﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24854/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende nadere regels ter uitvoering van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening in verband met het aanwijzen van bevoegde organen, het leveren van bijstand door die bevoegde organen en de vergoedingen voor het hergebruik van gegevens (Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening)</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">2026-0000277370</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende nadere regels ter uitvoering van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening in verband met het aanwijzen van bevoegde organen, het leveren van bijstand door die bevoegde organen en de vergoedingen voor het hergebruik van gegevens (Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening).</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 14 juli 2025, nr. 2025001612, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 15 oktober 2025, nr. W04.25.00177/I, bied ik U, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft U hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.</al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2025, no.2025001612, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels ter uitvoering van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening in verband met het aanwijzen van bevoegde organen, het leveren van bijstand door die bevoegde organen en de vergoedingen voor het hergebruik van gegevens (Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening), met nota van toelichting.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">De vice-president van de Raad van State,</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een drietal delegatiebepalingen in het besluit nader toe te spitsen.</al>
              <al>De delegatiebepaling in artikel 2, derde lid, is nader gespecificeerd en geclausuleerd om het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) beter in staat te stellen om een goede uitvoering te geven aan diens taak als bevoegd orgaan onder de datagovernanceverordening. De delegatiebepaling in artikel 4, voormalig eerste lid, is gesplitst in twee nieuwe leden. Het eerste lid is anders geformuleerd om beter aan te sluiten bij de tekst van de Datagovernanceverordening. Het tweede lid betreft nu een dwingendrechtelijke bepaling ten aanzien van de doelbinding van gegevenshergebruik waarbij het CBS bijstand verleent. Hiermee wordt beoogd zeker te stellen dat deze gegevens niet worden hergebruikt voor andere dan statistische of wetenschappelijke doeleinden. De delegatiebepaling in artikel 5, derde lid, is juist facultatief gemaakt, omdat nader onderzoek heeft uitgewezen dat invulling van die grondslag niet op voorhand noodzakelijk is. Voorts is de nota van toelichting bij al deze onderwerpen aangevuld, in het bijzonder paragrafen 2.3 en 2.5 van het algemeen deel van de toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 2, derde lid, 4, eerste lid, 5, derde lid. Tot slot is de nota van toelichting aangevuld met een korte transponeringstabel.</al>
            </al-groep>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <?xpp ep?>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik moge U hierbij, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting (wederom) doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
            <naam>
              <voornaam>E. van der</voornaam>
              <achternaam>Burg.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W04.25.00177/I</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 15 oktober 2025</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 14 juli 2025, no.2025001612, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende nadere regels ter uitvoering van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening in verband met het aanwijzen van bevoegde organen, het leveren van bijstand door die bevoegde organen en de vergoedingen voor het hergebruik van gegevens (Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening), met nota van toelichting.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C. de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... houdende nadere regels ter uitvoering van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening in verband met het aanwijzen van bevoegde organen, het leveren van bijstand door die bevoegde organen en de vergoedingen voor het hergebruik van gegevens (Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening)</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al bevat="voordracht">Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. [kenmerk], gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="grondslag">Gelet op de artikelen 2, eerste en vierde lid, en 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet datagovernanceverordening;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gehoord">De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. [kenmerk]);</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gezien">Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. [kenmerk], uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Hebben goedgevonden en verstaan:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">1</nr>
                <titel>Begripsbepaling</titel>
              </kop>
              <al>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
              <definitielijst nr-sluiting="." plaatsing="inline" type="ongemarkeerd">
                <definitie-item>
                  <term>CBS:</term>
                  <definitie>
                    <al>CBS als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>centraal informatiepunt:</term>
                  <definitie>
                    <al>centraal informatiepunt als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de datagovernanceverordening;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>hergebruik:</term>
                  <definitie>
                    <al>hergebruik als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de datagovernanceverordening;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>hergebruiker:</term>
                  <definitie>
                    <al>natuurlijke of rechtspersoon die gegevens hergebruikt of daartoe een verzoek indient;</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
                <definitie-item>
                  <term>Onze Minister:</term>
                  <definitie>
                    <al>Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.</al>
                  </definitie>
                </definitie-item>
              </definitielijst>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">2</nr>
                <titel>CBS als bevoegd orgaan</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                <al>Het CBS wordt aangewezen als bevoegd orgaan voor het verlenen van bijstand als bedoeld in het tweede lid aan met een publieke taak belaste instellingen ten behoeve van statistische of wetenschappelijke doeleinden bij verzoeken van:</al>
                <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>universiteiten in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>bij wet ingestelde organisaties of instellingen voor wetenschappelijk onderzoek;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>c.</li.nr>
                    <al>bij of krachtens de wet ingestelde planbureaus;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>d.</li.nr>
                    <al>communautaire en nationale instanties voor de statistiek van de lidstaten van de Europese Unie;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>e.</li.nr>
                    <al>onderzoeksafdelingen van ministeries en andere diensten, organisaties en instellingen.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                <al>De te verlenen bijstand omvat de bijstand, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onderdelen a tot en met c, van de datagovernanceverordening, met uitzondering van bijstand ten aanzien van het verwijderen van commercieel vertrouwelijke informatie, bedrijfsgeheimen en door intellectuele eigendomsrechten beschermde inhoud.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                <al>Bij ministeriële regeling kan de taakomschrijving van het CBS nader worden omschreven.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">3</nr>
                <titel>Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als bevoegd orgaan</titel>
              </kop>
              <al>Onze Minister wordt aangewezen als bevoegd orgaan voor het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 7 van de datagovernanceverordening, voor zover het CBS op grond van artikel 2 niet als bevoegd orgaan is aangewezen.</al>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">4</nr>
                <titel>Voorwaarden voor hergebruik</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                <al>Bij ministeriële regeling kan ten aanzien van ieder bevoegd orgaan nader worden bepaald welke voorwaarden voor dat bevoegd orgaan noodzakelijk zijn om diens bevoegdheid en taak goed te kunnen invullen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                <al>De met een publieke taak belaste instelling legt de in het eerste lid bedoelde voorwaarden op aan de hergebruiker en kan deze aanvullen met eigen voorwaarden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">5</nr>
                <titel>Kosten bevoegde organen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                <al>Een bevoegd orgaan kan aan de met een publieke taak belaste instelling kosten in rekening brengen voor het verlenen van bijstand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                <al>De kosten die een bevoegd orgaan in rekening brengt, worden afgeleid van de marginale kosten die het bevoegd orgaan maakt voor het verlenen van die bijstand, vermeerderd met een redelijk deel van de vaste kosten die het bevoegd orgaan maakt om in algemene zin bijstand te kunnen leveren. Het in rekening gebrachte redelijk deel van de vaste kosten is in ieder geval niet hoger dan de in rekening gebrachte marginale kosten voor diezelfde bijstand.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                <al>Onze Minister stelt jaarlijks de maximale hoogte van het redelijk deel van de vaste kosten vast. Dit gebeurt op voorstel van het bevoegd orgaan, tenzij Onze Minister zelf het betreffende bevoegd orgaan is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                <al>De kosten die een bevoegd orgaan in rekening kan brengen, worden bij ministeriële regeling vastgelegd. Een overzicht van deze kosten wordt kosteloos aangeboden aan de met een publieke taak belaste instelling zodra die om bijstand verzoekt. Dit overzicht wordt door het bevoegd orgaan tevens kosteloos openbaar gemaakt via het centraal informatiepunt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                <al>Onze Minister vergoedt aan het bevoegd orgaan, bedoeld in artikel 2, jaarlijks de kosten die het heeft gemaakt voor het verlenen van bijstand, voor zover deze kosten niet reeds op grond van het eerste lid in rekening zijn of zullen worden gebracht, of in rekening hadden kunnen worden gebracht maar daar door het bevoegde orgaan vrijwillig vanaf is gezien.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">6</nr>
