﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-24233/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het voorstel van wet, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&amp;E</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="datum">24 juni 2026</context.al>
          <context.al type="kenmerk">2026-0000197725</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake het voorstel van wet, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&amp;E.</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 13 oktober 2025, nr. 2025002292, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 januari 2026, nr. W12.25.00292/III, bied ik U hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft u hieronder <nadruk type="cur">schuingedrukt</nadruk> aan, voorzien van mijn reactie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 13 oktober 2025, no.2025002292, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met beroepsziekten en het Steunpunt RI&amp;E, met memorie van toelichting.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel regelt in de Arbeidsomstandighedenwet grondslagen voor een drietal beleidsontwikkelingen. Het gaat in de eerste plaats om het reeds bestaande Steunpunt RI&amp;E. De twee andere ontwikkelingen betreffen de problematiek van beroepsziekten. Met een samenwerkingsverband van instellingen die een kennisprogramma beroepsziekte ontwikkelen en uitvoeren wordt bevordering van de kennis op dit gebied beoogd. En met een grondslag voor al in ontwikkeling zijnde tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten wordt beoogd de erkenning van getroffenen beter te regelen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de voorgestelde grondslag voor een tegemoetkomingsregeling. Ten eerste merkt zij op dat erkenning van leed meer omvat dan alleen een financiële tegemoetkoming. In de toelichting wordt niet ingegaan op andere relevante aspecten van erkenning van leed.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het is daarmee niet duidelijk of met een financiële tegemoetkoming voldoende wordt voorzien in de vorm van erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft, of dat (ook) andere maatregelen nodig zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Daarnaast merkt de Afdeling op dat de uitwerking van de tegemoetkomingsregeling volledig wordt gedelegeerd aan de minister. Nu reeds ervaring is opgedaan met dergelijke regelingen is het vastleggen van de hoofdlijnen in een wettelijke regeling mogelijk. Dit is ook wenselijk om het doel van het codificeren in een wettelijke regeling tot zijn recht te laten komen. Bovendien worden hierdoor onnodige en onwenselijke verschillen tussen de bestaande regelingen weggenomen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het verlengde hiervan vraagt de Afdeling of een tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten naar haar aard niet beter past in de Wet WIA dan in de Arbeidsomstandighedenwet.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling maakt verder een opmerking over de voorgestelde wettelijke definitie van beroepsziekte.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Tot slot adviseert de Afdeling in de toelichting nader te motiveren waarom de subsidie aan het samenwerkingsverband niet leidt tot staatssteun.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Daarnaast adviseert zij de taak die bij ministeriële regeling wordt toegekend aan de SER vorm te geven als een DAEB en de subsidieverstrekking aan de SER daarop af te stemmen. De Afdeling merkt op dat, anders dan de toelichting stelt, de activiteiten van het Steunpunt economisch van aard lijken te zijn. Dit roept de vraag op of de conclusie gerechtvaardigd is dat geen sprake is van staatssteun.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Tenzij voor deze conclusie een dragender motivering kan worden gegeven, adviseert de Afdeling de subsidie robuuster vorm te geven, bijvoorbeeld door de het Steunpunt RI&amp;E aan te wijzen als DAEB.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">In verband hiermee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.</nadruk>
            </al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Inhoud en achtergrond wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Inhoud</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor drie beleidsontwikkelingen, die in de praktijk al voor een deel zijn ingevoerd. De drie grondslagen worden geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Dit betreft in eerste plaats een grondslag voor het reeds bestaande Steunpunt RI&amp;E (risico-inventarisatie en evaluatie) en een structurele verlening van subsidie aan deze organisatie. Het Steunpunt RI&amp;E, waarvan het secretariaat is ondergebracht bij de Sociaal-Economische Raad (SER), ondersteunt bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen bij het voldoen aan hun RI&amp;E-verplichtingen.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">In de tweede plaats wordt een subsidiegrondslag voorgesteld voor een samenwerkingsverband van instellingen die kennisactiviteiten verrichten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Het kennisprogramma zal verder worden uitgewerkt in een subsidieregeling en een daarbij te voegen hoofdlijnennotitie. Er zal steeds voor een periode van vijf jaar aan een samenwerkingsverband een subsidie worden toegekend.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Ten slotte wordt een grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten voorgesteld. Volgens het voorstel kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. De uitwerking hiervan vindt plaats bij ministeriële regeling. Uit de toelichting blijkt dat twee bestaande tegemoetkomingsregelingen op deze nieuwe grondslag zullen worden gebaseerd. (zie noot 1)</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Omgaan met beroepsziekte</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">In het kader van de verplichting van werkgevers om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor hun werknemers moeten zij een risico-inventarisatie en -evaluatie uitvoeren. Als werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen, gelden daarbij aanvullende vereisten. (zie noot 2) Ondanks het bestaan van deze verplichtingen komt het voor dat (voormalige) werkenden een beroepsziekte oplopen. Dat is een ziekte die het gevolg is van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden. (zie noot 3)</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De kennis over beroepsziekten is in Nederland nog onvoldoende ontwikkeld, aldus de toelichting. Dit wordt toegeschreven aan de in Nederland gehanteerde systematiek om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toe te kennen op basis van het zogeheten ‘risque social’ (Wet WIA). Daarbij wordt niet gekeken naar de vraag of de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door het werk, waardoor over deze oorzaak van arbeidsongeschiktheid in Nederland minder kennis wordt verzameld. Ook wordt volgens de toelichting de wel bestaande kennis over beroepsziekten in de praktijk onvoldoende toegepast. Dit bemoeilijkt preventie, vroege signalering en de medische diagnostiek. (zie noot 4)</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">In het Nederlandse systeem zijn (voormalige) werkenden die een beroepsziekte oplopen (afgezien van socialezekerheidsuitkeringen) (zie noot 5) voor een schadevergoeding aangewezen op het civiele aansprakelijkheidsrecht. Als gevolg van de geleidelijke versobering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en aanscherping van de voorwaarden voor uitkering is deze route relatief belangrijker geworden. Claims op basis van beroepsziekten zijn echter vaak ingewikkeld en leiden, mede daardoor, tot langdurige aansprakelijkheidsprocedures. Voor zieke werknemers vormt dit een belemmering om hun werk- of opdrachtgever aansprakelijk te stellen. (zie noot 6)</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Commissie VSAB</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De afgelopen ruim twintig jaar zijn diverse regelingen getroffen om buiten het aansprakelijkheidsrecht om een tegemoetkoming te verstrekken aan werknemers en/of zelfstandigen met een bepaalde beroepsziekte. Dit gold bijvoorbeeld voor aan asbest gerelateerde ziekten, mede gelet op de soms lange incubatieperiode van deze ziekten. Daardoor waren de aansprakelijkheidsprocedures vaak niet toereikend. Daarna gebeurde hetzelfde met andere beroepsziekten, waaronder die als gevolg van het werken met chroom-6 bij onder meer Defensie.