A. TITEL

Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten; met Protocollen, Bijlage en Verklaringen;

Amsterdam, 2 oktober 1997

B. TEKST1

Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

De President van de Bondsrepubliek Duitsland,

De President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

De President van de Franse Republiek,

De commissie die krachtens artikel 14 van de grondwet van Ierland de bevoegdheden en functies van de President van Ierland mag uitoefenen,

De President van de Italiaanse Republiek,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

De Federale President van de Republiek Oostenrijk,

De President van de Portugese Republiek,

De President van de Republiek Finland,

Zijne Majesteit de Koning van Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Hebben besloten het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten te wijzigen,

en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

De heer Erik Derycke,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken:

De heer Niels Helveg Petersen,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. Klaus Kinkel,

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervangend Bondskanselier;

De President van de Helleense Republiek:

De heer Theodoros Pangalos,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Zijne Majesteit de Koning van Spanje:

De heer Juan Abel Matutes,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Franse Republiek:

De heer Hubert Védrine,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De commissie die krachtens artikel 14 van de grondwet van Ierland de bevoegdheden en functies van de President van Ierland mag uitoefenen:

De heer Raphael P. Burke,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Italiaanse Republiek:

De heer Lamberto Dini,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg:

De heer Jacques F. Poos,

Vice-Minister-President,

Minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Samenwerking;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

De heer Hans van Mierlo,

Vice-Minister-President en Minister van Buitenlandse Zaken;

De Federale President van de Republiek Oostenrijk:

De heer Wolfgang Schüssel,

Minister van Buitenlandse Zaken en Vice-Kanselier;

De President van de Portugese Republiek:

De heer Jaime Gama,

Minister van Buitenlandse Zaken;

De President van de Republiek Finland:

Mevrouw Tarja Halonen,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Zijne Majesteit de Koning van Zweden:

Mevrouw Lena Hjelm-Wallén,

Minister van Buitenlandse Zaken;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland:

De heer Douglas Henderson,

Onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:

EERSTE DEEL

inhoudelijke wijzigingen

Artikel 1

Het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Na de derde alinea in de preambule wordt de volgende alinea ingevoegd:

„Bevestigend hun gehechtheid aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989,".

2. De huidige zevende alinea in de preambule wordt vervangen door:

„Vastbesloten de economische en sociale vooruitgang van hun volkeren te bevorderen, met inachtneming van het beginsel van duurzame ontwikkeling en in het kader van de voltooiing van de interne markt en van versterkte cohesie en milieubescherming, en een beleid te voeren dat er borg voor staat dat de vooruitgang op het gebied van de economische integratie en de vooruitgang op andere terreinen gelijke tred met elkaar houden,".

3. De huidige negende alinea en de huidige tiende alinea worden vervangen door:

„Vastbesloten een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel J.7, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen,

Vastbesloten het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken en tegelijkertijd tevens de veiligheid en zekerheid van hun volkeren te waarborgen, door een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag,".

4. In artikel A wordt de tweede alinea vervangen door:

„Dit Verdrag markeert een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen.".

5. Artikel B wordt vervangen door:

„Artikel B

De Unie stelt zich ten doel:

– bevordering van economische en sociale vooruitgang alsmede een hoog werkgelegenheidsniveau en totstandbrenging van evenwichtige en duurzame ontwikkeling, met name door de totstandbrenging van een ruimte zonder binnengrenzen, door de versterking van de economische en sociale samenhang en door de oprichting van een economische en monetaire unie die uiteindelijk een gemeenschappelijke munt inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag;

– bevestiging van de identiteit van de Unie op het internationale vlak, met name door het voeren van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie, overeenkomstig het bepaalde in artikel J.7;

– versterking van de bescherming van de rechten en de belangen van de onderdanen van de lidstaten van de Unie door de instelling van een burgerschap van de Unie;

– handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit;

– volledige handhaving en verdere ontwikkeling van het acquis communautaire teneinde na te gaan in hoeverre het beleid en de samenwerkingsvormen die bij dit Verdrag zijn ingesteld, herziening behoeven om de doeltreffendheid van de mechanismen en instellingen van de Gemeenschap te verzekeren.

De doelstellingen van de Unie worden verwezenlijkt zoals bepaald in dit Verdrag, onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel zoals omschreven in artikel 3 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.".

6. In artikel C wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Unie zorgt in het bijzonder voor de samenhang van haar gehele externe optreden in het kader van haar beleid op het gebied van externe betrekkingen, veiligheid, economie en ontwikkeling. De Raad en de Commissie zijn verantwoordelijk voor het verzekeren van deze samenhang en werken daartoe samen. Zij dragen, overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden, zorg voor de uitvoering van dat beleid.".

7. Artikel E wordt vervangen door:

„Artikel E

Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer oefenen hun bevoegdheden uit onder de voorwaarden en ter verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgesteld in enerzijds de bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze zijn gewijzigd of aangevuld, en anderzijds de andere bepalingen van dit Verdrag.".

8. Artikel F wordt als volgt gewijzigd:

  • a. lid 1 wordt vervangen door:

    „1. De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.";

  • b. het huidige lid 3 wordt lid 4 en het volgende nieuwe lid 3 wordt ingevoegd:

    „3. De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten.".

9. Het volgende artikel wordt ingevoegd aan het eind van titel I:

„Artikel F.1

1. De Raad, in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lidstaten of van de Commissie, en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, genoemde beginselen constateren, na de regering van de lidstaat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.

2. Wanneer een dergelijke constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan naderhand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van de in lid 1 bedoelde besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Dit lid is eveneens van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst op grond van lid 2.

5. Voor de toepassing van dit artikel besluit het Europees Parlement met een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van zijn leden.".

10. Titel V wordt vervangen door:

„Titel V

Bepalingen betreffende een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Artikel J.1

1. De Unie bepaalt en voert een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt en dat de volgende doelstellingen heeft:

– bescherming van de gemeenschappelijke waarden, de fundamentele belangen, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie, conform de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;

– versterking van de veiligheid van de Unie in alle opzichten;

– handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip van die betreffende de buitengrenzen;

– bevordering van de internationale samenwerking;

– ontwikkeling en versterking van de democratie en de rechtsstaat, alsmede eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

2. De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

De Raad ziet toe op de inachtneming van deze beginselen.

Artikel J.2

De Unie streeft de in artikel J.1 genoemde doelstellingen na door:

– de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast te stellen;

– besluiten te nemen over gemeenschappelijke strategieën;

– gemeenschappelijke optredens aan te nemen;

– gemeenschappelijke standpunten aan te nemen;

– de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

Artikel J.3

1. De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied.

2. De Europese Raad neemt besluiten over door de Unie uit te voeren gemeenschappelijke strategieën op de gebieden waarop de lidstaten aanzienlijke belangen gemeen hebben.

In de gemeenschappelijke strategieën worden de doelstellingen en de duur ervan omschreven, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld.

3. De Raad neemt de nodige besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op de grondslag van de door de Europese Raad vastgestelde algemene richtsnoeren.

De Raad doet de Europese Raad aanbevelingen voor gemeenschappelijke strategieën en voert deze uit, met name door het aannemen van gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten.

De Raad ziet toe op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie.

Artikel J.4

1. De Raad stelt gemeenschappelijke optredens vast. Gemeenschappelijke optredens hebben betrekking op specifieke situaties waarin een operationeel optreden van de Unie nodig wordt geacht. In een gemeenschappelijk optreden worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, zo nodig de tijdsduur, en de voorwaarden voor de uitvoering van dat optreden omschreven.

2. Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een gemeenschappelijk optreden, beziet de Raad de beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de noodzakelijke besluiten. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen, wordt het gemeenschappelijk optreden gehandhaafd.

3. Een gemeenschappelijk optreden bindt de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun verdere optreden.

4. De Raad kan de Commissie verzoeken passende voorstellen in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bij hem in te dienen om de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden te garanderen.

5. Telkens wanneer op grond van een gemeenschappelijk optreden een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg binnen de Raad mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor maatregelen die slechts de nationale omzetting van de besluiten van de Raad vormen.

6. In geval van dwingende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een besluit van de Raad, kunnen de lidstaten met spoed de noodzakelijke maatregelen nemen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden. De betrokken lidstaat stelt de Raad onverwijld van iedere zodanige maatregel in kennis.

7. In geval van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden, legt een lidstaat deze voor aan de Raad, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het gemeenschappelijk optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.

Artikel J.5

De Raad neemt gemeenschappelijke standpunten aan. In de gemeenschappelijke standpunten wordt de aanpak van de Unie bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de gemeenschappelijke standpunten overeenstemt.

Artikel J.6

Tussen de lidstaten vindt wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad over elke aangelegenheid van algemeen belang op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, opdat de invloed van de Unie zo doeltreffend mogelijk wordt uitgeoefend door middel van een onderling afgestemd en convergent optreden.

Artikel J.7

1. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, overeenkomstig lid 2, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De West-Europese Unie (WEU) maakt een integrerend deel uit van de ontwikkeling van de Unie en verschaft de Unie met name in de context van lid 2 toegang tot een operationele capaciteit. De WEU ondersteunt de Unie bij het bepalen van de defensieaspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als aangegeven in dit artikel. De Unie bevordert bijgevolg hechtere institutionele betrekkingen met de WEU met het oog op de mogelijkheid de WEU in de Unie te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied.

2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

3. De Unie zal gebruik maken van de WEU om de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uit te werken en uit te voeren.

De bevoegdheid van de Europese Raad om overeenkomstig artikel J.3 richtsnoeren vast te stellen geldt ook ten aanzien van de WEU in aangelegenheden waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU.

Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU voor de uitwerking en uitvoering van besluiten van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde opdrachten, zijn alle lidstaten van de Unie gerechtigd om ten volle deel te nemen aan die opdrachten. De Raad stelt in overeenstemming met de instellingen van de WEU de noodzakelijke praktische regelingen vast om alle lidstaten die bijdragen aan de betrokken opdrachten, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

Onder dit lid vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen bedoeld in lid 1, derde alinea.

4. Het bepaalde in dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lidstaten, in het kader van de WEU en van het Atlantisch Bondgenootschap, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.

5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel N herzien.

Artikel J.8

1. Het voorzitterschap vertegenwoordigt de Unie in aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

2. Het voorzitterschap is verantwoordelijk voor de uitvoering van besluiten uit hoofde van deze titel; in die hoedanigheid verwoordt het in beginsel het standpunt van de Unie in internationale organisaties en op internationale conferenties.

3. Het voorzitterschap wordt bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad, die de functie van hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uitoefent.

4. De Commissie wordt volledig betrokken bij de in de leden 1 en 2 genoemde taken. Het voorzitterschap wordt indien nodig bij die taken bijgestaan door de lidstaat die als volgende het voorzitterschap zal bekleden.

5. De Raad kan, telkens wanneer hij het nodig acht, een speciale vertegenwoordiger met een mandaat voor specifieke beleidsvraagstukken benoemen.

Artikel J.9

1. De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de gemeenschappelijke standpunten.

In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de wel deelnemende lidstaten de gemeenschappelijke standpunten.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en in artikel J.4, lid 3, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten volledig op de hoogte. Lidstaten die permanent lid van de Veiligheidsraad zijn, dragen er bij de uitoefening van hun functie zorg voor de standpunten en belangen van de Unie te verdedigen, onverminderd de verantwoordelijkheden die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.

Artikel J.10

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Commissie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties voeren onderling overleg om te verzekeren dat de door de Raad vastgestelde gemeenschappelijke standpunten en gemeenschappelijke optredens in acht worden genomen en ten uitvoer worden (uit)gelegd.

Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen, gezamenlijk evaluaties te verrichten en bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van het bepaalde in artikel 8 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel J.11

Het voorzitterschap raadpleegt het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door het voorzitterschap en de Commissie regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is geboekt.

Artikel J.12

1. Iedere lidstaat of de Commissie kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.

2. In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept het voorzitterschap, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van de Commissie of van een lidstaat binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.

Artikel J.13

1. Besluiten uit hoofde van deze titel worden door de Raad met eenparigheid van stemmen aangenomen. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van deze besluiten.

Ingeval een lid van de Raad zich van stemming onthoudt, kan dit lid zijn onthouding toelichten door op grond van onderhavige alinea een formele verklaring af te leggen. In dat geval is het lid niet verplicht het besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat het besluit de Unie bindt. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten meer dan een derde van de stemmen, gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vertegenwoordigen, is het besluit niet aangenomen.

2. In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

– bij de aanneming van gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten of andere besluiten op basis van een gemeenschappelijke strategie;

– bij de aanneming van een besluit waarmee uitvoering wordt gegeven aan een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk standpunt.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de aanneming van een besluit dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden aangenomen, wordt niet tot stemming overgegaan. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

Dit lid is niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

3. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel J.14

Indien ter uitvoering van deze titel een overeenkomst moet worden gesloten met één of meer staten of internationale organisaties, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het voorzitterschap machtigen om, zo nodig bijgestaan door de Commissie, daartoe onderhandelingen te openen. Dergelijke overeenkomsten worden gesloten door de Raad, die op aanbeveling van het voorzitterschap met eenparigheid van stemmen besluit. Geen enkele overeenkomst zal bindend zijn voor een lidstaat waarvan de vertegenwoordiger in de Raad verklaart dat deze de bepalingen van zijn grondwettelijke procedure in acht moet nemen; de andere leden van de Raad kunnen overeenkomen dat de overeenkomst voorlopig op hen van toepassing is.

De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op aangelegenheden die onder titel VI vallen.

Artikel J.15

Onverminderd artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap volgt een politiek comité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot het bepalen van het beleid door op verzoek van de Raad of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen. Het comité ziet ook toe op de tenuitvoerlegging van het overeengekomen beleid, onverminderd de bevoegdheden van het voorzitterschap en van de Commissie.

Artikel J.16

De secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, staat de Raad bij in aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name door bij te dragen tot de formulering, voorbereiding en uitvoering van beleidsbeslissingen, en, waar dienstig en namens de Raad op verzoek van het voorzitterschap, door een politieke dialoog met derden te voeren.

Artikel J.17

De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Artikel J.18

1. De artikelen 137, 138, 139 tot en met 142, 146, 147, 150 tot en met 153, 157 tot en met 163, 191 A en 217 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel J.13, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.".

11. Titel VI wordt vervangen door:

„Titel VI

Bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken

Artikel K.1

Onverminderd de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap is het doel van de Unie de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door de ontwikkeling van gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en door voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat.

Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door het voorkomen en bestrijden van al dan niet georganiseerde criminaliteit, met name terrorisme, mensenhandel en misdrijven tegen kinderen, illegale drugshandel en illegale wapenhandel, corruptie en fraude, door middel van:

– nauwere samenwerking tussen politiediensten, douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten in de lidstaten, zowel rechtstreeks als via de Europese Politiedienst (Europol), in overeenstemming met de artikelen K.2 en K.4;

– nauwere samenwerking tussen justitiële en andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de artikelen K.3, onder a. tot en met d., en K.4;

– waar nodig, onderlinge aanpassing van de bepalingen betreffende strafzaken in de lidstaten, in overeenstemming met artikel K.3, onder e.

Artikel K.2

1. Gezamenlijk optreden op het gebied van politiële samenwerking omvat:

  • a. operationele samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de politie, de douane en andere gespecialiseerde instanties van de lidstaten belast met wetshandhaving met betrekking tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten;

  • b. de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie, met inbegrip van informatie over meldingen van verdachte financiële transacties waarover instanties belast met wetshandhaving beschikken, met name via Europol, onder voorbehoud van passende bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens;

  • c. samenwerking en gezamenlijke initiatieven inzake opleiding, de uitwisseling van verbindingsfunctionarissen, detacheringen, het gebruik van apparatuur en forensisch onderzoek;

  • d. de gezamenlijke beoordeling van bepaalde onderzoekstechnieken in verband met het opsporen van ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit.

2. De Raad bevordert samenwerking via Europol en handelt binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in het bijzonder als volgt:

  • a. hij stelt Europol in staat tot het vergemakkelijken en ondersteunen van de voorbereiding en het aanmoedigen van de coördinatie en uitvoering van specifieke onderzoeksacties door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, inclusief operationele acties van gezamenlijke teams waarvan vertegenwoordigers van Europol ter ondersteuning deel uitmaken;

  • b. hij neemt maatregelen aan waardoor Europol de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kan vragen hun onderzoek in specifieke zaken te verrichten en te coördineren en specifieke expertise te ontwikkelen die ter beschikking van de lidstaten kan worden gesteld om hen te assisteren bij het onderzoeken van zaken van georganiseerde criminaliteit;

  • c. hij bevordert verbindingsregelingen tussen functionarissen belast met opsporing/vervolging die zich specialiseren in de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in nauwe samenwerking met Europol;

  • d. hij richt een netwerk op voor onderzoek, documentatie en statistiek met betrekking tot grensoverschrijdende criminaliteit.

Artikel K.3

Gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken omvat:

  • a. het vergemakkelijken en het bespoedigen van de samenwerking tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot procedures en de tenuitvoerlegging van beslissingen;

  • b. het vergemakkelijken van uitlevering tussen lidstaten;

  • c. het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende voorschriften, voorzover nodig ter verbetering van die samenwerking;

  • d. het voorkomen van jurisdictiegeschillen tussen lidstaten;

  • e. het geleidelijk aannemen van maatregelen tot opstelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, terrorisme en illegale drugshandel.

Artikel K.4

De Raad bepaalt onder welke voorwaarden en met welke beperkingen de in de artikelen K.2 en K.3 bedoelde bevoegde autoriteiten op het grondgebied van een andere lidstaat mogen optreden in overleg met en met instemming van de autoriteiten van die staat.

Artikel K.5

Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

Artikel K.6

1. Op de in deze titel genoemde gebieden vindt tussen de lidstaten wederzijdse informatie en onderling overleg plaats in de Raad, teneinde hun optreden te coördineren. De lidstaten brengen te dien einde een samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten tot stand.

2. De Raad neemt maatregelen en bevordert samenwerking, in een passende vorm en volgens passende procedures zoals bepaald in deze titel, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Daartoe kan de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie:

  • a. gemeenschappelijke standpunten aannemen waarin de aanpak van de Unie ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid wordt omschreven;

  • b. kaderbesluiten aannemen voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze kaderbesluiten zijn verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen rechtstreekse werking;

  • c. besluiten aannemen voor elk ander doel dat met de doelstellingen van deze titel verenigbaar is, met uitsluiting van elke onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Deze besluiten zijn verbindend en hebben geen rechtstreekse werking; met gekwalificeerde meerderheid van stemmen neemt de Raad de maatregelen aan die nodig zijn om deze besluiten op het niveau van de Unie uit te voeren;

  • d. overeenkomsten vaststellen, waarvan hij de aanneming door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt. De lidstaten beginnen de toepasselijke procedures binnen een door de Raad te bepalen termijn.

    Tenzij in de overeenkomsten anders wordt bepaald, treden zij, zodra zij door ten minste de helft van de lidstaten zijn aangenomen, ten aanzien van deze lidstaten in werking. De maatregelen ter uitvoering van de overeenkomsten worden in de Raad aangenomen met een meerderheid van twee derde van de stemmen van de Verdragsluitende Partijen.

3. Ingeval voor de besluiten van de Raad een gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vereist, worden de stemmen van de leden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en komen de besluiten tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

4. Voor procedurekwesties neemt de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden.

Artikel K.7

1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is onder de in dit artikel omschreven voorwaarden bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van kaderbesluiten en besluiten, over de uitlegging van op grond van deze titel vastgestelde overeenkomsten en over de geldigheid en de uitlegging van uitvoeringsmaatregelen.

2. Door middel van een verklaring afgelegd op het tijdstip van ondertekening van het Verdrag van Amsterdam of op enig later tijdstip kan een lidstaat de bevoegdheid van het Hof van Justitie aanvaarden om, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen als bedoeld in lid 1.

3. Wanneer een lidstaat een verklaring aflegt uit hoofde van lid 2 van dit artikel, geeft hij aan dat ofwel:

  • a. elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, ofwel

  • b. elke nationale rechterlijke instantie van die lidstaat het Hof van Justitie kan verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag betreffende de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in lid 1, die wordt opgeworpen in een bij haar aanhangig gemaakte zaak, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

4. Elke lidstaat mag, ongeacht of hij een verklaring uit hoofde van lid 2 heeft afgelegd of niet, memories of schriftelijke opmerkingen bij het Hof indienen in gevallen als bedoeld in lid 1.

5. Het Hof van Justitie is niet bevoegd de geldigheid of de evenredigheid na te gaan van operaties van de politie of van andere instanties van een lidstaat belast met wetshandhaving of de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

6. Het Hof van Justitie is bevoegd de wettigheid na te gaan van kaderbesluiten en besluiten in elk door een lidstaat of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Het in dit lid bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de maatregel.

7. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel K.6, lid 2, aangenomen besluiten wanneer de Raad er niet in slaagt het geschil te regelen binnen zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop een van zijn leden het hem heeft voorgelegd. Het Hof van Justitie is tevens bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen lidstaten en de Commissie betreffende de uitlegging of de toepassing van op grond van artikel K.6, lid 2, onder d., vastgestelde overeenkomsten.

Artikel K.8

1. Er wordt een coördinatiecomité van hoge ambtenaren opgericht. Dit comité heeft naast zijn coördinerende functie tot taak:

– hetzij op verzoek van de Raad, hetzij op eigen initiatief ten behoeve van de Raad adviezen uit te brengen;

– onverminderd artikel 151 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, bij te dragen aan de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad op de in artikel K.1 bedoelde gebieden.

2. De Commissie wordt volledig betrokken bij de werkzaamheden op de in deze titel genoemde gebieden.

Artikel K.9

De lidstaten verwoorden de krachtens deze titel vastgestelde gemeenschappelijke standpunten in de internationale organisaties en op de internationale conferenties waaraan zij deelnemen.

De artikelen J.8 en J.9 zijn mutatis mutandis van toepassing op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel K.10

De in artikel J.14 bedoelde overeenkomsten kunnen betrekking hebben op de onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel K.11

1. De Raad raadpleegt het Europees Parlement voordat hij de in artikel K.6, lid 2, onder b., c. en d., bedoelde maatregelen aanneemt. Het Europees Parlement brengt advies uit binnen een termijn die de Raad kan vaststellen en die niet korter mag zijn dan drie maanden. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen.

2. Het voorzitterschap en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de werkzaamheden op de onder deze titel vallende gebieden.

3. Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het wijdt ieder jaar een debat aan de vooruitgang die op de in deze titel genoemde gebieden is geboekt.

Artikel K.12

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking in te stellen, kunnen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen K.15 en K.16, worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van de Verdragen, mits de beoogde samenwerking:

  • a. strookt met de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en met de in deze titel neergelegde doelstellingen;

  • b. tot doel heeft de Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de betrokken lidstaten een besluit neemt, na de Commissie om advies te hebben verzocht. Het verzoek wordt ook aan het Europees Parlement toegezonden.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen verlening van een machtiging met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De besluiten komen tot stand wanneer zij ten minste tweeënzestig stemmen hebben verkregen, waarbij ten minste tien leden voorstemmen.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad, eventueel met een aanbeveling voor de bijzondere regelingen die zij voor die lidstaat nodig acht om deel te nemen aan de samenwerking in kwestie. Binnen vier maanden na deze kennisgeving neemt de Raad een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die hij nodig acht. Het besluit wordt geacht te zijn genomen, tenzij de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit het aan te houden; in dat geval geeft de Raad de redenen voor zijn besluit aan en stelt hij een termijn voor een nieuwe behandeling. Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad overeenkomstig artikel K.16.

4. De bepalingen van de artikelen K.1 tot en met K.13 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde nauwere samenwerking, tenzij in dit artikel en in de artikelen K.15 en K.16 anders is bepaald.

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van deze bevoegdheden zijn van toepassing op de leden 1, 2 en 3.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel K.13

1. De artikelen 137, 138, 138 E, 139 tot en met 142, 146, 147, 148, lid 3, 150 tot en met 153, 157 tot en met 163, 191 A en 217 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn van toepassing op de bepalingen betreffende de in deze titel bedoelde gebieden.

2. De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende de in deze titel genoemde gebieden, komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

3. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

4. De begrotingsprocedure van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is van toepassing op de uitgaven die ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen.

Artikel K.14

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op initiatief van de Commissie of van een lidstaat en na raadpleging van het Europees Parlement besluiten dat optreden op in artikel K.1 genoemde gebieden onder titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap valt, waarbij hij de desbetreffende stemprocedures vaststelt. Hij beveelt de lidstaten aan dit besluit overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan te nemen.".

12. De volgende nieuwe titel wordt ingevoegd:

„Titel VI A

Bepalingen inzake nauwere samenwerking

Artikel K.15

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan kunnen gebruik maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, mits de samenwerking:

  • a. beoogt de doelstellingen van de Unie te bevorderen en haar belangen te beschermen en te dienen;

  • b. strookt met de beginselen van de genoemde Verdragen en met het ene institutionele kader van de Unie;

  • c. alleen in laatste instantie wordt gebruikt, wanneer de doelstellingen van de genoemde Verdragen niet kunnen worden verwezenlijkt door toepassing van de in die Verdragen vastgelegde procedures;

  • d. betrekking heeft op ten minste een meerderheid van de lidstaten;

  • e. geen afbreuk doet aan het acquis communautaire en aan de maatregelen die krachtens de andere bepalingen van de genoemde Verdragen zijn aangenomen;

  • f. geen afbreuk doet aan de bevoegdheden, rechten, verplichtingen en belangen van de niet aan deze samenwerking deelnemende lidstaten;

  • g. voor alle lidstaten openstaat en hen de mogelijkheid biedt te allen tijde partij te worden bij de samenwerking, op voorwaarde dat zij het basisbesluit en de in het kader daarvan aangenomen besluiten naleven;

  • h. voldoet aan de specifieke aanvullende criteria van respectievelijk artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel K.12 van dit Verdrag, naargelang het betrokken gebied, en daartoe machtiging is verleend door de Raad volgens de procedures van de genoemde artikelen.

2. De lidstaten passen, voor zover zij bij de nauwere samenwerking betrokken zijn, de handelingen en besluiten toe die worden aangenomen voor de uitvoering van de samenwerking waaraan zij deelnemen. De lidstaten die niet aan deze samenwerking deelnemen, belemmeren de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten niet.