                <titel>Vergoedingen met een publieke taak belaste instelling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                <al>Indien een met een publieke taak belaste instelling aan een hergebruiker een vergoeding in rekening brengt, wordt die vergoeding afgeleid van de kosten die het bevoegd orgaan bij de met een publieke taak belaste instelling in rekening brengt, vermeerderd met ten hoogste de additionele kosten die de met een publieke taak belaste instelling zelf maakt om aan het verzoek om hergebruik te voldoen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                <al>Bij ministeriële regeling kunnen de additionele kosten die op grond van het eerste lid in rekening worden gebracht, worden gemaximeerd of kan worden voorzien in eenduidige criteria voor de wijze waarop deze additionele kosten worden berekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                <al>Een met een publieke taak belaste instelling publiceert via het centraal informatiepunt de categorieën van handelingen waarvoor additionele kosten in rekening worden gebracht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                <al>Bij het in behandeling nemen van een verzoek om hergebruik, biedt de met een publieke taak belaste instelling aan de hergebruiker inzicht in de kosten, tarieven en berekeningsmethoden van alle kosten die in rekening zullen worden gebracht, alvorens de hergebruiker bepaalt of deze diens verzoek om hergebruik wil voortzetten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                <al>Het ontvangen van inzicht in de kosten, tarieven en berekeningsmethoden als bedoeld in het derde lid, is kosteloos voor de hergebruiker.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">7</nr>
                <titel>Inwerkingtreding</titel>
              </kop>
              <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.</al>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr status="officieel">8</nr>
                <titel>Citeertitel</titel>
              </kop>
              <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening.</al>
            </artikel>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
            </ondertekening>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Economische Zaken,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>NOTA VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">I.</nr>
                <titel>Algemeen deel</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <al>De Uitvoeringswet datagovernanceverordening (hierna: Uitvoeringswet)<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-36451-2" soort="document" status="actief">36 451, nr. 2</extref>.</noot.al></noot> strekt tot uitvoering van de verordening (EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende de Europese datagovernance en tot wijziging van verordening (EU) 2018/1724 (datagovernanceverordening) (hierna: de verordening). Deze Uitvoeringswet bevat een aantal delegatiegrondslagen. Het onderhavige Uitvoeringsbesluit datagovernanceverordening (hierna: besluit) geeft hieraan gevolg.</al>
                <al>In dit besluit worden ter uitvoering van de verordening bevoegde organen aangewezen voor het verlenen van bijstand (artikel 2, eerste lid, Uitvoeringswet) en worden ten aanzien van deze bevoegde organen regels gesteld over de reikwijdte en invulling van hun bevoegdheden en taken en de vergoeding van kosten voor de bijstand (artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet). Tot slot worden in dit besluit regels gesteld met betrekking tot de criteria en de methode voor de verrekening van de kosten voor het hergebruik van de gegevenscategorieën zoals genoemd in artikel 3, eerste lid van de verordening (artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet) (hierna: beschermde gegevens).</al>
                <al>Deze onderwerpen behoren primair tot het beleidsterrein van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die de eerste ondertekenaar is van dit besluit. De Minister van Economische Zaken is medeondertekenaar vanwege de stelselverantwoordelijkheid ten aanzien van het CBS. Daarnaast is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor de uitvoering van de verordening ten aanzien van de databemiddelingsdiensten (hoofdstuk III en verwante artikelen van de verordening). Artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringswet bevat een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot de vergoeding voor de aanmelding van aanbieders van databemiddelingsdiensten. In dit besluit wordt daar nog geen gevolg aan gegeven, maar indien de Minister van Economische Zaken in de toekomst wel gebruik maakt van die grondslag, dan zullen ook deze regels landen in dit besluit. Deze nota van toelichting is opgesteld mede namens de Minister van Economische Zaken.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Hoofdlijnen van het besluit</titel>
                </kop>
                <al>In dit besluit worden ter uitvoering van de verordening bevoegde organen voor het verlenen van bijstand aangewezen, wordt invulling gegeven aan hun bevoegdheden en taken en wordt nader uitgewerkt welke kosten bij een verzoek om bijstand in rekening gebracht mogen worden. Het betreft de uitvoering van de artikelen 6, zesde lid, (criteria en methode berekening vergoedingen voor hergebruik) en 7, eerste lid, (aanwijzen bevoegde organen), van de verordening. De inhoud van de verordening is nader toegelicht in hoofdstuk 3 van het algemene deel van de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet.<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-36451-3" soort="document" status="actief">36 451, nr. 3</extref>, p. 3–8.</noot.al></noot></al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.1</nr>
                    <titel>Aanwijzing bevoegd orgaan</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 7, eerste lid, van de verordening verplicht om één of meerdere bevoegde organen voor het verlenen van bijstand aan te wijzen. Deze organen zijn bevoegd om met een publieke taak belaste instellingen bij te staan bij het verlenen van toegang met het oog op hergebruik onder de verordening. Artikel 7, tweede lid, van de verordening biedt ook de mogelijkheid om bevoegde organen zelf het recht te geven om toegang met het oog op hergebruik te verlenen. Van die mogelijkheid wordt in dit besluit echter geen gebruik gemaakt. Bevoegde organen treden dus slechts op als verwerker namens andere met een publieke taak belaste instellingen. De met een publieke taak belaste instellingen bepalen zelf tot welke gegevens een hergebruiker toegang wordt geboden. Zij blijven dus zelf verwerkingsverantwoordelijke ten aanzien van die gegevens. De bevoegde organen kunnen overigens zelf ook met een publieke taak belaste instellingen zijn, dus bij een hergebruikverzoek dat betrekking heeft op hun gegevens.</al>
                  <al>Het doel van het aanwijzen van bevoegde organen is dat het laagdrempeliger wordt voor met een publieke taak belaste instellingen om het hergebruik zoals bedoeld in de verordening te faciliteren. Het gaat daarbij om het hergebruik van bepaalde categorieën gegevens die te gevoelig zijn om als open data onder de werking van de Open data richtlijn<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie.</noot.al></noot> te vallen, maar niet zo gevoelig zijn dat er geen enkele vorm van hergebruik mogelijk is, mits de gegevens voldoende beschermd blijven. Specifiek gaat het om gegevens die zijn beschermd op grond van het handelsgeheim (waaronder bedrijfs- of beroepsgeheim), het statistisch geheim, de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten van derden en de bescherming van persoonsgegevens. Door gebruik te maken van de bijstand van bevoegde organen, hoeven met een publieke taak belaste instellingen niet zelf over alle technische en/of juridische kennis te beschikken die nodig is om dit type hergebruik goed te faciliteren. Daarmee wordt gestimuleerd dat dit type hergebruik vaker mogelijk wordt. De bevoegdheid van een bevoegd orgaan mag worden beperkt tot een specifieke sector. In dit besluit wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.</al>
                  <al>Bevoegde organen moeten beschikken over voldoende juridische, financiële, technische en personele middelen, waaronder de noodzakelijke technische kennis. Het is daarom wenselijk om voor het aanwijzen van bevoegde organen te kijken naar overheidsorganisaties die zoveel mogelijk al beschikken over de vereiste middelen en kennis. Als voorbeeld noemt de verordening de ervaring die organisaties vergelijkbaar met het CBS al hebben opgedaan met veilige verwerkingsomgevingen die worden gebruikt voor onderzoek naar statistische microgegevens, op basis van Verordening (EU) nr. 557/2013 van de Commissie.<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Zie overweging 7 bij Verordening (EU) nr. 557/2013 van de Commissie van 17 juni 2013 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese statistiek, wat de toegang tot vertrouwelijke gegevens voor wetenschappelijke doeleinden betreft, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 831/2002.</noot.al></noot></al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2</nr>
                    <titel>Bijstand door bevoegd orgaan</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de verordening omvat de bijstand door het bevoegd orgaan, indien nodig:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a)</li.nr>
                        <al>technische steun, door een beveiligde verwerkingsomgeving ter beschikking te stellen voor het verlenen van toegang tot gegevens met het oog op hergebruik;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b)</li.nr>
                        <al>richtsnoeren over hoe die gegevens het best kunnen worden gestructureerd en opgeslagen zodat ze gemakkelijk toegankelijk zijn, en de daarbij benodigde technische steun;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c)</li.nr>
                        <al>technische steun voor pseudonimisering en de garantie dat de gegevensverwerking plaatsvindt op een wijze die de privacy, vertrouwelijkheid, integriteit en toegankelijkheid van de informatie in de gegevens waarvoor hergebruik wordt toegestaan, effectief beschermt, met inbegrip van technieken voor de anonimisering, veralgemening, schrapping en randomisering van persoonsgegevens of andere geavanceerde methoden voor privacybescherming, en de verwijdering van commercieel vertrouwelijke informatie, met inbegrip van bedrijfsgeheimen of door intellectuele-eigendoms<?xpp afbm?>rechten beschermde inhoud;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d)</li.nr>
                        <al>waar relevant, het bijstaan van de openbare lichamen bij het ondersteunen van hergebruikers die datasubjecten verzoeken om toestemming voor hergebruik of gegevenshouders verzoeken om toelating in overeenstemming met hun specifieke besluiten, inclusief wat betreft de jurisdictie waar men de gegevensverwerking wil laten plaatsvinden, en het bijstaan van de openbare lichamen bij het opzetten van technische mechanismen die de doorgifte van verzoeken om toestemming of toelating van hergebruikers mogelijk maken, indien praktisch haalbaar;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e)</li.nr>
