A. TITEL

Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds;

(met Aanhangsels, Bijlagen en Protocol)

Brussel, 22 januari 2009

B. TEKST1)


Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Centraal-Afrika, anderzijds

„Centraal-Afrika”, voor de toepassing van deze overeenkomst bestaand uit:

De Republiek Kameroen,

enerzijds,

en

Het Koninkrijk België,

De Republiek Bulgarije,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Republiek Estland,

Ierland,

De Helleense Republiek,

Het Koninkrijk Spanje,

De Franse Republiek,

De Italiaanse Republiek,

De Republiek Cyprus,

De Republiek Letland,

De Republiek Litouwen,

Het Groothertogdom Luxemburg,

De Republiek Hongarije,

Malta,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Polen,

De Portugese Republiek,

Roemenië,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

De Republiek Finland,

Het Koninkrijk Zweden,

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

en

De Europese Gemeenschap,

anderzijds,

Preambule

Gelet op de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend en op 25 juni 2005 te Luxemburg werd herzien, hierna de „Overeenkomst van Cotonou” genoemd,

Ervan overtuigd dat de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) een nieuw, gunstiger klimaat voor hun relaties op het gebied van economisch bestuur, handel en investeringen tot stand zal brengen en nieuwe mogelijkheden voor groei en ontwikkeling zal bieden,

Overwegende dat de liberalisering van de handel in goederen en diensten en van het vestigingsrecht tussen de partijen gebaseerd moet zijn op de regionale integratie van de Centraal-Afrikaanse staten, dat deze tot doel moet hebben hun geleidelijke, harmonieuze integratie in de wereldeconomie te bevorderen, daarbij lettend op hun politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten, en dat daarbij moet worden voldaan aan de voorwaarden van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie,

Overwegende dat de partijen buitenlandse directe investeringen niet zullen aanmoedigen door afzwakking van hun binnenlandse wet- en regelgeving inzake milieu, arbeid, gezondheid op het werk of veiligheid of door versoepeling van hun binnenlandse arbeidswet- en regelgeving of van voorschriften om culturele diversiteit te beschermen en te bevorderen. De partijen bevestigen daarom opnieuw dat zij zich ertoe verbinden deze binnenlandse wet- en regelgeving na te leven of de naleving ervan aan te bieden, teneinde de vestiging, verwerving, uitbreiding of handhaving van een investering of investeerder op hun gebied aan te moedigen,

Zijn als volgt overeengekomen:

TITEL I DOELSTELLINGEN

Artikel 1 Tijdelijke overeenkomst

Bij deze overeenkomst wordt een initieel kader voor een economische partnerschapsovereenkomst, hierna „EPO” genoemd, vastgesteld.

Onder „initieel kader” wordt door de partijen verstaan een tijdelijke overeenkomst over, enerzijds, daadwerkelijke verbintenissen die in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst kunnen worden uitgevoerd, en, anderzijds, onderhandelingen over aanvullende elementen, teneinde een volledige EPO in overeenstemming met de Overeenkomst van Cotonou te sluiten.

Artikel 2 Algemene doelstellingen en werkingssfeer

De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:

  • a. bijdragen aan het terugdringen en uiteindelijk het uitroeien van armoede door de instelling van een handelspartnerschap dat in overeenstemming is met het doel van een duurzame ontwikkeling, de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de Overeenkomst van Cotonou;

  • b. bevordering van een beter concurrerende en meer gediversifieerde regionale economie in Centraal-Afrika en van constantere groei;

  • c. bevordering van regionale integratie, economische samenwerking en goed bestuur in de Centraal-Afrikaanse regio;

  • d. bevordering van de geleidelijke integratie van Centraal-Afrika in de wereldeconomie, in overeenstemming met zijn politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten;

  • e. verbetering van de capaciteit van Centraal-Afrika op het gebied van handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken;

  • f. totstandbrenging en tenuitvoerlegging van een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevend kader voor handel en investeringen in de Centraal-Afrikaanse regio, ter ondersteuning van de voorwaarden voor een toename van de investeringen en van initiatieven van de particuliere sector en verruiming van de leveringscapaciteit voor producten en diensten, het concurrentievermogen en de economische groei in de regio;

  • g. versterking van de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijds belang. Om dit te bereiken, verbetert de overeenkomst de economische en handelsbetrekkingen, geeft zij steun aan een nieuwe handelsdynamiek tussen de partijen door middel van de geleidelijke, asymmetrische liberalisering van de onderlinge handel en versterkt, verruimt en verdiept zij de samenwerking op alle gebieden die voor de handel van belang zijn, met inachtneming van de WTO-verplichtingen;

  • h. bevordering van de ontwikkeling van de particuliere sector en van werkgelegenheidsgroei.

Artikel 3 Specifieke doelstellingen

Overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van de Overeenkomst van Cotonou heeft deze overeenkomst de volgende doelstellingen:

  • a. leggen van de grondslagen voor onderhandelingen over een EPO die bijdraagt tot terugdringing van de armoede, die de regionale integratie, economische samenwerking en een goed bestuur in Centraal-Afrika bevordert en die de productie-, uitvoer- en leveringscapaciteit van Centraal-Afrika, alsmede zijn vermogen om buitenlandse investeringen aan te trekken en zijn capaciteit inzake handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken verbetert;

  • b. bevordering van de geleidelijke, harmonieuze integratie van Centraal-Afrika in de wereldeconomie, in overeenstemming met zijn politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten;

  • c. versterking van de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijds belang;

  • d. totstandbrenging van een overeenkomst die in overeenstemming met de WTO-voorschriften is;

  • e. leggen van de grondslagen voor onderhandelingen en tenuitvoerlegging van een doeltreffend, voorspelbaar en transparant regionaal regelgevend kader voor handel, investeringen, mededinging, intellectuele eigendom, overheidsopdrachten en duurzame ontwikkeling in de Centraal-Afrikaanse regio, ter ondersteuning van de voorwaarden voor een toename van de investeringen en van initiatieven van de particuliere sector en verruiming van de leveringscapaciteit voor producten en diensten, het concurrentievermogen en de economische groei in de regio;

  • f. vaststelling van een routekaart voor onderhandelingen over de onder e) genoemde gebieden waarvoor de onderhandelingen in 2007 niet konden worden afgesloten.

TITEL II PARTNERSCHAP VOOR ONTWIKKELING

Artikel 4 Kader voor de capaciteitsopbouw in Centraal-Afrika

De partijen bevestigen hun voornemen de verschillende hun ter beschikking staande instrumenten in te zetten om tot capaciteitsopbouw en economische modernisering in Centraal-Afrika bij te dragen, met name door met behulp van de instrumenten van het handelsbeleid en de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten op nationaal en regionaal niveau een economisch en institutioneel kader tot stand te brengen dat de groei van een concurrerende economische bedrijvigheid in Centraal-Afrika begunstigt.

Artikel 5 Prioriteiten bij de capaciteitsopbouw en modernisering
  • 1. In partnerschap met de EG en met behulp van de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten zal de Centraal-Afrikaanse regio een kwantitatieve en kwalitatieve groei van de door haar geproduceerde en uitgevoerde goederen en diensten bevorderen, en dat met name op de volgende gebieden:

    • a. ontwikkeling van de regionale basisinfrastructuur:

      • vervoer;

      • energie;

      • telecommunicatie;

    • b. landbouw en voedselzekerheid:

      • landbouwproductie;

      • agro-industrie;

      • visserij;

      • veeteelt;

      • aquicultuur en visbestanden;

    • c. industrie, diversificatie en concurrentievermogen van de economie:

      • modernisering van ondernemingen;

      • industrie;

      • normen en certificering (sanitaire en fytosanitaire maatregelen, kwaliteit, zoötechnische normen enz.);

    • d. verdieping van de regionale integratie:

      • ontwikkeling van de regionale gemeenschappelijke markt;

      • belastingen en douane;

    • e. verbetering van het ondernemingsklimaat:

      • harmonisatie van het nationale handelsbeleid.

  • 2. Bij de tenuitvoerlegging van dit partnerschap baseren de partijen zich op het gezamenlijk oriënterend document dat aan bijlage I bij deze overeenkomst is gehecht.

  • 3. In het kader van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst bevestigen de partijen hun voornemen de modernisering van de onder deze overeenkomst vallende productiesectoren in Centraal-Afrika met behulp van de in artikel 7 bedoelde samenwerkingsinstrumenten te bevorderen.

Artikel 6 Randvoorwaarden voor het bedrijfsleven

De partijen zijn van oordeel dat de voor het bedrijfsleven geldende randvoorwaarden een essentieel instrument voor economische ontwikkeling zijn en dat deze overeenkomst derhalve tot dit gemeenschappelijke doel moet bijdragen. De overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, die ook het verdrag tot oprichting van de Organisatie voor de harmonisatie van het bedrijfsrecht in Afrika (OHADA) hebben ondertekend, verbinden zich ertoe dit verdrag op niet-discriminerende en doeltreffende wijze toe te passen en uit te voeren.

Artikel 7 Samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering
  • 1. De bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou betreffende regionale economische samenwerking en integratie worden zodanig ten uitvoer gelegd dat de verwachte voordelen van deze overeenkomst zo groot mogelijk zijn.

  • 2. De financiering door de Europese Gemeenschap1) van de ontwikkelingssamenwerking tussen Centraal-Afrika en de Europese Gemeenschap ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst vindt plaats in het kader van de voorschriften en passende procedures die zijn neergelegd in de Overeenkomst van Cotonou, met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds, en in het kader van de desbetreffende instrumenten die uit de algemene begroting van de Europese Unie worden gefinancierd. Steun bij de uitvoering van deze overeenkomst is een van de prioriteiten in dit verband.

  • 3. De lidstaten van de Europese Gemeenschap verbinden zich er gezamenlijk toe ontwikkelingsacties ten behoeve van regionale economische samenwerking en de uitvoering van deze overeenkomst, zowel op nationaal als op regionaal niveau, door middel van hun respectieve ontwikkelingsbeleid en -instrumenten, waaronder hulp voor handel, in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en complementariteit van de hulp te steunen.

  • 4. De partijen werken samen om hulp te bevorderen van andere donoren die bereid zijn de inspanningen van Centraal-Afrika om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, te ondersteunen.

  • 5. De partijen erkennen het nut van specifieke regionale financieringsmechanismen ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst en geven hun steun aan de desbetreffende inspanningen van de regio.

Artikel 8 Steun voor de uitvoering van handelsgerelateerde voorschriften

De partijen komen overeen dat de uitvoering van handelsgerelateerde voorschriften, waarvoor de samenwerkingsgebieden in de desbetreffende hoofdstukken van deze overeenkomst zijn gepreciseerd, bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst. De samenwerking op dit gebied geschiedt in overeenstemming met de uitvoeringsbepalingen van artikel 7.

Artikel 9 Financiering van het partnerschap
  • 1. De partijen komen overeen dat door en voor de Centraal-Afrikaanse regio een regionaal EPO-fonds wordt opgericht, dat tot doel heeft de steun voor een efficiënte financiering van de prioritaire acties ter verbetering van de productiecapaciteit van de Centraal-Afrikaanse staten, zoals bedoeld in artikel 5, en van de in artikel 10 bedoelde maatregelen te coördineren. De voorschriften voor de werking en het beheer van het regionale EPO-fonds worden uiterlijk eind 2008 door de regio vastgesteld. De EG gebruikt deze periode om haar beoordeling van die voorschriften af te sluiten.

  • 2. Het regionale EPO-fonds wordt gefinancierd uit door de partijen verstrekte middelen, en met name uit bijdragen van het EOF, bijdragen van de lidstaten van de Europese Unie en eventuele bijdragen van andere donoren.

  • 3. In afwijking van de leden 1 en 2 verbindt de Europese Gemeenschap zich ertoe haar steun te verlenen via de financieringsmechanismen van de regio zelf of via die welke door de staten die deze tussentijdse overeenkomst sluiten, met inachtneming van de voorschriften en procedures van de Overeenkomst van Cotonou en in overeenstemming met het beginsel van doeltreffendheid van de hulp daartoe zijn aangewezen.

  • 4. De partijen werken samen om bijdragen van andere donoren aan het regionale EPO-fonds te bevorderen.

Artikel 10 Samenwerking bij de begrotingsaanpassing
  • 1. De partijen zijn zich bewust van de uitdagingen waarvoor de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zich gesteld zien bij de afschaffing of forse verlaging van de douanerechten ingevolge deze overeenkomst; zij komen overeen hierover overleg te voeren en op dit gebied samen te werken.

  • 2. Gelet op het door de partijen in deze overeenkomst overeengekomen tijdschema voor de geleidelijke rechtenafschaffing komen deze overeen uitgebreid overleg te voeren over de fiscale aanpassingsmaatregelen die nodig zijn om het begrotingsevenwicht uiteindelijk te herstellen.

  • 3. Met het oog op de leden 1 en 2 komen de partijen overeen om in het kader van artikel 7 samen te werken en verbinden zij zich ertoe op de volgende gebieden technische en financiële bijstand te verlenen:

    • a. hulp bij het opvangen van de netto fiscale impact in volledige complementariteit met de fiscale hervormingen;

    • b. steun bij de fiscale hervorming in samenhang met het overleg hierover.

  • 4. De partijen komen overeen zo spoedig mogelijk in het kader van het EPO-comité overeenstemming te bereiken over de methode voor het schatten van de netto fiscale impact. Het is de bedoeling dat de partijen vervolgens ook overeenstemming over de vereiste aanvullende studies en acties bereiken.

Artikel 11 Samenwerking in internationale fora

De partijen streven naar samenwerking in alle internationale fora waar aangelegenheden worden besproken die betrekking hebben op dit partnerschap.

Artikel 12 Nadenken over partnerschap voor ontwikkeling

De partijen komen overeen om het debat over het bij deze titel ingestelde partnerschap voor ontwikkeling, met inbegrip van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, in 2008 nader uit te diepen.

TITEL III HANDELSREGELING VOOR PRODUCTEN

HOOFDSTUK 1 DOUANERECHTEN EN NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 13 Oorsprongsregels
  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die voldoen aan de oorsprongsregels die op 1 januari 2008 op het gebied van de partijen van toepassing zijn.

  • 2. Een wederkerige gemeenschappelijke regeling inzake de oorsprongsregels wordt door het EPO-comité aan deze overeenkomst gehecht en wordt van kracht op de datum van voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

  • 3. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst herzien de partijen de bepalingen betreffende de oorsprongsregels om de voor de vaststelling van de oorsprong gebruikte begrippen en methoden in het licht van de ontwikkelingsdoelstellingen voor Centraal-Afrika te vereenvoudigen. Bij deze herziening houden de partijen rekening met de technologische ontwikkeling, de productieprocessen en alle andere factoren, met inbegrip van de lopende hervormingen van de oorsprongsregels, die een wijziging van de overeengekomen wederkerige regeling nodig kunnen maken. Het EPO-comité besluit over wijziging of vervanging van de oorsprongsregels.

Artikel 14 Douanerechten

Onder douanerechten worden verstaan alle rechten of heffingen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen, die worden opgelegd bij of in verband met de invoer of uitvoer van producten. Douanerechten omvatten niet:

  • a. interne belastingen of andere interne heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 23;

  • b. antidumpingmaatregelen, compenserende maatregelen en vrijwaringsmaatregelen die worden opgelegd in overeenstemming met het hoofdstuk over handelsbeschermingsinstrumenten;

  • c. vergoedingen en andere heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 18.

Artikel 15 Afschaffing van uitvoerrechten
  • 1. In de handel tussen de partijen worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe uitvoerrechten ingevoerd, noch al bestaande uitvoerrechten verhoogd.

  • 2. Centraal-Afrika kan evenwel na overleg met de EG op een beperkt aantal extra goederen uitvoerrechten heffen wanneer het bij de overheidsfinanciën aanzienlijke problemen ondervindt of wanneer dit voor een betere bescherming van het milieu noodzakelijk is.

  • 3. Het EPO-comité evalueert met regelmatige tussenpozen de gevolgen en de gegrondheid van de krachtens dit artikel geheven uitvoerrechten.

Artikel 16 Verkeer van producten
  • 1. Op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap of uit Centraal-Afrika worden op het gebied van de andere partij slechts eenmaal douanerechten geheven.

  • 2. De douanerechten die op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap in overeenstemming met deze overeenkomst moeten worden betaald, worden geheven namens de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat waar het product wordt verbruikt.

  • 3. Centraal-Afrika neemt alle nodige maatregelen om erop toe te zien dat dit artikel daadwerkelijk wordt uitgevoerd en om het vrije verkeer van producten in de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te bevorderen. Beide partijen komen overeen op dit gebied samen te werken in het kader van de artikelen 7 en 8. Deze samenwerking wordt aangepast aan het soort systeem waartoe de Centraal-Afrikaanse regio uiteindelijk besluit.

  • 4. De partijen komen overeen samen te werken om het verkeer van producten te bevorderen en de douaneprocedures te vereenvoudigen, zoals is bepaald in titel III, hoofdstuk 3.

