﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-35817/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de rechterlijke organisatie naar aanleiding van enkele technische wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="datum">15 juli 2026,</context.al>
          <context.al type="kenmerk">Nr. 8062934</context.al>
          <context.al type="origine">Directie Wetgeving en Juridische Zaken,</context.al>
          <context.al type="origine">Ministerie van Justitie en Veiligheid.</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de rechterlijke organisatie naar aanleiding van enkele technische wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 1 juli 2026, nr. 7655580, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 juli 2026, nr. W16.26.00183/II, bied ik U hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 1 juli 2026, no.2026001407, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de rechterlijke Organisatie naar aanleiding van enkele technische wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, met nota van toelichting.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De waarnemend vice-president van de Raad van State,</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">G.J.J. Heerma van Vos</nadruk>
            </al>
            <al>Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.</al>
            <al>Ten opzichte van het aan de Afdeling voorgelegde ontwerp is de inwerkingtredingsbepaling zodanig aangepast dat het besluit automatisch in werking treedt als de desbetreffende artikelen uit het bovenliggende wetsvoorstel tot stand zijn gekomen en in werking treden.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik moge U hierbij het hierbij gevoegde ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</functie>
            <naam>
              <voornaam>K.T. van</voornaam>
              <achternaam>Bruggen.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W16.26.00183/II</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 15 juli 2026</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 1 juli 2026, no.2026001407, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de rechterlijke Organisatie naar aanleiding van enkele technische wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, met nota van toelichting.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De waarnemend vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>G.J.J.</voornaam>
              <achternaam>Heerma van Voss.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit houdende wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de rechterlijke organisatie naar aanleiding van enkele technische wijzigingen in de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al bevat="voordracht">Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 juni 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7655580;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="grondslag">Gelet op de artikelen 16, zesde lid, 25, tweede lid, 86, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gehoord">De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .......... (datum en nummer));</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gezien">Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van (datum nader rapport), directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. (kenmerk nader rapport);</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Hebben goedgevonden en verstaan:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">I</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                <wat>Artikel 3 vervalt.</wat>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                <wat>Artikel 6 komt te luiden:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">6</nr>
                    </kop>
                    <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beëdiging buitengriffiers en waarnemend griffiers.</al>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
            </wijzig-artikel>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">II</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak komt te luiden:</wat>
              <wijziging>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">4</nr>
                  </kop>
                  <al>Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen, worden de in artikel 5, tweede en zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 aan het gerechtsbestuur, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, toekomende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.</al>
                </artikel>
              </wijziging>
            </wijzig-artikel>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">III</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Artikel 1 van het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraakkomt te luiden:</wat>
              <wijziging>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">1</nr>
                  </kop>
                  <al>Ten aanzien van gerechtsambtenaren, worden de in artikel 5, tweede en zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 aan het gerechtsbestuur toekomende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.</al>
                </artikel>
              </wijziging>
            </wijzig-artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">IV</nr>
              </kop>
              <al>Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.</al>
            </artikel>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>NOTA VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">1.</nr>
                <titel>Aanleiding</titel>
              </kop>