Artikel K.16

1. Voor de aanneming van de handelingen en besluiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel K.15 bedoelde samenwerking zijn de desbetreffende institutionele bepalingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing. Hoewel alle leden van de Raad kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, nemen alleen de leden die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, deel aan de aanneming van besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de betrokken leden van de Raad gevormd.

2. De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

Artikel K.17

De Raad en de Commissie brengen het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de ontwikkeling van de op grond van deze titel aangegane nauwere samenwerking.".

13. Artikel L wordt vervangen door:

„Artikel L

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn slechts op de volgende bepalingen van dit Verdrag van toepassing:

  • a. de bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

  • b. de bepalingen van titel VI, onder de voorwaarden van artikel K.7;

  • c. de bepalingen van titel VI A, onder de voorwaarden van artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel K.12 van dit Verdrag;

  • d. artikel F, lid 2, met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voor zover het Hof bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van dit Verdrag;

  • e. de artikelen L tot en met S.".14. In artikel N wordt lid 2 geschrapt waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

    15. In Artikel O wordt de eerste alinea vervangen door:

„Elke Europese staat die de in artikel F, lid 1, genoemde beginselen in acht neemt, kan verzoeken lid te worden van de Unie. Hij richt zijn verzoek tot de Raad, die besluit met eenparigheid van stemmen na de Commissie te hebben geraadpleegd en na instemming van het Europees Parlement, dat zich uitspreekt bij volstrekte meerderheid van zijn leden.".

16. Aan artikel S wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Krachtens het Toetredingsverdrag van 1994 zijn de teksten van dit Verdrag in de Finse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.".

Artikel 2

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. In de preambule wordt, na de achtste alinea, de volgende alinea toegevoegd:

„Vastbesloten het hoogst mogelijke kennisniveau voor zijn volkeren na te streven door middel van ruime toegang tot onderwijs en door middel van de voortdurende vernieuwing daarvan,"

2. Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

De Gemeenschap heeft tot taak, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie en door de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid of de gemeenschappelijke activiteiten, bedoeld in de artikelen 3 en 3 A, het bevorderen van een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen, een duurzame en niet-inflatoire groei, een hoge graad van concurrentievermogen en convergentie van economische prestaties, een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, een verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan, de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de lidstaten.".

3. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de huidige tekst wordt genummerd en wordt lid 1;

  • b. in het nieuwe lid 1 wordt punt d. vervangen door:

  • „d. maatregelen inzake binnenkomst en verkeer van personen overeenkomstig titel III A;"

  • c. in het nieuwe lid 1 wordt, na punt h), het volgende nieuwe punt i) ingevoegd,

  • „i. het bevorderen van de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, teneinde het doeltreffender te maken door het ontwikkelen van een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie;";

  • d. in het nieuwe lid 1 wordt het huidige punt i. punt j. en de volgende punten worden dienovereenkomstig hernummerd;

  • e. het volgende lid wordt toegevoegd:

    „2. Bij elk in dit artikel bedoeld optreden streeft de Gemeenschap ernaar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.".

4. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 3 C

De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 3, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.".

5. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 A

1. De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, kunnen met inachtneming van de artikelen K.15 en K.16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gemachtigd gebruik te maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag, mits de beoogde samenwerking:

  • a. geen betrekking heeft op gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen;

  • b. geen afbreuk doet aan beleidslijnen, activiteiten of programma's van de Gemeenschap;

  • c. geen betrekking heeft op het burgerschap van de Unie en niet discrimineert tussen de onderdanen van de lidstaten;

  • d. binnen de grenzen van de bij dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden blijft; en

  • e. geen discriminatie of beperking van de handel tussen de lidstaten vormt en de mededingingsvoorwaarden tussen de lidstaten niet vervalst.

2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt verleend door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement.

Indien een lid van de Raad verklaart om belangrijke, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de instemming om een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen te nemen, wordt er niet gestemd. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de zaak voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders.

De lidstaten die voornemens zijn onderling een nauwere samenwerking aan te gaan, als bedoeld in lid 1, kunnen daartoe een verzoek richten tot de Commissie, die vervolgens bij de Raad een voorstel kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, stelt zij de lidstaten onder opgave van redenen daarvan op de hoogte.

3. Een lidstaat die wil deelnemen aan een overeenkomstig dit artikel ingestelde samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving advies uitbrengt aan de Raad. Binnen vier maanden na die kennisgeving neemt de Commissie een besluit over het verzoek en over de bijzondere regelingen die zij nodig acht.

4. Op de voor de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten noodzakelijke handelingen en besluiten zijn alle desbetreffende bepalingen van dit Verdrag van toepassing, tenzij anders is bepaald in dit artikel en in de artikelen K.15 en K.16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

5. Dit artikel laat de bepalingen van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.".

6. In artikel 6 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Raad kan, volgens de procedure van artikel 189 B regelingen treffen met het oog op het verbod van bedoelde discriminaties.".

7. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 6 A

Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad, binnen de grenzen van de door dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.".

8. Aan het einde van het Eerste Deel wordt het volgende artikel ingevoegd:

„Artikel 7 D

Onverminderd de artikelen 77, 90 en 92 en gezien de plaats die de diensten van algemeen economisch belang in de gemeenschappelijke waarden van de Unie innemen, alsook de rol die zij vervullen bij het bevorderen van sociale en territoriale samenhang, dragen de Gemeenschap en de lidstaten er, in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden en binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag zorg voor dat deze diensten functioneren op basis van beginselen en voorwaarden die hen in staat stellen hun taken te vervullen.".

9. Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan.".

10. Artikel 8 A, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De Raad kan bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken; tenzij in dit Verdrag anders is bepaald neemt de Raad een besluit volgens de procedure van artikel 189 B. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen.".

11. Aan Artikel 8 D wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Iedere burger van de Unie kan de in dit artikel of in artikel 4 genoemde instellingen of organen aanschrijven in een van de in artikel 248 genoemde talen en ook in die taal antwoord krijgen.".

12. Artikel 51 wordt vervangen door:

„Artikel 51

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen

  • a. dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen,

  • b. dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.

    De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen.".

13. Artikel 56, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast voor de coördinatie van voornoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.".

14. Artikel 57, lid 2, wordt vervangen door:

„2. Met hetzelfde doel stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B richtlijnen vast inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten betreffende de toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan. De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 189 B met eenparigheid van stemmen, over richtlijnen waarvan de uitvoering in ten minste een der lidstaten een wijziging van de in de wetgeving neergelegde beginselen betreffende de regeling van beroepen met zich meebrengt voor wat betreft opleiding en voorwaarden voor toegang van natuurlijke personen. In alle overige gevallen besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.".

15. In het Derde Deel wordt de volgende titel ingevoegd:

„Titel III A

Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen

Artikel 73 I

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid neemt de Raad de volgende maatregelen aan:

  • a. binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen die erop gericht zijn het vrije verkeer van personen te waarborgen overeenkomstig artikel 7 A, in samenhang met daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie, overeenkomstig artikel 73 J, punten 2 en 3, artikel 73 K, punt 1, onder a., en punt 2, onder a., en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit overeenkomstig artikel K.3, onder e., van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

  • b. andere maatregelen op het gebied van asiel, immigratie en de vrijwaring van de rechten van onderdanen van derde landen, in overeenstemming met artikel 73 K;

  • c. maatregelen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, als bepaald in artikel 73 M;

  • d. passende maatregelen ter stimulering en versterking van de administratieve samenwerking, als bepaald in artikel 73 N;

  • e. maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, gericht op een hoog niveau van veiligheid door voorkoming en bestrijding van criminaliteit in de Unie, in overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel 73 J

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 73 O de volgende maatregelen aan:

1. maatregelen om in overeenstemming met artikel 7 A te waarborgen dat personen, ongeacht of het burgers van de Unie dan wel onderdanen van derde landen betreft, bij het overschrijden van de binnengrenzen niet worden gecontroleerd;

2. maatregelen inzake het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, houdende:

  • a. normen en procedures die de lidstaten bij de uitvoering van personencontroles aan die grenzen in acht moeten nemen;

  • b. voorschriften inzake visa voor voorgenomen verblijven van ten hoogste drie maanden, met inbegrip van:

    • i. de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van derde landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht;

    • ii. de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa door de lidstaten;

    • iii. een uniform visummodel;

    • iv. voorschriften betreffende een uniform visum;

3. maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen vrij kunnen reizen op het grondgebied van de lidstaten gedurende een periode van ten hoogste drie maanden.

Artikel 73 K

Binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam neemt de Raad volgens de procedure van artikel 73 O de volgende maatregelen aan:

1. maatregelen inzake asiel, in overeenstemming met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen en andere desbetreffende verdragen, op de volgende gebieden:

  • a. criteria en instrumenten voor de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land wordt ingediend in één van de lidstaten;

  • b. minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten;

  • c. minimumnormen voor het aanmerken van onderdanen van derde landen als vluchteling;

  • d. minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus;

2. maatregelen inzake vluchtelingen en ontheemden op de volgende gebieden:

  • a. minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit derde landen die niet naar hun land van oorsprong kunnen terugkeren en voor personen die anderszins internationale bescherming behoeven;

  • b. bevordering van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden;

3. maatregelen inzake immigratiebeleid op de volgende gebieden:

  • a. voorwaarden voor toegang en verblijf en normen voor de procedures voor de afgifte door de lidstaten van langlopende visa en verblijfstitels, met name met het oog op gezinshereniging;

  • b. illegale immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van repatriëring van illegaal verblijvende personen;

4. maatregelen waarin de rechten en voorwaarden worden omschreven volgens welke onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, in andere lidstaten mogen verblijven.

Door de Raad uit hoofde van de punten 3 en 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat op de betrokken gebieden nationale bepalingen handhaaft of vaststelt welke met dit Verdrag en met internationale overeenkomsten verenigbaar zijn.

Voor de uit hoofde van punt 2, onder b., punt 3, onder a., en punt 4 aan te nemen maatregelen geldt bovengenoemde termijn van vijf jaar niet.

Artikel 73 L

1. Deze titel laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

2. Indien één of meer lidstaten worden geconfronteerd met een noodsituatie die wordt gekenmerkt door een plotselinge toevloed van onderdanen van derde landen kan de Raad, onverminderd lid 1, ten behoeve van de betrokken lidstaten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie voorlopige maatregelen aannemen voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Artikel 73 M

De maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen en die in overeenstemming met artikel 73 O en voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt moeten worden genomen, omvatten:

  • a. de verbetering en vereenvoudiging van:

    – het systeem van grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;

    – samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;

    – de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met inbegrip van beslissingen in buitengerechtelijke zaken;

  • b. de bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;

  • c. de afschaffing van hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 73 N

De Raad neemt volgens de procedure van artikel 73 O maatregelen om samenwerking tussen de overheidsdiensten van de lidstaten die bevoegd zijn op de door deze titel bestreken gebieden, en tussen deze diensten en de Commissie, te waarborgen.

Artikel 73 O

1. Gedurende een overgangsperiode van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam besluit de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie of op initiatief van een lidstaat, na raadpleging van het Europees Parlement.

2. Na deze periode van vijf jaar:

– besluit de Raad op voorstel van de Commissie; de Commissie neemt ieder verzoek van een lidstaat om indiening van een voorstel bij de Raad in behandeling;

– neemt de Raad met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit teneinde de procedure van artikel 189 B toe te passen op alle onder deze titel vallende gebieden, dan wel delen ervan, en de bepalingen betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie aan te passen.

3. In afwijking van de leden 1 en 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 73 J, punt 2, onder b., i. en iii., na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement aangenomen.

4. In afwijking van lid 2, worden maatregelen als bedoeld in artikel 73 J, punt 2, onder b., ii. en iv., na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam door de Raad aangenomen volgens de procedure van artikel 189 B.

Artikel 73 P

1. Artikel 177 is van toepassing op deze titel onder de volgende omstandigheden en voorwaarden: indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van deze titel of de geldigheid of de uitlegging van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

2. Het Hof van Justitie is in geen geval bevoegd ten aanzien van krachtens artikel 73 J, punt 1, genomen maatregelen of besluiten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde of de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

3. De Raad, de Commissie of een lidstaat kunnen het Hof van Justitie verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van deze titel of van op deze titel gebaseerde handelingen van de instellingen van de Gemeenschap. De door het Hof van Justitie in antwoord op een dergelijk verzoek gegeven uitspraak heeft geen gevolg ten aanzien van vonnissen van nationale rechterlijke instanties die kracht van gewijsde hebben.

Artikel 73 Q

Onverminderd het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn de bepalingen van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland alsmede van het Protocol betreffende de positie van Denemarken op deze titel van toepassing."

16. In artikel 75, lid 1, wordt de inleidende zin vervangen door:

„1. Ter uitvoering van artikel 74 stelt de Raad, met inachtneming van de bijzondere aspecten van het vervoer, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, vast:".

17 In artikel 100 A worden de leden 3, 4 en 5 vervangen door de volgende leden:

„3. De Commissie zal bij haar in lid 1 bedoelde voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaan van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd. Ook het Europees Parlement en de Raad zullen binnen hun respectieve bevoegdheden deze doelstelling trachten te verwezenlijken.

4. Wanneer een lidstaat het, nadat de Raad of de Commissie een harmonisatiemaatregel heeft genomen, noodzakelijk acht nationale bepalingen te handhaven die hun rechtvaardiging vinden in gewichtige eisen als bedoeld in artikel 36 of verband houdend met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu, geeft hij zowel van die bepalingen als van de redenen voor het handhaven ervan, kennis aan de Commissie.

5. Wanneer een lidstaat het na het nemen van een harmonisatiemaatregel door de Raad of de Commissie noodzakelijk acht, nationale bepalingen te treffen die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is genomen, stelt hij de Commissie voorts, onverminderd lid 4, in kennis van de voorgenomen bepalingen en de redenen voor het vaststellen ervan.

6. Binnen zes maanden na de in de leden 4 en 5 bedoelde kennisgevingen keurt de Commissie de betrokken nationale bepalingen goed of wijst die af, nadat zij heeft nagegaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten, of een hinderpaal voor de werking van de interne markt vormen.

Indien de Commissie binnen deze termijn geen besluit neemt, worden de in lid 4 en lid 5 bedoelde nationale bepalingen geacht te zijn goedgekeurd.

Indien het complexe karakter van de aangelegenheid zulks rechtvaardigt en er geen gevaar bestaat voor de gezondheid van de mens, kan de Commissie de betrokken lidstaat ervan in kennis stellen dat de in dit lid bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.

7. Indien een lidstaat krachtens lid 6 gemachtigd is om nationale bepalingen te handhaven of te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, onderzoekt de Commissie onverwijld of er een aanpassing van die maatregel moet worden voorgesteld.

8. Indien een lidstaat een specifiek probleem in verband met volksgezondheid aan de orde stelt op een gebied waarop eerder harmonisatiemaatregelen zijn genomen, brengt hij dit ter kennis van de Commissie die onverwijld onderzoekt of zij passende maatregelen aan de Raad moet voorstellen.

9. In afwijking van de procedure van de artikelen 169 en 170 kan de Commissie of een lidstaat zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden indien zij/hij meent dat een andere lidstaat misbruik maakt van de in dit artikel bedoelde bevoegdheden.

10. Bovenbedoelde harmonisatiemaatregelen omvatten, in passende gevallen, een vrijwaringsclausule die de lidstaten machtigt om, op grond van één of meer van de in artikel 36 bedoelde niet-economische redenen, voorlopige maatregelen te treffen die aan een communautaire toetsingsprocedure worden onderworpen.".

18. De artikelen 100 C en 100 D worden geschrapt.

19. Na titel VI wordt de volgende titel ingevoegd:

„Titel VI A

Werkgelegenheid

Artikel 109 N

De lidstaten en de Gemeenschap streven overeenkomstig deze titel naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, opleiding en aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen teneinde de doelstellingen van artikel B van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van artikel 2 van dit Verdrag te bereiken.

Artikel 109 O

1. De lidstaten dragen door middel van hun werkgelegenheidsbeleid bij tot het bereiken van de in artikel 109 N bedoelde doelstellingen op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel 103, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap.

2. Rekening houdend met nationale gebruiken op het gebied van de verantwoordelijkheden van de sociale partners beschouwen de lidstaten het bevorderen van de werkgelegenheid als een aangelegenheid van gemeenschappelijke zorg en coördineren zij hun maatregelen op dit gebied binnen de Raad, overeenkomstig artikel 109 Q.

Artikel 109 P

1. De Gemeenschap draagt bij tot een hoog werkgelegenheidsniveau door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun maatregelen te steunen en, indien nodig, aan te vullen. De bevoegdheden van de lidstaten worden daarbij geëerbiedigd.

2. Bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en de activiteiten van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau.

Artikel 109 Q

1. De Europese Raad beziet jaarlijks de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en neemt terzake conclusies aan, aan de hand van een gezamenlijk jaarverslag van de Raad en de Commissie.

2. Op basis van de conclusies van de Europese Raad stelt de Raad jaarlijks, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en het in artikel 109 S genoemde comité voor de werkgelegenheid, richtsnoeren op, waarmee de lidstaten in hun werkgelegenheidsbeleid rekening houden. Deze richtsnoeren moeten verenigbaar zijn met de overeenkomstig artikel 103, lid 2, aangenomen globale richtsnoeren.

3. Elke lidstaat legt jaarlijks aan de Raad en aan de Commissie een verslag voor over de belangrijkste maatregelen welke genomen zijn om zijn werkgelegenheidsbeleid ten uitvoer te leggen in het licht van de in lid 2 bedoelde richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

4. Op basis van de in lid 3 bedoelde verslagen en na ontvangst van de adviezen van het comité voor de werkgelegenheid verricht de Raad jaarlijks een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten in het licht van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op aanbeveling van de Commissie, aanbevelingen tot de lidstaten richten indien hij zulks in het licht van dat onderzoek dienstig acht.

5. Op basis van de resultaten van dat onderzoek brengen de Raad en de Commissie jaarlijks gezamenlijk verslag uit aan de Europese Raad over de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap en over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid.

Artikel 109 R

De Raad kan volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, stimuleringsmaatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en hun werkgelegenheidsbeleid te ondersteunen door middel van initiatieven ter ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, verstrekking van vergelijkende analyses en advies, alsmede bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen, in het bijzonder door gebruik te maken van proefprojecten.

Deze maatregelen houden geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten in.

Artikel 109 S

Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad een raadgevend comité voor de werkgelegenheid in teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen. Dit comité heeft tot taak:

– toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en de Gemeenschap;

– onverminderd artikel 151, adviezen uit te brengen, hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, en bij te dragen aan de voorbereiding van de in artikel 109 Q bedoelde werkzaamheden van de Raad.

Voor de vervulling van zijn opdracht raadpleegt het comité de sociale partners.

Elke lidstaat en de Commissie benoemen elk twee leden van het comité.".

20. Aan artikel 113 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, besluiten de toepassing van de leden 1 tot en met 4 uit te breiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom, voor zover deze niet onder die leden vallen.".

21. Na titel VII wordt de volgende titel ingevoegd:

„Titel VII A

Douanesamenwerking

Artikel 116

Binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag neemt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B maatregelen ter versterking van de douanesamenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.".

22. De artikelen 117 tot en met 120 worden vervangen door de volgende artikelen:

„Artikel 117

De Gemeenschap en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde leggen de Gemeenschap en de lidstaten maatregelen ten uitvoer waarin rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Gemeenschap te handhaven.

Zij zijn van mening dat een dergelijke ontwikkeling zal voortvloeien, zowel uit de werking van de gemeenschappelijke markt waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd, als uit de in dit Verdrag bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 118

1. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Gemeenschap ondersteund en aangevuld:

– de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;

– de arbeidsvoorwaarden;

– de informatie en de raadpleging van de werknemers;

– de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel 127;

– de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft.

2. Te dien einde kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften. In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd.

De Raad neemt een besluit volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

De Raad kan volgens dezelfde procedure maatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen teneinde de sociale uitsluiting te bestrijden.

3. Op de volgende gebieden neemt de Raad evenwel, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, een besluit met eenparigheid van stemmen:

– de sociale zekerheid en de sociale bescherming van werknemers;

– de bescherming van werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

– de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 6;

– de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven;

– de financiële bijdragen ter bevordering van de werkgelegenheid en het scheppen van arbeidsplaatsen, onverminderd de bepalingen betreffende het Europees Sociaal Fonds.

4. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de tenuitvoerlegging van de krachtens de leden 2 en 3 vastgestelde richtlijnen.

In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners, uiterlijk op de datum waarop een richtlijn overeenkomstig artikel 189 moet zijn omgezet, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om de in de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen.

5. De uit hoofde van dit artikel vastgestelde bepalingen beletten niet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met dit Verdrag verenigbaar zijn.

6. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.

Artikel 118 A

1. De Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op communautair niveau te bevorderen en treft alle maatregelen die nuttig kunnen zijn om de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen.

2. Daartoe raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van de sociale politiek in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een communautair optreden.

3. Indien de Commissie na deze raadpleging van mening is dat een communautair optreden wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het overwogen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.

4. Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens het in artikel 118 B bedoelde proces in te leiden. De procedure neemt maximaal negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

Artikel 118 B

1. De dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.

2. De tenuitvoerlegging van de op communautair niveau gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder artikel 118 vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie.

De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij de betrokken overeenkomst één of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op één van de in artikel 118, lid 3, genoemde gebieden, in welk geval hij met eenparigheid van stemmen besluit.

Artikel 118 C

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117 en onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle onder dit hoofdstuk vallende gebieden van de sociale politiek, met name op het terrein van:

– de werkgelegenheid,

– het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,

– de beroepsopleiding en de voortgezette vorming,

– de sociale zekerheid,

– de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,

– de arbeidshygiëne,

– het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 119

1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.

2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

  • a. dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;

  • b. dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

3. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité maatregelen aan om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid.

4. Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Artikel 119 A

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

Artikel 120

De Commissie stelt ieder jaar een verslag op over de stand van de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 117, met inbegrip van de demografische situatie in de Gemeenschap. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken inzake de sociale toestand.".

23. Artikel 125 wordt vervangen door:

„Artikel 125

De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de uitvoeringsbesluiten betreffende het Europees Sociaal Fonds vast.".

24. Artikel 127, lid 4, wordt vervangen door:

„4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, maatregelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen van de lidstaten.".

25. Artikel 128, lid 4, wordt vervangen door:

„4. De Gemeenschap houdt bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag rekening met de culturele aspecten, met name om de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen.".

26. Artikel 129 wordt vervangen door:

„Artikel 129

1. Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.

Het optreden van de Gemeenschap, dat een aanvulling vormt op het nationale beleid, is gericht op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Dit optreden omvat de bestrijding van grote bedreigingen van de gezondheid, door het bevorderen van onderzoek naar de oorzaken, de overdracht en de preventie daarvan, alsmede door het bevorderen van gezondheidsvoorlichting en gezondheidsonderwijs.

De Gemeenschap vult het optreden van de lidstaten aan ter vermindering van de schade aan de gezondheid door drugsgebruik, met inbegrip van voorlichting en preventie.

2. De Gemeenschap moedigt samenwerking tussen de lidstaten op de in dit artikel bedoelde gebieden aan en steunt zo nodig hun optreden.

De lidstaten coördineren onderling, in verbinding met de Commissie, hun beleid en programma's op de in lid 1 bedoelde gebieden. De Commissie kan, in nauw contact met de lidstaten, alle dienstige initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen.

3. De Gemeenschap en de lidstaten bevorderen de samenwerking met derde landen en met de inzake volksgezondheid bevoegde internationale organisaties.

4. De Raad draagt volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit artikel door:

  • a. maatregelen aan te nemen waarbij hoge kwaliteits- en veiligheidseisen worden gesteld aan organen en stoffen van menselijke oorsprong, bloed en bloedderivaten; deze maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft;

  • b. in afwijking van artikel 43, maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid;

  • c. stimuleringsmaatregelen aan te nemen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

    De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, ook aanbevelingen aannemen met het oog op de doelstellingen van dit artikel.

5. Bij het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de volksgezondheid worden de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging volledig geëerbiedigd. Met name doen de in lid 4, onder a), bedoelde maatregelen geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake donatie en geneeskundig gebruik van organen en bloed.".

27. Artikel 129 A wordt vervangen door:

„Artikel 129 A

1. Om de belangen van de consumenten te bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, draagt de Gemeenschap bij tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten alsmede tot de bevordering van hun recht op voorlichting en vorming, en hun recht van vereniging om hun belangen te behartigen.

2. Met de eisen ter zake van consumentenbescherming wordt rekening gehouden bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en het optreden van de Gemeenschap op andere gebieden.

3. De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen door middel van:

  • a. maatregelen die zij op grond van artikel 100 A in het kader van de totstandbrenging van de interne markt neemt;

  • b. maatregelen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen, aan te vullen en te controleren.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de maatregelen, bedoeld in lid 3, onder b., aan.

5. De uit hoofde van lid 4 aangenomen maatregelen beletten niet dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming treft of handhaaft. Deze maatregelen moeten verenigbaar zijn met dit Verdrag. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht.".

28. In artikel 129 C, lid 1, eerste alinea, wordt het eerste gedeelte van het derde streepje vervangen door:

„– kan de Gemeenschap steun verlenen aan door de lidstaten gesteunde projecten van gemeenschappelijk belang, die als zodanig zijn aangegeven in het kader van de in het eerste streepje bedoelde richtsnoeren met name in de vorm van uitvoerbaarheidsstudies, garanties voor leningen, of rentesubsidies;".

29. Artikel 129 D wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de eerste alinea wordt vervangen door:

    „De in artikel 129 C, lid 1, bedoelde richtsnoeren en andere maatregelen worden door de Raad vastgesteld volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's.";

  • b. de derde alinea wordt geschrapt.

30. In artikel 130 A wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Gemeenschap stelt zich in het bijzonder ten doel, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen.".

31. In artikel 130 E wordt de eerste alinea vervangen door:

„De toepassingsbesluiten met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling worden door de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's vastgesteld.".

