18 (2017) Nr. 1

A. TITEL

Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds;

Manilla, 7 augustus 2017

Voor een overzicht van de verdragsgegevens, zie verdragsnummer 013350 in de Verdragenbank.

B. TEKST1)


Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Australië, anderzijds

De Europese Unie, hierna „de Unie” genoemd,

en

het Koninkrijk België,

de Republiek Bulgarije,

de Tsjechische Republiek,

het Koninkrijk Denemarken,

de Bondsrepubliek Duitsland,

de Republiek Estland,

Ierland,

de Helleense Republiek,

het Koninkrijk Spanje,

de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de Italiaanse Republiek,

de Republiek Cyprus,

de Republiek Letland,

de Republiek Litouwen,

het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

de Republiek Malta,

het Koninkrijk der Nederlanden,

de Republiek Oostenrijk,

de Republiek Polen,

de Portugese Republiek,

Roemenië,

de Republiek Slovenië,

de Slowaakse Republiek,

de Republiek Finland,

het Koninkrijk Zweden,

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

lidstaten van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,

enerzijds, en

Australië

anderzijds,

hierna „de partijen” genoemd,

Overwegende hun gedeelde waarden en hun nauwe historische, politieke, economische en culturele banden;

Ingenomen met de vooruitgang die is geboekt met de ontwikkeling van duurzame en wederzijds tot voordeel strekkende betrekkingen door de goedkeuring van de gezamenlijke verklaring over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Australië van 26 juni 1997 en de tenuitvoerlegging van de agenda 2003 voor samenwerking;

Erkennend het vernieuwde engagement en de vernieuwde samenwerking tussen Australië en de Unie sinds de ontwikkeling van het op 29 oktober 2008 aangenomen partnerschapskader Australië-Europese Unie;

Opnieuw bevestigend hun engagement voor de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties („VN-Handvest”) en ter versterking van de rol van de Verenigde Naties („VN”);

Opnieuw bevestigend hun engagement voor de democratische beginselen en de rechten van de mens, vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, alsmede voor de beginselen van de rechtsstaat en goed bestuur;

Beklemtonend de alomvattende aard van hun betrekkingen en het belang van een coherent kader ter bevordering van de ontwikkeling van deze betrekkingen;

Uitdrukking gevend aan hun gezamenlijke wil om de betrekkingen om te smeden tot een versterkt partnerschap;

Bevestigend hun wens om de onderlinge politieke dialoog en samenwerking te intensiveren en te ontwikkelen;

Vastbesloten de samenwerking op gebieden van wederzijds belang op bilateraal, regionaal en mondiaal niveau en tot wederzijds voordeel te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren;

Uitdrukking gevend aan hun engagement om een gunstig klimaat te creëren voor meer bilaterale handel en investeringen;

Bevestigend hun wil om intensiever samen te werken op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid;

Erkennend de wederzijdse voordelen van meer samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur, onderzoek en innovatie;

Uitdrukking gevend aan hun wil om duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en milieu-opzicht te bevorderen;

Voortbouwend op de overeenkomsten die zijn gesloten tussen de Unie en Australië, met name inzake wetenschappen, luchtvaartdiensten, wijn, de veiligheid van gerubriceerde informatie, conformiteitsevaluatieprocedures voor industriële producten en de uitwisseling van luchtpassagiersgegevens;

Wijzend op het feit dat, als de partijen in het kader van deze overeenkomst specifieke overeenkomsten sluiten op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, die door de Unie zouden worden gesloten krachtens titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de bepalingen van dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten niet bindend zijn voor het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland, tenzij de Europese Unie, samen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland wat betreft hun respectieve bilaterale betrekkingen, Australië ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn door dergelijke toekomstige specifieke overeenkomsten als deel van de Unie, overeenkomstig Protocol 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Evenzo zijn latere interne maatregelen van de Unie die met het oog op de uitvoering van deze overeenkomst krachtens voornoemde titel V worden genomen, niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland, tenzij deze laatsten hun wens te kennen hebben gegeven deel te nemen aan deze maatregelen of deze te aanvaarden overeenkomstig Protocol 21. Voorts wijzende op het feit dat dergelijke toekomstige overeenkomsten of dergelijke latere interne maatregelen van de Unie zouden komen te vallen onder Protocol 22 betreffende de positie van Denemarken dat gehecht is aan voornoemde Verdragen.

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL I DOEL EN GRONDSLAG VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1 Doel van de overeenkomst
  • 1. Het doel van deze overeenkomst is:

    • a. een sterker partnerschap tussen de partijen te bewerkstelligen;

    • b. een kader te bieden om de samenwerking te faciliteren en te stimuleren op talrijke terreinen van wederzijds belang; en

    • c. de samenwerking te bevorderen om oplossingen te vinden voor regionale en mondiale problemen.

  • 2. In dit verband bevestigen de partijen hun engagement om de politieke dialoog op hoog niveau te intensiveren, en bevestigen zij opnieuw de gedeelde waarden en gemeenschappelijke beginselen die aan de basis liggen van hun bilaterale betrekkingen en die de grondslag vormen voor de samenwerking.

Artikel 2 Grondslag van de samenwerking
  • 1. De partijen komen overeen hun strategische partnerschap te versterken en intensiever samen te werken op bilateraal, regionaal en mondiaal niveau, op basis van gedeelde waarden en gemeenschappelijke belangen.

  • 2. De partijen bevestigen hun gehechtheid aan de democratische beginselen, de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat. De eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en andere internationale mensenrechteninstrumenten die de partijen hebben geratificeerd of waarbij zij zijn toegetreden, en de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, liggen ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van beide partijen en zijn een essentieel element van deze overeenkomst.

  • 3. De partijen bevestigen hun absolute steun voor het VN-Handvest en de gedeelde waarden die daarin hun uitdrukking vinden.

  • 4. De partijen bevestigen opnieuw dat zij zich ervoor inzetten duurzame ontwikkeling en economische groei te stimuleren, bij te dragen tot de verwezenlijking van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen en samen te werken om wereldwijde milieuproblemen, in het bijzonder klimaatverandering, aan te pakken.

  • 5. De partijen onderstrepen hun beider gehechtheid aan de alomvattende aard van hun bilaterale betrekkingen en de handhaving van de algemene samenhang in dit verband, op basis van deze overeenkomst.

  • 6. De tenuitvoerlegging van deze overeenkomst is gebaseerd op de beginselen van dialoog, wederzijds respect, gelijkwaardig partnerschap, consensus en de eerbiediging van het internationaal recht.

TITEL II POLITIEKE DIALOOG EN SAMENWERKING INZAKE BUITENLANDS BELEID EN VEILIGHEIDSKWESTIES

Artikel 3 Politieke dialoog
  • 1. De partijen komen overeen hun regelmatige politieke dialoog op te voeren.

  • 2. De politieke dialoog heeft tot doel:

    • a. de ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen te bevorderen; en

    • b. de gezamenlijke aanpak van de partijen te versterken en ruimte voor samenwerking te identificeren op het gebied van regionale en mondiale problemen en kwesties.

  • 3. De dialoog tussen de partijen neemt meer bepaald de volgende vormen aan:

    • a. overleg, vergaderingen en bezoeken op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders, wanneer de partijen dat noodzakelijk achten;

    • b. overleg, vergaderingen en bezoeken op ministerniveau, met inbegrip van overleg op het niveau van de ministers van buitenlandse zaken, en ministeriële vergaderingen over handels- en andere kwesties die door de partijen worden vastgesteld, waarvan het tijdstip en de plaats door de partijen worden bepaald;

    • c. regelmatige vergaderingen van hoge ambtenaren, indien passend geacht over bilaterale kwesties, buitenlands beleid, internationale veiligheid, terrorismebestrijding, handel, ontwikkelingssamenwerking, klimaatverandering en andere door de partijen vastgestelde onderwerpen;

    • d. sectorale dialogen over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang; en

    • e. uitwisseling van delegaties en andere contacten tussen het parlement van Australië en het Europees Parlement.

Artikel 4 Engagement voor de democratische beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat

De partijen komen overeen:

  • a. essentiële beginselen inzake democratische waarden, de mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen, ook op internationale fora;

  • b. samen te werken en hun acties te coördineren, waar passend, ook met derde landen, bij de praktische bevordering van de democratische beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat;

  • c. de deelname te stimuleren aan elkaars inspanningen voor de bevordering van de democratie, met inbegrip van regelingen om deelname aan verkiezingswaarnemingsmissies te vergemakkelijken.

Artikel 5 Crisisbeheersing
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw hun engagement om samen te werken ter bevordering van internationale vrede en stabiliteit.

  • 2. Hiertoe onderzoeken de partijen de mogelijkheden om de activiteiten voor crisisbeheersing te coördineren, met inbegrip van mogelijke samenwerking in crisisbeheersingsoperaties.

  • 3. De partijen werken samen voor de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië tot vaststelling van een kader voor de deelname van Australië aan crisisbeheersingsoperaties van de Europese Unie.

Artikel 6 Bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens
  • 1. De partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt.