              <al>Naar aanleiding van de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra) is gebleken dat er nog een aantal aanpassingen vereist is in een drietal algemene maatregelen van bestuur (amvb’s), die pas doorgevoerd kunnen worden nadat er nog enkele wijzigingen in de Wet op de rechtelijke organisatie (Wet RO) zijn doorgevoerd. Het betreft het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers, het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak en het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak. De benodigde wijzigingen in de Wet RO zijn thans in procedure.<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>In het bij koninklijke boodschap van 7 november 2022 ingediende voorstel tot Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de Wet op de Raad van State en enige andere wetten in verband met enkele wijzigingen in het belang van integere, onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak, alsmede de regeling van enige andere onderwerpen, dat op 18 maart 2025 door de Tweede Kamer is aanvaard (Kamerstukken I 2024/25, <extref doc="kst-36243-A" soort="document" status="actief">36 243, A</extref>). De desbetreffende wijzigingen zijn opgenomen in artikel I, onderdelen B, D, F, H en I. Zie voor de toelichting daarop: Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-36243-3" soort="document" status="actief">36 243, nr. 3</extref>, p. 26–32.</noot.al></noot> Onderhavig besluit regelt de benodigde aanpassingen in de onderliggende amvb’s.</al>
              <al>Met de invoering van de Wnra per 1 januari 2020 is de rechtspositie van ambtenaren zoveel mogelijk gelijkgesteld aan die van werknemers in de private sector, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Daarmee is de rechtspositie van ambtenaren overgegaan van een publiekrechtelijk geregelde rechtspositie naar een privaatrechtelijk geregelde rechtspositie. Om dit te bewerkstelligen werd een wijziging van de Ambtenarenwet, thans Ambtenarenwet 2017 geheten, doorgevoerd. Met de Aanpassingswet Wnra is vervolgens wetgeving aangepast om deze in overeenstemming te brengen met de Wnra, gevolgd door de aanpassing van lagere regelgeving. Het bij de aanpassings- en invoeringsoperatie gehanteerde uitgangspunt was een technische en beleidsarme wijziging van regelgeving. In dat kader zijn ook wijzigingen doorgevoerd om onbedoelde effecten van de invoering te voorkomen, bijvoorbeeld waar het gaat om zeggenschap over het personeel. Bij het aanpassen van de algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) aan de invoering van de Wnra en de totstandkoming van de collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, is echter gebleken dat er nog enkele aanpassingen noodzakelijk zijn om de situatie en de feitelijke zeggenschap zoals deze bestond vóór de invoering van de Wnra te handhaven, naast een technische aanpassing die nodig is vanwege de gewijzigde kaders.</al>
              <al>Van belang is te benadrukken dat het hier niet gaat om aanpassingen ten aanzien rechterlijke ambtenaren. Binnen de rechterlijke organisatie zijn namelijk zowel rechterlijke ambtenaren, als ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 2017 werkzaam. Daarnaast geldt voor de buitengriffiers en waarnemend griffiers dat hier sprake is van een flexibele schil van personen die geen ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet 2017 en geen rechterlijk ambtenaar in de zin van de Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren (Wrra). De wijzigingen hebben uitsluitend betrekking op ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 2017, alsmede de laatstgenoemde flexibele schil. De verschillende aanpassingen zullen hierna worden toegelicht.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.</nr>
                <titel>Inhoud besluit</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop kopopmaak="cur">
                  <nr status="officieel">2.1</nr>
                  <titel>Wijziging van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers (artikel I)</titel>
                </kop>
                <al>Met de wijziging van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers in onderdeel A vervalt artikel 3 van dit besluit waarin regels zijn gesteld omtrent vergoeding per zitting voor de buitengriffier, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet RO en de waarnemend griffier, bedoeld in artikel 73, derde lid, van de Wet RO.</al>
                <al>Met de eerdergenoemde aanpassing van de Wet RO via wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref>, vervalt de laatste volzin van artikel 14, vierde lid, van de Wet RO, waarin is opgenomen dat aan de buitengriffiers volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels door het gerechtsbestuur een vergoeding wordt toegekend. Ook de grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels over de toekenning van een vergoeding aan een waarnemend griffier, opgenomen in artikel 73, derde lid, laatste volzin, van de Wet RO vervalt. Daarmee vervalt de grondslag voor artikel 3 van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers.</al>