32. In artikel 130 I, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

„1. De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, een meerjarenkaderprogramma vast waarin alle activiteiten van de Gemeenschap zijn opgenomen.".

33. Artikel 130 O wordt vervangen door:

„Artikel 130 O

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de in artikel 130 N bedoelde voorzieningen vast.

De Raad stelt, volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de in de artikelen 130 J, 130 K en 130 L bedoelde voorzieningen vast. Voor de vaststelling van de aanvullende programma's is de goedkeuring van de betrokken lidstaten vereist.".

34. In artikel 130 R wordt lid 2 vervangen door:

„2. De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een communautaire controleprocedure onderworpen zijn.".

35. Artikel 130 S wordt als volgt gewijzigd:

  • a. lid 1 wordt vervangen door:

    „1. De Raad stelt volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's de activiteiten vast die de Gemeenschap moet ondernemen om de doelstellingen van artikel 130 R te verwezenlijken.";

  • b. in lid 2 wordt de inleidende zin vervangen door:

    „2. In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 100 A neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met eenparigheid van stemmen een besluit over:";

  • c. in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door de volgende tekst:

  • „3. Op andere gebieden stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's algemene actieprogramma's vast waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen worden vastgelegd.".

36. Artikel 130 W, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van artikel 130 U te verwezenlijken. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van meerjarenprogramma's.".

37. Aan artikel 137 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.".

38. Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.";

  • b. het volgende lid wordt toegevoegd:

    „4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.".

39. Artikel 151 wordt vervangen door:

„Artikel 151

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Voor de toepassing van artikel 191 A, lid 3, neemt de Raad in dit reglement de voorwaarden op waaronder het publiek toegang heeft tot documenten van de Raad. Voor de toepassing van dit lid omschrijft de Raad de gevallen waarin hij geacht moet worden op te treden als wetgever teneinde in die gevallen een ruimere toegang tot de documenten toe te staan, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van het besluitvormingsproces te behouden. In elk geval maakt de Raad wanneer hij optreedt als wetgever, de uitslag van de stemmingen, alsmede de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen openbaar.".

40. In artikel 158, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

„2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.".

41. In artikel 163 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

„De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.".

42. In artikel 173 wordt de derde alinea vervangen door:

„Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement, de Rekenkamer en de ECB ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.".

43. Artikel 188 C wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

    „De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappenwordt bekendgemaakt.";

  • b. in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.";

  • c. lid 3 wordt vervangen door:

    „3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.".

44. Artikel 189 B wordt vervangen door:

„Artikel 189 B

1. Wanneer in dit Verdrag voor de aanneming van een besluit naar dit artikel wordt verwezen, is de onderstaande procedure van toepassing.

2. De Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

Met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na advies van het Europees Parlement,

– kan de Raad, indien hij alle in het advies van het Europees Parlement vervatte amendementen goedkeurt, het voorgestelde besluit in de aldus geamendeerde versie vaststellen;

– kan de Raad, indien het Europees Parlement geen amendementen voorstelt, het voorgestelde besluit vaststellen;

– stelt de Raad in de andere gevallen een gemeenschappelijk standpunt vast en deelt hij dit mede aan het Europees Parlement. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn gemeenschappelijk standpunt. De Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.

Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling:

  • a. het gemeenschappelijk standpunt goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt het betrokken besluit geacht overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt te zijn aangenomen;

  • b. het gemeenschappelijk standpunt met volstrekte meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen;

  • c. met volstrekte meerderheid van zijn leden amendementen op het gemeenschappelijk standpunt voorstelt, wordt de geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad en aan de Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt.

3. Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement al deze amendementen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedkeurt, wordt het betrokken besluit geacht te zijn aangenomen in de vorm van het aldus geamendeerde gemeenschappelijk standpunt; de Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht. Indien de Raad niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen.

4. Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal vertegenwoordigers van het Europees Parlement en heeft tot taak met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de vertegenwoordigers van het Europees Parlement overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerp-tekst. De Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad nader tot elkaar te brengen. Bij de vervulling van deze taak bestudeert het bemiddelingscomité het gemeenschappelijk standpunt op basis van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen.

5. Wanneer het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad over een termijn van zes weken na deze goedkeuring om het betrokken besluit overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerp-tekst aan te nemen, met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen wat het Europees Parlement betreft, en met gekwalificeerde meerderheid wat de Raad betreft. Wanneer een van de twee instellingen het voorgestelde besluit niet binnen die termijn goedkeurt, wordt het geacht niet te zijn aangenomen.

6. Wanneer het bemiddelingscomité geen gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, wordt het voorgestelde besluit geacht niet te zijn aangenomen.

7. De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd.".

45. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 191 A

1. Iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft recht op toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, volgens de beginselen en onder de voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald.

2. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam bepaalt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B de algemene beginselen en de beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen betreffende dit recht op toegang tot documenten.

3. Elk van bovengenoemde instellingen neemt in haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot haar documenten op.".

46. Aan artikel 198 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.".

47. In artikel 198 A wordt de derde alinea vervangen door:

„De leden van het Comité, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, worden op voordracht van de onderscheiden lidstaten door de Raad met eenparigheid van stemmen voor vier jaar benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Leden van het Comité kunnen niet tegelijkertijd lid zijn van het Europees Parlement.".

48. In artikel 198 B wordt de tweede alinea vervangen door:

„Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.".

49. Artikel 198 C wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de eerste alinea wordt vervangen door:

    „Het Comité van de Regio's wordt door de Raad of door de Commissie geraadpleegd in de door dit Verdrag voorgeschreven gevallen en in alle andere gevallen, in het bijzonder die welke grensoverschrijdende samenwerking betreffen, waarin een van deze beide instellingen zulks wenselijk oordeelt.";

  • b. na de derde alinea wordt de volgende alinea ingevoegd:

    „Het Comité van de Regio's kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.".

50. In artikel 205 wordt de eerste alinea vervangen door:

„De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 209 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.".

51. Artikel 206, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 205 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 188 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.".

52. Artikel 209 A wordt vervangen door:

„Artikel 209 A

1. De Gemeenschap en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten een doeltreffende bescherming moeten bieden.

2. De lidstaten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

3. Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag coördineren de lidstaten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij organiseren daartoe samen met de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten.

4. De Raad neemt volgens de procedure van artikel 189 B, na raadpleging van de Rekenkamer, de nodige maatregelen aan op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, om in de lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. Deze maatregelen hebben geen betrekking op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling.

5. De Commissie brengt in samenwerking met de lidstaten jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de ter uitvoering van dit artikel genomen maatregelen.".

53. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 213 A

1. Onverminderd artikel 5 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank neemt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B maatregelen aan voor de opstelling van statistieken wanneer zulks voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap nodig is.

2. De productie van communautaire statistieken geschiedt op basis van onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, wetenschappelijke onafhankelijkheid, kosteneffectiviteit en statistische geheimhouding; het mag geen buitensporige lasten voor de economische actoren met zich mee brengen.".

54. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 213 B

1. Met ingang van 1 januari 1999 zijn de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens van toepassing op de instellingen en organen die bij of op grond van dit Verdrag zijn opgericht.

2. Vóór de in lid 1 genoemde datum stelt de Raad volgens de procedure van artikel 189 B een onafhankelijk controleorgaan in dat belast is met het toezicht op de toepassing van die besluiten van de Gemeenschap op de instellingen en organen van de Gemeenschap, en neemt hij zo nodig andere bepalingen terzake aan.".

55. Artikel 227, lid 2, wordt vervangen door:

„2. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

Gezien de structurele economische en sociale situatie van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden, die wordt bemoeilijkt door de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van enkele producten, welke factoren door hun blijvende en cumulatieve karakter de ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden, neemt de Raad evenwel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement specifieke maatregelen aan die er met name op gericht zijn de voorwaarden voor de toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van gemeenschappelijk beleid, op deze gebieden vast te stellen.

Bij de aanneming van de in de tweede alinea bedoelde maatregelen houdt de Raad rekening met zaken als het douane- en handelsbeleid, het fiscaal beleid, vrijhandelszones, het landbouw- en visserijbeleid, voorwaarden voor het aanbod van grondstoffen en essentiële consumptiegoederen, staatssteun en de voorwaarden voor toegang tot de structuurfondsen en tot horizontale Gemeenschapsprogramma's.

De Raad neemt de in de tweede alinea bedoelde maatregelen aan, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en beperkingen van de ultraperifere gebieden en zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de communautaire rechtsorde, met inbegrip van de interne markt en het gemeenschappelijk beleid.".

56. Artikel 228 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

    „Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit lid zijn toegekend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, behalve in de gevallen, waarin de Raad, overeenkomstig lid 2, eerste alinea, met eenparigheid van stemmen besluit.";

  • b. lid 2 wordt vervangen door:

    “2. Onder voorbehoud van de aan de Commissie te dezer zake toegekende bevoegdheden, neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie een besluit over de ondertekening, die vergezeld kan gaan van een besluit inzake de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding, en over de sluiting van de akkoorden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van de interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is, alsook wanneer het gaat om akkoorden als bedoeld in artikel 238.

    In afwijking van de in lid 3 vastgestelde voorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing voor een besluit tot opschorting van de toepassing van een akkoord en voor het bepalen van de standpunten die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een op basis van artikel 238 gesloten akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.

    Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van elk besluit uit hoofde van dit lid dat betrekking heeft op de voorlopige toepassing of de opschorting van akkoorden, of de bepaling van het standpunt van de Gemeenschap in een bij een op basis van artikel 238 gesloten akkoord opgericht lichaam.".

57. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 236

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 148, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 148, lid 2.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.".

58. Het Protocol betreffende de sociale politiek en de daaraan gehechte Overeenkomst betreffende de sociale politiek worden ingetrokken.

59. Het Protocol betreffende het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's wordt ingetrokken.

Artikel 3

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. In artikel 10, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

„2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.".

2. In artikel 13 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

„De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.".

3. Aan artikel 20 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.".

4. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.";

  • b. het volgende lid wordt toegevoegd:

    „4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met de goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.".

5. Artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.".

6. In artikel 33 wordt de vierde alinea vervangen door:

„Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement en de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.".

7. Artikel 45 C wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

    „De Rekenkamer legt het Europees Parlement en de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappenwordt bekendgemaakt.";

  • b. in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.";

  • c. lid 3 wordt vervangen door:

    „3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

    De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

    Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.".

8. In artikel 78 quater wordt de eerste alinea vervangen door:

„De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 78 novies vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.".

9. Artikel 78 octies, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 78 quinquies, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 45 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.".

10. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 96

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regeringen van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stemmen van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 28, vierde alinea, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 28, vierde alinea.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.".

Artikel 4

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Aan artikel 107 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderd.".

2. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „3. Het Europees Parlement stelt een ontwerp op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben.";

  • b. het volgende lid wordt toegevoegd:

    „4. Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met de goedkeuring van de Raad die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden.".

3. Artikel 121 wordt vervangen door:

„Artikel 121

1. Een comité, bestaande uit de permanente vertegenwoordigers van de lidstaten, heeft tot taak de werkzaamheden van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte opdrachten uit te voeren. Het comité kan in de in het reglement van orde van de Raad genoemde gevallen procedurebesluiten nemen.

2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.

3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.".

4. In artikel 127, lid 2, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

„2. De regeringen van de lidstaten dragen in onderlinge overeenstemming de persoon voor die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd.

In onderlinge overeenstemming met de voorgedragen voorzitter dragen de regeringen van de lidstaten de overige personen voor die zij voornemens zijn tot leden van de Commissie te benoemen.".

5. In artikel 132 wordt de volgende eerste alinea ingevoegd:

„De Commissie werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter.".

6. In artikel 146 wordt de derde alinea vervangen door:

„Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door het Europees Parlement en de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.".

7. Artikel 160 C wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

    „De Rekenkamer legt aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voor waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, die in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt.";

  • b. in lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

    „2. De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden.";

  • c. lid 3 wordt vervangen door:

    „3. De controle geschiedt aan de hand van stukken, en, zo nodig, ter plaatse bij de overige instellingen van de Gemeenschap, in de gebouwen van alle instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, en in de lidstaten, inclusief in de gebouwen van alle natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen. De controle in de lidstaten geschiedt in samenwerking met de nationale controle-instanties of, indien deze laatste niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in samenwerking met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen en met behoud van hun onafhankelijkheid. Deze instanties en diensten delen aan de Rekenkamer mee of zij voornemens zijn aan de controle deel te nemen.

    De overige instellingen van de Gemeenschap, de instanties die ontvangsten of uitgaven namens de Gemeenschap beheren, de natuurlijke of rechtspersonen die betalingen uit de begroting ontvangen en de nationale controle-instanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, de bevoegde nationale diensten, zenden de Rekenkamer op verzoek alle bescheiden en inlichtingen toe die nodig zijn voor de vervulling van haar taak.

    Ten aanzien van het beheer van de ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap door de Europese Investeringsbank wordt het recht van toegang van de Rekenkamer tot informatie waarover de Bank beschikt, door een regeling tussen de Rekenkamer, de Bank en de Commissie bepaald. Bij ontstentenis van een regeling heeft de Rekenkamer desalniettemin toegang tot de informatie die nodig is voor de controle op de door de Bank beheerde ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap.".

8. Aan artikel 170 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het Economisch en Sociaal Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.".

9. In artikel 179 wordt de eerste alinea vervangen door:

„De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.".

10. Artikel 180 ter, lid 1, wordt vervangen door:

„1. Op aanbeveling van de Raad, die besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, verleent het Europees Parlement aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting. Te dien einde onderzoekt het, na de Raad, de rekeningen en de financiële balans genoemd in artikel 179 bis, het jaarverslag van de Rekenkamer tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen op de opmerkingen van de Rekenkamer, de in artikel 160 C, lid 1, tweede alinea, genoemde verklaring, alsmede de relevante speciale verslagen van de Rekenkamer.".

11. Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 204

1. Wanneer een besluit is genomen tot schorsing van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van een lidstaat overeenkomstig artikel F.1, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, worden deze stemrechten ook geschorst ten aanzien van dit Verdrag.

2. Voorts kan de Raad, wanneer een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen is geconstateerd overeenkomstig artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien. De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen.

De verplichtingen van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat.

3. De Raad kan daarna met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 2 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.

4. De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten zonder rekening te houden met de stemmen van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie. In afwijking van artikel 118, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in artikel 118, lid 2.

Dit lid is ook van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst overeenkomstig lid 1. In dergelijke gevallen wordt een besluit waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist, genomen zonder de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.".

Artikel 5

De aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.

1. Aan artikel 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In geval van wijzigingen in dit artikel dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.".

2. In artikel 6, lid 1, wordt, na het vijfde streepje, het volgende streepje ingevoegd:

„– lid van het Comité van de Regio's;".

3. Artikel 7, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst:

„2. Tot de inwerkingtreding van een eenvormige verkiezingsprocedure of van een procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben en behoudens de overige bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen.".

4. Artikel 11 wordt vervangen door de volgende tekst:

„Tot de inwerkingtreding van de in artikel 7 bedoelde eenvormige procedure of procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben, onderzoekt het Europees Parlement de geloofsbrieven van de vertegenwoordigers. Hiertoe neemt het Europees Parlement nota van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist het over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst.".

5. Artikel 12, lid 1, wordt vervangen door de volgende tekst:

„1. Tot de inwerkingtreding van de in artikel 7 bedoelde eenvormige procedure of procedure gebaseerd op beginselen die alle lidstaten gemeen hebben en behoudens de overige bepalingen van deze akte, voorziet iedere lidstaat in passende procedures om de zetels die tijdens de in artikel 3 bedoelde periode van vijf jaar zijn opengevallen, voor het resterende tijdvak te doen bezetten.".

TWEEDE DEEL

vereenvoudiging

Artikel 6

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met inbegrip van de bijlagen en protocollen, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. De artikelen van het Verdrag

1. In artikel 3, onder a., worden de woorden „de afschaffing" vervangen door „het verbod", worden de woorden „van de douanerechten" vervangen door „op douanerechten" en wordt het lidwoord „de" vóór „douanerechten" en vóór „kwantitatieve" geschrapt.

2. Artikel 7 wordt geschrapt.

3. Artikel 7 A wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de eerste en tweede alinea krijgen een nummer en worden dus lid 1 en lid 2;

  • b. in het nieuwe lid 1 worden de verwijzingen naar de volgende artikelen geschrapt: „7 B", „artikel 70, lid 1," en „en 100 B"; het nieuwe lid 1 luidt dan als volgt:

    „1. De Gemeenschap stelt de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992, overeenkomstig de bepalingen van het onderhavige artikel en van de artikelen 7 C en 28, artikel 57, lid 2, en de artikelen 59, 84, 99 en 100 A, onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag.";

  • c. als lid 3 wordt toegevoegd de tekst van artikel 7 B, lid 2, die als volgt luidt:

    „3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de noodzakelijke beleidslijnen en voorwaarden vast om een evenwichtige vooruitgang in het geheel der betrokken sectoren te garanderen.".

4. Artikel 7 B wordt geschrapt.

5. Artikel 8 B wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 wordt de zinsnede „nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1994 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld" vervangen door „door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen";

  • b. in lid 2, eerste zin, wordt de verwijzing naar „artikel 138, lid 3" vervangen door „artikel 138, lid 4";

  • c. in lid 2, tweede zin, wordt de zinsnede „nadere regelingen die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vóór 31 december 1993 met eenparigheid van stemmen door de Raad worden vastgesteld" vervangen door „door de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement vastgestelde nadere regelingen".

6. In artikel 8 C, tweede zin, worden de woorden „Vóór 31 december 1993 stellen" en „zij" geschrapt en luidt de zin als volgt: „De lidstaten stellen onderling de nodige regels vast en beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.".

7. In artikel 8 E worden de woorden „vóór 31 december 1993 en vervolgens" geschrapt.

8. In artikel 9, lid 2, worden de woorden „hoofdstuk 1, eerste afdeling," vervangen door „artikel 12".

9. In artikel 10 wordt lid 2 geschrapt waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

10. Artikel 11 wordt geschrapt.

11. In Hoofdstuk 1, De douane-unie, wordt het opschrift „Eerste afdeling - Afschaffing van de douanerechten tussen de lidstaten" geschrapt.

12. Artikel 12 wordt vervangen door de volgende tekst:

„Artikel 12

In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard.".

13. De artikelen 13 tot en met 17 worden geschrapt.

14. Het opschrift „Tweede afdeling - Vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief" wordt geschrapt.

15. De artikelen 18 tot en met 27 worden geschrapt.

16. Artikel 28 wordt vervangen door de volgende tekst:

„Artikel 28

De rechten van het gemeenschappelijk douanetarief worden door de Raad vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie.".

17. In de inleidende zin van artikel 29 worden de woorden „dezer afdeling" vervangen door „van dit hoofdstuk".

18. In de titel van hoofdstuk 2 worden de woorden „Afschaffing van de" vervangen door „Verbod op".

19. In artikel 30 worden de woorden „, onverminderd de volgende bepalingen," geschrapt.

20. De artikelen 31, 32 en 33 worden geschrapt.

21. In artikel 34 wordt lid 2 geschrapt waardoor lid 1 ongenummerd overblijft.

22. Artikel 35 wordt geschrapt.

23. In artikel 36 worden de termen „30 tot en met 34" vervangen door „30 en 34".

24. Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1, alinea 1, worden de woorden „geleidelijk" en „aan het einde van de overgangsperiode" geschrapt;

  • b. in lid 2 worden de woorden „de afschaffing der douanerechten en der kwantitatieve beperkingen" vervangen door „het verbod op douanerechten en kwantitatieve beperkingen";

  • c. de leden 3, 5 en 6 worden geschrapt en lid 4 wordt hernummerd tot nieuw lid 3;

  • d. in het nieuwe lid 3 worden de woorden „ gelet op het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie" geschrapt.

25. Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 3, wordt in de eerste zin de verwijzing naar bijlage II vervangen door een verwijzing naar bijlage I en de tweede zin die begint met de woorden „Evenwel, binnen twee jaar na ...", geschrapt.

  • b. in lid 4 worden de woorden „van de lidstaten" geschrapt.

26. Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. lid 1 wordt geschrapt en de leden 2, 3 en 4 worden hernummerd tot nieuwe leden 1, 2 en 3;

  • b. in het nieuwe lid 1, eerste alinea, wordt het woord „zal" vervangen door „wordt" en wordt het woord „worden" geschrapt;

  • c. in het nieuwe lid 2, eerste alinea, wordt de verwijzing naar lid 2 vervangen door een verwijzing naar lid 1;

  • d. in het nieuwe lid 3 wordt de verwijzing naar lid 2 vervangen door een verwijzing naar lid 1.

27. Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 2, derde alinea, worden de woorden „tijdens de eerste twee etappes met eenparigheid en vervolgens" geschrapt;

  • b. in de leden 2 en 3 wordt de verwijzing naar artikel 40, lid 2, vervangen door een verwijzing naar artikel 40, lid 1.

28. De artikelen 44, 45 en 47 worden geschrapt.

29. In artikel 48, lid 1, worden de woorden „vrije", „wordt" en „uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand gebracht" geschrapt; artikel 48, lid 1, wordt als volgt gelezen:

„1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij."

30. Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de inleidende zin worden de woorden „Zodra dit Verdrag in werking treedt, stelt de Raad" vervangen door „De Raad stelt" en wordt het woord „geleidelijk" geschrapt;

  • b. onder b. en c. worden de woorden „volgens plan geleidelijk" geschrapt.

31. Artikel 52, eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de eerste zin worden de woorden „worden de beperkingen ... tijdens de overgangsperiode geleidelijk opgeheven" vervangen door „zijn de beperkingen ... verboden";

  • b. in de tweede zin worden de woorden „Deze geleidelijke opheffing zal eveneens betrekking hebben op ..." vervangen door „Dit verbod heeft eveneens betrekking op ...".

32. Artikel 53 wordt geschrapt.

33. Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. lid 1 wordt geschrapt en de leden 2 en 3 worden hernummerd tot nieuwe leden 1 en 2;

  • b. in het nieuwe lid 1 worden de woorden „Teneinde het algemeen programma uit te voeren of, bij gebreke van dit programma, een etappe af te leggen bij de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid, beslist de Raad" vervangen door de woorden „Teneinde de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken, beslist de Raad ...".

34. In artikel 59, eerste alinea, worden de woorden „worden de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap in de loop van de overgangsperiode geleidelijk opgeheven" vervangen door „zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden".

35. In artikel 61, lid 2, wordt het woord „geleidelijke" geschrapt.

36. Artikel 62 wordt geschrapt.

37. Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. lid 1 wordt geschrapt en de leden 2 en 3 worden hernummerd tot nieuwe leden 1 en 2;

  • b. in het nieuwe lid 1 worden de woorden „Teneinde het algemeen programma uit te voeren of, bij gebreke van dat programma, een etappe af te leggen bij de verwezenlijking van de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst" vervangen door: „Teneinde de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken" en de woorden „vóór het einde van de eerste etappe met eenparigheid en vervolgens" geschrapt; het nieuwe lid 1 wordt dan als volgt gelezen:

    „1. Teneinde de vrijheid tot het verrichten van een bepaalde dienst te verwezenlijken, stelt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité alsook van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen richtlijnen vast.";

  • c. in het nieuwe lid 2 worden de termen „De in de leden 1 en 2 bedoelde voorstellen en besluiten" vervangen door „De in lid 1 bedoelde richtlijnen".

38. In artikel 64, eerste alinea, worden de termen „artikel 63, lid 2" vervangen door „artikel 63, lid 1".

39. De artikelen 67 tot en met 73 A, 73 E en 73 H worden geschrapt.

40. In artikel 75 wordt lid 2 geschrapt en lid 3 wordt hernummerd tot nieuw lid 2.

41. In artikel 76 worden de woorden „bij de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „op 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, op de datum van hun toetreding".

42. Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 worden de woorden „Uiterlijk vóór het einde van de tweede etappe dienen in het verkeer binnen de Gemeenschap de discriminaties te zijn opgeheven" vervangen door „In het verkeer binnen de Gemeenschap dienen de discriminaties te worden opgeheven";

  • b. in lid 3 worden de woorden „binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag" geschrapt.

43. In artikel 80, lid 1, worden de woorden „Met ingang van de tweede etappe is het aan een lidstaat" vervangen door „Het is aan een lidstaat".

44. In artikel 83 worden de woorden „onverminderd de bevoegdheden van de afdeling vervoer van het Economisch en Sociaal Comité" vervangen door „onverminderd de bevoegdheden van het Economisch en Sociaal Comité".

45. In artikel 84, lid 2, worden de termen „artikel 75, leden 1 en 3," vervangen door „artikel 75".

46. In artikel 87 worden de twee alinea's van lid 1 samengevoegd tot één lid met de volgende tekst:

„1. De verordeningen of richtlijnen dienstig voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 85 en 86 worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, vastgesteld.".

47 In artikel 89, lid 1, worden de woorden „, zodra zij in functie is getreden," geschrapt.

48. Na artikel 90 wordt het opschrift „Tweede afdeling - Dumping" geschrapt.

49. Artikel 91 wordt geschrapt.

50. Vóór artikel 92 wordt het opschrift „Derde afdeling" vervangen door „Tweede afdeling".

51. In artikel 92, lid 3, onder c., wordt de tweede zin beginnend met de woorden „Echter worden de op 1 januari 1957 bestaande steunmaatregelen" en eindigend met de woorden „ten aanzien van derde landen," geschrapt en het punt aan het einde van de eerste zin wordt vervangen door een komma.

52. In artikel 95 wordt de derde alinea geschrapt.

53. De artikelen 97 en 100 B worden geschrapt.

54. In artikel 101, tweede alinea, worden de woorden „gedurende de eerste etappe met eenparigheid en daarna" geschrapt.

55. In artikel 109 E, lid 2, onder a., eerste streepje, worden de woorden „onverminderd artikel 73 E," geschrapt.

56. Artikel 109 F wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1, tweede alinea, worden de woorden „op aanbeveling van, naar gelang van het geval, het Comité van Presidenten van de Centrale Banken van de lidstaten (hierna „Comité van Presidenten" te noemen) of de Raad van het EMI" vervangen door „op aanbeveling van de Raad van het EMI".