                        <al>het bijstaan van de openbare lichamen bij het beoordelen van de toereikendheid van de door een hergebruiker aangegane contractuele verbintenissen, op grond van artikel 5, lid 10.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>De bevoegde organen moeten volgens overweging 26 van de verordening met een publieke taak belaste instellingen <nadruk type="cur">‘bijstaan met geavanceerde technieken, onder meer wat betreft de beste manier om gegevens te structureren en op te slaan teneinde ervoor te zorgen dat zij gemakkelijk toegankelijk worden, met name via applicatieprogramma-interfaces, alsook wat betreft het interoperabel, overdraagbaar en doorzoekbaar maken van gegevens, rekening houdend met de beste praktijken voor gegevensverwerking, alsmede met bestaande regulerings- en technische normen en beveiligde verwerkingsomgevingen, die het mogelijk maken gegevens te analyseren zonder het vertrouwelijke karakter van die informatie te schenden.’</nadruk></al>
                  <al>Volgens de verordening houdt het bijstaan van met een publieke taak belaste instellingen in dat zij <nadruk type="cur">‘op verzoek worden geïnformeerd over de beste praktijken betreffende de wijze waarop aan de in deze verordening neergelegde vereisten kan worden voldaan, zoals de technische middelen om een beveiligde verwerkingsomgeving beschikbaar te stellen of de technische middelen om privacy en vertrouwelijkheid te waarborgen’</nadruk> indien toegang wordt verleend tot het hergebruik van gegevens die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.</al>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">‘De bevoegde organen moeten daarbij handelen in overeenstemming met de instructies van de met een publieke taak belaste instelling.’</nadruk> Omdat een bevoegd orgaan handelt in overeenstemming met de instructies van een met een publieke taak belaste instelling ligt de aansprakelijkheid voor eventuele eigendomsrechten bij de met een publieke taak belaste instelling die gegevens aan het bevoegd orgaan ter beschikking stelt.</al>
                  <al-groep>
                    <al>In paragraaf 4.1.2. van het algemene deel van de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-36451-3" soort="document" status="actief">36 451, nr. 3</extref>, p. 10–11.</noot.al></noot> wordt nader ingegaan op het aanwijzen van bevoegde organen en wordt aangegeven uit welke onderdelen de bijstand kan bestaan.</al>
                    <al>In artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringswet wordt benadrukt dat de gegevens die een bevoegd orgaan ontvangt in dit kader niet verwerkt mogen worden voor andere doeleinden dan de uitoefening van die bijstand.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3</nr>
                    <titel>Aanwijzing CBS als bevoegd orgaan</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit besluit wordt het CBS aangewezen als bevoegd orgaan voor het verlenen van bepaalde vormen van bijstand aan met een publieke taak belaste instellingen voor hergebruik van hun gegevens voor statistische en wetenschappelijke doeleinden, bij verzoeken die worden gedaan door (bepaalde) onderzoeksorganisaties (artikel 2).</al>
                  <al>Het CBS heeft op grond van de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: Wet CBS) tot taak het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van die statistieken (artikel 3). Die in het kader van de uitoefening van deze taak ontvangen gegevens worden niet verstrekt aan anderen dan degenen die belast zijn met de uitvoering van de taak van het CBS (artikel 37). In afwijking daarvan kan het CBS op verzoek van bepaalde onderzoekers ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek een verzameling van gegevens verstrekken met betrekking tot het gebruik waarvan passende maatregelen zijn genomen om herkenning van afzonderlijke personen, huishoudens, ondernemingen of instellingen te voorkomen.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Het CBS beschikt zodoende over veel expertise op het gebied van toegang verlenen tot beschermde gegevens (microdata) ten behoeve van statistisch en wetenschappelijk onderzoek op een zodanige wijze dat de privacy gewaarborgd blijft. Het CBS beschikt over de technische kennis die artikel 7, derde lid, van de verordening vereist van een bevoegd orgaan. Het CBS is echter als organisatie wel gericht op statistiek. Om efficiënt om te gaan met bestaande expertise en met de financiële middelen, is er daarom voor gekozen het CBS alleen aan te wijzen als bevoegd orgaan voor de sector wetenschap en statistiek. Het CBS wordt alleen aangewezen als bevoegd orgaan in gevallen waarin de hergebruiker een onderzoeksorganisatie is die ook onder Wet CBS toegang zou kunnen krijgen tot CBS-microdata. Het gaat om de in artikel 41 van de Wet CBS beschreven organisaties:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>universiteiten in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>bij wet ingestelde organisaties of instellingen voor wetenschappelijk onderzoek;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>bij of krachtens de wet ingestelde planbureaus;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>de communautaire en nationale instanties voor de statistiek van de lidstaten van de Europese Unie; of</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>onderzoeksafdelingen van ministeries en andere diensten, organisaties en instellingen.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn om een bijstandsverzoek te kunnen honoreren.</al>
                  </al-groep>
                  <al>Wanneer de met een publieke taak belaste instelling een hergebruikverzoek ontvangt van een organisatie die niet onder de bovengenoemde categorieën valt of indien die organisatie gegevens wil hergebruiken voor andere doeleinden dan wetenschap of statistiek, kan de met een publieke taak belaste instelling niet de hulp inroepen van het CBS. Wel is het mogelijk om in dat geval bijstand te vragen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister van BZK), die wordt aangewezen als rest-bevoegd orgaan.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Het CBS zal als bevoegd orgaan binnen de hiervoor genoemde kaders de volgende in artikel 7, vierde lid, onderdelen a tot en met c, van de verordening genoemde taken gaan verrichten:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>Het ter beschikking stellen van een beveiligde verwerkingsomgeving aan met een publieke taak belaste instellingen om hun gegevens te ontsluiten voor hergebruik. Dit betreft gegevens die het CBS niet zal gebruiken voor uitvoering van de wettelijke statistische taak op grond van de Wet CBS, de taak van bevoegd orgaan staat daar los van;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>Het opstellen van richtlijnen voor het structureren en opslaan van gegevens;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>Het geven van technische steun bij het pseudonimiseren van persoonsgegevens.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Daarmee zijn er ook een aantal taken genoemd in artikel 7, vierde lid, van de verordening die het CBS niet gaat verrichten:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>Onderdeel c: Het CBS beschikt niet over de expertise om te beoordelen wanneer sprake is van commercieel vertrouwelijke informatie, met inbegrip van bedrijfsgeheimen of door IE-rechten beschermde inhoud en kan daarom geen bijstand leveren ten aanzien van het verwijderen van dergelijke inhoud.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>Onderdeel d: Ook beschikt het CBS niet over de expertise om te ondersteunen bij het vragen van toestemming bij individuele personen om de gegevens die de met een publieke taak belaste instellingen gegenereerd hebben te ontsluiten voor andere doeleinden. Het bieden van deze vorm van bijstand is voor het CBS niet haalbaar.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>Onderdeel e: In de derde plaats beschikt het CBS ook niet over de expertise om te beoordelen wanneer een contract voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, tiende lid, van de verordening aangaande doorgifte aan derde landen. Het CBS kan enkel toestaan dat toegang tot data in zijn beveiligde verwerkingsomgeving wordt verleend aan instellingen in derde landen die gevestigd zijn in landen met een niveau van bescherming van persoonsgegevens dat gelijkwaardig is aan dat van de EU.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Een met een publieke taak belaste instelling die behoefte heeft aan bijstand met betrekking tot deze taken, kan daartoe geen beroep doen op het CBS, maar kan ook hiervoor eventueel een beroep doen op bijstand van de Minister van BZK.</al>
                  </al-groep>
                  <al>Het CBS toetst of een verzoek om bijstand valt binnen diens bevoegdheid op grond van artikel. Hiervoor zullen bij ministeriële regeling nadere voorwaarden worden gesteld.</al>
                  <al>Bij de verlening van toegang tot microdata op grond van artikel 41 van de wet CBS aan onderzoekers neemt het CBS technische maatregelen vooraf om gegevens te beveiligen en te ontdoen van direct herkenbare elementen alvorens deze worden gebruikt voor statistisch of wetenschappelijk onderzoek. Tevens wordt beoordeeld of het verzoek om de gegevens voldoet aan de principes van doelbinding en dataminimalisatie. Daarnaast vormt controle op de onthulling bij de output een voorwaarde ter bescherming van herkenning van afzonderlijke personen, huishoudens, ondernemingen en instellingen. Verdere verwerking van persoonsgegevens moet alleen mogelijk zijn als er een voldoende niveau van bescherming kan worden gegarandeerd. Wanneer een gebruiker is gevestigd in een land waar de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: ‘AVG’) niet van toepassing is, kan hergebruik alleen worden toegestaan indien er een daaraan gelijkwaardig niveau van bescherming bestaat overeenkomstig artikel 45 AVG. Het voornemen is dat met een publieke taak belaste instellingen vergelijkbare voorwaarden hanteren bij het hergebruik van gegevens.</al>
                  <al>In artikel 2, tweede lid, van de Uitvoeringswet wordt benadrukt dat de gegevens die een bevoegd orgaan ontvangt in dit kader niet verwerkt mogen worden voor andere doeleinden dan de uitoefening van die bijstand. Dit betekent dat het CBS de gegevens van de met een publieke taak belaste instelling niet langer bewaart dan noodzakelijk is voor de bijstand van dat specifieke verzoek om hergebruik en onmiddellijk daarna vernietigt. Het bewaren en archiveren van de gegevens na het hergebruik blijft de verantwoordelijkheid van de met een publieke taak belaste instelling.</al>
                  <al>De rol van bevoegd orgaan betreft een nieuwe wettelijke taak die los staat van de wettelijke statistische taak die het CBS reeds heeft op grond van de Wet CBS. De rol van bevoegd orgaan is een ondersteunende taak om andere met een publieke taak belaste instellingen te helpen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een ministerie (de met een publieke taak belaste instelling) die beschermde gegevens voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar wil stellen aan een universiteit (de hergebruiker) en daarbij de hulp inroept van het CBS (het bevoegd orgaan). Het CBS moet daarbij handelen in overeenstemming met de instructies van de met een publieke taak belaste instelling.<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Zie overweging 26 bij de datagovernanceverordening.</noot.al></noot> Het CBS kan hiervoor kosten in rekening brengen bij de met een publieke taak belaste instelling. Omdat deze taak los staat van de wettelijke statistische taak van het CBS zoals vastgelegd in de Wet CBS, betreft het verlenen van bijstand geen aanvullende statistische dienst zoals bedoeld in de Beleidsregel taakuitoefening CBS (hierna: Beleidsregel) en is het verlenen van bijstand niet gebonden aan de systematiek van integrale kostprijs zoals opgenomen in de Beleidsregel en gehanteerd voor aanvullende statistische diensten die het CBS levert. Daarom wordt de financiering van deze bijstand geregeld via artikel 5 van dit besluit. Zie paragraaf 2.5 voor meer toelichting daarop.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.4</nr>