Artikel 17 Indeling van producten

Producten die onder deze overeenkomst vallen, worden ingedeeld volgens de respectieve douanenomenclatuur van de partijen, in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS).

Artikel 18 Vergoedingen en andere heffingen
  • 1. De in artikel 14, onder c), bedoelde vergoedingen en andere heffingen mogen niet hoger zijn dan, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en beogen geen indirecte bescherming van binnenlandse producten of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden. Op deze vergoedingen en heffingen zijn specifieke tarieven van toepassing die ongeveer overeenkomen met de kosten van de verleende diensten en die niet op ad-valorembasis worden berekend. Er worden geen vergoedingen en andere heffingen geheven voor consulaire formaliteiten, zoals consulaire facturen en certificaten, waarvan een volledige lijst wordt opgesteld door het EPO-comité.

  • 2. Om de regionale integratie en de begrijpelijkheid voor de marktdeelnemers te bevorderen, stemt Centraal-Afrika ermee in uiterlijk op 1 januari 2013 standaardbepalingen betreffende het door dit artikel bestreken gebied vast te stellen.

Artikel 19 Gunstiger behandeling als gevolg van overeenkomsten inzake economische integratie
  • 1. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent de EG Centraal-Afrika in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de EG na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met derde partijen.

  • 2. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent Centraal-Afrika de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat Centraal-Afrika na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een overeenkomst inzake economische integratie met een belangrijke handelspartner.

  • 3. Indien Centraal-Afrika van een belangrijke handelspartner als gevolg van een overeenkomst inzake economische integratie met die partner een aanzienlijk gunstiger behandeling heeft verkregen dan die welke door de EG wordt aangeboden, besluiten de partijen in onderling overleg over de toepassing van lid 2.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „overeenkomst inzake economische integratie” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot wezenlijke afschaffing van discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelspartner” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1% in de wereldhandel had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een overeenkomst inzake economische integratie in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde overeenkomst inzake economische integratie een aandeel van meer dan 1,5% in de wereldhandel had.2) .

  • 6. De bepalingen van dit hoofdstuk mogen niet zodanig worden uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen vóór de ondertekening van deze overeenkomst met een derde partij een overeenkomst inzake economische integratie heeft gesloten.

Artikel 20 Douanerechten op producten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten
  • 1. Producten van oorsprong uit Centraal-Afrika worden vrij van rechten in de EG ingevoerd; dit geldt niet voor de in bijlage II opgenomen producten onder de daar genoemde voorwaarden.

  • 2. In de handel tussen de partijen worden geen nieuwe douanerechten ingevoerd en worden al bestaande rechten niet verhoogd.

Artikel 21 Douanerechten op producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap
  • 1. Het basisdouanerecht voor elk product is het recht dat in bijlage III is vermeld.

  • 2. In de handel tussen de partijen worden geen nieuwe douanerechten ingevoerd en worden de in bijlage III vermelde rechten niet verhoogd.

  • 3. In afwijking van lid 2 mag Centraal-Afrika uiterlijk vanaf 1 januari 2013 in het kader van de instelling van een gemeenschappelijk buitentarief de in bijlage III vermelde basisdouanerechten voor producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap herzien voor zover het algemeen effect van deze rechten niet groter is dan dat van de in bijlage III vermelde rechten. In dat geval wordt bijlage III door het EPO-comité gewijzigd.

  • 4. De invoerrechten op producten die als van oorsprong uit de Europese Gemeenschap worden beschouwd en die onder de categorieën 1, 2 en 3 van bijlage III zijn opgenomen, worden definitief afgeschaft overeenkomstig het schema in onderstaande tabel. De aldaar opgenomen percentages waarmee de tarieven worden verlaagd, zijn van toepassing op de in lid 1 bedoelde tarieven of op eventuele nieuwe tarieven die overeenkomstig lid 3 worden vastgesteld.

    Categorie

    1.1.2008

    1.1.2009

    1.1.2010

    1.1.2011

    1.1.2012

    1.1.2013

    1.1.2014

    1

    0%

    0%

    25%

    50%

    75%

    100%

     

    2

    0%

    0%

    0%

    15%

    30%

    45%

    60%

    3

    0%

    0%

    0%

    0%

    0%

    0%

    10%

    Categorie

    1.1.2015

    1.1.2016

    1.1.2017

    1.1.2018

    1.1.2019

    1.1.2020

    1.1.2021

    1

                 

    2

    75%

    90%

    100%

           

    3

    20%

    30%

    40%

    50%

    60%

    70%

    80%

    Categorie

    1.1.2022

    1.1.2023

    1

       

    2

       

    3

    90%

    100%

  • 5. De invoer van producten van oorsprong uit de Europese Gemeenschap die in bijlage III onder categorie 5 zijn opgenomen, bestaat uit producten waarvoor het douanerecht volgens de leden 1 en 3 is vastgesteld; de douanerechten voor deze categorie worden noch verlaagd, noch afgeschaft.

  • 6. In geval van ernstige problemen in verband met de invoer van een bepaald product, kan het EPO-comité in gemeenschappelijk overleg het tijdschema voor de verlaging en afschaffing van douanerechten opnieuw onderzoeken en de voor de verlaging of afschaffing uitgetrokken tijd eventueel verlengen. Bij een dergelijk nieuw onderzoek kan de in het schema voor het betrokken product genoemde periode niet worden verlengd tot na de maximale overgangsperiode voor verlaging of afschaffing van het recht voor dat product. Indien het EPO-comité binnen dertig dagen na een verzoek om een nieuw onderzoek van het tijdschema geen besluit heeft genomen, kan Centraal-Afrika het tijdschema voorlopig opschorten voor een periode van maximaal een jaar.

Artikel 22 Verbod op kwantitatieve beperkingen

Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden alle invoer- of uitvoerverboden of -beperkingen ten aanzien van de handel tussen beide partijen, afgezien van douanerechten, belastingen en de in artikel 18 bedoelde vergoedingen en andere heffingen, afgeschaft, ongeacht of zij de vorm hebben van contingenten, in- of uitvoervergunningen of andere maatregelen. Er worden geen nieuwe maatregelen ingevoerd. Dit artikel doet geen afbreuk aan het hoofdstuk van deze overeenkomst over handelsbeschermingsinstrumenten.

Artikel 23 Nationale behandeling op het gebied van interne belastingen en regelgeving
  • 1. Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij mogen noch direct, noch indirect aan hogere interne belastingen of andere interne heffingen worden onderworpen dan die welke direct of indirect op soortgelijke nationale producten van toepassing zijn. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne belastingen of andere interne heffingen toe om de nationale productie te beschermen.

  • 2. Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden, wat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en vereisten met betrekking tot hun verkoop, aanbieding tot verkoop, aankoop, vervoer, distributie of gebruik op de nationale markt betreft, niet minder gunstig behandeld dan soortgelijke nationale producten. Het bepaalde in dit lid vormt geen beletsel voor de toepassing van differentiële interne vervoertarieven die uitsluitend berusten op de economische exploitatie van het vervoermiddel en niet op de oorsprong van het product.

  • 3. De partijen voeren geen interne regeling inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in specifieke hoeveelheden of verhoudingen in die direct of indirect vereisen dat een specifieke hoeveelheid of een specifiek percentage van een onder de regeling vallend product uit nationale bron afkomstig moet zijn; evenmin handhaven zij dergelijke regelingen. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne kwantitatieve regeling toe om hun nationale productie te beschermen.

    Er worden geen interne kwantitatieve regelingen inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen toegepast om deze hoeveelheden of percentages onder de externe bronnen te verdelen.

  • 4. In overeenstemming met artikel III, lid 8, onder b), van de GATT 1994 vormt het bepaalde in dit artikel geen beletsel voor de toekenning van subsidies aan uitsluitend nationale producenten, met inbegrip van betalingen uit de opbrengsten van interne belastingen of heffingen die overeenkomstig dit artikel worden geheven en van subsidies in de vorm van aankopen van nationale producten door de overheid.

  • 5. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, procedures of praktijken inzake overheidsopdrachten.

  • 6. Dit artikel doet geen afbreuk aan het hoofdstuk van deze overeenkomst over handelsbeschermingsinstrumenten.

Artikel 24 Uitvoersubsidies voor landbouwproducten
  • 1. De EG, Centraal-Afrika en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, mogen geen nieuwe uitvoersubsidies invoeren of bestaande uitvoersubsidies verhogen voor landbouwproducten die voor het gebied van de andere partij bestemd zijn. Dit lid belet niet de verhoging van bestaande subsidies als gevolg van schommelingen van de wereldprijs voor de betrokken producten.

  • 2. Wanneer de EG-wetgeving ten aanzien van de in lid 3 bedoelde groepen producten voorziet in een uitvoerrestitutie voor een basisproduct waarvoor Centraal-Afrika zich heeft verbonden de douanerechten af te schaffen, dan verbindt de EG zich tot geleidelijke afschaffing van alle bestaande subsidies op de uitvoer van de groep producten waartoe dat basisproduct behoort naar het gebied van Centraal-Afrika. Vóór 31 december 2008 plegen de partijen in het kader van dit lid overleg om vast te stellen hoe deze geleidelijke afschaffing wordt uitgevoerd.

  • 3. Dit artikel is van toepassing op producten die vallen onder bijlage I bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.

  • 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing door Centraal-Afrika van artikel 9, lid 4, van de WTO-overeenkomst inzake de landbouw en van artikel 27 van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

Artikel 25 Voedselzekerheid

Wanneer blijkt dat de uitvoering deze overeenkomst aanleiding geeft tot problemen met de beschikbaarheid van of de toegang tot voedingsmiddelen die noodzakelijk zijn voor de voedselzekerheid en wanneer deze situatie tot grote moeilijkheden voor Centraal-Afrika of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat leidt of dreigt te leiden, kan Centraal-Afrika of de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat in overeenstemming met artikel 31 passende maatregelen nemen.

Artikel 26 Speciale bepalingen over administratieve samenwerking
  • 1. De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van deze titel wordt verleend, en zij benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude in douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

  • 2. Wanneer een partij op basis van objectieve informatie bewijs in handen krijgt dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten overeenkomstig dit artikel tijdelijk schorsen.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking onder meer verstaan:

    • a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprong van het betrokken product of de betrokken producten te controleren;

    • b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij;

    • c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van een preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging daarbij.

  • 4. Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

    • a. de partij die op grond van objectieve informatie bewijs heeft gekregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het EPO-comité onverwijld in kennis van dit bewijs en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle relevante informatie en objectieve bewijzen in het kader van dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden;

    • b. wanneer de partijen als hierboven beschreven in het kader van het EPO-comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk schorsen. Het EPO-comité wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld;

    • c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. Zij duren niet langer dan zes maanden, waarna verlenging mogelijk is. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis gebracht van het EPO-comité. Binnen het EPO-comité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op opheffing van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.

  • 5. Tegelijk met de kennisgeving aan het EPO-comité overeenkomstig lid 4, onder a), publiceert de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een kennisgeving voor importeurs. In deze kennisgeving wordt aangegeven dat voor het betrokken product op grond van objectieve informatie bewijs is verkregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.

Artikel 27 Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen fouten hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de regels betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden voor administratieve samenwerking, en deze fouten gevolgen hebben voor de in- en uitvoer, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd het EPO-comité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel 28 Samenwerking

Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:

  • steun bij de uitvoering van uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen op het gebied van het handelsbeleid;

  • training voor en/of steun bij de interpretatie en toepassing van de desbetreffende voorschriften.

HOOFDSTUK 2 HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN
Artikel 29 Antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen
  • 1. Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de EG of de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, individueel of collectief, een beletsel om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-overeenkomsten antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

  • 2. Alvorens definitieve antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen voor producten uit overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, onderzoekt de EG de mogelijkheid van constructieve oplossingen als bedoeld in de desbetreffende WTO-overeenkomsten.

  • 3. Wanneer namens twee of meer overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten door een regionale of subregionale instantie een antidumpingmaatregel of een compenserende maatregel is ingesteld, is er maar één instantie voor de rechterlijke toetsing, met inbegrip van een hogere voorziening.

  • 4. Wanneer antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen op regionaal of subregionaal niveau en op nationaal niveau kunnen worden ingesteld, zien de partijen erop toe dat deze maatregelen niet tegelijk door regionale of subregionale autoriteiten enerzijds en nationale autoriteiten anderzijds op hetzelfde product worden toegepast.

  • 5. De EG stelt de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in kennis van de ontvangst van een met bewijsmateriaal gestaafde klacht voordat zij een onderzoek opent.

  • 6. Dit artikel is van toepassing op alle onderzoeken die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden geopend.

  • 7. De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 30 Multilaterale vrijwaringsmaatregelen
  • 1. Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten en de EG een beletsel om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel XIX van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.

  • 2. Behoudens het bepaalde in lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de kleine omvang van de economieën van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, sluit de EG de invoer uit de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.

  • 3. Lid 2 geldt voor een periode van vijf jaar, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk 120 dagen voor het eind van deze periode onderzoekt het EPO-comité opnieuw de uitvoering van deze bepalingen in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan moet verlengd.

  • 4. De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op lid 1.

Artikel 31 Bilaterale vrijwaringsmaatregelen
  • 1. Behoudens het bepaalde in artikel 30 kan een partij, na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur vaststellen die afwijken van artikel 20 of 21, op de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures in dit artikel.

  • 2. De in lid 1 genoemde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer een product uit een van de partijen in het gebied van de andere partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden dat deze invoer:

    • a. op het gebied van de invoerende partij ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, of

    • b. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van een economische sector, met name wanneer hierdoor grote sociale problemen of moeilijkheden ontstaan die een ernstige verslechtering van de economische situatie van de invoerende partij tot gevolg kunnen hebben, of

    • c. verstoring van de markten voor soortgelijke of rechtstreeks concurrerende landbouwproducten3) of van de mechanismen tot regeling van die markten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.

  • 3. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gaan niet verder dan wat nodig is om de in lid 2 en lid 5, onder b), bedoelde ernstige schade of verstoringen te verhelpen of te voorkomen. Deze vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij mogen alleen uit een of meer van de volgende maatregelen bestaan:

    • a. schorsing van een verdere verlaging van het invoerrecht op het betrokken product, zoals neergelegd in deze overeenkomst,

    • b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat het voor andere WTO-leden geldende recht niet overschrijdt, en

    • c. invoering van tariefcontingenten voor het betrokken product.

  • 4. Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan de EG, wanneer een product van oorsprong uit een of meer overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een of meer ultraperifere gebieden van de EU een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot het gebied of de gebieden in kwestie.

  • 5.

    • a. Onverminderd de leden 1 tot en met 3 kan een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat, wanneer een product van oorsprong uit de EG in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor die staat een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezichts- of vrijwaringsmaatregelen nemen die tot zijn gebied beperkt zijn.

    • b. Een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat kan vrijwaringsmaatregelen nemen wanneer een product van oorsprong uit de EG als gevolg van de verlaging van de douanerechten in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op zijn gebied wordt ingevoerd dat hierdoor voor een opkomende industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, verstoringen ontstaan of dreigen te ontstaan. Deze bepaling geldt voor een periode van vijftien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. De maatregelen moeten in overeenstemming met de leden 6 tot en met 9 worden genomen.

  • 6.

    • a. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden slechts zolang gehandhaafd als nodig is om de ernstige schade of verstoringen als bedoeld in de leden 2, 4 en 5 te voorkomen of te verhelpen.

    • b. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gelden voor niet meer dan twee jaar. Wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan, kunnen deze maatregelen worden verlengd voor nog eens maximaal twee jaar. Wanneer door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of door een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat een vrijwaringsmaatregel wordt getroffen, of wanneer de EG vrijwaringsmaatregelen treft die tot het gebied van een of meer van haar ultraperifere gebieden beperkt zijn, gelden deze maatregelen evenwel voor maximaal vier jaar, waarna zij met nog eens maximaal vier jaar kunnen worden verlengd wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan.

    • c. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen die voor meer dan één jaar gelden, zijn gekoppeld aan een duidelijk tijdschema voor hun geleidelijke afschaffing, uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode.

    • d. Ten aanzien van een product waarop al eerder vrijwaringsmaatregelen van toepassing waren, mogen gedurende een periode van ten minste één jaar na het verstrijken van die maatregelen niet opnieuw vrijwaringsmaatregelen als bedoeld in dit artikel worden genomen.

  • 7. Voor de tenuitvoerlegging van de leden 1 tot en met 6 gelden de volgende bepalingen:

    • a. Wanneer een partij van oordeel is dat er sprake is van een van de in de leden 2, 4 en/of 5 bedoelde omstandigheden, verwijst zij de aangelegenheid onmiddellijk naar het EPO-comité.

    • b. Het EPO-comité kan aanbevelingen doen om in de gerezen omstandigheden uitkomst te bieden. Indien het EPO-comité daartoe geen aanbevelingen heeft gedaan, of indien er binnen 30 dagen nadat de aangelegenheid aan het EPO-comité werd voorgelegd geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende partij overeenkomstig dit artikel passende maatregelen vaststellen om de problemen op te lossen.