  • b. in lid 1 wordt de vierde alinea die als volgt luidt: „Het Comité van Presidenten wordt ontbonden aan begin van de tweede fase", geschrapt;

  • c. in lid 8 wordt de tweede alinea die als volgt luidt: „In de gevallen waarin dit Verdrag in een raadgevende rol van het EMI voorziet, wordt vóór 1 januari 1994 Comité van Presidenten gelezen in plaats van EMI", geschrapt.

57. Artikel 112 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1, eerste alinea, worden de woorden „vóór het einde van de overgangsperiode" geschrapt;

  • b. in lid 1, tweede alinea, worden de woorden „De Raad stelt met eenparigheid tot aan het einde van de tweede etappe en met gekwalificeerde meerderheid daarna" vervangen door „De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid".

58. In artikel 129 C, lid 1, eerste alinea, derde streepje, worden de woorden „uiterlijk op 31 december 1993 op te richten Cohesiefonds" vervangen door „opgerichte Cohesiefonds".

59. In artikel 130 D, tweede alinea, worden de woorden „De Raad richt volgens dezelfde procedure uiterlijk op 31 december 1993 een Cohesiefonds op, dat een financiële bijdrage levert" vervangen door „Een door de Raad volgens dezelfde procedure opgericht Cohesiefonds levert een financiële bijdrage".

60. In artikel 130 S, lid 5, tweede streepje, worden de woorden „het Cohesiefonds dat overeenkomstig artikel 130 D uiterlijk op 31 december 1993 wordt opgericht" vervangen door „het overeenkomstig artikel 130 D opgerichte Cohesiefonds".

61. In artikel 130 W, lid 3, wordt de uitdrukking „ACS-EEG-Overeenkomst" vervangen door „ACS-EG-Overeenkomst".

62. In artikel 131, eerste alinea, worden de woorden „België" en „Italië" geschrapt; de verwijzing naar bijlage IV wordt vervangen door een verwijzing naar bijlage II.

63. Artikel 133 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 1 worden de woorden „de algehele afschaffing van" vervangen door „het verbod op", wordt het woord „die" vervangen door „dat" en worden de woorden „geleidelijk plaatsvindt" vervangen door „geldt"; lid 1 wordt dan als volgt gelezen:

„1. De goederen van oorsprong uit de landen en gebieden delen bij invoer in de lidstaten in het verbod op douanerechten dat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag tussen de lidstaten geldt.";

  • b. in lid 2 worden de woorden „worden de" vervangen door „zijn", de woorden „geleidelijk opgeheven" en „de bepalingen van" geschrapt, wordt de verwijzing naar de artikelen 13, 14, 15 en 17 geschrapt en het woord „verboden" ingevoegd; lid 2 wordt dan als volgt gelezen:

„2. Bij invoer in elk land en gebied zijn douanerechten op goederen uit de lidstaten en uit de andere landen en gebieden overeenkomstig artikel 12 verboden.";

  • c. in lid 3, tweede alinea, worden de woorden „De in vorenstaande alinea bedoelde rechten worden echter geleidelijk teruggebracht tot het peil van ..." vervangen door „De in vorenstaande alinea bedoelde rechten mogen het peil van ... , niet te boven gaan."; de tweede zin beginnend met de woorden „De percentages" en eindigend met de woorden „van herkomst uit de Gemeenschap" wordt geschrapt;

  • d. in lid 4 worden de woorden „reeds bij de inwerkingtreding van dit Verdrag" geschrapt.

64. Artikel 136 wordt vervangen door de volgende tekst:

„Artikel 136

De Raad stelt op basis van de in het kader van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in dit Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de landen en gebieden met de Gemeenschap.".

65. Artikel 138 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

  • a. in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 van die Akte ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

    „1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

België25
Denemarken16
Duitsland99
Griekenland25
Spanje64
Frankrijk87
Ierland15
Italië87
Luxemburg 6
Nederland31
Oostenrijk21
Portugal25
Finland16
Zweden22
Verenigd Koninkrijk87.

In geval van wijzigingen in dit lid dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.";

  • b. na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

    „3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.";

  • c. het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 2 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

  • d. lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 2 van dit Verdrag, wordt lid 5.

66. In artikel 158 wordt lid 3 geschrapt.

67. In artikel 166, eerste alinea, tweede zin, worden de woorden „Op de datum van toetreding wordt echter" geschrapt en de woorden „van 1 januari 1995" ingevoegd waardoor de tweede zin als volgt wordt gelezen: „Voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 6 oktober 2000 wordt echter een negende Advocaat-Generaal aangewezen.".

68. In artikel 188 B, lid 3, wordt de tweede alinea die als volgt luidt: „Bij de eerste benoemingen echter worden vier leden van de Rekenkamer, die bij loting worden aangewezen, voor een ambtsperiode van slechts vier jaar benoemd.", geschrapt.

69. In artikel 197 wordt de tweede alinea die begint met de woorden „Het omvat met name ... ", geschrapt.

70. In artikel 207 worden de tweede, de derde, de vierde en de vijfde alinea geschrapt.

71. Op de plaats van artikel 212 wordt de tekst ingevoegd van artikel 24, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; dit nieuwe artikel 212 luidt dan als volgt:

„Artikel 212

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken instellingen, het statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen.".

72. Op de plaats van artikel 218 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben; dit nieuwe artikel 218 luidt dan als volgt:

„Artikel 218

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak. Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Bank, het Europees Monetair Instituut en de Europese Investeringsbank.".

73. In artikel 221 worden de woorden „Binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit Verdrag, verlenen de lidstaten ..." vervangen door „De lidstaten verlenen ...".

74. In artikel 223 worden de leden 2 en 3 samengevoegd en vervangen door de volgende tekst:

„2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie wijzigingen aanbrengen in de lijst van de producten waarop de bepalingen van lid 1, b., van toepassing zijn, die hij op 15 april 1958 heeft vastgesteld.".

75. Artikel 226 wordt geschrapt.

76. Artikel 227 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in lid 3 wordt de verwijzing naar bijlage IV vervangen door een verwijzing naar bijlage II;

  • b. na lid 4 wordt een nieuw lid ingevoegd dat als volgt luidt:

    „5. De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de Åland-eilanden, overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.";

  • c. het oude lid 5 wordt hernummerd tot nieuw lid 6 waarin punt d. betreffende de Åland-eilanden wordt geschrapt; aan het einde van punt c. wordt de punt-komma vervangen door een punt.

77. In artikel 229, eerste alinea, worden de woorden „met de organen van de Verenigde Naties, van hun gespecialiseerde organisaties en van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel" vervangen door „met de organen van de Verenigde Naties en van hun gespecialiseerde organisaties".

78. In artikel 234, eerste alinea, worden de woorden „vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding".

79. Vóór artikel 241 wordt het opschrift „Oprichting van de instellingen" geschrapt.

80. De artikelen 241 tot en met 246 worden geschrapt.

81. Aan artikel 248 wordt de volgende nieuwe alinea toegevoegd:

„Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.".

II. De bijlagen

1. Bijlage I „Lijsten A tot en met G bedoeld in de artikelen 19 en 20 van het Verdrag" wordt geschrapt.

2. Bijlage II „Lijst genoemd in artikel 38 van het Verdrag" wordt hernummerd tot bijlage I en de verwijzing onder nr. ex 22.08 en nr. ex 22.09 naar „bijlage II van het Verdrag" wordt vervangen door een verwijzing naar „bijlage I van het Verdrag".

3. Bijlage III „Lijst van onzichtbare transacties" genoemd in artikel 73 H van het Verdrag" wordt geschrapt.

4. Bijlage IV „Landen en gebieden overzee waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag" wordt hernummerd tot bijlage II. Deze bijlage wordt bijgewerkt en luidt dan als volgt:

„BIJLAGE II

landen en gebieden overzee

waarop toepasselijk zijn de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag

– Groenland

– Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

– Frans Polynesië

– de Franse Zuidelijke en Zuidpool-gebieden

– Wallis-archipel en Futuna-eiland

– Mayotte

– Saint Pierre en Miquelon

– Aruba

– Nederlandse Antillen:

– Bonaire

– Curaçao

– Saba

– Sint Eustatius

– Sint Maarten

– Anguilla

– Caymaneilanden

– Falklandeilanden

– South Georgia en de Zuidelijke Sandwich-eilanden

– Montserrat

– Pitcairn

– St. Helena met onderhorigheden

– Brits Antarctica

– Brits gebied in de Indische Oceaan

– Turks- en Caicoseilanden

– Britse Maagdeneilanden

– Bermuda-eilanden.".

III. De Protocollen en overige akten

1. De volgende protocollen en akten worden geschrapt:

  • a. Het Protocol tot wijziging van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

  • b. Het Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmee samenhangende vraagstukken.

  • c. Het Protocol betreffende enkele bepalingen van belang voor Frankrijk.

  • d. Het Protocol betreffende het Groothertogdom Luxemburg.

  • e. Het Protocol betreffende de regeling toe te passen op de producten vallende onder de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ten aanzien van Algerije en de Overzeese Departementen van de Franse Republiek.

  • f. Het Protocol betreffende de aardolie en sommige derivaten daarvan.

  • g. Het Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden.

  • h. De Toepassingsovereenkomst betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Gemeenschap.

    – Het Protocol betreffende het tariefcontingent voor de invoer van bananen (ex 08.01 van de Naamlijst van Brussel).

    – Het Protocol betreffende het tariefcontingent voor de invoer van ongebrande koffie (ex 09.01 van de Naamlijst van Brussel).

2. Aan het einde van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank wordt de lijst van ondertekenaars geschrapt.

3. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de woorden „HEBBEN te dien einde als hun gevolmachtigden AANGEWEZEN:" en de lijst van Staatshoofden en hun gevolmachtigden worden geschrapt;

  • b. de woorden „DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten," worden geschrapt en de volgende zin begint dan als volgt: „HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke ...";

  • c. aan artikel 3 wordt de aangepaste tekst van artikel 21 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen als nieuwe vierde alinea toegevoegd; deze nieuwe vierde alinea luidt als volgt:

    „De artikelen 12 tot en met 15 en 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van de voorgaande alinea's nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters.";

  • d. artikel 57 wordt geschrapt;

  • e. de woorden „TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld" worden geschrapt;

  • f. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

4. In artikel 40 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank worden de woorden „ dat gehecht is aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben" geschrapt.

5. In artikel 21 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Monetair Instituut worden de woorden „ dat gehecht is aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben" geschrapt.

6. Het Protocol betreffende Italië wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de laatste alinea die begint met de woorden „ERKENNEN in het bijzonder, dat" wordt de verwijzing naar de artikelen 108 en 109 vervangen door een verwijzing naar de artikelen 109 H en 109 I;

  • b. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

7. Het protocol betreffende goederen van oorsprong en van herkomst uit bepaalde landen onderworpen aan een bijzondere regeling bij invoer in een van de lidstaten wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de inleidende zin van punt 1:

    – worden de woorden „bij de inwerkingtreding van het Verdrag" vervangen door „op 1 januari 1958";

    – na de woorden „op de invoer" wordt de dubbele punt geschrapt en de tekst van punt a. toegevoegd, zodat het einde van de inleidende zin nu als volgt luidt:

    – „... op de invoer in de Benelux-landen, van goederen van oorsprong en van herkomst uit Suriname en de Nederlandse Antillen.";

  • b. in punt 1 worden de punten a., b. en c. geschrapt;

  • c. in punt 3 worden de woorden „Vóór het einde van het eerste jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag delen de lidstaten ..." vervangen door „De lidstaten delen ...";

  • d. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

8. Het Protocol betreffende de invoer in de Europese Gemeenschap van in de Nederlandse Antillen geraffineerde aardolieproducten wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de slotformule „TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden, hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld." wordt geschrapt;

  • b. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

9. In het Protocol betreffende de bijzondere regeling van toepassing op Groenland wordt artikel 3 geschrapt.

Artikel 7

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met inbegrip van de bijlagen, protocollen en overige aangehechte akten, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. De artikelen van het Verdrag

1. In artikel 2, lid 2, worden de woorden „in toenemende mate" geschrapt.

2. In artikel 4 worden, in de inleidende zin, de woorden „worden afgeschaft en" geschrapt.

3. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in het eerste streepje worden de woorden „een HOGE AUTORITEIT (hierna ,de Commissie' te noemen)" vervangen door „een COMMISSIE";

  • b. in het tweede streepje worden de woorden „GEMEENSCHAPPELIJKE VERGADERING (hierna ,het Europees Parlement' te noemen)" vervangen door „een EUROPEES PARLEMENT";

  • c. in het derde streepje worden de woorden „een BIJZONDERE RAAD VAN MINISTERS (hierna ,de Raad' te noemen)" vervangen door „een RAAD".

4. In artikel 10 wordt lid 3 geschrapt.

5. In artikel 16 worden de eerste en de tweede alinea geschrapt.

6. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

  • a. in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 van die Akte ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

    „1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

België25
Denemarken16
Duitsland99
Griekenland25
Spanje64
Frankrijk87
Ierland15
Italië87
Luxemburg 6
Nederland31
Oostenrijk21
Portugal25
Finland16
Zweden22
Verenigd Koninkrijk87.

In geval van wijzigingen in dit lid dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.";

  • b. na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

    „3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.";

  • c. het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 3 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

  • d. lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 3 van dit Verdrag, wordt lid 5.

7. In artikel 32 bis, eerste alinea, worden de woorden „vanaf de datum van toetreding" vervangen door „van 1 januari 1995".

8. In artikel 45 B, lid 3, wordt de tweede alinea die begint met de woorden „Bij de eerste benoemingen echter ...", geschrapt.

9. In artikel 50 wordt de aangepaste tekst van de leden 2 en 3, van artikel 20 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, ingevoegd als nieuwe leden 4 en 5; deze nieuwe leden 4 en 5 luiden dan als volgt:

„4. Het gedeelte van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, dat wordt gedekt door de in artikel 49 bedoelde heffingen, wordt vastgesteld op 18 miljoen rekeneenheden.

De Commissie legt elk jaar aan de Raad een verslag voor, op grond waarvan de Raad onderzoekt of er aanleiding bestaat dit bedrag aan te passen aan de ontwikkeling van de begroting der Gemeenschappen. De Raad beslist met de eenparigheid bedoeld in artikel 28, vierde alinea, eerste zin. Deze aanpassing vindt plaats op grondslag van een beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag.

5. Het gedeelte van de heffingen, dat dient ter dekking van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, wordt door de Commissie ter beschikking gesteld voor de tenuitvoerlegging van de begroting volgens het tijdschema dat is opgenomen in de financiële reglementen, vastgesteld krachtens artikel 209, sub b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 183, sub b., van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.".

10. Artikel 52 wordt geschrapt.

11. Op de plaats van artikel 76 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Gemeenschappen gemeen hebben; het nieuwe artikel 76 luidt dan als volgt:

„Artikel 76

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.".

12. Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de tweede zin van de eerste alinea wordt de zinsnede die begint met de woorden „met betrekking tot het Saargebied ..." geschrapt en de puntkomma vervangen door een punt;

  • b. na de eerste alinea wordt een tweede alinea ingevoegd die als volgt luidt:

    „Overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.";

  • c. in de huidige tweede alinea, in het inleidende gedeelte, worden de woorden „In afwijking van de voorgaande alinea" vervangen door „In afwijking van de voorgaande alinea's";

  • d. in de huidige tweede alinea wordt punt d. betreffende de Åland-eilanden geschrapt.

13. In artikel 84 worden de woorden „ van de bijgevoegde protocollen en van de overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen" vervangen door „en van de bijgevoegde protocollen".

14. Artikel 85 wordt geschrapt.

15. In artikel 93 worden de woorden „Organisatie voor Europese economische samenwerking" vervangen door „Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling".

16. In artikel 95, derde alinea, worden de woorden „Na afloop van de overgangsperiode, als voorzien in de overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, kunnen, indien ..." vervangen door „Indien ..." en de woorden „passende wijzigingen" door „kunnen passende wijzigingen".

17. In artikel 97 wordt de tekst „Dit Verdrag wordt gesloten voor een tijdsduur van vijftig jaren, te rekenen van het tijdstip van zijn inwerkingtreding" vervangen door „De geldigheidsduur van dit Verdrag verstrijkt op 23 juli 2002".

II. De tekst van bijlage III „Speciaal staal"

Aan het einde van bijlage III worden de initialen van de gevolmachtigden van de Staatshoofden en Regeringsleiders geschrapt.

III. De protocollen en overige aan het Verdrag gehechte akten

1. De volgende akten worden geschrapt:

  • a. briefwisseling tussen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de regering van de Franse Republiek betreffende het Saargebied;

  • b. overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen.

2. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de titels I en II van het Protocol worden vervangen door de tekst van de titels I en II van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap;

  • b. artikel 56 en het aan dat artikel voorafgaande opschrift „Overgangsbepaling" worden geschrapt;

  • c. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

3. Het Protocol betreffende de betrekkingen met de Raad van Europa wordt als volgt gewijzigd:

  • a. artikel 1 wordt geschrapt;

  • b. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

Artikel 8

Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met inbegrip van de bijlagen en protocollen, wordt gewijzigd overeenkomstig de bepalingen van dit artikel teneinde vervallen bepalingen van dat Verdrag te schrappen en de tekst van sommige bepalingen ervan dienovereenkomstig aan te passen.

I. De artikelen van het Verdrag

1. In artikel 76, tweede alinea, worden de woorden „de inwerkingtreding van het Verdrag" vervangen door „1 januari 1958".

2. In artikel 93, eerste alinea, worden in de inleidende zin de woorden „Een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag schaffen de lidstaten" vervangen door „De lidstaten verbieden"; aan het einde van de inleidende zin wordt het woord „af" geschrapt.

3. De artikelen 94 en 95 worden geschrapt.

4. In artikel 98, tweede alinea, worden de woorden „Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag stelt de Raad" vervangen door „De Raad stelt".

5. Artikel 100 wordt geschrapt.

6. Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de eerste alinea worden de woorden „na de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „na 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, na de datum van hun toetreding,";

  • b. in de tweede alinea worden de woorden „na de inwerkingtreding" vervangen door „na de in de voorgaande alinea bedoelde data" en worden de woorden „door enige persoon of onderneming gesloten worden" vervangen door „door enige persoon of onderneming zijn gesloten".

7. Artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. in de eerste alinea worden de woorden „vóór de inwerkingtreding" vervangen door „vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding,"; aan het einde van deze alinea worden de woorden „na de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „na de genoemde data";

  • b. in de tweede alinea worden de woorden „tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „tussen 25 maart 1957 en 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, tussen de ondertekening van de Toetredingsakte en de datum van hun toetreding,".

8. In artikel 106, eerste alinea, worden de woorden „vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag" vervangen door „vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding,".

9. Artikel 108 wordt als volgt gewijzigd, waarbij artikel 1, artikel 2 zoals gewijzigd bij artikel 5 van dit Verdrag, en artikel 3, lid 1, van de aan het besluit van de Raad van 20 september 1976 gehechte Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, erin worden opgenomen; bijlage II bij die Akte blijft van toepassing:

  • a. in plaats van de leden 1 en 2, die zijn vervallen krachtens artikel 14 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, wordt de tekst van de artikelen 1 en 2 ingevoegd; de nieuwe leden 1 en 2 worden dan als volgt gelezen:

    „1. De vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten worden gekozen door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.

2. Het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers is als volgt vastgesteld:

België25
Denemarken16
Duitsland99
Griekenland25
Spanje64
Frankrijk87
Ierland15
Italië87
Luxemburg 6
Nederland31
Oostenrijk21
Portugal25
Finland16
Zweden22
Verenigd Koninkrijk87.

In geval van wijzigingen in dit lid dient het in elke lidstaat gekozen aantal vertegenwoordigers een passende vertegenwoordiging van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten te waarborgen.";

  • b. na de nieuwe leden 1 en 2 wordt de tekst van artikel 3, lid 1, van bovengenoemde Akte ingevoegd; het nieuwe lid 3 luidt dan als volgt:

    „3. De vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar.";

  • c. het huidige lid 3, zoals gewijzigd bij artikel 4 van dit Verdrag, wordt hernummerd tot lid 4;

  • d. lid 4, zoals toegevoegd bij artikel 4 van dit Verdrag, wordt lid 5.

10. In artikel 127 wordt lid 3 geschrapt.

11. In artikel 138, eerste alinea, worden de woorden „vanaf de datum van toetreding" vervangen door „van 1 januari 1995".

12. In artikel 160 B, lid 3, wordt de tweede alinea die begint met de woorden „Bij de eerste benoemingen echter ...", geschrapt.

13. In artikel 181 worden de tweede, de derde en de vierde alinea geschrapt.

14. Op de plaats van artikel 191 wordt de aangepaste tekst ingevoegd van artikel 28, eerste alinea, van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Gemeenschappen gemeen hebben; het nieuwe artikel 191 luidt dan als volgt:

„Artikel 191

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.".

15. Artikel 198 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. na de tweede alinea wordt een nieuwe derde alinea ingevoegd, die als volgt luidt:

    „Overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.";

  • b. in de huidige derde alinea wordt punt e. betreffende de Åland-eilanden geschrapt en aan het einde van punt d. wordt de punt-komma vervangen door een punt.

16. In artikel 199, eerste alinea, worden de woorden „Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel" vervangen door „Wereldhandelsorganisatie".

17. Titel VI - „Bepalingen met betrekking tot de beginperiode", met inbegrip van Afdeling 1 - „Oprichting van de instellingen", Afdeling 2 - „Bepalingen voor de eerste toepassing van het Verdrag" en Afdeling 3 - „Overgangsbepalingen", alsmede de artikelen 209 tot en met 223 worden geschrapt.

18. Aan artikel 225 wordt de volgende nieuwe alinea toegevoegd:

„Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.".

II. De bijlagen

Bijlage V - „Eerste programma voor onderzoek en onderwijs bedoeld in artikel 215 van het Verdrag", met inbegrip van de tabel „Samenstelling volgens grote stelposten", wordt geschrapt.

III. De Protocollen

1. Het Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden wordt geschrapt.

2. Het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt als volgt gewijzigd:

  • a. de woorden „HEBBEN te dien einde als hun gevolmachtigden AANGEWEZEN" en de lijst van staatshoofden en van hun gevolmachtigden worden geschrapt;

  • b. de woorden „Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten," worden geschrapt en de volgende zin begint dan als volgt: „HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke ...";

  • c. aan artikel 3 wordt de aangepaste tekst van artikel 21 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen als nieuwe vierde alinea toegevoegd; deze nieuwe vierde alinea luidt als volgt:

    „De artikelen 12 tot en met 15 en 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van de voorgaande alinea's nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters";

  • d. artikel 58 wordt geschrapt;

  • e. de woorden „TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld" worden geschrapt;

  • f. de lijst van ondergetekenden wordt geschrapt.

Artikel 9

1. De Overeenkomst van 25 maart 1957 betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben met uitzondering van het in lid 5 bedoelde Protocol, worden ingetrokken, onverminderd de hiernavolgende leden die ertoe strekken de wezenlijke bestanddelen van de bepalingen ervan te behouden.

2. De algemene en bijzondere bevoegdheden welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie toekennen aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan de Commissie, aan het Hof van Justitie en aan de Rekenkamer, worden, overeenkomstig de bepalingen onderscheidenlijk in die Verdragen en in dit artikel gesteld, uitgeoefend door één Europees Parlement, één Raad, één Commissie, één Hof van Justitie en één Rekenkamer.

De taak welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan het Economisch en Sociaal Comité toekennen, wordt onder de voorwaarden onderscheidenlijk in die Verdragen gesteld, vervuld door één Economisch en Sociaal Comité. De bepalingen van de artikelen 193 en 197 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap zijn op dat Comité van toepassing.

3. De ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen maken deel uit van één administratie welke deze Gemeenschappen gemeen hebben en vallen onder de bepalingen die worden aangenomen in toepassing van artikel 212 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

4. De Europese Gemeenschappen genieten, overeenkomstig de bepalingen van het in lid 5 bedoelde Protocol, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak. Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Bank, het Europees Monetair Instituut en de Europese Investeringsbank.

5. In het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen wordt een artikel 23 ingevoegd, overeenkomstig hetgeen was voorzien in het Protocol houdende wijziging van dat Protocol; dit artikel 23 luidt als volgt:

„Artikel 23

Dit protocol is eveneens van toepassing op de Europese Centrale Bank, de leden van haar organen en haar personeel, onverminderd de bepalingen van het protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.

De Europese Centrale Bank wordt bovendien vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing bij de uitbreiding van haar kapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten welke hieraan verbonden zijn in de staat waar de zetel van de Bank gevestigd is. De werkzaamheden van de Bank en van haar organen, uitgeoefend overeenkomstig de statuten van het Europese Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, geven geen aanleiding tot de heffing van omzetbelasting.

Bovengenoemde bepalingen zijn eveneens van toepassing op het Europees Monetair Instituut. De ontbinding of liquidatie ervan brengt geen enkele heffing met zich mee.".

6. De ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap, de administratieve uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de daarop betrekking hebbende ontvangsten en de ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en van de gemeenschappelijke ondernemingen, worden opgevoerd op de begroting van de Europese Gemeenschappen volgens de onderscheiden bepalingen van de Verdragen tot oprichting van deze drie Gemeenschappen.

7. Onverminderd de bepalingen van artikel 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, van artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en van artikel 1, tweede alinea, van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, stellen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in onderling overleg de bepalingen vast die noodzakelijk zijn voor het regelen van bepaalde problemen die eigen zijn aan het Groothertogdom Luxemburg en die voortvloeien uit het instellen van één Raad en één Commissie die de Gemeenschappen gemeen hebben.

Artikel 10

1. Het schrappen of intrekken in dit Deel van vervallen bepalingen en het aanpassen van sommige bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag van Amsterdam, laten de rechtsgevolgen van de bepalingen van de drie eerstgenoemde Verdragen, in het bijzonder de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de daarin gestelde termijnen, en van de bepalingen van de Toetredingsverdragen onverlet.

2. De rechtsgevolgen van de op basis van die Verdragen vastgestelde en van kracht zijnde akten, blijven onverlet.

3. Hetzelfde geldt met betrekking tot het intrekken van de Overeenkomst van 25 maart 1957 betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en van het Verdrag van 8 april 1965 tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben.

