel a, b of c;

i. levensverzekeraar of schadeverzekeraar: een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 2:312, onderdeel a, b of c;

j. relevante toezichthoudende instantie:

1°. de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die belast is met het toezicht, op grond van de richtlijn financiële conglomeraten, op de gereglementeerde entiteiten als deel van een deelsector die behoort tot het betrokken financiële conglomeraat, bedoeld in artikel 2:321;

2°. de coördinator, bedoeld in artikel 2:324, eerste lid, indien deze niet de onder 1° bedoelde toezichthoudende instantie is;

3°. andere toezichthoudende instanties van andere lidstaten indien die naar het oordeel van de onder 1° en 2° bedoelde toezichthoudende instanties relevant zijn;

k. richtlijn financiële conglomeraten: richtlijn nr. 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 35);

l. risicoconcentratie: alle door de groepsleden in een financieel conglomeraat ingenomen potentieel verliesgevende posities die groot genoeg zijn om de solvabiliteit of de financiële positie in het algemeen van de gereglementeerde entiteiten in het conglomeraat in gevaar te brengen;

m. sectorale voorschriften: de door de lidstaten op grond van richtlijnen als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgestelde wettelijke voorschriften betreffende het toezicht op gereglementeerde entiteiten die behoren tot een van de in onderdeel b genoemde deelsectoren.

Artikel 2:321

1. In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder financieel conglomeraat verstaan een groep die voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. aan het hoofd van de groep staat:

1°. een gereglementeerde entiteit met zetel in een lidstaat, die is:

– een moederonderneming van een onderneming in de financiële marktsector;

– een houder van een deelneming in een onderneming in de financiële marktsector; of

– verbonden met een onderneming in de financiële marktsector door een centrale leiding of door het feit dat in meerderheid dezelfde personen deel uitmaken van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen gedurende het boekjaar; of

2°. een onderneming die niet een gereglementeerde entiteit is, in welk geval het balanstotaal van de ondernemingen in de financiële marktsector meer bedraagt dan veertig procent van het balanstotaal van de groep als geheel;

b. ten minste een van de gereglementeerde entiteiten in de groep behoort tot de sector kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, en ten minste een van de gereglementeerde entiteiten in de groep behoort tot de sector verzekeraars;

c. voor elke deelsector in de groep geldt dat het gemiddelde van het verhoudingsgetal tussen het balanstotaal van die deelsector en het balanstotaal van de financiële marktsector enerzijds, en het verhoudingsgetal tussen het benodigde kapitaal uit hoofde van de solvabiliteitsvereisten van die deelsector en het totaal benodigde kapitaal uit hoofde van de solvabiliteitsvereisten van de financiële marktsector anderzijds, groter is dan tien procent.

2. Een groep die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en die niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is eveneens een financieel conglomeraat indien het balanstotaal van de kleinste deelsector groter is dan € 6 000 000 000. De Nederlandsche Bank kan, in afwijking daarvan, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties, besluiten dat een groep niet als een financieel conglomeraat wordt beschouwd, of kan besluiten de artikelen 2:328 tot en met 2:330 niet toe te passen, indien zij het in het toezicht betrekken van de groep of de toepassing van genoemde artikelen in het licht van de doeleinden van het toezicht onnodig, ongepast of misleidend vindt.

3. In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties, besluiten:

a. bij de berekening van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde verhoudingsgetallen een gereglementeerde entiteit buiten beschouwing te laten in de gevallen, bedoeld in artikel 2:327, vijfde lid;

b. in bijzondere gevallen het op het balanstotaal gebaseerde criterium te vervangen door, of aan te vullen met, een criterium op basis van inkomensstructuur of activiteiten buiten de balans, indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat deze criteria van bijzondere relevantie zijn met het oog op het toezicht, bedoeld in deze afdeling.

4. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en c, worden, indien bij een reeds aan toezicht onderworpen financieel conglomeraat de in die onderdelen bedoelde verhoudingsgetallen kleiner worden dan veertig procent respectievelijk tien procent, gedurende de volgende drie jaar de in die onderdelen genoemde percentages gesteld op 35 procent respectievelijk acht procent. In afwijking van het tweede lid, wordt, indien bij een reeds aan toezicht onderworpen financieel conglomeraat het balanstotaal van de kleinste deelsector kleiner wordt dan € 6 000 000 000, de eis, bedoeld in het tweede lid voor de kleinste deelsector op ten minste € 5 000 000 000 gesteld gedurende de volgende drie jaar.

5. De Nederlandsche Bank kan, indien zij coördinator is, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties besluiten de perioden van drie jaren, bedoeld in het vierde lid te bekorten.

6. De berekeningen betreffende de balans worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende groepsleden, volgens hun jaarrekeningen. Voor die berekening worden ondernemingen waarin een groepslid een deelneming heeft, meegerekend voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien geconsolideerde rekeningen beschikbaar zijn, worden de berekeningen gemaakt op basis van die geconsolideerde rekeningen. De solvabiliteitsvereisten worden berekend op grond van de in deze wet gestelde regels.

7. De Nederlandsche Bank maakt een besluit als bedoeld in het tweede, derde of vijfde lid, bekend aan de andere betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten.

Artikel 2:322

Indien de Nederlandsche Bank ingevolge artikel 2:324, eerste lid, is aangewezen als coördinator, maakt zij aan de onderneming die aan het hoofd van de groep staat, of bij ontbreken daarvan aan de gereglementeerde entiteit met het hoogste balanstotaal in de belangrijkste deelsector, het besluit bekend dat de groep als financieel conglomeraat is aangemerkt en dat de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen. Zij deelt tevens de toezichthoudende instanties van andere lidstaten die vergunningen hebben verleend aan gereglementeerde entiteiten in de groep, de toezichthoudende instanties van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft en de Commissie van de Europese Gemeenschappen het besluit mede. Tevens deelt zij de Autoriteit Financiële Markten het besluit mede indien deze een vergunning heeft verleend aan een gereglementeerde entiteit van het financiële conglomeraat.

Artikel 2:323

1. Deze afdeling is van toepassing op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 2:306, onderdeel a, verzekeraars als bedoeld in artikel 2:312, onderdeel a, beleggingsondernemingen met zetel in Nederland, en beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, tweede lid, hebben en die deel uitmaken van een financieel conglomeraat.

2. Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator, heeft het toezicht overeenkomstig de artikelen 2:324 tot en met 2:330 betrekking op elke gereglementeerde entiteit van het financiële conglomeraat. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder gereglementeerde entiteit tevens verstaan een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten die een vergunning als bedoeld in artikel 1a:62, tweede lid, heeft of een beheerder met zetel in het buitenland die, indien hij in Nederland zijn zetel zou hebben, een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten zou zijn waaraan een vergunning ingevolge artikel 1a:62, tweede lid, zou kunnen worden verleend.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid oefent de Nederlandsche Bank geen toezicht overeenkomstig de artikelen 2:324 tot en met 2:330 uit op gereglementeerde entiteiten van een financieel conglomeraat waarvan de moederonderneming een gereglementeerde entiteit of een gemengde financiële holding is met zetel in een staat die geen lidstaat is indien zij heeft vastgesteld dat het toezicht door de toezichthoudende instantie van die staat op de gereglementeerde entiteiten van het financiële conglomeraat gelijkwaardig is aan het toezicht op gereglementeerde entiteiten, bedoeld in het tweede lid. De Nederlandsche Bank oefent eveneens geen toezicht uit op een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat als bedoeld in de eerste volzin, indien zij niet de coördinator is en de coördinator een vaststelling heeft gedaan die overeenkomt met een vaststelling als bedoeld in de eerste volzin.

4. De Nederlandsche Bank kan, in geval van een financieel conglomeraat als bedoeld in het derde lid en indien er geen sprake is van gelijkwaardig toezicht als bedoeld in dat lid, toezicht op de gereglementeerde entiteiten met zetel in Nederland van dat financieel conglomeraat op een andere wijze uitoefenen dan bedoeld in het tweede lid, indien die wijze passend is, waarborgt dat de doeleinden van het toezicht worden bereikt en, indien de Nederlandsche Bank niet zelf de coördinator is, daarvoor toestemming is verleend door de coördinator.

5. Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, raadpleegt de Nederlandsche Bank de relevante toezichthoudende instanties en neemt zij de algemene richtsnoeren in acht die overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten hiervoor zijn opgesteld door het Comité voor Financiële Conglomeraten, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank raadpleegt het Comité voordat zij de uitkomst van haar onderzoek vaststelt.

6. Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator, verleent zij toestemming die overeenkomt met de toestemming, bedoeld in het vierde lid, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties. Zij doet van die verlening van toestemming mededeling aan de overige betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

7. Indien een gereglementeerde entiteit als bedoeld in het eerste lid deel uitmaakt van een groep die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2:321, eerste lid, onderdelen b en c, tweede en zesde lid, en met een persoon via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden, stelt de Nederlandsche Bank, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties, vast in hoeverre toezicht als bedoeld in deze afdeling wordt uitgeoefend op de gereglementeerde entiteit.

8. Indien van een financieel conglomeraat een ander financieel conglomeraat deel uitmaakt, is het toezicht, bedoeld in deze afdeling, slechts van toepassing op het gehele financiële conglomeraat.

§ 2.6.4.2. De coördinator, samenwerking en handhaving

Artikel 2:324

1. In geval van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit of gemengde financiële holding met zetel in Nederland deel uitmaakt, wijst de Nederlandsche Bank, in overeenstemming met de betrokken toezichthoudende instanties van andere lidstaten, met inbegrip van die van de lidstaat waar de gemengde financiële holding haar zetel heeft indien dat een andere lidstaat dan Nederland is, een coördinator aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie en de uitoefening van het toezicht op het financiële conglomeraat.

2. De Nederlandsche Bank past daarbij de criteria toe, bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid, van de richtlijn financiële conglomeraten, waarbij voor de toepassing van genoemde leden de Nederlandsche Bank wordt beschouwd als de toezichthouder die een vergunning heeft verleend aan een beleggingsonderneming of een beheerder als bedoeld in artikel 2:323, eerste lid.

Artikel 2:325

1. Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator als bedoeld in artikel 2:324:

a. coördineert zij de verzameling en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties, met inbegrip van de verspreiding van informatie die van belang is voor het prudentieel toezicht op grond van de sectorale voorschriften;

b. ziet zij toe op en beoordeelt zij de financiële situatie van het financiële conglomeraat als geheel;

c. ziet zij toe op de naleving van de voorschriften inzake kapitaaltoereikendheid, risicoconcentratie en intragroepsovereenkomsten en -posities, bedoeld in de artikelen 2:327 tot en met 2:329;

d. ziet zij toe op de naleving van de regels met betrekking tot de bedrijfsvoering van het financiële conglomeraat, bedoeld in artikel 2:330; en

e. plant en coördineert zij toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties, in samenwerking met de relevante toezichthoudende instanties.

2. Indien de Nederlandsche Bank als coördinator of als toezichthouder betrokken is bij het toezicht op een financieel conglomeraat, treedt zij in overleg met de toezichthoudende instanties van andere lidstaten met het oog op de uitvoering van dit toezicht.

3. Indien de Nederlandsche Bank als coördinator of als toezichthouder informatie nodig heeft die reeds aan een andere toezichthoudende instantie van een andere lidstaat is verstrekt, richt zij zich eerst tot deze toezichthoudende instantie.

Artikel 2:326

1. Op een gemengde financiële holding die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat waarvoor de Nederlandsche Bank als coördinator is aangewezen, kan de Nederlandsche Bank de artikelen 1:58 en 1:61 tot en met 1:70 toepassen indien, niettegenstaande dat voldaan is aan de artikelen 2:327 tot en met 2:330 of bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.

2. Indien, niettegenstaande dat een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland voldoet aan de artikelen 2:327 tot en met 2:330, de solvabiliteit in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van die gereglementeerde entiteit bedreigen of kunnen bedreigen, kan de Nederlandsche Bank maatregelen nemen jegens die gereglementeerde entiteit.

3. Indien de Nederlandsche Bank geen coördinator is, kan zij op een gemengde financiële holding met zetel in Nederland die deel uitmaakt van een financieel conglomeraat de artikelen 1:58 en 1:61 tot en met 1:70 toepassen indien die holding of een gereglementeerde entiteit die tot dat financiële conglomeraat behoort in strijd handelt met de artikelen 2:327 tot en met 2:330 of met bepalingen van andere lidstaten die naar strekking daarmee overeenkomen. De artikelen 1:58 en 1:61 tot en met 1:70 zijn eveneens van toepassing indien aan bedoelde bepalingen weliswaar wordt voldaan maar de solvabiliteit toch in gevaar zou kunnen worden gebracht dan wel de intragroepsovereenkomsten en -posities of de risicoconcentraties de financiële positie van een gereglementeerde entiteit die tot het financieel conglomeraat behoort, bedreigen of kunnen bedreigen.

§ 2.6.4.3. Regels voor het werkzaam zijn als financieel conglomeraat

Artikel 2:327

1. Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt er zorg voor dat zij op geconsolideerde basis dan wel geaggregeerde grondslag voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid van het conglomeraat, indien de Nederlandsche Bank coördinator is. Deze regels hebben betrekking op de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage, alsmede op de berekening van de kapitaaltoereikendheid.

2. Indien een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt van een financieel conglomeraat, draagt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, er zorg voor dat er adequate kapitaaltoereikendheidsstrategieën zijn voor het conglomeraat als geheel.

3. Indien de onderneming de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet of niet tijdig nakomt, rust die verplichting eveneens op de in dat lid bedoelde gereglementeerde entiteit.

4. Indien de Nederlandsche Bank coördinator is verstrekt de onderneming, bedoeld in het eerste lid, of een tot de groep behorende gereglementeerde entiteit die door de Nederlandsche Bank na overleg met de relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat is aangewezen, aan de Nederlandsche Bank ten minste eenmaal per jaar een berekening, tezamen met de bij die berekening gebruikte gegevens, waaruit blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.

5. Indien de Nederlandsche Bank is aangewezen als coördinator kan zij besluiten een groepslid niet in aanmerking te nemen bij de berekening van de kapitaaltoereikendheid indien:

a. het groepslid zijn zetel heeft in een staat die geen lidstaat is waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de benodigde informatie;

b. het groepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling van te verwaarlozen betekenis is; of

c. het in aanmerking nemen van het groepslid in het licht van de doelstellingen van het toezicht als bedoeld in deze afdeling misplaatst of misleidend zou zijn.

6. Het vijfde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het meer dan een groepslid betreft en de desbetreffende groepsleden gezamenlijk van niet te verwaarlozen betekenis zijn.

7. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, raadpleegt de Nederlandsche Bank, behoudens in spoedeisende gevallen, de relevante toezichthoudende instanties voordat zij een besluit neemt.

8. Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een groep die geen financieel conglomeraat is, waarvan naast een beleggingsonderneming of kredietinstelling een levensverzekeraar, schadeverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar deel uitmaakt, terwijl een van deze financiële ondernemingen haar zetel in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat de groep als geheel voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid van de groep.

Artikel 2:328

1. Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante risicoconcentraties op het niveau van het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit die deel uitmaakt van het financiële conglomeraat.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve limieten of andere maatregelen ter beperking van de risicoconcentratie.

5. Indien aan het hoofd van een financieel conglomeraat een gemengde financiële holding staat en een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland tot dat financiële conglomeraat behoort, zijn de eventuele, voor de belangrijkste deelsector in het financiële conglomeraat geldende sectorale voorschriften betreffende risicoconcentraties van toepassing op de financiële marktsector als geheel, met inbegrip van de gemengde financiële holding. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2:323, eerste lid, deel uitmaakt van een financieel conglomeraat bepaalt de Nederlandsche Bank tot welke deelsector die beheerder wordt gerekend.

Artikel 2:329

1. Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een financieel conglomeraat waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, rapporteert regelmatig en ten minste eenmaal per jaar alle significante intragroepsovereenkomsten en -posities van gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat aan de Nederlandsche Bank indien deze coördinator is.

2. In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank bepalen, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en met het financiële conglomeraat, dat de rapportage aan haar wordt overgelegd door een door haar aangewezen gereglementeerde entiteit.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op de inhoud, de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de rapportage.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot kwantitatieve of kwalitatieve limieten voor intragroepsovereenkomsten en -posities of met betrekking tot maatregelen die hetzelfde doel beogen.

5. Indien aan het hoofd van een financieel conglomeraat een gemengde financiële holding staat en een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland tot dat financiële conglomeraat behoort, zijn de voor de belangrijkste deelsector van het financiële conglomeraat geldende sectorale voorschriften betreffende intragroepsovereenkomsten en -posities van toepassing op de financiële marktsector als geheel, met inbegrip van de gemengde financiële holding. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2:323, eerste lid, deel uitmaakt van een financieel conglomeraat bepaalt de Nederlandsche Bank tot welke deelsector die beheerder wordt gerekend.

Artikel 2:330

1. Een onderneming die, alleen of tezamen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een groep waarvan een gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland deel uitmaakt, draagt zorg voor een zodanige bedrijfsvoering dat de financiële soliditeit van de gereglementeerde entiteiten en de onderneming zelf niet in gevaar wordt gebracht door:

a. het risicobeheer van de groep als geheel en van de afzonderlijke groepsleden;

b. de strategie en het beleid van de groep als geheel en van de afzonderlijke groepsleden;

c. mogelijke belangentegenstellingen en relaties tussen de gereglementeerde entiteiten, de onderneming, bedoeld in de aanhef, en de andere groepsleden; of

d. door groepsleden verrichte activiteiten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de financiële activiteiten van een of meer gereglementeerde entiteiten.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid.

3. De hierna bedoelde groepsleden richten hun bedrijfsvoering dusdanig in dat alle gegevens die relevant zijn voor het toezicht, bedoeld in deze afdeling, kunnen worden verschaft:

a. de gereglementeerde entiteit met zetel in Nederland;

b. de onderneming die alleen of tezamen met een andere onderneming aan het hoofd staat van de groep;

c. andere groepsleden dan de in onderdelen a en b bedoelde groepsleden die activiteiten verrichten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de financiële activiteiten van een of meer gereglementeerde entiteiten in de groep.

4. Artikel 1:58 is van overeenkomstige toepassing op ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef.

D

Het Deel Gedragstoezicht komt te vervallen.