    • c. Alvorens een in dit artikel bedoelde maatregel te nemen, of, in de gevallen waarin lid 8 van toepassing is, zo spoedig mogelijk, verstrekt de betrokken partij het EPO-comité alle informatie ter zake die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de betrokken partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

    • d. Bij de keuze van vrijwaringsmaatregelen moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die het gerezen probleem doeltreffend en snel oplossen en die tegelijk de werking van deze overeenkomst zo min mogelijk verstoren.

    • e. Alle krachtens dit artikel genomen vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis van het EPO-comité gebracht en in dat comité op gezette tijden aan een onderzoek onderworpen, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de afschaffing van de maatregelen zodra de omstandigheden dat toelaten.

  • 8. Wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen, kan de betrokken invoerende partij, of dit nu de EG is, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat, voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de vereisten van lid 7 te voldoen. Deze voorlopige maatregelen hebben een maximale duur van 180 dagen wanneer ze door de EG worden genomen, of van 200 dagen wanneer ze door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten of een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat worden genomen of wanneer ze door de EG worden genomen en beperkt zijn tot een of meer ultraperifere gebieden. De duur van de voorlopige maatregelen wordt afgetrokken van de duur van de maatregelen en eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6. Wanneer voorlopige maatregelen worden genomen, wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen. De betrokken invoerende partij stelt de andere betrokken partij in kennis en verwijst de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité.

  • 9. Indien een invoerende partij de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het EPO-comité onverwijld daarvan in kennis.

  • 10. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig dit artikel te nemen.

HOOFDSTUK 3 DOUANE EN HANDELSBEVORDERING
Artikel 32 Doelstellingen
  • 1. De partijen erkennen het belang van de douane en van handelsbevordering in het ontluikende mondiale handelsstelsel. De partijen komen overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van een effectieve controle en bevordering van de handel en helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling en de regionale integratie van de overeenkomstsluitende landen.

  • 2. De partijen komen overeen dat de legitieme doelstellingen van openbaar beleid, met inbegrip van die met betrekking tot de veiligheid en de fraudebestrijding, op generlei wijze in het gedrang komen.

Artikel 33 Samenwerking op administratief en douanegebied
  • 1. Met het oog op de naleving van de bepalingen van deze overeenkomst en om doeltreffend in te spelen op de in artikel 32 genoemde doelstellingen, nemen de partijen de volgende maatregelen:

    • a. uitwisseling van informatie over douanewetgeving, -voorschriften en -procedures;

    • b. ontwikkeling van gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede van die om de zakenwereld een efficiënte dienstverlening aan te bieden;

    • c. samenwerking bij de automatisering van procedures op douane- en handelsgebied en, in het kader van de uitwisseling van informatie, goedkeuring van het douanegegevensmodel van de Werelddouaneorganisatie (WDO);

    • d. samenwerking bij de planning en uitvoering van bijstand bij douanehervormingen en bij de uitvoering van maatregelen ter bevordering van de handel; en

    • e. stimulering van overleg en samenwerking tussen alle bij de internationale handel betrokken instanties.

  • 2. In afwijking van lid 1 verlenen de douanediensten elkaar administratieve bijstand overeenkomstig de bepalingen van het protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken. Vanaf 2008 besluit het EPO-comité bij consensus over wijzigingen die volgens hem in dat protocol moeten worden aangebracht.

Artikel 34 Vormen van samenwerking
  • 1. De partijen erkennen het belang van samenwerking op douanegebied en van handelsbevordering voor de uitvoering van deze overeenkomst.

  • 2. Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:

    • a. toepassing van moderne douanetechnieken, met inbegrip van risicoanalyse en -beheer, bindende inlichtingen, vereenvoudigde procedures bij in- en uitvoer, controles achteraf en methoden voor bedrijfsaudits;

    • b. invoering van procedures die zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met internationale instrumenten en normen op het gebied van douane en handel, met inbegrip van WTO-voorschriften inzake douanewaarde en instrumenten en normen van de WDO, zoals de Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 18 mei 1973, herzien te Brussel op 26 juni 1999 en het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO;

    • c. automatisering van procedures op douane- en handelsgebied.

Artikel 35 Douane- en handelsnormen
  • 1. De partijen komen overeen dat hun wetgeving, voorschriften en procedures op het gebied van douane en internationale handel zijn gebaseerd op:

    • a. internationale instrumenten en normen, met name de herziene Overeenkomst van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO, het douanegegevensmodel van de WDO en het Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS);

    • b. het gebruik van een enkel administratief document of een elektronisch equivalent daarvan voor de aangifte van producten bij invoer en bij uitvoer;

    • c. moderne douanetechnieken, met inbegrip van risicoanalyse en -beheer, vereenvoudigde procedures bij in- en uitvoer, controles achteraf en methoden voor bedrijfsaudits. De procedures moeten transparant, doeltreffend en eenvoudig zijn, teneinde de kosten te verminderen en de voorspelbaarheid voor de marktdeelnemers, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, te vergroten;

    • d. het niet-discriminerende karakter van de eisen en procedures die van toepassing zijn op de invoer, uitvoer en doorvoer, hoewel zendingen wel verschillend mogen worden behandeld op grond van objectieve criteria voor het risicobeheer;

    • e. voorschriften en procedures met bindende inlichtingen, met name betreffende de tariefindeling en de oorsprong;

    • f. vereenvoudigde procedures voor toegelaten handelaren;

    • g. de geleidelijke ontwikkeling van informatiesystemen om de elektronische gegevensuitwisseling tussen marktdeelnemers, douanediensten en andere belanghebbende instanties te vergemakkelijken;

    • h. vergemakkelijking van de doorvoer;

    • i. voorschriften die waarborgen dat de straffen voor geringe inbreuken op douanevoorschriften of op procedurele eisen op het gebied van de internationale handel evenredig en niet-discriminerend zijn en dat hun toepassing niet tot nodeloze vertragingen leidt;

    • j. de periodieke evaluatie van het systeem waarbij het gebruik van een douane-expediteur verplicht is, teneinde de prestaties en efficiëntie te verbeteren en zo nodig maatregelen tot afschaffing van het systeem te nemen.

  • 2. In het kader van de onderhandelingen over een volledige partnerschapsovereenkomst zal ook worden onderhandeld over het systeem van verplichte inspecties vóór verzending van de producten.

  • 3. Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, doeltreffend, integer en verantwoordelijk is, verbinden de partijen zich ertoe:

    • a. de nodige maatregelen te treffen om de door de douane en andere bij de internationale handel betrokken instanties verlangde gegevens en documenten op basis van internationale aanbevelingen ter zake te vereenvoudigen en te normaliseren;

    • b. waar mogelijk de administratieve eisen en formaliteiten te vereenvoudigen, teneinde vertragingen bij de inklaring, vrijgave en overdracht van producten te beperken;

    • c. te zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende procedures voor de uitoefening van het recht van beroep tegen uitspraken, besluiten en maatregelen van de douane en andere diensten betreffende invoer, uitvoer en doorvoer. Deze procedures zijn gemakkelijk toegankelijk voor de betrokkenen en de kosten ervan zijn redelijk en niet hoger dan de verwerkingskosten;

    • d. erop toe te zien dat ter zake van integriteit uiterst strenge normen worden nageleefd, door de toepassing van maatregelen die voldoen aan de in de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten neergelegde beginselen.

Artikel 36 Doorvoer
  • 1. De partijen waarborgen de vrije doorvoer van producten over hun gebied volgens de route die daarvoor het meest geschikt is. De beperkingen, controles of eventuele eisen moeten niet-discriminerend en evenredig zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast.

  • 2. Onverminderd de uitvoering van rechtmatige douanecontroles behandelen de partijen producten in doorvoer uit het gebied van de andere partij niet minder gunstig dan zij producten uit het binnenland behandelen, met name bij de uitvoer, invoer en het verkeer van die producten.

  • 3. De partijen voeren regelingen in om producten, onder voorbehoud van een passende zekerheidsstelling, zonder oplegging van rechten en andere heffingen onder douanecontrole te kunnen vervoeren.

  • 4. De partijen spannen zich in om regionale voorzieningen voor de doorvoer te treffen.

  • 5. De partijen passen de internationale normen en instrumenten betreffende de doorvoer van producten toe.

  • 6. De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun gebied gecoördineerd samenwerken om de doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.

Artikel 37 Relaties met het bedrijfsleven

De partijen komen overeen:

  • a. ervoor te zorgen dat alle informatie betreffende wetgeving, voorschriften, procedures en bewijsstukken, rechten en belastingen, tarieven en andere heffingen voor het publiek toegankelijk zijn, en wel voor zover mogelijk langs elektronische weg;

  • b. dat regelmatig met het bedrijfsleven moet worden overlegd over de opstelling van teksten inzake aangelegenheden betreffende douane en internationale handel. De partijen stellen hiertoe passende mechanismen in;

  • c. dat er voldoende tijd moet liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wetgeving, procedures, rechten of heffingen.

    De partijen maken administratieve informatie bekend, met name over de door de betrokken instanties gestelde eisen en over procedures, openingstijden en operationele douaneprocedures op de plaatsen van binnenkomst en/of vertrek en op de contact- en informatiepunten;

  • d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd;

  • e. ervoor te zorgen dat de eisen die door diensten op het gebied van de internationale handel worden gesteld, blijven aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo weinig mogelijk wordt beperkt.

Artikel 38 Douanewaarde
  • 1. Artikel VII van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 zijn van toepassing op de voorschriften inzake de vaststelling van de douanewaarde in de handel tussen de partijen.

  • 2. De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van kwesties met betrekking tot de douanewaarde, met inbegrip van problemen in verband met de verrekenprijzen.

Artikel 39 Regionale integratie in Centraal-Afrika

De partijen bevorderen de regionale integratie door vooruitgang te boeken bij de douanehervorming met het doel de handel te bevorderen; zij doen dat met name door te werken aan de normalisering van:

  • de eisen,

  • de documentatie,

  • de in te dienen gegevens,

  • de procedures,

  • de regelingen voor toegelaten handelaren,

  • de grensprocedures en openingstijden,

  • de eisen inzake doorvoer, douanevervoer en zekerheidsstelling.

Dat vereist een nauwe samenwerking tussen alle betrokken instanties, waarbij zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van internationale normen.

HOOFDSTUK 4 TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN EN SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN
Artikel 40 Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel het verkeer van producten tussen de partijen te vergemakkelijken door verbetering van hun capaciteit om handelsbelemmeringen als gevolg van door hen gehanteerde technische voorschriften, normen of conformiteitsbeoordelingsprocedures te signaleren, te voorkomen en uit de weg te ruimen, en door verbetering van hun capaciteit om planten, dieren en de volksgezondheid te beschermen.

Artikel 41 Multilaterale verplichtingen en algemene context
  • 1. De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, en met name de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „de SPS-Overeenkomst” genoemd, en de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna de „TBT-Overeenkomst” genoemd. Partijen die geen lid van de WTO zijn, bevestigen eveneens dat zij ernaar streven de in de SPS- en TBT-Overeenkomsten opgenomen verplichtingen inzake alle aangelegenheden die op de onderlinge betrekkingen tussen de partijen van invloed zijn, in acht te nemen.

  • 2. De partijen bevestigen hun streven naar verbetering van de volksgezondheid op het gebied van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, met name door in het kader van artikel 47 hun capaciteit voor het opsporen van gevaarlijke producten te verbeteren.

  • 3. Dit streven en deze rechten en verplichtingen zijn de leidraad waarnaar de partijen zich bij hun acties in het kader van dit hoofdstuk richten.

Artikel 42 Werkingssfeer en definities
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de maatregelen die onder de SPS- en TBT-Overeenkomsten van de WTO vallen.

  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en behoudens andersluidende bepalingen gelden de definities in de SPS- en TBT-Overeenkomsten, in de Codex Alimentarius en in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten alsmede de definities van de Wereldorganisatie voor diergezondheid; dat geldt ook voor alle verwijzingen naar „producten” in dit hoofdstuk.

Artikel 43 Bevoegde autoriteiten

De autoriteiten die voor de EG en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten bevoegd zijn voor de toepassing van de bij dit hoofdstuk bedoelde sanitaire en fytosanitaire maatregelen, zijn opgenomen in aanhangsel II.

De partijen stellen elkaar tijdig in kennis van alle belangrijke wijzigingen ten aanzien van de in aanhangsel II vermelde bevoegde autoriteiten. Het EPO-comité keurt alle nodige wijzigingen van aanhangsel II goed.

Artikel 44 Regionalisatie (indeling in gebieden)

Bij de vaststelling van de voorwaarden voor invoer kunnen de partijen per geval en rekening houdend met de internationale normen gebieden met een specifieke sanitaire of fytosanitaire status voorstellen en aanwijzen.

Artikel 45 Transparantie van de handelsvoorwaarden en gegevensuitwisseling
  • 1. De partijen stellen elkaar in kennis van alle wijzigingen in hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de invoer van producten (met name die van dierlijke en/of plantaardige oorsprong).

  • 2. De partijen bevestigen opnieuw dat zij uit hoofde van de SPS- en TBT-Overeenkomsten van de WTO verplicht zijn elkaar door middel van de door deze overeenkomsten ingestelde mechanismen in kennis te stellen van alle wijzigingen van relevante normen en technische voorschriften.

  • 3. De partijen wisselen eveneens, indien en wanneer nodig, rechtstreeks informatie uit over andere onderwerpen die zij beiden van mogelijk belang voor hun handelsbetrekkingen achten.

  • 4. De partijen komen overeen samen te werken op het gebied van het epidemiologisch toezicht op dierziekten. Wat de fytosanitaire bescherming betreft, wisselen de partijen eveneens informatie uit over het voorkomen van parasieten waarvan bekend is dat zij een onmiddellijk risico voor de andere partij opleveren.

Artikel 46 Regionale integratie
  • 1. Centraal-Afrika verbindt zich ertoe de normen en andere maatregelen die binnen de werkingssfeer van dit hoofdstuk vallen, binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op regionaal niveau te harmoniseren.

  • 2. Overeenkomstig artikel 40 en met het oog op de bevordering van de handel tussen de partijen komen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten overeen dat de voorwaarden voor de invoer van producten van oorsprong uit de EG in een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat moeten worden geharmoniseerd. Indien er bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst al nationale voorschriften voor de invoer bestaan, passen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten deze in afwachting van de invoering van geharmoniseerde voorschriften toe volgens het beginsel dat een product van de EG dat in een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat rechtmatig in de handel wordt gebracht, ook in alle andere overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten rechtmatig en zonder verdere beperkingen of administratieve eisen in de handel kan worden gebracht.

Artikel 47 Capaciteitsopbouw en technische bijstand

Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:

  • a. samenwerking ten aanzien van de producten in aanhangsel IA, teneinde de regionale integratie binnen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten en de controlecapaciteit overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst te versterken en de handel tussen de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te bevorderen;

  • b. samenwerking ten aanzien van de producten in aanhangsel IB, teneinde hun producten concurrerender te maken en de kwaliteit ervan te verbeteren.

HOOFDSTUK 5 BOSBEHEER EN HANDEL IN HOUT EN IN PRODUCTEN VAN DE BOSBOUW
Artikel 48 Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en behoudens andersluidende bepalingen omvatten „producten van de bosbouw” eveneens niet-houtproducten en afgeleide producten daarvan.

Artikel 49 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de handel in hout en in producten van de bosbouw, van oorsprong uit Centraal-Afrika, en op het duurzaam beheer van de bossen waar die producten worden gewonnen.

Artikel 50 Handel in hout en in producten van de bosbouw andere dan hout, alsmede afgeleide producten daarvan
  • 1. De partijen werken samen om de handel tussen de EG en Centraal-Afrika in hout en in producten van de bosbouw die afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen en bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, te vergemakkelijken. De partijen komen overeen:

    • a. maatregelen te treffen om het vertrouwen van de markt in de oorsprong van producten van de bosbouw te vergroten, met name ten aanzien van de legale en/of duurzame oorsprong van die producten. Deze maatregelen kunnen bestaan in systemen ter verbetering van de traceerbaarheid van hout dat en van producten van de bosbouw die tussen de landen van Centraal-Afrika onderling en tussen Centraal-Afrika en de EG worden verhandeld;

    • b. een audit- en toezichtssysteem op te zetten, onafhankelijk van de controleketen.

  • 2. De partijen onderzoeken hoe de commerciële mogelijkheden voor hout en producten van de bosbouw van legale of duurzame Centraal-Afrikaanse oorsprong op de markt van de EG kunnen worden verbeterd. Dit kan onder meer worden bereikt door versterking van het beleid betreffende overheidsopdrachten, maatregelen om de consumenten meer bewust te maken, maatregelen ter bevordering van de be- of verwerking van producten van de bosbouw in Centraal-Afrika en activiteiten en initiatieven in samenwerking met de particuliere sector.

  • 3. De partijen verbinden zich ertoe om op het onder dit hoofdstuk vallende gebied niet-discriminerend beleid te ontwikkelen en/of niet-discriminerende wetgeving op te stellen; zij verbinden zich er eveneens toe dit beleid en/of deze wetgeving toe te passen en daadwerkelijk en op niet-discriminerende wijze ten uitvoer te leggen, in overeenstemming met de bepalingen van de WTO.