Artikel 11

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie betreffende de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn van toepassing op de bepalingen van dit Deel en op het in artikel 9, lid 5, bedoelde Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

DERDE DEEL

algemene en slotbepalingen

Artikel 12

1. De artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij de bepalingen van dit Verdrag, worden hernummerd volgens de concordantietabellen in de bijlage bij dit Verdrag en maken daarvan een integrerend deel uit.

2. De onderlinge verwijzingen naar artikelen, titels en afdelingen in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, alsmede de onderlinge verwijzingen tussen die twee Verdragen, worden dienovereenkomstig aangepast. Hetzelfde geldt voor onderlinge verwijzingen in de andere Gemeenschapsverdragen naar artikelen, titels en afdelingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

3. Verwijzingen in andere instrumenten of akten naar de artikelen, titels en afdelingen van de in lid 2 genoemde Verdragen worden beschouwd als verwijzingen naar die artikelen zoals hernummerd bij lid 1, onderscheidenlijk naar de leden van die artikelen zoals hernummerd bij sommige bepalingen van artikel 6.

4. Verwijzingen in andere rechtshandelingen of akten naar leden van artikelen van de in de artikelen 7 en 8 bedoelde Verdragen worden beschouwd als verwijzingen naar die leden zoals hernummerd bij sommige bepalingen van de voornoemde artikelen 7 en 8.

Artikel 13

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

Artikel 14

1. Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek.

2. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht.

Artikel 15

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Amsterdam, de tweede oktober negentienhonderd zevenennegentig.

Het Verdrag is op 2 oktober 1997 ondertekend voor de volgende Staten:

België

Denemarken

Duitsland

Finland

Frankrijk

Griekenland

Ierland

Italië

het Koninkrijk der Nederlanden

Luxemburg

Oostenrijk

Portugal

Spanje

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Zweden

1) Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Bijlage

Concordantietabellen bedoeld in artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam

A. Verdrag betreffende de Europese Unie

Oude nummeringNieuwe nummering
Titel ITitel I
Artikel AArtikel 1
Artikel BArtikel 2
Artikel CArtikel 3
Artikel DArtikel 4
Artikel EArtikel 5
Artikel FArtikel 6
Artikel F.1(*)Artikel 7
Titel IITitel II
Artikel GArtikel 8
Titel IIITitel III
Artikel HArtikel 9
Titel IVTitel IV
Artikel IArtikel 10
Titel V (***)Titel V
Artikel J.1Artikel 11
Artikel J.2Artikel 12
Artikel J.3Artikel 13
Artikel J.4Artikel 14
Artikel J.5Artikel 15
Artikel J.6Artikel 16
Artikel J.7Artikel 17
Artikel J.8Artikel 18
Artikel J.9Artikel 19
Artikel J.10Artikel 20
Artikel J.11Artikel 21
Artikel J.12Artikel 22
Artikel J.13Artikel 23
Artikel J.14Artikel 24
Artikel J.15Artikel 25
Artikel J.16Artikel 26
Artikel J.17Artikel 27
Artikel J.18Artikel 28
Titel VI (***)Titel VI
Artikel K.1Artikel 29
Artikel K.2Artikel 30
Artikel K.3Artikel 31
Artikel K.4Artikel 32
Artikel K.5Artikel 33
Artikel K.6Artikel 34
Artikel K.7Artikel 35
Artikel K.8Artikel 36
Artikel K.9Artikel 37
Artikel K.10Artikel 38
Artikel K.11Artikel 39
Artikel K.12Artikel 40
Artikel K.13Artikel 41
Artikel K.14Artikel 42
Titel VIa (**)Titel VII
Artikel K.15 (*)Artikel 43
Artikel K.16 (*)Artikel 44
Artikel K.17 (*)Artikel 45
Titel VIITitel VIII
Artikel LArtikel 46
Artikel MArtikel 47
Artikel NArtikel 48
Artikel OArtikel 49
Artikel PArtikel 50
Artikel QArtikel 51
Artikel RArtikel 52
Artikel SArtikel 53

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(***) Titel geherstructureerd bij het Verdrag van Amsterdam.

B. Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Oude nummeringNieuwe nummering
Eerste DeelEerste deel
Artikel 1Artikel 1
Artikel 2Artikel 2
Artikel 3Artikel 3
Artikel 3 AArtikel 4
Artikel 3 BArtikel 5
Artikel 3 C(*)Artikel 6
Artikel 4Artikel 7
Artikel 4 AArtikel 8
Artikel 4 BArtikel 9
Artikel 5Artikel 10
Artikel 5 A(*)Artikel 11
Artikel 6Artikel 12
Artikel 6 A(*)Artikel 13
Artikel 7 (ingetrokken)
Artikel 7 AArtikel 14
Artikel 7 B (ingetrokken)
Artikel 7 CArtikel 15
Artikel 7 D(*)Artikel 16
Tweede DeelTweede Deel
Artikel 8Artikel 17
Artikel 8 AArtikel 18
Artikel 8 BArtikel 19
Artikel 8 CArtikel 20
Artikel 8 DArtikel 21
Artikel 8 EArtikel 22
Derde DeelDerde Deel
Titel ITitel I
Artikel 9Artikel 23
Artikel 10Artikel 24
Artikel 11 (ingetrokken)
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1
Eerste afdeling (geschrapt)
Artikel 12Artikel 25
Artikel 13 (ingetrokken)
Artikel 14 (ingetrokken)
Artikel 15 (ingetrokken)
Artikel 16 (ingetrokken)
Artikel 17 (ingetrokken)
Tweede afdeling (geschrapt)
Artikel 18 (ingetrokken)
Artikel 19 (ingetrokken)
Artikel 20 (ingetrokken)
Artikel 21 (ingetrokken)
Artikel 22 (ingetrokken)
Artikel 23 (ingetrokken)
Artikel 24 (ingetrokken)
Artikel 25 (ingetrokken)
Artikel 26 (ingetrokken)
Artikel 27 (ingetrokken)
Artikel 28Artikel 26
Artikel 29Artikel 27
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 30Artikel 28
Artikel 31 (ingetrokken)
Artikel 32 (ingetrokken)
Artikel 33 (ingetrokken)
Artikel 34Artikel 29
Artikel 35 (ingetrokken)
Artikel 36Artikel 30
Artikel 37Artikel 31
Titel IITitel II
Artikel 38Artikel 32
Artikel 39Artikel 33
Artikel 40Artikel 34
Artikel 41Artikel 35
Artikel 42Artikel 36
Artikel 43Artikel 37
Artikel 44 (ingetrokken)
Artikel 45 (ingetrokken)
Artikel 46Artikel 38
Artikel 47 (ingetrokken)
Titel IIITitel III
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1
Artikel 48Artikel 39
Artikel 49Artikel 40
Artikel 50Artikel 41
Artikel 51Artikel 42
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 52Artikel 43
Artikel 53 (ingetrokken)
Artikel 54Artikel 44
Artikel 55Artikel 45
Artikel 56Artikel 46
Artikel 57Artikel 47
Artikel 58Artikel 48
Hoofdstuk 3Hoofdstuk 3
Artikel 59Artikel 49
Artikel 60Artikel 50
Artikel 61Artikel 51
Artikel 62 (ingetrokken)
Artikel 63Artikel 52
Artikel 64Artikel 53
Artikel 65Artikel 54
Artikel 66Artikel 55
Hoofdstuk 4Hoofdstuk 4
Artikel 67 (ingetrokken)
Artikel 68 (ingetrokken)
Artikel 69 (ingetrokken)
Artikel 70 (ingetrokken)
Artikel 71 (ingetrokken)
Artikel 72 (ingetrokken)
Artikel 73 (ingetrokken)
Artikel 73 A(ingetrokken)
Artikel 73 BArtikel 56
Artikel 73 CArtikel 57
Artikel 73 DArtikel 58
Artikel 73 E (ingetrokken)
Artikel 73 FArtikel 59
Artikel 73 GArtikel 60
Artikel 73 H (ingetrokken)
Titel IIIA(**)Titel IV
Artikel 73 I(*)Artikel 61
Artikel 73 J(*)Artikel 62
Artikel 73 K(*)Artikel 63
Artikel 73 L(*)Artikel 64
Artikel 73 M(*)Artikel 65
Artikel 73 N(*)Artikel 66
Artikel 73 O(*)Artikel 67
Artikel 73 P(*)Artikel 68
Artikel 73 Q(*)Artikel 69
Titel IVTitel V
Artikel 74Artikel 70
Artikel 75Artikel 71
Artikel 76Artikel 72
Artikel 77Artikel 73
Artikel 78Artikel 74
Artikel 79Artikel 75
Artikel 80Artikel 76
Artikel 81Artikel 77
Artikel 82Artikel 78
Artikel 83Artikel 79
Artikel 84Artikel 80
Titel VTitel VI
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1
Eerste afdelingEerste afdeling
Artikel 85Artikel 81
Artikel 86Artikel 82
Artikel 87Artikel 83
Artikel 88Artikel 84
Artikel 89Artikel 85
Artikel 90Artikel 86
Tweede afdeling (geschrapt)
Artikel 91 (ingetrokken)
Derde afdelingTweede afdeling
Artikel 92Artikel 87
Artikel 93Artikel 88
Artikel 94Artikel 89
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 95Artikel 90
Artikel 96Artikel 91
Artikel 97 (ingetrokken)
Artikel 98Artikel 92
Artikel 99Artikel 93
Hoofdstuk 3Hoofdstuk 3
Artikel 100Artikel 94
Artikel 100 AArtikel 95
Artikel 100 B (ingetrokken)
Artikel 100 C (ingetrokken)
Artikel 100 D (ingetrokken)
Artikel 101Artikel 96
Artikel 102Artikel 97
Titel VITitel VII
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1
Artikel 102 AArtikel 98
Artikel 103Artikel 99
Artikel 103 AArtikel 100
Artikel 104Artikel 101
Artikel 104 AArtikel 102
Artikel 104 BArtikel 103
Artikel 104 CArtikel 104
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 105Artikel 105
Artikel 105 AArtikel 106
Artikel 106Artikel 107
Artikel 107Artikel 108
Artikel 108Artikel 109
Artikel 108 AArtikel 110
Artikel 109Artikel 111
Hoofdstuk 3Hoofdstuk 3
Artikel 109 AArtikel 112
Artikel 109 BArtikel 113
Artikel 109 CArtikel 114
Artikel 109 DArtikel 115
Hoofdstuk 4Hoofdstuk 4
Artikel 109 EArtikel 116
Artikel 109 FArtikel 117
Artikel 109 GArtikel 118
Artikel 109 HArtikel 119
Artikel 109 IArtikel 120
Artikel 109 JArtikel 121
Artikel 109 KArtikel 122
Artikel 109 LArtikel 123
Artikel 109 MArtikel 124
Titel VIA(**)Titel VIII
Artikel 109 N(*)Artikel 125
Artikel 109 O(*)Artikel 126
Artikel 109 P(*)Artikel 127
Artikel 109 Q(*)Artikel 128
Artikel 109 R(*)Artikel 129
Artikel 109 S(*)Artikel 130
Titel VIITitel IX
Artikel 110Artikel 131
Artikel 111 (ingetrokken)
Artikel 112Artikel 132
Artikel 113Artikel 133
Artikel 114 (ingetrokken)
Artikel 115Artikel 134
Titel VIIA(**)Titel X
Artikel 116Artikel 135
Titel VIIITitel XI
Hoofdstuk 1(****)Hoofdstuk 1
Artikel 117Artikel 136
Artikel 118Artikel 137
Artikel 118 AArtikel 138
Artikel 118 BArtikel 139
Artikel 118 CArtikel 140
Artikel 119Artikel 141
Artikel 119 AArtikel 142
Artikel 120Artikel 143
Artikel 121Artikel 144
Artikel 122Artikel 145
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 123Artikel 146
Artikel 124Artikel 147
Artikel 125Artikel 148
Hoofdstuk 3Hoofdstuk 3
Artikel 126Artikel 149
Artikel 127Artikel 150
Titel IXTitel XII
Artikel 128Artikel 151
Titel XTitel XIII
Artikel 129Artikel 152
Titel XITitel XIV
Artikel 129 AArtikel 153
Titel XIITitel XV
Artikel 129 BArtikel 154
Artikel 129 CArtikel 155
Artikel 129 DArtikel 156
Titel XIIITitel XVI
Artikel 130Artikel 157
Titel XIVTitel XVII
Artikel 130 AArtikel 158
Artikel 130 BArtikel 159
Artikel 130 CArtikel 160
Artikel 130 DArtikel 161
Artikel 130 EArtikel 162
Titel XVTitel XVIII
Artikel 130 FArtikel 163
Artikel 130 GArtikel 164
Artikel 130 HArtikel 165
Artikel 130 IArtikel 166
Artikel 130 JArtikel 167
Artikel 130 KArtikel 168
Artikel 130 LArtikel 169
Artikel 130 MArtikel 170
Artikel 130 NArtikel 171
Artikel 130 OArtikel 172
Artikel 130 PArtikel 173
Artikel 130 Q (ingetrokken)
Titel XVITitel XIX
Artikel 130 RArtikel 174
Artikel 130 SArtikel 175
Artikel 130 TArtikel 176
Titel XVIITitel XX
Artikel 130 UArtikel 177
Artikel 130 VArtikel 178
Artikel 130 WArtikel 179
Artikel 130 XArtikel 180
Artikel 130 YArtikel 181
Vierde DeelVierde Deel
Artikel 131Artikel 182
Artikel 132Artikel 183
Artikel 133Artikel 184
Artikel 134Artikel 185
Artikel 135Artikel 186
Artikel 136Artikel 187
Artikel 136 AArtikel 188
Vijfde DeelVijfde Deel
Titel ITitel I
Hoofdstuk 1Hoofdstuk 1
Eerste afdelingEerste afdeling
Artikel 137Artikel 189
Artikel 138Artikel 190
Artikel 138 AArtikel 191
Artikel 138 BArtikel 192
Artikel 138 CArtikel 193
Artikel 138 DArtikel 194
Artikel 138 EArtikel 195
Artikel 139Artikel 196
Artikel 140Artikel 197
Artikel 141Artikel 198
Artikel 142Artikel 199
Artikel 143Artikel 200
Artikel 144Artikel 201
Tweede afdelingTweede afdeling
Artikel 145Artikel 202
Artikel 146Artikel 203
Artikel 147Artikel 204
Artikel 148Artikel 205
Artikel 149 (ingetrokken)
Artikel 150Artikel 206
Artikel 151Artikel 207
Artikel 152Artikel 208
Artikel 153Artikel 209
Artikel 154Artikel 210
Derde afdelingDerde afdeling
Artikel 155Artikel 211
Artikel 156Artikel 212
Artikel 157Artikel 213
Artikel 158Artikel 214
Artikel 159Artikel 215
Artikel 160Artikel 216
Artikel 161Artikel 217
Artikel 162Artikel 218
Artikel 163Artikel 219
Vierde afdelingVierde afdeling
Artikel 164Artikel 220
Artikel 165Artikel 221
Artikel 166Artikel 222
Artikel 167Artikel 223
Artikel 168Artikel 224
Artikel 168 AArtikel 225
Artikel 169Artikel 226
Artikel 170Artikel 227
Artikel 171Artikel 228
Artikel 172Artikel 229
Artikel 173Artikel 230
Artikel 174Artikel 231
Artikel 175Artikel 232
Artikel 176Artikel 233
Artikel 177Artikel 234
Artikel 178Artikel 235
Artikel 179Artikel 236
Artikel 180Artikel 237
Artikel 181Artikel 238
Artikel 182Artikel 239
Artikel 183Artikel 240
Artikel 184Artikel 241
Artikel 185Artikel 242
Artikel 186Artikel 243
Artikel 187Artikel 244
Artikel 188Artikel 245
Vijfde afdelingVijfde afdeling
Artikel 188 AArtikel 246
Artikel 188 BArtikel 247
Artikel 188 CArtikel 248
Hoofdstuk 2Hoofdstuk 2
Artikel 189Artikel 249
Artikel 189 AArtikel 250
Artikel 189 BArtikel 251
Artikel 189 CArtikel 252
Artikel 190Artikel 253
Artikel 191Artikel 254
Artikel 191 A(*)Artikel 255
Artikel 192Artikel 256
Hoofdstuk 3Hoofdstuk 3
Artikel 193Artikel 257
Artikel 194Artikel 258
Artikel 195Artikel 259
Artikel 196Artikel 260
Artikel 197Artikel 261
Artikel 198Artikel 262
Hoofdstuk 4Hoofdstuk 4
Artikel 198 AArtikel 263
Artikel 198 BArtikel 264
Artikel 198 CArtikel 265
Hoofdstuk 5Hoofdstuk 5
Artikel 198 DArtikel 266
Artikel 198 EArtikel 267
Titel IITitel II
Artikel 199Artikel 268
Artikel 200 (ingetrokken)
Artikel 201Artikel 269
Artikel 201 AArtikel 270
Artikel 202Artikel 271
Artikel 203Artikel 272
Artikel 204Artikel 273
Artikel 205Artikel 274
Artikel 205 bisArtikel 275
Artikel 206Artikel 276
Artikel 206 A (ingetrokken)
Artikel 207Artikel 277
Artikel 208Artikel 278
Artikel 209Artikel 279
Artikel 209 AArtikel 280
Zesde deelZesde deel
Artikel 210Artikel 281
Artikel 211Artikel 282
Artikel 212(*)Artikel 283
Artikel 213Artikel 284
Artikel 213 A(*)Artikel 285
Artikel 213 B(*)Artikel I.
Artikel 214Artikel II.
Artikel 215Artikel III.
Artikel 216Artikel IV.
Artikel 217Artikel V.
Artikel 218(*)Artikel VI.
Artikel 219Artikel VII.
Artikel 220Artikel VIII.
Artikel 221Artikel IX.
Artikel 222Artikel X.
Artikel 223Artikel XI.
Artikel 224Artikel XII.
Artikel 225Artikel XIII.
Artikel 226 (ingetrokken)
Artikel 227Artikel XIV.
Artikel 228Artikel XV.
Artikel 228 AArtikel XVI.
Artikel 229Artikel XVII.
Artikel 230Artikel XVIII.
Artikel 231Artikel XIX.
Artikel 232Artikel XX.
Artikel 233Artikel XXI.
Artikel 234Artikel XXII.
Artikel 235Artikel XXIII.
Artikel 236(*)Artikel XXIV.
Artikel 237 (ingetrokken)
Artikel 238Artikel 310
Artikel 239Artikel 286
Artikel 240Artikel 287
Artikel 241 (ingetrokken)
Artikel 242 (ingetrokken)
Artikel 243 (ingetrokken)
Artikel 244 (ingetrokken)
Artikel 245 (ingetrokken)
Artikel 246 (ingetrokken)
SlotbepalingenSlotbepalingen
Artikel 247Artikel 288
Artikel 248Artikel 289

(*) Nieuw artikel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(**) Nieuwe titel ingevoegd bij het Verdrag van Amsterdam.

(***) Titel geherstructureerd bij het Verdrag van Amsterdam.

(****) Hoofdstuk 1 geherstructureerd bij het Verdrag van Amsterdam.


Protocollen

A. Protocol gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie

Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Indachtig de noodzaak om de bepalingen van artikel J.7, lid 1, tweede alinea, en lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie volledig uit te voeren,

Indachtig het feit dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel J.7 het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gehecht:

De Europese Unie ontwikkelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam dit protocol samen met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking.


B. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Protocol tot opneming van het Schengen-Acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Constaterend dat de door sommige lidstaten van de Europese Unie op 14 juni 1985 en 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomsten inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, alsmede de daarmee samenhangende overeenkomsten en de op grond ervan vastgestelde voorschriften, erop gericht zijn de Europese integratie te bevorderen en met name de Europese Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

Geleid door de wens de bovenvermelde overeenkomsten en voorschriften in het kader van de Europese Unie op te nemen,

Bevestigend dat de bepalingen van het Schengen-acquis slechts van toepassing zijn indien en voor zover zij verenigbaar zijn met het Unie- en het Gemeenschapsrecht,

Rekening houdend met de bijzondere positie van Denemarken,

In aanmerking nemend dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland geen partijen bij, noch ondertekenaars van bovengenoemde overeenkomsten zijn; dat deze lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden geboden sommige of alle daarin vervatte bepalingen te aanvaarden,

Erkennend dat het bijgevolg noodzakelijk is gebruik te maken van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die betrekking hebben op nauwere samenwerking tussen sommige lidstaten en dat die bepalingen uitsluitend als laatste hulpmiddel moeten worden gebruikt,

In aanmerking nemend dat het noodzakelijk is geprivilegieerde betrekkingen in stand te houden met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die beide hun voornemen hebben bevestigd om, op basis van de op 19 december 1996 in Luxemburg ondertekende Overeenkomst, door de hierboven bedoelde bepalingen gebonden te worden,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

Artikel 1

Het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, partijen bij de Schengen-overeenkomsten, worden gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan binnen de werkingssfeer van die overeenkomsten en de daarmee samenhangende bepalingen, zoals opgesomd in de bijlage bij dit protocol, hierna het Schengen-acquis te noemen. Deze samenwerking vindt plaats binnen het institutionele en juridische kader van de Europese Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Artikel 2

1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam en onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel, is het Schengen-acquis, met inbegrip van de besluiten van het bij de overeenkomsten van Schengen opgerichte Uitvoerend Comité die vóór die datum zijn aangenomen, met onmiddellijke ingang van toepassing op de dertien in artikel 1 genoemde lidstaten. Vanaf dezelfde datum treedt de Raad in de plaats van het Uitvoerend Comité.

De Raad neemt met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden alle nodige maatregelen om uitvoering te geven aan dit lid. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen, de rechtsgrondslag vast voor elk van de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen.

Ten aanzien van dergelijke bepalingen en besluiten en in overeenstemming met die vaststelling oefent het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de bevoegdheden uit die het bij de desbetreffende toepasselijke bepalingen van de Verdragen zijn verleend. Het Hof van Justitie is in geen geval bevoegd ten aanzien van maatregelen of besluiten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid.

Zolang bovengenoemde maatregelen niet zijn genomen en onverminderd artikel 5, lid 2, worden de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen, geacht te zijn gebaseerd op titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

2. Het bepaalde in lid 1 is op de lidstaten die Protocollen betreffende de toetreding tot de Schengen-overeenkomsten hebben ondertekend van toepassing vanaf de data die de Raad met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden vaststelt, tenzij aan de voorwaarden voor toetreding van een staat tot het Schengen-acquis is voldaan voordat het Verdrag van Amsterdam in werking treedt.

Artikel 3

Na de vaststelling bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, behoudt Denemarken met betrekking tot de onderdelen van het Schengen-acquis die hun rechtsgrondslag in titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hebben, dezelfde rechten en verplichtingen ten opzichte van de andere ondertekenende partijen van de Schengen-overeenkomsten als vóór genoemde vaststelling.

Met betrekking tot de onderdelen van het Schengen-acquis die hun rechtsgrondslag in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie hebben, behoudt Denemarken dezelfde rechten en verplichtingen als de andere ondertekenende partijen van de Schengen-overeenkomsten.

Artikel 4

Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die niet door het Schengen-acquis gebonden zijn, kunnen te allen tijde verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van dit acquis deel te nemen.

De Raad neemt een besluit over dit verzoek met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden en van de vertegenwoordiger van de regering van de betrokken staat.

Artikel 5

1. Voorstellen en initiatieven om voort te bouwen op het Schengen-acquis vallen onder de toepasselijke bepalingen van de Verdragen.

Wanneer Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide de Voorzitter van de Raad niet binnen een redelijke termijn schriftelijk hebben meegedeeld dat zij wensen deel te nemen, wordt de in artikel 5 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of artikel K.12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde machtiging in dit verband geacht te zijn verleend aan de in artikel 1 genoemde lidstaten, en aan Ierland of het Verenigd Koninkrijk indien een van beide aan de samenwerking op de gebieden in kwestie wenst deel te nemen.

2. De in de eerste alinea van lid 1 bedoelde toepasselijke bepalingen van de Verdragen zijn ook van toepassing indien de Raad de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde maatregelen niet heeft aangenomen.

Artikel 6

De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering van het Schengen-acquis en de verdere ontwikkeling ervan op basis van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst. Te dien einde worden passende procedures overeengekomen in een overeenkomst die de Raad, met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden, met die staten sluit. In die overeenkomst worden bepalingen opgenomen inzake de bijdrage van IJsland en Noorwegen in de kosten die aan de uitvoering van dit Protocol zijn verbonden.

De Raad sluit, met eenparigheid van stemmen, met IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op gebieden van het Schengen-acquis die op deze staten van toepassing zijn.

Artikel 7

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast op welke wijze het Schengen-Secretariaat in het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgenomen.

Artikel 8

Voor de onderhandelingen over de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie worden het Schengen-acquis en de verdere maatregelen die de instellingen binnen de werkingssfeer van dat acquis nemen, beschouwd als een acquis dat door alle staten die kandidaat zijn voor toetreding volledig moet worden aanvaard.


Bijlage

Schengen-Acquis

1. Het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.

2. De op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, met bijbehorende slotakte en gemeenschappelijke verklaringen.

3. De protocollen en overeenkomsten inzake de toetreding tot het Akkoord van 1985 en de Uitvoeringsovereenkomst van 1990, die zijn gesloten met Italië (ondertekend te Parijs, op 27 november 1990), Spanje en Portugal (ondertekend te Bonn, op 25 juni 1991), Griekenland (ondertekend te Madrid, op 6 november 1992), Oostenrijk (ondertekend te Brussel, op 28 april 1995) en Denemarken, Finland en Zweden (ondertekend te Luxemburg, op 19 december 1996), met de bijbehorende slotakten en verklaringen.

4. De besluiten en verklaringen die zijn aangenomen door het bij de Uitvoeringsovereenkomst van 1990 ingestelde Uitvoerend Comité, alsook besluiten die ten behoeve van de uitvoering van de Overeenkomst zijn genomen door de instanties waaraan het Uitvoerend Comité bevoegdheden op het gebied van besluitvorming heeft verleend.


Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen,

Gelet op het feit dat tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland al sedert vele jaren bijzondere reisregelingen bestaan,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

Artikel 1

Onverminderd artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de andere bepalingen van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de uit hoofde van deze Verdragen aangenomen maatregelen en de internationale overeenkomsten die door de Gemeenschap of door de Gemeenschap en haar lidstaten met één of meer derde staten zijn gesloten, heeft het Verenigd Koninkrijk het recht aan zijn grenzen met andere lidstaten ten aanzien van personen die het Verenigd Koninkrijk wensen binnen te komen de controles te verrichten die het nodig acht om:

  • a. het recht op binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk te verifiëren van burgers van staten die verdragsluitende partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en hun gezinsleden die bij het Gemeenschapsrecht verleende rechten uitoefenen, alsmede van burgers van andere staten aan wie dergelijke rechten zijn toegekend bij een overeenkomst waardoor het Verenigd Koninkrijk gebonden is; en

  • b. te bepalen of aan andere personen al dan niet toelating wordt verleend om het Verenigd Koninkrijk binnen te komen.

    Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan het recht van het Verenigd Koninkrijk om dergelijke controles in te voeren of uit te oefenen. Onder het Verenigd Koninkrijk worden in dit artikel ook de grondgebieden verstaan waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van het Verenigd Koninkrijk vallen.

Artikel 2

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen onderling regelingen blijven treffen betreffende het personenverkeer tussen hun grondgebieden („het gemeenschappelijk reisgebied" of „the Common Travel Area"), met volledige inachtneming van de rechten van de in artikel 1, eerste alinea, onder a), van dit Protocol bedoelde personen. Zolang zij dergelijke regelingen handhaven, zijn de bepalingen van artikel 1 van dit Protocol derhalve van toepassing op Ierland op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als op het Verenigd Koninkrijk. Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan deze regelingen.

Artikel 3

De andere lidstaten hebben het recht aan hun grenzen of op enig punt van binnenkomst op hun grondgebied voor de in artikel 1 van dit Protocol aangegeven doeleinden dergelijke controles te verrichten op personen die hun grondgebied wensen binnen te komen vanuit het Verenigd Koninkrijk, of enig ander grondgebied waarvan de externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van dit land vallen, dan wel vanuit Ierland, zolang de bepalingen van artikel 1 van dit Protocol op Ierland van toepassing zijn.

Niets in artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of in een andere bepaling van dat Verdrag of van het Verdrag betreffende de Europese Unie of in een uit hoofde daarvan aangenomen maatregel doet afbreuk aan het recht van de overige lidstaten om dergelijke controles in te voeren of te verrichten.


Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens bepaalde vraagstukken met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland te regelen,

Gelet op Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

Artikel 1

Onder voorbehoud van artikel 3 nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorgestelde maatregelen. In afwijking van artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt de gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2. Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en van Ierland.

Artikel 2

Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de overeenkomstig die titel aangenomen maatregelen, de bepalingen in door de Gemeenschap overeenkomstig die titel gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van deze staten onverlet; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het op het Verenigd Koninkrijk en Ierland van toepassing zijnde acquis communautaire onverlet en maken geen deel uit van het op die staten van toepassing zijnde Gemeenschapsrecht.

Artikel 3

1. Binnen een termijn van drie maanden na de indiening van een voorstel of een initiatief bij de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Voorzitter van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van de voorgestelde maatregel, waarna deze staten daartoe gerechtigd zijn. In afwijking van artikel 148, lid 2, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad, als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2.

Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de leden die geen kennisgeving hebben gedaan. Een overeenkomstig dit lid aangenomen maatregel is bindend voor alle lidstaten die aan de aanneming ervan hebben deelgenomen.

2. Indien na een redelijke termijn een maatregel als bedoeld in lid 1 niet met deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland kan worden aangenomen, kan de Raad deze maatregel overeenkomstig artikel 1 aannemen zonder de deelneming van het Verenigd Koninkrijk of Ierland. In dat geval is artikel 2 van toepassing.

Artikel 4

Na de aanneming van een maatregel door de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de Raad en de Commissie er te allen tijde van in kennis stellen dat zij die maatregel wensen te aanvaarden. In dat geval is de procedure van artikel 5 A, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 5

Voor een lidstaat die niet gebonden is door een overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aangenomen maatregel, mag deze maatregel geen andere financiële gevolgen hebben dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de instellingen.

Artikel 6

Indien het Verenigd Koninkrijk of Ierland in gevallen als bedoeld in dit Protocol gebonden is door een door de Raad overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aangenomen maatregel, zijn de desbetreffende bepalingen van dat Verdrag, met inbegrip van artikel 73 P, in verband met die maatregel van toepassing op de staat in kwestie.

Artikel 7

De artikelen 3 en 4 laten het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie onverlet.

Artikel 8

Ierland kan de Voorzitter van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat het niet langer onder de bepalingen van dit Protocol wenst te vallen. In dat geval zijn de normale Verdragsbepalingen van toepassing op Ierland.


Protocol betreffende de positie van Denemarken

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Herinnerend aan het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad bijeen op 12 december 1992 in Edinburgh, betreffende bepaalde problemen die Denemarken met betrekking tot het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de orde heeft gesteld,

Kennis genomen hebbend van de positie van Denemarken met betrekking tot het burgerschap, de Economische en Monetaire Unie, het defensiebeleid en justitie en binnenlandse zaken zoals neergelegd in het besluit van Edinburgh,

Indachtig artikel 3 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie worden gehecht:

DEEL I

Artikel 1

Denemarken neemt niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorgestelde maatregelen. In afwijking van artikel 148, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt een gekwalificeerde meerderheid omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als is vastgelegd in het voornoemde artikel 148, lid 2. Voor besluiten van de Raad die met eenparigheid van stemmen moeten worden aangenomen, is eenparigheid van de leden van de Raad vereist, met uitzondering van de vertegenwoordiger van de Regering van Denemarken.

Artikel 2

De bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de overeenkomstig die titel aangenomen maatregelen, de bepalingen in door de Gemeenschap overeenkomstig die titel gesloten overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie ter uitlegging van deze bepalingen of maatregelen zijn niet bindend voor noch van toepassing in Denemarken; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van Denemarken onverlet; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten het op Denemarken van toepassing zijnde acquis communautaire onverlet en maken geen deel uit van het op die staat van toepassing zijnde Gemeenschapsrecht.

Artikel 3

Voor Denemarken hebben de in artikel 1 bedoelde maatregelen geen andere financiële gevolgen dan de ermee gepaard gaande administratieve kosten voor de instellingen.

Artikel 4

De artikelen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum of op maatregelen betreffende een uniform visummodel.

Artikel 5

1. Denemarken beslist binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad een besluit heeft genomen over een voorstel of een initiatief tot uitwerking van het Schengen-acquis uit hoofde van de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, of het dit besluit in zijn nationale wetgeving zal omzetten. Indien Denemarken daartoe besluit, wordt daarmee een verplichting volgens internationaal recht geschapen tussen Denemarken en de andere lidstaten die genoemd worden in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, alsmede Ierland en het Verenigd Koninkrijk indien die lidstaten deelnemen aan de betrokken onderdelen van de samenwerking.

2. Indien Denemarken beslist een besluit van de Raad als bedoeld in lid 1 niet in zijn nationale wetgeving om te zetten, overwegen de lidstaten die genoemd worden in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, welke passende maatregelen moeten worden genomen.

DEEL II

Artikel 6

Wat betreft de maatregelen die door de Raad worden aangenomen op het gebied van artikel J.3, lid 1, en artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, maar het zal de ontwikkeling van nauwere samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied niet belemmeren. Daarom zal Denemarken niet deelnemen aan de aanneming van die besluiten en acties. Denemarken is niet verplicht bij te dragen aan de financiering van operationele uitgaven in verband met dergelijke maatregelen.

DEEL III

Artikel 7

Denemarken kan te allen tijde, overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen, de andere lidstaten mededelen dat het niet langer een beroep wenst te doen op dit Protocol in zijn geheel of op gedeelten ervan. In dat geval zal Denemarken alle geldende desbetreffende maatregelen die in het kader van de Europese Unie zijn genomen, volledig toepassen.


C. Protocollen gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen

Overwegende dat in artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald dat de Unie de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, eerbiedigt,

Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is om te waarborgen dat de Europese Gemeenschap de wet naleeft bij de uitlegging en toepassing van artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Overwegende dat krachtens artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie elke Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel F, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde beginselen dient te eerbiedigen,

In aanmerking nemend dat bij artikel 236 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een regeling wordt ingesteld voor de schorsing van bepaalde rechten in geval van een ernstige en voortdurende schending van die beginselen door een lidstaat,

Eraan herinnerend dat iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie, een bijzondere status en bescherming geniet die door de lidstaten wordt gegarandeerd in overeenstemming met de bepalingen in het Tweede Deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

In aanmerking nemend dat bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een ruimte zonder binnengrenzen tot stand wordt gebracht en aan iedere burger van de Unie het recht wordt verleend op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten,

Eraan herinnerend dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en de Overeenkomst van 27 september 1996 opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, betrekking hebben op het vraagstuk van de uitlevering van onderdanen van lidstaten van de Unie,

Geleid door de wens te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is,

Overwegende dat in dit Protocol de uiteindelijke doelstellingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen worden geëerbiedigd,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

Enig Artikel

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

  • a. indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;

  • b. indien de in artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad hieromtrent een besluit heeft genomen;

  • c. indien de Raad, op basis van artikel F.1, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is een ernstige en voortdurende schending van in artikel F, lid 1, genoemde beginselen heeft geconstateerd;

  • d. indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.


Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Vastbesloten de voorwaarden vast te stellen voor de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel van artikel 3 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, om de criteria voor de toepassing van die beginselen nauwkeuriger te omschrijven en een strikte inachtneming en consequente toepassing ervan door alle instellingen te waarborgen,

Geleid door de wens ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen,

Rekening houdend met het Interinstitutioneel Akkoord van 25 oktober 1993 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de procedures voor de tenuitvoerlegging van het subsidiariteitsbeginsel,

Hebben bevestigd dat de conclusies van de Europese Raad van Birmingham van 16 oktober 1992 en de algemene benadering met betrekking tot de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, waarover de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van 11–12 december 1992 te Edinburgh overeenstemming heeft bereikt, de leidraad blijven voor het optreden van de instellingen van de Unie en de evolutie van de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, en

Hebben te dien einde overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

1. Elke instelling draagt er bij de uitoefening van haar bevoegdheden zorg voor dat het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen. Elke instelling draagt tevens zorg voor de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, dat inhoudt dat het optreden van de Gemeenschap niet verder gaat dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken.

2. Bij de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel worden de algemene bepalingen en de doelstellingen van het Verdrag in acht genomen, met name wat betreft de volledige handhaving van het acquis communautaire en het institutioneel evenwicht; de door het Hof van Justitie uitgewerkte beginselen inzake het verband tussen nationaal recht en Gemeenschapsrecht komen hierdoor niet in het gedrang en er wordt rekening gehouden met artikel F, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, volgens hetwelk „de Unie zich voorziet van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen".

3. Het subsidiariteitsbeginsel laat de bij het Verdrag aan de Europese Gemeenschap verleende bevoegdheden zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, onverlet. De criteria van artikel 3 B, tweede alinea, van het Verdrag hebben betrekking op gebieden waarvoor de Gemeenschap geen exclusieve bevoegdheid heeft. Het subsidiariteitsbeginsel is een leidraad voor de wijze waarop die bevoegdheden op Gemeenschapsniveau moeten worden uitgeoefend. Subsidiariteit is een dynamisch concept, en dient te worden toegepast in het licht van de in het Verdrag neergelegde doelstellingen. Het maakt het mogelijk het optreden van de Gemeenschap binnen de grenzen van haar bevoegdheden uit te breiden wanneer de omstandigheden zulks vereisen, dan wel te beperken of te beëindigen wanneer het niet meer gerechtvaardigd is.

4. Voor ieder voorgesteld wetgevingsbesluit van de Gemeenschap moeten de redenen waarop het is gebaseerd worden opgegeven om aan te tonen dat het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen; de redenen voor de conclusie dat een Gemeenschapsdoelstelling beter bereikt kan worden door de Gemeenschap moeten met kwalitatieve of, zo mogelijk, kwantitatieve indicatoren worden gestaafd.

5. Optreden van de Gemeenschap is alleen gerechtvaardigd als aan beide aspecten van het subsidiariteitsbeginsel is voldaan: de doelstellingen van het overwogen optreden kunnen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt in het kader van hun nationaal grondwettelijk stelsel, en kunnen derhalve beter door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt.

Om na te gaan of aan bovenstaande voorwaarde is voldaan, worden de volgende richtsnoeren gehanteerd:

– de betrokken kwestie heeft transnationale aspecten die door een optreden van de lidstaten niet bevredigend kunnen worden geregeld;

– het optreden van de lidstaten alleen of het niet optreden van de Gemeenschap zou in strijd zijn met de voorschriften van het Verdrag (zoals de noodzaak om concurrentievervalsing tegen te gaan of verkapte handelsbeperkingen te voorkomen of de economische en sociale samenhang te versterken) of zou op een andere manier de belangen van de lidstaten aanzienlijk schaden;

– een optreden op communautair niveau zou vanwege de schaal of de gevolgen ervan duidelijke voordelen opleveren ten opzichte van een nationaal optreden.

6. De vorm van het optreden van de Gemeenschap is zo eenvoudig mogelijk zonder een bevredigende verwezenlijking van de doelstelling van de maatregel en een doeltreffende uitvoering in de weg te staan. De Gemeenschap treedt slechts wetgevend op voorzover nodig. Als dit anderszins op hetzelfde neerkomt, wordt de voorkeur gegeven aan richtlijnen boven verordeningen en aan kaderrichtlijnen boven gedetailleerde maatregelen. Richtlijnen waarin in artikel 189 van het Verdrag is voorzien zijn weliswaar ten aanzien van het te bereiken resultaat verbindend voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd zijn, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

7. Wat de aard en de omvang van het optreden van de Gemeenschap betreft, laten de maatregelen van de Gemeenschap zoveel mogelijk ruimte voor nationale besluiten, in overeenstemming met het doel van de maatregel en met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag. Onder naleving van het Gemeenschapsrecht wordt erop toegezien dat de gevestigde nationale regelingen en de organisatie en werking van de rechtssystemen van de lidstaten worden gerespecteerd. Behoudens de noodzaak van correcte tenuitvoerlegging bieden de communautaire maatregelen de lidstaten in voorkomend geval alternatieve mogelijkheden om de doelstellingen van de maatregelen te verwezenlijken.

8. Wanneer de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ertoe leidt dat de Gemeenschap niet optreedt, dienen de lidstaten bij hun optreden de algemene bepalingen van artikel 5 van het Verdrag in acht te nemen en alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.

9. Onverminderd haar initiatiefrecht, dient de Commissie:

– behalve in zeer urgente of vertrouwelijke gevallen, alvorens wetgevingsteksten voor te stellen, breed overleg te voeren en, telkens als dat dienstig is, overlegdocumenten te publiceren;

– de relevantie van al haar voorstellen te rechtvaardigen in het licht van het subsidiariteitsbeginsel; waar nodig worden in de toelichting bij het voorstel hieromtrent nadere bijzonderheden verstrekt. Voor de volledige of gedeeltelijke financiering van een optreden van de Gemeenschap uit de Gemeenschapsbegroting is een toelichting vereist;

– er terdege rekening mee te houden dat alle lasten, zij het financiële of administratieve, voor de Gemeenschap, nationale regeringen, lokale overheden, bedrijfsleven en burgers tot een minimum moeten worden beperkt en evenredig moeten zijn met het te bereiken doel;

– jaarlijks aan de Europese Raad, het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de toepassing van artikel 3 B van het Verdrag. Dit jaarverslag wordt ook toegezonden aan het Comité van de Regio's en aan het Economisch en Sociaal Comité.

10. De Europese Raad houdt in het verslag betreffende de vorderingen die de Unie heeft gemaakt, dat hij volgens artikel D van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan het Europees Parlement moet voorleggen, rekening met het in punt 9, vierde streepje, bedoelde verslag van de Commissie.

11. Met volledige inachtneming van de toepasselijke procedures onderzoeken het Europees Parlement en de Raad, als wezenlijk onderdeel van de algemene behandeling van Commissievoorstellen, of die voorstellen in overeenstemming zijn met artikel 3 B van het Verdrag. Dit geldt zowel voor het oorspronkelijke Commissievoorstel als voor wijzigingen die het Europees Parlement en de Raad daarin willen aanbrengen.

12. In het kader van de toepassing van de procedure van de artikelen 189 B en 189 C van het Verdrag wordt het Europees Parlement bij de mededeling van de redenen die de Raad hebben geleid tot het vaststellen van het gemeenschappelijk standpunt, in kennis gesteld van het standpunt van de Raad ten aanzien van de toepassing van artikel 3 B van het Verdrag. De Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de redenen op grond waarvan een Commissievoorstel geheel of gedeeltelijk niet in overeenstemming wordt geacht met artikel 3 B van het Verdrag.

13. Het toezicht op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel geschiedt overeenkomstig de regels van het Verdrag.


Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

In aanmerking nemend dat de lidstaten doeltreffende controles aan hun buitengrenzen moeten kunnen garanderen, waar nodig in samenwerking met derde landen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gehecht:

De bepalingen betreffende de maatregelen inzake de overschrijding van de buitengrenzen in artikel 73 J, punt 2, onder a., van titel III A van het Verdrag laten de bevoegdheid van de lidstaten om met derde landen over overeenkomsten te onderhandelen of overeenkomsten te sluiten onverlet, mits daarbij het Gemeenschapsrecht en andere internationale overeenkomsten terzake worden geëerbiedigd.


Protocol betreffende het publieke-omroepstelsel in de lidstaten

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Van oordeel dat het publieke-omroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden,

Hebben overeenstemming bereikt over de volgende interpretatieve bepalingen, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap worden gehecht:

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke omroep, voorzover deze financiering wordt verleend aan omroeporganisaties voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd door iedere lidstaat, en voorzover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang zou worden geschaad, waarbij rekening wordt gehouden met de verwezenlijking van de opdracht van deze publieke dienst.


Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Verlangend te zorgen voor een betere bescherming en eerbiediging van het welzijn van dieren als wezens met gevoel,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gehecht:

Bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Gemeenschap op het gebied van landbouw, vervoer, interne markt en onderzoek, houden de Gemeenschap en de lidstaten ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.


D. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

Artikel 1

Op de datum van inwerkingtreding van de eerstvolgende uitbreiding van de Unie heeft, niettegenstaande artikel 157, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 126, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie één onderdaan van elke lidstaat zitting in de Commissie, mits de weging van de stemmen in de Raad voor die datum is gewijzigd, hetzij via een herweging van de stemmen, hetzij via een dubbele meerderheid, op een wijze die voor alle lidstaten aanvaardbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met alle ter zake strekkende elementen, met name een compensatie voor de lidstaten die afstand doen van de mogelijkheid een tweede persoon voor te dragen als lid van de Commissie.

Artikel 2

Uiterlijk een jaar voordat de Europese Unie meer dan 20 leden telt, wordt een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten bijeengeroepen om de bepalingen van de Verdragen inzake de samenstelling en de werking van de instellingen volledig te herzien.


Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol

De Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten,

Gelet op artikel 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie,

Wijzend op en bevestigend het besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de daarin vervatte bepalingen betreffende de zetel van toekomstige instellingen, organisaties en diensten,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

Enig artikel

  • a. Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg, voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd.

  • b. De Raad heeft zijn zetel te Brussel. In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen in Luxemburg.

  • c. De Commissie heeft haar zetel te Brussel. De in de artikelen 7, 8 en 9 van het besluit van 8 april 1965 genoemde diensten zijn gevestigd in Luxemburg.

  • d. Het Hof van Justitie en het Gerecht van Eerste Aanleg hebben hun zetel te Luxemburg.

  • e. De Rekenkamer heeft zijn zetel te Luxemburg.

  • f. Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn zetel te Brussel.

  • g. Het Comité van de Regio's heeft zijn zetel te Brussel.

  • h. De Europese Investeringsbank heeft haar zetel te Luxemburg.

  • i. Het Europees Monetair Instituut en de Europese Centrale Bank hebben hun zetel te Frankfurt.

  • j. De Europese Politiedienst (Europol) heeft zijn zetel te Den Haag.


Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Erop wijzend dat controle van de afzonderlijke nationale parlementen op hun eigen regering met betrekking tot de activiteiten van de Unie ressorteert onder de eigen constitutionele inrichting en praktijk van de lidstaten,

Geleid door de wens om evenwel een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de activiteiten van de Europese Unie te stimuleren en hun betere mogelijkheden te bieden tot uiting van hun zienswijze over aangelegenheden die voor hen van bijzonder belang kunnen zijn,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen worden gehecht:

I. Informatie voor de nationale parlementen van de lidstaten

1. Alle discussiedocumenten van de Commissie (groenboeken, witboeken en mededelingen) worden met spoed aan de nationale parlementen van de lidstaten toegezonden.

2. Voorstellen van de Commissie voor wetgeving als omschreven door de Raad overeenkomstig artikel 151, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, worden tijdig beschikbaar gesteld, zodat de regering van elke lidstaat ervoor kan zorgen dat het nationale parlement ze voorzover dienstig ontvangt.

3. Er dient een periode van zes weken te verstrijken tussen het ogenblik waarop een wetgevingsvoorstel of een voorstel voor een uit hoofde van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie vast te stellen maatregel door de Commissie in alle talen aan het Europees Parlement en de Raad beschikbaar wordt gesteld, en de datum waarop het met het oog op een besluit, hetzij de aanneming van een besluit, hetzij de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt overeenkomstig artikel 189 B of artikel 189 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op de agenda van de Raad wordt geplaatst, behoudens uitzonderingen vanwege de urgentie van de zaak, waarvoor de redenen in het besluit of het gemeenschappelijk standpunt moeten worden aangegeven.

II. Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden

4. De op 16-17 november 1989 in Parijs ingestelde Conferentie van commissies voor Europese aangelegenheden, hierna COSAC genoemd, kan elke door haar passend geachte bijdrage ter attentie van de instellingen van de Europese Unie leveren, met name op basis van ontwerp-wetteksten die de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, gelet op de aard van het onderwerp, bij een in gemeenschappelijk overleg genomen besluit naar COSAC kunnen zenden.

5. COSAC kan elk wetgevingsvoorstel of -initiatief bestuderen dat betrekking heeft op de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en dat rechtstreeks van invloed zou kunnen zijn op de individuele rechten en vrijheden. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden op de hoogte gebracht van alle bijdragen die op grond van dit punt door COSAC worden geleverd.

6. COSAC mag tot het Europees Parlement, de Raad en de Commissie elke door haar passend geachte bijdrage richten inzake de wetgevende werkzaamheden van de Unie, meer bepaald wat betreft de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en vraagstukken in verband met grondrechten.

7. De bijdragen van COSAC zijn geenszins bindend voor de nationale parlementen en laten hun standpunt onverlet.


D. PARLEMENT

Het Verdrag, de Bijlage en de Protocollen behoeven ingevolge artikel 91 van de Grondwet de goedkeuring van de Staten-Generaal, alvorens het Koninkrijk aan het Verdrag kan worden gebonden.

E. BEKRACHTIGING

Bekrachtiging van het Verdrag is voorzien in artikel 14, eerste lid.

G. INWERKINGTREDING

De bepalingen van het Verdrag zullen ingevolge artikel 14, tweede lid, van het Verdrag in werking treden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende Staat die als laatste deze handeling verricht.

J. GEGEVENS

Bij gelegenheid van ondertekening van het onderhavige Verdrag op 2 oktober 1997 te Amsterdam werd eveneens de volgende Slotakte ondertekend:

Slotakte

De Conferentie van de Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, op negenentwintig maart negentienhonderd zesennegentig te Turijn bijeengeroepen om in onderlinge overeenstemming de wijzigingen vast te stellen die moeten worden aangebracht in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van onderscheidenlijk de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en sommige bijbehorende Akten, hebben de volgende teksten vastgesteld.

I. Het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten

II. Protocollen

A. Protocol gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie:

1. Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

B. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

2. Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

3. Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland

4. Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

5. Protocol betreffende de positie van Denemarken

C. Protocollen gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap:

6. Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

7. Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

8. Protocol betreffende de buitenlandse betrekkingen van de lidstaten in verband met de overschrijding van de buitengrenzen

9. Protocol betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten

10. Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren

D. Protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie:

11. Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

12. Protocol betreffende de plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde organen en diensten van de Europese Gemeenschappen en van Europol

13. Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie

III. Verklaringen

De Conferentie heeft de volgende verklaringen aanvaard die aan deze Slotakte zijn gehecht:

1. Verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf

2. Verklaring inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie

3. Verklaring betreffende de West-Europese Unie

4. Verklaring ad artikelen J.14 en K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

5. Verklaring ad artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

6. Verklaringen betreffende de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing

7. Verklaring ad artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

8. Verklaring ad artikel K.3, onder e, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

9. Verklaring ad artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

10. Verklaring ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

11. Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

12. Verklaring betreffende milieu-effectbeoordeling

13. Verklaring ad artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

14. Verklaring betreffende het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

15. Verklaring inzake de handhaving van het door het Schengen-acquis geboden beschermings- en veiligheidsniveau

16. Verklaring ad artikel 73 J, punt 2, onder b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

17. Verklaring ad artikel 73 K van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

18. Verklaring ad artikel 73 K, punt 3, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

19. Verklaring ad artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

20. Verklaring ad artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

21. Verklaring ad artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

22. Verklaring betreffende personen met een handicap

23. Verklaring inzake de stimuleringsmaatregelen bedoeld in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

24. Verklaring ad artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

25. Verklaring ad artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

26. Verklaring ad artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

27. Verklaring ad artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

28. Verklaring ad artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

29. Verklaring betreffende sport

30. Verklaring betreffende insulaire regio's

31. Verklaring betreffende het besluit van de Raad van 13 juli 1987

32. Verklaring betreffende de organisatie en de werking van de Commissie

33. Verklaring ad artikel 188 C, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

34. Verklaring inzake de inachtneming van de termijnen in de medebeslissingsprocedure

35. Verklaring ad artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

36. Verklaring inzake de Landen en Gebieden Overzee

37. Verklaring betreffende openbare kredietinstellingen in Duitsland

38. Verklaring betreffende vrijwilligerswerk

39. Verklaring inzake de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving

40. Verklaring betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

41. Verklaring betreffende de bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding

42. Verklaring betreffende de consolidatie van de Verdragen

43. Verklaring aangaande het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

44. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

45. Verklaring ad artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

46. Verklaring ad artikel 5 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

47. Verklaring ad artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

48. Verklaring betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

49. Verklaring betreffende punt d van het enig artikel van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

50. Verklaring betreffende het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

51. Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag van Amsterdam

De Conferentie heeft tevens akte genomen van de volgende verklaringen die aan deze Slotakte zijn gehecht:

1. Verklaring van Oostenrijk en Luxemburg betreffende kredietinstellingen

2. Verklaring van Denemarken betreffende artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

3. Verklaring van Duitsland, Oostenrijk en België betreffende subsidiariteit

4. Verklaring van Ierland betreffende artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

5. Verklaring van België betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

6. Verklaring van België, Frankrijk en Italië inzake het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

7. Verklaring van Frankrijk betreffende de situatie van de Landen en Gebieden Overzee ten aanzien van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

8. Verklaring van Griekenland aangaande de Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

Tot slot is de Conferentie overeengekomen om de tekst van het Verdrag betreffende de Europese Unie1 en de tekst van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap2, zoals deze voortvloeien uit de wijzigingen die door de Conferentie zijn aangebracht, ter illustratie aan deze Slotakte te hechten.