  • 2. De partijen komen overeen samen te werken en bij te dragen tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen- en overeenkomsten en andere relevante overeenkomsten die de partijen hebben geratificeerd of waarbij zij zijn toegetreden. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

  • 3. De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

    • a. alle noodzakelijke maatregelen te nemen, gericht op ondertekening of bekrachtiging van, of toetreding tot alle relevante internationale instrumenten ter zake, naargelang van het geval, en op de volledige uitvoering daarvan, alsook de bevordering van dergelijke instrumenten;

    • b. een effectief systeem van nationale uitvoercontroles te handhaven, dat de uitvoer en doorvoer controleert van goederen die betrekking hebben op massavernietigingswapens, dat een controle op eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik omvat, en dat effectieve sancties op overtreding van de uitvoercontroles omvat;

    • c. de uitvoering van alle relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad te bevorderen;

    • d. samen te werken op multilaterale fora en voor uitvoercontroleregelingen ter bevordering van de non-proliferatie van massavernietigingswapens;

    • e. samen te werken voor bewustmakingsactiviteiten en deze te coördineren in verband met chemische, biologische, radiologische en nucleaire veiligheid, veiligheid en non-proliferatie en sancties; en

    • f. relevante informatie uit te wisselen over maatregelen die uit hoofde van dit artikel zijn genomen, waar dat passend is en in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden.

  • 4. De partijen komen overeen een regelmatige politieke dialoog te onderhouden ter ondersteuning en consolidatie van deze elementen.

Artikel 7 Handvuurwapens en lichte wapens en andere conventionele wapens
  • 1. De partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsmede de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

  • 2. De partijen komen overeen hun respectieve verplichtingen om de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor tegen te gaan, in het kader van de bestaande internationale overeenkomsten die door Australië, door de Unie en/of de lidstaten zijn geratificeerd, of waarbij zij zijn toegetreden, en overeenkomstig hun bevoegdheden en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, in acht te nemen en volledig ten uitvoer te leggen.

  • 3. De partijen onderkennen het belang van binnenlandse controlesystemen voor de overdracht van conventionele wapens in overeenstemming met de geldende internationale normen. De partijen onderkennen dat het van belang is die controles op verantwoordelijke wijze toe te passen en aldus bij te dragen tot de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en tot het verminderen van menselijk leed, alsmede tot het voorkomen van de omleiding van conventionele wapens.

  • 4. In dit verband verplichten de partijen zich ertoe het Wapenhandelsverdrag volledig uit te voeren en in het kader van het verdrag met elkaar samen te werken, ook wat betreft het bevorderen van de universalisering en de volledige uitvoering ervan door alle VN-lidstaten.

  • 5. De partijen verbinden zich tot samenwerking en coördinatie, complementariteit en synergie van hun inspanningen om de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor tegen te gaan op mondiaal, regionaal, sub-regionaal en nationaal niveau, en de doeltreffende tenuitvoerlegging van wapenembargo's te verzekeren waartoe door de VN-Veiligheidsraad overeenkomstig het VN-Handvest wordt besloten.

Artikel 8 Ernstige misdaden waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd en het Internationaal Strafhof
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat de effectieve vervolging ervan moet worden gewaarborgd door maatregelen op intern of internationaal niveau, onder meer via het Internationaal Strafhof.

  • 2. De partijen komen overeen samen te werken om de doelstellingen en oogmerken van het Statuut van Rome te bevorderen, en komen daartoe overeen:

    • a. stappen te blijven zetten om het Statuut van Rome uit te voeren en de ratificatie en tenuitvoerlegging van verwante instrumenten te overwegen (zoals het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof);

    • b. de toetreding van alle landen tot het Statuut van Rome te blijven bevorderen, onder meer door ervaringen met andere staten uit te wisselen betreffende de voor de ratificatie en uitvoering van het Statuut van Rome benodigde maatregelen; en

    • c. de integriteit van het Statuut van Rome veilig te stellen door de essentiële beginselen ervan te beschermen, onder meer door af te zien van het aangaan van niet-overleveringsovereenkomsten (zogenaamde „artikel 98-overeenkomsten”) met derde landen en door anderen ook aan te sporen daarvan af te zien.

Artikel 9 Samenwerking ter bestrijding van terrorisme
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw het belang van de preventie en de bestrijding van terrorisme met volledige eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten en overeenkomstig het toepasselijke internationaal recht, met inbegrip van het VN-Handvest, de internationale terrorismebestrijdingsverdragen, de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad, het vluchtelingenrecht en het internationale humanitaire recht.

  • 2. Binnen dit kader en rekening houdend met de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de VN, vervat in Resolutie 60/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2006 en de toetsingen van de uitvoering daarvan, komen de partijen overeen samen te werken voor de preventie en bestrijding van terreurdaden, met name door:

    • a. uitwisseling van informatie over terroristische groepen en de netwerken die hen ondersteunen, overeenkomstig het internationaal en nationaal recht;

    • b. uitwisseling van ideeën over middelen en methoden voor het bestrijden van terrorisme, onder meer op technisch gebied en met betrekking tot opleiding, en uitwisseling van ervaringen op het gebied van terrorismepreventie;

    • c. vaststelling van gebieden voor toekomstige samenwerking, onder meer wat betreft de preventie van rekrutering en radicalisering, de bestrijding van de financiering van terrorisme, en door partnerschappen met derde landen;

    • d. waar het mogelijk en passend is, steunverlening aan regionale initiatieven voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving bij de bestrijding van terrorisme, gebaseerd op de volledige eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat;

    • e. samenwerking ter verdieping van de internationale consensus over de bestrijding van terrorisme en het normatieve kader daarvoor, en streven naar overeenstemming over het Alomvattend Verdrag betreffende internationaal terrorisme;

    • f. bevordering van de samenwerking tussen de VN-lidstaten om de mondiale VN-strategie voor terrorismebestrijding met alle passende middelen doeltreffend ten uitvoer te leggen; en

    • g. uitwisseling van beste praktijken betreffende de bescherming van de mensenrechten in het kader van de strijd tegen het terrorisme.

  • 3. De partijen herbevestigen hun engagement om samen te werken, waar passend, om steun voor capaciteitsopbouw inzake terrorismebestrijding aan andere staten te verstrekken die middelen en expertise behoeven om terreuractiviteiten te voorkomen en er op te reageren.

  • 4. De partijen komen overeen nauw samen te werken in het kader van het Mondiaal Forum Terrorismebestrijding en de werkgroepen daarvan.

  • 5. De partijen komen overeen inzake terrorismebestrijding een regelmatige dialoog te onderhouden op ambtenarenniveau.

Artikel 10 Samenwerking in regionale en internationale organisaties

De partijen verbinden zich ertoe samen te werken door van gedachten te wisselen en waar passend standpunten op elkaar af te stemmen in internationale en regionale organisaties en fora, met inbegrip van de VN en de gespecialiseerde agentschappen ervan, de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de G20, de Raad voor financiële stabiliteit (FSB), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Wereldbankgroep en regionale ontwikkelingsbanken, de Ontmoeting Azië–Europa (ASEM), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), het Regionale Forum van de ASEAN (ARF), het Forum van Stille-Oceaaneilanden (PIF) en het secretariaat van de Pacifische Gemeenschap.

Artikel 11 Internationale veiligheid en cyberspace

De partijen erkennen het belang van samenwerking en de uitwisseling van gedachten op het gebied van internationale veiligheid en cyberspace, met inbegrip van gedragsnormen en de toepassing van het internationaal recht in de cyberspace, de ontwikkeling van vertrouwenwekkende maatregelen en capaciteitsopbouw.

TITEL III SAMENWERKING INZAKE MONDIALE ONTWIKKELING EN HUMANITAIRE HULP

Artikel 12 Ontwikkeling
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw hun engagement om bij te dragen aan duurzame economische groei en de terugdringing van de armoede, de versterking van de samenwerking voor internationale ontwikkeling en de bevordering van de doeltreffendheid van de steun en de ontwikkeling, met speciale aandacht voor de uitvoering op landenniveau.

  • 2. De partijen erkennen het belang van gezamenlijke inspanningen om de impact, het bereik en de invloed van de ontwikkelingsactiviteiten te vergroten.

  • 3. Hiertoe komen de partijen overeen om:

    • a. regelmatig een beleidsdialoog te voeren over ontwikkelingssamenwerking;

    • b. op regionale en internationale fora gedachten uit te wisselen en, waar passend, standpunten op elkaar af te stemmen inzake ontwikkelingskwesties, ter bevordering van inclusieve en duurzame groei voor menselijke ontwikkeling;

    • c. informatie over hun respectieve ontwikkelingsprogramma's uit te wisselen en, waar passend, hun engagement in de landen te coördineren met het oog op een grotere bijdrage tot duurzame groei en terugdringing van de armoede door de bevordering van synergieën tussen hun programma's, een betere arbeidsverdeling en grotere doeltreffendheid op het terrein; en

    • d. gedelegeerde ontwikkelingssamenwerking ten behoeve van elkaar te ondernemen, waar passend, gebaseerd op regelingen die door de partijen onderling zijn vastgesteld.