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De problematiek rond het werken met chroom-6 vormde aanleiding om in 2019 de commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten (VSAB) in te stellen (commissie-Heerts).</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De commissie werd gevraagd te adviseren over een betere organisatie van schadeafhandeling bij beroepsziekten door stoffen en daartoe verbetervoorstellen te doen.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De commissie concludeert in haar advies dat vooral onder werkgevers geen draagvlak bestaat voor een fundamenteel andere inrichting van de praktijk van schadecompensatie bij beroepsziekten (zie noot 7). Omdat de commissie wilde komen met een breed gedragen voorstel, is dat niet geadviseerd. In plaats daarvan werd aanbevolen om de preventie en handhaving te verbeteren, kennisontwikkeling te stimuleren en te voorzien in een algemene tegemoetkoming voor werkenden met een stoffenziekte, uit te voeren door een speciaal fonds.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">In vervolg op het advies van de commissie VSAB heeft de Minister van SZW in 2023 op basis van de Kaderwet SZW-subsidies een ministeriële regeling getroffen die werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte recht geeft op een financiële tegemoetkoming (zie noot 8). Ook is aan het samenwerkingsverband Landelijk expertisecentrum stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces) een subsidie verstrekt voor een eerste werkprogramma naar beroepsziekten door gevaarlijke stoffen.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Door te voorzien in wettelijke grondslagen voor deze ontwikkelingen vormt het wetsvoorstel het sluitstuk van de uitwerking van het advies van de commissie VSAB, aldus de toelichting (zie noot 9).</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Tegemoetkomingsregeling</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft de noodzaak van maatregelen om de naleving van RI&amp;E-verplichtingen te verbeteren en de ontwikkeling van kennis over beroepsziekten te stimuleren. Dit komt niet alleen zieke werkenden ten goede, maar is ook nodig voor betere preventie. Wel roept de voorgestelde regeling van tegemoetkomingsregelingen vragen op.</nadruk>
            </al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Erkenning bieden</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Uit de toelichting volgt dat de bestaande tegemoetkomingsregelingen zijn bedoeld om erkenning te bieden aan werkenden die lijden aan een beroepsziekte. Eerder heeft de minister van SZW bij de invoering van de tegemoetkomingsregeling voor stoffengerelateerde beroepsziekten gezegd dat hiermee ‘een korte en snelle route naar erkenning’ wordt geboden (zie noot 10).</nadruk>
              </al>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Met een wettelijke grondslag voor deze regelingen wil de regering deze erkenning beter regelen (zie noot 11). De werkgever is en blijft verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden (zie noot 12)</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Dat burgers vragen om, en hechten aan, erkenning van de. uitzonderlijke, belastende omstandigheden waarin zij door ziekte terecht zijn gekomen, valt te begrijpen. Verlies van gezondheid gaat vaak hand in hand met verlies van werk en sociale contacten, met verlies van inkomen, hoge medische kosten, afhankelijkheid van zorg door derden en vormt een belasting voor de naasten (zie noot 13). In zulke diepingrijpende situaties luistert het bieden van erkenning nauw. De vraag is of hierbij kan worden volstaan met het toekennen van een tegemoetkoming.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat erkenning op veel verschillende manieren kan worden geboden. Inzicht in de behoeften van de doelgroep, bijvoorbeeld door met hen in gesprek te gaan, is van groot belang bij de afweging van passende, doeltreffende en doelmatige maatregelen. Een snelle, eenzijdig bepaalde oplossing is daarom niet wenselijk.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Dit heeft als risico dat de maatregel niet wordt opgevat als erkenning van leed, maar als een administratieve handeling. Dit geldt in het bijzonder als voor een financiële tegemoetkoming wordt gekozen.</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de toelichting wordt niet ingegaan op de relevante vragen en afwegingen die erkenning van leed meebrengt (zie noot 14). Daarmee is niet duidelijk of met een financiële tegemoetkoming wordt voorzien in de erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft. Dat het vooralsnog gaat om een grondslag voor bestaande regelingen van tegemoetkomingen doet hieraan niet af.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Integendeel, uit onderzoek blijkt dat gedupeerden bij eerdere regelingen een gebrek hebben ervaren aan inspraak en daadwerkelijk luisteren. Ook was er ontevredenheid over de uitkomst (zie noot 15).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Van belang is dat erkenningsmaatregelen bijdragen aan het herstel van de waardigheid van de getroffen burgers. In veel gevallen willen zij eerst en vooral worden gehoord. Ook is zorgvuldige communicatie vanuit de overheid cruciaal om onrealistische verwachtingen te voorkomen, bijvoorbeeld over de aard en hoogte van de tegemoetkoming.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Verder geldt dat het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan betekenis wint wanneer dit wordt gecombineerd met een of meer andere vormen van erkenning. Uit de toelichting blijkt niet of, en zo ja, hoe de regering voornemens is op andere manieren erkenning te bieden of daarvoor werkgevers of brancheorganisaties verantwoordelijkheid te geven.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de relevante vragen en afwegingen die erkenning van leed meebrengt. Zij adviseert in dat verband nader te motiveren of met een financiële tegemoetkoming voldoende wordt voorzien in de erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft, of dat hiervoor (ook) andere maatregelen nodig zijn.</nadruk>
              </al>
              <al>In de toelichting op de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (hierna: TSB-regeling) wordt ingegaan op de lange voorgeschiedenis van het vraagstuk van het verhalen van schade bij beroepsziekten. De commissie Vergemakkelijking Schade afhandeling Beroepsziekten (VSAB), onder leiding van de heer T. Heerts (hierna: de commissie Heerts) heeft hierover op 15 mei 2020 advies uitgebracht. De commissie Heerts heeft geconcludeerd dat de marges om tot vergemakkelijking van schadecompensatie bij beroepsziekten te komen klein zijn. En dat er onvoldoende maatschappelijk draagvlak bleek voor een fundamenteel andere inrichting van de mogelijkheid om compensatie voor werkgerelateerde gezondheidsschade te verkrijgen. De commissie heeft ook geconstateerd dat een structurele oplossing van de geschetste problemen bij het verhalen van schade als gevolg van een beroepsziekte binnen de kaders van het aansprakelijkheidsrecht niet goed mogelijk is. Dit leidde tot het advies om te komen met een algemene financiële tegemoetkoming voor mensen die ernstig ziek zijn geworden door blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk. Dit advies is via de TSB-regeling uitgewerkt.</al>