Artikel 51 Regionale integratie
  • 1. Centraal-Afrika verbindt zich ertoe een regionaal kader op te bouwen en ten uitvoer te leggen voor de handel in hout en producten van de bosbouw van oorsprong uit Centraal-Afrika, met inbegrip van passende wetgeving en samenwerkingsmechanismen om een doeltreffende toepassing en tenuitvoerlegging te helpen waarborgen.

  • 2. Centraal-Afrika ontwikkelt protocollen en/of richtsnoeren voor samenwerking tussen de met de toepassing belaste Centraal-Afrikaanse autoriteiten, teneinde te waarborgen dat hout dat en producten van de bosbouw die tussen regio’s worden verhandeld, afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen.

Artikel 52 Capaciteitsopbouw en technische bijstand

Overeenkomstig artikel 7 komen de partijen overeen onder meer op de volgende terreinen samen te werken:

  • a. vergemakkelijking van de bijstand om de regionale integratie op dit gebied te versterken, met name door de uitvoering van het Verdrag inzake het behoud en het duurzaam beheer van het Centraal-Afrikaanse woud (Comifac-verdrag) en het subregionaal convergentieplan, en om capaciteit voor de uitvoering van de in dit hoofdstuk vastgelegde verbintenissen op te bouwen;

  • b. steun voor openbare en particuliere initiatieven met een commercieel oogmerk, met name ten aanzien van de uitvoer naar de EG, die gericht zijn op de plaatselijke be- en verwerking van hout en producten van de bosbouw van oorsprong uit Centraal-Afrika, die afkomstig zijn uit objectief verifieerbare legale bronnen en bijdragen aan een duurzame ontwikkeling.

Artikel 53 Andere overeenkomsten

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, vindt de handel in hout en producten van de bosbouw plaats in overeenstemming met de CITES (Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten) en met eventuele vrijwillige partnerschapsovereenkomsten die de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten individueel of collectief met de Europese Gemeenschap in het kader van het FLEGT-actieplan (Forest law enforcement, governance and trade) van de EU hebben gesloten.

TITEL IV VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL

Artikel 54 Kader
  • 1. De partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen in het kader van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten.

  • 2. Uiterlijk op 1 januari 2009 verbinden de partijen zich ertoe de werkingssfeer van deze overeenkomst uit te breiden door onderhandelingen over bepalingen die de vestiging en handel in diensten geleidelijk, asymmetrisch en op basis van wederkerigheid moeten liberaliseren.

Artikel 55 Samenwerking

De partijen erkennen dat versterking van hun handelscapaciteit de ontwikkeling van economische activiteiten, met name in de dienstensector, kan ondersteunen en hun regelgeving kan versterken en bevestigen hun respectieve verplichtingen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou, en met name die welke voortvloeien uit de artikelen 34 tot en met 39, 41 tot en met 43, 45 en 74 tot en met 78.

TITEL V HANDELSGERELATEERDE VOORSCHRIFTEN

HOOFDSTUK 1 LOPENDE BETALINGEN EN KAPITAALVERKEER
Artikel 56 Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van lopende betalingen en kapitaalverkeer
  • 1. De partijen erkennen dat de grensoverschrijdende geldstromen die nodig zijn voor het liberaliseren van de handel in producten en diensten en voor investeringen door de ene partij in de regio van de andere partij, door geen van de partijen mogen worden beperkt of verhinderd. Dat zou immers in strijd zijn met de doelstellingen van liberalisering, daar de handelstransactie of investering, ook al is die op zich toegestaan, niet vanuit het buitenland zou kunnen worden betaald of gefinancierd.

  • 2. Om dit doel te bereiken, verbinden de partijen zich ertoe vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af te sluiten over een reeks onderwerpen betreffende met name de volgende punten:

    • a. liberalisering van de geldstromen betreffende de handel in producten en diensten, „lopende betalingen” genoemd;

    • b. liberalisering van de geldstromen betreffende investeringen, „kapitaalbewegingen voor investeringen” genoemd, met inbegrip van de repatriëring van de investeringen en de daaruit voortvloeiende winst;

    • c. een vrijwaringclausule, die de mogelijkheid biedt om op korte termijn, in het geval van ernstige monetaire of betalingsbalansproblemen, van het vrije verkeer van kapitaal af te wijken;

    • d. een ontwikkelingsclausule, die voorziet in de mogelijkheid andere soorten kapitaalbewegingen dan die voor investeringen te liberaliseren.

HOOFDSTUK 2 MEDEDINGING
Artikel 57 Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van de mededinging
  • 1. De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen; ook erkennen zij dat bepaalde concurrentiebeperkende praktijken de handel tussen de partijen kunnen beperken en zo aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst in de weg kunnen staan.

  • 2. De partijen gaan er derhalve mee akkoord onderhandelingen te openen over de opname van een mededingingshoofdstuk in de EPO, dat met name de volgende elementen zal bevatten:

    • a. vaststelling van concurrentieverstorende praktijken die als onverenigbaar met de goede werking van deze overeenkomst worden beschouwd, voor zover zij op de handel tussen de partijen van invloed kunnen zijn;

    • b. bepalingen over een doeltreffende uitvoering van het mededingingsbeleid, de mededingingsvoorschriften en het regionaal beleid in Centraal-Afrika, waardoor de overeenkomstig lid 2, onder a), vastgestelde concurrentieverstorende praktijken kunnen worden beteugeld;

    • c. bepalingen over technische bijstand door onafhankelijke deskundigen, zodat de doelstellingen van het hoofdstuk kunnen worden verwezenlijkt en het mededingingsbeleid in Centraal-Afrika op regionaal niveau op doeltreffende wijze kan worden toegepast.

  • 3. Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.

  • 4. De onderhandelingen over het mededingingshoofdstuk worden vóór 1 januari 2009 afgesloten.

HOOFDSTUK 3 INTELLECTUELE EIGENDOM
Artikel 58 Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van de intellectuele eigendom
  • 1. De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de „TRIPs-overeenkomst”) en erkennen dat zij voor de intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten en voor de andere door de TRIPs-overeenkomst bestreken rechten een passend en doeltreffend beschermingsniveau overeenkomstig de internationale normen moeten garanderen, teneinde verstoringen van de bilaterale handel en handelsbelemmeringen te beperken.

  • 2. Met inachtneming van de aan de Afrikaanse Organisatie voor de intellectuele eigendom (OAPI) overgedragen bevoegdheden verbinden de partijen zich ertoe vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af te sluiten over een reeks verbintenissen op het gebied van de intellectuele-eigendomsrechten.

  • 3. De partijen komen eveneens overeen hun samenwerking op het gebied van de intellectuele-eigendomsrechten te versterken. Die samenwerking moet erop gericht zijn de tenuitvoerlegging van de verbintenissen van elke partij te ondersteunen en moet met name tot de volgende terreinen worden uitgebreid:

    • a. versterking van initiatieven ten aanzien van de regionale integratie in Centraal-Afrika, met het oog op een verbetering van de regionale regelgevingscapaciteit en de regionale wetgeving en voorschriften;

    • b. voorkoming van misbruik van genoemde rechten door de houders ervan en van schendingen van die rechten door concurrenten;

    • c. steun bij de opstelling van nationale wetten en voorschriften in Centraal-Afrika voor de bescherming en toepassing van intellectuele-eigendomsrechten.

  • 4. Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.

  • 5. Bij de onderhandelingen wordt rekening gehouden met het uiteenlopende ontwikkelingsniveau van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.

HOOFDSTUK 4 OVERHEIDSOPDRACHTEN
Artikel 59 Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van overheidsopdrachten
  • 1. De partijen erkennen dat transparante en concurrentiegerichte voorschriften voor overheidsopdrachten tot de economische ontwikkeling bijdragen. Zij komen derhalve overeen om overeenkomstig het bepaalde in lid 3 te onderhandelen over de geleidelijke en wederzijdse openstelling van hun markten voor overheidsopdrachten, met inachtneming van de verschillen in hun ontwikkeling.

  • 2. Om dit doel te bereiken, sluiten de partijen vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af over een reeks eventuele verbintenissen inzake overheidsopdrachten betreffende met name de volgende punten:

    • a. transparante en niet-discriminerende voorschriften, alsmede procedures en beginselen die van toepassing moeten zijn;

    • b. lijsten van de betrokken producten en toegepaste drempels;

    • c. doeltreffende beroepsprocedures;

    • d. maatregelen ter ondersteuning van de capaciteit om aan deze verbintenissen te voldoen, waaronder gebruikmaking van de door de informatietechnologie geboden mogelijkheden.

  • 3. Bij de onderhandelingen wordt uitgegaan van een tweefasenaanpak, die erin bestaat de voorschriften eerst in het kader van de regionale integratie in Centraal-Afrika toe te passen en vervolgens, na het verstrijken van een in onderling overleg vastgestelde overgangsperiode, op bilateraal niveau.

  • 4. Bij de onderhandelingen houdt de EG rekening met de behoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten inzake ontwikkeling, financiën en handel, wat in het belang van een bijzondere en gedifferentieerde behandeling zijn neerslag kan vinden in de volgende maatregelen:

    • a. zo nodig, vaststelling van passende uitvoeringstermijnen om de overheidsmaatregelen inzake opdrachten in overeenstemming te brengen met specifieke procedurele verplichtingen;

    • b. vaststelling of handhaving van overgangsmaatregelen zoals preferentiële prijsregelingen of compensatieregelingen, in combinatie met een tijdschema voor de afschaffing ervan.

HOOFDSTUK 5 DUURZAME ONTWIKKELING
Artikel 60 Voortzetting van de onderhandelingen op het gebied van duurzame ontwikkeling
  • 1. De partijen erkennen duurzame ontwikkeling als een van de algemene doelstellingen van de EPO. Zij komen derhalve overeen om duurzaamheidsoverwegingen een plaats te geven in alle titels van de EPO en om specifieke hoofdstukken over het milieu en over sociale aangelegenheden op te stellen.

  • 2. Om dit doel te bereiken, sluiten de partijen vóór 1 januari 2009 onderhandelingen af over een reeks eventuele verbintenissen inzake duurzame ontwikkeling betreffende met name de volgende punten:

    • a. beschermingsniveau en regelgevingsrecht;

    • b. regionale integratie in Centraal-Afrika en toepassing van internationale milieunormen en van de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie alsmede bevordering van fatsoenlijk werk;

    • c. handhaving van de beschermingsniveaus;

    • d. overlegprocedures en follow-up.

  • 3. Bij de onderhandelingen houdt de EG rekening met de ontwikkelingsbehoeften van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, wat zijn neerslag kan vinden in de vaststelling van bepalingen over samenwerking op dit gebied.

HOOFDSTUK 6 BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS
Artikel 61 Algemene doelstelling

De partijen erkennen:

  • a. hun gemeenschappelijke belang bij de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, met name van hun recht op een persoonlijke levenssfeer, in verband met de verwerking van persoonsgegevens,

  • b. het belang van de handhaving van doeltreffende regelingen voor de gegevensbescherming als middel om de belangen van consumenten te beschermen, om het vertrouwen van investeerders te stimuleren en om grensoverschrijdende stromen van persoonsgegevens te vereenvoudigen,

  • c. dat persoonsgegevens op transparante en eerlijke wijze moeten worden verzameld en verwerkt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de betrokkene, en komen overeen passende wet- en regelgeving vast te stellen en de voor de tenuitvoerlegging daarvan benodigde bestuurlijke capaciteit ter beschikking te stellen, met inbegrip van onafhankelijke controle-instanties, opdat overeenkomstig de bestaande hoge internationale normen een passend niveau van bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens wordt gewaarborgd4) .

Artikel 62 Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (de betrokkene);

  • b. „verwerking van persoonsgegevens”: elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vrijgeven, combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens, alsmede de doorgifte van persoonsgegevens naar andere landen;

  • c. „voor de verwerking verantwoordelijke”: de natuurlijke of rechtspersoon, autoriteit of andere instantie die het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Artikel 63 Beginselen en algemene regels

De partijen komen overeen dat de vast te stellen wet- en regelgeving en de ter beschikking te stellen bestuurlijke capaciteit ten minste op de volgende inhoudelijke beginselen en handhavingsmechanismen moeten berusten:

  • a. Inhoudelijke beginselen

    • i. het beginsel van beperking van het doel – gegevens mogen slechts voor een specifiek doel worden verwerkt en vervolgens worden gebruikt of verder worden doorgegeven voor zover dit niet onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke doorgifte. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;

    • ii. het beginsel inzake gegevenskwaliteit en evenredigheid – gegevens moeten nauwkeurig zijn en zo nodig worden bijgewerkt. De gegevens moeten geschikt en relevant zijn en mogen niet buitensporig zijn in verhouding tot de doelen waarvoor zij worden doorgegeven of verder worden verwerkt;

    • iii. het transparantiebeginsel – personen moeten informatie krijgen over het doel van de verwerking en over de identiteit van de voor de verwerking verantwoordelijke in het derde land, alsmede alle andere informatie die nodig is om eerlijkheid te garanderen. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;

    • iv. het beveiligingsbeginsel – de voor de verwerking verantwoordelijke moet technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen treffen die in overeenstemming zijn met de risico’s van de verwerking. Iedereen die onder het gezag van de voor de verwerking verantwoordelijke staat, met inbegrip van een verwerker, mag de gegevens alleen volgens de instructies van de voor de verwerking verantwoordelijke verwerken;

    • v. het recht van toegang, rectificatie en verzet – de betrokkenen moeten recht hebben op een kopie van alle op hen betrekking hebbende gegevens die worden verwerkt, alsook recht op rectificatie wanneer deze gegevens onjuist blijken. In bepaalde omstandigheden moeten zij zich ook tegen verwerking van hun gegevens kunnen verzetten. De enige uitzonderingen op deze regel zijn die waarin de wetgeving voorziet en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor zwaarwegende openbare belangen;

    • vi. beperking van verdere doorgifte – in beginsel mag verdere doorgifte van persoonsgegevens door de ontvanger van de oorspronkelijke doorgifte slechts worden toegestaan wanneer voor de tweede ontvanger (d.w.z. de ontvanger van de verdere doorgifte) ook regels gelden die een passend beschermingsniveau garanderen;

    • vii. gevoelige gegevens – gegeven met informatie over ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, of die betreffende de gezondheid of het seksuele leven, en gegevens inzake overtredingen, strafrechtelijke veroordelingen of beveiligingsmaatregelen, mogen uitsluitend worden verwerkt wanneer het nationale recht in extra beschermingsmaatregelen voorziet.

  • b. Handhavingsmechanismen

    Er moet worden voorzien in passende mechanismen, waardoor kan worden gewaarborgd dat de volgende doelstellingen worden verwezenlijkt:

    • i. een goede naleving van de voorschriften: zo moeten de voor de verwerking verantwoordelijken zich zeer goed bewust zijn van hun plichten en moeten de betrokkenen op de hoogte zijn van hun rechten en de middelen die hun ter beschikking staan om deze te doen gelden; er moeten doeltreffende, afschrikkende sancties bestaan, en systemen voor rechtstreekse controle door de autoriteiten, auditors of onafhankelijke functionarissen voor de gegevensbescherming;

    • ii. bijstand aan de betrokkenen bij de uitoefening van hun rechten; ieder moet zijn rechten snel, doeltreffend en zonder prohibitieve kosten kunnen afdwingen, onder meer door middel van passende institutionele mechanismen die een onafhankelijk onderzoek van klachten mogelijk maken;

    • iii. een passende schadeloosstelling voor de benadeelde partij bij niet-naleving van voorschriften; hiertoe behoort de mogelijkheid tot het opleggen van sancties en de betaling van schadevergoedingen.

Artikel 64 Inachtneming van internationale verbintenissen
  • 1. De partijen stellen elkaar via het EPO-comité in kennis van de multilaterale verbintenissen jegens of afspraken met derde landen die zij aangaan of maken, alsmede van hun andere verplichtingen die voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk van belang kunnen zijn, en met name van afspraken die voorzien in de verwerking van persoonsgegevens, zoals het verzamelen en het bewaren ervan, de toegang ertoe en de doorgifte ervan aan derden.

  • 2. De partijen kunnen om overleg verzoeken wanneer zich problemen voordoen.

Artikel 65 Samenwerking

De partijen erkennen dat samenwerking van groot belang is om de ontwikkeling van passende wettelijke, gerechtelijke en institutionele kaderregelingen te bevorderen en om een passend beschermingsniveau voor persoonsgegevens, dat in overeenstemming is met de doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk, te waarborgen.

TITEL VI VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN

HOOFDSTUK 1 DOEL EN WERKINGSSFEER
Artikel 66 Doel

Het doel van deze titel is geschillen tussen de partijen te vermijden en te beslechten en zoveel mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 67 Werkingssfeer
  • 1. Deze titel heeft betrekking op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.

  • 2. In afwijking van lid 1 is de procedure van artikel 98 van de Overeenkomst van Cotonou van toepassing bij geschillen over de financiering van ontwikkelingssamenwerking, als bedoeld in de Overeenkomst van Cotonou.