E

Na het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen wordt een deel toegevoegd, luidende:

DEEL GEDRAGSTOEZICHT FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

HOOFDSTUK 4.1 INLEIDENDE BEPALINGEN

AFDELING 4.1.1 REIKWIJDTE

Artikel 4:1

Dit deel is uitsluitend van toepassing op:

a. beleggingsondernemingen, financiëledienstverleners, financiële instellingen, kredietinstellingen en verzekeraars waaraan het ingevolge hoofdstuk 1a.2 is toegestaan in Nederland hun bedrijf uit te oefenen of financiële diensten te verlenen;

b. beheerders van beleggingsinstellingen waarvan rechten van deelneming ingevolge afdeling 1a.2.7 in Nederland kunnen worden aangeboden, beleggingsinstellingen waarvan rechten van deelneming ingevolge afdeling 1a.2.7 in Nederland kunnen worden aangeboden en de eventueel aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders; en

c. clearinginstellingen waaraan het ingevolge afdeling 1a.2.1 is toegestaan in Nederland hun bedrijf uit te oefenen voorzover ze optreden voor cliënten met zetel in Nederland.

Artikel 4:2

1. Met uitzondering van de artikelen 4:36 en 4:37 is dit deel niet van toepassing op het aanbieden van krediet door een gemeentelijke kredietbank indien voor de bedrijfsvoering van die gemeentelijke kredietbank op grond van artikel 4:37, eerste en tweede lid, een reglement is vastgesteld en goedgekeurd.

2. De artikelen 4:9, eerste lid, en 4:10 zijn niet van toepassing op personen die het beleid bepalen of mede bepalen van een gemeentelijke kredietbank die het dagelijks beleid bepalen van een gemeentelijke kredietbank of die belast zijn met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een gemeentelijke kredietbank en tevens lid of voorzitter zijn van een gemeenteraad dan wel deel uitmaken van een college van burgemeester en wethouders.

AFDELING 4.1.2 BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 4:3

1. Het is verboden in Nederland of vanuit Nederland in een andere lidstaat als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon werkzaamheden te verrichten ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. banken die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning als bedoeld in artikel 1a:10, eerste lid, of 1a:17, eerste lid, hebben en banken met zetel in een andere lidstaat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, die hebben voldaan aan het in artikel 1a:14 of 1a:15 bepaalde met betrekking tot het verrichten van de werkzaamheden, genoemd onder 1 in bijlage I van de richtlijn banken;

b. banken met zetel in een andere lidstaat die een door de toezichthoudende instantie van die lidstaat verleende vergunning hebben voor het uitoefenen van hun bedrijf en die hebben voldaan aan de in die andere lidstaat geldende verplichtingen voor het verrichten van diensten naar een andere lidstaat;

c. de lidstaten, alsmede de regionale of lokale overheden van de lidstaten;

d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan een of meer lidstaten deelnemen;

e. beleggingsondernemingen die een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning als bedoeld in artikel 1a:93 hebben;

f. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die beleggingsdiensten verlenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, die hebben voldaan aan artikel 1a:98 of 1a:99; en

g. bemiddelaars die voor het bemiddelen in een betaalrekening of spaarrekening een door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning als bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid, hebben.

3. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het eerste lid.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel beoogt te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

Artikel 4:4

1. Indien een financiële onderneming die geen door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning heeft, niet zijnde een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat of een bemiddelaar als bedoeld in artikel 1a:78, tweede lid, de ingevolge dit deel gestelde regels die op haar van toepassing zijn niet naleeft, kan de Autoriteit Financiële Markten aan die financiële onderneming een verbod opleggen de met die regels strijdige activiteiten te verrichten.

2. Het eerste lid heeft geen betrekking op de afwikkeling van overeenkomsten die gesloten zijn voor het tijdstip waarop het verbod wordt opgelegd.

3. Indien de in het eerste lid bedoelde financiële onderneming haar zetel heeft in een andere staat stelt de Autoriteit Financiële Markten de toezichthoudende instantie van die andere staat in kennis van het door haar opgelegde verbod.

Artikel 4:5

1. Voor de toepassing van het bepaalde ingevolge dit deel met betrekking tot aanbieden van beleggingsobjecten, aanbieden van krediet, adviseren, bemiddelen, herverzekeringsbemiddelen, optreden als gevolmachtigd agent en verlenen van beleggingsdiensten geldt het handelen en het nalaten te handelen van een aangesloten onderneming als bedoeld in artikel 1a:102, eerste en tweede lid, als het handelen onderscheidenlijk het nalaten te handelen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 1a:102, eerste lid.

2. De rechtspersoon als bedoeld in artikel 1a:102, eerste lid, maakt bij de Autoriteit Financiële Markten onverwijld melding van de aansluiting van een onderneming als bedoeld in artikel 1a:102, tweede lid, en van de beëindiging van de aansluiting van een aangesloten onderneming als bedoeld in artikel 1a:102, eerste en tweede lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de melding, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan, de gegevens die daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden overgelegd.

Artikel 4:6

1. Een aanbieder die niet langer verantwoordelijk is voor een bemiddelaar als bedoeld in artikel 1a:78, tweede lid, maakt daarvan onverwijld melding aan de Autoriteit Financiële Markten en de betrokken bemiddelaar.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan, de gegevens die daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden overgelegd.

Artikel 4:6a

1. Een onderneming die, alleen of samen met een andere onderneming, aan het hoofd staat van een groep waartoe een financiële onderneming behoort waarop het ingevolge dit deel bepaalde van toepassing is, onthoudt zich van gedragingen of een beleid dat tot gevolg heeft dat die financiële onderneming in strijd handelt met het ingevolge dit deel bepaalde.

2. Ten aanzien van de onderneming, bedoeld in het eerste lid, is artikel 1:58 van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 4.1.3 VRIJSTELLING

Artikel 4:7

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van het ingevolge dit deel, met uitzondering van afdeling 4.2.5 en paragraaf 4.3.1.5., bepaalde.

HOOFDSTUK 4.2 REGELS VOOR HET WERKZAAM ZIJN OP DE FINANCIËLE MARKTEN BETREFFENDE ALLE FINANCIËLE DIENSTEN

AFDELING 4.2.1 DESKUNDIGHEID, BETROUWBAARHEID EN INTEGRITEIT

Artikel 4:8

1. Deze afdeling is niet van toepassing op:

a. beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat, instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders;

b. beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en de eventueel aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders;

c. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat;

d. bemiddelaars in verzekeringen met zetel in een andere lidstaat;

e. financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat;

f. herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat;

g. kredietinstellingen met zetel in een andere lidstaat;

h. levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat; en

i. natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een aangewezen staat.

2. Deze afdeling is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben.

Artikel 4:9

1. Het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming.

2. Een financiëledienstverlener, financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft, kredietinstelling of verzekeraar draagt zorg voor de deskundigheid van zijn onderscheidenlijk haar werknemers en van ieder ander die zich onder zijn onderscheidenlijk haar verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten aan consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden van de financiële onderneming over voldoende vakbekwaamheid dat de kwaliteit van de financiële diensten aan de consument onderscheidenlijk de cliënt kan worden gewaarborgd.

3. De personen, bedoeld in het tweede lid, zijn in ieder geval deskundig indien zij beschikken over een in hun geval relevant geldig diploma afgegeven door een door Onze Minister erkend exameninstituut.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de deskundigheid van de personen, bedoeld in het tweede lid. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de erkenning van exameninstituten en het toezicht daarop.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het tweede lid en het op grond van het vierde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:10

1. Het beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de financiële onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

2. De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld dat de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat en welke feiten en omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen.

Artikel 4:11

1. Een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming of bewaarder voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn onderscheidenlijk haar bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat:

a. belangenverstrengeling wordt tegengegaan;

b. wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

c. wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad; en

d. wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.

2. Een financiëledienstverlener voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat wordt tegengegaan dat de financiëledienstverlener of zijn werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiëledienstverlener of in de financiële markten kunnen schaden. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen die tot de integere uitoefening van het bedrijf van een financiëledienstverlener worden gerekend.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voldoen.

4. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste of tweede lid verstrekt aan de Autoriteit Financiële Markten bij algemene maatregel van bestuur te bepalen informatie over incidenten die verband houden met de onderwerpen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

AFDELING 4.2.2 STRUCTURERING EN INRICHTING

Artikel 4:12

1. De artikelen 4:13, 4:14, 4:15 en 4:17 zijn niet van toepassing op:

a. beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat, instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders;

b. beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en de eventueel aan die beleggingsinstellingen verbonden bewaarders;

c. beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat;

d. bemiddelaars in verzekeringen met zetel in een andere lidstaat; en

e. herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat.

2. Artikel 4:17 is niet van toepassing op:

a. clearinginstellingen met zetel in een aangewezen staat;

b. financiële instellingen met zetel in een andere lidstaat;

c. kredietinstellingen met zetel in een andere lidstaat;

d. levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een andere lidstaat; en

e. natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een aangewezen staat.

3. De artikelen 4:13 en 4:14, derde lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben.

Artikel 4:13

1. Een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingsinstellingen, de beleggingsmaatschappij, de beleggingsonderneming, de bewaarder onderscheidenlijk de financiëledienstverlener.

2. Een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur indien het recht van een staat die geen lidstaat is, dat op die personen van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingsinstellingen, de beleggingsmaatschappij, de beleggingsonderneming, de bewaarder onderscheidenlijk de financiëledienstverlener.

Artikel 4:14

1. Een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming of bewaarder richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van zijn onderscheidenlijk haar bedrijf waarborgt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op:

a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico's;

b. integriteit, waaronder wordt verstaan het tegengaan van:

1°. belangenverstrengeling;

2°. het begaan van strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de financiële onderneming of haar werknemers die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;

3°. relaties met cliënten of deelnemers die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden; en

4°. andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad; en

c. ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten en deelnemers, waaronder wordt verstaan:

1°. het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of deelnemers;

2°. het waarborgen van de vastlegging van de relatie met de cliënten of deelnemers;

3°. het waarborgen van de zorgvuldige behandeling van cliënten of deelnemers;

4°. het tegengaan van belangenconflicten tussen de financiële onderneming en cliënten of deelnemers en tussen de cliënten of deelnemers onderling;

5°. het waarborgen van de rechten van cliënten of deelnemers; en

6°. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen.

3. Onverminderd de artikelen 2:45, 2:51, 2:54, 2:55 en 2:138 is het derde lid, aanhef en onderdeel c, van overeenkomstige toepassing op:

a. clearinginstellingen, kredietinstellingen en verzekeraars met zetel in Nederland;

b. bijkantoren van kredietinstellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars met zetel in een staat die geen lidstaat is;

c. natura-uitvaartverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat ;

d. bijkantoren van clearinginstellingen met zetel in een niet-aangewezen staat; en

e. financiële instellingen met zetel in Nederland die een verklaring van onder toezichtstelling hebben.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:15

1. Een financiëledienstverlener richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben betrekking op:

a. integriteit, waaronder wordt verstaan:

1°. het tegengaan van het begaan van strafbare feiten en andere wetsovertredingen door de financiëledienstverlener of zijn werknemers die het vertrouwen in de financiëledienstverlener of in de financiële markten kunnen schaden; en

2°. het nemen van maatregelen met betrekking tot andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwerpen die tot de integere uitoefening van het bedrijf van een financiëledienstverlener worden gerekend; en

b. ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten en consumenten, waaronder wordt verstaan:

1°. het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten; en

2°. het waarborgen van de zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:16

1. Indien een financiële onderneming werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt die financiële onderneming er zorg voor dat deze derde de ingevolge dit deel met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende financiële onderneming van toepassing zijnde regels naleeft.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen werkzaamheden worden aangewezen die niet worden uitbesteed.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

a. worden in verband met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit deel bepaalde regels gesteld met betrekking tot de uitbesteding; en

b. worden regels gesteld met betrekking tot de beheersing van risico's die verband houden met de uitbesteding.

Artikel 4:17

1. Een beheerder, beleggingsonderneming, clearinginstelling, financiëledienstverlener, financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft, kredietinstelling of verzekeraar draagt zorg voor een adequate behandeling van klachten van cliënten, consumenten of deelnemers over financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming. Hiertoe:

a. beschikt de financiële onderneming over een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten; en

b. is de financiële onderneming aangesloten bij een door Onze Minister erkende geschilleninstantie die geschillen behandelt met betrekking tot financiële diensten of financiële producten van de financiële onderneming, tenzij er geen zodanige geschilleninstantie is.

2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op beheerders, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de afhandeling van klachten en worden regels gesteld met betrekking tot de erkenning van geschilleninstanties.

AFDELING 4.2.3 ZORGVULDIGE DIENSTVERLENING

Artikel 4:18

Deze afdeling is niet van toepassing op:

a. herverzekeringsbemiddelaars; en

b. financiële diensten met betrekking tot de verzekering van grote risico's.

Artikel 4:19

1. Een financiële onderneming draagt er zorg voor dat de door of namens haar verstrekte of beschikbaar gestelde informatie ter zake van een financieel product of een financiële dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan ingevolge dit deel te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie.

2. De ingevolge deze afdeling verstrekte informatie is feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend.

Artikel 4:20

1. Voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product of financiële dienst verstrekt een beleggingsonderneming, financiëledienstverlener, financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft, kredietinstelling of verzekeraar de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt informatie voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product of die dienst. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in de vorige volzin bedoelde informatie. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de informatie die wordt verschaft met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 4:28, eerste en tweede lid, bedoelde rechten.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming in daarbij te bepalen gevallen in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de in dat lid bedoelde informatie geheel of gedeeltelijk na het aangaan van de overeenkomst verstrekt.

3. Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een financieel product of een financiële dienst verstrekt een beleggingsonderneming, clearinginstelling, financiëledienstverlener, financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling heeft, kredietinstelling of verzekeraar de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt tijdig informatie over:

a. wezenlijke wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste lid, voorzover deze wijzigingen redelijkerwijs relevant zijn voor de consument onderscheidenlijk de cliënt;

b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop een financiële onderneming gedurende de looptijd van een overeenkomst informatie moet verstrekken.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de informatie, bedoeld in het derde lid, in daarbij aan te wijzen gevallenuitsluitend op verzoek van de consument onderscheidenlijk de cliënt wordt verstrekt.

6. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van dit artikel bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

7. Dit artikel is niet van toepassing op het adviseren over financiële instrumenten of het verlenen van een beleggingsdienst aan professionele beleggers.

Artikel 4:21

Artikel 4:20, eerste en derde lid, is niet van toepassing op financiële ondernemingen voorzover die een financiële dienst verlenen door tussenkomst van een bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, tenzij de desbetreffende financiële onderneming en de bemiddelaar, gevolmachtigde agent onderscheidenlijk ondergevolmachtigde agent zijn overeengekomen dat de financiële onderneming zelf aan artikel 4:20, eerste en derde lid, voldoet.

Artikel 4:22

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatievoorziening door een financiële onderneming over een financieel product of financiële dienst.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het eerste lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:23

1. Indien een financiële onderneming een consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt adviseert:

a. wint zij in het belang van de consument onderscheidenlijk de cliënt informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor haar advies;

b. draagt zij er zorg voor dat haar advies, voorzover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de in onderdeel a bedoelde informatie;

c. licht zij de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan haar advies voorzover dit nodig is voor een goed begrip van haar advies.

2. Indien een financiële onderneming bij het verlenen van een financiële dienst een consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt niet adviseert, maakt zij dat bij aanvang van haar werkzaamheden ten behoeve van de consument onderscheidenlijk de cliënt aan deze kenbaar.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de wijze waarop deze informatie wordt ingewonnen;

b. de wijze waarop de toelichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gegeven; en

c. de wijze waarop de financiële onderneming de consument onderscheidenlijk de cliënt kenbaar maakt dat zij niet adviseert.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

5. Dit artikel is niet van toepassing op het adviseren over financiële instrumenten aan professionele beleggers.

Artikel 4:24

1. Indien een financiële onderneming zonder daarbij tevens te adviseren een andere beleggingsdienst dan het beheren van een individueel vermogen of een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere financiële dienst verleent, wint zij informatie in over de kennis en ervaring van de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt met betrekking tot de desbetreffende financiële dienst, opdat zij kan beoordelen of deze dienst geschikt is voor de consument onderscheidenlijk de cliënt.

2. Indien de financiële onderneming op basis van de in het eerste lid bedoelde informatie van mening is dat de financiële dienst niet geschikt is voor de consument of de cliënt, waarschuwt zij deze.

3. Indien de consument of de cliënt geen of onvoldoende informatie verschaft over zijn kennis en ervaring, waarschuwt de financiële onderneming de consument onderscheidenlijk de cliënt dat zij als gevolg daarvan niet in staat is na te gaan of de financiële dienst voor hem geschikt is.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op het op initiatief van een cliënt verlenen van een andere beleggingsdienst dan het beheren van een individueel vermogen met betrekking tot:

a. aandelen die tot de handel op een markt in financiële instrumenten zijn toegelaten;

b. instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld;

c. verhandelbare obligaties of andere schuldinstrumenten, voorzover het geen converteerbare obligaties of converteerbare schuldinstrumenten betreft; of

d. rechten van deelneming in een beleggingsinstelling; indien de financiële onderneming voorafgaand aan het verlenen van de beleggingsdienst de cliënt kenbaar maakt dat zij de geschiktheid van deze financiële dienst voor de cliënt niet heeft beoordeeld.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot wijze waarop de beoordeling van de geschiktheid van de financiële dienst voor de consument of de cliënt plaatsvindt.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de inhoud en vorm van de waarschuwingen, bedoeld in het tweede en derde lid; en

b. de wijze waarop de financiële onderneming aan de cliënt kenbaar maakt dat zij de geschiktheid van deze financiële dienst voor de cliënt niet heeft beoordeeld.

7. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het vijfde of zesde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

8. Dit artikel is niet van toepassing op het verlenen van beleggingsdiensten aan professionele beleggers.

Artikel 4:25

1. Een financiële onderneming houdt zich bij de behandeling van de consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, de cliënt aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het eerste lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

3. De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur die strekt tot wijziging van een reeds op grond van dat lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, behoudens indien het vaststellen van de algemene maatregel van bestuur naar het oordeel van Onze Minister spoedeisend is.

AFDELING 4.2.4 MELDINGSPLICHTEN

Artikel 4:26

1. Een financiële onderneming meldt wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 1a:12, tweede lid, 1a;19, tweede lid, 1a:29, tweede lid, 1a:30, tweede lid, 1a:39, tweede lid, 1a:40, 1a:55, tweede lid, 1a:60, tweede lid, 1a:64, derde lid, 1a:65, derde lid, 1a:66, tweede lid, 1a:69, tweede lid, 1a:70, eerste lid, 1a:75, tweede lid, 1a:80, tweede lid, 1a:86, tweede lid, 1a:91, tweede lid, 1a:96, tweede lid, 1a:122, eerste lid, 1a:123, eerste lid, 1a:127, eerste lid, 4:50, eerste lid, of 4:71, derde lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Een beheerder of beleggingsonderneming meldt wijzigingen met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 1a:119, tweede lid, 1a:124, tweede lid of 1a:126, eerste lid, verstrekking van gegevens is voorgeschreven aan de Autoriteit Financiële Markten en aan de toezichthoudende instantie van de lidstaat waar die financiële onderneming financiële diensten verleent.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt, onder vermelding van de te volgen procedures, bepaald welke wijzigingen worden gemeld, welke gegevens daarbij worden verstrekt en, indien van toepassing, onder welke voorwaarden de wijzigingen ten uitvoer mogen worden gelegd.