              <al>De TSB-regeling betreft een onverplichte tegemoetkoming. Dat wil zeggen dat de overheid niet verplicht is om mensen met een ernstige beroepsziekte een tegemoetkoming te verstrekken. De verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden ligt immers in de eerste plaats bij de werkgever. Gelet op het feit dat een fundamenteel andere inrichting van het stelsel rondom compensatie van werkgerelateerde gezondheidsschade niet mogelijk bleek heeft de overheid de TSB-regeling gestart. Deze regeling heeft als doel een maatschappelijke erkenning te geven aan mensen die lijden aan een ernstige beroepsziekte. De werkgevers betalen dit door een verhoging van de Arbeidsongeschiktheidsfonds-premie (Aof-premie).</al>
              <al>Binnen de bestaande tegemoetkomingsregelingen, de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (hierna: TAS-regeling) en de TSB-regeling, zijn naast de financiële tegemoetkoming aanvullende maatregelen genomen om het leed van mensen die ziek zijn geworden door het werken met gevaarlijke stoffen te erkennen. Niet bedoeld is met de financiële tegemoetkoming een korte, snelle, administratieve handeling uit te voeren. Wel bedoeld is een kortere en snellere route te bieden die persoonlijker is dan de route via het civiele aansprakelijkheidsrecht (die overigens altijd nog open staat).</al>
              <al>Zo is er bij beide regelingen veel aandacht voor de persoonlijke benadering en behandeling van de aanvragers. De uitvoeringsorganisaties IAS (Instituut asbest slachtoffers) en ISBG (Instituut slachtoffers beroepsziekten door gevaarlijke stoffen) zijn opgericht met het doel een luisterend oor en een helpende hand te bieden bij het aanvragen van een tegemoetkoming aan slachtoffers van beroepsziekten door gevaarlijke stoffen. Dit doen zij door aanvragers te ontlasten bij de aanvraagprocedures, door deze grotendeels over te nemen en indien gewenst bij de start van het proces een huisbezoek af te leggen. Maar bovenal door te luisteren.</al>
              <al>Daarnaast geven zij voorlichting over de gezondheidsschade die door deze beroepsziekten ontstaat. Deze voorlichting wordt gegeven aan belanghebbenden en geïnteresseerden op het gebied van beroepsziekten waarvoor een tegemoetkoming kan worden aangevraagd. Aanvragers geven regelmatig aan deze persoonlijke begeleiding te waarderen.</al>
              <al>Ook voorziet de individuele beoordeling van medische- en blootstellingskundige dossiers door een panel van experts in een vorm van erkenning.</al>
              <al>De hierboven geschetste behulpzame en zo empathisch mogelijke aanpak én de financiële tegemoetkoming tezamen zijn bedoeld als maatschappelijke erkenning van het leed van mensen met een ernstige beroepsziekte.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Wettelijke tegemoetkomingsregeling</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het voorstel regelt een wettelijke grondslag voor een financiële tegemoetkoming aan personen die lijden aan een beroepsziekte. De Afdeling onderschrijft de noodzaak van een specifieke wettelijke bevoegdheid. Een betaling door de overheid behoeft immers een geldige rechtsgrond (zie noot 16).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De uitwerking hiervan wordt in het voorstel echter volledig gedelegeerd aan de minister. Dit beperkt de waarde van een formeel wettelijke regeling, nu de democratische legitimatie slechts ziet op de toekenning van bevoegdheden en niet op de inhoudelijke vormgeving van de financiële tegemoetkoming.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De gekozen rechtstreekse delegatie aan de minister strookt ook niet met de Aanwijzingen voor de regelgeving. De algehele uitwerking van een financiële tegemoetkoming vergt inhoudelijke, normatieve keuzes en is daarom niet beperkt tot voorschriften van administratieve aard of tot details (zie noot 17).</nadruk>
              </al>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Weliswaar volgt uit de toelichting dat het voorstel eerst en vooral beoogt om bestaande tegemoetkomingsregelingen van een toereikende wettelijke basis te voorzien, maar toekomstige aanpassingen van deze regelingen en de invoering van nieuwe regelingen worden expliciet niet uitgesloten en vallen ook te verwachten.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Inmiddels is met de bestaande tegemoetkomingsregelingen voldoende ervaring opgedaan om de belangrijkste aspecten hiervan in de wet te kunnen regelen.</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dit is temeer wenselijk omdat tussen (eerdere) tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten allerlei verschillen bestaan, bijvoorbeeld in de voorwaarden waaronder aanspraak wordt gemaakt op een tegemoetkoming of in de uitkomsten van de regeling (zie noot 18).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dat heeft er vooral mee te maken dat er geen vooraf bepaalde (wettelijke) kaders of vereisten zijn voor deze regelingen. Het gevolg hiervan is dat dat de rechtspositie van de benadeelde partij verschilt per regeling. Dit kan ongelijkheid en onzekerheid onder benadeelden in de hand werken.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Deze knelpunten worden met de voorgestelde grondslag niet ondervangen en opgelost. Dit onderstreept de noodzaak en het belang van een op wetsniveau te geven nadere uitwerking van een tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten. Niet alleen worden de belangrijkste inhoudelijke keuzes dan voluit democratisch gelegitimeerd. Ook biedt een uniforme wettelijke tegemoetkomingsregeling meer rechtszekerheid en rechtsgelijkheid aan gedupeerden, en wordt nieuwe aanwas van ad hoc-regelingen voorkomen. Hierbij kan worden geput uit bestaande tegemoetkomingsregelingen. (zie noot 19) Voor zover op onderdelen behoefte bestaat aan meer flexibiliteit, zoals wat betreft de door de regeling bestreken ziekten, is een algemene maatregel van bestuur daarvoor het aangewezen instrument.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Meer in het algemeen geldt dat voor een structurele verbetering van schadecompensatie bij beroepsziekten andere maatregelen nodig zijn dan een tegemoetkomingsregeling. Te denken valt aan een verplichte directe verzekering, al dan niet binnen sectoren waar het risico op beroepsziekten groter is, of aan aanpassingen van het aansprakelijkheidsrecht. Het belang van draagvlak voor zulke maatregelen onder werkgevers dient hierbij afgewogen te worden tegen de knelpunten waar zieke werkenden tegenaan lopen. In de toelichting blijven zulke maatregelen buiten beschouwing.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert op het niveau van de wet te voorzien in een op hoofdlijnen uitgewerkte tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten en deze nader uit te werken bij algemene maatregel van bestuur. Daarnaast adviseert zij in de toelichting in te gaan op maatregelen die getroffen kunnen worden om de vergoeding van schade als gevolg van beroepsziekten structureel te verbeteren.</nadruk>
              </al>