                    <titel>De Minister van BZK als bevoegd orgaan</titel>
                  </kop>
                  <al>Het CBS wordt alleen als bevoegd orgaan voor de sector wetenschap en statistiek aangewezen, ten behoeve van het hergebruik van onderzoeksorganisaties en alleen voor zover het bepaalde vormen van bijstand betreft. Omdat er meer relevante sectoren bestaan waarvoor het Nederlandse recht een grondslag voor hergebruik kent en er mogelijk behoefte is aan de andere vormen van bijstand die in de dataverordening worden genoemd, dient er naast het CBS een ander bevoegd orgaan te worden aangewezen.</al>
                  <al>De Minister van BZK zal in deze gevallen voorlopig zelf de rol van bevoegd orgaan vervullen. Dit wordt geregeld in artikel 3. Omdat de minister niet beschikt over een virtuele beveiligde verwerkingsomgeving op afstand, zoals bedoeld onder artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de verordening kan de minister voorlopig alleen een fysieke beveiligde verwerkingsomgeving en andere vormen van bijstand aanbieden. Nader zal worden onderzocht of in de nabije toekomst een andere (overheids)organisatie de rol van bevoegd orgaan van de minister kan overnemen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.5</nr>
                    <titel>Vergoedingen voor het hergebruik van gegevens</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Met een publieke taak belaste instellingen mogen ingevolge artikel 6, eerste lid, van de verordening een vergoeding vragen voor het hergebruik van gegevens. Deze vergoedingen moeten transparant, niet-discriminerend, evenredig en objectief gerechtvaardigd zijn en mogen niet concurrentiebeperkend zijn (artikel 6, tweede lid). De verordening vereist dat deze vergoedingen online betaald kunnen worden met behulp van algemeen beschikbare grensoverschrijdende betaaldiensten, zodat van het hergebruik gebruik gemaakt kan worden ongeacht de plaats in de Europese Unie (artikel 6, derde lid).</al>
                    <al>Het uitgangspunt in dit besluit is dat de kosten voor hergebruik volledig als vergoeding worden doorberekend aan de hergebruikers. Bij ministeriële regeling kan echter worden bepaald dat de kosten die een met een publieke taak belaste instelling aan een hergebruiker in rekening brengt, worden gemaximeerd of volgens bepaalde criteria worden berekend. Het staat met een publieke taak belaste instellingen daarnaast vrij om geen of een lagere vergoeding te vragen, mits daarbij iedere hergebruiker in dezelfde categorie gelijk wordt behandeld. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de verordening, hebben met een publieke taak belaste instellingen de mogelijkheid om bepaalde categorieën hergebruikers, zoals maatschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen, wat dat betreft een voorkeursbehandeling te geven. In dat geval moeten zij een lijst opstellen met criteria waaraan de betreffende hergebruiker moet voldoen. De met een publieke taak belaste instelling moet in dat geval de kosten voor het hergebruik zelf financieren.</al>
                    <al>De vergoedingen worden afgeleid van de kosten voor het voeren van de procedure in verband met het verzoeken tot hergebruik van gegevens onder de verordening en worden op basis van artikel 6, vijfde lid van de verordening beperkt tot de noodzakelijke kosten in verband met:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a)</li.nr>
                        <al>de reproductie, verstrekking en verspreiding van gegevens;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b)</li.nr>
                        <al>de vereffening van rechten;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c)</li.nr>
                        <al>anonimisering of andere vormen van voorbereiding van persoonsgegevens en commercieel vertrouwelijke gegevens als bepaald in artikel 5, derde lid, van de datagovernanceverordening;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d)</li.nr>
                        <al>het onderhoud van de veilige verwerkingsomgeving;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e)</li.nr>
                        <al>het verkrijgen van het recht om hergebruik overeenkomstig dit hoofdstuk toe te staan aan derden buiten de openbare sector; en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>f)</li.nr>
                        <al>het bijstaan van hergebruikers bij het verkrijgen van toestemming van datasubjecten en toelating van gegevenshouders, van wie de rechten en belangen door hergebruik in het geding kunnen komen.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>De verordening schrijft voor (artikel 6, zesde lid) dat de criteria en methode voor de berekening van vergoedingen door de lidstaat worden vastgesteld. De Uitvoeringswet bevat een grondslag in artikel 3, eerste lid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot de criteria en de methode voor de berekening van de vergoedingen voor het hergebruik van de in artikel 3, eerste lid, van de verordening bedoelde gegevenscategorieën. Deze uitwerking vindt plaats in de artikelen 5 en 6 van dit Uitvoeringsbesluit.</al>
                  <al>Tegelijkertijd zullen veel kosten naar verwachting primair door het bevoegd orgaan worden gemaakt en niet door de met een publieke taak belaste instelling zelf. Het is van belang dat ook deze kosten uiteindelijk aan de hergebruiker worden doorberekend. De verordening gaat er echter niet vanuit dat bevoegde organen deze kosten direct bij een hergebruiker in rekening brengen. Daarom wordt in dit besluit geregeld dat bevoegde organen de kosten voor het leveren van bijstand aan de met een publieke taak belaste instellingen in rekening kunnen brengen (artikel 5), zodat zij dit weer kunnen doorberekenen aan de hergebruiker. De grondslag hiervoor ligt in het laatste zinsdeel van artikel 2, vierde lid van de Uitvoeringswet, dat ziet op het stellen van regels over de vergoeding van de kosten voor het leveren van bijstand. Voor deze kosten geldt overigens dat zij moeten zijn onder te brengen bij een van de in artikel 6, vijfde lid, van de verordening genoemde categorieën.</al>
                  <al>Het bevoegd orgaan mag in de eerste plaats kosten in rekening brengen die moeten worden gemaakt voor het bieden van die specifieke bijstand. Daarmee wordt bedoeld: alle meerkosten die het moet maken om de met een publieke taak belaste instelling bij te staan bij dit specifieke hergebruikverzoek. Daarnaast heeft het bevoegd orgaan waarschijnlijk ook vaste kosten die het moet maken om bijstand te kunnen bieden aan met een publieke taak belaste instellingen, zoals het onderhoud van een beveiligde verwerkingsomgeving. Deze kosten zijn grotendeels onafhankelijk van een specifiek hergebruikverzoek maar worden wel alleen gemaakt om bijstand te kunnen bieden. Voor deze kosten mag daarom maar een redelijk deel daarvan bij een specifiek verzoek in rekening worden gebracht aan de met een publieke taak belaste instelling. De Minister van BZK vergoedt aan bevoegde organen alle vaste kosten die zij niet hebben kunnen verhalen op met een publieke taak belaste instellingen.</al>
                  <al>De Minister van BZK stelt bij ministeriële regeling vast wat dat redelijk deel van de vaste kosten inhoudt, op voorstel van het bevoegd orgaan. De Minister van BZK betaalt uiteindelijk de kosten die het bevoegd orgaan niet kan verhalen op de met een publieke taak belaste instellingen. Om welk bedrag dat uiteindelijk zal gaan, wordt deels bepaald door het redelijk deel van de vaste kosten dat het bevoegd orgaan in rekening kan brengen per hergebruik. Het ligt daarom in de rede dat de minister uiteindelijk bepaalt wat dat redelijke deel van de vaste kosten precies is. Het bevoegd orgaan heeft echter meer inzicht in de kosten die het zelf zal moeten maken. Daarom doet het bevoegd orgaan een voorstel voor deze verdeling. Uiteraard mag dat deel van de vaste kosten per individueel geval van bijstand niet te hoog worden. Daarom bepaalt artikel 5, derde lid, van het besluit dat het in rekening gebrachte redelijk deel van die vaste kosten in ieder geval niet hoger mag zijn dan het redelijk deel van de vaste kosten die bij de met een publieke taak belaste instelling voor diezelfde bijstand in rekening worden gebracht.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Verhouding tot hoger recht</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.1</nr>
                    <titel>Inleiding</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit uitvoeringsbesluit betreft een uitwerking van de artikelen 2, eerste en vierde lid, en 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de datagovernanceverordening. In de overwegingen bij de verordening is al toegelicht hoe die zich verhoudt tot het Verdrag betreffende de Europese Unie (overweging 63), het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (overweging 1), het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (overweging 62), het persoonsgegevensbeschermingsrecht (overweging 4), het intellectueel eigendomsrecht (overweging 17) en bedrijfsgeheimen (voornamelijk overwegingen 18, 20 en 21). Ook hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet geeft uitleg over de verhouding van de verordening en de Uitvoeringswet tot hoger recht. Daarmee is al voldoende toegelicht hoe de Uitvoeringswet en de verordening zich in het algemeen verhouden tot hoger recht en grondrechten.</al>
                  <al>Voor dit besluit is daarom alleen nog van belang om nader te beschrijven hoe de specifieke elementen die hierin worden geregeld zich verhouden tot (bepaalde) elementen van hoger recht. Het gaat daarbij in het bijzonder om het CBS en de Minister van BZK in hun rol als bevoegde organen en om de voorwaarden ten aanzien van hergebruik.</al>
                  <al-groep>
                    <al>De belangrijkste elementen van hoger recht waartoe dit besluit zich verhoudt, zijn</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het persoonsgegevensbeschermingsrecht;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het intellectueel eigendomsrecht en bedrijfsgeheimen.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Deze twee elementen zullen in de volgende subparagrafen aan bod komen.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.2</nr>
                    <titel>Verhouding met het persoonsgegevensbeschermingsrecht</titel>
                  </kop>