                <al>Zoals in de toelichting op artikel I, onderdeel B, in het eerdergenoemde wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> is weergegeven, gaat het bij de buitengriffiers om een flexibele schil van personen die niet onder de werking van de Ambtenarenwet 2017 of onder de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) vallen. Concreet betekent dit dat het bijvoorbeeld gaat om personen die deze werkzaamheden verrichten als stage of op basis van een uitzendovereenkomst. Zoals eveneens in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel toegelicht geldt echter ook voor de buitengriffier, evenals voor de waarnemend griffier, dat het aanwijzingsbesluit voor het kunnen verrichten van werkzaamheden als buitengriffier en de onderliggende arbeidsverhouding twee verschillende dingen zijn. Voor de invoering van de Wnra kwamen de arbeidsverhouding en de toekenning van bevoegdheden ten behoeve van de uitoefening van een bepaalde functie vaak samen in het aanstellingsbesluit. Omdat een arbeidsovereenkomst geen grondslag kan zijn voor de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden is met de invoering van de Wnra de arbeidsverhouding losgekoppeld van de toekenning van bevoegdheden, door de voor de uitoefening van de functie benodigde bevoegdheden toe te kennen middels een aanwijzingsbesluit. Ook voor de buitengriffier en de waarnemend griffier geldt dat de arbeidsverhouding en het uitoefenen van bevoegdheden die bij de functie horen losstaande feiten zijn. Om die reden wordt de bepaling over de vergoeding die ziet op de arbeidsverhouding met onderhavig besluit dan ook geschrapt.</al>
                <al>Omdat het besluit met het schrappen van artikel 3 geen regels meer bevat over de vergoeding van buitengriffiers en waarnemend griffiers wordt met de wijziging opgenomen in onderdeel B de citeertitel aangepast.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop kopopmaak="cur">
                  <nr status="officieel">2.2</nr>
                  <titel>Wijziging van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak (artikel II)</titel>
                </kop>
                <al>Artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak wordt met onderhavige wijziging vervangen door een nieuw artikel met een andere strekking. Het vervallen van de inhoud van het huidige artikel 4 vindt plaats omdat de materie inhoudelijk met de bovengenoemde wijziging van de Wet RO wordt opgenomen in artikel 25, zevende lid, Wet RO.</al>
                <al>Artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak regelt thans dat het gerechtsbestuur, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid stelt om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van het niet-rechterlijk lid voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het gerechtsbestuur, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, een afschrift van de vervolgens gedane toekenning aan de Raad voor de rechtspraak. De inhoud van dit artikel wordt via de in het eerdergenoemde wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> opgenomen aanpassing van de Wet RO (artikel I, onderdeel D) verplaatst naar artikel 25, zevende lid, van die wet. Zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel, betreft het nieuwe artikel 25, zevende lid, een samenvoeging van het huidige artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak en het huidig artikel 1, eerste lid, van het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren Bureau Raad voor de rechtspraak waarin een vergelijkbare bepaling is opgenomen ten aanzien van gerechtsambtenaren (zie hierna). Vanuit het oogpunt van toegankelijke regelgeving is voorgesteld deze bepalingen op wetsniveau te regelen. Daarnaast geldt dat ten aanzien van rechterlijke ambtenaren een soortgelijke bepaling over schadeloosstelling eveneens op wetsniveau is geregeld (artikel 46, derde lid, Wrra).</al>
                <al>Met het nieuwe artikel 4, zoals opgenomen in artikel II van onderhavig besluit, wordt geregeld dat een aantal bevoegdheden die zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen worden uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.</al>
                <al>Vóór de invoering van de Wnra was de bevoegdheid om regels te stellen inzake het afleggen van de eed of de belofte opgenomen in artikel 51, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Op grond van artikel 4, vierde lid, van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak gold vóór de invoering van de Wnra dat de bevoegdheid om regels te stellen inzake het afleggen van de eed of de belofte toekwam aan de Raad voor de rechtspraak waar het ging om de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen. Met de invoering van de normalisering rechtspositie ambtenaren is een met artikel 51, tweede lid, van het ARAR vergelijkbare bevoegdheid opgenomen in artikel 5, tweede en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017. Deze bepalingen hebben betrekking hebben op het formulier dat wordt gebruikt voor het afleggen van de eed of de belofte en het vaststellen van de procedure omtrent de wijze van het afleggen van de eed of belofte. Zonder nadere regeling zouden deze bevoegdheden bij de gerechtsbesturen liggen waardoor er een verschuiving in bevoegdheden door de invoering van de normalisering zou plaatsvinden. Voor wat betreft het niet-rechterlijk lid van de Raad geldt, zoals toegelicht bij artikel I, onderdeel H, in de memorie van toelichting bij het eerdergenoemde wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref>, dat deze bevoegdheden reeds op grond van artikel 104a, eerste lid, van de Wet RO aan de Raad toekomen. Voor de overige onderdelen van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 geldt dat deze geen regeling bevatten die vergelijkbaar is met bevoegdheden die in het verleden bij de Raad voor de rechtspraak waren belegd.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop kopopmaak="cur">
                  <nr status="officieel">2.3</nr>
                  <titel>Wijziging Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak (artikel III)</titel>
                </kop>