              <al>Zoals ook eerder aangegeven heeft de commissie Heerts vastgesteld dat de marges om tot vergemakkelijking van schadecompensatie bij beroepsziekten te komen klein zijn en dat er onvoldoende maatschappelijk draagvlak bleek voor een fundamenteel andere inrichting van de mogelijkheid om compensatie te krijgen voor werkgerelateerde gezondheidsschade. De commissie heeft ook geconstateerd dat een structurele oplossing van de geschetste problemen bij het verhalen van schade als gevolg van een beroepsziekte binnen de kaders van het aansprakelijkheidsrecht niet goed mogelijk is. Dit leidde tot het advies om te komen met een algemene financiële tegemoetkoming voor mensen die ernstig ziek zijn geworden door blootstelling aan gevaarlijke stoffen tijdens het werk. Dit advies is via de TSB-regeling uitgewerkt.</al>
              <al>De twee tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten waarvoor ik met dit wetsvoorstel een definitieve grondslag wil regelen, zijn staande praktijk. Met het oog op een zorgvuldige start van de TSB-regeling, is de regeling in 2023 geopend voor getroffenen van drie beroepsziekten door gevaarlijke stoffen. In 2025 heeft mijn voorganger drie nieuwe beroepsziekten toegevoegd. Het uitbreidingsproces zal zich blijven herhalen totdat alle door de onafhankelijke Adviescommissie Lijst beroepsziekten geadviseerde beroepsziekten door gevaarlijke stoffen zijn toegevoegd aan de regeling en deze compleet is.</al>
              <al>De TAS-regeling bestaat en functioneert sinds 2000 voor getroffenen van de beroepsziekte mesothelioom. In 2014 is de regeling uitgebreid met de beroepsziekte asbestose en konden ook huisgenoten van getroffenen een tegemoetkoming aanvragen. De TAS-regeling was bedoeld als een tijdelijke regeling. Naar verwachting zou het aantal mensen met beroepsziekten door asbest uitfaseren door genomen maatregelen. In de praktijk is hiervan helaas nog geen sprake. Het is daarom dat ik nu voorstel om ook voor deze regeling een duurzame grondslag te regelen.</al>
              <al>Beide bestaande regelingen zijn nu gebaseerd op de Kaderwet subsidies SZW. Deze Kaderwet is niet bedoeld voor de duurzame verstrekking van financiële middelen waaronder tegemoetkomingen, maar biedt alleen ruimte voor spoedeisende, tijdelijke verstrekking van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies. Hiermee is de grondslag per definitie tijdelijk van aard. Met dit wetsvoorstel wordt deze onwenselijke situatie gecorrigeerd. Ik zie het daarom vooral als een technische wijziging.</al>
              <al>Daarnaast bied ik met een definitieve grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten in de toekomst de mogelijkheid om nieuwe beroepsziekteregelingen op andere terreinen dan door gevaarlijke stoffen direct van een goed fundament te voorzien.</al>
              <al>Het vastleggen van basisprincipes over tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten op wetsniveau met een nadere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur is mijns inziens niet wenselijk. Allereerst, omdat uit ervaring is gebleken dat juist de basisprincipes van beroepsziekteregelingen van elkaar kunnen verschillen. Deze zijn daarom niet op hoofdlijnen op wetsniveau te vatten. Anderzijds, omdat hiermee de flexibiliteit die nodig is voor de uitbreiding van de TSB-regeling met nieuwe beroepsziekten niet bereikt wordt. Ik licht dit hieronder toe.</al>
              <al>De huidige twee beroepsziekteregelingen voor stoffengerelateerde beroepsziekten verschillen op cruciale punten van elkaar. Ten eerste gaat de TAS-regeling uit van een verplichte bemiddeling tussen werknemer en werkgever en de TSB-regeling niet. De Regeling TAS is bovendien een regeling bedoeld voor werknemers, anders dan de TSB, die ook toegankelijk is voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). In het geval van de TAS-regeling stelt de werknemer, die slachtoffer is geworden door het werken met asbest, zijn werkgever aansprakelijk voor de opgetreden gezondheidsschade. Wanneer mesothelioom of asbestose bij het slachtoffer is aangetoond, ontvangt het slachtoffer de financiële tegemoetkoming. Tegelijkertijd start het IAS de bemiddeling over een schadevergoeding. Is deze bemiddeling succesvol, dan volgt betaling van een schadevergoeding van de werkgever aan het slachtoffer en wordt de eerder verstrekte financiële tegemoetkoming teruggevorderd. In dat geval was deze tegemoetkoming te beschouwen als een voorschot op de schadevergoeding. Staakt de bemiddeling en komt het niet tot uitbetaling van een schadevergoeding, dan wordt de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming definitief.</al>
              <al>Op advies van de Commissie Heerts is besloten om in de TSB-regeling geen verplichte aansprakelijkstelling en bemiddeling richting de werkgever of opdrachtgever op te nemen. Volgens Heerts staat een verplichte bemiddeling aanvragers soms in de weg om een aanvraag in te dienen. Immers: het betekent nogal wat als je je werkgever of opdrachtgever via een rechtsprocedure aansprakelijk moet stellen voor het opgedane leed. Dit is bovendien vaak ook heel moeilijk aan te tonen.</al>
              <al>Aangezien het aanpassen van de TAS-regeling aan het advies van de Commissie Heerts niet meer haalbaar bleek, en het idee bestond dat de TAS-regeling tijdelijk van aard zou zijn, is indertijd besloten om naar aanleiding van het advies van Heerts een nieuwe regeling te maken (de TSB-regeling). Dat in het kader van de TAS wel bemiddeling plaatsvindt, komt voort uit het feit dat in 1999 het IAS is opgericht om slachtoffers te ondersteunen bij het verkrijgen van een schadevergoeding. Feitelijk nam het IAS de bemiddeling tussen het slachtoffer en de werkgever op zich om het slachtoffer te ondersteunen/te ontlasten. Daarna is pas de Regeling TAS ingevoerd, omdat bemiddeling vaak relatief lang duurde en in sommige gevallen het slachtoffer al was overleden voordat de bemiddeling afgerond kon worden. Er was daarom behoefte aan een voorschot op de schadevergoeding, dat bij gestaakte bemiddeling de vorm krijgt van een financiële tegemoetkoming.</al>
              <al>Een tweede cruciaal verschil tussen beide regelingen is dat de TSB-regeling in tegenstelling tot de TAS-regeling vooral multi-causale stoffengerelateerde beroepsziekten bevat, wat een ander beoordelingsregime noodzakelijk maakt. Op advies van de heer Bruins (kwartiermaker uitwerking advies commissie Heerts) is er daarom voor gekozen om bij de TSB-regeling een onafhankelijk deskundigenpanel aan de uitvoeringsketen toe te voegen en dit panel onder te brengen bij het RIVM. De financiële tegemoetkomingen en de daarmee gemoeide processen van de TSB-regeling en de TAS-regeling konden en kunnen daarmee niet op dezelfde manier inhoudelijk worden vormgegeven.</al>