HOOFDSTUK 2 OVERLEG EN BEMIDDELING
Artikel 68 Overleg
  • 1. De partijen streven ernaar geschillen in het kader van deze overeenkomst te beëindigen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

  • 2. Wanneer een partij overleg wenst te plegen, dient zij bij de andere partij schriftelijk een verzoek daartoe in, met kopie aan het EPO-comité, waarin zij aangeeft om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel niet in overeenstemming zou zijn.

  • 3. Het overleg vindt plaats binnen 40 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

  • 4. Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

  • 5. Indien het overleg niet binnen de in lid 3 of lid 4 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing kon worden bereikt, kan de klagende partij overeenkomstig artikel 70 verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

Artikel 69 Bemiddeling
  • 1. Indien het overleg niet tot een onderling overeengekomen oplossing leidt, kunnen de partijen overeenkomen een beroep te doen op een bemiddelaar. Tenzij de partijen anders overeenkomen, heeft het mandaat van de bemiddelaar betrekking op de in het verzoek om overleg genoemde aangelegenheid.

  • 2. Tenzij de partijen binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling overeenstemming bereiken over een bemiddelaar, wijst het EPO-comité door loting een bemiddelaar aan uit de personen die op de in artikel 85 bedoelde lijst zijn opgenomen en geen onderdaan van een van de partijen zijn. De loting vindt binnen 20 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling plaats in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen. De bemiddelaar roept de partijen uiterlijk 30 dagen na zijn aanwijzing bijeen. Hij ontvangt de stukken van elk van de partijen uiterlijk 15 dagen voor de bijeenkomst en geeft uiterlijk 45 dagen na zijn aanwijzing een advies.

  • 3. Het advies van de bemiddelaar kan een aanbeveling omvatten over de wijze waarop het geschil in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst kan worden opgelost. Het advies van de bemiddelaar is niet bindend.

  • 4. De partijen kunnen overeenkomen de in lid 2 genoemde termijnen te wijzigen. De bemiddelaar kan op verzoek van een van de partijen of op eigen initiatief eveneens besluiten deze termijnen te wijzigen wegens buitengewone moeilijkheden die de betrokken partij ondervindt of wegens de complexiteit van de zaak.

  • 5. De bemiddelingsprocedure, en in het bijzonder alle tijdens de procedure verstrekte informatie en door de partijen ingenomen standpunten, blijven vertrouwelijk.

HOOFDSTUK 3 PROCEDURES VOOR DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN
AFDELING I ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 70 Inleiding van de arbitrageprocedure
  • 1. Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil op te lossen door middel van het in artikel 68 bedoelde overleg of de in artikel 69 bedoelde bemiddeling, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

  • 2. Het verzoek om instelling van een arbitragepanel moet schriftelijk worden gedaan bij de partij waartegen wordt geklaagd en bij het EPO-comité. De klagende partij vermeldt in zijn verzoek de specifieke maatregelen die in het geding zijn en legt uit waarom die maatregelen een inbreuk op de in artikel 67 bedoelde bepalingen zijn.

Artikel 71 Instelling van een arbitragepanel
  • 1. Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.

  • 2. Binnen 10 dagen na de datum van indiening van het verzoek tot instelling van een arbitragepanel bij het EPO-comité overleggen de partijen over de samenstelling van het arbitragepanel.

  • 3. Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel, kan elk van de partijen de voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger verzoeken alle drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 85 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die door de klagende partij zijn aangewezen, één lid uit de personen die door de partij waartegen de klacht gericht is, zijn aangewezen en één lid uit de personen die door beide partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren. Wanneer de partijen het over een of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure geselecteerd.

  • 4. De voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger wijst in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen binnen 5 dagen nadat een van de partijen het in lid 3 bedoelde verzoek heeft gedaan, de scheidsrechters aan.

  • 5. De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.

Artikel 72 Tussentijds panelverslag

Het arbitragepanel legt in het algemeen uiterlijk 120 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel een tussentijds verslag met een beschrijving van het geschil en zijn bevindingen en conclusies aan de partijen voor. Een partij kan het arbitragepanel binnen 15 dagen na de indiening van het tussentijdse verslag schriftelijk commentaar over precieze aspecten van dat verslag doen toekomen.

Artikel 73 Uitspraken van het arbitragepanel
  • 1. Het arbitragepanel legt zijn uitspraak binnen 150 dagen na de instelling van het arbitragepanel voor aan de partijen en aan het EPO-comité. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het EPO-comité schriftelijk hiervan in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel denkt zijn werk te kunnen voltooien. In geen geval mag de uitspraak later dan 180 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden bekendgemaakt.

  • 2. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om binnen 75 dagen na de datum waarop het is ingesteld, uitspraak te doen. De uitspraak mag in geen geval later dan 90 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden gedaan. Het arbitragepanel kan binnen 10 dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.

  • 3. Elk van de partijen kan het arbitragepanel verzoeken een aanbeveling te doen over de wijze waarop de partij waartegen de klacht gericht is, aan de overeenkomst kan voldoen.

AFDELING II NALEVING
Artikel 74 Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

Elke partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten neemt (nemen) alle noodzakelijke maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en beide partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.

Artikel 75 Redelijke termijn voor naleving
  • 1. Uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het EPO-comité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven, hierna „redelijke termijn” genoemd.

  • 2. Indien de partijen het niet eens worden over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, kan de klagende partij het arbitragepanel binnen 20 dagen nadat de partij waartegen de klacht gericht is krachtens lid 1 kennisgeving heeft gedaan, schriftelijk verzoeken om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak.

  • 3. Het arbitragepanel houdt bij de vaststelling van de redelijke termijn rekening met de tijd die de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten gewoonlijk nodig heeft (hebben) voor de goedkeuring van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die vergelijkbaar zijn met die welke door de klagende partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten noodzakelijk worden geacht om naleving te waarborgen. Het arbitragepanel houdt ook rekening met aantoonbare capaciteitsbeperkingen die van invloed kunnen zijn op de goedkeuring van de noodzakelijke maatregelen door de partij waartegen de klacht gericht is.

  • 4. Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan, bedraagt 45 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

  • 5. De redelijke termijn kan in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

Artikel 76 Onderzoek van de maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel
  • 1. De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

  • 2. Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven, met de bepalingen van deze overeenkomst, kan de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregelen het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet verenigbaar zijn met de bepalingen van deze overeenkomst. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 90 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, deelt het arbitragepanel zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.

  • 3. Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 105 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 77 Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving
  • 1. Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennisgeeft van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 76, lid 1, is kennisgegeven, niet in overeenstemming zijn met de verplichtingen van die partij uit hoofde van deze overeenkomst, biedt de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat de klagende partij, op haar verzoek, een tijdelijke compensatie aan. Deze compensatie kan geheel of ten dele bestaan uit een financiële vergoeding. Deze overeenkomst legt de partij waartegen de klacht gericht is of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat echter geen verplichting op een dergelijke financiële vergoeding aan te bieden.

  • 2. Indien binnen 30 dagen na het eind van de redelijke termijn of na de in artikel 76 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven niet verenigbaar is met de bepalingen van deze overeenkomst, door de partijen geen overeenstemming is bereikt over compensatie, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen vast te stellen. Deze maatregelen kunnen worden vastgesteld door de klagende partij of, in voorkomend geval, door de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

  • 3. Wanneer de klagende partij of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat dergelijke maatregelen vaststelt, streeft zij (hij) ernaar evenredige maatregelen te kiezen die zo min mogelijk van invloed zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en houdt zij (hij) rekening met de gevolgen ervan voor de economie van de partij waartegen de klacht gericht is en voor elk van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.

  • 4. De EG betracht de nodige terughoudendheid bij het vragen van compensatie of bij de vaststelling van passende maatregelen uit hoofde van de leden 1 of 2.

  • 5. De compensatie en de passende maatregelen zijn van tijdelijke aard en worden slechts toegepast totdat de maatregel waarvan was vastgesteld dat hij in strijd was met de bepalingen van deze overeenkomst, is ingetrokken of is gewijzigd en met die bepalingen in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.

Artikel 78 Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na de vaststelling van passende maatregelen
  • 1. De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en verzoekt in die kennisgeving om beëindiging van de toepassing van passende maatregelen door de klagende partij of, in voorkomend geval, door de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

  • 2. Indien de partijen niet binnen 30 dagen na de datum van kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan is kennisgegeven, met de bepalingen van deze overeenkomst, verzoekt de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om zijn uitspraak na te leven niet met de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomst in overeenstemming zijn, onderzoekt het of de klagende partij of, in voorkomend geval, de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat passende maatregelen mag blijven toepassen. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming met de in artikel 67 bedoelde bepalingen zijn, worden de passende maatregelen beëindigd.

  • 3. Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 71 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

AFDELING III GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 79 Onderling overeengekomen oplossing

In het kader van deze titel kunnen de partijen te allen tijde samen een oplossing voor een geschil overeenkomen. Zij stellen het EPO-comité van die oplossing in kennis. Wanneer een onderling overeengekomen oplossing wordt goedgekeurd, wordt de procedure beëindigd.

Artikel 80 Reglement van orde en gedragscode
  • 1. Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van hoofdstuk 3 van deze titel zijn het reglement van orde en de gedragscode van toepassing die door het EPO-comité worden vastgesteld.

  • 2. De vergaderingen van het arbitragepanel zijn openbaar overeenkomstig het reglement van orde, dat eveneens bepalingen bevat om vertrouwelijke zakelijke informatie te beschermen.

Artikel 81 Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, de inlichtingen inwinnen die het voor zijn werkzaamheden nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Alle op deze manier verkregen informatie moet aan beide partijen worden medegedeeld en voor commentaar aan hen worden voorgelegd. Belanghebbenden kunnen als amicus curiae overeenkomstig het reglement van orde bij het arbitragepanel opmerkingen indienen.

Artikel 82 Communicatietalen

Voor de mondelinge en schriftelijke communicatie van Centraal-Afrika worden het Frans en het Engels en voor die van de Europese Gemeenschap wordt een van de officiële talen van de Europese Unie gebruikt.

Artikel 83 Interpretatieregels

Arbitragepanels verbinden zich ertoe de bepalingen van deze overeenkomst uit te leggen volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van internationaal publiekrecht, met inbegrip van die in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 84 Uitspraken van het arbitragepanel
  • 1. Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit over de aangelegenheid bij meerderheid van stemmen genomen; in geen geval worden echter afwijkende meningen van scheidsrechters gepubliceerd.

  • 2. De uitspraak vermeldt de geconstateerde feiten, de toepasselijkheid van de relevante bepalingen van deze overeenkomst en de motivering van alle bevindingen en conclusies van het arbitragepanel. Het EPO-comité maakt de uitspraak van het arbitragepanel openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen.

HOOFDSTUK 4 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 85 Lijst van scheidsrechters
  • 1. Het EPO-comité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst van 15 personen op die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren. Elk van de partijen kiest vijf personen die als scheidsrechter kunnen optreden. De twee partijen wijzen in onderling overleg eveneens vijf personen aan die geen onderdaan van een van de partijen zijn en aan wie kan worden gevraagd als voorzitter van het arbitragepanel te fungeren. Het EPO-comité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

  • 2. De scheidsrechters beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en houden zich aan de door het EPO-comité vastgestelde gedragscode.

  • 3. Het EPO-comité kan een aanvullende lijst van 15 personen met sectorale expertise op specifieke onder deze overeenkomst vallende gebieden vaststellen. Wanneer de selectieprocedure van artikel 71, lid 2, wordt gebruikt, kan de voorzitter van het EPO-comité met instemming van beide partijen van die lijst gebruikmaken.

Artikel 86 Relatie tot WTO-verplichtingen
  • 1. Arbitragepanels die krachtens deze overeenkomst zijn ingesteld, doen geen uitspraak in geschillen die verband houden met de rechten en verplichtingen van elke partij krachtens de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

  • 2. Het beroep op de bepalingen in deze overeenkomst over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige rechtsvordering in het kader van de WTO, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil. Wanneer echter een partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten in verband met een specifieke maatregel een procedure voor geschillenbeslechting heeft of hebben ingeleid, hetzij krachtens artikel 70, lid 1, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan of kunnen zij in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Voor de toepassing van dit lid worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht door een partij of, in voorkomend geval, door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten te zijn ingeleid wanneer deze overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen een verzoek om instelling van een arbitragepanel heeft of hebben ingediend.

  • 3. Deze overeenkomst belet een partij of, in voorkomend geval, de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten niet een schorsing van verplichtingen die is toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, ten uitvoer te leggen.

Artikel 87 Termijnen
  • 1. De in deze titel vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels moeten kennisgeven van hun uitspraken, worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende besluit wordt genomen of het desbetreffende feit plaatsvindt.

  • 2. Alle in deze titel vermelde termijnen kunnen in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

Artikel 88 Wijziging van titel VI

Het EPO-comité kan besluiten deze titel en de bijlagen erbij te wijzigen.

TITEL VII ALGEMENE UITZONDERINGEN

Artikel 89 Algemene uitzonderingsclausule

Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen vormen terwijl gelijke voorwaarden moeten gelden, of tot een verkapte beperking van de handel in producten of diensten of de vestiging, wordt geen bepaling in deze overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door de partijen van maatregelen:

  • a. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare zeden of voor de handhaving van de openbare orde;

  • b. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;

  • c. die noodzakelijk zijn voor de handhaving van wetten of voorschriften en die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze overeenkomst, met inbegrip van maatregelen die betrekking hebben op:

    • i. het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om in verband met contracten de gevolgen van niet-betaling te compenseren;

    • ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;

    • iii. de veiligheid;

    • iv. de toepassing van douanevoorschriften en -procedures; of

    • v. de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;

  • d. die verband houden met de invoer of de uitvoer van goud of zilver;

  • e. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;

  • f. die betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien die maatregelen gepaard gaan met beperkingen van de nationale productie of het nationale verbruik van goederen, het binnenlandse aanbod of verbruik van diensten, of met beperkingen voor binnenlandse investeerders;

  • g. die betrekking hebben op voortbrengselen van gevangenisarbeid; of

  • h. die strijdig zijn met de artikelen van deze overeenkomst inzake nationale behandeling, mits het verschil in behandeling is bedoeld om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of te kunnen innen ten aanzien van economische activiteiten van investeerders of dienstverleners uit de andere partij5) .

Artikel 90 Uitzonderingen met betrekking tot de nationale veiligheid
  • 1. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:

    • a. de partijen verplicht gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar hun oordeel tegen hun wezenlijke veiligheidsbelangen indruist;

    • b. de partijen belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk achten en die

      • i. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;

      • ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;

      • iii. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig;

      • iv. betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie; of

      • v. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; of

    • c. de partijen belet maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich hebben genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

  • 2. Het EPO-comité wordt zo volledig mogelijk ingelicht over maatregelen die krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging daarvan.

Artikel 91 Belastingen
  • 1. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van de toepassing ervan gesloten overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving een onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of met betrekking tot de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

  • 2. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van de toepassing ervan gesloten overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of andere belastingovereenkomsten of nationale belastingwetten.

  • 3. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van een dergelijk verdrag hebben de bepalingen van dat verdrag voorrang voor zover het de strijdigheid betreft.

TITEL VIII ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 92 EPO-comité
  • 1. Voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst wordt binnen drie maanden na de ondertekening van deze overeenkomst een EPO-comité opgericht.

  • 2. De partijen besluiten over de samenstelling, organisatie en werking van het EPO-comité.

  • 3. Het EPO-comité is verantwoordelijk voor het beheer van alle door deze overeenkomst bestreken gebieden en voor de uitvoering van alle in deze overeenkomst genoemde taken.

  • 4. Het EPO-comité besluit bij consensus.

  • 5. Om de communicatie te vergemakkelijken en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomst te waarborgen, wijst elke partij een contactpunt aan.

Artikel 93 Regionale organisaties

De commissie van de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC) en het secretariaat-generaal van de Economische Gemeenschap van Centraal-Afrikaanse Staten (ECCAS) worden uitgenodigd aan alle vergaderingen van het EPO-comité deel te nemen.

Artikel 94 Voortzetting van de onderhandelingen en tenuitvoerlegging van de overeenkomst
  • 1. De partijen zetten de onderhandelingen volgens het in deze overeenkomst vastgestelde tijdschema in het kader van de bestaande onderhandelingsstructuren voort.

  • 2. Wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, worden de hieruit voortvloeiende ontwerpwijzigingen ter goedkeuring aan de bevoegde binnenlandse autoriteiten voorgelegd.

  • 3. In afwachting van de instelling van het EPO-comité en van de andere instellingen en comités in de in artikel 1 bedoelde volledige EPO treffen de partijen alle maatregelen die nodig zijn voor het beheer en de uitvoering van deze overeenkomst en vervullen zij de taken van het EPO-comité wanneer hiernaar in deze overeenkomst wordt verwezen.

Artikel 95 Definitie van de partijen en naleving van verplichtingen
  • 1. De overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst zijn de Republiek Kameroen, in deze overeenkomst „Centraal-Afrika” genoemd, enerzijds, en de Europese Gemeenschap of haar lidstaten of de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden, zoals ontleend aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in deze overeenkomst de „EG” genoemd, anderzijds.