                  <al>Het persoonsgegevensbeschermingsrecht vloeit indirect voort uit het algemene recht op privacy zoals verwoord in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Meer specifiek is het recht op de bescherming van persoonsgegevens verwoord in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘het Handvest’) en verder uitgewerkt in de AVG. Aangezien de AVG het meest uitgebreide persoonsgegevensbeschermingsregime bevat en door aan de AVG te voldoen ook voor het overgrote deel wordt voldaan aan het meer algemene privacyrecht (voor zover het persoonsgegevens betreft), zal hier vooral de verhouding met de AVG worden besproken.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.2.1</nr>
                      <titel>Verwerkers en verwerkingsverantwoordelijken</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit besluit worden het CBS en de Minister van BZK aangewezen als bevoegde organen. Volgens zowel overweging 26 bij de verordening als artikel 2, derde lid, van de Uitvoeringswet, zijn bevoegde organen verwerkers van persoonsgegevens ten behoeve van de met een publieke taak belaste instellingen van wie de gegevens in kwestie afkomstig zijn. Die met een publieke taak belaste instellingen blijven verwerkingsverantwoordelijken. Volgens artikel 4 van de AVG is een verwerker een persoon of organisatie die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt. Een verwerkingsverantwoordelijke is een persoon of organisatie die, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. De AVG voegt daaraan toe dat, wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking wettelijk worden vastgesteld, in die regeling kan worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is. In het onderhavige geval wordt het doel van de verwerkingen op hoofdlijnen bepaald door de wettelijke grondslagen die aan het bieden van toegang tot de gegevens ten grondslag liggen (zoals artikel 5.7 van de Woo) en worden de technische middelen grotendeels bepaald door de datagovernanceverordening. De met een publieke taak belaste instellingen die gegevens beschikbaar stellen blijven als verwerkingsverantwoordelijke eindverantwoordelijke voor de verwerking van (persoons)gegevens ter hergebruik. Deze regelingen bepalen doel en middelen echter niet uitputtend, dus de met een publieke taak belaste instellingen moeten daaraan zelf invulling geven. Het Europees Comité voor gegevensbescherming (in het Engels afgekort als ‘EDBP’) maakt onderscheid tussen wezenlijke en niet-wezenlijke middelen. ‘Wezenlijke middelen’ zijn middelen die nauw verband houden met het doel en de reikwijdte van de verwerking, zoals het soort persoonsgegevens dat wordt verwerkt (‘welke gegevens worden verwerkt?’), de duur van de verwerking (‘hoelang worden zij verwerkt?’), de categorieën ontvangers (‘wie heeft daartoe toegang?’) en de categorieën betrokkenen (‘van wie worden persoonsgegevens worden verwerkt?’). Samen met het doel van de verwerking houden de wezenlijke middelen ook nauw verband met de vraag of de verwerking rechtmatig, noodzakelijk en evenredig is. ‘Niet-wezenlijke middelen’ betreffen meer praktische aspecten van de uitvoering, zoals de keuze voor een bepaald type hardware of software of de gedetailleerde beveiligingsmaatregelen waarover de verwerker kan beslissen.<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Zie daartoe de EDPB Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen ‘verwerkingsverantwoordelijke’ en ‘verwerker’ in de AVG, Vastgesteld op 7 juli 2021, <extref doc="https://www.edpb.europa.eu/system/files/2023-10/edpb_guidelines_202007_controllerprocessor_final_nl.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.edpb.europa.eu/system/files/2023-10/edpb_guidelines_202007_controllerprocessor_final_nl.pdf</extref>.</noot.al></noot></al>
                    <al>Verwerkers werken in opdracht van verwerkingsverantwoordelijken. De bevoegde organen moeten dus werken binnen de door de met de publieke taak belaste instellingen vastgestelde doelen en middelen. Hoewel deze taakverdeling voortvloeit uit de regelgeving, bestaat het risico dat er in de praktijk taakvermenging optreedt. De bevoegde organen zullen naar alle waarschijnlijkheid namelijk vaker te maken hebben met dezelfde procedure en daardoor meer expertise opbouwen. Het is daarom belangrijk dat de met een publieke taak belaste instellingen telkens bewust worden gemaakt van hun rol en verantwoordelijkheden en dat de bevoegde organen niet over de grenzen van hun taak heen handelen.</al>
                    <al>Verwerkers moeten op grond van de AVG ook zelf voldoen aan diverse vereisten. De belangrijkste daarvan zijn dat zij afdoende garanties moeten bieden met betrekking tot het toepassen van passende organisatorische en technische maatregelen, opdat de verwerking aan de vereisten van de AVG voldoet en de bescherming van de rechten van de betrokkenen zijn gewaarborgd. Daarnaast hebben zij zelfstandige verplichtingen ten aanzien van beveiliging en doorgifte van de persoonsgegevens. De verwerking wordt geregeld in een overeenkomst of andere rechtshandeling (verwerkersovereenkomst/ verwerkersafspraken).</al>
                    <al>Het CBS heeft door middel van diens werkzaamheden ten aanzien van microdata al veel ervaring met beveiliging en bescherming van persoonsgegevens in een beveiligde verwerkingsomgeving. Het CBS staat daarbij niet toe dat persoonsgegevens worden doorgegeven aan derde landen en controleert of de afnemer van die gegevens zich binnen een land bevindt dat aan de AVG voldoet. Het voornemen is om bij ministeriële regeling voor het onderhavige geval vergelijkbare voorwaarden te stellen, rekening houdende met de andere juridische rolverdeling. Verder moet het CBS zich houden aan de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (hierna: ‘BIO’), waarin diverse beveiligingsaspecten worden voorgeschreven en is het CBS gecertificeerd voor kwaliteit, informatiebeveiliging en privacybescherming. De verwachting is daarom dat het CBS goed met deze nieuwe taak zal kunnen omgaan. Het CBS zal ook zelf een uitvoeringstoets doen, waarin deze aspecten worden meegenomen.</al>
                    <al>De Minister van BZK heeft geen ervaring met het aanbieden van een beveiligde verwerkingsomgeving op afstand en zal een dergelijke dienst ook niet gaan aanbieden. Het ministerie heeft wel ervaring met het aanbieden van beschermde gegevens in een fysieke beveiligde omgeving en met het aanbieden van informatie waarin persoonsgegevens kunnen voorkomen aan journalisten op grond van artikel 5.7 van de Woo. Ook de minister moet zich houden aan de BIO. De minister zal op basis daarvan zorgen voor goede beveiliging van de betreffende gegevens en zal een toets uitvoeren ten aanzien van dat proces. De verwachting is dus dat ook de Minister van BZK goed invulling zal gaan geven aan deze taak.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.2.2</nr>
                      <titel>Doelbinding en evenredigheid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De relevante grondslagen waarop het hergebruik onder de datagovernanceverordening betrekking heeft (zoals artikel 5.7 van de Woo) zien op verstrekking ten behoeve van historisch, statistisch, wetenschappelijk of journalistiek onderzoek. Artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de AVG beschouwt de verdere verwerking voor wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden als in principe toegestaan, mits passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen zijn getroffen. Het doelbindingsbeginsel staat dus niet in de weg aan dergelijk hergebruik. Voor journalistiek bestaat niet zo’n algemene uitzondering, maar is een andere onderbouwing van toepassing. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de AVG kan de verdere verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden onder andere zijn toegestaan indien deze wordt gebaseerd op een wettelijke grondslag die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, eerste lid, van de AVG bedoelde doelstellingen. Artikel 23, eerste lid, onderdeel i, van de AVG noemt onder andere de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen als zo’n doelstelling. In deze context mag de wettelijke grondslag van artikel 5.7 van de Woo worden beschouwd als zo’n wettelijke verwerkingsgrondslag die een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter bescherming van de journalistieke vrijheid.<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Conform overweging 153 van de AVG moet de journalistieke vrijheid breed worden uitgelegd.</noot.al></noot> Daarmee is ook deze beschikbaarstelling van gegevens voor journalistieke doeleinden in principe toegestaan.</al>
                      <al>Er bestaat een algemeen risico dat hergebruikers tijdens hun hergebruikactiviteiten de persoonsgegevens zullen gebruiken voor andere doeleinden dan de aangegeven doeleinden. Bij ministeriële regeling zullen nadere voorwaarden worden opgenomen om dat te verbieden en het risico daarop in te perken. Voor de uiteindelijk daarvan afgeleide geanonimiseerde (en doorgaans: gepubliceerde) gegevens gelden deze risico’s niet. De AVG, waaronder het doelbindingsbeginsel, is dan immers niet meer van toepassing.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.2.3</nr>
                      <titel>Gegevenscategorieën</titel>
                    </kop>
                    <al>De datagovernanceverordening en de meest omvattende grondslag voor hergebruik, namelijk artikel 5.7 van de Woo, zijn in principe van toepassing op alle soorten gegevens. Dus zowel gewone als bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens kunnen onderdeel uitmaken van de betreffende verwerking. Verwerking van bijzondere persoonsgegevens voor doeleinden van wetenschap, historie en statistiek op grond van lidstatelijk recht zijn ingevolge artikel 9, tweede lid, onderdeel j, van de AVG in samenhang met artikel 24 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) niet verboden, mits de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de belangen van de betrokkene. De verwerking van strafrechtelijke gegevens is op grond van artikel 10 van de AVG in samenhang met artikel 32 UAVG toegestaan onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Op grond van artikel 43, derde lid, van de UAVG zijn de artikelen 9 en 10 van de AVG niet van toepassing op verwerkingen voor journalistieke doeleinden, voor zover de verwerking van bijzondere of strafrechtelijke gegevens noodzakelijk is voor het betreffende journalistieke doel. Uiteraard gelden daarbij wel dezelfde beginselen, zoals het beginsel van dataminimalisatie. Al met al staat de AVG dus niet in de weg aan de verwerking van bijzondere en strafrechtelijke gegevens voor hergebruik onder de datagovernanceverordening, mits verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers zeer voorzichtig met de betreffende gegevens omgaan.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.2.4</nr>
                      <titel>Minimale gegevensverwerking, waarborgen en heridentificatie</titel>
                    </kop>
                    <al>Uitgangspunt bij een verzoek om hergebruik is dat eerst wordt nagegaan of aan de vraag kan worden voldaan door de gegevens in kwestie te anonimiseren. Daarvoor kan een bevoegd orgaan bijstand bieden. Als dat (goed) is gedaan, is er immers geen sprake meer van persoonsgegevens en is de AVG niet meer van toepassing. Indien de hergebruiker met slechts anonieme gegevens diens onderzoek niet kan uitvoeren, wordt nagegaan in hoeverre de persoonsgegevens in kwestie gepseudonimiseerd beschikbaar kunnen worden gesteld via de digitale beveiligde verwerkingsomgeving van het CBS beschikbaar kunnen worden gesteld. Daarvoor is wel vereist dat het hergebruik ziet op wetenschappelijke of statistische doeleinden, dat de hergebruiker een organisatie is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en dat wordt voldaan aan de overige vereisten en voorwaarden, waarvan een deel bij ministeriële regeling nader zal worden uitgewerkt.</al>