              <al>Ik breid de TSB-regeling op advies van een onafhankelijke adviescommissie van experts stapsgewijs steeds verder uit door stoffengerelateerde beroepsziekten toe te voegen. Gelet op het feit dat het hier dus gaat om voorschriften die dikwijls wijziging behoeven, ligt uitwerking op regelingniveau het meest voor de hand.<noot id="n50" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Zie ook aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.</noot.al></noot> Dit komt ten goede aan de mensen die ik met de regeling een tegemoetkoming wil bieden. Door sneller ziekten te kunnen toevoegen, kunnen ook sneller meer mensen een aanvraag indienen bij de TSB-regeling.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Financiering, uitvoering en inpassing in het wettelijk stelsel</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De werkgever dan wel opdrachtgever is verantwoordelijk voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden. Zoals ook de toelichting opmerkt, doet een tegemoetkomingsregeling aan deze verantwoordelijkheid niets af (zie noot 20). Werkgevers en opdrachtgevers moeten zich blijven inspannen voor goede arbeidsomstandigheden. Als werkgevers en opdrachtgevers hun zorgplicht niet nakomen, zijn zij in beginsel aansprakelijk voor de schade.</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Gelet op deze verantwoordelijkheid van de werkgever of opdrachtgever acht de Afdeling het van belang dat de tegemoetkomingen voor beroepsziekten ten minste gedeeltelijk worden gefinancierd door werkgevers en opdrachtgevers gezamenlijk. Dit aandeel zou kunnen verschillen per beroepsziekte waarvoor een tegemoetkoming wordt verstrekt. Ook de commissie VSAB adviseerde om werkgevers te laten meebetalen aan het fonds voor de uitvoering en financiering van de tegemoetkomingsregeling opgericht zou moeten worden (zie noot 21).</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat de financiering en uitvoering van de tegemoetkomingen niet wordt geregeld in dit voorstel. De toelichting verschaft hier geen informatie over, anders dan door verwijzing naar de bestaande regelingen en later te nemen beslissingen van de minister. Het gaat hier echter om wezenlijke elementen van een tegemoetkomingsregeling, die daarom op wettelijk niveau geregeld dienen te worden. Daarbij is ook aandacht nodig voor de rol van de werkgevers en opdrachtgevers bij de financiering van de tegemoetkomingen.</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
              <al-groep>
                <al>In navolging van het advies van de commissie Heerts is vanaf 2022 de Aof-premie die alle werkgevers betalen, verhoogd voor de financiering van de TSB-regeling. Alle werkgevers dragen op deze manier bij, ongeacht in welke sector zij actief zijn.</al>
                <al>Bij het opstellen van de TAS-regeling is geen werkgeversbijdrage gevraagd, omdat de TAS, zoals eerder besproken, een heel andere opzet heeft. De tegemoetkoming betreft hier immers een voorschot dat pas na een mislukte, maar verplichte, bemiddeling voor het aansprakelijk stellen van de werkgever, wordt omgezet in een tegemoetkoming (gift).</al>
              </al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">In het verlengde hiervan merkt de Afdeling op dat keuze voor regeling in de Arbeidsomstandighedenwet niet wordt gemotiveerd in de toelichting. Zij wijst er op dat een regeling voor een door de overheid verschafte tegemoetkoming voor beroepsziekten raakvlakken vertoont met de regeling van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid in het kader van de sociale zekerheid. Daarentegen ziet de Arbeidsomstandighedenwet primair op het bevorderen van veiligheid en gezondheid binnen ondernemingen. Inpassing van de regeling in de Wet WIA kan daarom ook in de rede liggen (zie noot 22).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert de financiering van de tegemoetkomingen, en de rol van werkgevers en opdrachtgevers daarbij, op wettelijk niveau te regelen. Daarnaast adviseert zij om, gelet op bovenstaande, de keuze voor regeling van een tegemoetkoming voor beroepsziekten in de Arbeidsomstandighedenwet nader te motiveren.</nadruk>
              </al>
              <al>Een belangrijk verschil tussen de TSB-regeling en de WIA is dat tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten, zoals de TAS- en de TSB-regeling, een eenmalige tegemoetkoming betreffen, waar de Wet WIA een uitkering voor inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid betreft. De TAS- en de TSB-regeling regelen een eenmalige tegemoetkoming als erkenning van het ontstane leed door een stoffengerelateerde beroepsziekte. De tegemoetkoming betreft geen inkomensvergoeding of schadevergoeding. Dat betekent dat de tegemoetkoming geen verband houdt met de feitelijke schade die een werkende door zijn ziekte heeft opgelopen. Een eenmalige tegemoetkoming vervangt geenszins het inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid. De Wet WIA biedt inkomensbescherming voor het deel dat iemand arbeidsongeschikt is, ongeacht de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid. Ook stimuleert de Wet WIA iemand zijn resterende verdiencapaciteit in te zetten in arbeid. Het doel van de regelingen past, mijns inziens, daarmee beter bij de Arbeidsomstandighedenwet dan bij de WIA.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Definitie beroepsziekte</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het voorstel definieert een beroepsziekte als een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden (zie noot 23). Deze definitie is ontleend aan de definitie van beroepsziekte in de Arbeidsomstandighedenregeling. Daar wordt de definitie gebruikt om af te bakenen in welke gevallen een bedrijfsarts of arbodienst melding moet doen van een beroepsziekte aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (zie noot 24).</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat in de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten een beroepsziekte wordt gedefinieerd als een ernstige aandoening die vermeld is op bij deze regeling behorende Lijst beroepsziekten (zie noot 25). In lijn met het advies van de commissie VSAB is in deze regeling verder een van de voorwaarden voor de aanspraak op een tegemoetkoming dat voorshands aannemelijk is dat de ernstige aandoening in het geval van de aanvrager het gevolg is van blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen bij het verrichten van de arbeid (zie noot 26).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de toelichting wordt niet ingegaan op de vraag hoe de voorgestelde wettelijke definitie zich verhoudt tot andere gehanteerde definities van beroepsziekte.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voor de praktijk is een uniforme en helder afgebakende definitie, die passend is voor alle gevallen waarop zij van toepassing is, van groot belang. Omdat de definitie van beroepsziekte medebepalend is voor de toekenning van een tegemoetkoming, is ook aandacht nodig voor de gevolgen die eventuele verschillen in definities hiervoor kunnen hebben. In dat verband adviseert de Afdeling ook om duidelijk te maken of het criterium ‘voorshands aannemelijk’ de maatstaf blijft voor de aanspraak op een tegemoetkoming.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert om gelet op het voorgaande de voorgestelde wettelijke definitie van beroepsziekte nader te motiveren en zo nodig aan te passen.</nadruk>
            </al>
            <al>De definities van beroepsziekten in het wetsvoorstel en in de huidige TSB-regeling verschillen, omdat het wetsvoorstel gaat over beroepsziekten in het algemeen en de definitie van beroepsziekte in de TSB-regeling gekoppeld is aan de beroepsziekten waarvoor op grond van de TSB-regeling een tegemoetkoming kan worden aangevraagd.</al>
            <al>Voor de classificatie van een beroepsziekte in het algemeen is het noodzakelijk dat de oorzakelijkheid tussen een gevaarlijke stof of een andere arbeidsgerelateerde oorzaak en een ziekte op populatieniveau kan worden vastgesteld. Hiervoor is het hanteren van het begrip ‘in overwegende mate’ noodzakelijk in de definitie van beroepsziekte.</al>
            <al>Op individueel niveau is het bij multicausale stoffengerelateerde beroepsziekten in veel gevallen juist heel moeilijk om aan te tonen dat een ziekte in overwegende mate door de arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Het is daarom dat in de TSB-regeling (dus voor de verbetering van de aantoonbaarheid op individueel niveau) aanvullend aan de definitie van beroepsziekte het begrip ‘voorshands aannemelijk’ is geïntroduceerd. Dit principe houdt in dat, wanneer er onzekerheid bestaat over het causale verband tussen een werkgerelateerde blootstelling en een ziekte, deze onzekerheid tot in zekere mate (per ziekte verschillend en uitgewerkt in het protocol voor die ziekte) in het voordeel van de werkende wordt uitgelegd.</al>