Artikel 4:27

1. Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, clearinginstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in Nederland, meldt de Autoriteit Financiële Markten zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die in strijd is met op grond van dit deel opgelegde verplichtingen.

2. Een accountant die het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een beheerder, beleggingsinstelling of beleggingsonderneming met zetel in Nederland, meldt de Autoriteit Financiële Markten zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een accountant die naast het onderzoek van de jaarrekening van de financiële onderneming, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, ook het onderzoek uitvoert van de jaarrekening van een andere persoon met welke de financiële onderneming in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur is verbonden.

4. De accountant, bedoeld in het eerste lid, verstrekt zo spoedig mogelijk alle inlichtingen aan de Autoriteit Financiële Markten die deze redelijkerwijs nodig heeft voor het toezicht op de naleving van dit deel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de te verstrekken gegevens en de in acht te nemen procedures.

5. De Autoriteit Financiële Markten stelt de financiële onderneming in de gelegenheid aanwezig te zijn bij de melding, bedoeld in het eerste of tweede lid, en bij het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in het vierde lid, door de accountant.

6. De accountant die op grond van het eerste, tweede of derde lid tot een melding of op grond van het vierde lid tot het verstrekken van inlichtingen aan de Autoriteit Financiële Markten is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding of tot het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.

7. Het tweede lid is niet van toepassing op accountants die het onderzoek uitvoeren van de jaarrekening van een beleggingsonderneming die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning heeft.

AFDELING 4.2.5 OVEREENKOMSTEN OP AFSTAND

Artikel 4:28

1. Een consument kan een overeenkomst op afstand zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen ontbinden gedurende veertien kalenderdagen vanaf de dag waarop die overeenkomst is aangegaan dan wel, indien dit later is, gedurende veertien kalenderdagen vanaf de dag waarop de informatie die de financiële onderneming hem op grond van artikel 4:20, eerste lid, dient te verstrekken, door hem is ontvangen.

2. In afwijking van het eerste lid kan een consument een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen ontbinden gedurende dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop hij van het tot stand komen van de overeenkomst in kennis is gesteld dan wel, indien dit later is, gedurende dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop de informatie die de financiële onderneming hem op grond van artikel 4:20, eerste lid, dient te verstrekken, door hem is ontvangen.

3. Indien een consument gebruik wenst te maken van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, geeft hij daarvan voor het verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn, kennis aan de financiële onderneming volgens de instructies die hem hierover overeenkomstig artikel 4:20, eerste lid, zijn verstrekt. De kennisgeving wordt als tijdig aangemerkt indien zij schriftelijk of op een voor de financiële onderneming beschikbare en toegankelijke duurzame drager is verzonden voor het verstrijken van de termijn.

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:

a. overeenkomsten inzake financiële producten waarvan de waarde gedurende de termijn, bedoeld in het desbetreffende lid, afhankelijk is van ontwikkelingen op de financiële markten of andere markten;

b. overeenkomsten inzake verzekeringen met een looptijd van minder dan een maand;

c. overeenkomsten die op uitdrukkelijk verzoek van de consument volledig zijn uitgevoerd voordat de consument gebruik maakt van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht;

d. overeenkomsten inzake krediet die zijn ontbonden overeenkomstig de artikelen 7:46e en 7:48e van het Burgerlijk Wetboek;

e. overeenkomsten inzake krediet waarbij hypothecaire zekerheid wordt verleend; en

f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere overeenkomsten inzake financiële producten.

5. Indien aan een overeenkomst op afstand een andere overeenkomst verbonden is met betrekking tot een zaak of dienst die door de financiële onderneming wordt geleverd of door een derde op grond van een overeenkomst tussen de financiële onderneming en deze derde, brengt de ontbinding van de overeenkomst op afstand overeenkomstig het eerste of tweede lid van rechtswege en zonder dat de consument een boete verschuldigd is, de ontbinding met zich van die verbonden overeenkomst.

Artikel 4:29

1. Met de uitvoering van een overeenkomst op afstand wordt pas na toestemming van de consument een begin gemaakt.

2. Indien de consument gebruik maakt van zijn in artikel 4:28, eerste of tweede lid, bedoelde recht, kan de financiële onderneming uitsluitend een vergoeding vragen voor het financiële product dat ter uitvoering van de overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:

a. niet hoger dan een bedrag dat evenredig is aan de verhouding tussen het reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst op afstand; en

b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden opgevat.

3. De financiële onderneming kan slechts betaling van de in het tweede lid bedoelde vergoeding verlangen indien zij:

a. kan aantonen dat de consument overeenkomstig artikel 4:20, eerste lid, is geïnformeerd over de in het tweede lid bedoelde vergoeding; en b. op uitdrukkelijk verzoek van de consument met de uitvoering van de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in artikel 4:28, eerste of tweede lid, genoemde termijn.

4. Indien de consument gebruikt maakt van het in artikel 4:28, eerste of tweede lid, bedoelde recht, betaalt de financiële onderneming de consument zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertig kalenderdagen nadat zij de kennisgeving van de ontbinding heeft ontvangen, al hetgeen zij op grond van de overeenkomst op afstand van de consument ontvangen heeft terug, verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.

5. Indien de consument gebruik maakt van het in artikel 4:28, eerste of tweede lid bedoelde recht, geeft hij de financiële onderneming zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertig kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de ontbinding heeft verzonden, alle geldbedragen en goederen terug die hij van de financiële onderneming op grond van de overeenkomst op afstand heeft ontvangen.

Artikel 4:30

Van de artikelen 4:28 en 4:29 kan niet ten nadele van de consument worden afgeweken.

HOOFDSTUK 4.3 REGELS VOOR HET WERKZAAM ZIJN OP DE FINANCIËLE MARKTEN BETREFFENDE BEPAALDE FINANCIËLE DIENSTEN

AFDELING 4.3.1 AANBIEDEN

§ 4.3.1.1. Beleggingsobjecten

Artikel 4:30a

1. Een aanbieder van een beleggingsobject die over een website beschikt, heeft een beleggingsobjectprospectus beschikbaar op zijn website en verstrekt onverwijld kosteloos een beleggingsobjectprospectus op verzoek van een consument. Indien hij niet over een website beschikt, verstrekt de aanbieder van een beleggingsobject kosteloos een beleggingsobjectprospectus aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een beleggingsobject.

2. Indien een beleggingsobject wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar wordt het beleggingsobjectprospectus, bedoeld in het eerste lid, door de bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

3. Het beleggingsobjectprospectus, bedoeld in het eerste lid, bevat uitsluitend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan worden afgeweken van de verplichting een beleggingsobjectprospectus beschikbaar te hebben en te verstrekken.

5. Artikel 4:19, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het beleggingsobjectprospectus, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.3.1.2. Elektronisch geld

Artikel 4:31

1. Een kredietinstelling wisselt op verzoek van een houder van door haar uitgegeven elektronisch geld het elektronische geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in chartaal geld of door storting op een betaal- of spaarrekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten kunnen worden berekend.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omwisseling, bedoeld in het eerste lid.

§ 4.3.1.3. Krediet

Artikel 4:32

Een aanbieder van krediet neemt deel aan een stelsel van kredietregistratie.

Artikel 4:33

1. Een aanbieder van krediet die over een website beschikt, heeft een kredietprospectus beschikbaar op zijn website en verstrekt onverwijld kosteloos een kredietprospectus op verzoek van een consument. Indien hij niet over een website beschikt, verstrekt de aanbieder van krediet kosteloos een kredietprospectus aan een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet.

2. Indien een krediet wordt aangeboden door tussenkomst van een bemiddelaar wordt het kredietprospectus, bedoeld in het eerste lid, door de bemiddelaar verstrekt, tenzij de aanbieder en de bemiddelaar zijn overeengekomen dat de aanbieder zelf aan deze verplichting voldoet. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

3. Het kredietprospectus, bedoeld in het eerste lid, bevat uitsluitend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gegevens.

4. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan worden afgeweken van de verplichting een kredietprospectus beschikbaar te hebben en te verstrekken.

5. Artikel 4:19, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het kredietprospectus, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4:34

1. Voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet wint een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 4:35

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding.

Artikel 4:36

Een gemeentelijke kredietbank wordt opgericht en opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van de gemeenteraad of door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling door gemeenteraden van twee of meer gemeenten. Het besluit of de gemeenschappelijke regeling, wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 4:37

1. Voor de bedrijfsvoering van een gemeentelijke kredietbank wordt een reglement vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders of, indien de gemeentelijke kredietbank is ingesteld door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling, door de betrokken gemeenteraden van de aan de regeling deelnemende gemeenten, waarin voor het aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van haar publieke taak ten minste voorschriften staan opgenomen die overeenkomen met het ingevolge afdeling 4.2.1, afdeling 4.2.2, afdeling 4.2.3, afdeling 4.2.5, artikel 4:32, artikel 4:33, paragraaf 4.3.8.1. en de hoofdstukken IV en V van de Wet op het consumentenkrediet bepaalde.

2. Het reglement wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

3. Het toezicht op de naleving van het reglement door de gemeentelijke kredietbank:

a. wordt uitgevoerd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke kredietbank, in het geval dat de gemeentelijke kredietbank is opgericht door middel van het treffen van een gemeenschappelijke regeling en geen privaatrechtelijke rechtsvorm heeft;

b. wordt in het geval dat de gemeentelijke kredietbank een privaatrechtelijke rechtsvorm heeft gewaarborgd doordat:

1°. de meerderheid van het bestuur wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of een college van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht;

2°. de meerderheid van de Raad van Toezicht wordt benoemd op voordracht van een gemeenteraad of van een college van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht;

3°. de jaarrekening en begroting van de gemeentelijke kredietbank worden goedgekeurd door een gemeenteraad of door een college van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaamheden verricht; of

c. wordt, indien de onderdelen a en b niet van toepassing zijn, uitgevoerd door het college van burgemeester en wethouders.

4. De vereisten genoemd in het derde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, zijn niet van toepassing op een gemeentelijke kredietbank met een privaatrechtelijke rechtsvorm indien een negatief exploitatiesaldo wordt aangezuiverd door een of meer gemeenten waarvoor de gemeentelijke kredietbank werkzaam is.

§ 4.3.1.4. Rechten van deelneming in een beleggingsinstelling

Artikel 4:38

1. Deze paragraaf, met uitzondering van de artikelen 4:53, aanhef en onderdeel b, en 4:62, is niet van toepassing op beheerders van instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat, instellingen voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat en de eventueel aan die instellingen verbonden bewaarders.

2. Deze paragraaf, met uitzondering van de artikelen 4:49 tot en met 4:53, is niet van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat, beleggingsinstellingen met zetel in een aangewezen staat en de eventueel aan die belegginginstellingen verbonden bewaarders.

Artikel 4:39

Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder.

Artikel 4:40

De personen die het dagelijks beleid van een beheerder of beleggingsmaatschappij met zetel in Nederland bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

Artikel 4:41

Een beheerder is statutair bestuurder van elke door hem beheerde beleggingsmaatschappij.

Artikel 4:42

Een beheerder die een beleggingsfonds beheert, treft maatregelen opdat:

a. de activa van het beleggingsfonds ten behoeve van de deelnemers wordt verkregen door een van de beheerder onafhankelijke bewaarder;

b. de bewaarder slechts met medewerking van de beheerder over de vermogensbestanddelen van het beleggingsfonds kan beschikken.

Artikel 4:43

1. Indien de activa van een beleggingsinstelling door een bewaarder worden bewaard, gaat de beheerder van de beleggingsinstelling met de bewaarder een schriftelijke overeenkomst inzake beheer en bewaring aan.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de tussen de beheerder en een bewaarder te sluiten overeenkomst inzake beheer en bewaring.

Artikel 4:44

1. Als bewaarder treedt slechts op een rechtspersoon met als enig statutair doel het bewaren van activa en het administreren van de goederen waar een belegginginstelling in belegt.

2. De activa van een beleggingsfonds worden bewaard door een bewaarder die uitsluitend ten behoeve van het beleggingsfonds bewaart, indien op grond van het beleggingsbeleid van het desbetreffende beleggingsfonds een reëel risico bestaat dat het vermogen van het beleggingsfonds ontoereikend zal zijn voor voldoening van vorderingen bedoeld in artikel 4:45, eerste lid, en het eigen vermogen van de bewaarder ontoereikend zal zijn voor voldoening van dergelijke vorderingen.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dat lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:45

1. Het vermogen van een beleggingsfonds dient uitsluitend tot voldoening van vorderingen die voortvloeien uit:

a. schulden die verband houden met het beheer en het bewaren van het fonds; en

b. rechten van deelneming.

2. Indien het vermogen van een beleggingsfonds bij vereffening ontoereikend is voor voldoening van de vorderingen, dient het vermogen van het beleggingsfonds ter voldoening van de vorderingen in de volgorde van het eerste lid.

3. In afwijking van het eerste lid zijn andere vorderingen verhaalbaar op het vermogen van een beleggingsfonds indien vaststaat dat de in het eerste lid bedoelde vorderingen zullen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet meer zullen ontstaan.

4. Indien de in het eerste lid bedoelde vorderingen niet volledig uit het vermogen van het beleggingsfonds kunnen worden voldaan, dient het vermogen van de bewaarder eerst ter voldoening van de vorderingen in de volgorde van het eerste lid en vervolgens van de overige vorderingen, behoudens de door de wet erkende andere redenen van voorrang.

Artikel 4:46

1. Een beheerder beschikt over een website.

2. De beheerder rangschikt informatie op de website, voorzover relevant, per afzonderlijke door hem beheerde beleggingsinstelling.

3. De beheerder vermeldt het adres van de website in het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, in de halfjaarcijfers en in het jaarverslag van de beheerder en de door hem beheerde beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 4:51, eerste en tweede lid.

4. Indien de beheerder ingevolge deze wet beschikbaar te stellen of te verstrekken informatie op zijn website publiceert of anderszins in elektronische vorm beschikbaar stelt, vermeldt hij daarbij dat desgevraagd een afschrift van die informatie wordt verstrekt en, indien van toepassing, welke kosten daaraan verbonden zijn.

Artikel 4:47

1. Een beheerder maakt een voorstel tot wijziging van de voorwaarden die gelden tussen een door hem beheerde beleggingsinstelling en de deelnemers bekend in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad of aan het adres van iedere deelnemer alsmede op zijn website. De beheerder licht het voorstel tot wijziging van de voorwaarden toe op zijn website. Gelijktijdig met de bekendmaking van het voorstel tot wijziging stelt de beheerder de toezichthouder hiervan in kennis.

2. Een beheerder maakt een wijziging van de voorwaarden die gelden tussen een door hem beheerde beleggingsinstelling en de deelnemers bekend in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad of aan het adres van iedere deelnemer alsmede op zijn website. De beheerder licht de wijziging van de voorwaarden toe op zijn website. Gelijktijdig met de bekendmaking van de wijziging stelt de beheerder de toezichthouder hiervan in kennis.

3. Indien door de wijziging van de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, rechten of zekerheden van de deelnemers worden verminderd of lasten aan de deelnemers worden opgelegd, wordt de wijziging tegenover de deelnemers niet ingeroepen voordat drie maanden zijn verstreken na de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, en kunnen de deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden uittreden.

4. Indien door de wijziging van de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling wordt gewijzigd, wordt de wijziging niet ingevoerd voordat drie maanden zijn verstreken na de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, en kunnen de deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden uittreden.

Artikel 4:48

1. Een beheerder heeft op zijn website een registratiedocument beschikbaar waarin gegevens zijn opgenomen over de beheerder, de beleggingsinstellingen die hij beheert of voornemens is te beheren en de eventueel daaraan verbonden bewaarders.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de vorm van het registratiedocument en de gegevens die het registratiedocument ten minste moet bevatten.

Artikel 4:49

1. Een beheerder heeft op zijn website een prospectus beschikbaar over elke door hem beheerde beleggingsinstelling.

2. Het prospectus bevat ten minste:

a. de gegevens die voor beleggers noodzakelijk zijn om zich een oordeel te vormen over de beleggingsinstelling en de daaraan verbonden kosten en risico's;

b. een verklaring van de beheerder dat hijzelf, de beleggingsinstelling en de eventueel daaraan verbonden bewaarder voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels en dat het prospectus voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels;

c. een mededeling van een accountant, onder vermelding van zijn naam en kantooradres, dat het prospectus de ingevolge deze wet voorgeschreven gegevens bevat;

d. het registratiedocument van de beheerder, bedoeld in artikel 4:48, eerste lid; en

e. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen andere gegevens.

3. Een beheerder actualiseert de gegevens die in het prospectus zijn opgenomen zodra daartoe aanleiding bestaat.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan verlangen dat het prospectus in een of meer door haar te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld indien dit, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde en het derde lid, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

6. Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming verhandelbaar zijn en niet op verzoek van de deelnemer ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald

Artikel 4:50

1. Een beheerder verstrekt ten minste twee weken voordat rechten van deelneming in een door hem beheerde beleggingsinstelling worden aangeboden aan de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van opname van de beleggingsinstelling in het register als bedoeld in artikel 1:93 de volgende gegevens:

a. de naam en het adres van de beheerder;

b. de naam en het adres van de beleggingsinstelling;

c. indien van toepassing: de namen van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beleggingsmaatschappij;

d. de naam en het adres van de eventueel aan de beleggingsinstelling verbonden bewaarder;

e. de namen van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de eventueel aan de beleggingsinstelling verbonden bewaarder;

f. de wijze van in- en verkoop van rechten van deelneming;

g. een beschrijving van het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling;

h. de eventuele notering op een erkende of gereglementeerde markt;

i. de beoogde datum van het aanbieden van de rechten van deelneming; en

j. het fondsreglement van een beleggingsfonds indien het rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft.

2. De beheerder stelt bij het aanbieden van de rechten van deelneming of bij de schriftelijke aankondiging dat de rechten van deelneming zullen worden aangeboden het prospectus, bedoeld in artikel 4:49, het fondsreglement of de statuten van de beleggingsinstelling en, voorzover openbaargemaakt, de jaarrekening van de beleggingsinstelling over de twee voorafgaande jaren kosteloos algemeen verkrijgbaar en publiceert deze informatie op zijn website. In iedere bekendmaking waarin deze rechten van deelneming worden aangeboden, worden de plaatsen vermeld waar het prospectus voor het publiek verkrijgbaar is.