Artikel 13 Humanitaire hulp

De partijen bevestigen opnieuw hun gemeenschappelijk engagement voor humanitaire hulp en streven ernaar, waar passend, een gecoördineerde respons te bieden.

TITEL IV SAMENWERKING INZAKE ECONOMISCHE EN HANDELSAANGELEGENHEDEN

Artikel 14 Dialoog inzake economisch beleid

De partijen komen overeen de dialoog tussen hun autoriteiten te handhaven en de uitwisseling van informatie en ervaringen over hun respectieve macro-economische beleidsmaatregelen en tendensen te bevorderen, met inbegrip van de uitwisseling van informatie over de coördinatie van het economische beleid in het kader van regionale economische samenwerking en integratie.

Artikel 15 Dialoog en samenwerking inzake handel en investeringen
  • 1. De partijen verbinden zich ertoe samen te werken teneinde de voorwaarden te scheppen voor duurzame toename en ontwikkeling van hun onderlinge handel en investeringen.

  • 2. De partijen verbinden zich tot een dialoog op hoog niveau en tot samenwerking op handels- en investeringsgerelateerde gebieden, teneinde bilaterale handels- en investeringsstromen te bevorderen, niet-tarifaire handels- en investeringsbelemmeringen te voorkomen en weg te nemen en het multilaterale handelsstelsel te bevorderen.

  • 3. De dialoog inzake handel en investeringen omvat:

    • a. een jaarlijkse dialoog over handelsbeleid, op hoger-ambtenarenniveau, aangevuld met door de partijen vast te stellen ontmoetingen op ministerniveau over handelskwesties;

    • b. dialogen over de handel in en de afzet van landbouwproducten, en over sanitaire en fytosanitaire kwesties; en

    • c. andere door de partijen vast te stellen sectorale uitwisselingen.

  • 4. De partijen stellen elkaar in kennis van en wisselen van gedachten over de ontwikkeling van de bilaterale en internationale handel, investeringen en handels- en investeringsgerelateerde aspecten van ander beleid, met inbegrip van regelgevingskwesties met een mogelijk gevolg voor de bilaterale handel en investeringen.

  • 5. De partijen wisselen informatie uit over hun beleidsaanpak inzake vrijhandelsovereenkomsten (FTA) en de respectieve FTA-agenda's. Deze overeenkomst vereist noch verhindert de toekomstige onderhandeling en sluiting van een vrijhandelsovereenkomst tussen de partijen ter aanvulling en uitbreiding van de economische bepalingen van deze overeenkomst.

  • 6. De partijen erkennen het belang van de liberalisering van de handel als stimulans voor mondiale economische groei en een op regels gebaseerd multilateraal handelssysteem om dit doel te bereiken, en bevestigen hun engagement om binnen de WTO samen te werken voor verdere liberalisering van de handel.

Artikel 16 Investeringen

De partijen bevorderen een aantrekkelijk en stabiel milieu voor wederzijdse investeringen door middel van dialoog, ten einde:

  • a. het wederzijdse begrip en de samenwerking op investeringsgebied te vergroten;

  • b. mechanismen te vinden om investeringsstromen te faciliteren; en

  • c. stabiele, transparante, niet-discriminatoire en open regels voor investeerders na te streven, zonder afbreuk te doen aan de verbintenissen van de partijen in het kader van preferentiële handelsovereenkomsten en andere internationale verplichtingen.

Artikel 17 Overheidsopdrachten
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw hun engagement voor een open en transparant kader voor overheidsopdrachten, waarmee overeenkomstig hun internationale verplichtingen een gunstige kosten-batenverhouding, concurrerende markten en niet-discriminatoire aankooppraktijken worden bepleit en aldus de handel tussen de partijen wordt bevorderd.

  • 2. De partijen komen voorts overeen hun overleg, de samenwerking, en de uitwisseling van ervaringen en optimale werkwijzen op het gebied van overheidsopdrachten verder te versterken, bij kwesties van gemeenschappelijk belang, met inbegrip van hun respectieve regelgevende kaders.

  • 3. De partijen komen overeen mogelijkheden te onderzoeken om de toegang tot elkaars markt voor overheidsopdrachten verder te bevorderen en van gedachten te wisselen over maatregelen en praktijken die de onderlinge handel in opdrachten negatief kunnen beïnvloeden.

Artikel 18 Technische handelsbelemmeringen
  • 1. De partijen zijn het erover eens dat een grotere compatibiliteit van normen, technische regelingen en conformiteitsbeoordelingsprocedures een essentieel element is om de handel te faciliteren.

  • 2. De partijen erkennen hun wederzijds belang om technische handelsbelemmeringen terug te brengen en tot dit doel komen zij overeen samen te werken in het kader van de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen en de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië.

Artikel 19 Sanitaire en fytosanitaire kwesties en dierenwelzijn
  • 1. De partijen komen overeen hun samenwerking op sanitair en fytosanitair gebied op te voeren ter bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten op het grondgebied van de partijen, met inachtneming van de rechten en plichten van de partijen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS-overeenkomst).

  • 2. Binnen het kader van de SPS-overeenkomst en de relevante internationale normen van de Codex Alimentarius, het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) en de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) wisselen de partijen informatie uit om hun wederzijdse begrip van hun respectieve SPS-maatregelen te vergroten en de handel tussen de partijen te faciliteren, door middel van:

    • a. regelmatige vergaderingen op passende fora die door de partijen worden vastgesteld, om van gedachten te wisselen over SPS en wetgeving, tenuitvoerlegging, inspectie- en certificeringssystemen en toezichtprocedures in verband met dierenwelzijn, en om problemen met de toepassing van de SPS-maatregelen aan te pakken;

    • b. te streven naar de toepassing van invoervoorschriften op het gehele grondgebied van de uitvoerende partij, met inbegrip van de toepassing van regionalisatiebeginselen;

    • c. conform de SPS-overeenkomst:

      • i. de erkenning van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage ziekte- of plagenprevalentie;

      • ii. de verificatie, geheel of gedeeltelijk, van de inspectie- en certificeringssystemen van de autoriteiten van de uitvoerende partij;

    • d. de uitwisseling van informatie over SPS en dierenwelzijnskwesties die een invloed hebben of kunnen hebben op de handel tussen de partijen, zoals noodmaatregelen, opkomende ziekten en plagen, en nieuw beschikbaar wetenschappelijk bewijsmateriaal.

  • 3. De partijen komen overeen samen te werken en informatie uit te wisselen over dierenwelzijnskwesties.

  • 4. De partijen werken tevens samen voor SPS en dierenwelzijnskwesties via relevante multilaterale kaders, met inbegrip van de WTO, de Commissie van de Codex Alimentarius, het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC) en de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

Artikel 20 Douane

De partijen werken overeenkomstig hun respectieve wetgeving op bilaterale en multilaterale basis samen op douanegebied. Meer bepaald komen zij in dit verband overeen ervaringen uit te wisselen en mogelijkheden te onderzoeken om de douaneprocedures te vereenvoudigen, de transparantie te verzekeren en de samenwerking te verbeteren op gebieden als handelsfacilitering, de veiligheid en zekerheid van de internationale handel en de bestrijding van douanefraude.

Artikel 21 Intellectuele eigendom
  • 1. De partijen herbevestigen het belang van hun rechten en plichten in verband met de intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van auteursrechten en aanverwante rechten, handelsmerken, geografische aanduidingen, industriële ontwerpen, kwekersrecht en octrooien, en de naleving ervan, overeenkomstig de hoogste internationale normen die elke partij in acht neemt.

  • 2. De partijen komen overeen informatie en ervaringen uit te wisselen over intellectuele-eigendomsrechten in verband met het beheer, de bescherming en de naleving van deze rechten via passende vormen van samenwerking.

Artikel 22 Mededingingsbeleid

De partijen bevorderen de economische concurrentie door middel van hun mededingingswet- en regelgeving. De partijen komen overeen informatie uit te wisselen over het mededingingsbeleid en aanverwante kwesties en de samenwerking tussen hun mededingingsautoriteiten te intensiveren.

Artikel 23 Diensten

De partijen gaan een diepgaande dialoog aan ter bevordering van de bilaterale handel in diensten en de uitwisseling van informatie over hun respectieve regelgeving.

Artikel 24 Financiële diensten

Wat financiële diensten betreft, komen de partijen overeen informatie en ervaringen te blijven uitwisselen over hun respectieve toezichts- en regelgevingsklimaat en de samenwerking te versterken met het oog op een verbetering van de systemen voor boekhouding, financiële controle, toezicht en regelgeving voor het bank- en verzekeringswezen en andere onderdelen van de financiële sector.

Artikel 25 Belastingen
  • 1. Teneinde de economische activiteiten te versterken en te ontwikkelen, met inachtneming van de noodzaak een passend regelgevingskader te ontwikkelen, erkennen de partijen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, met inbegrip van transparantie, informatie-uitwisseling en het vermijden van schadelijke belastingpraktijken, en verbinden zij zich tot de toepassing van die beginselen.