                    <al>Indien het hergebruik in kwestie niet geschikt is voor gebruik van de digitale beveiligde verwerkings<?xpp afbm?>omgeving, bijvoorbeeld omdat het gaat om een journalistiek onderzoek of omdat niet aan andere voorwaarden wordt voldaan voor het CBS als bevoegd orgaan, kan de met een publieke taak belaste instelling in plaats daarvan bijstand vragen aan de Minister van BZK. Dit betreft een minder goed afgebakende en controleerbare groep hergebruikers, mede omdat ‘journalist’ geen beschermd beroep is. Het begrip ‘journalistiek’ moet ruim worden opgevat,<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Zie ook overweging 153 bij de AVG.</noot.al></noot> gezien het belang van het recht op vrijheid van meningsuiting in elke democratische samenleving. Dat maakt het strikt afbaken en toetsen op afstand in de praktijk moeilijk. Misbruik is dan niet uit te sluiten van gevoelige gegevens. Het bieden van toegang op afstand zou daardoor een te groot risico met zich meebrengen. Mede om dergelijke risico’s te bestrijden, biedt de Minister van BZK slechts een fysieke beveiligde omgeving aan, waar de hergebruiker op locatie toegang gegeven wordt tot de gegevens. Evenwel zullen ook voor deze vorm van toegang nadere voorwaarden kunnen worden opgenomen in de ministeriële regeling. In alle gevallen zullen er door de onderzoekers geen herleidbare gegevens mogen worden gepubliceerd, tenzij het gaat om informatie die doorgaans op grond van de Woo openbaar wordt gemaakt. Op grond van de huidige procedure van artikel 5.7, derde lid, van de Woo, wordt in zo’n geval alsnog de gewone Woo-procedure gevolgd met betrekking tot informatie die de journalist of onderzoeker graag openbaar wil laten maken. De met een publieke taak belaste instellingen zullen dat, eventueel met bijstand door de bevoegde organen, controleren. Zie daartoe ook artikel 5, vierde lid, van de datagovernanceverordening. Deze maatregelen dragen ook bij aan de evenredigheid van de betreffende verwerkingen.</al>
                    <al>Ondanks deze maatregelen zal het risico blijven bestaan dat uit de anonieme of gepseudonimiseerde gegevens toch (direct herleidbare) persoonsgegevens worden gedestilleerd, bijvoorbeeld doordat de hergebruiker de uiteindelijk openbaar gemaakte gegevens kan combineren met eigen gegevenssets of door geavanceerde (toekomstige) AI-technieken toe te passen. Op grond van artikel 5, vijfde lid, van de verordening is het hergebruikers verboden om datasubjecten op wie de gegevens betrekking hebben te heridentificeren. Zij moeten technische en operationele maatregelen nemen om heridentificatie te voorkomen en om elke inbreuk in verband met persoonsgegevens die leidt tot heridentificatie van de betrokkenen, aan de met een publieke taak belaste instelling te melden. Ook daartoe kunnen in de ministeriële regeling nadere voorwaarden worden opgenomen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.2.5</nr>
                      <titel>Transparantie en rechtenuitoefening door betrokkenen</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van de artikelen 13, derde lid, en 14, vierde lid, van de AVG, moeten verwerkingsverantwoordelijken betrokkenen informeren alvorens over te gaan tot verdere verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld of geproduceerd. Hergebruik is zo’n verdere verwerking. In het onderhavige geval zullen met een publieke taak belaste instellingen dat dus moeten doen nadat zij een verzoek om hergebruik hebben ontvangen en voornemens zijn om daarop in te gaan. Eventueel kan dit proces worden gecombineerd met de zienswijzeprocedure van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Er bestaan ook uitzonderingen op deze rechten van betrokkenen op grond van bijvoorbeeld het vierde lid, respectievelijk het vijfde lid van de artikelen 13 en 14 van de AVG. In het bijzonder onderdeel b van het vijfde lid van artikel 14 zal van toepassing kunnen zijn in geval van wetenschappelijk of statistische doeleinden. De verwerkingsverantwoordelijke kan dan onder omstandigheden afzien van het informeren van betrokkenen, mits deze passende maatregelen neemt om de rechten, de vrijheden en de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen, waaronder het openbaar maken van de informatie.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.3</nr>
                    <titel>Verhouding met het intellectueel eigendomsrecht en bedrijfsgeheimen</titel>
                  </kop>
                  <al>De hergebruikregels van de verordening zijn onder andere van toepassing op gegevens waarop intellectuele-eigendomsrechten (hierna: IE-rechten) van derden rusten en op bedrijfsgeheimen. Overwegingen 17 en 18 bij de verordening maken echter duidelijk dat IE-rechten moeten worden gerespecteerd en dat de verordening daaraan geen afbreuk doet. Gegevens mogen dus alleen voor hergebruik worden aangeboden en/of verwerkt indien dat in lijn is met de IE-rechten of geheimhoudingsverplichtingen die daarop rusten. In dit besluit worden twee bevoegde organen aangewezen die gegevens ten behoeve van hergebruik onder zich kunnen krijgen op het moment dat zij bijstand verlenen. Zij kunnen dus mogelijk de beschikking krijgen over materiaal dat beschermd is door IE-rechten of het bedrijfsgeheim. Bevoegde organen zullen daar dus voorzichtig mee moeten omgaan. De taakomschrijving van het CBS sluit overigens iedere ondersteuning ten aanzien van het beschermen van IE-rechten en bedrijfsgeheimen uit. De Minister van BZK kan daarbij wel ondersteuning leveren. De met een publieke taak belaste instellingen waarvan de gegevens afkomstig zijn, blijven echter zelf te allen tijde hoofdverantwoordelijk ten aanzien van de gegevens en zullen dus zelf moeten controleren of er geen inbreuken op deze rechten worden gepleegd en daarover afspraken maken met de bevoegde organen. Met een publieke taak belaste instellingen moeten ook eerst zelf nagaan of de nationale wettelijke grondslag die zij gebruiken wel toestaat dat dergelijk beschermd materiaal beschikbaar wordt gesteld voor hergebruik. Soms kan daarvoor eerst toestemming van de rechthebbende zelf noodzakelijk zijn. Vervolgens zullen zij moeten nagaan of de gegevens wel kunnen worden gedeeld met de bevoegde organen. Al met al sluit dit besluit dus aan op het IE-recht en het recht rondom de bescherming van bedrijfsgeheimen, maar het blijft wel van belang dat alle betrokken organisaties nauwgezet te werk gaan.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Verhouding tot nationale regelgeving</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">4.1</nr>
                    <titel>Kaderwet zelfstandige bestuursorganen</titel>
                  </kop>
                  <al>Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wet CBS, is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet zbo’s) op het CBS van toepassing. Op grond van de Kaderwet zbo’s, is het opdragen van de uitoefening van openbaar gezag aan een zbo slechts in een beperkt aantal gevallen toegestaan. In het onderhavige geval worden er wel taken opgelegd aan het CBS, maar is daarbij echter geen sprake van het opdragen van de uitoefening van openbaar gezag. De beperkingen van de Kaderwet zbo’s zijn daarom in dit geval niet van toepassing. Van de uitoefening van openbaar gezag is alleen sprake wanneer een organisatie een wettelijke bevoegdheid heeft om eenzijdig de rechtspositie van subjecten te veranderen. Anders gesteld, gaat het om de bevoegdheid om besluiten als bedoeld in de Awb te nemen. De nieuwe taak van het CBS behelst echter geen besluitbevoegdheid. Het CBS krijgt tot taak om met een publieke taak belaste instellingen bij te staan bij hun taken om hergebruik toe te staan. De taken van het CBS zijn daarbij faciliterend en adviserend van aard. De verantwoordelijkheid en de besluitbevoegdheid ten aanzien van het hergebruik, blijven nadrukkelijk bij de met een publieke taak belaste instellingen. Ook als het CBS de bijstand zou weigeren, zou de met een publieke taak belaste instelling de bevoegdheid houden om hergebruik wel of niet toe te staan. De rechtspositie van belanghebbenden wordt dus door het CBS niet gewijzigd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">4.2</nr>
                    <titel>Wet op het Centraal bureau voor de statistiek</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Het CBS is ingesteld op grond van de Wet CBS. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet CBS, heeft het CBS als primaire taak: het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken. Voor deze taak heeft het CBS reeds veel gegevens afkomstig van overheidsorganisaties en andere partijen alsmede uit enquêtes. Daarnaast kan het CBS op grond van artikel 41 van de Wet CBS op verzoek een verzameling van statistische gegevens beschikbaar te stellen aan bepaalde onderzoekers. Dit in afwijking van artikel 37, waarin is bepaald dat de gegevens niet worden verstrekt aan anderen dan degenen die belast zijn met de uitvoering van de taak van het CBS. Voorwaarde daarvoor is onder andere dat het gebruik van die gegevens ziet op statistisch of wetenschappelijk onderzoek.</al>
                    <al>Om dicht bij de taak van het CBS te blijven, ziet de rol van het CBS als bevoegd orgaan in het kader van de datagovernanceverordening op dezelfde doeleinden en ten behoeve van dezelfde organisaties die in artikel 41 van de Wet CBS worden genoemd. De rol van bevoegd orgaan op grond van dit besluit staat echter volledig los van de taak die het CBS heeft onder de Wet CBS. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen het verlenen van toegang tot statistische gegevens op grond van artikel 41 wet CBS enerzijds en het verlenen van bijstand aan openbare lichamen voor het hergebruik van hun gegevens anderzijds.</al>
                    <al>Het CBS kent onder artikel 41 Wet CBS de mogelijkheid voor onderzoekers om ook externe databestanden te (laten) uploaden in de veilige verwerkingsomgeving van het CBS en daar te koppelen met CBS-gegevens. Wanneer hergebruikers gebruik willen maken van de gegevens van het CBS, is dit dus reeds mogelijk onder artikel 41 Wet CBS en treedt het CBS niet op als bevoegd orgaan.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit uitvoeringsbesluit bevat geen elementen met regeldrukeffecten. Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven en/of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden. Dit uitvoeringsbesluit bevat echter geen verplichtingen voor burgers en bedrijven. Zij kunnen wel gebruik maken van de mogelijkheden die de verordening biedt en in dat geval zullen de voorwaarden en tarieven die op grond van dit besluit worden gesteld op hen van toepassing zijn. Maar de keuze om daar gebruik van te maken is geheel vrijwillig. Het gaat hierbij ook niet om elementaire voorzieningen of andere zaken waarbij het niet-gebruiken ervan grote nadelen heeft.</al>
                  <al>Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR) heeft het voorstel dan ook niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Uitvoering en financiële gevolgen</titel>
                </kop>