            <al>Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel rust de TSB-regeling op de Arbeidsomstandighedenwet. Ik zal voorstellen dan het begrip beroepsziekte in de TSB-regeling aan te vullen met een ander begrip, om te voorkomen dat in de TSB-regeling het begrip beroepsziekte anders wordt uitgelegd dan in de wet, die de grondslag vormt voor die regeling. Dit betreft een technische en geen inhoudelijke wijziging van de TSB-regeling.</al>
            <al-groep>
              <al>Ik denk daarbij aan de volgende aangepaste definitie als inhoudelijke normstelling:</al>
              <al>‘Rechtgevende beroepsziekte: een ernstige beroepsziekte zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling’.</al>
            </al-groep>
            <al>De definitie van beroepsziekte is en blijft daarmee voor de TSB-regeling verbonden aan het voorshandsaannemelijkprincipe.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Staatssteun</titel>
            </kop>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het voorstel bevat twee grondslagen voor subsidieverstrekking. Het gaat om een subsidie aan de SER, waaraan de taak zal worden toebedeeld om bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen te ondersteunen met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie. Daarnaast betreft het een subsidie aan een samenwerkingsverband van instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Volgens de toelichting is bij deze subsidieverstrekkingen geen sprake van staatssteun.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat de staatssteunanalyses in de toelichting zeer beknopt zijn (zie noot 27). Voor de subsidie aan het samenwerkingsverband geldt in het bijzonder dat de redenering die ten grondslag ligt aan de vermelde conclusies niet inzichtelijk is. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt uit te breiden.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Van belang is dat de subsidie aan het samenwerkingsverband (alleen) bestemd is voor de bundeling, ontwikkeling en verspreiding van wetenschappelijk gefundeerde kennis. Daarmee wordt de afstand tot de markt bewaard en gaat het niet om economische activiteiten (zie noot 28).</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">Wat betreft de subsidie aan het Steunpunt RI&amp;E merkt de Afdeling op dat, anders dan de toelichting stelt, de activiteiten van het Steunpunt economisch van aard lijken te zijn. Zoals volgt uit de toelichting is er een markt van zakelijke dienstverleners die ondernemingen ondersteunt met het opstellen van een RI&amp;E, maar faalt deze markt voor kleine en middelgrote ondernemingen. De activiteiten van het Steunpunt zijn vooral gericht op deze ondernemingen, wat maakt dat een subsidie aan het Steunpunt kan leiden tot een indirect economisch voordeel voor die groep ondernemingen. Dit roept de vraag op of de conclusie gerechtvaardigd is dat geen sprake is van staatssteun.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Tenzij voor deze conclusie een dragender motivering kan worden gegeven, adviseert de Afdeling de subsidie robuuster vorm te geven. Zij wijst op de mogelijkheid om de taak die aan de SER wordt toebedeeld, vorm te geven als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). In dat geval kan gebruik worden gemaakt van een van de vrijstellingsmogelijkheden voor DAEB-steun. Daarvoor is nodig dat de ministeriële regeling waarbij de taak aan de SER wordt verleend en de financiering daarvoor wordt verstrekt, afgestemd wordt op de dan geldende vrijstellingsvoorwaarden voor steun aan een DAEB (zie noot 29). De Afdeling adviseert om hier in de toelichting nader op in te gaan.</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
            <al-groep>
              <al>De subsidie aan het samenwerkingsverband leidt niet tot staatssteun, omdat de te subsidiëren activiteiten geen economische activiteiten zijn. De Raad heeft terecht aangegeven dat de paragraaf in de memorie van toelichting op dit punt te beknopt is. Deze tekst is daarom aangevuld aan de hand van onderstaande redenering. Het samenwerkingsverband bundelt, ontwikkelt (indien nodig) en verspreidt wetenschappelijk gefundeerde kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland. Hierbij kan het gaan om heel fundamenteel onderzoek naar de relatie tussen een stof/stoffen en een beroepsziekte, maar ook om meer toegepast onderzoek zoals in een werkplaats, bijvoorbeeld samen met beleidsmedewerkers van een stichting of gemeente of ervaringsdeskundigen met de ziekte.</al>
              <al>De partijen in het samenwerkingsverband zijn bijvoorbeeld universiteiten, stichtingen en agentschappen. In ieder geval organisaties zonder winstoogmerk. Het samenwerkingsverband krijgt binnen een beperkt aantal hoofdlijnen in de Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie heel veel ruimte om het kennisprogramma zelf vorm te geven. De echte kennis en expertise zit immers aan de kant van het samenwerkingsverband en niet aan de kant van het ministerie van SZW.</al>
            </al-groep>
            <al>Er is op dit moment geen sprake van een markt. Wel van een beperkt aantal instellingen met de benodigde kennis en expertise. Deze instellingen ontvangen als het ‘samenwerkingsverband Lexces’ een tijdelijke subsidie voor de uitvoering van de kennisactiviteiten zoals die ook in het kennisprogramma worden gevraagd. De kennis die zij bundelen, ontwikkelen en verspreiden is voor anderen toegankelijk. Er zijn geen andere aanbieders.</al>
            <al-groep>
              <al>Ook de Europese Commissie (EC) beschouwt de beoogde kennisactiviteiten (bundeling, onderzoek en verspreiding) als activiteiten die buiten het toepassingsbereik van de staatssteunregels vallen. Dit valt terug te lezen in paragraaf 2.5 van de Mededeling van de EC hierover.<noot id="n51" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Document 52016XC0719(05)/ <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52016XC0719%2805%29" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52016XC0719(05) – EN – EUR-Lex</extref></noot.al></noot> Specifiek worden in deze paragraaf de volgende activiteiten genoemd:</al>
              <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                <li>
                  <li.nr>a)</li.nr>
                  <al>opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerd menselijk kapitaal;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b)</li.nr>
                  <al>het verrichten van onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling met het oog op meer kennis en een beter inzicht, daaronder begrepen samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c)</li.nr>
                  <al>de verspreiding van onderzoeksresultaten.</al>
                </li>
              </lijst>
            </al-groep>
            <al>Daarnaast merkt de Afdeling op dat met financiering van het Steunpunt RI&amp;E er mogelijk sprake is van staatssteun. De regering benadrukt dat de activiteiten van het Steunpunt niet in het vaarwater liggen van de activiteiten van arbodienstverleners en arbokerndeskundigen. Het Steunpunt helpt bedrijven met kennis en informatie van het proces rondom de risico inventarisatie- en evaluatie. Het is in die zin een centraal informatie- en ondersteuningspunt over de wettelijke RI&amp;E-plicht. Het Steunpunt geeft antwoord op vragen als: Wat is een RI&amp;E? Hoe lang is een RI&amp;E geldig? Wat kost het maken van een RI&amp;E? Wat levert een RI&amp;E mij op? Welke hulpmiddelen zijn beschikbaar? Onder welke sector valt mijn bedrijf? Wanneer ben ik vrijgesteld van toetsing? Wie moet ik betrekken bij het opstellen van een RI&amp;E? Enzovoorts.</al>