GEDAAN te Amsterdam, de tweede oktober negentienhonderd zevenennegentig.

De Slotakte is ondertekend voor:

België

Denemarken

Duitsland

Finland

Frankrijk

Griekenland

Ierland

Italië

het Koninkrijk der Nederlanden

Luxemburg

Oostenrijk

Portugal

Spanje

het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Zweden

Verklaringen aanvaard door de Conferentie

1. Verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf

Onder verwijzing naar artikel F, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie herinnert de Conferentie eraan dat Protocol nr. 6 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat door een grote meerderheid van de lidstaten is ondertekend en geratificeerd, in de afschaffing van de doodstraf voorziet.

In dit verband merkt de Conferentie op dat de doodstraf sinds de ondertekening van bovengenoemd protocol op 28 april 1983 in de meeste lidstaten van de Unie is afgeschaft en in geen enkele lidstaat is toegepast.


2. Verklaring inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie

Met het oog op intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en de West-Europese Unie verzoekt de Conferentie de Raad te streven naar spoedige aanneming van een passende regeling voor het veiligheidsonderzoek ten aanzien van het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad.


3. Verklaring betreffende de West-Europese Unie

De Conferentie neemt nota van de volgende Verklaring die op 22 juli 1997 werd aangenomen door de Raad van Ministers van de West-Europese Unie:

„Verklaring van de West-Europese Unie over de rol van de West-Europese Unie en haar betrekkingen met de Europese Unie en het Atlantisch Bondgenootschap" (Vertaling)

Inleiding

1. De lidstaten van de West-Europese Unie (WEU) hebben het in 1991 in Maastricht noodzakelijk geacht een echte Europese veiligheids- en defensie-identiteit (EVDI) te creëren en een grotere Europese verantwoordelijkheid inzake defensieaangelegenheden op zich te nemen. Rekening houdend met het Verdrag van Amsterdam bevestigen zij opnieuw dat deze inspanning moet worden voortgezet en opgevoerd. De WEU is een integrerend deel van de ontwikkeling van de Europese Unie (EU); zij verschaft de Unie met name in de context van de opdrachten van Petersberg toegang tot een operationele capaciteit en is een essentieel bestanddeel van de ontwikkeling van de EVDI binnen het Atlantisch Bondgenootschap overeenkomstig de verklaring van Parijs en de besluiten die de Ministers van de NAVO in Berlijn hebben genomen.

2. De WEU-Raad verenigt thans alle lidstaten van de Europese Unie en alle Europese leden van het Atlantisch Bondgenootschap volgens hun onderscheiden status. De Raad verenigt tevens voornoemde staten en de staten van Midden- en Oost-Europa die door een associatieovereenkomst met de Europese Unie zijn verbonden en die kandidaat zijn voor toetreding tot de Europese Unie en het Atlantisch Bondgenootschap. De WEU doet zich op die wijze gelden als een echt kader voor dialoog en samenwerking tussen de Europeanen over aangelegenheden die verband houden met veiligheid en defensie in de ruime zin.

3. In die context neemt de WEU nota van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, inzonderheid de artikelen J.3, lid 1, en J.7 en van het Protocol inzake artikel J.7, welke als volgt luiden:

Artikel J.3, lid 1

1. De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied."

Artikel J.7

1. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, overeenkomstig lid 2, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

De West-Europese Unie (WEU) maakt een integrerend deel uit van de ontwikkeling van de Unie en verschaft de Unie met name in de context van lid 2 toegang tot een operationele capaciteit. De WEU ondersteunt de Unie bij het bepalen van de defensieaspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als aangegeven in dit artikel. De Unie bevordert bijgevolg hechtere institutionele betrekkingen met de WEU met het oog op de mogelijkheid de WEU in de Unie te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lidstaten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen.

Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten, waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied.

2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

3. De Unie zal gebruik maken van de WEU om de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uit te werken en uit te voeren.

De bevoegdheid van de Europese Raad om overeenkomstig artikel J.3 richtsnoeren vast te stellen geldt ook ten aanzien van de WEU in aangelegenheden waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU.

Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU voor de uitwerking en uitvoering van besluiten van de Unie betreffende de in lid 2 genoemde opdrachten, zijn alle lidstaten van de Unie gerechtigd om ten volle deel te nemen aan die opdrachten. De Raad stelt in overeenstemming met de instellingen van de WEU de noodzakelijke praktische regelingen vast om alle lidstaten die bijdragen aan de betrokken opdrachten, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

Onder dit lid vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen bedoeld in lid 1, derde alinea.

4. Het bepaalde in dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lidstaten, in het kader van de WEU en van het Atlantisch Bondgenootschap, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.

5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel N herzien."

Protocol inzake artikel J.7

De hoge Verdragsluitende Partijen,

Indachtig de noodzaak om de bepalingen van artikel J.7, lid 1, tweede alinea, en lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie volledig uit te voeren,

Indachtig het feit dat het beleid van de Unie overeenkomstig artikel J.7 het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet laat, de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lidstaten, waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), eerbiedigt en verenigbaar is met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepaling, die aan het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gehecht:

De Europese Unie ontwikkelt binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam samen met de West-Europese Unie regelingen voor intensievere onderlinge samenwerking."

A. BETREKKINGEN VAN DE WEU MET DE EUROPESE UNIE: BEGELEIDING VAN DE UITVOERING VAN HET VERDRAG VAN AMSTERDAM

4. In de „Verklaring over de rol van de West-Europese Unie en haar betrekkingen met de Europese Unie en het Atlantisch Bondgenootschap" van 10 december 1991 hadden de lidstaten van de WEU zich ten doel gesteld „de WEU in fasen op te bouwen tot de defensiecomponent van de Europese Unie". Zij bevestigen thans deze ambitie, zoals die door het Verdrag van Amsterdam wordt ontwikkeld.

5. Wanneer de Unie gebruik maakt van de WEU, zal laatstgenoemde de besluiten en maatregelen van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied, uitwerken en uitvoeren.

Bij de uitwerking en uitvoering van de besluiten en maatregelen van de EU waarvoor de Unie gebruik maakt van de WEU, handelt laatstgenoemde overeenkomstig de door de Europese Raad vastgestelde richtsnoeren.

De WEU staat de Europese Unie terzijde bij het bepalen van de aspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid die betrekking hebben op defensie, zoals die zijn omschreven in artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

6. De WEU bevestigt dat wanneer de Europese Unie voor de uitwerking en uitvoering van de besluiten van de Unie betreffende de in artikel J.7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie genoemde opdrachten gebruik maakt van de WEU, alle lidstaten van de Unie gerechtigd zijn om ten volle aan die opdrachten deel te nemen, overeenkomstig artikel J.7, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De WEU ontwikkelt de rol van de waarnemers van de WEU overeenkomstig artikel J.7, lid 3, en stelt de nodige praktische regelingen vast om alle lidstaten van de EU die bijdragen aan de opdrachten die de WEU op verzoek van de EU uitvoert, in staat te stellen ten volle en op voet van gelijkheid deel te nemen aan de planning en besluitvorming in de WEU.

7. Overeenkomstig het Protocol inzake artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie werkt de WEU in samenwerking met de Europese Unie regelingen uit ter versterking van de samenwerking tussen beide organisaties. Daartoe kan een aantal maatregelen, waarvan sommige reeds door de WEU worden bestudeerd, met onmiddellijke ingang ten uitvoer worden gelegd, namelijk:

– regelingen voor een betere coördinatie van overleg en besluitvorming in elk van de organisaties, met name in crisissituaties;

– gezamenlijke vergaderingen van de bevoegde organen van beide organisaties;

– voorzover mogelijk, harmonisatie van de volgorde van de voorzitterschappen van de WEU en de EU, alsmede van de administratieve regels en gebruiken van beide organisaties;

– nauwe coördinatie van de activiteiten van de diensten van het secretariaat-generaal van de WEU en van het secretariaat-generaal van de EU, met inbegrip van de detachering van personeelsleden;

– uitwerking van regelingen zodat de bevoegde organen van de EU, met inbegrip van de eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing, gebruik kunnen maken van de planninggroep, het situatiecentrum en het satellietcentrum van de WEU;

– samenwerking op het gebied van bewapening, voorzover nodig, in het kader van de West-Europese Bewapeningsgroep (WEAG) als Europese instantie voor samenwerking op het gebied van bewapening, van de EU en de WEU, tegen de achtergrond van de rationalisatie van de Europese bewapeningsmarkt en van de oprichting van een Europees Bureau voor Bewapening;

– praktische regelingen om een samenwerking met de Europese Commissie te waarborgen welke een afspiegeling zijn van de rol die haar in het Verdrag van Amsterdam in het kader van het GBVB is toegemeten;

– verbetering van de regelingen met de Europese Unie inzake veiligheid.

B. BETREKKINGEN TUSSEN DE WEU EN DE NAVO IN HET KADER VAN DE ONTWIKKELING VAN EEN EVDI BINNEN HET ATLANTISCH BONDGENOOTSCHAP

8. Het Atlantisch Bondgenootschap blijft de basis voor de collectieve defensie uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag. Het blijft fungeren als voornaamste forum voor overleg tussen zijn leden en als plaats voor het maken van beleidsafspraken die van invloed zijn op de veiligheids- en defensieverplichtingen van de bondgenoten uit hoofde van het Verdrag van Washington. Het Bondgenootschap heeft een aanvang gemaakt met een proces van aanpassing en hervorming teneinde al zijn opdrachten doeltreffender te kunnen uitvoeren. Dit proces is gericht op de versterking en vernieuwing van het transatlantisch partnerschap, met inbegrip van de totstandbrenging van een EVDI binnen het Bondgenootschap.

9. De WEU maakt een wezenlijk deel uit van de ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen het Atlantisch Bondgenootschap en blijft derhalve streven naar de versterking van haar institutionele en concrete samenwerking met de NAVO.

10. De WEU steunt de gemeenschappelijke defensie in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag van Washington en artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel en speelt een actieve rol bij het voorkomen van conflicten en het beheer van crises, zoals is bepaald in de Verklaring van Petersberg. In dat kader verbindt de WEU zich ertoe ten volle de rol te spelen die haar toekomt, met eerbiediging van volledige doorzichtigheid en van de onderlinge complementariteit van beide organisaties.

11. De WEU bevestigt dat deze identiteit gegrond zal zijn op gezonde militaire beginselen en ondersteund zal worden door de nodige militaire planning en dat zij de oprichting zal mogelijk maken van coherente en doeltreffende strijdkrachten, die onder haar politieke controle en strategische leiding kunnen fungeren.

12. Daartoe zal de WEU haar samenwerking met de NAVO ontwikkelen, met name op de volgende gebieden:

– regelingen voor overleg tussen WEU en NAVO in de context van een crisis;

– actieve deelneming van de WEU aan de defensieplanning van de NAVO;

– operationele verbindingen tussen WEU en NAVO voor planning, voorbereiding en uitvoering van operaties waarbij middelen en capaciteit van de NAVO worden ingezet, onder de politieke controle en de strategische leiding van de WEU, inzonderheid:

* militaire planning, in coördinatie met de WEU uitgevoerd door de NAVO, en oefeningen;

* opstelling van een kaderovereenkomst over het overdragen, volgen en teruggeven van middelen en capaciteit van de NAVO;

* verbindingen tussen WEU en NAVO op het gebied van de Europese regelingen inzake bevelvoering.

Deze samenwerking zal verder worden ontwikkeld, rekening houdend met inzonderheid de aanpassing van het Bondgenootschap.

C. OPERATIONELE ROL VAN DE WEU BIJ DE ONTWIKKELING VAN DE EVDI

13. De WEU zal haar rol als Europees politiek-militair orgaan voor crisisbeheer tot ontwikkeling brengen door gebruik te maken van de middelen en de capaciteit die de WEU-landen haar op nationale of multinationale basis ter beschikking stellen en, in voorkomend geval, van de middelen en de capaciteit van de NAVO overeenkomstig de regelingen die thans bestudeerd worden. In die context zal de WEU ook de Verenigde Naties en de OVSE steunen bij hun activiteiten op het gebied van crisisbeheer.

De WEU zal in het kader van artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bijdragen tot de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid en toezien op de concrete uitvoering ervan door haar eigen operationele rol nadrukkelijker te ontwikkelen.

14. Daartoe zet de WEU haar werkzaamheden voort op de volgende gebieden:

– De WEU heeft regelingen en procedures ontwikkeld op het gebied van crisisbeheer, die zullen worden bijgewerkt naarmate de ervaring toeneemt die de WEU opdoet in oefeningen en operaties. De uitvoering van de Petersberg-opdrachten vergt een flexibel optreden dat is aangepast aan de diversiteit van de crisissituaties, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de beschikbare capaciteit, ook door een beroep te doen op een nationaal hoofdkwartier dat eventueel door een kadernatie ter beschikking wordt gesteld, een multinationaal hoofdkwartier dat onder de WEU ressorteert, of middelen en capaciteit van de NAVO.

– De WEU heeft reeds de „Voorbereidende conclusies inzake het bepalen van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid" opgesteld, welke een eerste bijdrage vormen over de doelstellingen, de draagwijdte en de middelen van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid.

De WEU zal deze werkzaamheden voortzetten en daarbij met name uitgaan van de Verklaring van Parijs en rekening houden met de desbetreffende punten van de besluiten van de topontmoetingen en de ministeriële vergaderingen van de WEU en de NAVO sedert de bijeenkomst van Birmingham. Zij zal zich meer bepaald op de volgende gebieden toeleggen:

* bepaling van de beginselen voor het gebruik van de strijdkrachten van de WEU-staten voor WEU-operaties van het Petersberg-type ter ondersteuning van de gemeenschappelijke belangen van de Europeanen inzake veiligheid;

* organisatie van operationele middelen voor Petersberg-opdrachten, zoals de opstelling van algemene en specifieke plannen en de training, voorbereiding en interoperabiliteit van de strijdkrachten, met inbegrip van deelneming van de WEU aan de defensieplanning van de NAVO, voorzover zulks vereist is;

* strategische mobiliteit op basis van haar lopende werkzaamheden;

* inlichtingen op defensiegebied via haar planninggroep, situatiecentrum en satellietcentrum.

– De WEU heeft tal van maatregelen genomen om haar operationele rol te versterken (planninggroep, situatiecentrum, satellietcentrum). De verbeterde werking van de militaire componenten van de WEU-zetel en de instelling, onder de verantwoordelijkheid van de Raad, van een militair comité zullen een nieuwe versterking vormen van structuren die belangrijk zijn voor het welslagen van de voorbereiding en uitvoering van de WEU-operaties.

– Teneinde de deelneming aan al haar operaties open te stellen voor de geassocieerde en de waarnemende leden zal de WEU tevens nagaan hoe deze geassocieerde en waarnemende leden in overeenstemming met hun status ten volle aan alle operaties van de WEU kunnen deelnemen.

– De WEU herinnert eraan dat de geassocieerde leden op voet van gelijkheid met de gewone leden deelnemen aan de operaties waartoe zij bijdragen, alsmede aan de oefeningen en de ermee samenhangende planning. De WEU zal voorts het vraagstuk bestuderen van de zo volwaardig mogelijke deelneming van de waarnemende leden, in overeenstemming met hun status, aan de planning en besluitvorming binnen de WEU voor alle operaties waartoe zij bijdragen.

– De WEU zal in voorkomend geval in overleg met de bevoegde instanties de mogelijkheid van een maximale deelneming van de geassocieerde en de waarnemende leden aan haar activiteiten bestuderen, in overeenstemming met hun status. Zij zal inzonderheid de activiteiten op het gebied van bewapening, de ruimte en militaire studies behandelen.

– De WEU zal bezien hoe zij de deelneming van de geassocieerde partners aan een toenemend aantal activiteiten kan intensiveren."


4. Verklaring ad artikelen J.14 en K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De bepalingen van artikel J.14 en artikel K.10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en daaruit voortvloeiende overeenkomsten houden geen overdracht van bevoegdheid van de lidstaten aan de Europese Unie in.


5. Verklaring ad artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten ervoor zullen zorgen dat het in artikel J.15 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde politiek comité te allen tijde, in geval van internationale crises of andere dringende aangelegenheden, op zeer korte termijn kan bijeenkomen op het niveau van de directeuren politieke zaken of hun plaatsvervangers.


6. Verklaring betreffende de oprichting van een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing

De Conferentie komt het volgende overeen:

1. Bij het secretariaat-generaal van de Raad wordt onder de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal, Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, een eenheid voor beleidsplanning en vroegtijdige waarschuwing opgericht. Met de Commissie vindt passende samenwerking plaats om volledige coherentie met het externe economische beleid en het ontwikkelingsbeleid van de Unie te verzekeren.

2. De eenheid heeft onder meer de volgende taken:

  • a. het volgen en analyseren van ontwikkelingen op gebieden die relevant zijn voor het GBVB;

  • b. het evalueren van de belangen van de Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid en het aanwijzen van gebieden waarop het GBVB in de toekomst kan worden geconcentreerd;

  • c. het tijdig evalueren van en vroegtijdig waarschuwen voor gebeurtenissen of situaties die belangrijke repercussies kunnen hebben voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, met inbegrip van potentiële politieke crisissen;

  • d. het op verzoek van de Raad of het voorzitterschap dan wel op eigen initiatief opstellen van documenten waarin beleidsmogelijkheden worden toegelicht, die onder de verantwoordelijkheid van het voorzitterschap worden voorgelegd als bijdrage tot de beleidsvorming in de Raad, en die analyses, aanbevelingen en strategieën voor het GBVB kunnen bevatten.

3. Het personeel van de eenheid is afkomstig van het secretariaat-generaal, de lidstaten, de Commissie en de WEU.

4. Elke lidstaat of de Commissie kan aan de eenheid suggesties doen voor te verrichten werkzaamheden.

5. De lidstaten en de Commissie ondersteunen de beleidsplanning door zo veel mogelijk relevante informatie, waaronder vertrouwelijke informatie, ter beschikking te stellen.


7. Verklaring ad artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Optreden op het gebied van politiële samenwerking uit hoofde van artikel K.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van activiteiten van Europol, is onderworpen aan passend gerechtelijk toezicht door de bevoegde nationale autoriteiten in overeenstemming met de in de afzonderlijke lidstaten geldende voorschriften.


8. Verklaring ad artikel K.3, onder e, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat de bepalingen van artikel K.3, onder e, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet tot gevolg mogen hebben dat een lidstaat waarvan het rechtssysteem niet in minimumstraffen voorziet, verplicht wordt deze aan te nemen.


9. Verklaring ad artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie komt overeen dat initiatieven voor maatregelen genoemd in artikel K.6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uit hoofde daarvan door de Raad aangenomen besluiten worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, in overeenstemming met de reglementen van orde van de Raad en de Commissie.


10. Verklaring ad artikel K.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie neemt er akte van dat de lidstaten zich bij het afleggen van een verklaring overeenkomstig artikel K.7, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie het recht kunnen voorbehouden in hun nationale recht te bepalen, dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag die in een bij die instantie aanhangige zaak wordt opgeworpen in verband met de geldigheid of uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, lid 1, voor te leggen aan het Hof van Justitie.


11. Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben.

De Europese Unie eerbiedigt evenzeer de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties.


12. Verklaring betreffende milieu-effectbeoordeling

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie zich ertoe verbindt om bij voorstellen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een milieu-effectbeoordeling op te stellen.


13. Verklaring ad artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De bepalingen van artikel 7 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over openbare diensten worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, onder meer wat de beginselen van gelijke behandeling, kwaliteit en continuïteit van deze diensten betreft.


14. Verklaring betreffende het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Het schrappen van artikel 44 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap waarin wordt verwezen naar het beginsel van de natuurlijke preferentie tussen lidstaten in het kader van de vaststelling van minimumprijzen gedurende de overgangsperiode, heeft geen enkel effect op het beginsel van de communautaire preferentie zoals dat door de jurisprudentie van het Hof van Justitie is gedefinieerd.


15. Verklaring inzake de handhaving van het door het Schengen-acquis geboden beschermings- en veiligheidsniveau

De Conferentie komt overeen dat de door de Raad aan te nemen maatregelen ter vervanging van de bepalingen inzake de afschaffing van controles aan de binnengrenzen in de Schengen-Overeenkomst van 1990 ten minste hetzelfde niveau van bescherming en veiligheid moeten bieden als voornoemde bepalingen van de Schengen-Overeenkomst.


16. Verklaring ad artikel 73 J, punt 2, onder b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat overwegingen van de Unie en de lidstaten op het gebied van buitenlands beleid bij de toepassing van artikel 73 J, punt 2, onder b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in aanmerking moeten worden genomen.


17. Verklaring ad artikel 73 K van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Voor kwesties die verband houden met het asielbeleid, wordt overleg gevoerd met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en andere terzake bevoegde internationale organisaties.


18. Verklaring ad artikel 73 K, punt 3, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten met derde landen onderhandelingen kunnen voeren en overeenkomsten kunnen sluiten over aangelegenheden die onder artikel 73 K, punt 3, onder a, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, mits deze overeenkomsten stroken met het Gemeenschapsrecht.


19. Verklaring ad artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de lidstaten overwegingen op het gebied van buitenlands beleid in aanmerking kunnen nemen bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van artikel 73 L, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.


20. Verklaring ad artikel 73 M, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De uit hoofde van artikel 73 M van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen maatregelen laten de toepassing door een lidstaat van zijn grondwettelijke bepalingen betreffende persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in andere media onverlet.


21. Verklaring ad artikel 73 O, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de Raad voor het einde van de in artikel 73 O van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde periode van vijf jaar de elementen van het in artikel 73 O, lid 2, tweede streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde besluit zal onderzoeken om dit besluit onmiddellijk na het verstrijken van deze periode te nemen en toe te passen.


22. Verklaring betreffende personen met een handicap

De Conferentie komt overeen dat de instellingen van de Gemeenschap bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 100 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap rekening houden met de behoeften van personen met een handicap.


23. Verklaring inzake de stimuleringsmaatregelen bedoeld in artikel 109 R, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat in de in artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde stimuleringsmaatregelen altijd moeten worden aangegeven:

– de redenen voor de maatregelen, gebaseerd op een objectieve beoordeling van de noodzaak ervan en van het bestaan van een communautaire meerwaarde;

– de duur van de maatregelen, die niet meer dan vijf jaar mag bedragen;

– het maximumbedrag voor de financiering, waaruit het stimulerende karakter van dergelijke maatregelen moet blijken.


24. Verklaring ad artikel 109 R, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Overeengekomen wordt dat eventuele uitgaven uit hoofde van artikel 109 R van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onder rubriek 3 van de financiële vooruitzichten vallen.


25. Verklaring ad artikel 118, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Overeengekomen wordt dat eventuele uitgaven uit hoofde van artikel 118 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onder rubriek 3 van de financiële vooruitzichten vallen.


26. Verklaring ad artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Hoge Verdragsluitende Partijen nemen er akte van dat in de besprekingen over artikel 118, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap werd overeengekomen dat de Gemeenschap niet voornemens is om, wanneer zij minimumvoorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers vaststelt, de werknemers in kleine en middelgrote ondernemingen te discrimineren op een manier die niet door de omstandigheden wordt gerechtvaardigd.


27. Verklaring ad artikel 118 b, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Hoge Verdragsluitende Partijen verklaren dat de eerste regeling voor de toepassing van de overeenkomsten tussen de sociale partners op gemeenschapsniveau – bedoeld in artikel 118 B, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap – erin zal bestaan de inhoud van de overeenkomsten uit te werken in collectieve onderhandelingen volgens de regels van iedere lidstaat, en dat die regeling derhalve voor de lidstaten niet de verplichting inhoudt de overeenkomsten rechtstreeks toe te passen of regels op te stellen voor de omzetting ervan, en evenmin een verplichting de geldende nationale wetgeving aan te passen om de uitvoering van die overeenkomsten te vergemakkelijken.


28. Verklaring ad artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Bij het aannemen van maatregelen als bedoeld in artikel 119, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dienen de lidstaten in de eerste plaats te streven naar verbetering van de situatie van vrouwen in het beroepsleven.


29. Verklaring betreffende sport

De Conferentie benadrukt de maatschappelijke betekenis van sport, met name de rol die sport vervult bij het smeden van een identiteit en van saamhorigheid. De Conferentie verzoekt de organen van de Europese Unie daarom gehoor te geven aan sportorganisaties wanneer belangrijke vraagstukken in verband met sport aan de orde zijn. In dit verband zou bijzondere aandacht moeten worden geschonken aan de specifieke kenmerken van amateursport.


30. Verklaring betreffende insulaire regio's

De Conferentie erkent dat insulaire regio's lijden onder structurele handicaps die verband houden met hun insulaire status, welke door hun blijvend karakter de economische en sociale ontwikkeling van deze regio's nadelig beïnvloeden.