3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen waarvan de rechten van deelneming verhandelbaar zijn en niet op verzoek van de deelnemer ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

Artikel 4:51

1. Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder verstrekt binnen vier maanden na afloop van het boekjaar aan de Autoriteit Financiële Markten een jaarrekening, een jaarverslag en overige gegevens als bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, 391, eerste lid, onderscheidenlijk 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Een beheerder of beleggingsinstelling verstrekt binnen negen weken na afloop van de eerste helft van het boekjaar halfjaarcijfers aan de Autoriteit Financiële Markten.

3. Voorzover de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder niet aan Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn onderworpen, is deze titel van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid, en op de halfjaarcijfers, bedoeld in het tweede lid, met uitzondering van artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorzover het beheerders betreft.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verstrekking en de inhoud van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid, en van de halfjaarcijfers, bedoeld in het tweede lid.

5. Onverminderd het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Autoriteit Financiële Markten op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid of van het op grond van het vierde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:52

1. Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder maakt binnen vier maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, openbaar.

2. Een beheerder of beleggingsinstelling maakt binnen negen weken na afloop van de eerste helft van het boekjaar de halfjaarcijfers, bedoeld in artikel 4:51, tweede lid, openbaar.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de openbaarmaking van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid, en van de halfjaarcijfers, bedoeld in het tweede lid.

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid of het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:53

Indien van de in Nederland gevoerde of te voeren naam van een beheerder of een beleggingsinstelling gevaar voor verwarring of misleiding is te duchten, kan de Autoriteit Financiële Markten verlangen dat de beheerder onderscheidenlijk de beleggingsinstelling:

a. de naam wijzigt; of

b. een verklarende vermelding aan de naam toevoegt.

Artikel 4:54

1. Een beleggingsmaatschappij die wordt beheerd door een beheerder waarvan de vergunning is ingetrokken of een beleggingsmaatschappij waarvan de vergunning is ingetrokken, kan op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten door de rechtbank worden ontbonden.

2. Het vermogen van een beleggingsfonds dat wordt beheerd door een beheerder waarvan de vergunning is ingetrokken, kan op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars binnen een door de rechtbank te bepalen termijn worden vereffend.

3. Een beleggingsmaatschappij of het vermogen van een beleggingsfonds kan tevens op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten door de rechtbank worden ontbonden onderscheidenlijk door een of meer door de rechtbank aan te wijzen vereffenaars binnen een door de rechtbank te bepalen termijn worden vereffend, indien:

a. de vergunning van de beheerder van de beleggingsinstelling zodanig is gewijzigd dat die vergunning niet langer strekt tot het beheer van het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij;

b. de beleggingsinstelling of haar beheerder:

1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de oprichting geen activiteiten heeft verricht;

2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de beleggingsinstelling geen activiteiten zal verrichten;

3°. haar onderscheidenlijk zijn activiteiten gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt;

4°. kennelijk heeft opgehouden beleggingsinstelling te zijn;

5°. niet voldoet aan deze wet; of

6°. niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:58.

4. De ontbinding, bedoeld in het eerste of derde lid, en de vereffening, bedoeld in het tweede of derde lid, vindt niet eerder plaats dan nadat het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning onherroepelijk is geworden.

Artikel 4:55

Indien een beheerder de inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming in een door hem beheerde beleggingsinstelling opschort, stelt hij de Autoriteit Financiële Markten en, indien het een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten betreft, de toezichthoudende instantie van elke lidstaat waar de rechten van deelneming in de belegginginstelling worden verhandeld, onverwijld daarvan op de hoogte.

Artikel 4:56

1. De activa van een instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is, worden bewaard door een van haar onafhankelijke bewaarder. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden kan van dit vereiste worden afgeweken.

2. Artikel 4:42, aanhef en onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:57

Een bewaarder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in Nederland heeft zijn zetel in een lidstaat en, indien hij zijn zetel niet in Nederland heeft, een in Nederland gelegen bijkantoor.

Artikel 4:58

Een instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is, heeft een aparte beheerder tenzij de beleggingsmaatschappij een eigen vermogen heeft van ten minste € 300 000.

Artikel 4:59

1. Een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten heeft zijn zetel in Nederland.

2. De werkzaamheden van de beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten zijn beperkt tot het beheer van beleggingsinstellingen, het beheren van individuele vermogens en het verlenen van diensten als bedoeld onder 1 en 6 van deel C van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten.

Artikel 4:60

1. Het statutaire doel of reglementaire doel van een instelling voor collectieve belegging in effecten is uitsluitend het beleggen in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1, onderdelen a tot en met c, en e tot en met g, of deposito's met toepassing van het beginsel van risicospreiding.

2. De rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging in effecten worden zonder beperkingen in Nederland aangeboden en worden op verzoek van een deelnemer direct of indirect ten laste van de activa van de beleggingsinstelling ingekocht of terugbetaald.

3. Een instelling voor collectieve belegging in effecten heeft haar zetel in Nederland.

4. De werkzaamheden van een instelling voor collectieve belegging in effecten die een beleggingsmaatschappij is, zijn beperkt tot het beheer van haar vermogen.

5. Het is een instelling voor collectieve belegging in effecten verboden haar statuten of reglementen zodanig te wijzigen dat zij niet meer voldoet aan het eerste tot en met vierde lid.

6. Een wijziging van de statuten of reglementen als bedoeld in het vijfde lid is nietig. Op verzoek van het openbaar ministerie benoemt de rechter een bewindvoerder met de macht om de gevolgen van de nietige handeling ongedaan te maken.

7. Bij het ongedaan maken van de gevolgen van de nietige handeling handelt de bewindvoerder mede in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling.

Artikel 4:61

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot informatieverstrekking aan de Autoriteit Financiële Markten en het beleggen door instellingen voor collectieve belegging in effecten.

Artikel 4:62

1. Een beheerder die in Nederland rechten van deelneming aanbiedt in een door hem beheerde instelling voor collectieve belegging met zetel in een andere lidstaat stelt de gegevens en bescheiden met betrekking tot die instelling voor collectieve belegging in effecten die hij openbaar dient te maken overeenkomstig de regels, gesteld door de andere lidstaat, beschikbaar in de Nederlandse of een andere door de Autoriteit Financiële Markten goedgekeurde taal.

2. De beheerder, bedoeld in het eerste lid, draagt met inachtneming van de toepasselijke Nederlandse wettelijke bepalingen zorg voor de uitkeringen op, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming in Nederland.

§ 4.3.1.5. Verzekeringen

Artikel 4:63

1. Een levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar draagt er zorg voor dat in een individuele levensverzekering met een looptijd van meer dan zes maanden onderscheidenlijk in een natura-uitvaartverzekering uitdrukkelijk wordt bepaald dat de verzekeringnemer gedurende dertig kalenderdagen vanaf de dag waarop hij van het sluiten van de verzekering in kennis is gesteld, de verzekering met onmiddellijke ingang schriftelijk of door middel van een voor de verzekeraar beschikbare en toegankelijke duurzame drager kan opzeggen.

2. De kennisgeving van het sluiten van de verzekering, bedoeld in het eerste lid, geschiedt schriftelijk of op een voor de verzekeringnemer beschikbare en toegankelijke duurzame drager binnen vier weken na het sluiten van de verzekering.

3. De opzegging door de verzekeringnemer heeft tot gevolg dat hij en de levensverzekeraar onderscheidenlijk natura-uitvaartverzekeraar met ingang van het tijdstip waarop de verzekeraar deze opzegging heeft ontvangen, worden ontheven van alle uit deze verzekering voortvloeiende verplichtingen.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten die strekken tot fondsvorming ter voldoening van de verzorging van de uitvaart van de mens.

Artikel 4:64

De artikelen 4:65 tot en met 4:69 zijn niet van toepassing op:

a. rechtsbijstandverzekeraars met zetel in een andere lidstaat;

b. door een verzekeraar verleende rechtsbijstand voorzover deze betrekking heeft op risico's die verband houden met het gebruik van zeeschepen; en

c. door een verzekeraar als bijkomend risico bij de branche Hulpverlening verleende rechtsbijstand in een andere staat dan die waar de verzekerde zijn woonplaats heeft, voorzover:

1°. deze rechtsbijstand deel uitmaakt van een verzekering die alleen betrekking heeft op hulpverlening; en

2°. in de overeenkomst afzonderlijk is verklaard dat de rechtsbijstanddekking is beperkt tot rechtsbijstand in een andere staat dan die waar de verzekerde zijn woonplaats heeft en slechts een aanvulling vormt op de hulpverlening.

Artikel 4:65

1. Een rechtsbijstandverzekeraar die uitsluitend de branche Rechtsbijstand uitoefent:

a. richt zijn bedrijfsvoering zodanig in dat de personeelsleden die zich bezighouden met de rechtsbijstandschaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze schaderegeling, niet tegelijkertijd dezelfde of soortgelijke werkzaamheden verrichten ten behoeve van een andere verzekeraar waarmee hij financiële, commerciële of administratieve banden heeft en die een andere branche uitoefent;

b. vertrouwt de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toe aan een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en vermeldt dit schaderegelingkantoor in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking; of

c. neemt in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de verzekering recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.

2. Een rechtsbijstandverzekeraar die naast de branche Rechtsbijstand een andere branche uitoefent:

a. vertrouwt de werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling toe aan een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en vermeldt dit schaderegelingkantoor in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking; of

b. neemt in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking de bepaling op dat de verzekerde, zodra hij uit hoofde van de verzekering recht heeft op rechtsbijstand, de behartiging van zijn belangen mag toevertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.

3. Een rechtsbijstandverzekeraar vertrouwt werkzaamheden met betrekking tot de rechtsbijstandschaderegeling alleen toe aan een schaderegelingkantoor als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, dat zijn bedrijfsvoering zodanig inricht dat de personeelsleden en de leden van het leidinggevende orgaan die zich bezighouden met de rechtsbijstandschaderegeling of met het geven van juridische adviezen met betrekking tot deze schaderegeling, niet tezelfdertijd dezelfde of soortgelijke werkzaamheden verrichten ten behoeve van een andere branche van een verzekeraar waarmee het schaderegelingkantoor financiële, commerciële of administratieve banden heeft.

Artikel 4:66

Indien een overeenkomst van verzekering tevens risico's van een andere branche dekt, draagt een rechtbijstandverzekeraar er zorg voor dat de inhoud van de rechtsbijstanddekking wordt opgenomen in een afzonderlijke overeenkomst of in een afzonderlijk hoofdstuk van de overeenkomst.

Artikel 4:67

1. Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking uitdrukkelijk wordt bepaald dat het de verzekerde vrij staat een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige te kiezen indien:

a. een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen; of

b. zich een belangenconflict voordoet.

2. Dit artikel is niet van toepassing op rechtsbijstandverzekeraars die toepassing hebben gegeven aan artikel 4:65, eerste lid, onderdeel c, of 4:65, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 4:68

1. Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking uitdrukkelijk wordt voorzien in een scheidsrechterlijke procedure of een andere procedure die met een scheidsrechterlijke procedure vergelijkbare garanties inzake objectiviteit biedt, teneinde te bepalen welke gedragslijn er bij verschil van mening tussen de verzekeraar onderscheidenlijk het juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor en de verzekerde zal worden gevolgd voor de regeling van het geschil waarvoor een beroep op de rechtsbijstandverzekering wordt gedaan.

2. Dit artikel is niet van toepassing op rechtsbijstandverzekeraars die toepassing hebben gegeven aan artikel 4:65, eerste lid, onderdeel c, of artikel 4:65, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 4:69

1. Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat telkens wanneer zich een belangenconflict voordoet of er een verschil van mening bestaat over de regeling van het geschil de verzekerde op de hoogte wordt gebracht van het in artikel 4:67 bedoelde recht of van de mogelijkheid gebruik te maken van de in artikel 4:68 bedoelde procedure.

2. Dit artikel is niet van toepassing op rechtsbijstandverzekeraars die toepassing hebben gegeven aan artikel 4:65, eerste lid, onderdeel c, of artikel 4:65, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 4:70

1. Een schadeverzekeraar die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent vanuit een vestiging in Nederland:

a. is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

b. komt zijn verplichtingen na jegens het Waarborgfonds Motorverkeer uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

c. komt zijn verplichtingen na tot kennisgeving uit hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het overheidsorgaan aldaar bedoeld; en

d. zorgt ervoor dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.

2. Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor stelt in iedere andere lidstaat een persoon als schaderegelaar aan. De schaderegelaar is belast met het namens de schadeverzekeraar behandelen en afwikkelen van vorderingen van benadeelden die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding ten gevolge van feiten veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een andere lidstaat dan Nederland en die zich ofwel hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde, ofwel in een staat die geen lidstaat is waar een nationaal bureau werkzaam is dat overeenkomt met het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

3. De schaderegelaar heeft zijn vestiging in de lidstaat waar hij is aangesteld. Vorderingen van benadeelden als bedoeld in het tweede lid behandelt hij en wikkelt hij af in de officiële taal of de officiële talen van die lidstaat.

4. De schaderegelaar houdt zich namens de schadeverzekeraar niet bezig met de uitoefening van het bedrijf van verzekeraar. Evenmin wordt hij beschouwd als een vestiging van de schadeverzekeraar in de zin van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke-, en handelszaken (PbEG L 12), of in de zin van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van de beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG C 27).

5. De schadeverzekeraar, bedoeld in het tweede lid, meldt binnen twee weken na de aanvang van de uitoefening van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen aan het Informatiecentrum, bedoeld in artikel 27b van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, en aan het informatiecentrum in iedere andere lidstaat de naam en het adres van de door hem in iedere lidstaat aangestelde schaderegelaar. De schadeverzekeraar stelt de in de eerste volzin bedoelde informatiecentra binnen twee weken in kennis van een wijziging in de naam of het adres van de desbetreffende schaderegelaar.

6. De schadeverzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt of zijn schaderegelaar geeft binnen drie maanden na de datum waarop een benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend:

a. een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de omvang van de schade is vastgesteld; of

b. een met redenen omkleed antwoord op alle punten van het verzoek tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid wordt betwist of de omvang van de schade nog niet volledig is vastgesteld.

Artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.

7. De schadeverzekeraar, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, legt binnen twee weken na de aanvang van de uitoefening van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen aan de Autoriteit Financiële Markten een door hem ondertekende verklaring over dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.

8. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid aan een schadeverzekeraar die geen aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de risico's van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend als bijkomende risico's dekt.

Artikel 4:71

1. Een schadeverzekeraar met zetel buiten Nederland die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland:

a. is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

b. komt zijn verplichtingen na jegens het Waarborgfonds Motorverkeer uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;

c. komt zijn verplichtingen na tot kennisgeving uit hoofde van artikel 13, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen jegens het overheidsorgaan aldaar bedoeld;

d. zorgt ervoor dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen; en

e. heeft een persoon als schade-afhandelaar aangesteld die zijn vestiging in Nederland heeft en die belast is met het namens hem afwikkelen van vorderingen van benadeelden als bedoeld in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.

2. De schade-afhandelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de schadeverzekeraar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. De schade-afhandelaar houdt zich namens de schadeverzekeraar niet bezig met de uitoefening van het bedrijf van verzekeraar.

3. Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de schadeverzekeraar aan de Autoriteit Financiële Markten de akte van aanstelling van de schade-afhandelaar over waaruit diens naam, adres en bevoegdheden blijken.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

a. de omstandigheden waaronder de schade-afhandelaar ophoudt schade-afhandelaar te zijn; en

b. de opvolging van de schade-afhandelaar.

5. Binnen twee weken na de aanvang van het verrichten van diensten in de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen legt de schadeverzekeraar aan de Autoriteit Financiële Markten een door hem ondertekende verklaring over dat zijn voorwaarden van verzekering voldoen aan de door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen gestelde eisen.

6. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid aan een schadeverzekeraar die geen aansprakelijkheden dekt ten aanzien waarvan de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en die de risico's van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitsluitend als bijkomende risico's dekt.

7. In geval van communautaire co-assurantie is dit artikel slechts van toepassing op de schadeverzekeraar die als eerste schadeverzekeraar optreedt.

AFDELING 4.3.2 ADVISEREN

Artikel 4:72

1. Een adviseur die met betrekking tot het aanbevolen financiële product niet tevens optreedt als aanbieder, beleggingsonderneming, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, informeert de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt over de volgende onderwerpen:

a. dat hij:

1°. adviseert op grond van een objectieve analyse;

2°. een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren, in welk geval hij de consument onderscheidenlijk de cliënt desgevraagd tevens de namen van deze aanbieders meedeelt; of

3°. geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren en hij niet adviseert op grond van een objectieve analyse, in welk geval hij de consument onderscheidenlijk de cliënt desgevraagd tevens de namen meedeelt van de aanbieders waarvoor hij adviseert of kan adviseren;

b. op welke wijze hij wordt beloond;

c. of hij een gekwalificeerde deelneming in een bepaalde aanbieder houdt;

d. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moedermaatschappij van een aanbieder een gekwalificeerde deelneming in hem houdt; en

e. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

2. Een objectieve analyse als bedoeld in het eerste lid is een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten die de adviseur in staat stelt een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt voldoet.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de vorm en de wijze van verstrekking van de in het eerste lid bedoelde informatie;

b. de objectieve analyse; en

c. de beloning of de vergoeding voor het adviseren over financiële producten, in welke vorm ook, en de wijze van uitbetaling daarvan.

4. Artikel 4:19, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het eerste lid verstrekte informatie.

5. Dit artikel is niet van toepassing op adviseurs in verzekeringen van grote risico's.

6. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

AFDELING 4.3.3 BEMIDDELEN

§ 4.3.3.1. Algemeen

Artikel 4:73

1. Een bemiddelaar informeert voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt over de volgende onderwerpen:

a. dat hij:

1°. adviseert op grond van een objectieve analyse;

2°. een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen, in welk geval hij de consument onderscheidenlijk de cliënt desgevraagd tevens de namen van deze aanbieders mededeelt; of

3°. geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen en hij niet adviseert op grond van een objectieve analyse, in welk geval hij de consument onderscheidenlijk de cliënt desgevraagd tevens de namen mededeelt van de aanbieders waarvoor hij bemiddelt of kan bemiddelen;

b. op welke wijze hij wordt beloond;

c. of hij een gekwalificeerde deelneming in een bepaalde aanbieder houdt;

d. of een bepaalde aanbieder of een moedermaatschappij van een bepaalde aanbieder een gekwalificeerde deelneming in hem houdt; en

e. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

2. Een objectieve analyse als bedoeld in het eerste lid is een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten die de bemiddelaar in staat stelt een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument of, indien het een verzekering betreft, de cliënt voldoet.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de vorm en wijze van verstrekking van de in het eerste lid bedoelde informatie;

b. de objectieve analyse; en

c. de beloning of de vergoeding voor het bemiddelen in financiële producten, in welke vorm ook, en de wijze van uitbetaling daarvan.