            <al>Het Steunpunt verwijst bedrijven of branches naar verschillende hulpmiddelen. Bijvoorbeeld naar een door een branchevereniging opgestelde en vervolgens erkende branche-RI&amp;E. De regering vermeldt hierbij dat alle brancheverengingen de mogelijkheid hebben om hun erkende branche-RI&amp;E ‘onder te brengen’ bij het Steunpunt en dat alle bedrijven de mogelijkheid hebben om informatie rond de RI&amp;E-plicht bij het Steunpunt op te vragen.</al>
            <al>Het Steunpunt beschikt niet over inhoudelijke kennis en expertise om te adviseren over specifieke risico’s binnen organisaties of sectoren. Arbodienstverleners en arbokerndeskundigen beschikken wel over die kennis en helpen bedrijven in de praktijk met het opstellen van en adviseren (het zogeheten toetsen) over de RI&amp;E. Het laten toetsen van de RI&amp;E door een of meerdere arbokerndeskundigen is wettelijk verplicht. Het Steunpunt toetst geen RI&amp;E’s. Het Steunpunt RI&amp;E bezit niet de arbokennis waarover arbokerndeskundigen beschikken. Het Steunpunt stelt dan ook geen RI&amp;Es op en kan daar ook niet inhoudelijk bij meedenken.</al>
            <al>De conclusie blijft daarom dat er geen sprake is van staatssteun. De memorie van toelichting is op dit punt verduidelijkt.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</nadruk>
            </al>
            <al>Naast aanpassingen die voortvloeien uit het advies van de Afdeling is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele andere kleine wijzigingen in de memorie van toelichting door te voeren. Zo is het opschrift aangepast om te verduidelijken welke drie onderwerpen onderdeel zijn van dit wetsvoorstel. Ook is verduidelijkt dat het Steunpunt RI&amp;E bij de uitvoering van haar taken geen persoonsgegevens verwerkt, zijn de cijfers over de naleving van de RI&amp;E-verplichting geactualiseerd, is opgenomen dat de regeldrukgevolgen van de tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten in die regelingen zelf worden uitgewerkt, is een toelichting toegevoegd over de schriftelijke ronde die voor de internetconsultatie door de Stichting van de Arbeid is uitgevoerd en is de toelichting op de beoogde inwerkingtreding aangepast. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel is 1 juli 2027.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Werk en Participatie,</functie>
            <naam>
              <voornaam>A.A.</voornaam>
              <achternaam>Aartsen.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W12.25.00292/III</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 29 januari 2026</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 13 oktober 2025, no.2025002292, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met beroepsziekten en het Steunpunt RI&amp;E, met memorie van toelichting.</al>
            <al>Het wetsvoorstel regelt in de Arbeidsomstandighedenwet grondslagen voor een drietal beleidsontwikkelingen. Het gaat in de eerste plaats om het reeds bestaande Steunpunt RI&amp;E. De twee andere ontwikkelingen betreffen de problematiek van beroepsziekten. Met een samenwerkingsverband van instellingen die een kennisprogramma beroepsziekte ontwikkelen en uitvoeren wordt bevordering van de kennis op dit gebied beoogd. En met een grondslag voor al in ontwikkeling zijnde tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten wordt beoogd de erkenning van getroffenen beter te regelen.</al>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State maakt opmerkingen over de voorgestelde grondslag voor een tegemoetkomingsregeling. Ten eerste merkt zij op dat erkenning van leed meer omvat dan alleen een financiële tegemoetkoming. In de toelichting wordt niet ingegaan op andere relevante aspecten van erkenning van leed. Het is daarmee niet duidelijk of met een financiële tegemoetkoming voldoende wordt voorzien in de vorm van erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft, of dat (ook) andere maatregelen nodig zijn.</al>
            <al>Daarnaast merkt de Afdeling op dat de uitwerking van de tegemoetkomingsregeling volledig wordt gedelegeerd aan de minister. Nu reeds ervaring is opgedaan met dergelijke regelingen is het vastleggen van de hoofdlijnen in een wettelijke regeling mogelijk. Dit is ook wenselijk om het doel van het codificeren in een wettelijke regeling tot zijn recht te laten komen. Bovendien worden hierdoor onnodige en onwenselijke verschillen tussen de bestaande regelingen weggenomen. In het verlengde hiervan vraagt de Afdeling of een tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten naar haar aard niet beter past in de Wet WIA dan in de Arbeidsomstandighedenwet.</al>
            <al>De Afdeling maakt verder een opmerking over de voorgestelde wettelijke definitie van beroepsziekte. Tot slot adviseert de Afdeling in de toelichting nader te motiveren waarom de subsidie aan het samenwerkingsverband niet leidt tot staatssteun. Daarnaast adviseert zij de taak die bij ministeriële regeling wordt toegekend aan de SER vorm te geven als een DAEB en de subsidieverstrekking aan de SER daarop af te stemmen.</al>
            <al>In verband hiermee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Inhoud en achtergrond wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Inhoud</titel>
              </kop>
              <al>Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor drie beleidsontwikkelingen, die in de praktijk al voor een deel zijn ingevoerd. De drie grondslagen worden geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.</al>
              <al>Dit betreft in eerste plaats een grondslag voor het reeds bestaande Steunpunt RI&amp;E (risico-inventarisatie en evaluatie) en een structurele verlening van subsidie aan deze organisatie. Het Steunpunt RI&amp;E, waarvan het secretariaat is ondergebracht bij de Sociaal-Economische Raad (SER), ondersteunt bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen bij het voldoen aan hun RI&amp;E-verplichtingen.</al>
              <al>In de tweede plaats wordt een subsidiegrondslag voorgesteld voor een samenwerkingsverband van instellingen die kennisactiviteiten verrichten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Het kennisprogramma zal verder worden uitgewerkt in een subsidieregeling en een daarbij te voegen hoofdlijnennotitie. Er zal steeds voor een periode van vijf jaar aan een samenwerkingsverband een subsidie worden toegekend.</al>
              <al>Ten slotte wordt een grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten voorgesteld. Volgens het voorstel kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. De uitwerking hiervan vindt plaats bij ministeriële regeling. Uit de toelichting blijkt dat twee bestaande tegemoetkomingsregelingen op deze nieuwe grondslag zullen worden gebaseerd.<noot id="n21" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 1.1 en 5. Het gaat om de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten en de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Omgaan met beroepsziekte</titel>
              </kop>
              <al>In het kader van de verplichting van werkgevers om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor hun werknemers moeten zij een risico-inventarisatie en -evaluatie uitvoeren. Als werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen, gelden daarbij aanvullende vereisten.<noot id="n22" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie artikel 4.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</noot.al></noot> Ondanks het bestaan van deze verplichtingen komt het voor dat (voormalige) werkenden een beroepsziekte oplopen. Dat is een ziekte die het gevolg is van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.<noot id="n23" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Zie voorgesteld artikel 1, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.</noot.al></noot></al>