                <al>Het uitvoeringsbesluit is voorgelegd aan het CBS voor een toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het CBS acht het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.1.</nr>
                    <titel>Voorwaarden uitvoerbaarheid</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Het CBS stelt voor de uitvoerbaarheid van het uitvoeringsbesluit een aantal voorwaarden:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Het CBS zal de rol van bevoegd orgaan uitsluitend vervullen voor hergebruik van data ten behoeve van statistische of wetenschappelijke doeleinden. Het CBS zal niet optreden als bevoegd orgaan voor andere doeleinden.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Er dienen voorwaarden te worden gesteld aan de wijze waarop toegang wordt verleend. Hierbij zou de huidige werkwijze rondom het beschikbaar stellen van microdata conform artikel 41 van de Wet CBS de leidraad kunnen zijn.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>De met een publieke taak belaste instelling blijft verantwoordelijk en het CBS kan aldus geen aansprakelijkheid aanvaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van het respecteren van intellectuele eigendomsrechten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het CBS beschikt niet over expertise om bijstand te verlenen bij het vragen van toestemming aan individuele personen voor het hergebruik van hun data voor andere doeleinden. Deze taak dient bij een andere instantie te worden neergelegd.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>5.</li.nr>
                        <al>De benodigde kosten voor het opzetten en in stand houden van de dienstverlening zullen gedekt moeten worden door BZK en hergebruikers.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Volgens het CBS zijn bovenstaande voorwaarden voldoende uitvoerbaar opgenomen in het uitvoeringsbesluit of dienen nader te worden gespecificeerd per ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van dit uitvoeringsbesluit. Het CBS maakt daarbij de kanttekening dat de beoogde voorwaarden zoals gesteld in de ministeriële regeling in lijn moeten zijn met de Beleidsregel toegang instellingen tot microdata van het CBS.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.2</nr>
                    <titel>Handhaafbaarheid</titel>
                  </kop>
                  <al>Het CBS treft maatregelen naar analogie van het BS Beveiligde Microdata Omgeving (Remote Access) maatregelenbeleid. Het CBS beschikt bij het behandelen van een verzoek tot het verlenen van bijstand over voldoende mogelijkheden om zelf te maatregelen toe te passen. Wel dient bijvoorbeeld nog verder uitgewerkt te worden welke met een publieke taak belaste instellingen onder welke omstandigheden bijstand kunnen vragen. Volgens het CBS is het uitvoeringsbesluit handhaafbaar.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.3</nr>
                    <titel>Financiële gevolgen</titel>
                  </kop>
                  <al>Om de taak van bevoegd orgaan uit te kunnen voeren heeft het CBS aanvullende middelen nodig om de dienstverlening aan een met een publieke taak belaste instellingen in te richten. BZK zal de kosten voor rekening nemen die niet (via met een publieke taak belaste instellingen) kunnen worden verhaald op hergebruikers.</al>
                  <al>De jaarlijkse uitvoeringskosten bedragen circa 2,5 fte aan personeelskosten vermeerderd met de IT-gerelateerde kosten. De jaarlijks terugkerende kosten bedragen op basis van de integrale kostprijs volgens het CBS circa 500.000 tot 600.000 euro.</al>
                  <al>Het CBS zal kosten gaan berekenen aan de met een publieke taak belaste instelling zoals beschreven in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit. Hierbij is het voornemen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de kostenstructuur van de huidige microdata-omgeving van het CBS, zover dit relevant is voor het verlenen van bijstand.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Advies en consultatie</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.1.</nr>
                    <titel>Autoriteit Persoonsgegevens</titel>
                  </kop>
                  <al>De Autoriteit Persoonsgegevens wijst in haar advies op de noodzaak om een groot aantal aspecten met betrekking tot de verwerking gedetailleerd vast te leggen in een rechtshandeling die bindend is voor het CBS (in de rol van bevoegd orgaan). Doorgaans krijgt dit volgens de AP de vorm van een verwerkersovereenkomst (tussen het bevoegd orgaan en een met een publieke taak belaste instelling indien er door een met een publieke taak belaste instelling gegevens overbrengt naar de beveiligde verwerkersomgeving van het bevoegd orgaan). Volgens de AP zou in deze context machtiging tot verwerking op grond van de Awb met instemming van het CBS mogelijk beter recht doen aan het karakter van uitvoering van een wettelijke taak door een dienst van het CBS in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan. BZK begrijpt deze insteek, maar verwacht qua effect weinig verschil ten opzichte van het werken met verwerkersovereenkomsten. Omdat het CBS al veel ervaring op heeft gedaan met het werken met verwerkingsovereenkomsten heeft deze werkwijze de voorkeur.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.2.</nr>
                    <titel>Adviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding</titel>
                  </kop>
                  <al>Het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding is gevraagd op grond van artikel 7 van de Wet open overheid, advies uit te brengen over het concept van het uitvoeringsbesluit. In het advies van het Adviescollege over de Uitvoeringswet heeft het college verzocht om betrokken te worden bij toekomstige regels voor de berekening van vergoedingen voor het hergebruik van de in artikel 3, eerste lid, van de Datagovernanceverordening bedoelde gegevenscategorieën.</al>
                  <al>Het Adviescollege constateert dat uit het uitvoeringsbesluit blijkt dat de precieze criteria voor het berekenen van de vergoeding van het hergebruik van data pas definitief wordt vastgelegd in een ministeriële regeling die na het uitvoeringsbesluit wordt vastgelegd. In het uitvoeringsbesluit (en de toelichting daarop) is enkel de methode opgenomen waaraan de ministeriële regeling moet gaan voldoen. Op basis hiervan kan het college dan ook nog niet vaststellen dat wat in het uitvoeringsbesluit is beschreven, uiteindelijk in de praktijk niet toch tot onwenselijke drempels leidt voor ongehinderd dataverkeer binnen de EU, tussen sectoren en het internationale dataverkeer.</al>
                  <al>De vergoeding die een met een publieke taak belaste instelling aan de hergebruiker in rekening brengt, moet zijn afgeleid van de kosten die het bevoegd orgaan in rekening brengt voor de verleende bijstand aan de met een publieke taak belaste instelling, vermeerderd met ten hoogste de additionele kosten die de met een publieke taak belaste instelling zelf maakt om aan het verzoek van hergebruik te voldoen. Het staat een met een publieke taak belaste instelling echter vrij om geen of een lagere vergoeding te vragen, mits daarbij iedere hergebruiker in dezelfde categorie gelijk wordt behandeld.</al>
                  <al>Het college adviseert om te onderzoeken of de additionele kosten die met een publieke taak belaste instelling in rekening zullen brengen kunnen worden gemaximeerd, dan wel om te voorzien in eenduidige criteria voor de wijze waarop deze door met een publieke taak belaste instellingen op een gelijke en evenredige wijze berekend kunnen worden. Dit dient op een voor eenieder inzichtelijke en transparante wijze te gebeuren.</al>
                  <al>Naar aanleiding van dit advies, is in artikel 6, tweede lid, de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling de additionele kosten die met een publieke taak belaste instellingen in rekening kunnen brengen te maximeren, of te voorzien in eenduidige criteria ten aanzien van de berekening van die additionele kosten. In hoeverre het wenselijk is om in de ministeriële regeling van die grondslag gebruik te maken, zal nog moeten worden onderzocht.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.3</nr>
                    <titel>Adviescollege Toetsing Regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>Het ATR heeft het voorstel niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft. Zie ook paragraaf 5.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel>
                </kop>
                <al>De Uitvoeringswet die de grondslag vormt voor het onderhavige besluit is reeds in werking getreden, daarom kan dit Uitvoeringsbesluit in werking treden de dag na publicatie. Daarmee wordt de overschrijding van de implementatietermijn zoveel mogelijk beperkt. Omdat dit Uitvoeringsbesluit implementatieregelgeving van een bindende EU-rechtshandeling betreft, bestaat er op grond van aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel d, een uitzondering op de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">II.</nr>
                <titel>Artikelsgewijs deel</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel 2 CBS als bevoegd orgaan</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 2, eerste en vierde lid, van de Uitvoeringswet. Het eerste lid van dat artikel schrijft voor dat een of meerdere bevoegde organen kunnen worden aangewezen om met een publieke taak belaste instellingen te ondersteunen bij het verlenen van toegang tot het hergebruik van de gegevens die onder die verordening vallen.</al>
                  <al>Het CBS wordt in het eerste lid van het onderhavige artikel aangewezen als bevoegd orgaan om bijstand te verlenen aan met een publieke taak belaste instellingen bij het verlenen van toegang tot het hergebruik van gegevens voor wetenschappelijke en statistische doeleinden, mits zo’n hergebruikverzoek is gedaan door een van de in onderdelen a tot en met e genoemde organisaties en het gaat om bijstand zoals omschreven in het tweede lid. De genoemde organisaties komen overeen met de organisaties die worden genoemd in artikel 41, tweede lid, van de Wet CBS.</al>
                  <al>In het tweede lid wordt nader bepaald welk type bijstand het CBS levert. Het gaat om de vormen van bijstand die worden genoemd in artikel 7, vierde lid, onderdelen a en b van de verordening en een deel van de bijstand die wordt genoemd in onderdeel c, van die bepaling. Zie paragraaf 2.3 van het algemene deel van deze toelichting voor meer informatie over de rol van het CBS als bevoegd orgaan.</al>