  • 2. Overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen, onder meer in de passende internationale fora, voor een betere internationale samenwerking op fiscaal gebied en voor een vergemakkelijking van het innen van de krachtens de wet verschuldigde belastingen, met eerbiediging van de beginselen van goed bestuur als bedoeld in lid 1.

Artikel 26 Transparantie

De partijen erkennen het belang van transparantie en een behoorlijke rechtsgang bij het beheer van hun handelsgerelateerde wet- en regelgeving als neergelegd in artikel X van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) van 1994 en artikel III van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS), en tot dit doel komen zij overeen hun samenwerking op te voeren en informatie uit te wisselen om de regelgevingskwaliteit- en efficiëntie en de beginselen van goed administratief gedrag te bevorderen.

Artikel 27 Grondstoffen
  • 1. De partijen erkennen dat een transparante, marktgebaseerde aanpak de beste manier is om een gunstig klimaat te scheppen voor investeringen in de productie van en de handel in grondstoffen en ter bevordering van de efficiënte toewijzing en het efficiënte gebruik ervan.

  • 2. Rekening houdend met hun respectieve economische beleid en doelstellingen en met het oog op de bevordering van de handel, komen de partijen overeen de samenwerking voor kwesties in verband met grondstoffen op te voeren, ter versterking van een op regels gebaseerd mondiaal kader voor handel in grondstoffen en voor meer transparantie van de mondiale markten van grondstoffen.

  • 3. Deze samenwerking kan onder meer de volgende punten omvatten:

    • a. kwesties inzake vraag en aanbod, bilaterale handel en investeringen alsmede belangrijke kwesties in verband met de internationale handel;

    • b. de respectieve regelgevende kaders van de partijen; en

    • c. optimale werkwijzen met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van de mijnbouw, met inbegrip van beleid inzake mineralen, ruimtelijke ordening en vergunningsprocedures.

  • 4. De partijen werken samen via een bilaterale dialoog of binnen de relevante plurilaterale fora of internationale instellingen.

Artikel 28 Handel en duurzame ontwikkeling
  • 1. De partijen bevestigen opnieuw hun engagement om de ontwikkeling van de internationale handel en investeringen op zodanige wijze te bevorderen dat tot de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, en om erop toe te zien dat deze doelstelling wordt gerealiseerd op de relevante niveaus van hun handelsbetrekkingen.

  • 2. De partijen erkennen het recht van elke partij om overeenkomstig hun verbintenissen ten aanzien van internationaal erkende normen en overeenkomsten eigen niveaus van binnenlandse milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en eigen relevante wetgeving en beleidsmaatregelen op dat punt aan te nemen of te wijzigen.

  • 3. De partijen erkennen ook dat dient vermeden te worden handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus die in de binnenlandse milieu- en arbeidswetgeving worden geboden, te verlagen of een verlaging ervan in het vooruitzicht te stellen.

  • 4. De partijen wisselen informatie en ervaringen uit over hun activiteiten ter bevordering van coherente en elkaar wederzijds versterkende handels-, sociale en milieudoelstellingen, met inbegrip van de aspecten als bedoeld in titel VIII, en voeren de dialoog en de samenwerking op inzake ontwikkelingskwesties die in de context van de handelsbetrekkingen aan de orde kunnen komen.

Artikel 29 Samenwerking tussen bedrijven
  • 1. De partijen moedigen sterkere banden tussen bedrijven aan en bevorderen de betrekkingen tussen de overheid en het bedrijfsleven via wederzijdse bezoeken en activiteiten waarbij bedrijven betrokken zijn, onder meer in het kader van de Ontmoeting Azië–Europa (ASEM).

  • 2. Met deze samenwerking wordt meer bepaald een verbetering van het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen beoogd. Deze samenwerking kan onder meer het volgende omvatten:

    • a. het stimuleren van de overdracht van technologie;

    • b. de uitwisseling van goede werkwijzen in verband met de toegang tot financiering;

    • c. de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordelijkheid; en

    • d. de ontwikkeling van de bestaande samenwerking inzake normen en conformiteitsbeoordeling.

  • 3. De partijen komen overeen de dialoog en de samenwerking tussen hun bevoegde agentschappen voor handel en investeringen te faciliteren en te ontwikkelen.

Artikel 30 Maatschappelijk middenveld

De partijen moedigen de dialoog aan tussen gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, zoals vakbonden, werkgevers, ondernemersorganisaties en kamers van koophandel en industrie, met het oog op de bevordering van handel en investeringen op gebieden van wederzijds belang.

Artikel 31 Toerisme

De partijen erkennen het belang van het toerisme voor een beter wederzijds begrip en wederzijdse waardering tussen de volkeren van de Unie en Australië, alsmede van de economische voordelen die uit meer toerisme voortvloeien, en komen overeen samen te werken om het toerisme in beide richtingen tussen de Unie en Australië te stimuleren.

TITEL V SAMENWERKING INZAKE JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID

Artikel 32 Juridische samenwerking
  • 1. De partijen erkennen het belang van internationaal privaatrecht en juridische en gerechtelijke samenwerking in civiele en handelszaken ten einde een klimaat te scheppen waarbinnen de internationale handel en investeringen en de mobiliteit van personen worden bevorderd. De partijen komen overeen hun samenwerking te versterken, onder meer via de onderhandeling over, de ratificatie en de tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten, zoals die in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.

  • 2. De partijen komen overeen arbitrale beslechting van internationale civiele en particuliere handelsgeschillen waar mogelijk te faciliteren en aan te moedigen, overeenkomstig de toepasselijke internationale instrumenten.

  • 3. Wat betreft justitiële samenwerking in strafzaken, bevorderen de partijen de samenwerking voor wederzijdse rechtshulp, op basis van de relevante internationale instrumenten. Waar passend omvat dit toetreding tot en uitvoering van de relevante VN-instrumenten. Waar passend kan dit ook steun omvatten voor de relevante instrumenten van de Raad van Europa, alsook samenwerking tussen de relevante autoriteiten in Australië en Eurojust.

Artikel 33 Samenwerking inzake rechtshandhaving

De partijen komen overeen samenwerking tot stand te brengen tussen autoriteiten, instanties en diensten op het gebied van rechtshandhaving en bij te dragen tot het afwenden en onschadelijk maken van grensoverschrijdende misdaaddreigingen die beide partijen met elkaar gemeen hebben. De samenwerking tussen autoriteiten, instanties en diensten op het gebied van rechtshandhaving kan de vorm aannemen van wederzijdse bijstand bij onderzoeken, uitwisseling van onderzoeksmethoden, gezamenlijke opleiding en bijscholing van rechtshandhavingspersoneel en elk ander door de partijen overeengekomen type gezamenlijke activiteiten en bijstand.

Artikel 34 Bestrijding van terrorisme, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en corruptie
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken voor de preventie en bestrijding van terrorisme als bedoeld in artikel 9.

  • 2. De partijen herbevestigen hun engagement om samen te werken voor het voorkomen en bestrijden van georganiseerde economische en financiële misdaad en corruptie, namaak en illegale transacties, door te voldoen aan hun bestaande wederzijdse internationale verplichtingen op dit gebied, onder meer met betrekking tot effectieve samenwerking om beslag te leggen op uit corruptie verkregen vermogensbestanddelen of gelden.

  • 3. Met het oog op het voorkomen, ontdekken, onderzoeken en vervolgen van daden van terrorisme of ernstige grensoverschrijdende misdaden erkennen de partijen het belang van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië inzake de verwerking en overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) door luchtvaartmaatschappijen aan de Australische douane- en grensbeveiligingsdiensten.

  • 4. De partijen bevorderen de toepassing van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de aanvullende protocollen daarbij, met inbegrip van sterke en doeltreffende evaluatiemechanismen.

  • 5. De partijen bevorderen tevens de toepassing van het VN-Verdrag tegen corruptie, met inbegrip van een sterk evaluatiemechanisme, rekening houdend met de beginselen van transparantie en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.

Artikel 35 Drugsbestrijding
  • 1. Binnen hun respectieve bevoegdheden werken de partijen samen met het oog op een evenwichtige en geïntegreerde aanpak ten einde de schade die verdovende middelen aan individuele personen, gezinnen en gemeenschappen aanrichten, zoveel mogelijk te beperken. Beleid en maatregelen inzake verdovende middelen zijn gericht op het versterken van de structuren ter bestrijding van verdovende middelen, de terugdringing van het aanbod van, de handel in en de vraag naar verdovende middelen, waarbij de schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de maatschappelijke consequenties van drugsmisbruik worden aangepakt en herstel van drugsverslaving mogelijk wordt gemaakt, alsook op voortgezette samenwerking om op doeltreffende wijze te voorkomen dat chemische precursoren onrechtmatig worden gebruikt voor de productie van drugs en psychotrope stoffen.