4. Artikel 4:19, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het eerste lid verstrekte informatie.

5. Dit artikel is niet van toepassing op bemiddelaars in verzekeringen van grote risico's.

6. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 4.3.3.2. Krediet

Artikel 4:74

1. Het is een bemiddelaar in krediet verboden ter zake van het krediet een beloning of vergoeding, in welke vorm dan ook, te bedingen of te aanvaarden van dan wel in rekening te brengen aan een ander dan de aanbieder van het krediet.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, teneinde een zorgvuldige bemiddeling in krediet te bevorderen, regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde beloning of vergoeding en de wijze van uitbetaling daarvan.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet waarvoor bij het aangaan hypothecaire zekerheid wordt verleend of inzake krediet waarvoor reeds hypothecaire zekerheid bestaat, indien het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire kredieten van de betrokken aanbieder gebruikelijk effectief kredietvergoedingspercentage.

4. Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste lid zijn vernietigbaar.

§ 4.3.3.3. Verzekeringen

Artikel 4:75

1. Een bemiddelaar in verzekeringen beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de daarmee vergelijkbare voorziening.

3. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte vastgesteld van de dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de daarmee vergelijkbare voorziening.

4. Dit artikel is niet van toepassing op:

a. bemiddelaars in verzekeringen die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank hebben;

b. bemiddelaars in verzekeringen die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar hebben; en

c. bemiddelaars in verzekeraars met zetel in een andere lidstaat.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

AFDELING 4.3.4 HERVERZEKERINGSBEMIDDELEN

Artikel 4:76

1. Een herverzekeringsbemiddelaar beschikt over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de daarmee vergelijkbare voorziening.

3. Bij ministeriële regeling wordt de hoogte vastgesteld van de dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de daarmee vergelijkbare voorziening.

4. Dit artikel is niet van toepassing op:

a. herverzekeringsbemiddelaars die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank hebben;

b. herverzekeringsbemiddelaars die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar hebben; en

c. herverzekeringsbemiddelaars met zetel in een andere lidstaat.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

AFDELING 4.3.5 OPTREDEN ALS CLEARINGINSTELLING

Artikel 4:77

1. De voorwaarden die een clearinginstelling hanteert voor toelating van cliënten zijn objectief en openbaar.

2. Een clearinginstelling voert een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van belangenconflicten tussen haar en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.

3. Een clearinginstelling zorgt ervoor dat haar cliënten op billijke wijze worden behandeld in het geval dat een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het eerste of tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dat lid beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:78

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot informatieverstrekking aan de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van het toezicht op de naleving van dit deel.

AFDELING 4.3.6 OPTREDEN ALS GEVOLMACHTIGDE AGENT OF ONDERGEVOLMACHTIGDE AGENT

Artikel 4:79

1. De aan een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent te verlenen volmacht of ondervolmacht wordt schriftelijk verleend en wordt opgemaakt overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.

2. Een volmacht kan door de volmachtverlenende verzekeraar worden beperkt.

3. Een ondervolmacht kan zowel door de volmachtverlenende verzekeraar als door diens gevolmachtigde, zolang de volmacht van de gevolmachtigde van kracht is, worden beperkt. De ondergevolmachtigde geldt jegens de verzekeraar niet als derde.

4. Beperkingen van de volmacht of de ondervolmacht kunnen niet aan derden worden tegengeworpen.

Artikel 4:80

1. De beëindiging van een volmacht van een gevolmachtigde agent heeft geen werking tegen derden tot het tijdstip waarop de verzekeraar of de gevolmachtigde agent van die beëindiging mededeling heeft gedaan aan de Autoriteit Financiële Markten en de Autoriteit Financiële Markten het register, bedoeld in artikel 1:93, heeft aangepast.

2. Ingeval een volmacht is beëindigd, kan de verzekeraar de gevolmachtigde agent wiens volmacht is vervallen, belasten met het beheer en de afwikkeling van de door hem gevormde verzekeringsportefeuille. De verzekeraar kan ook op andere wijze in het beheer en de afwikkeling van die portefeuille voorzien.

3. De artikelen 1:83, derde lid, en 4:4, tweede lid, zijn niet van toepassing op de gevolmachtigde agent, indien de verzekeraar in geval van beëindiging van de volmacht gebruik maakt van het in het tweede lid bedoelde recht om op een andere wijze dan door belasting van de gevolmachtigde agent te voorzien in het beheer en de afwikkeling van de door de gevolmachtigde agent gevormde verzekeringsportefeuille.

Artikel 4:81

1. Het bepaalde in artikel 4:80 met betrekking tot een gevolmachtigde agent is van overeenkomstige toepassing op een ondergevolmachtigde agent.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder de verzekeraar, bedoeld in artikel 4:80, mede verstaan de gevolmachtigde agent in zijn hoedanigheid van verlener van ondervolmachten.

AFDELING 4.3.7 VERLENEN VAN BELEGGINGSDIENSTEN

Artikel 4:82

1. De artikelen 4:83, 4:84, en 4:87, tweede lid, onderdeel b, zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben of voor de uitoefening van het bedrijf van financiële instelling een door de Nederlandsche Bank verleende verklaring van ondertoezichtstelling hebben. Artikel 4:85, eerste lid, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de uitoefening van het bedrijf van bank een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning hebben.

2. De artikelen 4:83 en 4:87 zijn niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 4:83

1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een beleggingsonderneming.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag ontheffing verlenen van het eerste lid aan een beleggingsonderneming die een natuurlijke persoon is en maatregelen heeft genomen die, gelet op de aard en de omvang van haar werkzaamheden, adequaat zijn om anderszins de belangen van haar cliënten te beschermen.

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van rechtspersonen en vennootschappen die door een natuurlijk persoon worden geleid.

Artikel 4:84

1. De personen die het dagelijks beleid van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

2. De personen die het dagelijks beleid bepalen van een in Nederland gelegen bijkantoor van een beleggingsonderneming met zetel in een staat die geen lidstaat is, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit dat bijkantoor.

Artikel 4:85

1. Een beleggingsonderneming met zetel in Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Autoriteit Financiële Markten een jaarrekening, een jaarverslag en overige gegevens als bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, 391, eerste lid, onderscheidenlijk 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Voorzover de beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, niet aan Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is onderworpen, is deze titel van overeenkomstige toepassing op de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verstrekking van de jaarrekening, het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in het eerste lid.

4. Een beleggingsonderneming met zetel buiten Nederland verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening en een jaarverslag aan de Autoriteit Financiële Markten. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

5. De jaarrekening van de beleggingsonderneming, bedoeld in het vierde lid, is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, dan wel een met een verklaring omtrent de getrouwheid overeenkomende verklaring, afgegeven door een accountant, dan wel door een deskundige die ingevolge het recht van de staat waar de beleggingsonderneming haar zetel heeft, bevoegd is de jaarrekening te onderzoeken.

6. Onverminderd het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kan de Autoriteit Financiële Markten op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van dit artikel, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:86

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot informatieverstrekking aan de Autoriteit Financiële Markten ten behoeve van het toezicht op de naleving van dit deel.

Artikel 4:87

1. Een beleggingsonderneming die financiële instrumenten onder zich houdt die toebehoren aan een cliënt treft adequate maatregelen:

a. ter bescherming van de rechten van de cliënt op die financiële instrumenten; en

b. ter voorkoming van het gebruik van die financiële instrumenten, behoudens uitdrukkelijke instemming van de cliënt, voor eigen rekening door de beleggingsonderneming.

2. Een beleggingsonderneming die gelden onder zich houdt die toebehoren aan een cliënt, treft adequate maatregelen:

a. ter bescherming van de rechten van de cliënt op die gelden; en

b. ter voorkoming van het gebruik van die gelden voor eigen rekening door de beleggingsonderneming.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de maatregelen ter bescherming van de rechten van de cliënt en ter voorkoming van het gebruik van financiële instrumenten of gelden van de cliënt; en

b. de wijze waarop instemming kan worden verkregen van de cliënt voor het gebruik van diens financiële instrumenten voor eigen rekening door de beleggingsonderneming.

Artikel 4:88

1. Een beleggingsonderneming voert een adequaat beleid ter zake van het voorkomen van belangenconflicten tussen haar en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.

2. Een beleggingsonderneming zorgt ervoor dat haar cliënten op billijke wijze worden behandeld in het geval dat een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde beleid.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:12, eerste lid, onderdeel c, richt een beleggingsonderneming met zetel in een andere lidstaat de bedrijfsvoering van een in Nederland gelegen bijkantoor zodanig in dat deze niet in strijd is met het eerste en tweede lid.

5. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:89

1. Een beleggingsonderneming sluit met iedere cliënt een overeenkomst die schriftelijk of anderszins op een duurzame drager wordt vastgelegd. Deze overeenkomst vormt de uitsluitende grondslag voor de financiële diensten die de beleggingsonderneming aan de cliënt verleent en bevat in ieder geval de wederzijdse rechten en verplichtingen van de cliënt en de beleggingsonderneming.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm van de overeenkomst.

3. Dit artikel is niet van toepassing op het verlenen van beleggingsdiensten aan professionele beleggers.

Artikel 4:90

1. In het kader van het beheren van een individueel vermogen:

a. wint een vermogensbeheerder in het belang van de cliënt informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor het beheren van het individuele vermogen;

b. draagt de vermogensbeheerder er zorg voor dat hij bij het beheren van het individuele vermogen, voorzover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de in onderdeel a bedoelde informatie;

c. licht de vermogensbeheerder de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan het beheren van het individuele vermogen voorzover dit nodig is voor een goed begrip van de dienstverlening.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de wijze waarop deze informatie wordt ingewonnen; en

b. de wijze waarop de toelichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gegeven.

3. Dit artikel is niet van toepassing op het beheren van individuele vermogens ten behoeve van professionele beleggers.

Artikel 4:91

Indien een beleggingsonderneming die is toegelaten tot een gereglementeerde markt in Nederland ingevolge de op grond van artikel 5:26 te hanteren regels verplicht is ter medewerking aan de controle op de naleving van die regels persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens te verstrekken, behoeft de beleggingsonderneming voor deze verstrekking niet de toestemming van degene op wie de persoonsgegevens betrekking hebben.

AFDELING 4.3.8 ONDERLINGE VERHOUDING FINANCIËLE ONDERNEMINGEN

§ 4.3.8.1. Verhouding tussen aanbieder, (onder)bemiddelaar en (onder)gevolmachtigde agent

Artikel 4:92

1. Met uitzondering van artikel 4:93 is het ingevolge deze paragraaf bepaalde met betrekking tot de verhouding tussen een aanbieder en een bemiddelaar van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen een gevolmachtigde agent en een bemiddelaar;

b. de verhouding tussen een ondergevolmachtigde agent en een bemiddelaar; en

c. de verhouding tussen een bemiddelaar en een onderbemiddelaar.

2. Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen een aanbieder en een gevolmachtigde agent is van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen een gevolmachtigde agent en een ondergevolmachtigde agent; en

b. de verhouding tussen een ondergevolmachtigde agent en een andere ondergevolmachtigde agent waaraan hij een ondervolmacht heeft verleend.

Artikel 4:93

1. Een aanbieder draagt er zorg voor dat een bemiddelaar als bedoeld in artikel 1a:78, tweede lid, via welke hij overeenkomsten met consumenten of, indien het verzekeringen betreft, cliënten aangaat, voldoet aan het ingevolge deze wet bepaalde.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieder er zorg voor draagt dat de bemiddelaar voldoet aan het ingevolge deze wet bepaalde.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het krachtens het tweede lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

Artikel 4:94

1. Een aanbieder die voor de eerste maal door tussenkomst van een bepaalde bemiddelaar een overeenkomst inzake een financieel product aangaat, gaat daartoe pas over nadat hij zich ervan heeft vergewist dat de bemiddelaar voor het bemiddelen in dat financiële product niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid, en dat aan de bemiddelaar geen verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd.

2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden en indien hij in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem daaromtrent twijfel oproepen na of de bemiddelaar door wiens tussenkomst hij overeenkomsten inzake financiële producten aangaat of die hem assisteert bij het beheer en de uitvoering van een overeenkomst inzake een krediet of verzekering, met betrekking tot deze activiteit niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid, of dat aan de bemiddelaar met betrekking tot deze activiteit geen verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd.

3. Indien de bemiddelaar, bedoeld in het tweede lid, handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:77, eerste lid, of aan hem een verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd, gaat de aanbieder geen overeenkomsten inzake financiële producten meer aan door tussenkomst van de bemiddelaar. De bemiddelaar kan de aanbieder assisteren bij het beheer en de uitvoering van reeds aangegane overeenkomsten inzake een krediet of verzekering voorzover het de bemiddelaar op grond van artikel 1:38, tweede lid, 1:83, derde lid, of 4:4, tweede lid, is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen.

Artikel 4:95

1. Een aanbieder gaat pas over tot het verlenen van een volmacht nadat hij zich ervan heeft vergewist dat de gevolmachtigde agent niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, en aan de gevolmachtigde agent geen verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, is opgelegd.

2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden en indien hij in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem daaromtrent twijfel oproepen na of de gevolmachtigde agent waaraan hij een volmacht heeft verleend niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, of dat aan de gevolmachtigde agent geen verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, is opgelegd.

3. Indien de gevolmachtigde agent, bedoeld in het tweede lid, handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, of aan hem een verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, is opgelegd, beëindigt de aanbieder de volmacht. De aanbieder kan de gevolmachtigde agent belasten met het beheer en de afwikkeling van de door hem gevormde verzekeringsportefeuille voorzover het de gevolmachtigde agent op grond van artikel 1:83, derde lid, of 4:4, tweede lid, is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen.

Artikel 4:96

1. Indien een bemiddelaar in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt dat een aanbieder voor welke hij bemiddelt voor het aanbieden van dat financiële product handelt in strijd met een in hoofdstuk 1a.2 neergelegd verbod op het zonder daartoe verleende vergunning uitoefenen van een bedrijf of verlenen van een financiële dienst of dat aan de aanbieder een verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, 1:83, derde lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd, bemiddelt hij niet meer voor de aanbieder, behoudens voorzover het de aanbieder is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen op grond van artikel 1:38, tweede lid, of artikel 4:4, tweede lid.

2. Indien een gevolmachtigde agent in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt dat een aanbieder voor welke hij optreedt als gevolmachtigde agent handelt in strijd met een in hoofdstuk 1a.2 neergelegd verbod op het zonder daartoe verleende vergunning uitoefenen van een bedrijf of verlenen van een financiële dienst of dat aan de aanbieder een verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd, treedt hij niet meer op als gevolmachtigde agent voor de aanbieder, behoudens voorzover het de aanbieder op grond van artikel 1:38, tweede lid, 1:83, derde lid, of 4:4, tweede lid, is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen.

Artikel 4:97

1. Indien een aanbieder in het kader van de normale bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent het ingevolge artikel 4:9, 4:10, 4:15 of 4:75 bepaalde overtreedt, meldt de aanbieder de geconstateerde overtreding onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Indien een aanbieder in het kader van de normale bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent het ingevolge deze wet bepaalde, met uitzondering van het ingevolge artikel 4:9, 4:10, 4:15 of 4:75 bepaalde, stelselmatig overtreedt, meldt de aanbieder de geconstateerde overtredingen onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin de aanbieder een overtreding als bedoeld in het eerste en tweede lid, meldt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieder een overtreding meldt.

Artikel 4:98

Degene die tot een melding op grond van artikel 4:97 is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Artikel 4:99

1. Financiële ondernemingen stellen elkaar over en weer in staat te voldoen aan hetgeen ingevolge dit deel is bepaald, voorzover zij daarvoor van elkaar afhankelijk zijn.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de wijze waarop financiële ondernemingen elkaar in staat stellen om aan dit deel te voldoen.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het krachtens het tweede lid bepaalde indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

§ 4.3.8.2. Verhouding tussen beleggingsondernemingen

Artikel 4:100

1. Een beleggingsonderneming die voor de eerste maal een beleggingsdienst als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel a of b, verleent voor een andere beleggingsonderneming of een beleggingsdienst verleent voor cliënten die worden aangebracht door een andere beleggingsonderneming gaat daartoe pas over nadat zij zich ervan heeft vergewist dat de andere beleggingsonderneming niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, of dat aan de andere beleggingsonderneming geen verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd.

2. De beleggingsonderneming gaat eenmaal per twaalf maanden en indien zij in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij haar daaromtrent twijfel oproepen na of de andere beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, niet handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, of dat aan de andere beleggingsonderneming geen verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd.

3. Indien de andere beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, handelt in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 1a:89, eerste lid, of aan haar een verbod als bedoeld in artikel 1:38, tweede lid, of 4:4, eerste lid, is opgelegd, verleent de beleggingsonderneming geen beleggingsdiensten meer voor de andere beleggingsonderneming of voor cliënten die worden aangebracht door de andere beleggingsonderneming.

§ 4.3.8.3. Verhouding tussen financiële ondernemingen bij financiële diensten met betrekking tot verzekeringen

Artikel 4:101

Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen een verzekeraar en een bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen een gevolmachtigde agent en een bemiddelaar;

b. de verhouding tussen een ondergevolmachtigde agent en een bemiddelaar; en

c. de verhouding tussen een bemiddelaar en een onderbemiddelaar.

Artikel 4:102

Een verzekering die door bemiddeling van een bemiddelaar tot stand is gekomen of naar de portefeuille van een bemiddelaar is overgeboekt, behoort in de relatie tot de betrokken verzekeraar tot de portefeuille van die bemiddelaar zolang die verzekering daaruit niet is overgeboekt.

Artikel 4:103

1. Een verzekeraar boekt niet zonder toestemming van de bemiddelaar of diens rechtverkrijgenden een deel of het geheel van diens portefeuille over naar de portefeuille van een andere bemiddelaar.

2. In afwijking van het eerste lid boekt de verzekeraar op schriftelijk verzoek van een cliënt diens verzekering uit de portefeuille van een bemiddelaar over naar die van een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het door een verzekeraar in eigen beheer nemen van een verzekering.

4. De verzekeraar verleent op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking aan de gehele of gedeeltelijke overdracht van de portefeuille van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

Artikel 4:104

1. Tenzij anders wordt overeengekomen of de bemiddelaar zich bij de verzekering tegenover de verzekeraar tot betaling van premie en kosten als eigen schuld heeft verbonden, verzorgt de bemiddelaar voor de verzekeraar het incasso van de premies. Ter zake van dit premie-incasso is hij jegens de verzekeraar te allen tijde rekening en verantwoording schuldig.

2. Tenzij tussen een verzekeraar en een bemiddelaar anders is overeengekomen kan de verzekeraar bepalen dat de bemiddelaar niet langer gerechtigd is tot premie-incasso, indien:

a. de bemiddelaar niet meer is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:93;

b. de bemiddelaar het premie-incasso in ernstige mate verwaarloost;

c. de bemiddelaar in gebreke blijft namens de verzekeraar door hem geïnde premies tijdig aan deze af te dragen; of

d. de bemiddelaar zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen, die de vrees wettigen dat hij niet zal voldoen aan zijn uit het premie-incasso voortvloeiende verplichtingen.