  • 2. Voor de toepassing van deze overeenkomst komt Centraal-Afrika overeen gezamenlijk op te treden.

  • 3. Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de term „partij” naargelang van het geval betrekking op de gezamenlijk optredende Centraal-Afrikaanse staten of op de EG. De term „partijen” heeft betrekking op de gezamenlijk optredende Centraal-Afrikaanse staten en de EG.

  • 4. Wanneer een individueel optreden voorzien of vereist is voor de uitoefening van rechten of de naleving van verplichtingen in het kader van deze overeenkomst, wordt de term „overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten” gebruikt.

  • 5. Naargelang van het geval treffen de partijen of de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen, en zien zij toe op de verwezenlijking van de doelstellingen die in deze overeenkomst zijn neergelegd.

Artikel 96 Coördinatoren en uitwisseling van informatie
  • 1. Om de communicatie te vergemakkelijken en een doeltreffende tenuitvoerlegging van de overeenkomst te waarborgen, wijzen de partijen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een coördinator aan. De aanwijzing van coördinatoren doet geen afbreuk aan de specifieke aanwijzing van bevoegde autoriteiten in het kader van specifieke titels en hoofdstukken van deze overeenkomst.

  • 2. Wanneer een partij daarom verzoekt, geeft de coördinator van de andere partij aan welk bureau of welke ambtenaar verantwoordelijk is voor enige aangelegenheid die betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en verleent hij de nodige hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

  • 3. Wanneer een partij daarom verzoekt en voor zover de wettelijke mogelijkheid daartoe bestaat, verstrekt elke partij via haar coördinator informatie en beantwoordt zij onverwijld elke vraag van de andere partij over een bestaande of voorgestelde maatregel of een internationale overeenkomst die gevolgen kan hebben voor de handel tussen de partijen.

  • 4. Elke partij ziet erop toe dat alle wetten, regelingen, procedures en administratieve beschikkingen die algemeen van toepassing zijn op enige handelsaangelegenheid die onder deze overeenkomst valt, onverwijld gepubliceerd en openbaar gemaakt wordt en onder de aandacht van de andere partij wordt gebracht.

  • 5. Onverminderd de transparantiebepalingen in deze overeenkomst wordt de in dit artikel bedoelde informatie geacht te zijn verstrekt wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt door middel van een passende kennisgeving aan de WTO of wanneer de informatie beschikbaar is gemaakt op een officiële, voor iedereen kosteloos toegankelijke website van de betrokken partij.

Artikel 97 Regionale preferentie
  • 1. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst verplicht een partij ertoe de andere partij bij deze overeenkomst een gunstiger behandeling toe te kennen dan die welke binnen elk van de partijen als onderdeel van haar respectieve regionale integratieproces van toepassing is.

  • 2. Wanneer een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat de Europese Gemeenschap in het kader van deze overeenkomst een gunstiger behandeling of een voordeel toekent, geldt deze gunstiger behandeling of dit voordeel ook onmiddellijk en onvoorwaardelijk voor elke andere overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat.

Artikel 98 Inwerkingtreding
  • 1. Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd en goedgekeurd volgens de grondwettelijke of interne voorschriften en toepasselijke procedures.

  • 2. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin aan de depositarissen van de overeenkomst is kennisgegeven van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  • 3. De kennisgevingen worden gezonden aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en aan de voorzitter van de Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika (CEMAC), die als depositaris van deze overeenkomst optreden.

  • 4. In afwachting van de inwerkingtreding van deze overeenkomst komen de EG en Centraal-Afrika overeen de overeenkomst in het kader van hun respectieve bevoegdheden toe te passen („voorlopige toepassing”). Dit kan gebeuren door middel van voorlopige toepassing, wanneer daartoe de mogelijkheid bestaat, of door ratificatie van de overeenkomst.

  • 5. Van de voorlopige toepassing wordt kennis gegeven aan de depositarissen. De overeenkomst wordt 10 dagen na de datum van ontvangst van deze kennisgeving van voorlopige toepassing door de Europese Gemeenschap, enerzijds, en van ontvangst van deze kennisgeving van voorlopige toepassing of van ratificatie door alle overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, anderzijds, voorlopig toegepast.

  • 6. In afwijking van lid 4 kunnen de EG en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten unilateraal maatregelen treffen om de overeenkomst, voor zover haalbaar, al voor de voorlopige toepassing toe te passen.

Artikel 99 Duur
  • 1. Deze overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd.

  • 2. Elke partij of elke overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat kan de andere partij schriftelijk in kennis stellen van haar of zijn voornemen deze overeenkomst op te zeggen.

  • 3. De opzegging wordt zes maanden na de kennisgeving van kracht.

Artikel 100 Territoriaal toepassingsgebied

Deze overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, elk grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, het grondgebied van elk van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten.

Artikel 101 Toetreding van Centraal-Afrikaanse staten of regionale organisaties
  • 1. Elke Centraal-Afrikaanse staat of Centraal-Afrikaanse regionale organisatie kan tot deze overeenkomst toetreden. Verzoeken om toetreding worden bij het EPO-comité ingediend. Wanneer een staat een verzoek om toetreding heeft ingediend, neemt hij als waarnemer aan de vergaderingen van het EPO-comité deel.

  • 2. Het verzoek wordt onderzocht en er worden onderhandelingen geopend met het doel de nodige wijzigingen van deze overeenkomst voor te stellen. Het toetredingsprotocol wordt ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteiten voorgelegd.

  • 3. De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan besluiten overgangsmaatregelen vast te stellen of de nodige wijzigingen aan te brengen.

Artikel 102 Toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU
  • 1. Het EPO-comité wordt in kennis gesteld van ieder verzoek van een derde staat om toe te treden tot de Europese Unie. Tijdens de onderhandelingen tussen de Europese Unie en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EG Centraal-Afrika alle relevante informatie en stelt Centraal-Afrika de EG in kennis van zijn problemen, zodat deze daar ten volle rekening mee kan houden. De EG stelt Centraal-Afrika in kennis van elke toetreding tot de Europese Unie (EU).

  • 2. Elke nieuwe lidstaat van de EU wordt vanaf de datum van zijn toetreding partij bij de overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de EU niet voorziet in een automatische toetreding van de nieuwe EU-lidstaat tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan Centraal-Afrika.

  • 3. De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan besluiten overgangsmaatregelen vast te stellen of de nodige wijzigingen aan te brengen.

Artikel 103 Ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet de EG bestaande maatregelen die zijn gericht op verbetering van de structurele economische en sociale situatie van de ultraperifere gebieden ingevolge artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap toe te passen.

Artikel 104 Dialoog over financiële aangelegenheden

De partijen en de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten komen overeen om op het gebied van fiscaal beleid en beheer de dialoog en transparantie te stimuleren en goede praktijken uit te wisselen.

Artikel 105 Samenwerking bij de bestrijding van illegale financiële activiteiten

De partijen zijn vastbesloten illegale activiteiten, fraude, corruptie, het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen en te bestrijden, en treffen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om te voldoen aan de internationale normen, met inbegrip van die in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de protocollen daarbij, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de financiering van terrorisme, en de aanbevelingen van de Financial Action Task Force. De partijen komen overeen op deze gebieden informatie uit te wisselen en samen te werken.

Artikel 106 Verhouding ten aanzien van andere overeenkomsten
  • 1. Met uitzondering van de artikelen inzake ontwikkelingssamenwerking in deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, hebben in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, de bepalingen van deze overeenkomst voorrang.

  • 2. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring door de Europese Gemeenschap of door een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat van maatregelen, met inbegrip van maatregelen op handelsgebied, die passend worden geacht en waarin wordt voorzien in de artikelen 11 ter, 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou.

  • 3. De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.

  • 4. De partijen komen overeen in 2008 te onderzoeken of de bepalingen van deze overeenkomst in overeenstemming zijn met de douane-unies waartoe de partijen bij deze overeenkomst zijn toegetreden.

Artikel 107 Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 108 Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben gesteld.

GEDAAN te Yaoundé, vijftien januari tweeduizend negen, respectievelijk te Brussel, tweeëntwintig januari tweeduizend negen.


Aanhangsel I

A. Producten die bij voorrang in aanmerking komen voor regionale harmonisatie door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten

  • Levende dieren, met name kleine herkauwers, vers vlees en producten op basis van vlees

  • Vis, producten van de zee, aquicultuurproducten, vers of verwerkt

  • Bloembollen, hakvruchten (met name grondnoten, maniokwortel, taro, aardappelen)

B. Producten die bij voorrang in aanmerking komen voor uitvoer uit Centraal-Afrika naar de EG

  • Koffie, cacao

  • Specerijen (vanille, peper)

  • Vruchten (noten daaronder begrepen)

  • Groenten

  • Vis, producten van de zee en aquicultuurproducten, vers of verwerkt

  • Hout.


Aanhangsel II
Bevoegde autoriteiten

A. Bevoegde autoriteiten van de EG

De controle wordt gezamenlijk uitgevoerd door de nationale diensten van de lidstaten en de Europese Commissie. Hierbij gelden de volgende regels:

  • Met betrekking tot de uitvoer naar de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn de lidstaten van de Europese Gemeenschap verantwoordelijk voor de controle op de productieomstandigheden en -voorschriften, en met name voor de voorgeschreven inspecties en de afgifte van (dier)gezondheidscertificaten betreffende de inachtneming van de overeengekomen normen en eisen.

  • Met betrekking tot de invoer uit de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn de lidstaten van de Europese Gemeenschap ervoor verantwoordelijk te controleren of de ingevoerde producten aan de desbetreffende voorwaarden van de EG voldoen.

  • De Europese Commissie is verantwoordelijk voor de algemene coördinatie, de inspecties/audits van de controleregelingen en de vereiste wetgevende maatregelen die een uniforme toepassing van de normen en voorschriften in de Europese interne markt moeten garanderen.

B. Bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten

Deze autoriteit wordt waargenomen door de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten voor de invoer in en uitvoer uit hun respectieve gebied.


Bijlage I
Capaciteitsopbouw en economische modernisering van Centraal-Afrika in het kader van de EPO

Gezamenlijk oriënterend document Centraal-Afrika/Europese Unie

Sao Tomé, 15 juni 2007

A. Algemeen oriënterend kader

Een van de wezenlijke beginselen van de EPO is bevordering van de regionale integratie en van de economische en sociale ontwikkeling van de ACS-landen. Derhalve verlangen beide partijen dat deze overeenkomst een waardevolle bijdrage levert aan de duurzame ontwikkeling, de uitroeiing van de armoede en de geleidelijke integratie van de Centraal-Afrikaanse staten in de wereldeconomie.

Er moet een synergie tot stand worden gebracht tussen de wederzijdse verbintenissen in het kader van de EPO en de samenwerkingsinstrumenten, teneinde een „kwantitatieve en kwalitatieve groei van de door Centraal-Afrika geproduceerde en uitgevoerde goederen en diensten”1) te ondersteunen. In partnerschap met de EU zullen de Centraal-Afrikaanse actoren op de volgende gebieden tot de verwezenlijking van deze doelstelling bijdragen:

  • 1. Ontwikkeling van de regionale basisinfrastructuur

    • vervoer

    • energie

    • telecommunicatie

  • 2. Landbouw en voedselzekerheid voor de gehele regio

    • landbouwproductie

    • agro-industrie

    • visserij

    • veeteelt

    • aquicultuur en visbestanden

  • 3. Concurrentievermogen en diversificatie van de economie

    • modernisering van ondernemingen

    • industrie

    • normen en certificering (sanitaire en fytosanitaire maatregelen, kwaliteit, zoötechnische normen enz.)

  • 4. Verdieping van de regionale integratie

    • ontwikkeling van de regionale gemeenschappelijke markt

    • belastingen en douane

  • 5. Verbetering van het ondernemingsklimaat

    • harmonisatie van het handelsbeleid van de Centraal-Afrikaanse staten

  • 6. Oprichting van de EPO-organen

  • 7. Financiering van het partnerschap (routekaart en aanbevelingen van de ministeriële vergaderingen)

    De behoeften die in verband hiermee zijn vastgesteld, zullen worden meegedeeld aan de RPTF (regionale voorbereidende taskforce) of aan andere bevoegde organen, zodat deze passende steunprogramma’s, mogelijke bronnen voor de financiering ervan en bepalingen voor de uitvoering van maatregelen ter begeleiding van de EPO kunnen vaststellen. Bij dit onderzoek kan eventueel gebruik worden gemaakt van deskundigen voor de vaststelling van steunprogramma’s, de evaluatie van de haalbaarheid en het voorstellen van passende uitvoeringsbepalingen. Deze analyses zullen hun neerslag vinden in ontwikkelingsprogramma’s, waarbij ook een financiële beoordeling wordt gevoegd.

    Het is de bedoeling dat deze resultaten in september 2007 beschikbaar zijn. De RPTF zal een tijdschema aan de onderhandelingspartijen voorleggen, teneinde hen op de hoogte te houden over de vorderingen bij de maatregelen voor de capaciteitsopbouw en de economische modernisering in Centraal-Afrika.

    De in dit document beschreven werkzaamheden moeten uiteraard in overeenstemming zijn met de ministeriële richtsnoeren van 6 februari 2007 (zie bijlage).

B. Gebieden waarop steun wordt verleend uit het regionale EPO-fonds

Het regionale EPO-fonds is een instrument dat door en voor Centraal-Afrika is opgericht, dat dan ook de uitvoering en het gebruik ervan bepaalt alsmede de in onderstaande tabel opgenomen belangrijkste actiegebieden.

Alle hieronder genoemde acties moeten in overeenstemming zijn met de doelstellingen 3 en 4.

Actiegebieden

Type acties (bij wijze van indicatie)

1- Ontwikkeling van de regionale basisinfrastructuur

1.1. Steun bij de verbetering van het integratie bevorderende subregionale communicatienetwerk (wegen, binnenwateren, spoorwegen, ontwikkeling van havens, terminals in het achterland en luchthavens)

 

1.2. Steun bij de ontwikkeling van de hydro-elektrische infrastructuur in de zone, interconnectie van stroomnetten

 

1.3. Interconnectie van de telecommunicatienetwerken van de lidstaten, in het bijzonder door verbetering van de ICT-infrastructuur

 

1.4. Steun bij de evaluatie van de kosten van de basisinfrastructuur

2- Landbouw en voedselzekerheid voor de gehele regio

2.1. Steun bij de verbetering van de productiviteit (zaaiprogramma, onderzoek en verspreiding)

 

2.2. Ontwikkeling van de agro-industrie

 

2.3. Verbetering van de handel in landbouwproducten

 

2.4. Steun bij de totstandbrenging van een regionaal gemeenschappelijk landbouwbeleid

3- Industrie, diversificatie en concurrentievermogen van de economie in samenhang met de regionale ontwikkeling

3.1. Steun bij de ontwikkeling van de verwerkende industrie (hout, katoen, leder, vlees, vis, andere landbouwproducten, koolwaterstoffen, mijnbouw enz.)

 

3.2. Steun bij de vermindering van knelpunten aan aanbodzijde

 

3.3. Steun bij de ontwikkeling van het toerisme

 

3.4. Financiering van onderzoek/ontwikkeling

 

3.4.1. Evaluatie en gebruik van passende technologieën

 

3.4.2. Harmonisatie van het onderzoeks- en innovatiebeleid (universiteiten, openbare en particuliere onderzoeksinstituten en -centra, technologische instituten, vakopleidingen)

 

3.4.3. Steun bij de capaciteitsopbouw inzake ICT-gebruik

 

3.4.4. Steun aan onderzoeksinstituten

 

3.4.5. Steun bij de ontwikkeling van de farmacopee en van de farmaceutische industrie

 

3.4.6. Steun bij technologieoverdracht, met name door middel van industriële partnerschappen

 

3.5. Steun bij het programma tot vaststelling van het economisch potentieel

 

3.5.1. In kaart brengen en bevordering van producten en diensten van de regio (levensmiddelensectoren, toerisme, mijnbouw, zakelijke dienstverlening: management, boekhouding, tolken, banken, informatica, verzekeringen enz.)

 

3.5.2. Oprichting van gespecialiseerde opleidingscentra voor nieuwe vakrichtingen en vakrichtingen met grote meerwaarde (tweede houtverwerking, textiel en kleding)

 

3.5.3. Steun bij de ontwikkeling van starterscentra

 

3.6. Programma concurrentievermogen/modernisering voor ondernemingen met hoog potentieel

 

3.6.1. Steun bij de uitwerking en uitvoering van nationale en regionale strategieën voor de bevordering en consolidatie van het concurrentievermogen

 

3.6.2. Steun bij de verbetering van het regionale moderniseringsprogramma: programma ter ondersteuning en verbetering van het concurrentievermogen van ondernemingen (PARCE), steun voor immateriële investeringen (bv. marketingstrategieën), programma voor ondernemingsdiagnose en marktanalyse (moderniseringsplannen en de financiering daarvan), technische en technologische bijstand, bijstand bij het verkrijgen van een kwaliteitscertificaat (bv. ISO 9001, ISO 14001, ISO 22000), steun bij de bevordering van de uitvoer van Centraal-Afrika in verband met particuliere normen (EurepGAP enz.)