  • 2. De partijen werken samen met als doel de ontmanteling van de grensoverschrijdende criminele netwerken die betrokken zijn bij drugshandel, onder meer door de uitwisseling van informatie en inlichtingen, opleiding en de uitwisseling van beste praktijken, met inbegrip van bijzondere opsporingsmethoden. Zij leveren een bijzondere inspanning tegen de infiltratie van criminelen in de legale economie.

  • 3. De partijen werken waar passend samen ten aanzien van het probleem van nieuwe psychoactieve stoffen, onder meer door de uitwisseling van informatie en inlichtingen.

Artikel 36 Bestrijding van cybercriminaliteit
  • 1. De partijen versterken binnen de grenzen van hun verantwoordelijkheid, overeenkomstig hun nationale wetgeving en hun verplichtingen inzake de internationale mensenrechten, door middel van de uitwisseling van informatie en praktische ervaringen, hun samenwerking ter voorkoming en bestrijding van geavanceerde technologische criminaliteit, cybercriminaliteit en elektronische criminaliteit en de verspreiding van illegale content via het internet, onder meer met betrekking tot terroristische activiteiten.

  • 2. De partijen wisselen informatie uit op het gebied van onderwijs en opleiding van onderzoekers van cybercriminaliteit, het onderzoek naar cybercriminaliteit en digitale forensische wetenschap.

  • 3. De partijen bevorderen het Verdrag van Boedapest inzake cybercriminaliteit als de mondiale norm tegen cybercriminaliteit op alle passende niveaus.

Artikel 37 Bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme
  • 1. De partijen herbevestigen de noodzaak om samen te werken bij de preventie van het gebruik van hun financiële stelsels voor het witwassen van de opbrengsten van criminele activiteiten, waaronder drugshandel en corruptie, en voor de bestrijding van de financiering van terrorisme. Deze samenwerking strekt zich uit tot inbeslagneming van uit misdaden verkregen vermogensbestanddelen of gelden.

  • 2. De partijen wisselen relevante informatie uit in het kader van hun respectieve wetgevingen en voeren passende maatregelen uit voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, overeenkomstig de normen van de relevante internationale instanties op dit gebied, zoals de Financial Action Task Force (FATF).

Artikel 38 Asiel en migratie
  • 1. De partijen komen overeen de dialoog en de samenwerking inzake migratie, asiel, participatie en diversiteit te intensiveren.

  • 2. De samenwerking kan onder meer de uitwisseling van informatie omvatten over manieren om illegale immigratie, mensensmokkel, mensenhandel, asiel, sociale en economische participatie van migranten, grensbeheer, visa, biometrische gegevens en documentenbeveiliging aan te pakken.

  • 3. De partijen komen overeen samen te werken teneinde illegale migratie te voorkomen en te controleren. Hiertoe geldt het volgende:

    • a. Australië neemt zijn onderdanen over die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten onverwijld;

    • b. elke lidstaat neemt zijn onderdanen over die illegaal op het grondgebied van Australië verblijven, op verzoek van dat land zonder verdere formaliteiten onverwijld; en

    • c. de lidstaten en Australië verstrekken hun onderdanen daartoe de nodige identiteitsdocumenten.

  • 4. De partijen gaan na, op verzoek van een van beide partijen, of de sluiting van een overeenkomst tussen Australië en de Europese Unie inzake overname mogelijk is. In deze overeenkomst worden passende regelingen opgenomen voor de overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen.

Artikel 39 Consulaire bescherming
  • 1. Australië stemt ermee in dat de diplomatieke en consulaire autoriteiten van vertegenwoordigde lidstaten consulaire bescherming2) in Australië kunnen bieden namens andere lidstaten die niet over een toegankelijke permanente vertegenwoordiging in Australië beschikken.

  • 2. De Unie en de lidstaten zijn het erover eens dat de diplomatieke en consulaire autoriteiten van Australië consulaire bescherming namens een derde land kunnen bieden en dat derde landen consulaire bescherming namens Australië in de Unie kunnen bieden op plaatsen waar Australië of het betrokken derde land niet over een toegankelijke permanente vertegenwoordiging beschikken.

  • 3. De leden 1 en 2 hebben tot doel af te zien van de vereisten inzake kennisgeving en toestemming die anders van toepassing zouden zijn.

  • 4. De partijen komen overeen een dialoog over consulaire zaken tussen hun respectieve bevoegde autoriteiten te bevorderen.

Artikel 40 Bescherming van persoonsgegevens
  • 1. De partijen komen overeen samen te werken om te garanderen dat de beschermingsniveaus van persoonsgegevens overeenstemmen met de relevante internationale normen, met inbegrip van de richtsnoeren voor de bescherming van privacy en grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

  • 2. De samenwerking inzake de bescherming van persoonsgegevens kan onder meer uitwisseling van informatie en deskundigheid inhouden. Zij kan ook samenwerking tussen de regelgevende instanties omvatten in organen zoals de OESO-werkgroep inzake informatieveiligheid en de Global Privacy Enforcement Network.

TITEL VI SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ONDERZOEK, INNOVATIE EN DE INFORMATIEMAATSCHAPPIJ

Artikel 41 Wetenschap, onderzoek en innovatie
  • 1. De partijen komen overeen hun samenwerking op het gebied van de wetenschap, onderzoek en innovatie op te voeren ter ondersteuning van of als aanvulling bij de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technische samenwerking tussen Australië en de Europese Gemeenschap.

  • 2. Met de versterkte samenwerking wordt onder meer het volgende nagestreefd:

    • a. het aanpakken van gemeenschappelijke belangrijke maatschappelijke problemen in Australië en de Unie zoals vastgesteld en overeengekomen door het Gemeenschappelijk Comité voor wetenschappelijke en technologische samenwerking dat is opgericht uit hoofde van artikel 5 van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technische samenwerking tussen Australië en de Europese Gemeenschap;

    • b. de deelname van een reeks openbare en particuliere innovatie-actoren, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, om het gebruik van gezamenlijke onderzoeksresultaten te bevorderen en wederzijds voordelige commerciële en/of bredere maatschappelijke resultaten te verwezenlijken;

    • c. verdere uitbreiding van de mate waarin onderzoekers uit Australië en de Unie gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van de onderzoeks- en innovatieprogramma's van elke partij, onder meer door:

      • i. omvattende informatie over programma’s en deelnamemogelijkheden;

      • ii. tijdige informatie over nieuwe strategische prioriteiten;

      • iii. onderzoek van de mate waarin gebruik kan worden gemaakt van samenwerkingsmechanismen, zoals jumelages, gezamenlijke oproepen en gecoördineerde oproepen, en deze kunnen worden versterkt; en

    • d. nagaan hoe Australië en de Unie kunnen samenwerken om deel te nemen aan een bredere regionale en internationale samenwerking inzake onderzoek en innovatie.

  • 3. De partijen moedigen overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving de deelname aan van de particuliere en de openbare sector en het maatschappelijk middenveld binnen hun eigen grondgebied aan activiteiten ter bevordering van de samenwerking.

  • 4. De versterkte samenwerking richt zich op alle gebieden van civiel onderzoek en innovatie, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

    • a. de aanpak van maatschappelijke problemen op gebieden van gemeenschappelijk belang en de bevordering van sleuteltechnologieën, met inbegrip van ruimteonderzoek;

    • b. het onderzoek naar infrastructuur, ook e-infrastructuur, en de uitwisseling van informatie over kwesties als de toegang, het beheer, de financiering en de prioriteitsstelling van onderzoeksinfrastructuur; en

    • c. de versterking van de mobiliteit van onderzoekers tussen Australië en de Unie.

Artikel 42 Informatiemaatschappij
  • 1. De partijen erkennen dat informatie- en communicatietechnologieën onmisbare onderdelen van het moderne leven zijn en dat deze van essentieel belang zijn voor de economische en sociale ontwikkeling; zij komen derhalve overeen inzichten uit te wisselen over hun respectieve beleid op dat gebied.

  • 2. De samenwerking op dit gebied kan met name gericht zijn op:

    • a. uitwisseling van inzichten over de verschillende aspecten van de informatiemaatschappij, met name beleid en regelgeving voor elektronische communicatie, waaronder universele dienstverlening, vergunningen en algemene machtigingen, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, e-overheid en open bestuur, internetveiligheid en de onafhankelijkheid en efficiëntie van de regulerende autoriteiten;

    • b. koppeling en interoperabiliteit van onderzoeksnetwerken, computerinfrastructuur, en infrastructuur en diensten voor wetenschappelijke gegevens, ook in regionaal verband;

    • c. normalisatie, certificering en verspreiding van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën;

    • d. beveiligingsvraagstukken, vertrouwens- en privacy-aspecten van informatie- en communicatietechnologieën- en diensten, waaronder bevordering van de veiligheid online, bestrijding van cybercriminaliteit en van misbruik van informatietechnologie en alle vormen van elektronische media, alsook uitwisselen van informatie; en

    • e. de uitwisseling van standpunten over maatregelen op het gebied van internationale mobiele roamingkosten, onder meer niet-tarifaire handelsbelemmeringen.