3. In de gevallen waarin op grond van het tweede lid het premie-incasso door een bemiddelaar eindigt, wordt dit door de verzekeraar overgenomen.

F

Na het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen wordt een deel toegevoegd, luidende:

DEEL GEDRAGSTOEZICHT FINANCIËLE MARKTEN

HOOFDSTUK 5.1 REGELS VOOR HET AANBIEDEN VAN EFFECTEN

AFDELING 5.1.1 INLEIDENDE BEPALING

Artikel 5:1

Voor de toepassing van het ingevolge dit hoofdstuk bepaalde wordt verstaan onder:

a. aanbieden van effecten aan het publiek: het doen van een tot meer dan een persoon gericht voldoende bepaald aanbod tot het aangaan van een overeenkomst tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten;

b. aanbieder: degene die effecten aan het publiek aanbiedt;

c. aanbiedingsprogramma: programma dat de mogelijkheid opent voor het gedurende een daarin bepaalde periode doorlopend of periodiek aanbieden van effecten zonder aandelenkarakter of van de effecten, bedoeld in onderdeel d, onder 2°, van eenzelfde categorie of klasse;

d. effect met een aandelenkarakter:

1°. door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar aandeel of een ander met een aandeel gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs of recht; of

2°. elk ander door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar waardebewijs waarmee, door uitoefening van het aan dit waardebewijs verbonden recht, door conversie of omruiling een ander effect met een aandelenkarakter als bedoeld onder 1° kan worden verworven, indien het verhandelbare waardebewijs is uitgegeven door de rechtspersoon, vennootschap of instelling, of door een daarmee in een groep verbonden groepsmaatschappij, die ook het te verwerven effect met een aandelenkarakter heeft uitgegeven;

e. effect zonder aandelenkarakter: effect dat geen effect met een aandelenkarakter is, te onderscheiden in de volgende categorieën:

1°. door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar waardebewijs, waarmee door uitoefening van het daaraan verbonden recht, door conversie of omruiling een ander effect kan worden verworven en dat niet is uitgegeven door de rechtspersoon, vennootschap of instelling, of door een daarmee in een groep verbonden groepsmaatschappij, die ook het te verwerven effect met een aandelenkarakter heeft uitgegeven;

2°. door een rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven verhandelbaar waardebewijs dat door uitoefening van het daaraan verbonden recht, recht geeft op een afwikkeling in geld;

3°. ieder overig effect dat geen effect met een aandelenkarakter is;

f. groep: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

AFDELING 5.1.2 VERBOD EN UITZONDERINGEN

Artikel 5:2

Het is verboden in Nederland effecten aan te bieden aan het publiek of effecten te doen toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, tenzij ter zake van de aanbieding of de toelating een prospectus algemeen verkrijgbaar is dat is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten of door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat.

Artikel 5:3

1. Artikel 5:2 is niet van toepassing op het aanbieden van effecten aan het publiek, indien:

a. uitsluitend aan professionele marktpartijen wordt aangeboden;

b. aan minder dan 100 natuurlijke personen of rechtspersonen, niet zijnde professionele marktpartijen, wordt aangeboden;

c. indien de aangeboden effecten slechts kunnen worden verworven tegen een tegenwaarde van ten minste € 50 000 per belegger;

d. de nominale waarde per effect ten minste € 50 000 bedraagt; of

e. de totale tegenwaarde van de aanbieding van effecten aan het publiek minder dan € 100 000 bedraagt, welk grensbedrag berekend wordt over een periode van twaalf maanden.

2. Het verbod, bedoeld in artikel 5:2 is voorts niet van toepassing op het aanbieden aan het publiek van de volgende categorieën effecten:

a. aandelen of certificaten van aandelen die zijn uitgegeven ter vervanging van reeds uitgegeven aandelen of certificaten van aandelen van dezelfde categorie of klasse, indien de uitgifte van deze nieuwe waardebewijzen geen verhoging van het geplaatst kapitaal tot gevolg heeft;

b. effecten die worden aangeboden bij een overname door middel van een openbaar bod tot ruil, indien een document algemeen verkrijgbaar is dat informatie bevat die gelijkwaardig is aan de informatie die het prospectus bevat;

c. effecten die worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn bij een fusie of splitsing, indien een document beschikbaar is dat informatie bevat die gelijkwaardig is aan de informatie die het prospectus bevat;

d. aandelen of certificaten van aandelen die kosteloos worden aangeboden of toegewezen dan wel zullen worden toegewezen aan aandeelhouders, en dividenden die worden uitgekeerd in de vorm van aandelen of certificaten daarvan van dezelfde categorie of klasse als de waardebewijzen waarop de dividenden worden uitgekeerd, indien een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat over het aantal aangeboden waardebewijzen, de kenmerken van de waardebewijzen, de redenen voor de aanbieding en de bijzonderheden daarvan; en

e. effecten die door een werkgever waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, of door een met die werkgever in een groep verbonden rechtspersoon, vennootschap of instelling, worden aangeboden of toegewezen dan wel toe te wijzen zijn aan huidige of voormalige bestuurders, huidige of voormalige leden van de raad van commissarissen of huidige of voormalige werknemers, indien een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat over het aantal aangeboden effecten, de kenmerken van de effecten, de redenen voor de aanbieding en de bijzonderheden daarvan.

3. De Autoriteit Financiële Markten houdt een register bij van de ingevolge artikel 1:1 bij algemene maatregel van bestuur als professionele marktpartij aangewezen categorieën van personen.

4. Aan uitgevende instellingen en degenen die voornemens zijn een aanbieding van effecten aan het publiek te doen wordt desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, inzage verleend in het register of een afschrift verstrekt uit het register.

5. De Autoriteit Financiële Markten draagt onverwijld zorg voor de doorhaling in het register van een inschrijving, indien een ingeschrevene, rechtsopvolger of erfgenaam daarvan, daarom verzoekt.

6. Met het oog op de adequate werking van de financiële markten kan de Autoriteit Financiële Markten een inschrijving in het register doorhalen.

Artikel 5:4

Artikel 5:2 is niet van toepassing op het toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van:

a. aandelen of certificaten van aandelen die, bezien over een periode van twaalf maanden, minder dan tien procent vertegenwoordigen van het aantal aandelen of certificaten van aandelen van dezelfde categorie of klasse die reeds zijn toegelaten tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt;

b. aandelen of certificaten van aandelen die zijn uitgegeven ter vervanging van aandelen of certificaten van aandelen van dezelfde categorie of klasse die reeds zijn toegelaten tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt, en waarvan de uitgifte niet leidt tot een verhoging van het geplaatst kapitaal;

c. effecten die worden aangeboden bij een overname door middel van een openbaar bod tot ruil, indien een document beschikbaar is dat informatie bevat die gelijkwaardig is aan de informatie die het prospectus bevat;

d. effecten die worden aangeboden of zijn dan wel zullen worden toegewezen in verband met een fusie of splitsing, indien een document beschikbaar is dat informatie bevat die gelijkwaardig is aan de informatie die het prospectus bevat;

e. aandelen of certificaten daarvan die kosteloos worden aangeboden of zijn dan wel zullen worden toegewezen aan de aandeelhouders of als dividend worden uitgekeerd in de vorm van aandelen of certificaten daarvan van dezelfde categorie of klasse als de waardebewijzen waarop zij worden uitgekeerd, indien deze waardebewijzen van dezelfde categorie of klasse zijn als de waardebewijzen die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten en een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat over het aantal aangeboden waardebewijzen, de kenmerken van de waardebewijzen, de redenen voor de aanbieding en de bijzonderheden daarvan;

f. effecten die door een werkgever of een met die werkgever in een groep verbonden rechtspersoon, vennootschap of instelling worden aangeboden of toegewezen dan wel zullen worden toegewezen, aan zijn huidige of voormalige bestuurders, huidige of voormalige leden van de raad van commissarissen of huidige of voormalige werknemers, indien die effecten van dezelfde categorie of klasse zijn als de effecten die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten en een document beschikbaar wordt gesteld dat informatie bevat over het aantal aangeboden effecten, de kenmerken van de effecten, de redenen voor de aanbieding en de bijzonderheden daarvan;

g. aandelen of certificaten daarvan die voortkomen uit de conversie of omruiling van andere effecten of uit de uitoefening van rechten verbonden aan andere effecten, indien die aandelen of certificaten daarvan van dezelfde categorie of klasse zijn als de aandelen of certificaten daarvan die reeds tot de handel op dezelfde gereglementeerde markt zijn toegelaten; en

h. effecten die reeds tot de handel op een andere gereglementeerde markt zijn toegelaten indien:

1°. die effecten, of effecten van dezelfde categorie of klasse, gedurende meer dan achttien maanden toegelaten zijn tot de handel op die andere gereglementeerde markt;

2°. voorzover het effecten betreft die voor het eerst tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten na inwerkingtreding van de richtlijn prospectus, bij de toelating tot de handel op die andere gereglementeerde markt een goedgekeurd prospectus is uitgebracht dat conform artikel 5:21 algemeen verkrijgbaar is gesteld;

3°. het prospectus voor die effecten, indien deze na 30 juni 1983 voor het eerst tot de notering zijn toegelaten is goedgekeurd overeenkomstig richtlijn nr. 80/390/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1980 tot coördinatie van de eisen gesteld aan de opstelling van, het toezicht op en de verspreiding van het prospectus dat gepubliceerd moet worden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs (PbEG L 100) of richtlijn nr. 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PbEG L 184), tenzij het bepaalde onder 2° van toepassing is;

4°. de geldende verplichtingen inzake handel op die andere gereglementeerde markt zijn vervuld;

5°. degene die verzoekt om toelating van effecten tot de handel op de gereglementeerde markt, een samenvatting algemeen verkrijgbaar stelt in een taal die wordt aanvaard door de toezichthouder;

6°. de samenvatting op de in artikel 5:21 bedoelde wijze algemeen verkrijgbaar wordt gesteld; en

7°. de inhoud van de samenvatting voldoet aan artikel 5:14 en in de samenvatting vermeld wordt waar het meest recente prospectus te verkrijgen is en waar de uitgevende instelling de financiële informatie op grond van zijn doorlopende informatieverplichtingen ter beschikking stelt.

Artikel 5:5

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 5:2.

AFDELING 5.1.3 AANBIEDEN VAN EFFECTEN AAN HET PUBLIEK EN HET TOELATEN VAN EFFECTEN OP EEN GEREGLEMENTEERDE MARKT

§ 5.1.3.1. Goedkeuringsbevoegdheid

Artikel 5:6

1. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot goedkeuring van een prospectus, indien de uitgevende instelling zetel heeft in Nederland en het een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt betreft:

a. in Nederland of in een andere lidstaat van effecten met een aandelenkarakter;

b. in Nederland van effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 1° en 2°;

c. in Nederland of in een andere lidstaat van effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 3°, met een nominale waarde per effect die kleiner is dan € 1 000; of

d. in Nederland van effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 3°, met een nominale waarde per effect van ten minste € 1 000.

2. De Autoriteit Financiële Markten is tevens bevoegd tot goedkeuring van een prospectus indien het een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt betreft:

a. van effecten met een aandelenkarakter of effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 3°, met een nominale waarde per effect die kleiner is dan € 1 000:

1°. in Nederland door een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is;

2°. in Nederland of in een andere lidstaat door een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is indien bij een eerdere aanbieding van die effecten aan het publiek of een toelating van die effecten tot de handel op een gereglementeerde markt is gekozen voor goedkeuring door de Autoriteit Financiële Markten; of

3°. in Nederland of in een andere lidstaat door een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is, indien bij een eerdere aanbieding van die effecten aan het publiek of een toelating van die effecten tot de handel op een gereglementeerde markt een ander heeft gekozen voor goedkeuring door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat en de uitgevende instelling met betrekking tot de aanbieding van die effecten aan het publiek of de toelating van die effecten tot de handel op een gereglementeerde markt kiest voor goedkeuring door de Autoriteit Financiële Markten;

b. van effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 1° en 2° of effecten zonder aandelenkarakter als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel e, onder 3°, met een nominale waarde per effect van ten minste € 1 000:

1°. in een andere lidstaat door een uitgevende instelling met zetel in Nederland;

2°. in Nederland door een uitgevende instelling met zetel in een andere lidstaat; of

3°. in Nederland of in een andere lidstaat door een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is.

3. Voorzover het eerste lid, aanhef en onderdeel c of d, of het tweede lid betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter waarvan de nominale waarde niet luidt in euro's, wordt voor de toepassing van de in die bepalingen genoemde grensbedragen de nominale waarde van de effecten omgerekend in euro's, waarbij een omgerekende waarde van nagenoeg € 1 000 wordt gelijkgesteld aan € 1 000.

Artikel 5:7

De Autoriteit Financiële Markten is tevens bevoegd tot goedkeuring van een prospectus, indien een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat die bevoegd is om het prospectus goed te keuren de Autoriteit Financiële Markten heeft verzocht om het prospectus goed te keuren en de Autoriteit Financiële Markten daarmee heeft ingestemd.

Artikel 5:8

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 5:6, eerste of tweede lid, bevoegd is om een prospectus goed te keuren, kan zij een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat verzoeken een besluit omtrent de goedkeuring van het prospectus te nemen. Indien die instantie daarmee instemt, besluit de Autoriteit Financiële Markten de aanvraag niet verder te behandelen en doet zij daarvan mededeling aan de aanvrager. Vanaf het tijdstip van de mededeling is de Autoriteit Financiële Markten niet langer bevoegd om het prospectus goed te keuren.

2. De Autoriteit Financiële Markten stelt de aanvrager en Onze Minister binnen drie werkdagen in kennis van een verzoek dat zij krachtens het eerste lid heeft gedaan.

3. Indien de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat heeft ingestemd met het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van het prospectus, zendt de Autoriteit Financiële Markten de op de aanvraag betrekking hebbende documenten onverwijld door naar die instantie.

§ 5.1.3.2. Goedkeuring van het prospectus

Artikel 5:9

1. De Autoriteit Financiële Markten verleent goedkeuring van een prospectus indien wordt voldaan aan:

a. de artikelen 5:13 tot en met 5:19; en

b. de artikelen 3 tot en met 23, 25, 26, met uitzondering van het vijfde lid, en 28 van de prospectusverordening.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij bevoegd is op grond van artikel 5:6 of 5:7, goedkeuring van het prospectus verlenen aan een uitgevende instelling met zetel in een staat die geen lidstaat is indien:

a. die instelling het prospectus heeft opgesteld in overeenstemming met de wetgeving van de staat van haar zetel;

b. die instelling het prospectus heeft opgesteld conform door internationale organisaties van effectentoezichthouders opgestelde internationale standaarden, met inbegrip van standaarden voor de informatievoorziening; en

c. de doorlopende informatievereisten omtrent het bedrijf van de uitgevende instelling, met inbegrip van informatie van financiële aard, gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de richtlijn prospectus.

Artikel 5:9a

1. De Autoriteit Financiële Markten maakt na ontvangst van een aanvraag van goedkeuring zijn besluit omtrent de goedkeuring binnen tien werkdagen bekend aan de aanvrager.

2. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste twintig werkdagen, indien het een effectenuitgevende instelling betreft waarvan nog geen effecten zijn aangeboden aan het publiek of toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt.

3. Indien de door de aanvrager ingediende documenten onvolledig zijn of ingevolge artikel 3, derde alinea, 22, eerste lid, derde alinea, 23, eerste lid of derde lid, tweede alinea, van de prospectusverordening aanvullende informatie nodig is voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat of de vooruitzichten van de instelling of de aan de effecten verbonden rechten en plichten, stelt de Autoriteit Financiële Markten de aanvrager hiervan binnen de termijn, bedoeld in het eerste of, indien van toepassing, het tweede lid op de hoogte en stelt zij hem binnen een door haar te stellen termijn in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen. Indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn de aanvraag heeft aangevuld, kan de Autoriteit Financiële Markten besluiten de aanvraag niet verder te behandelen.

4. Indien de aanvrager overeenkomstig het derde lid, eerste volzin, door de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag aan te vullen, gaan de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, opnieuw in, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de aanvullende informatie heeft verstrekt.

5. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

Artikel 5:10

1. Indien de Autoriteit Financiële Markten een prospectus heeft goedgekeurd, verstrekt zij op aanvraag van de uitgevende instelling of van de met het opstellen van het prospectus belaste persoon aan de toezichthoudende instantie van iedere andere lidstaat waar de desbetreffende effecten aan het publiek worden aangeboden of waar toelating van die effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt aangevraagd, een verklaring dat het prospectus in overeenstemming met de richtlijn prospectus is opgesteld, alsmede een afschrift van het goedgekeurde prospectus. De kennisgeving gaat desgevraagd vergezeld van een vertaling van de samenvatting.

2. De Autoriteit Financiële Markten verstrekt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, en het afschrift van het goedgekeurde prospectus binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag wordt gedaan voordat goedkeuring is verleend, verstrekt de Autoriteit Financiële Markten de verklaring binnen een werkdag nadat de goedkeuring is verleend.

3. Indien van toepassing vermeldt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, tevens dat de Autoriteit Financiële Markten, met inachtneming van artikel 5:18, derde en vierde lid, heeft toegestaan dat bepaalde informatie niet in het prospectus behoeft te worden opgenomen alsmede de redenen daarvoor.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een door de Autoriteit Financiële Markten goedgekeurd document ter aanvulling van het prospectus als bedoeld in artikel 5:23.

§ 5.1.3.3. Reikwijdte van een in een andere lidstaat goedgekeurd prospectus

Artikel 5:11

1. Een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt die beschikt over een prospectus dat is goedgekeurd door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, kan de desbetreffende effecten in Nederland aan het publiek aanbieden of doen toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, indien de Autoriteit Financiële Markten een verklaring dat het prospectus in overeenstemming met de richtlijn prospectus is opgesteld en een afschrift van het goedgekeurde prospectus heeft ontvangen van de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat.

2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, vermeldt, indien van toepassing, dat artikel 8, tweede of derde lid, van de richtlijn prospectus of de regelgeving van een lidstaat ter implementatie daarvan is toegepast alsmede de redenen daarvoor.

§ 5.1.3.4. Procedure inzake het opstellen van het prospectus en de in het prospectus op te nemen gegevens Artikel 5:12

De artikelen 5:13 tot en met 5:18, 5:20 en 5:21 zijn uitsluitend van toepassing met betrekking tot aanbiedingen van effecten aan het publiek en toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt terzake waarvan de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 5:6 of 5:7 bevoegd is tot de goedkeuring van het prospectus.