 

3.6.3. Steun bij de studie naar de factorkosten van de industrie in Centraal-Afrika

 

3.6.4. Steun bij de verwerking van landbouwproducten en natuurlijke rijkdommen met hoog exportpotentieel

 

3.6.5. Versterking van de „kwaliteitsinfrastructuur” (laboratoria) ter ondersteuning van de uitvoer

 

– Steun bij de invoering van een regionaal accreditatie- en metrologiesysteem

 

– Regionale harmonisatie van nationale normen

 

3.6.6. Verbetering van verrichtingen inzake verpakking, traceerbaarheid en voorraden

 

3.6.7. Oprichting van nationale en regionale technische vakcentra

 

3.6.8. Ontwikkeling van een netwerk van auditors ter ondersteuning van ondernemingen bij het verkrijgen van certificering en van laboratoria bij hun acrreditatiewerkzaamheden

 

3.6.9. Leningen voor de aanpassing van het productieapparaat (EIB, ADB, CASDB)

 

3.7. Steun bij de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, waaronder1):

 

– Ontwikkeling van een register van merken en van producten met oorsprongsbenaming en promotie van deze producten

 

– Steun bij de ontwikkeling van een oorsprongsmarkering

 

3.8. Steun bij de oprichting van een regionale beurs voor onderaanbesteding en economisch partnerschap

 

3.9. Steun voor het midden- en kleinbedrijf

 

Mogelijke acties:

 

a. Expertiseloketten – hier kunnen kleine en middelgrote ondernemingen terecht voor een reeks van diensten om hen te helpen bij hun capaciteitsopbouw op het gebied van marketing, boekhouding, juridische analyse, de opstelling van een bedrijfsplan en toegang tot financiering.

 

b. Beroepsopleiding

 

c. Vergemakkelijking van de toegang tot krediet voor het midden- en kleinbedrijf en verbetering van de kredietvoorwaarden2)

 

d. Beschikbaarstelling van kredietinformatie op regionaal niveau3)

 

e. Versoepeling van de hypotheekvoorwaarden4)

 

f. Opbouw van de capaciteit van financiële intermediairs in Centraal-Afrika5)

 

g. Analyse van de mogelijke rol van de CASBD

 

h. Analyse van de aanbevelingen in de studie over financiële diensten in Centraal-Afrika

 

i. Bevordering van de formalisering van de informele economie samen met de overheden, met name door stimulerende maatregelen

 

3.10. Bevordering van vrouwelijk ondernemerschap

4- Verdieping van de regionale integratie

4.1. Ontwikkeling van de regionale markt (harmonisatie van belasting- en douane-instrumenten, versterking van het belasting- en douanebeheer, vaststelling van grensbeveiligingsmaatregelen)

 

4.2. Invoering van gemeenschappelijke voorschriften (mededinging, concurrentievermogen, intellectuele eigendom, bestrijding van illegale handel en piraterij, overheidsopdrachten, diensten, investeringen)

 

4.3. Opbouw van de capaciteit van belasting- en douanediensten

 

4.4. Steun voor het regionale programma voor normen en certificering

 

4.5. Steun voor regionale economische gemeenschappen (rationalisatie en harmonisatie van de programma’s)

 

4.6. Steun voor het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen

 

4.7. Steun voor het regionaal beleid, nu en in de toekomst

 

a. Regionale preferentie in het kader van de EPO ter bevordering van de regionale integratie

 

b. Steun bij de invoering van het gemeenschappelijke handelsbeleid

 

c. Verlaging van niet-tarifaire belemmeringen op regionaal niveau – bv. invoering van regionale gezondheidsnormen (met het oog op de programmering, behandeld onder punt 3)

 

d. Opname van de Democratische Republiek Congo en Sao Tomé en Principe in het schema voor de integratie van de handel in de regio (90 miljoen consumenten …)

 

e. Bespoediging van interne hervormingen: vrij verkeer/dubbele belastingheffing; doorvoer; oorsprongsregels; naleving van regionale handelsvoorschriften

 

· Voorbeeld: steun aan de douane op het gebied van de automatisering en interconnectie

 

· Voorbeeld: normen- en kwaliteitsprogramma voor de regio, met inbegrip van relevante infrastructuur (controlelaboratoria enz.)

 

· Voorbeeld: bijstand aan overheidsdiensten bij de tariefharmonisatie CEMAC/Democratische Republiek Congo/Sao Tomé en Principe

 

· Voorbeeld: opbouw van de capaciteit van belasting- en douanediensten

 

· Voorbeeld: steun voor regionale economische gemeenschappen

 

· Voorbeeld: steun bij de vaststelling en invoering van een regeling voor compensatie bij dubbele belastingheffing

 

4.8. Belastinggrondslag en regionaal financieel instrument

 

a. Invoering van een regionaal financieel instrument. Cohesiefonds ter ondersteuning van de overheidsfinanciën, als instrument voor de ontwikkeling van achtergebleven gebieden.

 

b. Steun voor belastinghervormingen (verbetering van de belastinggrondslag, harmonisatie van de interne belastingstelsels enz.) en uitbreiding van de capaciteit van de belastingdiensten.

 

c. Voortzetting van de werkzaamheden op het gebied van de statistiek, met name in het kader van het PAIRAC.

5- Verbetering van het ondernemingsklimaat en ondersteuning van ondernemingen

5.1. Steun bij de verbetering van de rechtszekerheid bij particuliere investeringen

5.2. Steun bij de verbetering van het communautaire handvest voor investeringen en van sectorspecifieke gedragscodes

 

5.3. Steun bij de invoering van garantie- en risicokapitaalfondsen

 

5.4. Institutionele ondersteuning van intermediaire instanties in de regio

 

Ondersteuning van intermediaire instanties in de regio:

 

· Voorbeeld: ondersteuning van kamers van koophandel

 

· Voorbeeld: ondersteuning van beroeps- en werkgeversorganisaties

 

· Voorbeeld: ondersteuning van exportbevorderingsbureaus

 

· Voorbeeld: ondersteuning van investeringsbevorderingsbureaus

 

· Voorbeeld: ondersteuning om vorm te geven aan de dialoog tussen de particuliere sector in de regio en de Europese particuliere sector

 

· Voorbeeld: ondersteuning van regionale economische gemeenschappen in Centraal-Afrika op gebieden die verband houden met de EPO

 

5.5. Verbetering van het ondernemingsklimaat

 

· Steun voor het regionaal beleid, nu en in de toekomst:

 

– Mededingingsbeleid

 

– Bedrijfsrecht (OHADA)

 

– Recht van vestiging van ondernemingen

 

– Arbeidsnormen

 

– Overheidsopdrachten

 

– Intellectuele eigendom (bestrijding van illegale handel en van piraterij, geografische aanduidingen enz.)

 

· Met consequente ondersteuning van nationale en regionale overheidsdiensten bij de uitvoering van regionale en nationale hervormingen:

 

– Voorbeeld betreffende de intellectuele eigendom: steun voor het regionale programma voor normen, octrooien en certificering

 

– Voorbeeld: steun bij de verbetering van het gemeenschappelijke handvest voor investeringen en van sectorspecifieke gedragscodes

 

· Studie van mechanismen ter verbetering van de rechtszekerheid bij particuliere investeringen, met name door middel van garantieregelingen die investeringen kunnen helpen bevorderen (goede praktijken, huidige praktijken in Centraal-Afrika, aanbevelingen enz.) en tot de overdracht van technologie kunnen bijdragen

 

· Het lijkt ook nuttig de uitwisseling van goede praktijken inzake belastingvoorschriften voor ondernemingen op regionaal niveau te bevorderen. Om het debat op gang te brengen, zal een eerste vergelijkende analyse van de nationale praktijken op dit gebied worden uitgevoerd

6- Bevordering van de oprichting van EPO-organen

Steun bij de ontwikkeling van de nodige institutionele structuur, zowel wat „handelsvraagstukken” als wat „ontwikkelingsvraagstukken” betreft, om de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst en dus de juridische geloofwaardigheid van de EPO en het regionale hervormingsproces ten opzichte van de nationale, regionale en internationale particuliere sector te waarborgen

XNoot
1)

Centraal-Afrika zal een deskundige van de OAPI raadplegen om precies vast te stellen aan welke steun het behoefte heeft.

XNoot
2)

Door de instelling van mechanismen die beter zijn afgestemd op de financiering van kleine en middelgrote ondernemingen in de regio, bv. garantiefondsen voor leningen. Voorbeeld: de EIB, CASDB enz. De expertiseloketten kunnen de ondernemingen bijstaan bij de samenstelling van hun leningsdossier.

XNoot
3)

Betere toegang tot informatie voor potentiële kredietverstrekkers om het thans bestaande bankrisico te beperken. Voorbeeld: oprichting van gedeelde databanken over klantrisico’s.

XNoot
4)

Onderzoeken of het wenselijk is de hypotheekvoorwaarden te verruimen om het opnemen van leningen te bevorderen, gelet op de omvang van de informele economie.

XNoot
5)

Opbouw van de capaciteit voor risicoanalyse in instellingen die leningen kunnen verstrekken. Modernisering van kredietinstellingen en scholing van het personeel.

C. Financiering van het partnerschap

Wat de financiering van de EPO betreft, is Centraal-Afrika net als andere regio’s van oordeel dat de maatregelen voor de capaciteitsopbouw en de andere steunmaatregelen die niet alleen wegens de met de aanpassing gemoeide kosten maar ook wegens de andere compenserende maatregelen noodzakelijk zijn, moeten worden gefinancierd uit specifieke middelen die los staan van de middelen die gewoonlijk in het kader van de NIP’s en RIP’s voor de klassieke samenwerking tussen de ACSstaten en de EU worden toegekend. Het regionale EPO-fonds is bedoeld als instrument om de steun door de EU (EG en lidstaten) en andere donoren te coördineren en derhalve zal de financiering van de regionale infrastructuur en de voor interconnectie vereiste voorzieningen via dit fonds geschieden.

Het door de EG voorgestelde financiële kader omvat de volgende elementen:

  • i. verhoging van de middelen voor het RIP 09/10 EOF, NIP/RIP-interface, 10e EOF eind 2013, maar Cotonou tot eind 2020 (na de integratie van de Democratische Republiek Congo in de Centraal-Afrikaanse regio);

  • ii. koppeling met het partnerschap voor infrastructuur (voor alle ACS-landen);

  • iii. conclusies van de RAZEB van oktober 2006 over hulp voor handel;

  • iv. wettelijke verbintenissen in de EPO;

  • v. vrijwillige bijdragen van de landen in de regio;

  • vi. steun van andere partners bij de ontwikkeling.

Steunmaatregelen voor de basisinfrastructuur en op andere gebieden die niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de EPO, worden uitgewerkt en bekostigd door de daartoe aangewezen instrumenten, met name in het kader van de Overeenkomst van Cotonou.

De Europese Commissie wijst erop dat bij de toekenning van middelen uit het regionale EPO-fonds de volgende gebieden als prioritair gelden:

  • i. steun ter bevordering van het concurrentievermogen en de diversificatie van de onder de EPO vallende productiesectoren, in zowel de primaire, secundaire als tertiaire sector (bv. versterking van de „kwaliteitsinfrastructuur” ter ondersteuning van de uitvoer; expertiseloketten voor ondernemingen; ontwikkeling van starterscentra; acties ter verbetering van de toegang tot krediet voor ondernemingen in de regio, met name voor het midden- en kleinbedrijf; in kaart brengen en bevordering van producten en diensten van de regio (levensmiddelensectoren, toerisme, mijnbouw, zakelijke dienstverlening);

  • ii. bijdrage aan het absorberen van het netto-effect van de EPO op belastinggebied, in volledige complementariteit met de belastinghervormingen;

  • iii. steun bij de uitvoering van de in de EPO opgenomen bepalingen (bv. steun voor de EPO-organen; ondersteuning van het regionaal beleid op door de EPO bestreken gebieden en andere acties die tot verbetering van het ondernemingsklimaat kunnen bijdragen; ondersteuning van belasting- en douanediensten en andere acties die tot de totstandbrenging van een regionale markt in Centraal-Afrika kunnen bijdragen).

D. Tijdschema

Opstelling van een tijdschema voor de uitvoering van de acties voor de capaciteitsopbouw en economische modernisering in Centraal-Afrika.

Bijlage

Gezamenlijk slotcommuniqué van de ministeriële vergadering van 6 februari 2007.


Bijlage II
Douanerechten op producten van oorsprong uit Centraal-Afrika

  • 1. Onverminderd de punten 2, 4, 5, 6 en 7 worden de douanerechten van de EG (de „EG-douanerechten”) op alle producten van de hoofdstukken 1 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem, behalve op die van hoofdstuk 93 daarvan, van oorsprong uit Centraal-Afrika, bij de inwerkingtreding van de overeenkomst volledig afgeschaft. Op producten van hoofdstuk 93 zal de EG de meestbegunstigingsrechten blijven heffen.

  • 2. De EG-douanerechten op de producten van post 1006 van oorsprong uit Centraal-Afrika worden afgeschaft met ingang van 1 januari 2010, met uitzondering van de EG-douanerechten op de producten van subpost 1006 10 10, die worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

  • 3. De partijen komen overeen dat de bepalingen van protocol 3 van de Overeenkomst van Cotonou (het „suikerprotocol”) tot en met 30 september 2009 van toepassing blijven. De EG en de betrokken overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat komen overeen dat het suikerprotocol na die datum tussen hen niet meer van kracht zal zijn. Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van het suikerprotocol loopt de leveringsperiode 2008/2009 van 1 juli 2008 tot en met 30 september 2009. De gegarandeerde prijs voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 september 2009 wordt vastgesteld na de in artikel 5, lid 4, bedoelde onderhandelingen.

  • 4. De EG-douanerechten op producten van post 1701 van oorsprong uit Centraal-Afrika worden per 1 oktober 2009 afgeschaft. Tot de EG-douanerechten volledig zijn afgeschaft, en naast de toekenning van contingenten met nulrecht als bepaald in het suikerprotocol, wordt voor producten van subpost 1701 van oorsprong uit Centraal-Afrika een contingent met nulrecht van 0 ton, uitgedrukt in wittesuikerequivalent, geopend voor het verkoopseizoen1) 2008/2009.

  • 5.

    • a. De EG kan tijdens de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2015 het meestbegunstigingsrecht instellen op producten van post 1701 (suiker) van oorsprong uit Centraal-Afrika waarvan de invoer onderstaande drempels, uitgedrukt in wittesuikerequivalent, overstijgt en wordt geacht de EG-suikermarkt te verstoren:

      • i. 3,5 miljoen ton per verkoopseizoen van deze producten van oorsprong uit de staten die lid zijn van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten), die de Overeenkomst van Cotonou hebben ondertekend, en

      • ii. voor het verkoopseizoen 2009/2010 1,38 miljoen ton van deze producten van oorsprong uit ACS-staten die door de Verenigde Naties niet als minst ontwikkeld land worden erkend. Deze drempel van 1,38 miljoen ton zal stijgen tot 1,45 miljoen ton voor het verkoopseizoen 2010/2011 en tot 1,6 miljoen ton voor de vier daaropvolgende verkoopseizoenen.

    • b. Punt 5, onder a), geldt niet voor de invoer van producten van post 1701 van oorsprong uit een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat die door de Verenigde Naties als minst ontwikkeld land wordt erkend. Op deze invoer blijven evenwel de bepalingen van artikel 3 van titel III, hoofdstuk 2 (vrijwaringsclausule) van toepassing2) .

    • c. Het toegepaste meestbegunstigingsrecht vervalt aan het eind van het verkoopseizoen waarin het werd ingesteld.

    • d. Maatregelen die krachtens dit punt worden ingesteld, worden onverwijld gemeld aan het EPO-comité; over deze maatregelen wordt met dat orgaan geregeld overleg gepleegd.

  • 6. Voor de toepassing van artikel 3 van titel III, hoofdstuk 2 (vrijwaringsclausule) kunnen, vanaf 1 oktober 2015, verstoringen van de markt voor producten van post 1701 worden geacht te ontstaan wanneer de gemiddelde prijs van witte suiker op de markt van de Europese Gemeenschap gedurende twee opeenvolgende maanden zakt onder 80 procent van de gemiddelde prijs van witte suiker op de markt van de Europese Gemeenschap tijdens het voorafgaande verkoopseizoen.

  • 7. Van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2015 worden producten van de posten 1704 90 99, 1806 10 30, 1806 10 90, 2106 90 59 en 2106 90 98 aan een speciaal toezichtmechanisme onderworpen om te waarborgen dat de regelingen in de punten 4 en 5 niet worden ontweken. In het geval van een cumulatieve stijging van de omvang van de invoer van een of meer van deze producten van oorsprong uit Centraal-Afrika met meer dan 20 procent tijdens een periode van 12 opeenvolgende maanden in vergelijking met het gemiddelde van de jaarlijkse invoer tijdens de drie voorafgaande perioden van 12 maanden, analyseert de EG het handelspatroon, de economische rechtvaardiging voor deze invoer en het desbetreffende suikergehalte; indien zij oordeelt dat deze invoer wordt gebruikt om de regelingen in de punten 4 en 5 te ontwijken, kan zij de preferentiële regeling opschorten en het specifieke meestbegunstigingsrecht instellen dat overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschap geldt voor producten van de posten 1704 90 99, 1806 10 30, 1806 10 90, 2106 90 59 en 2106 90 98 van oorsprong uit Centraal-Afrika. Punt 5, onder b), c) en d), is van overeenkomstige toepassing op maatregelen krachtens dit punt.