TITEL VII SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ONDERWIJS EN CULTUUR

Artikel 43 Onderwijs, opleiding en jeugdzaken
  • 1. De partijen erkennen de belangrijke bijdrage van onderwijs en opleiding tot het scheppen van kwaliteitsbanen en duurzame groei voor de kenniseconomie, en erkennen dat zij een gemeenschappelijk belang hebben bij de samenwerking op het gebied van onderwijs, opleiding en daarmee verwante jeugdkwesties.

  • 2. Overeenkomstig hun wederzijdse belangen en de doelstellingen van hun respectieve onderwijsbeleid verbinden de partijen zich ertoe de dialoog EU-Australië over onderwijs en opleidingsbeleid voort te zetten en passende gezamenlijke samenwerkingsactiviteiten te ondersteunen op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugd. Deze samenwerking betreft alle onderwijssectoren en kan onder meer de vorm aannemen van:

    • a. samenwerking inzake leermobiliteit van individuele personen door middel van het bevorderen en faciliteren van de uitwisseling van studenten, onderwijzend en administratief personeel van instellingen voor tertiair onderwijs, leerkrachten en jeugdwerkers;

    • b. steun voor gezamenlijke samenwerkingsprojecten van onderwijs- en opleidingsinstellingen in de Unie en Australië, met als doel leerplanontwikkeling, gezamenlijke studieprogramma’s en diploma's en de mobiliteit van studenten te bevorderen;

    • c. institutionele samenwerking, banden en partnerschappen ter bevordering van de uitwisseling van ervaringen en expertise, en doeltreffende banden tussen onderwijs, onderzoek en innovatie; en

    • d. ondersteuning van beleidshervormingen via dialoog, studies, conferenties, seminars, werkgroepen, vergelijkingen aan de hand van benchmarks en de uitwisseling van informatie en goede praktijken, vooral met het oog op de processen van Bologna en Kopenhagen en de instrumenten voor transparantie in de Unie.

Artikel 44 Samenwerking op het gebied van cultuur, de audiovisuele sector en de media
  • 1. De partijen komen overeen de samenwerking te bevorderen in de culturele en creatieve sectoren, ter verbetering van, onder andere, het wederzijds begrip en de kennis van elkaars cultuur.

  • 2. De partijen streven ernaar om passende maatregelen te nemen om culturele uitwisselingen te stimuleren en gemeenschappelijke culturele initiatieven uit te voeren, met gebruikmaking van de beschikbare samenwerkingsinstrumenten- en kaders.

  • 3. De partijen streven ernaar om de mobiliteit van culturele werkers en van kunstwerken tussen Australië en de Unie en haar lidstaten te bevorderen.

  • 4. De partijen bevorderen de interculturele dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en individuele personen van de partijen.

  • 5. De partijen komen overeen samen te werken, met name via de beleidsdialoog, in relevante internationale fora, zoals de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco), teneinde gemeenschappelijke doeleinden na te streven en culturele diversiteit te bevorderen, onder meer met inachtneming van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

  • 6. De partijen stimuleren, ondersteunen en vergemakkelijken de uitwisseling, samenwerking en dialoog tussen instellingen en actoren op het gebied van audiovisuele aangelegenheden en media.

  • 7. De partijen komen overeen de culturele samenwerking in het kader van ASEM te ondersteunen, meer bepaald via de activiteiten van de stichting Azië-Europa (ASEF).

TITEL VIII SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DUURZAME ONTWIKKELING, ENERGIE EN VERVOER

Artikel 45 Milieu en natuurlijke hulpbronnen
  • 1. De partijen komen overeen dat het noodzakelijk is de natuurlijke rijkdommen en biodiversiteit duurzaam te beschermen, te bewaren en te beheren als basis voor de ontwikkeling van de huidige en toekomstige generaties.

  • 2. De partijen versterken hun samenwerking voor de milieubescherming en nemen milieu-overwegingen in alle sectoren van de samenwerking op, met inbegrip van de internationale en regionale context, meer bepaald wat betreft:

    • a. de handhaving van een dialoog op hoog niveau inzake milieu;

    • b. de deelname aan en de tenuitvoerlegging van multilaterale milieu-overeenkomsten en waar passend het bevorderen van gemeenschappelijke standpunten tussen de partijen over milieukwesties, onder meer door engagement in multilaterale fora;

    • c. de bevordering en de aanmoediging van toegang tot en duurzaam gebruik van genetische hulpmiddelen overeenkomstig de nationale wetgeving en de internationale verdragen die op dit punt van toepassing zijn en die de partijen geratificeerd hebben of waarbij zij partij zijn; en

    • d. de bevordering van uitwisseling van informatie, technische expertise en milieupraktijken op gebieden als:

      • i. de tenuitvoerlegging en de handhaving van milieuwetgeving;

      • ii. efficiënt gebruik van de hulpbronnen en duurzaam verbruik en productie;

      • iii. instandhouding en duurzaam gebruik van biodiversiteit;

      • iv. chemicaliën en afvalbeheer;

      • v. waterbeleid; en

      • vi. bescherming van het kust- en zeemilieu, tegengaan van vervuiling en schade.

Artikel 46 Klimaatverandering
  • 1. De partijen erkennen dat de klimaatverandering een gemeenschappelijke mondiale dreiging vormt en dat alle landen actie moeten ondernemen om emissies te verminderen, teneinde de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden en zonder afbreuk te doen aan de besprekingen over klimaatverandering in andere fora, zoals het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (UNFCCC), verbinden de partijen zich ertoe de samenwerking op dit gebied te intensiveren. Deze samenwerking beoogt, zonder zich daartoe te beperken, het volgende:

    • a. de bestrijding van de klimaatverandering met als algemeen doel de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke informatie en de noodzaak van een overgang naar economieën met lage emissies zonder een duurzame economische groei te onderbreken, door middel van landenspecifieke schadebeperkings- en aanpassingsmaatregelen;

    • b. de uitwisseling van expertise en informatie met betrekking tot het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de ontwikkeling van de respectieve binnenlandse schadebeperkingsaanpak- en maatregelen, met inbegrip van marktgebaseerde mechanismen, waar relevant;

    • c. de uitwisseling van expertise en informatie met betrekking tot openbare en particuliere financieringsinstrumenten voor klimaatactie;

    • d. de samenwerking inzake onderzoek, ontwikkeling, verspreiding, invoering en overdracht van emissiearme technologieën, teneinde de emissie van broeikasgassen te verminderen en het efficiënte gebruik van hulpbronnen te bevorderen, met instandhouding van de economische groei;

    • e. de uitwisseling van ervaring, expertise en optimale werkwijzen, waar passend, voor het toezicht op en de analyse van de gevolgen van broeikasgassen en voor de ontwikkeling van schadebeperkings- en aanpassingsprogramma's en strategieën voor emissiearme ontwikkeling;

    • f. steun, waar passend, voor schadebeperkings- en aanpassingsmaatregelen in ontwikkelingslanden;

    • g. de samenwerking voor een robuuste en wettelijk bindende internationale klimaatovereenkomst waaraan alle landen gebonden zijn.

  • 2. Tot dit doel komen de partijen overeen een regelmatige dialoog te voeren en samen te werken op politiek, beleids- en technisch niveau, zowel bilateraal als in de relevante plurilaterale en multilaterale fora.

Artikel 47 Civiele bescherming

De partijen erkennen de noodzaak om de gevolgen van natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen te beperken. De partijen bevestigen hun gemeenschappelijk engagement voor de bevordering van preventie-, mitigatie-, paraatheids- en responsmaatregelen om de maatschappij en de infrastructuur weerbaarder te maken, en waar passend voor de samenwerking op bilateraal en multilateraal politiek niveau om deze doeleinden te helpen verwezenlijken.

Artikel 48 Energie

De partijen erkennen het belang van de energiesector en de rol van een goed-functionerende energiemarkt voor duurzame ontwikkeling en economische groei, hetgeen bijdraagt tot het bereiken van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen en het aanpakken van mondiale milieu- en klimaatproblemen, en zij streven ernaar, binnen hun respectieve bevoegdheden, de samenwerking op dit gebied op te voeren met het oog op:

  • a. de ontwikkeling van beleid om de energiezekerheid te vergroten;

  • b. de bevordering van een mondiale energiemarkt en -investeringen;

  • c. de verbetering van het concurrentievermogen;

  • d. beter functionerende mondiale energiemarkten;

  • e. de uitwisseling van informatie en beleidservaringen via de bestaande multilaterale energiefora;

  • f. de bevordering van de ontwikkeling en toepassing van schone, gediversifieerde, kosteneffectieve en duurzame energietechnologieën, met inbegrip van vernieuwbare en emissiearme energietechnologieën;

  • g. het komen tot een rationeel energiegebruik, met bijdragen van zowel producenten als consumenten, door energie-efficiëntie te bevorderen bij de productie, het vervoer, de distributie en het eindgebruik van energie; en

  • h. de uitwisseling van optimale werkwijzen voor de exploratie en productie van energie.