Artikel 5:13

1. Het prospectus bevat alle gegevens die, gelet op de aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op de gereglementeerde markt toe te laten effecten, van belang zijn voor het vormen van een verantwoord oordeel over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant en de rechten en plichten welke aan deze effecten verbonden zijn, waaronder de gegevens, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 23 van de prospectusverordening en de bij die artikelen behorende bijlagen.

2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn niet met elkaar in strijd of in tegenspraak met andere bij de Autoriteit Financiële Markten aanwezige informatie omtrent de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van toelating van effecten tot de handel op de gereglementeerde markt en worden gepresenteerd in een vorm die voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon begrijpelijk zijn.

Artikel 5:14

1. De samenvatting beschrijft op beknopte wijze en in bewoordingen die voor een redelijk geïnformeerde en zorgvuldig handelende persoon begrijpelijk zijn de belangrijkste kenmerken van en risico's verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten, in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld.

2. De samenvatting bevat de waarschuwing dat:

a. de samenvatting gelezen moet worden als een inleiding op het prospectus;

b. een beslissing om in de effecten te beleggen gebaseerd moet zijn op de bestudering van het gehele prospectus door degene die in de effecten belegt;

c. indien een vordering met betrekking tot de informatie in het prospectus bij een rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt, de eiser in de procedure eventueel volgens de nationale wetgeving van de lidstaten de kosten voor de vertaling van het prospectus draagt voordat de vordering wordt ingesteld; en

d. degenen die de samenvatting, met inbegrip van een vertaling ervan, hebben ingediend en om een verklaring als bedoeld in artikel 5:10, eerste lid, hebben verzocht, uitsluitend aansprakelijk kunnen worden gesteld, indien de samenvatting gelezen in samenhang met de andere delen van het prospectus misleidend, onjuist of inconsistent is.

Artikel 5:15

1. Het prospectus wordt opgesteld in:

a. een enkel document dat, naast een samenvatting die voldoet aan artikel 5:14, ten minste de gegevens bevat, bedoeld in het eerste lid van artikel 5:13; of

b. de drie hierna genoemde afzonderlijke documenten:

1°. een registratiedocument dat gegevens bevat over de uitgevende instelling;

2°. een verrichtingsnota die gegevens bevat over de effecten die aan het publiek worden aangeboden of waarvoor een aanvraag tot toelating tot de handel op een gereglementeerde markt wordt ingediend; en

3°. een samenvatting die voldoet aan artikel 5:14.

2. De uitgevende instelling die in het bezit is van een registratiedocument dat deel uitmaakt van een reeds goedgekeurd prospectus, stelt alleen dan een nieuwe verrichtingsnota en een samenvatting op, indien effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten.

3. Indien zich na de goedkeuring van het meest actuele registratiedocument of van enig document ter aanvulling van het prospectus overeenkomstig artikel 5:23 een verandering of recente ontwikkeling van betekenis heeft voorgedaan die de beoordeling van de aanbieding door degene die in effecten belegt zou kunnen beïnvloeden, bevat de verrichtingsnota, bedoeld in het tweede lid, de gegevens die in een registratiedocument moeten worden vermeld. De verrichtingsnota en de samenvatting vormen tezamen met het in het tweede lid bedoelde registratiedocument een nieuw prospectus.

Artikel 5:16

1. Een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt kan, het prospectus opstellen in de vorm van een basisprospectus dat, voorzover van toepassing, de in de artikelen 5:13 en 5:14 bedoelde informatie bevat, indien het betreft:

a. effecten zonder aandelenkarakter die worden aangeboden of uitgegeven in het kader van een aanbiedingsprogramma; of

b. effecten zonder aandelenkarakter die doorlopend of periodiek door kredietinstellingen worden aangeboden of uitgegeven; indien:

1°. de opbrengsten van de aanbieding of toelating van de effecten overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen worden belegd in activa die afdoende dekking vormen voor de verplichtingen die tot de vervaldag uit de bedoelde effecten voortvloeien; en

2°. deze opbrengsten bij faillissement van de betrokken kredietinstelling bij voorrang worden gebruikt om het kapitaal en de verschuldigde rente terug te betalen, onverminderd het bepaalde in richtlijn nr. 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PbEG L 125).

2. Indien een uitgevende instelling de definitieve voorwaarden van een aanbieding van effecten aan het publiek niet in het basisprospectus en evenmin in een document ter aanvulling van het prospectus heeft vermeld, stelt zij deze bij elke aanbieding van effecten aan het publiek of toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt algemeen verkrijgbaar en deponeert zij de definitieve voorwaarden zo spoedig mogelijk bij de Autoriteit Financiële Markten, voorzover mogelijk voor de aanvang van de aanbieding van effecten aan het publiek of de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt. Artikel 5:18, eerste lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:17

1. Indien in het prospectus informatie door middel van verwijzing wordt opgenomen, wordt verwezen naar eerder of gelijktijdig met het prospectus algemeen verkrijgbaar gestelde documenten die door de Autoriteit Financiële Markten, of, indien van toepassing, door een bevoegde toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, in overeenstemming met de richtlijn prospectus of de titels IV of V van de richtlijn nr. 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PbEG L 184), zijn goedgekeurd of bij de Autoriteit Financiële Markten of de instantie van een andere lidstaat zijn gedeponeerd.

2. De informatie waarnaar in het prospectus wordt verwezen, is de meest recente die de uitgevende instelling algemeen verkrijgbaar heeft gesteld.

3. In de samenvatting wordt geen informatie door middel van verwijzing opgenomen.

4. Bij opneming van informatie door middel van verwijzing in het prospectus wordt een lijst met de gebruikte verwijzingen verstrekt opdat degene die in effecten belegt specifieke gegevens gemakkelijk kan terugvinden.

Artikel 5:18

1. Indien de uitgevende instelling of de aanbieder de definitieve prijs of ruilverhouding waartegen de effecten aan het publiek zullen worden aangeboden en het definitieve aantal effecten dat zal worden aangeboden niet in het prospectus vermeldt, vermeldt het prospectus de criteria of de voorwaarden aan de hand waarvan deze gegevens zullen worden vastgesteld of, in het geval nog geen definitieve prijs is vermeldt, een maximumprijs.

2. De uitgevende instelling of de aanbieder deponeert bij de Autoriteit Financiële Markten de gegevens met betrekking tot de definitieve prijs waartegen de effecten aan het publiek zullen worden aangeboden en het definitieve aantal aan te bieden effecten en stelt deze gegevens algemeen verkrijgbaar overeenkomstig artikel 5:21, derde lid.

3. De Autoriteit Financiële Markten kan ontheffing verlenen van de ingevolge dit hoofdstuk of de prospectusverordening in het prospectus op te nemen informatie, indien:

a. openbaarmaking van die informatie in strijd is met het algemeen belang;

b. openbaarmaking van die informatie de uitgevende instelling ernstig zou schaden, en het achterwege blijven van de vermelding het publiek niet kan misleiden ten aanzien van feiten en omstandigheden die van essentieel belang zijn om tot een verantwoord oordeel te kunnen komen over de uitgevende instelling, de aanbieder, aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, of in voorkomend geval de garant of over de rechten die verbonden zijn aan de effecten waarop het prospectus betrekking heeft; of

c. dergelijke informatie van minder belang is, uitsluitend voor een specifieke aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt bedoeld is en niet van zodanige aard is dat zij invloed heeft op de beoordeling van de financiële positie en vooruitzichten van de uitgevende instelling, de aanbieder, aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt of, in voorkomend geval, de garant.

4. Indien de ingevolge de artikelen 3 tot en met 22 van de prospectusverordening in het prospectus te vermelden gegevens niet aansluiten bij de activiteiten dan wel de rechtsvorm van de uitgevende instelling of bij de effecten waarop het prospectus betrekking heeft, neemt de uitgevende instelling, indien zij daarover beschikt, gegevens in het prospectus op die gelijkwaardig zijn aan de vereiste gegevens, zonder afbreuk te doen aan de adequate informatievoorziening aan beleggers.

Artikel 5:19

1. Een prospectus ten behoeve van het in Nederland aanbieden van effecten aan het publiek of het toelaten van effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt ten aanzien waarvan de Autoriteit Financiële Markten tot goedkeuring bevoegd is, wordt, ongeacht of deze effecten ook in andere lidstaten worden aangeboden, opgesteld in de Nederlandse taal of in een taal die in de internationale financiële kringen gebruikelijk is.

2. Een prospectus ten behoeve van het in Nederland aanbieden van effecten aan het publiek of het toelaten van effecten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt ten aanzien waarvan een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat tot goedkeuring bevoegd is, wordt opgesteld in de Nederlandse taal of in een taal die in de internationale financiële kringen gebruikelijk is. Indien het prospectus in een andere dan de Nederlandse taal is opgesteld, kan de Autoriteit Financiële Markten verlangen dat de samenvatting in de Nederlandse taal wordt vertaald.

3. Een prospectus ten behoeve van het in een andere lidstaat aanbieden van effecten aan het publiek of het toelaten van effecten tot de handel op een in een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt ten aanzien waarvan de Autoriteit Financiële Markten tot goedkeuring bevoegd is, wordt opgesteld in de Nederlandse taal of in een taal die in de internationale financiële kringen gebruikelijk is.

4. Een prospectus ten behoeve van het toelaten van effecten zonder aandelenkarakter met een nominale waarde per eenheid van ten minste € 50 000 tot de handel op een in een andere lidstaat gelegen of functionerende gereglementeerde markt ten aanzien waarvan de Autoriteit Financiële Markten tot goedkeuring bevoegd is, of ten behoeve van het toelaten van effecten zonder aandelenkarakter met een nominale waarde per eenheid van ten minste € 50 000 tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt ten aanzien waarvan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat tot goedkeuring bevoegd is, wordt opgesteld in een taal die door de Autoriteit Financiële Markten en de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat wordt aanvaard of een taal die in de internationale financiële kringen gebruikelijk is.

§ 5.1.3.5. Reclame-uitingen, algemeenverkrijgbaarstelling van het prospectus en geldigheidsduur van het prospectus

Artikel 5:20

1. Een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt draagt er zorg voor dat een reclame-uiting die betrekking heeft op het aanbieden van effecten aan het publiek of op de toelating van effecten tot de handel op de gereglementeerde markt:

a. vermeldt dat er een prospectus algemeen verkrijgbaar is of wordt gesteld en waar het prospectus kan worden verkregen; en

b. als reclame-uiting herkenbaar is en informatie bevat die niet onjuist of misleidend is en in overeenstemming is met de informatie die in het prospectus is of wordt opgenomen.

2. Een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt doet geen mondelinge of schriftelijke mededelingen die betrekking hebben op de aanbieding van effecten aan het publiek of de toelating van effecten tot de handel op de gereglementeerde markt die niet overeenstemmen met de informatie die in het prospectus is vermeld.

3. Een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt neemt de door hem tot professionele marktpartijen en andere personen gerichte essentiële informatie, met inbegrip van in het kader van bijeenkomsten betreffende aanbiedingen van effecten aan het publiek of toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt verstrekte informatie die van belang is voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de aan de effecten verbonden rechten en plichten, op in het prospectus of, overeenkomstig artikel 5:23, in een document ter aanvulling van het prospectus.

4. Indien op grond van artikel 5:3, 5:4 of 5:5, of indien van toepassing, op grond van het recht van een andere lidstaat, ter zake van een aanbieding van effecten aan het publiek of een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt geen prospectus algemeen verkrijgbaar behoeft te worden gesteld, vindt het in het eerste tot en met het derde lid bepaalde geen toepassing en wordt de in het derde lid bedoelde informatie verstrekt aan diegenen waartoe de aanbieding van effecten aan het publiek is gericht.

Artikel 5:21

1. Na goedkeuring door de Autoriteit Financiële Markten kan het prospectus door de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, algemeen verkrijgbaar worden gesteld. De algemeenverkrijgbaarstelling vindt plaats binnen een redelijke termijn voorafgaand aan en uiterlijk bij aanvang van de aanbieding van effecten aan het publiek of de toelating van de betrokken effecten tot de handel op de gereglementeerde markt.

2. In geval van een eerste aanbieding aan het publiek of toelating tot de handel op een gereglementeerde markt van effecten als bedoeld in artikel 5:1, onderdeel d, onder 1°, die nog niet tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en die voor de eerste keer tot de handel op een gereglementeerde markt zullen worden toegelaten, stelt de aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt het prospectus tenminste zes werkdagen voor het einde van de aanbieding of toelating algemeen verkrijgbaar.

3. De uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt stelt het prospectus algemeen verkrijgbaar door middel van:

a. publicatie in een landelijk verspreid dagblad in de lidstaat waar de aanbieding van effecten aan het publiek wordt gedaan of waar de toelating van effecten tot de handel op de gereglementeerde markt wordt aangevraagd;

b. een drukwerk dat kosteloos kan worden verkregen ten kantore van de houder van de gereglementeerde markt waar de effecten tot de handel worden toegelaten, of ten kantore van de uitgevende instelling en ten kantore van de effecteninstelling die de effecten plaatst of anderszins werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in de desbetreffende effecten;

c. plaatsing op de website van de uitgevende instelling en, in voorkomend geval, op de website van de effecteninstelling die de effecten plaatst of anderszins werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in de desbetreffende effecten;

d. plaatsing op de website van de houder van de gereglementeerde markt waar de toelating van de effecten tot de handel werd aangevraagd; of

e. plaatsing op de website van de Autoriteit Financiële Markten, indien deze mogelijkheid wordt geboden.

4. Indien het prospectus op de wijze, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, is opgesteld, kunnen de verschillende documenten die het prospectus omvat afzonderlijk algemeen verkrijgbaar worden gesteld op de in het derde lid bepaalde wijze. In elk afzonderlijk algemeen verkrijgbaar gesteld document wordt vermeld waar de andere delen van het prospectus kunnen worden verkregen.

5. De vorm en inhoud van het algemeen verkrijgbaar gestelde prospectus of de documenten ter aanvulling daarvan stemmen steeds geheel overeen met de vorm en inhoud van het prospectus dat door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd.

6. Indien het prospectus uitsluitend elektronisch algemeen verkrijgbaar is gesteld, verstrekt de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt of de effecteninstelling aan een ieder die daarom verzoekt kosteloos een schriftelijk afschrift van het prospectus.

7. Indien in het prospectus informatie door middel van verwijzing als bedoeld in artikel 5:17 is opgenomen, kunnen de documenten waarnaar wordt verwezen, onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid, afzonderlijk algemeen verkrijgbaar worden gesteld. In elk afzonderlijk algemeen verkrijgbaar gesteld document wordt vermeld waar de andere delen van het prospectus kunnen worden verkregen.

Artikel 5:22

1. Een prospectus is gedurende twaalf maanden na algemeenverkrijgbaarstelling geldig voor aanbiedingen van effecten aan het publiek dan wel voor de toelatingen van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, indien het, voorzover van toepassing, wordt aangevuld met de ingevolge artikel 5:23 vereiste documenten.

2. In geval van een aanbiedingsprogramma is het eerder ingediende basisprospectus geldig gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden na algemeenverkrijgbaarstelling.

3. Het basisprospectus is voor de in artikel 5:16, eerste lid, onderdeel b, bedoelde effecten zonder aandelenkarakter geldig vanaf algemeenverkrijgbaarstelling tot het tijdstip waarop de betrokken effecten niet langer doorlopend of periodiek worden uitgegeven.

4. Een eerder gedeponeerd registratiedocument als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, is geldig voor een periode van ten hoogste twaalf maanden na algemeenverkrijgbaarstelling van het registratiedocument, indien het overeenkomstig artikel 5:23 is geactualiseerd. Het registratiedocument dat vergezeld gaat van de eventueel overeenkomstig artikel 5:15, derde lid, geactualiseerde verrichtingsnota en de samenvatting, wordt als een geldig prospectus beschouwd.

§ 5.1.3.6. Informatieverplichtingen na goedkeuring van het prospectus

Artikel 5:23

1. Indien tussen het tijdstip van de goedkeuring van een prospectus en het tijdstip waarop de handel in de desbetreffende effecten op een gereglementeerde markt aanvangt of de aanbieding van de desbetreffende effecten aan het publiek wordt afgesloten, zich een belangrijke nieuwe ontwikkeling voordoet die verband houdt met de informatie in het goedgekeurd prospectus of in het prospectus een materiële vergissing of onjuistheid wordt geconstateerd die van invloed kan zijn op de beoordeling van de effecten, stelt de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt een document ter aanvulling van het prospectus op. Het document behoeft de goedkeuring van de Autoriteit Financiële Markten.

2. De Autoriteit Financiële Markten neemt binnen zeven werkdagen na de ontvangst van een aanvraag tot goedkeuring van het document ter aanvulling van het prospectus een besluit omtrent die aanvraag en maakt dit onverwijld bekend aan de aanvrager van het document.

3. De samenvatting, bedoeld in artikel 5:14, en de eventuele vertaling daarvan worden zo nodig door de uitgevende instelling aangevuld met de nieuwe in het document ter aanvulling van het prospectus opgenomen informatie.

4. Het document ter aanvulling van het prospectus maakt, na goedkeuring door de Autoriteit Financiële Markten, deel uit van het prospectus.

5. Het document ter aanvulling van het prospectus wordt algemeen verkrijgbaar gesteld overeenkomstig artikel 5:21, derde lid.

6. Indien terzake van een aanbieding van effecten aan het publiek een document ter aanvulling van het prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld, heeft degene die terzake van deze effecten een overeenkomst inzake het kopen of verkrijgen van deze effecten is aangegaan of een aanbod heeft gericht op het aangaan van een overeenkomst inzake het kopen of verkrijgen van deze effecten, het recht om binnen twee werkdagen na de publicatie van dat document de overeenkomst te ontbinden of het aanbod te herroepen.

7. Indien ter zake van een toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt een document ter aanvulling van het prospectus algemeen verkrijgbaar is gesteld, komt het in het zesde lid genoemde recht tevens toe aan degene die een overeenkomst inzake het kopen of verkrijgen van deze effecten is aangegaan.

8. Indien een prospectus is goedgekeurd door de Autoriteit Financiële Markten en de effecten terzake waarvan het prospectus is goedgekeurd in een andere lidstaat aan het publiek worden aangeboden of zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, voldoet de Autoriteit Financiële Markten aan een verzoek van de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat om een document ter aanvulling van het prospectus te laten opstellen.

§ 5.1.3.7. Doorlopende informatieverplichting

Artikel 5:24

1. Een uitgevende instelling waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en waarvan het prospectus door de Autoriteit Financiële Markten is goedgekeurd stelt tenminste eenmaal per jaar een document algemeen verkrijgbaar dat voldoet aan het in het tweede lid bepaalde.