  • 8. Van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2012 wordt voor producten van post 1701 geen invoervergunning afgegeven, tenzij de importeur zich ertoe verplicht die producten te kopen tegen een prijs die niet lager is dan 90 procent van de door de EG voor het desbetreffende verkoopseizoen vastgestelde referentieprijs.

  • 9. Punt 1 is niet van toepassing op producten van post 0803 00 19, van oorsprong uit Centraal-Afrika, die in de ultraperifere gebieden van de EG in het vrije verkeer worden gebracht. De punten 1, 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten van post 1701, van oorsprong uit Centraal-Afrika, die in de Franse overzeese departementen in het vrije verkeer worden gebracht. Deze bepalingen gelden voor tien jaar. Tenzij de partijen anders beslissen, wordt die periode met nog eens tien jaar verlengd.



Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a. „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen;

  • b. „verzoekende autoriteit”: een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;

  • c. „aangezochte autoriteit” : een bevoegde administratieve autoriteit die hiertoe door een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;

  • d. „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

  • e. „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.

Artikel 2 Werkingssfeer

  • 1. De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand om op de onder hun bevoegdheid vallende gebieden en op de wijze en voorwaarden die bij dit protocol zijn vastgesteld, een correcte toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, in het bijzonder door met die wetgeving strijdige handelingen te voorkomen, op te sporen en te vervolgen.

  • 2. De in dit protocol bedoelde bijstand in douanezaken geldt voor alle administratieve autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen die voor de toepassing van dit protocol bevoegd zijn. Deze bijstand laat de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken onverlet. Hij geldt evenmin voor informatie die is verkregen krachtens bevoegdheden die op verzoek van een rechterlijke instantie worden uitgeoefend, tenzij deze ermee instemt dat die informatie wordt verstrekt.

  • 3. Bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes valt niet onder dit protocol.

Artikel 3 Bijstand op verzoek

  • 1. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde alle ter zake dienende informatie die deze nodig heeft om erop toe te zien dat de douanewetgeving correct wordt toegepast, met inbegrip van informatie betreffende voorgenomen of vastgestelde activiteiten die met deze wetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn.

  • 2. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit haar mede:

    • a. of producten die uit het gebied van een van de overeenkomstsluitende partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in het gebied van een andere partij zijn ingevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de producten zijn geplaatst;

    • b. of producten die in het gebied van een van de overeenkomstsluitende partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit het gebied van de andere partij zijn uitgevoerd, in voorkomend geval onder vermelding van de douaneregeling waaronder de producten zijn geplaatst.

  • 3. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in het kader van haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om te zorgen voor toezicht op:

    • a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht;

    • b. plaatsen waar op zodanige wijze voorraden producten zijn of kunnen worden aangelegd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

    • c. producten die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

    • d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 4 Ongevraagde bijstand

De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder door de doorgifte van informatie die zij hebben verkregen over:

  • a. activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor een andere overeenkomstsluitende partij;

  • b. nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;

  • c. producten waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • d. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij betrokken zijn of waren bij met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • e. vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel 5 Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

  • 1. Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met haar wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, alle maatregelen die nodig zijn voor:

    • de verstrekking van documenten of

    • de kennisgeving van besluiten

      van de verzoekende autoriteit in verband met de toepassing van dit protocol aan adressaten die op het gebied van de aangezochte autoriteit verblijven of gevestigd zijn.

  • 2. Verzoeken om de verstrekking van documenten of de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.

Artikel 6 Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

  • 1. Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling ervan noodzakelijk worden geacht. In spoedeisende gevallen kunnen ook mondelinge verzoeken worden geaccepteerd, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.

  • 2. De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens:

    • a. de verzoekende autoriteit;

    • b. de maatregel waarom wordt gevraagd;

    • c. het doel en de reden van het verzoek;

    • d. de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en andere juridische aspecten;

    • e. zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie over de natuurlijke personen of rechtspersonen op wie het onderzoek betrekking heeft;

    • f. een samenvatting van de feiten en van het reeds uitgevoerde onderzoek.

  • 3. De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis geldt niet voor de in lid 1 bedoelde documenten bij het verzoek.

  • 4. Indien een verzoek niet aan de hierboven vermelde vormeisen voldoet, kan worden verzocht het te corrigeren of aan te vullen; in de tussentijd kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.

Artikel 7 Uitvoering van verzoeken

  • 1. Binnen de grenzen van haar bevoegdheden en de haar beschikbare middelen behandelt de aangezochte autoriteit een verzoek om bijstand alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelt, en verstrekt zij de al beschikbare informatie en verricht zij het nodige onderzoek of laat zij dit verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op autoriteiten waaraan de op grond van dit protocol aangezochte autoriteit het verzoek doorstuurt wanneer zij dit niet zelf kan afhandelen.

  • 2. Aan verzoeken om bijstand wordt voldaan overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partij tot wie het verzoek is gericht.

  • 3. Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen met instemming van de betrokken andere overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, ten kantore van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken autoriteit als bedoeld in lid 1, informatie verzamelen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen zijn, die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit protocol benodigt.

  • 4. Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere betrokken overeenkomstsluitende partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het gebied van laatstgenoemde wordt verricht.

Artikel 8 Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt

  • 1. De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het onderzoek schriftelijk aan de verzoekende autoriteit mede en voegt daarbij de relevante documenten, gewaarmerkte afschriften of andere stukken.

  • 2. Deze informatie mag in de vorm van computerbestanden worden verstrekt.

  • 3. Originelen van documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.

Artikel 9 Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

  • 1. Bijstand kan worden geweigerd of van bepaalde voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van deze overeenkomst:

    • a. de soevereiniteit van een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat of van een lidstaat van de Europese Gemeenschap waaraan op grond van dit protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten; of

    • b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen; of

    • c. tot schending van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim zou leiden.

  • 2. De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek of een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.

  • 3. Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.

  • 4. In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen moeten het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen ervan onverwijld aan de verzoekende autoriteit worden medegedeeld.

Artikel 10 Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht

  • 1. Alle informatie die, in welke vorm dan ook, op grond van dit protocol wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter of is alleen bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke voorschriften van elke overeenkomstsluitende partij. De verstrekte gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming die door de desbetreffende wetgeving van de ontvangende overeenkomstsluitende partij, dan wel door de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Europese Gemeenschap van toepassing zijn, aan dergelijke gegevens wordt geboden.

  • 2. Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de overeenkomstsluitende partij die de gegevens ontvangt, zich ertoe verbindt deze te beschermen op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens door de overeenkomstsluitende partij die de gegevens verstrekt. Te dien einde stellen de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis van hun ter zake geldende voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Gemeenschap.

  • 3. Het gebruik van op grond van dit protocol verkregen informatie in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende met de douanewetgeving strijdige handelingen wordt beschouwd als gebruik voor de doeleinden van dit protocol. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve bij de bewijsvoering, in verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van de informatie die op grond van dit protocol is verkregen en van de documenten waarin op grond van dit protocol inzage is gegeven. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of die inzage heeft gegeven in de documenten, wordt van dergelijk gebruik in kennis gesteld.

  • 4. De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit protocol gebruikt. Indien een overeenkomstsluitende partij de informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, moet zij de autoriteit die de informatie heeft verstrekt vooraf om schriftelijke toestemming vragen. Voor dit gebruik gelden dan de eventueel door deze autoriteit vastgestelde beperkingen.

Artikel 11 Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de dagvaarding dient uitdrukkelijk te worden vermeld voor welke rechterlijke instantie of administratieve autoriteit de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel 12 Kosten van de bijstand

De overeenkomstsluitende partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel 13 Tenuitvoerlegging

  • 1. Dit protocol wordt ten uitvoer gelegd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de geldende voorschriften, met name op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit protocol moeten worden aangebracht.

  • 2. De overeenkomstsluitende partijen plegen onderling overleg en lichten elkaar in over alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit protocol worden vastgesteld.

Artikel 14 Andere overeenkomsten

  • 1. Met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten:

    • laat dit protocol de verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen krachtens andere internationale overeenkomsten of verdragen onverlet;

    • wordt dit protocol geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn of kunnen worden gesloten;

    • laat dit protocol onverlet de communautaire bepalingen van de Europese Gemeenschap betreffende de doorgifte, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Europese Gemeenschap.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 prevaleert dit protocol boven bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Europese Gemeenschap en overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staten zijn of kunnen worden gesloten, indien de bepalingen van die overeenkomsten strijdig zijn met die van dit protocol.

  • 3. Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de overeenkomstsluitende partijen onderling overleg om deze in het kader van het EPO-comité op te lossen.


D. PARLEMENT

De Overeenkomst behoeft ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan de Overeenkomst kan worden gebonden.

E. PARTIJGEGEVENS

Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring zijn voorzien in artikel 98, eerste lid.

Partij

Ondertekening

Ratificatie

Type*

In werking

Opzegging

Buiten werking

België

22-01-09

         

Bulgarije

15-01-09

         

Cyprus

15-01-09

         

Denemarken

15-01-09

         

Duitsland

15-01-09

         

EG (Europese Gemeenschap)

15-01-09

         

Estland

15-01-09

         

Finland

15-01-09

         

Frankrijk

15-01-09

         

Griekenland

15-01-09

         

Hongarije

15-01-09

         

Ierland

15-01-09

         

Italië

15-01-09

         

Kameroen

15-01-09

         

Letland

22-01-09

         

Litouwen

15-01-09

         

Luxemburg

15-01-09

         

Malta

15-01-09

         

Nederlanden, het Koninkrijk der

15-01-09

         

– Nederland

           

– Ned. Antillen

           

– Aruba

           

Oostenrijk

15-01-09

         

Polen

15-01-09

         

Portugal

15-01-09

         

Roemenië

15-01-09

         

Slovenië

15-01-09

         

Slowakije

15-01-09

         

Spanje

15-01-09

         

Tsjechië

15-01-09

         

Verenigd Koninkrijk, het

15-01-09

         

Zweden

15-01-09

         

* O=Ondertekening zonder voorbehoud of vereiste van ratificatie, R= Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of kennisgeving, T=Toetreding, VG=Voortgezette gebondenheid, NB=Niet bekend

F. VOORLOPIGE TOEPASSING

Voorlopige toepassing is voorzien in artikel 98, vierde lid.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van de Overeenkomst, met Aanhangsels, Bijlagen en Protocol, zullen ingevolge artikel 98, tweede lid, in werking treden op de eerste dag van de maand volgende op die waarin aan de depositarissen van de Overeenkomst is kennisgegeven van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

J. VERWIJZINGEN

Titel

:

Handvest van de Verenigde Naties;

San Francisco, 26 juni 1945

Tekst

:

Trb. 1945, 253 (Engels)

Trb. 1945, 321 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2009, 70

     

Titel

:

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

Rome, 25 maart 1957

Tekst

:

Trb. 1957, 74 (Frans)

Trb. 1957, 91 (Nederlands)

Laatste Trb.

:

Trb. 2008, 51

     

Titel

:

Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds;

Cotonou, 23 juni 2000

Tekst

:

Trb. 2001, 57

Laatste Trb.

:

Trb. 2008, 148

     

Titel

:

Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000;

Luxemburg, 25 juni 2005

Tekst

:

Trb. 2005, 295 (Nederlands)

Laatste Trb.

:

Trb. 2008, 148

     

Titel

:

Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 1-14)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 3-17)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 16-18)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 19-21)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 304-337)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 331-361)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 191

     

Titel

:

Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 337-373)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 361-401)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 102

     

Titel

:

Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 294-304)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 320-331)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Overeenkomst inzake de landbouw;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 33-60)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 38-67)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 60-75)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 67-84)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen;

Marrakesh, 15 april 1994

Tekst

:

Trb. 1994, 235 (Engels, blz. 124-148)

Trb. 1995, 130 (vertaling, blz. 136-163)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 325

     

Titel

:

Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

Parijs, 14 december 1960

Tekst

:

Trb. 1961, 42 (Frans en Engels)

Trb. 1961, 60 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 1994, 193

     

Titel

:

Slotakte van de Conferentie der Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling;

Genève, 16 juni 1964

Tekst

:

Trb. 1966, 1 (Engels, blz. 383 e.v.)

     

Titel

:

Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad;

Brussel, 15 december 1950

Tekst

:

Trb. 1951, 120 (Frans en Engels)

Trb. 1953, 51 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2008, 132

     

Titel

:

Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures;

Kyoto, 18 mei 1973

Tekst

:

Trb. 1975, 92 (Engels, Frans en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 270

     

Titel

:

Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen;

Brussel, 14 juni 1983

Tekst

:

Trb. 1985, 108 (Engels, Frans en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 256

     

Titel

:

Protocol tot wijziging van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures;

Brussel, 26 juni 1999

Tekst

:

Trb. 2001, 162 (Engels, Frans en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 74

     

Titel

:

Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten;

Rome, 6 december 1951

Tekst

:

Trb. 1952, 100 (Engels)

Trb. 1953, 73 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 162

     

Titel

:

Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten;

Washington, 3 maart 1973

Tekst

:

Trb. 1975, 23 (Engels, Frans en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 100

     

Titel

:

Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht;

Wenen, 23 mei 1969

Tekst

:

Trb. 1972, 51 (Engels en Frans)

Trb. 1977, 169 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 1996, 89

     

Titel

:

Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme;

New York, 9 december 1999

Tekst

:

Trb. 2000, 12 (Engels en Frans)

Trb. 2001, 62 (correctie en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2005, 252

     

Titel

:

Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;

New York, 15 november 2000

Tekst

:

Trb. 2001, 68 (Engels en Frans)

Trb. 2004, 33 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 74

     

Titel

:

Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;

New York, 15 november 2000

Tekst

:

Trb. 2001, 69 (Engels en Frans)

Trb. 2004, 35 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 71

     

Titel

:

Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;

New York, 15 november 2000

Tekst

:

Trb. 2001, 70 (Engels en Frans)

Trb. 2004, 36 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2007, 72

     

Titel

:

Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad;

New York, 31 mei 2001

Tekst

:

Trb. 2004, 37 (Engels, Frans en vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2005, 232

     

Titel

:

Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie;

New York, 31 oktober 2003

Tekst

:

Trb. 2004, 11 (Engels en Frans)

Trb. 2005, 244 (vertaling)

Laatste Trb.

:

Trb. 2006, 266

Uitgegeven de twaalfde juni 2009.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. VERHAGEN


XNoot
1)

De Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse tekst zijn niet afgedrukt.

De tekst van de Overeenkomst is eveneens afgedrukt in Pb. EU L 57 van 28 februari 2009, blz. 2-360.

Bijlage III bij de Overeenkomst ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en is te vinden op http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm.

XNoot
1)

Exclusief de lidstaten.

XNoot
2)

Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van producten in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel).

XNoot
3)

Voor de toepassing van dit artikel zijn landbouwproducten producten die vallen onder bijlage I bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.

XNoot
4)

Hierbij gaat het om de in de volgende internationale overeenkomsten vastgestelde normen:

  • i. richtsnoeren voor de reglementering inzake digitale bestanden met persoonsgegevens, gewijzigd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1990;

  • ii. aanbeveling van de Raad van de OESO betreffende richtsnoeren voor de bescherming van privacy en grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens van 23 september 1980.

XNoot
5)

Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of te kunnen innen omvatten maatregelen die door een van de partijen op grond van zijn belastingstelsel worden genomen en die:

  • i. van toepassing zijn op investeerders en dienstverleners die niet-ingezeten zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die op het grondgebied van een van de partijen hun oorsprong vinden of geschieden; of

  • ii. van toepassing zijn op niet-ingezetenen om belastingen op het grondgebied van een van de partijen te kunnen opleggen of te kunnen innen; of

  • iii. van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, maatregelen tot naleving daaronder begrepen; of

  • iv. van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verleend, om ervoor te zorgen dat door die gebruiker verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van een van de partijen hebben, opgelegd of geïnd kunnen worden; of

  • v. een onderscheid maken tussen investeerders en dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten en andere investeerder en dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de belastinggrondslag tussen hen; of

  • vi. inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partijen te behouden.

XNoot
1)

Uit het ontwerpmandaat Centraal-Afrika voor de technische groep nr. 5 inzake capaciteitsopbouw en modernisering (mei 2006).

XNoot
1)

Voor de toepassing van de punten 4, 5, 6 en 7 wordt onder „verkoopseizoen” de periode van 1 oktober tot en met 30 september verstaan.

XNoot
2)

In afwijking van het artikel betreffende de bilaterale vrijwaring in de overeenkomst kunnen op een overeenkomstsluitende Centraal-Afrikaanse staat die door de Verenigde Naties als minst ontwikkeld land is erkend, hiertoe vrijwaringsmaatregelen van toepassing zijn.

Naar boven