                  <al>Het derde lid biedt een grondslag om bij ministeriële regeling de taak van het CBS nader in te vullen. Samen met de grondslag van artikel 3, eerste lid, van dit uitvoeringsbesluit, biedt dit ruimte om bij ministeriële regeling nadere details te regelen die nodig zijn om het proces goed te laten werken en om te zorgen dat het waar mogelijk aansluit op de werkprocessen waarmee het CBS reeds bekend is. Daarmee wordt geborgd dat het hergebruik inderdaad plaatsvindt met het oog op wetenschappelijke of statistische doeleinden, zodat dit past bij de wettelijke taak van het CBS als bedoeld in de Wet CBS. Zie paragraaf 2.3 van het algemene deel van deze toelichting voor meer informatie over de rol van het CBS.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel 3 Minister van BZK als bevoegd orgaan</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Naast het CBS wordt de Minister van BZK op grond van het eerste lid aangewezen als bevoegd orgaan voor alle resterende taken die op grond van de verordening bij een bevoegd orgaan worden belegd. Het gaan dan om situaties waarbij:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>hergebruik een ander doel dient dan wetenschap of statistiek;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>de hergebruiker geen organisatie is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het uitvoeringsbesluit; en/of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>wordt verzocht om ondersteuning zoals omschreven in artikel 7, vierde lid, onderdelen d en e van de verordening of om bijstand ten aanzien van het verwijderen van commercieel vertrouwelijke informatie, bedrijfsgeheimen en door intellectuele eigendomsrechten beschermde inhoud, zoals omschreven in onderdeel c, van artikel 7, vierde lid van de verordening.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Kort samengevat gaat het dus om alle gevallen waarin hergebruik niet past bij de (normale) aard en taak van het CBS (zoals omschreven in de Wet CBS). In die gevallen kan een met een publieke taak belaste instelling aankloppen bij de Minister van BZK voor bijstand bij het ter hergebruik aanbieden van gegevens. Zie paragraaf 2.4 van het algemene deel van deze toelichting voor meer informatie over de rol van de Minister van BZK.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel 4 Voorwaarden voor hergebruik</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Artikel 4 van het uitvoeringsbesluit heeft een grondslag in artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet en bevat een grondslag om bij ministeriële regeling voorwaarden voor hergebruik vast te stellen. Deze bepaling is vooral ingegeven om te regelen dat wanneer gebruik wordt gemaakt van de bijstand van het CBS, hergebruikers zullen voldoen aan de voorwaarden die het CBS gewend is op te leggen in diens andere werkprocessen. Op die manier kan het CBS garanderen dat de gegevens niet worden gebruikt voor doeleinden die niet passen bij het CBS en het helpt het CBS om beide processen op elkaar te laten lijken. Het gaat daarbij, in het kort, om diverse soorten voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat de gegevens alleen voor wetenschap en statistiek worden gebruikt, de gegevens voldoende worden beschermd en de resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd. Deze voorwaarden komen gedeeltelijk overeen met voorwaarden die in de verordening al worden aangehaald. Artikel 5, vierde lid, van de verordening stelt bijvoorbeeld dat er voorwaarden moeten worden opgelegd ‘<nadruk type="cur">die de integriteit van de werking van de technische systemen van de beveiligde verwer<?xpp afbm?>kingsomgevingen in stand houden</nadruk>’. Daarnaast behouden met een publieke taak belaste instellingen op grond van die bepaling zich het recht voor het proces, de middelen en alle resultaten van gegevensverwerking door de hergebruiker te verifiëren teneinde de integriteit van de gegevensbescherming te vrijwaren, alsook het recht om het gebruik te verbieden van resultaten die informatie bevatten die de rechten en belangen van derden in gevaar brengt. Voor bijstand die wordt geleverd door de Minister van BZK, is nog niet zeker in hoeverre het daarvoor nodig zal zijn om voorwaarden vast te leggen. Het is in ieder geval mogelijk om per bevoegd orgaan andere voorwaarden vast te stellen.</al>
                  <al>In artikel 5, tweede lid, van de verordening staat dat de voorwaarden voor het toestaan van hergebruik openbaar worden gemaakt door de met een publieke taak belaste instellingen. Op grond van dat artikel is de met een publieke taak belaste instelling degene die de voorwaarden moet opleggen aan de hergebruikers. Dat is immers de partij bij wie hergebruikers het verzoek indienen. Om daarbij aan te sluiten wordt in het tweede lid geregeld dat de met een publieke taak belaste instelling in kwestie de op grond van het eerste lid vastgestelde voorwaarden moet opleggen aan de hergebruiker. De met een publieke taak belaste instelling kan deze voorwaarden aanvullen met eigen voorwaarden. Voor zowel de voorwaarden op grond van het eerste lid, als de aanvullende voorwaarden die een met een publieke taak belaste instelling stelt, geldt op grond van artikel 5, tweede lid, van de verordening dat zij niet-discriminerend, transparant, evenredig en objectief gerechtvaardigd moeten zijn wat betreft de gegevenscategorieën, het doel van het hergebruik en de aard van de gegevens waarvoor hergebruik wordt toegestaan. De voorwaarden mogen ook niet worden gebruikt om de mededinging te beperken.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel 5 Kosten bevoegde organen</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat bevoegde organen de kosten die zij maken voor het leveren van bijstand aan met een publieke taak belaste instellingen kunnen doorberekenen aan die met een publieke taak belaste instellingen. De grondslag van dit artikel is artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringswet. Dergelijke kosten komen overeen met de typen kosten die in de verordening worden genoemd onder artikel 6, vijfde lid, onderdelen a, c, d en, in het geval van de Minister van BZK, mogelijk ook f, te weten de kosten voor:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>reproductie, verstrekking en verspreiding van gegevens;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>anonimisering of andere vormen van voorbereiding van persoonsgegevens en commercieel vertrouwelijke gegevens;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het onderhoud van de veilige verwerkingsomgeving; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het bijstaan van hergebruikers bij het verkrijgen van toestemming van datasubjecten en toelating van gegevenshouders, van wie de rechten en belangen door het hergebruik in het geding kunnen komen.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>In het tweede lid wordt nader geregeld hoe tot een kostenberekening wordt gekomen. Deze wordt afgeleid van de marginale kosten die het bevoegd orgaan maakt voor het verlenen van die bijstand ten behoeve van een specifiek verzoek om hergebruik, vermeerderd met een redelijk deel van de vaste kosten die het bevoegd orgaan maakt om in algemene zin bijstand te kunnen leveren. Met de vaste kosten wordt gedoeld op de kosten die een bevoegd orgaan moet maken om bijvoorbeeld de veilige verwerkingsomgeving te onderhouden. Deze kosten moeten zijn onder te brengen onder de in artikel 6, vijfde lid, van de verordening genoemde onderdelen. Zie paragraaf 2.5 van het algemene deel van deze toelichting voor meer uitleg over de verdeling van die kosten. Het in rekening gebrachte deel van de vaste kosten mag in ieder geval niet hoger zijn dan de marginale kosten die voor hetzelfde hergebruik in rekening worden gebracht. Zo wordt voorkomen dat een hergebruiker teveel moet betalen voor het in stand houden van het hele systeem in vergelijking met hoeveel diegene daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van het systeem.</al>
                  <al>Het derde lid regelt dat de Minister van BZK vaststelt wat dat redelijk deel van de vaste kosten inhoudt. Voor zover de minister zelf als bevoegd orgaan optreedt, kan deze het redelijk deel van de vaste kosten zelfstandig vaststellen. Wanneer het CBS als bevoegd orgaan optreedt, doet het CBS eerst een voorstel, waarna de minister op basis van dat voorstel het redelijk deel van de vaste kosten voor de bijstand van dat bevoegd orgaan kan vaststellen. Daarmee kan het redelijk deel van de vaste kosten worden afgesteld op het verwachte aantal hergebruikers in een bepaald jaar.</al>
                  <al>De kosten en tarieven moeten op grond van het vierde lid in een ministeriële regeling worden vastgelegd. Een overzicht van die tarieven moet ook kosteloos worden verstrekt aan het bevoegd orgaan dat om bijstand vraagt en moet kosteloos voor een ieder inzichtelijk zijn via het centraal informatiepunt. Hieraan ligt ten grondslag dat artikel 8, eerste lid, van de verordening voorschrijft dat alle relevante informatie via dat centraal informatiepunt beschikbaar moet worden gesteld.</al>
                  <al>Eventuele kosten die niet op grond van eerdere leden zijn vergoed of nog zullen worden vergoed, worden door het ministerie van BZK bekostigd. Het ministerie is niet verplicht om kosten te vergoeden die wel in rekening gebracht hadden kunnen worden, maar waarvan het bevoegd orgaan uit eigen beweging heeft afgezien. Dit wordt geregeld in het vijfde lid.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel 6 Vergoedingen met een publieke taak belaste instelling</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>In artikel 6 wordt geregeld hoe kosten door met een publieke taak belaste instellingen worden doorberekend aan hergebruikers. Dit artikel heeft een grondslag in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet, dat is gebaseerd op artikel 6 van de verordening.</al>
                  <al>In het eerste lid wordt geregeld dat als de met een publieke taak belaste instelling vergoedingen in rekening brengt, deze vergoeding moet worden gebaseerd op de rekening die deze van het bevoegd orgaan krijgt, vermeerderd met de additionele kosten die deze zelf moet maken om het verzoek te behandelen. Hiervoor geldt wederom dat deze kosten moeten passen binnen de categorieën die worden genoemd in artikel 6, vijfde lid, van de verordening.</al>
                  <al>Naar aanleiding van het advies van het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding, is in het tweede lid de grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling te voorzien in maxima of eenduidige berekeningscriteria ten aanzien van de additionele kosten die met een publieke taak belaste instellingen in rekening kunnen brengen. Zie paragraaf 7.2 van het algemene deel van deze toelichting voor meer informatie hierover.</al>
                  <al>In artikel 6, zesde lid, van de verordening staat de verplichting dat de met een publieke taak belaste instelling een beschrijving van de belangrijkste kostencategorieën en de regels voor toerekening van die kosten publiceert. In het derde lid van artikel 6 van het onderhavige uitvoeringsbesluit wordt geregeld dat de met een publieke taak belaste instelling ook via het centraal informatiepunt moet publiceren welke kosten voor welke eigen handelingen deze in rekening brengt. Ook hiervoor geldt dat deze informatie op grond van artikel 8, eerste lid, van de verordening via het centraal informatiepunt beschikbaar moet zijn. Tezamen met de publicaties door het bevoegd orgaan, wordt daarmee voor een hergebruiker inzichtelijk om welke totale kosten het zal gaan.</al>
                  <al>Omdat de publicaties op het centraal informatiepunt mogelijk generiek van aard zijn, of aan de aandacht van een hergebruiker kunnen ontsnappen, dient de met een publieke taak belaste instelling aan een hergebruiker ook een totaaloverzicht van de tarieven te bieden, dat eventueel kan zijn toegespitst op het specifieke verzoek. Dit wordt geregeld in het vierde lid.</al>
                  <al>Het vijfde lid regelt dat het ontvangen van dit totaaloverzicht kosteloos is voor de hergebruiker.</al>
                </al-groep>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>