                <al>Het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak regelt momenteel in artikel 1, eerste lid, dat het gerechtsbestuur de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid stelt advies uit te brengen inzake een ten aanzien van een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur, voorgenomen toekenning van een schadeloosstelling, kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5.000 bedraagt. Zoals hierboven toegelicht is in artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak een soortgelijke bepaling opgenomen, maar dan ten aanzien van een voorgenomen toekenning ten aanzien van het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur. Beide bepalingen worden via het eerdergenoemde wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> opgenomen in artikel 25, zevende lid, van de Wet RO.</al>
                <al>In artikel 1, tweede lid, is momenteel geregeld dat indien het gerechtsbestuur voornemens is in het kader van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een gerechtsambtenaar, niet zijnde het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur, een overeenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 670b, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met die gerechtsambtenaar, de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid wordt gesteld daarover advies uit te brengen. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het gerechtsbestuur een afschrift van de overeenkomst aan de Raad voor de rechtspraak. Deze bepaling wordt via het eerdergenoemde wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> opgenomen in artikel 25, achtste lid, Wet RO.</al>
                <al>Het huidige artikel 1 van het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak kan daarmee vervallen.</al>
                <al>In de nieuwe tekst van artikel 1 wordt, net als voor de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen, geregeld dat een aantal bevoegdheden opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 ten aanzien van gerechtsambtenaren toekomen aan de Raad voor de rechtspraak. Vóór de invoering van de Wnra gold op grond van artikel 1, vierde lid van het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak dat de in artikel 51, tweede lid, van het ARAR opgenomen bevoegdheid toekwam aan de Raad voor de rechtspraak ten aanzien van gerechtsambtenaren. Het nieuwe artikel 1 regelt dat de hiermee vergelijkbare bevoegdheden opgenomen in artikel 5, tweede en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 ten aanzien van gerechtsambtenaren eveneens toekomen aan de Raad voor de rechtspraak. Voor wat betreft de ambtenaren van het bureau van de Raad geldt, zoals toegelicht bij artikel I, onderdeel I, in de memorie van toelichting bij eerdergenoemd wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref>, dat deze bevoegdheden reeds op grond van artikel 104a, eerste lid, van de Wet RO aan de Raad toekomen.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">3.</nr>
                <titel>Consulatie.</titel>
              </kop>
              <al>Het ontwerpbesluit heeft geen gevolgen voor de regeldruk.</al>
              <al>Het ontwerpbesluit is ter consultatie voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak en de Hoge Raad.</al>
              <al>De Raad voor de rechtspraak concludeert zich te kunnen verenigen met het Besluit. Onder dankzegging voor de geboden gelegenheid te adviseren bericht de Hoge Raad geen aanleiding te zien daarvan gebruik te maken.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel I</titel>
                </kop>
                <al>Met onderdeel A vervalt artikel 3 van het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers, waarmee de bepalingen over de vergoeding voor buitengriffiers en waarnemend griffiers worden geschrapt.</al>
                <al>Met onderdeel B wordt de in artikel 6 opgenomen citeertitel van het besluit gewijzigd in ‘Besluit beëdiging buitengriffiers en waarnemend griffiers’ in verband met het vervallen van artikel 3.</al>
                <al>Een en ander is nader toegelicht in paragraaf 2.1.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel II</titel>
                </kop>
                <al>Met artikel II wordt artikel 4 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak opnieuw vastgesteld. Inhoudelijk wordt de materie zoals deze thans is opgenomen in artikel 4 met de in wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> opgenomen wijziging van de Wet RO opgenomen in artikel 25, zevende lid, van de Wet RO. Het nieuwe artikel 4 regelt dat de bevoegdheden, opgenomen in artikel 5, tweede en zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017, ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen worden uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.2.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel III</titel>
                </kop>
                <al>Met dit artikel wordt artikel 1 van het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak opnieuw vastgesteld. De inhoud van het huidige artikel 1 wordt met de in wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref> opgenomen wijziging van de Wet op de RO ondergebracht in artikel 25, zevende en achtste lid van de Wet RO. Het nieuwe artikel 1 regelt dat de bevoegdheden, opgenomen in artikel 5, tweede en zesde lid, van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017, ten aanzien van gerechtsambtenaren toekomen aan de Raad voor de rechtspraak. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.3.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel IV</titel>
                </kop>
                <al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van onderhavig besluit. Omdat de inwerkingtreding tegelijk zal plaatsvinden met de wijzigingen opgenomen in artikel I, onderdelen B, D, F, H en I, van eerdergenoemd wetsvoorstel <dossierref dossier="36243">36243</dossierref>, is, net als in voornoemd wetsvoorstel, gekozen voor inwerkingtreding per koninklijk besluit dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>