Artikel 49 Vervoer
  • 1. De partijen streven naar samenwerking op alle relevante terreinen van het vervoersbeleid, met inbegrip van geïntegreerd vervoersbeleid, met het oog op de verbetering van het goederen- en personenverkeer, de bevordering van beveiliging en veiligheid van lucht- en zeevaart, de milieubescherming en de verhoging van de efficiëntie van hun vervoerssystemen.

  • 2. De samenwerking tussen de partijen op dit gebied is gericht op de bevordering van:

    • a. de uitwisseling van informatie over hun respectieve vervoersbeleid- en praktijk, onder meer tijdig advies over voorgestelde wijzigingen aan de regelgeving die beide vervoerssectoren raken;

    • b. de versterking van de luchtvaartbetrekkingen tussen Australië en de Unie, de verbetering van de markttoegang en de investeringsmogelijkheden en de verbreding en verdieping van de samenwerking op het gebied van regelgeving voor de veiligheid van de luchtvaart, de veiligheid en de economische regelgeving van de luchtvervoersindustrie, met het oog op convergentie van de regelgeving en het wegwerken van handelsbelemmeringen, alsook samenwerking inzake luchtverkeersbeheer;

    • c. dialoog en samenwerking met het oog op onbeperkte toegang tot de internationale maritieme markten en handel, gebaseerd op eerlijke concurrentie op een commerciële basis;

    • d. dialoog en samenwerking inzake milieugerelateerde vervoerskwesties;

    • e. dialoog en samenwerking voor een wederzijdse erkenning van rijbewijzen; en

    • f. samenwerking op internationale vervoersfora.

Artikel 50 Landbouw en plattelandsontwikkeling
  • 1. De partijen komen overeen samenwerking aan te moedigen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling.

  • 2. Gebieden waarop samenwerking kan worden overwogen, omvatten onder meer, maar zijn niet beperkt tot, landbouw- en plattelandsontwikkelingsbeleid, geografische aanduidingen, diversificatie en herstructurering van de landbouwsector en duurzame landbouw.

Artikel 51 Duurzaam bosbeheer

De partijen komen overeen de samenwerking op nationaal en internationaal niveau te bevorderen inzake duurzaam bosbeheer en daarmee verband houdende beleidsmaatregelen en regelgeving, met inbegrip van maatregelen ter bestrijding van illegale houtkap en gerelateerde handel, alsook de bevordering van goed bestuur op bosgebied.

Artikel 52 Maritieme zaken en visserij
  • 1. De partijen intensiveren de dialoog en de samenwerking op gebieden van gemeenschappelijk belang inzake visserij en maritieme zaken. De partijen streven naar een duurzame instandhouding en een duurzaam beheer van de levende mariene hulpbronnen, de uitwisseling van informatie via regionale organisaties voor visserijbeheer en via regelingen, en via multilaterale fora zoals de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO), de preventie, afschrikking en uitbanning van illegale, niet-gerapporteerde en niet-gereguleerde visserij-activiteiten, de toepassing van op het ecosysteem gebaseerd beheer en de bevordering van samenwerking inzake duurzaamheid op marien en visserijgebied.

  • 2. De partijen werken samen om:

    • a. de ontwikkeling, de uitvoering en de naleving aan te moedigen van doeltreffende maatregelen voor een duurzame instandhouding en een duurzaam beheer van visserijbronnen onder de bevoegdheid van regionale organisaties voor visserijbeheer of regelingen waarbij zij partij zijn;

    • b. multilateraal goed bestuur te garanderen binnen de relevante regionale organisaties voor visserijbeheer wat betreft over grote afstanden trekkende visbestanden in heel hun verspreidingsgebied;

    • c. een geïntegreerde aanpak van maritieme kwesties op internationaal niveau te bevorderen; en

    • d. het toetreden tot regionale organisaties voor visserijbeheer te faciliteren, waar dat nuttig wordt geacht, in gevallen waar één partij lid is en de andere samenwerkende partij.

  • 3. De partijen houden een regelmatige periodieke dialoog in samenhang met andere vergaderingen op het niveau van hogere ambtenaren ter versterking van de dialoog en de samenwerking, alsook ter uitwisseling van informatie en ervaringen op het gebied van visserijbeleid en maritieme kwesties.

Artikel 53 Werkgelegenheid en sociale zaken
  • 1. De partijen komen overeen de samenwerking op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken te intensiveren, onder meer in de context van globalisering en demografische veranderingen. Er wordt gestreefd naar bevordering van samenwerking en uitwisseling van informatie en ervaringen inzake werkgelegenheid en arbeidsaangelegenheden. De samenwerking kan de volgende gebieden omvatten: uitwisselingen inzake werkgelegenheidsbeleid, regionale en sociale cohesie, sociale integratie, socialezekerheidsstelsels, arbeidsverhoudingen, levenslange ontwikkeling van vaardigheden, jeugdwerkgelegenheid, gezondheid en veiligheid op het werk, non-discriminatie en gelijkheid, inclusief gendergelijkheid, alsook maatschappelijk verantwoord ondernemen en fatsoenlijk werk.

  • 2. De partijen bevestigen opnieuw dat het noodzakelijk is volledige, productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk te bevorderen als belangrijk onderdeel van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding. In dit verband herinneren de partijen aan de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering.

  • 3. De partijen bevestigen opnieuw hun engagement om de internationaal erkende arbeidsnormen en sociale normen, zoals die zijn vastgelegd in met name de ILO-verklaring over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk, te eerbiedigen, te bevorderen en toe te passen.

  • 4. De samenwerking kan onder meer de vorm aannemen van gezamenlijk overeen te komen specifieke programma's, projecten en initiatieven, alsmede dialoog op gebieden van wederzijds belang op bilateraal of multilateraal niveau.

Artikel 54 Volksgezondheid

De partijen komen overeen wederzijdse samenwerking en informatie-uitwisseling en de uitwisseling van beleidservaringen aan te moedigen op het gebied van gezondheid en doeltreffende beheersing van grensoverschrijdende gezondheidsproblemen.

TITEL IX INSTITUTIONEEL KADER

Artikel 55 Andere overeenkomsten of regelingen
  • 1. De partijen kunnen deze overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen. Dergelijke specifieke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst heeft geen gevolgen voor en doet geen afbreuk aan de interpretatie of toepassing van andere overeenkomsten tussen de partijen. De bepalingen inzake geschillenbeslechting van deze overeenkomst dienen met name niet ter vervanging van of doen op generlei wijze afbreuk aan de bepalingen inzake geschillenbeslechting van andere overeenkomsten tussen de partijen.

  • 3. De partijen erkennen dat een bijzonder dringend geval als bedoeld in artikel 57, lid 7, eveneens een reden kan zijn voor de schorsing of beëindiging van andere overeenkomsten tussen de partijen. In dergelijke omstandigheden houden de partijen zich aan de bepalingen inzake geschillenbeslechting, schorsing en beëindiging van dergelijke andere overeenkomsten om een eventueel geschil op te lossen.

Artikel 56 Gemengde Commissie
  • 1. De partijen richten hierbij een Gemengde Commissie op die bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

  • 2. In de Gemengde Commissie wordt overleg gepleegd om de uitvoering van deze overeenkomst te vergemakkelijken, de algemene doelstellingen ervan te bevorderen, en de algemene samenhang van de betrekkingen tussen de EU en Australië te garanderen.

  • 3. De Gemengde Commissie:

    • a. bevordert de effectieve tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;

    • b. houdt toezicht op de ontwikkeling van de brede bilaterale betrekkingen tussen de partijen, met inbegrip van overeenkomsten;

    • c. verzoekt waar nodig om informatie aan comités en andere lichamen die bij andere overeenkomsten tussen de partijen zijn ingesteld, en neemt door hen ingediende verslagen in overweging;

    • d. zorgt voor de uitwisseling van standpunten en de formulering van voorstellen over alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, waaronder in de toekomst te nemen maatregelen en de daarvoor beschikbare middelen;

    • e. stelt prioriteiten vast en stelt waar nodig stappen of actieplannen vast met betrekking tot de doelstellingen van deze overeenkomst;

    • f. zoekt naar passende methoden om problemen te voorkomen die op de onder deze overeenkomst vallende gebieden zouden kunnen rijzen;

    • g. beslecht geschillen die zich ten aanzien van de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst voordoen overeenkomstig artikel 57;

    • h. onderzoekt de informatie die door een partij overeenkomstig artikel 57 wordt ingediend; en

    • i. treft besluiten, waar nodig, om uitvoering te geven aan specifieke aspecten van deze overeenkomst.

  • 4. De Gemengde Commissie besluit bij eenparigheid van stemmen. De Gemengde Commissie stelt haar reglement van orde vast. De Gemengde Commissie kan subcommissies en werkgroepen instellen om specifieke kwesties aan te pakken.