De Conferentie erkent dan ook dat in de communautaire wetgeving rekening moet worden gehouden met deze handicaps en dat bijzondere maatregelen ten gunste van deze regio's kunnen worden genomen, indien dat gerechtvaardigd is, om hen beter en onder eerlijke voorwaarden in de interne markt te integreren.


31. Verklaring betreffende het besluit van de raad van 13 juli 1987

De Conferentie roept de Commissie op uiterlijk eind 1998 een voorstel bij de Raad in te dienen tot wijziging van het besluit van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.


32. Verklaring betreffende de Organisatie en de werking van de Commissie

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie voornemens is voorbereidingen te treffen om haar takenpakket tijdig voor de in 2000 aantredende Commissie te reorganiseren, om ervoor te zorgen dat er een optimale verdeling is tussen conventionele portefeuilles en specifieke taken.

In dit verband is zij van mening dat de voorzitter van de Commissie een ruime discretionaire bevoegdheid moet hebben inzake de toewijzing van taken binnen de Commissie en de eventuele herverdeling van die taken tijdens een Commissiemandaat.

De Conferentie neemt er tevens nota van dat de Commissie voornemens is tegelijkertijd haar departementen dienovereenkomstig te reorganiseren. Zij neemt met name nota van de wenselijkheid externe betrekkingen onder de verantwoordelijkheid van een vice-voorzitter te brengen.


33. Verklaring ad artikel 188 C, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie verzoekt de Rekenkamer, de Europese Investeringsbank en de Commissie om het huidige Tripartiete Akkoord van kracht te laten blijven. Indien een der partijen een nieuwe of gewijzigde tekst wenst, zal getracht worden overeenstemming over een dergelijke tekst te bereiken met inachtneming van de belangen van elke betrokken partij.


34. Verklaring inzake de inachtneming van de termijnen in de medebeslissingsprocedure

De Conferentie roept het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de medebeslissingsprocedure zo snel mogelijk verloopt. Zij wijst erop dat het belangrijk is dat de in artikel 189 B van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vastgelegde termijnen strikt in acht worden genomen en bevestigt dat een beroep op de in lid 7 geboden mogelijkheid om de betrokken termijnen te verlengen alleen mag worden overwogen wanneer zulks strikt noodzakelijk is. In geen geval mag tussen de tweede lezing door het Europees Parlement en de conclusie van het bemiddelingscomité meer dan negen maanden verlopen.


35. Verklaring ad artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

De Conferentie komt overeen dat de in artikel 191 A, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde beginselen en voorwaarden het een lidstaat mogelijk maken de Commissie of de Raad te verzoeken een uit die lidstaat afkomstig document niet zonder zijn voorafgaande toestemming aan derden door te geven.


36. Verklaring inzake de landen en gebieden overzee

De Conferentie erkent dat de bijzondere associatieregeling voor de landen en gebieden overzee (LGO) overeenkomstig het vierde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoeld was voor landen en gebieden die groot waren in aantal, oppervlakte en bevolking. Aan die regeling is sinds 1957 weinig veranderd.

De Conferentie merkt op dat er nog maar 20 LGO zijn, uiterst verspreid gelegen insulaire gebieden met in totaal ongeveer 900.000 inwoners. Voorts hebben de meeste LGO te kampen met grote structurele achterstand wegens ernstige geografische en economische handicaps. Daarom is de bijzondere associatieregeling zoals die in 1957 opgezet is, niet meer geschikt om de ontwikkelingseisen van de LGO op een doeltreffende wijze aan te pakken.

De Conferentie herhaalt plechtig dat het doel van de associatie bestaat in het bevorderen van de economische en sociale ontwikkeling der landen en gebieden en de totstandbrenging van nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Gemeenschap in haar geheel.

De Conferentie verzoekt de Raad om de associatieregeling overeenkomstig artikel 136 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te herzien tegen februari 2000, met een vierledig oogmerk:

– de economische en sociale ontwikkeling van de LGO doeltreffender te bevorderen,

– de economische betrekkingen tussen de LGO en de Europese Unie te ontwikkelen,

– meer rekening te houden met de diversiteit en de specifieke kenmerken van de onderscheiden LGO, mede wat de vrijheid van vestiging betreft,

– de doeltreffendheid van het financieel instrument te verbeteren.


37. Verklaring betreffende openbare kredietinstellingen in Duitsland

De Conferentie neemt kennis van de opvatting van de Commissie dat de huidige mededingingsregels van de Gemeenschap het mogelijk maken ten volle rekening te houden met diensten van algemeen economisch belang die worden verricht door de in Duitsland bestaande openbare kredietinstellingen, alsmede met de aan deze instellingen verleende voordelen om de met deze diensten gepaard gaande lasten te compenseren. In dit verband blijft Duitsland derhalve bepalen op welke wijze hij de regionale en lokale entiteiten in staat stelt hun taak – het in hun regio's ter beschikking stellen van een brede en doeltreffende financiële infrastructuur – uit te voeren. Die voordelen mogen de mededinging niet meer belemmeren dan voor de vervulling van deze specifieke taken noodzakelijk is, en mogen de belangen van de Gemeenschap niet schaden.

De Conferentie herinnert eraan dat de Europese Raad de Commissie heeft verzocht na te gaan of in de andere lidstaten vergelijkbare gevallen bestaan, in vergelijkbare gevallen zo nodig dezelfde normen toe te passen en de Raad, in zijn ECOFIN-samenstelling, te informeren.


38. Verklaring betreffende vrijwilligerswerk

De Conferentie erkent dat vrijwilligerswerk in belangrijke mate bijdraagt tot de bevordering van de sociale solidariteit.

De Gemeenschap zal de Europese dimensie van vrijwilligersorganisaties stimuleren, met bijzondere nadruk op de uitwisseling van informatie en ervaringen en op de deelname van jongeren en ouderen aan vrijwilligerswerk.


39. Verklaring inzake de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving

De Conferentie neemt er nota van dat de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving, met het oog op een correcte toepassing door de bevoegde nationale instanties en een beter begrip bij het publiek en het bedrijfsleven, van cruciaal belang is. Zij herinnert aan de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Edinburgh op 11 en 12 december 1992, alsook aan de resolutie van de Raad van 8 juni 1993 betreffende de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 166 van 17.06.1993, blz. 1).

De Conferentie is van oordeel dat de drie instellingen die bij de procedure voor het aannemen van communautaire wetgeving betrokken zijn, namelijk het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, richtsnoeren moeten vastleggen inzake de redactionele kwaliteit van deze wetgeving. Zij benadrukt voorts dat deze wetgeving toegankelijker moet worden gemaakt en verheugt zich in dit verband over de aanneming en eerste toepassing van een versnelde werkmethode voor een officiële codificatie van wetteksten, ingesteld bij het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. C 102 van 04.04.1996, blz. 2).

De Conferentie verklaart dan ook dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het volgende behoren te doen:

– in onderlinge overeenstemming richtsnoeren vaststellen ter verbetering van de redactionele kwaliteit van de communautaire wetgeving en van deze richtsnoeren uitgaan bij de behandeling van voorstellen voor communautaire wetgeving of ontwerp-wetgeving en daarbij de interne organisatorische maatregelen te treffen die zij nodig achten voor de correcte toepassing van die richtsnoeren;

– alles in het werk te stellen om de codificatie van wetteksten te bespoedigen.


40. Verklaring betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

Het schrappen van paragraaf 14 van de aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal gehechte Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen brengt geen wijziging in de bestaande praktijk betreffende de procedure voor het sluiten van internationale overeenkomsten door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.


41. Verklaring betreffende de bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding

De Conferentie is van oordeel dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, wanneer zij handelen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, de in het kader van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap geldende bepalingen inzake transparantie, toegang tot documenten en fraudebestrijding als leidraad moeten nemen.


42. Verklaring betreffende de consolidatie van de Verdragen

De Hoge Verdragsluitende Partijen zijn overeengekomen dat de tijdens de Intergouvernementele Conferentie aangevatte technische werkzaamheden zo spoedig mogelijk zullen worden voortgezet met het oog op het opstellen van een geconsolideerde versie van alle relevante Verdragen, met inbegrip van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Zij zijn overeengekomen dat het eindresultaat van deze technische werkzaamheden, dat ter illustratie openbaar zal worden gemaakt onder verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal van de Raad, geen rechtskracht zal hebben.


43. Verklaring aangaande het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel

De Hoge Verdragsluitende Partijen bevestigen enerzijds de Verklaring betreffende de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht, gehecht aan de Slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en anderzijds de conclusies van de Europese Raad van Essen, waarin wordt gesteld dat de verantwoordelijkheid voor de administratieve uitvoering van het Gemeenschapsrecht in beginsel bij de lidstaten berust overeenkomstig hun grondwettelijke regelingen. Een en ander laat de toezichthoudende, controlerende en uitvoeringsbevoegdheden van de instellingen van de Gemeenschap uit hoofde van de artikelen 145 en 155 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap onverlet.


44. Verklaring ad artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat de Raad op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam alle in artikel 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie genoemde noodzakelijke maatregelen aanneemt. Daartoe wordt tijdig een aanvang gemaakt met de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden, zodat deze vóór de beoogde datum zijn voltooid.


45. Verklaring ad artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen verzoeken de Raad het advies van de Commissie te vragen voordat hij een besluit neemt over een verzoek krachtens artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie van Ierland of van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het Schengen-acquis deel te nemen. Zij verbinden zich er tevens toe alles in het werk te stellen om het voor Ierland of het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland mogelijk te maken, indien zij dit wensen, gebruik te maken van de bepalingen van artikel 4 zodat de Raad in staat kan zijn bij of na de inwerkingtreding van het Protocol de in dat artikel bedoelde besluiten te nemen.


46. Verklaring ad artikel 5 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe alles in het werk te stellen om een gezamenlijk optreden van alle lidstaten op de gebieden van het Schengen-acquis mogelijk te maken, met name telkens als Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland sommige of alle bepalingen van dat acquis overeenkomstig artikel 4 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie hebben aanvaard.


47. Verklaring ad artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen alles in het werk te stellen opdat de inwerkingtreding van de in artikel 6 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie bedoelde overeenkomsten op dezelfde datum plaatsvindt als de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.


48. Verklaring betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

Het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie laat het recht van elke lidstaat onverlet om de organisatorische maatregelen te nemen die hij noodzakelijk acht om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.


49. Verklaring betreffende punt d van het enig artikel van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat zij het belang erkent van de Resolutie van de met immigratiezaken belaste Ministers van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 30 november/1 december 1992 betreffende duidelijk ongegronde asielverzoeken en van de Resolutie van de Raad van 20 juni 1995 over minimumwaarborgen voor asielprocedures, maar dat het vraagstuk van het misbruik van asielprocedures en passende snelle procedures voor de afhandeling van duidelijk ongegronde asielaanvragen nader dient te worden onderzocht met het oog op de invoering van nieuwe verbeteringen teneinde deze procedures te bespoedigen.


50. Verklaring betreffende het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

Overeengekomen is dat het besluit van de Raad van 29 maart 1994 („het Ioannina-compromis") tot de inwerkingtreding van de eerstvolgende uitbreiding wordt verlengd en dat voor die datum een oplossing voor het specifieke geval van Spanje wordt gevonden.


51. Verklaring ad artikel 10 van het Verdrag van Amsterdam

Bij het Verdrag van Amsterdam worden vervallen bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals deze van kracht waren vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, geschrapt en ingetrokken, en sommige van de bepalingen ervan aangepast, waarbij tevens sommige bepalingen van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, worden ingevoegd. Deze bewerkingen laten het acquis communautaire onverlet.


Verklaringen waarvan de Conferentie akte heeft genomen

1. Verklaring van Oostenrijk en Luxemburg betreffende kredietinstellingen

Oostenrijk en Luxemburg gaan ervan uit dat de verklaring over openbare kredietinstellingen in Duitsland ook van toepassing is op kredietinstellingen in Oostenrijk en Luxemburg met een vergelijkbare organisatiestructuur.


2. Verklaring van Denemarken betreffende artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Volgens artikel K.14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is eenparigheid van stemmen van alle leden van de Raad van de Europese Unie, d.w.z. alle lidstaten, vereist voor de aanneming van besluiten tot toepassing van de bepalingen van titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen, op optreden op in artikel K.1 bedoelde gebieden. Bovendien moet elk eenparig besluit van de Raad in iedere lidstaat overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen worden goedgekeurd, alvorens het in werking kan treden. In Denemarken is voor die goedkeuring, indien het een overdracht van soevereiniteit als omschreven in de Deense grondwet betreft, hetzij een meerderheid van vijfzesde van de leden van de Folketing, hetzij zowel een meerderheid van de leden van de Folketing als een meerderheid van de stemmen in een referendum vereist.


3. Verklaring van Duitsland, Oostenrijk en België betreffende subsidiariteit

De Duitse, de Oostenrijkse en de Belgische regering gaan er als vanzelfsprekend van uit dat het optreden van de Europese Gemeenschap overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel niet enkel de lidstaten, maar eveneens hun deelgebieden betreft, voor zover deze over eigen wetgevende bevoegdheden beschikken die hun krachtens het nationale grondwettelijke recht zijn toegekend.


4. Verklaring van Ierland betreffende artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland

Ierland verklaart het voornemen te hebben maximaal gebruik te maken van zijn recht krachtens artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland om deel te nemen aan de aanneming van maatregelen overeenkomstig titel III A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voorzover zulks verenigbaar is met de handhaving van zijn gemeenschappelijk reisgebied („Common Travel Area") met het Verenigd Koninkrijk. Ierland wijst erop dat zijn deelneming aan het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de afspiegeling is van zijn wens om de „Common Travel Area" met het Verenigd Koninkrijk te handhaven teneinde het vrije verkeer naar en vanuit Ierland te optimaliseren.


5. Verklaring van België betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie

Bij de goedkeuring van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie verklaart België dat het, in overeenstemming met zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 1951 en het Protocol van New York van 1967, conform punt d van het enig artikel van dit Protocol, elk asielverzoek door een onderdaan van een andere lidstaat afzonderlijk zal behandelen.


6. Verklaringen van België, Frankrijk en Italië inzake het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie

België, Frankrijk en Italië merken op dat, gelet op de resultaten van de Intergouvernementele Conferentie, het Verdrag van Amsterdam niet beantwoordt aan de tijdens de Europese Raad van Madrid opnieuw bevestigde eis om wezenlijke vooruitgang te boeken bij de versterking van de instellingen.

Deze landen zijn van oordeel dat die versterking een essentiële voorwaarde is voor het afsluiten van de eerstvolgende toetredingsonderhandelingen. Zij zijn vastbesloten het Protocol op de meest passende wijze uit te voeren met betrekking tot de samenstelling van de Commissie en de weging van de stemmen en zijn van oordeel dat een duidelijke uitbreiding van de gevallen waarin met gekwalificeerde meerderheid wordt gestemd, één van de belangrijke elementen is waarmee rekening moet worden gehouden.


7. Verklaring van Frankrijk betreffende de situatie van de landen en gebieden overzee ten aanzien van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie

Frankrijk gaat ervan uit dat de invoering van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie het geografische toepassingsgebied van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord van Schengen, zoals dat is bepaald bij artikel 138, eerste alinea, van die Overeenkomst, onverlet laat.


8. Verklaring van Griekenland aangaande de Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties

Onder verwijzing naar de Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, herinnert Griekenland aan de Gemeenschappelijke Verklaring betreffende de berg Athos die is gehecht aan de Slotakte bij het Verdrag betreffende de toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschappen.


Verwijzingen

Van het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties, naar welk Handvest in artikel 1, tiende lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, zijn de gewijzigde Engelse en Franse tekst geplaatst in Trb. 1979, 37 en de herziene vertaling in Trb. 1987, 113; zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 277.

De West Europese Unie welke onder meer wordt genoemd in artikel 1, tiende lid, van het onderhavige Verdrag, is opgericht bij een op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag. Van dat Verdrag zijn tekst en vertaling afgedrukt in Stb. I 519; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 102. Het Verdrag is gewijzigd en aangevuld bij de volgende Protocollen:

– Protocol van 23 oktober 1954 (zie voor tekst Trb. 1954, 179)

– Protocol van 14 november 1988 (zie voor tekst Trb. 1989, 38)

– Protocol van 20 november 1992 (zie voor tekst Trb. 1993, 2).

De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie welke onder meer wordt genoemd in artikel 1, tiende lid, van het onderhavige Verdrag, is opgericht bij een op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Verdrag. Van dat Verdrag zijn tekst en vertaling afgedrukt in Stb. J 355; zie ook, laatstelijk, Trb. 1982, 104.

Van het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, naar welk Verdrag wordt verwezen in de preambule tot het Protocol inzake asiel voor onderdanen van Lid-Staten van de Europese Unie, is de tekst geplaatst in Trb. 1951, 154 en de herziene vertaling in Trb. 1990, 156.

Van het op 18 april 1951 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal tot wijziging van welk Verdrag het onderhavige Verdrag strekt, zijn de Franse tekst en de vertaling geplaatst in Trb. 1951, 82; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 77.

Van het op 28 juli 1951 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, naar welk Verdrag in artikel 2, vijftiende lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, is de tekst geplaatst in Trb. 1951, 131 en de vertaling in Trb. 1954, 88; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 136.

Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, tot wijziging van hetwelk het onderhavige Verdrag strekt, is de Franse tekst geplaatst in Trb. 1957, 75 en de Nederlandse tekst in Trb. 1957, 92; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 78.

Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, van welk Verdrag het onderhavige Verdrag strekt, is de Franse tekst geplaatst in Trb. 1957, 74 en de Nederlandse tekst in Trb. 1957, 91; zie ook, laatstelijk, Trb. 1998, 13.

De Europese Investeringsbank welke onder meer wordt genoemd in artikel 2, drieënveertigste lid, letter c, van het onderhavige Verdrag is ingesteld bij artikel 4B van het hierbovengenoemde Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Van het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1957, 91; zie blz. 130 e.v.; zie ook Trb. 1957, 249. Vergelijk ook het op 10 juli 1975 te Brussel tot stand gekomen Verdrag houdende wijziging van een aantal bepalingen van het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank (tekst in Trb. 1975, 119; zie ook Trb. 1977, 59). Vergelijk ook Trb. 1993, 95.

Van het op 13 december 1957 te Parijs tot stand gekomen Europees Verdrag betreffende uitlevering, naar welk Verdrag wordt verwezen in de preambule tot het Protocol inzake asiel voor onderdanen van Lid-Staten van de Europese Unie, zijn tekst en vertaling geplaatst in Trb. 1965, 9; zie ook, laatstelijk, Trb. 1997, 247.

Van het op 18 oktober 1961 te Turijn tot stand gekomen Europees Sociaal Handvest, naar welk Handvest in artikel 1 van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, is de tekst geplaatst in Trb. 1962, 3 en de vertaling in Trb. 1963, 90; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 233.

Op 21 oktober 1991 is een Protocol tot wijziging van het bovengenoemde Handvest tot stand gekomen, waarvan de tekst is geplaatst in Trb. 1992, 7 en de vertaling in Trb. 1992, 62. Voorts is nog op 9 november 1995 te Straatsburg een Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest inzake een collectief klachtensysteem, en op 3 mei 1996 te Straatsburg een Herzien Europees Sociaal Handvest tot stand gekomen.

Van het op 8 april 1965 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, met Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, tot wijziging van welk Verdrag en welk Protocol het onderhavige Verdrag strekt, zijn de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1965, 130; zie ook, laatstelijk, Trb. 1994, 266.

Van het op 31 januari 1967 te New York tot stand gekomen Protocol betreffende de status van vluchtelingen, naar welk Protocol in artikel 2, vijftiende lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, zijn de Engelse en de Franse tekst, alsmede de vertaling geplaatst in Trb. 1967, 76; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 138.

Van de op 20 september 1976 te Brussel tot stand gekomen Akte betreffende de rechtstreekse verkiezing van het Europees Parlement, tot wijziging van welke Akte het onderhavige Verdrag strekt, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1976,175; zie ook, laatstelijk, Trb. 1997, 000.

Van het op 28 mei 1979 te Athene tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk Belgie, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lid-Staten der Europese Gemeenschappen) en de Helleense Republiek betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, naar welk Verdrag wordt verwezen in de Verklaring van Griekenland aangaande de verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, bij het onderhavige Verdrag, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1979, 167; zie ook, laatstelijk, Trb. 1983, 168.

Van het op 28 april 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Zesde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, inzake de afschaffing van de doodstraf, naar welk Protocol is verwezen in de verklaring betreffende de afschaffing van de doodstraf, is de tekst geplaatst in Trb. 1983, 86 en de herziene vertaling in Trb. 1990, 160.

Van het op 14 juni 1985 te Schengen tot stand gekomen Akkoord tus-sen de Staten van de Benelux Economische Unie, van de Bonds-republiek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, naar welk Akkoord wordt verwezen in de preambule tot het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1985, 102; zie ook, laatstelijk, Trb. 1997, 121.

In paragraaf 2 van de bijlage bij het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, zijn de volgende Protocollen van toetreding tot het hierbovengenoemde Akkoord genoemd:

– Protocol van 27 november 1990 betreffende de toetreding vanItalië, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1991, 26; zie ook Trb. 1997, 123.

– Protocol van 25 juni 1991 betreffende de toetreding vanSpanje, waarvan de Nederlandse, de Franse en de Spaanse tekst is geplaatst in Trb. 1992, 48; zie ook Trb. 1997, 126;

– Protocol van 25 juni 1991 betreffende de toetreding van Portugal, waarvan de Nederlandse, de Franse en de Portugese tekst zijn geplaatst in Trb. 1992, 50; zie ook Trb. 1997, 125;

– Protocol van 6 november 1992 betreffende de toetreding vanGriekenland, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1993, 17; zie ook Trb. 1997, 296.

– Protocol van 28 april 1995 betreffende de toetreding vanOostenrijk, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1995, 176; zie ook Trb. 1998, 4;

– Protocol van 19 december 1996 betreffende de toetreding vanDenemarken, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 127;

– Protocol van 28 april 1995 betreffende de toetreding vanFinland, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 129;

– Protocol van 28 april 1995 betreffende de toetreding vanZweden, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 131.

Van de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, naar welke Overeenkomst wordt verwezen in de preambule tot het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, is de tekst geplaatst in Trb. 1990, 145; zie ook, laatstelijk, Trb. 1997, 122.

In paragraaf 2 van de bijlage bij het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, zijn de volgende Overeenkomsten van toetreding tot de hierbovengenoemde Overeenkomst genoemd:

– Overeenkomst van 27 november 1990 betreffende de toetreding vanItalië, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1991, 27; zie ook Trb. 1997, 124;

– Overeenkomst van 25 juni 1991 betreffende de toetreding vanSpanje, waarvan de Nederlandse, de Franse en de Spaanse tekst zijn geplaatst in Trb. 1992, 49; zie ook Trb. 1994, 45;

– Overeenkomst van 25 juni 1991 betreffende de toetreding vanPortugal, waarvan de Nederlandse, de Franse en de Portugese tekst zijn geplaatst in Trb. 1992, 51; zie ook Trb. 1994, 46;

– Overeenkomst van 6 november 1992 betreffende de toetreding vanGriekenland, de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1993, 18; zie ook Trb. 1997, 297;

– Overeenkomst van 28 april 1995 betreffende de toetreding vanOostenrijk, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1995, 177; zie ook Trb. 1998, 5;

– Overeenkomst van 19 december 1996 betreffende de toetreding vanDenemarken, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 128;

– Overeenkomst van 19 december 1996 betreffende de toetreding vanFinland, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 130;

– Overeenkomst van 19 december 1996 betreffende de toetreding vanZweden, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Trb. 1997, 132.

Van het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Verdrag betreffende de Europese Unie, tot wijziging van welk Verdrag het onderhavige Verdrag strekt, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1992, 74; zie ook, laatstelijk, Trb. 1998, 12.

Van de op 2 mei 1992 te Oporto tot stand gekomen Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, naar welke Overeenkomst in artikel 1 van het Protocol betreffende de toepassing van bepaalde aspecten van artikel 7A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op het Verenigd Koninkrijk en Ierland wordt verwezen, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1992, 132; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 150. Op 17 maart 1993 is te Brussel een Protocol tot aanpassing van deze Overeenkomst tot stand gekomen, waarvan de Nederlandse tekst is geplaatst in Trb. 1993, 69; zie ook, laatstelijk, Trb. 1995, 151.

Van het op 12 december 1992 te Edinburgh genomen Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders, in het kader van de Europese Raad bijeen, betreffende bepaalde problemen die Denemarken met betrekking tot het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de orde heeft gesteld, naar welk Besluit in het Protocol betreffende de positie van Denemarken, wordt verwezen, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1993, 51.

Van het op 24 juni 1994 te Korfoe tot stand gekomen Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie en Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, naar welk Verdrag in artikel 1, zestiende lid, van het onderhavige Verdrag wordt verwezen, is de Nederlandse tekst geplaatst in Trb. 1994, 200; zie ook Trb. 1995, 64.

De Europese Politiedienst (Europol) welke onder meer wordt genoemd in artikel 1, elfde lid, van het onderhavige Verdrag, is opgericht bij een op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Verdrag. Van dat Verdrag zijn de Nederlandse, de Engelse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1995, 282.

Van de op 27 september 1996 te Dublin tot stand gekomen Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, naar welke Overeenkomst wordt verwezen in de preambule tot het Protocol inzake asiel voor onderdanen van Lid-Staten van de Europese Unie, zijn de Nederlandse, de Engelse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1996, 304.

Van de op 19 december 1996 te Luxemburg tot stand gekomen Samenwerkingsovereenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Portugese Republiek, de Helleense Republiek, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, Partijen bij het Akkoord en bij de Overeenkomst van Schengen, en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, betreffende de afschaffing van de personencontroles aan de gemeenschappelijke grenzen, naar welke Overeenkomst wordt verwezen in de preambule tot het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, zijn de Nederlandse en de Franse tekst geplaatst in Trb. 1997, 133.

Uitgegeven de tweeëntwintigste januari 1998

De Minister van Buitenlandse Zaken a.i.,

W. KOK


XNoot
1

Afgedrukt in rubriek J van Trb. 1998, 12.

XNoot
2

Afgedrukt in rubriek J van Trb. 1998, 13.

XNoot
1

De Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse tekst zijn niet afgedrukt.

Naar boven