2. Het document, bedoeld in het eerste lid, bevat of verwijst naar:

a. de informatie die, met inachtneming van de vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PbEG L 222), de richtlijn geconsolideerde jaarrekening, de richtlijn nr. 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (PbEG L 184) en verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PbEG L 243), is opgesteld en door de uitgevende instelling in de twaalf maanden voorafgaand aan de publicatie van de jaarrekening algemeen verkrijgbaar is gesteld; en

b. de overige informatie die door de uitgevende instelling ingevolge wettelijke regelingen inzake het toezicht op het effectenverkeer in enige staat in de twaalf maanden voorafgaand aan de publicatie van de jaarrekening algemeen verkrijgbaar is gesteld.

3. Indien de uitgevende instelling informatie door middel van verwijzing in het document, bedoeld in het eerste lid, opneemt, wordt aangegeven waar en op welke wijze die informatie kan worden verkregen.

4. De uitgevende instelling, bedoeld in het eerste lid, deponeert het in het eerste lid bedoelde document bij de Autoriteit Financiële Markten nadat de jaarrekening is gepubliceerd.

5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op uitgevende instellingen waarvan uitsluitend effecten zonder aandelenkarakter met een nominale waarde per eenheid van ten minste € 50 000 zijn aangeboden.

6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt waren toegelaten voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ter implementatie van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 345) en tot uitvoering van verordening nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149), en waarvan de Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 5:6 bevoegd tot goedkeuring van het prospectus zou zijn geweest, indien de toelating pas na dat tijdstip van inwerkingtreding zou hebben plaatsgehad.

§ 5.1.3.8. Aanvullende bevoegdheden voor de Autoriteit Financiële Markten bij aanbieden van effecten

Artikel 5:25

De Autoriteit Financiële Markten kan overeenkomstige toepassing geven aan artikel 1:58, eerste lid, ten aanzien van een uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt, indien die uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager niet voldoet aan het ingevolge dit hoofdstuk of de prospectusverordening bepaalde.

HOOFDSTUK 5.2 REGELS VOOR HET HOUDEN VAN EEN MARKT IN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

AFDELING 5.2.1 ERKENNING VAN EEN MARKT IN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 5:26

1. Het houden van een markt in financiële instrumenten in Nederland is verboden zonder een daartoe verkregen erkenning van Onze Minister.

2. Onze Minister verleent op aanvraag een erkenning aan de houder van een markt in financiële instrumenten, indien deze aantoont dat:

a. hij zijn zetel heeft in Nederland;

b. het houden van de markt in financiële instrumenten, alsmede de voor die markt en diens dochterondernemingen te hanteren regels, hun toepassing en de controle op de naleving van die regels, zullen voldoen aan hetgeen nodig is met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

c. de personen die het dagelijks beleid van de houder bepalen voldoende deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de houder;

d. de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de houder bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat;

e. er adequate financiële waarborgen zijn; en

f. er een adequaat effectenafwikkelsysteem is.

3. Van een besluit tot verlening van een erkenning als bedoeld in het tweede lid en van de intrekking daarvan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het houden van een gereglementeerde markt, niet zijnde een gereglementeerde markt in Nederland, indien de houder zich houdt aan bij ministeriële regeling te stellen regels met het oog op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen en zuivere verhoudingen tussen marktpartijen.

Artikel 5:27

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden geregeld van artikel 5:26, eerste lid.

2. Onze Minister kan op aanvraag, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van artikel 5:26, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit hoofdstuk beoogt te beschermen anderszins voldoende worden beschermd.

AFDELING 5.2.2 HET HOUDEN VAN EEN GEREGLEMENTEERDE MARKT IN NEDERLAND

Artikel 5:28

1. Een houder van een gereglementeerde markt in Nederland draagt er zorg voor dat de voor die markt geldende regels kunnen worden toegepast op de beleggingsondernemingen die zijn toegelaten tot de handel op die markt en op de uitgevende instellingen wier effecten zijn toegelaten tot de handel op die markt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen en zuivere verhoudingen tussen marktpartijen regels worden gesteld met betrekking tot de voor gereglementeerde markten in Nederland te hanteren regels en hun toepassing en de controle op de naleving van die regels. In afwijking van de vorige volzin kunnen regels met betrekking tot de voor die markten te hanteren regels inzake beschermingsconstructies en hun toepassing, alsmede regels met betrekking tot de opening en sluiting van die markten kunnen, in afwijking van de vorige volzin, slechts bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld.

Artikel 5:29

1. De Autoriteit Financiële Markten kan de houder van een gereglementeerde markt in Nederland door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door haar gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking te bepalen punten jegens een uitgevende instelling wier effecten zijn toegelaten tot de handel op die markt een bepaalde gedragslijn te volgen, indien deze uitgevende instelling niet voldoet aan hetgeen in de regels voor die markt is bepaald.

2. De Autoriteit Financiële Markten kan de houder van een gereglementeerde markt in Nederland door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door haar gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking te bepalen punten jegens een beleggingsonderneming die is toegelaten tot de handel op die markt een bepaalde gedragslijn te volgen, indien deze beleggingsonderneming zich niet houdt aan hetgeen in de regels voor die markt is bepaald.

3. Onze Minister kan de houder van een gereglementeerde markt in Nederland door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om binnen een door hem gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking te bepalen punten jegens een uitgevende instelling wier effecten zijn toegelaten tot de handel op die markt een bepaalde gedragslijn te volgen, indien deze uitgevende instelling niet voldoet aan hetgeen in de regels voor die markt inzake beschermingsconstructies en hun toepassing is bepaald.

Artikel 5:30

1. Een houder van een gereglementeerde markt in Nederland houdt de voor die markt geldende regels in overeenstemming met de voor het houden van die markt toepasselijke richtlijnen van de Raad van de Europese Unie dan wel van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.

2. Onze Minister kan de houder van een gereglementeerde markt in Nederland door middel van het geven van een aanwijzing verplichten te handelen in overeenstemming met de in het eerste lid bedoelde richtlijnen. Artikel 1:58, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Een wijziging in de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt vooraf aan Onze Minister voorgelegd teneinde na te gaan of aan de in het eerste lid bedoelde richtlijnen wordt voldaan dan wel of door die wijziging strijd met die richtlijnen zou ontstaan.

Artikel 5:31

Van elke wijziging in de regels, bedoeld in artikel 5:26, tweede lid, onderdeel b, of in de controle op de naleving daarvan stelt de houder van een gereglementeerde markt in Nederland de Autoriteit Financiële Markten vooraf in kennis.

Artikel 5:32

1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van Onze Minister, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een houder van een gereglementeerde markt in Nederland.

2. Onze Minister verleent op aanvraag een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij:

a. de handeling ertoe zou kunnen leiden of zou leiden dat de betrokken houder in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur wordt verbonden met personen die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van de controle op de naleving van de voor de gereglementeerde markt in Nederland geldende regels; of

b. de handeling zou kunnen leiden of zou leiden tot een invloed op de desbetreffende houder die in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen.

3. Onze Minister doet van de verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het tweede lid, alsmede van de intrekking van een verklaring van geen bezwaar, mededeling aan de houder van de desbetreffende gereglementeerde markt in Nederland waarin de deelneming wordt gehouden, verworven of vergroot. Van de verlening van een verklaring van geen bezwaar en van de intrekking daarvan wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant, tenzij de publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden.

4. Indien het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in het eerste lid is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen, maakt degene die deze heeft verricht haar binnen een door Onze Minister te bepalen termijn ongedaan. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voorzover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend.

5. Indien enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een houder van een gereglementeerde markt in Nederland is uitgeoefend zonder dat voor het houden van de gekwalificeerde deelneming of voor het uitoefenen van die zeggenschap een verklaring van geen bezwaar is verkregen of zonder dat de aan de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze Minister. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank binnen wier rechtsgebied de houder van de gereglementeerde markt in Nederland zijn zetel heeft vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend of de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

HOOFDSTUK 5.3 REGELS VOOR HET MELDEN VAN STEMMEN, KAPITAAL, ZEGGENSCHAP EN KAPITAALBELANG IN UITGEVENDE INSTELLINGEN

AFDELING 5.3.1 INLEIDENDE BEPALING

Artikel 5:33

1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, indien van toepassing in afwijking van artikel 1:1, verstaan onder:

a. uitgevende instelling: een naamloze vennootschap naar Nederlands recht waarvan aandelen als bedoeld in onderdeel b, onder 1° of 2°, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, of een rechtspersoon, opgericht naar het recht van een staat die geen lidstaat is, waarvan aandelen als bedoeld in onderdeel b, onder 1° of 2°, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland;

b. aandeel:

1°. een verhandelbaar aandeel als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

2°. een certificaat van een aandeel of een ander met een certificaat van een aandeel gelijk te stellen verhandelbaar waardebewijs;

3°. elk ander verhandelbaar waardebewijs, niet zijnde een optie als bedoeld onder 4°, ter verwerving van een onder 1° bedoeld aandeel of van een onder 2° bedoeld waardebewijs;

4°. een optie ter verwerving van een onder 1° bedoeld aandeel of van een onder 2° bedoeld waardebewijs. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wat onder optie als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan;

c. dochtermaatschappij: een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon of vennootschap waarin de rechten en bevoegdheden als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden uitgeoefend door een natuurlijk persoon;

d. meldingsplichtige: een persoon die ingevolge dit hoofdstuk verplicht is tot het doen van een melding;

e. stemmen: stemmen die op aandelen kunnen worden uitgebracht, met inbegrip van rechten ingevolge een overeenkomst tot verkrijging van stemmen;

f. kapitaal: het geplaatste kapitaal van een uitgevende instelling;

g. substantiële deelneming: ten minste vijf procent van het kapitaal of het kunnen uitbrengen van ten minste vijf procent van de stemmen;

h. drempelwaarde: een percentage van het kapitaal of de stemmen, waarvan het bereiken, overschrijden of onderschrijden door een persoon die aandelen houdt of verwerft, of stemmen kan uitbrengen of verwerft, leidt tot een verplichting tot het doen van een melding ingevolge dit hoofdstuk;

i. handelsportefeuille: een portefeuille als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de richtlijn kapitaaltoereikendheid.

2. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder uitgevende instelling niet verstaan een beleggingsmaatschappij waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa van deze beleggingsmaatschappij direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

AFDELING 5.3.2 MELDINGEN DOOR UITGEVENDE INSTELLINGEN BETREFFENDE HET KAPITAAL EN DE STEMMEN

Artikel 5:34

1. Een uitgevende instelling meldt onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten het totaal van de wijzigingen van haar kapitaal waardoor dit kapitaal ten opzichte van de vorige melding ingevolge dit artikel met een procent of meer is gewijzigd. De uitgevende instelling kan tevens aan de Autoriteit Financiële Markten op een tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van de in het tweede lid bedoelde periodieke melding de overige wijzigingen van haar kapitaal melden.

2. De uitgevende instelling meldt periodiek aan de Autoriteit Financiële Markten het totaal van de wijzigingen van haar kapitaal waarvoor geen verplichting tot melding bestaat op grond van het eerste lid, eerste volzin, voorzover zij deze wijzigingen niet reeds heeft gemeld overeenkomstig het eerste lid, tweede volzin. Bij algemene maatregel van bestuur worden de periode waarop de melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding moet hebben plaatsgevonden vastgesteld.

Artikel 5:35

1. Een uitgevende instelling meldt onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten elke wijziging in haar stemmen die niet voortvloeit uit een wijziging als bedoeld in artikel 5:34, tweede lid. Indien een wijziging in de stemmen voortvloeit uit een wijziging als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, tweede volzin, kan de uitgevende instelling deze wijziging gelijktijdig met die wijziging melden aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. De uitgevende instelling meldt periodiek aan de Autoriteit Financiële Markten het totaal van de wijzigingen in de stemmen waarvoor geen verplichting tot onverwijlde melding bestaat ingevolge het eerste lid, eerste volzin, voorzover zij deze wijzigingen niet reeds heeft gemeld overeenkomstig het eerste lid, tweede volzin. Bij algemene maatregel van bestuur worden de periode vastgesteld waarop de melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding moet hebben plaatsgevonden vastgesteld.

3. De uitgevende instelling meldt onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten elke uitgifte of intrekking met haar medewerking van aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, voorzover deze betrekking heeft op een procent of meer van haar kapitaal. De uitgevende instelling kan tevens aan de Autoriteit Financiële Markten op elk tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van de in het vierde lid bedoelde periodieke melding elke overige uitgifte of intrekking van aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, melden.

4. Een uitgevende instelling meldt periodiek aan de Autoriteit Financiële Markten het totaal met haar medewerking uitgegeven of ingetrokken aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, waarvoor geen verplichting tot onverwijlde melding bestaat ingevolge het derde lid, eerste volzin, voorzover zij deze niet reeds heeft gemeld overeenkomstig het derde lid, tweede volzin. Bij algemene maatregel van bestuur worden de periode waarop de melding betrekking heeft en de termijn waarbinnen de melding moet hebben plaatsgevonden vastgesteld.

Artikel 5:36

Een naamloze vennootschap naar Nederlands recht of een rechtspersoon die is opgericht naar het recht van een staat die geen lidstaat is en die een uitgevende instelling wordt, meldt onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten haar onderscheidenlijk zijn kapitaal en haar onderscheidenlijk zijn stemmen, alsmede de met haar onderscheidenlijk zijn medewerking uitgegeven aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 2°.

Artikel 5:37

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die bij een melding als bedoeld in deze afdeling dienen te worden verstrekt en de wijze van melden.

AFDELING 5.3.3 MELDINGEN DOOR AANDEELHOUDERS EN ANDERE STEMGERECHTIGDEN BETREFFENDE WIJZIGINGEN IN ZEGGENSCHAP EN KAPITAALBELANG

Artikel 5:38

1. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over aandelen waardoor, naar hij weet of behoort te weten, het percentage van het kapitaal waarover hij beschikt een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over stemmen waardoor, naar hij weet of behoort te weten, het percentage van de stemmen waarover hij beschikt een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

3. De drempelwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn: vijf procent, tien procent, vijftien procent, twintig procent, 25 procent, dertig procent, vijftig procent en 75 procent.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een meldingsplichtige behoort te weten dat hij een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt.

Artikel 5:39

1. Een ieder wiens percentage van het kapitaal of van de stemmen waarover hij beschikt, naar hij weet of behoort te weten, een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt als gevolg van een wijziging die ingevolge een melding als bedoeld in artikel 5:34 of 5:35 door de Autoriteit Financiële Markten in het register, bedoeld in artikel 1:93, is verwerkt, meldt dat aan de Autoriteit Financiële Markten. De melding vindt plaats uiterlijk op de vierde handelsdag na de in de vorige volzin bedoelde verwerking in het register. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wat onder handelsdag wordt verstaan.

2. De drempelwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, zijn: vijf procent, tien procent, vijftien procent, twintig procent, 25 procent, dertig procent, vijftig procent en 75 procent.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een meldingsplichtige behoort te weten dat hij een drempelwaarde bereikt, overschrijdt dan wel onderschrijdt.

Artikel 5:40

Een ieder die de beschikking krijgt of verliest over een of meer aandelen met een bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap in een uitgevende instelling, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten. Aan deze verplichting is voldaan, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op grond van artikel 5:38, eerste lid.

Artikel 5:41

1. Een ieder wiens substantiële deelneming op 31 december om 24.00 uur ten opzichte van zijn vorige melding een afwijkende samenstelling heeft als gevolg van een omwisseling van aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 3° of 4°, in aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°, of omgekeerd, dan wel als gevolg van een omwisseling van aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, in aandelen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, of omgekeerd, meldt dat binnen vier weken aan de Autoriteit Financiële Markten. Aan deze verplichting is voldaan door een bestuurder of commissaris, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op grond van artikel 5:48, zesde of zevende lid.

2. Een ieder wiens substantiële deelneming op 31 december om 24.00 uur ten opzichte van diens vorige melding een afwijkende samenstelling heeft als gevolg van de uitoefening van rechten ingevolge een overeenkomst tot verkrijging van stemmen of omgekeerd, meldt dat binnen vier weken na dat tijdstip aan de Autoriteit Financiële Markten. Aan deze verplichting is voldaan door een bestuurder of commissaris, indien terzake van hetzelfde feit een melding is gedaan op grond van artikel 5:48, zevende lid.

Artikel 5:42

Een ieder die ophoudt een dochtermaatschappij te zijn en die beschikt over een substantiële deelneming of een of meer aandelen met een bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap in een uitgevende instelling, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 5:43

1. Een ieder die op het tijdstip waarop een naamloze vennootschap naar Nederlands recht een uitgevende instelling wordt, naar hij weet of behoort te weten, beschikt over een substantiële deelneming of een of meer aandelen met een bijzonder statutair recht inzake de zeggenschap in deze uitgevende instelling, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

2. Een ieder die op het tijdstip waarop een rechtspersoon die is opgericht naar het recht van een staat die geen lidstaat is een uitgevende instelling wordt, naar hij weet of behoort te weten, beschikt over een substantiële deelneming in deze uitgevende instelling, meldt dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een meldingsplichtige behoort te weten dat hij beschikt over een substantiële deelneming in een uitgevende instelling.

Artikel 5:44

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die bij een melding als bedoeld in deze afdeling dienen te worden verstrekt en de wijze van melden.

AFDELING 5.3.4 BIJZONDERE BEPALINGEN EN UITZONDERINGEN OP DE MELDINGSPLICHT BETREFFENDE WIJZIGINGEN IN ZEGGENSCHAP EN KAPITAALBELANG

Artikel 5:45

1. Iemand beschikt over de aandelen die hij houdt, alsmede over de stemmen die hij kan uitbrengen als houder van aandelen.

2. Iemand beschikt over de stemmen die hij als vruchtgebruiker of pandhouder kan uitbrengen, indien toepassing is gegeven aan artikel 88, derde lid, onderscheidenlijk 89, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen die zijn dochtermaatschappij houdt, alsmede over de stemmen die zijn dochtermaatschappij kan uitbrengen. Een dochtermaatschappij wordt geacht niet te beschikken over aandelen of stemmen.

4. Iemand wordt geacht te beschikken over de aandelen die door een derde voor zijn rekening worden gehouden, alsmede over de stemmen die deze derde kan uitbrengen.

5. Iemand wordt geacht te beschikken over de stemmen waarover een derde beschikt, indien hij met deze derde een overeenkomst heeft gesloten die voorziet in een duurzaam gemeenschappelijk beleid inzake het uitbrengen van de stemmen.

6. Iemand wordt geacht te beschikken over de stemmen waarover een derde beschikt met wie hij een overeenkomst heeft gesloten waarin een tijdelijke en betaalde overdracht van deze stemmen is geregeld.

7. De beheerder van een beleggingsfonds wordt geacht te beschikken over de aandelen die de bewaarder houdt en de daaraan verbonden stemmen. De bewaarder van een beleggingsfonds wordt geacht niet te beschikken over aandelen of stemmen.

8. A