  • 5. De Gemengde Commissie komt gewoonlijk eenmaal per jaar bijeen, afwisselend in de Unie en Australië. Speciale vergaderingen van de Gemengde Commissie vinden plaats wanneer een van de partijen daarom verzoekt. De Gemengde Commissie wordt beurtelings door een van beide partijen voorgezeten. Zij vergadert gewoonlijk op het niveau van hoge ambtenaren, maar kan ook op ministerniveau vergaderen. De Gemengde Commissie kan ook per video of telefoonverbinding werken en informatie per e-mail uitwisselen.

Artikel 57 Regelingen voor de tenuitvoerlegging en geschillenbeslechting
  • 1. De partijen treffen, in de geest van wederzijds respect en samenwerking die in deze overeenkomst tot uiting komt, de algemene of bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen.

  • 2. De partijen komen overeen op verzoek van een van beide partijen zo spoedig mogelijk overleg te plegen over meningsverschillen die in verband met de uitvoering van deze overeenkomst kunnen ontstaan. Mochten zich meningsverschillen voordoen in verband met de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst, dan verwijzen de partijen de zaak naar de Gemengde Commissie. De partijen dienen alle vereiste informatie voor een grondig onderzoek van de kwestie in bij de Gemengde Commissie, ten einde het meningsverschil tijdig en minnelijk op te lossen.

  • 3. In bijzonder dringende gevallen legt een partij de kwestie onmiddellijk voor aan de Gemengde Commissie en dient zij alle vereiste informatie in voor een grondig onderzoek van de situatie, ten einde een tijdige en wederzijds aanvaardbare oplossing te zoeken. Indien de Gemengde Commissie op het niveau van hogere ambtenaren niet in staat blijkt de kwestie binnen een periode van uiterlijk 15 dagen na aanvang van het overleg en uiterlijk 30 dagen na de datum van indiening van de zaak bij de Gemengde Commissie op te lossen, wordt de kwestie voor spoedberaad voorgelegd aan de ministers voor een verdere periode van 15 dagen.

  • 4. In het onwaarschijnlijke en onverwachte geval dat geen wederzijds aanvaardbare oplossing wordt gevonden binnen 15 dagen na aanvang van het overleg op ministerieel niveau en uiterlijk 45 dagen na de datum van indiening van de kwestie bij de Gemengde Commissie, kan elke partij besluiten passende maatregelen te treffen ten aanzien van deze overeenkomst, met inbegrip van de schorsing of de beëindiging van de bepalingen van deze overeenkomst. De partijen erkennen dat een bijzonder dringend geval ook een reden kan zijn voor het treffen van passende maatregelen buiten deze overeenkomst, volgens de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van andere overeenkomsten tussen de partijen of uit hoofde van algemeen internationaal recht. Het besluit tot schorsing wordt in de Unie met eenparigheid van stemmen genomen. In Australië wordt het besluit tot schorsing door de regering van Australië overeenkomstig de wet- en regelgeving genomen.

  • 5. De partijen komen overeen dat elk besluit tot het treffen van passende maatregelen overeenkomstig lid 4 degelijk dient te worden onderbouwd. Het besluit wordt onverwijld schriftelijk medegedeeld aan de andere partij. De partijen komen overeen dat deze maatregelen proportioneel dienen te zijn en in overeenstemming met artikel 55, lid 2, en met de algemene beginselen van internationaal recht dienen te zijn.

  • 6. Indien een maatregel krachtens lid 4 wordt getroffen, wordt die opnieuw ingetrokken zodra de redenen die daartoe aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan. De partij die een beroep doet op de bepalingen van lid 4, ziet nauwlettend toe op het verloop van de situatie die tot het besluit heeft geleid, zich ontwikkelt en trekt de maatregelen in, zodra dit gerechtvaardigd is.

  • 7. De partijen komen overeen dat voor een correcte interpretatie en praktische toepassing van deze overeenkomst de term „bijzonder dringend geval” betekent: een bijzonder ernstige en zwaarwegende schending door een van de partijen van de verplichtingen als beschreven in artikel 2, lid 2, en artikel 6, lid 2, van deze overeenkomst, en die leidt tot een situatie waartegen de andere partij onverwijld moet optreden. De partijen zijn van oordeel dat een bijzonder ernstige en zwaarwegende schending van artikel 2, lid 2, of artikel 6, lid 2, van dergelijke uitzonderlijke aard moet zijn dat de internationale vrede en veiligheid erdoor in gevaar komt.

  • 8. Wanneer de ernst en aard van een situatie in een derde land als gelijkwaardig aan een bijzonder dringend geval kan worden beschouwd, houden de partijen, wanneer een van beide partijen daarom verzoekt, spoedoverleg om van gedachten te wisselen over de situatie en zich te buigen over mogelijke reacties.

TITEL X SLOTBEPALINGEN

Artikel 58 Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „de partijen” verstaan: de Unie of haar lidstaten, dan wel de Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en Australië, anderzijds.

Artikel 59 Financiële samenwerking
  • 1. Indien de partijen steunprogramma’s in de context van hun beleid voor ontwikkelingssamenwerking ten uitvoer leggen, werken zij samen voor het voorkomen en bestrijden van onregelmatigheden, fraude, corruptie, of enige andere illegale activiteit die die financiële belangen van de partijen schaadt.

  • 2. Tot dit doel wisselen de bevoegde autoriteiten van de Unie en van Australië informatie uit, met inbegrip van persoonsgegevens, overeenkomstig hun respectieve geldende wetgeving, en plegen zij, op verzoek van een van de partijen, overleg.

  • 3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de bevoegde autoriteiten van Australië kunnen verdere samenwerking overeenkomen op het gebied van fraudebestrijding, met inbegrip van operationele afspraken.

Artikel 60 Openbaarmaking van informatie
  • 1. De partijen zorgen voor passende bescherming van de in het kader van deze overeenkomst uitgewisselde informatie, in overeenstemming met het openbare belang van toegang tot informatie.

  • 2. Niets in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat een partij verplicht wordt informatie uit te wisselen of toegang tot uitgewisselde informatie te verlenen, waarvan de openbaarmaking:

    • a. schade zou berokkenen aan:

      • i. de openbare veiligheid;

      • ii. spionage-, defensie- en militaire aangelegenheden;

      • iii. de internationale betrekkingen;

      • iv. het financiële, monetaire of economische beleid;

      • v. de persoonlijke levenssfeer; of

      • vi. legitieme commerciële belangen of handelsbelangen; of

    • b. anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.

  • 3. Indien informatie van de aard als bedoeld in dit artikel wordt uitgewisseld, mag de ontvangende partij dergelijke informatie alleen vrijgeven of openbaar maken met instemming van de andere partij, of wanneer het noodzakelijk is om te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen.

  • 4. Niets in deze overeenkomst heeft tot doel af te wijken van de rechten, plichten of verbintenissen van de partijen uit hoofde van bilaterale overeenkomsten of overeenkomsten betreffende gerubriceerde informatie die door de partijen is uitgewisseld.

Artikel 61 Inwerkingtreding, voorlopige toepassing, looptijd en beëindiging
  • 1. Deze overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de datum waarop de partijen elkaar in kennis hebben gesteld dat hun daartoe vereiste juridische procedures zijn afgerond.

  • 2. Niettegenstaande lid 1 kunnen Australië en de Unie onderling overeengekomen bepalingen van deze overeenkomst voorlopig toepassen, in afwachting van de inwerkingtreding ervan. Een dergelijke voorlopige toepassing gaat in dertig dagen na de datum waarop Australië en de Unie elkaar in kennis hebben gesteld van de afronding van hun interne procedures voor de voorlopige toepassing.

  • 3. Deze overeenkomst is van onbeperkte duur. Elk van beide partijen kan de andere partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen deze overeenkomst op te zeggen. De opzegging gaat in zes maanden na de datum van kennisgeving.

Artikel 62 Kennisgevingen

De in artikel 61 bedoelde kennisgevingen worden toegezonden aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie of aan het departement van Buitenlandse Zaken en Handel van Australië, of hun opvolgerorganisaties.

Artikel 63 Territoriale toepassing

Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Australië.

Artikel 64 Authentieke teksten

Deze overeenkomst is in tweevoud opgesteld in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.


D. PARLEMENT

De overeenkomst behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan de overeenkomst kan worden gebonden.

F. VOORLOPIGE TOEPASSING

Onderling overeengekomen bepalingen van de overeenkomst kunnen door de Europese Unie en Australië ingevolge artikel 61, tweede lid, voorlopig worden toegepast.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van de overeenkomst zullen ingevolge artikel 61, eerste lid, in werking treden op de dertigste dag na de datum waarop de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat hun daartoe vereiste juridische procedures zijn afgerond.

Uitgegeven de tweede maart 2018.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A.M. KAAG


X Noot
1)

De Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse tekst zijn niet opgenomen.

X Noot
2)

Australië kan instemmen met het gebruik van de term „consulaire bescherming” in dit artikel, in plaats van de term „consulaire werkzaamheden”, mits de eerste term de werkzaamheden omvat als bedoeld in artikel 9 van de Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad van 20 april 2015 betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en tot intrekking van Besluit 95/553/EG, en mits deze werkzaamheden de verstrekking van noodpaspoorten en/of reisdocumenten omvatten.

Naar boven