              <al>De kennis over beroepsziekten is in Nederland nog onvoldoende ontwikkeld, aldus de toelichting. Dit wordt toegeschreven aan de in Nederland gehanteerde systematiek om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toe te kennen op basis van het zogeheten ‘risque social’ (Wet WIA). Daarbij wordt niet gekeken naar de vraag of de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door het werk, waardoor over deze oorzaak van arbeidsongeschiktheid in Nederland minder kennis wordt verzameld. Ook wordt volgens de toelichting de wel bestaande kennis over beroepsziekten in de praktijk onvoldoende toegepast. Dit bemoeilijkt preventie, vroege signalering en de medische diagnostiek.<noot id="n24" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.</noot.al></noot></al>
              <al>In het Nederlandse systeem zijn (voormalige) werkenden die een beroepsziekte oplopen (afgezien van socialezekerheidsuitkeringen)<noot id="n25" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Inkomensverlies wordt voor werknemers deels gedekt door de loondoorbetaling bij ziekte en door uitkeringen op grond van de Wet WIA. Ziektekosten worden voor alle inwoners grotendeels gedekt door de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.</noot.al></noot> voor een schadevergoeding aangewezen op het civiele aansprakelijkheidsrecht. Als gevolg van de geleidelijke versobering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en aanscherping van de voorwaarden voor uitkering is deze route relatief belangrijker geworden. Claims op basis van beroepsziekten zijn echter vaak ingewikkeld en leiden, mede daardoor, tot langdurige aansprakelijkheidsprocedures. Voor zieke werknemers vormt dit een belemmering om hun werk- of opdrachtgever aansprakelijk te stellen.<noot id="n26" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Commissie VSAB</titel>
              </kop>
              <al>De afgelopen ruim twintig jaar zijn diverse regelingen getroffen om buiten het aansprakelijkheidsrecht om een tegemoetkoming te verstrekken aan werknemers en/of zelfstandigen met een bepaalde beroepsziekte. Dit gold bijvoorbeeld voor aan asbest gerelateerde ziekten, mede gelet op de soms lange incubatieperiode van deze ziekten. Daardoor waren de aansprakelijkheidsprocedures vaak niet toereikend. Daarna gebeurde hetzelfde met andere beroepsziekten, waaronder die als gevolg van het werken met chroom-6 bij onder meer Defensie.</al>
              <al>De problematiek rond het werken met chroom-6 vormde aanleiding om in 2019 de commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten (VSAB) in te stellen (commissie-Heerts). De commissie werd gevraagd te adviseren over een betere organisatie van schadeafhandeling bij beroepsziekten door stoffen en daartoe verbetervoorstellen te doen.</al>
              <al>De commissie concludeert in haar advies dat vooral onder werkgevers geen draagvlak bestaat voor een fundamenteel andere inrichting van de praktijk van schadecompensatie bij beroepsziekten.<noot id="n27" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling Beroepsziekten, ‘Stof tot nadenken’, maart 2020, p. 9, 26–27 (bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, <extref doc="kst-25883-385" soort="document" status="actief">25 883, nr. 385</extref>).</noot.al></noot> Omdat de commissie wilde komen met een breed gedragen voorstel, is dat niet geadviseerd. In plaats daarvan werd aanbevolen om de preventie en handhaving te verbeteren, kennisontwikkeling te stimuleren en te voorzien in een algemene tegemoetkoming voor werkenden met een stoffenziekte, uit te voeren door een speciaal fonds.</al>
              <al>In vervolg op het advies van de commissie VSAB heeft de Minister van SZW in 2023 op basis van de Kaderwet SZW-subsidies een ministeriële regeling getroffen die werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte recht geeft op een financiële tegemoetkoming.<noot id="n28" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Regeling Tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (<extref doc="stcrt-2022-31978" soort="document" status="actief">Stcrt. 2022, 31978</extref>).</noot.al></noot> Ook is aan het samenwerkingsverband Landelijk expertisecentrum stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces) een subsidie verstrekt voor een eerste werkprogramma naar beroepsziekten door gevaarlijke stoffen.</al>
              <al>Door te voorzien in wettelijke grondslagen voor deze ontwikkelingen vormt het wetsvoorstel het sluitstuk van de uitwerking van het advies van de commissie VSAB, aldus de toelichting.<noot id="n29" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 3.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Tegemoetkomingsregeling</titel>
            </kop>
            <al>De Afdeling onderschrijft de noodzaak van maatregelen om de naleving van RI&amp;E-verplichtingen te verbeteren en de ontwikkeling van kennis over beroepsziekten te stimuleren. Dit komt niet alleen zieke werkenden ten goede, maar is ook nodig voor betere preventie. Wel roept de voorgestelde regeling van tegemoetkomingsregelingen vragen op.</al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Erkenning bieden</titel>
              </kop>
              <al>Uit de toelichting volgt dat de bestaande tegemoetkomingsregelingen zijn bedoeld om erkenning te bieden aan werkenden die lijden aan een beroepsziekte. Eerder heeft de minister van SZW bij de invoering van de tegemoetkomingsregeling voor stoffengerelateerde beroepsziekten gezegd dat hiermee ‘een korte en snelle route naar erkenning’ wordt geboden.<noot id="n30" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-25883-417" soort="document" status="actief">25 883, nr. 417</extref>.</noot.al></noot> Met een wettelijke grondslag voor deze regelingen wil de regering deze erkenning beter regelen.<noot id="n31" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.</noot.al></noot> De werkgever is en blijft verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.<noot id="n32" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 16.2.</noot.al></noot></al>
              <al>Dat burgers vragen om, en hechten aan, erkenning van de uitzonderlijke, belastende omstandigheden waarin zij door ziekte terecht zijn gekomen, valt te begrijpen. Verlies van gezondheid gaat vaak hand in hand met verlies van werk en sociale contacten, met verlies van inkomen, hoge medische kosten, afhankelijkheid van zorg door derden en vormt een belasting voor de naasten.<noot id="n33" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Commissie VSAB, ‘Stof tot nadenken’, p. 71.</noot.al></noot> In zulke diepingrijpende situaties luistert het bieden van erkenning nauw. De vraag is of hierbij kan worden volstaan met het toekennen van een tegemoetkoming.</al>
              <al>De Afdeling merkt op dat erkenning op veel verschillende manieren kan worden geboden. Inzicht in de behoeften van de doelgroep, bijvoorbeeld door met hen in gesprek te gaan, is van groot belang bij de afweging van passende, doeltreffende en doelmatige maatregelen. Een snelle, eenzijdig bepaalde oplossing is daarom niet wenselijk. Dit heeft als risico dat de maatregel niet wordt opgevat als erkenning van leed, maar als een administratieve handeling. Dit geldt in het bijzonder als voor een financiële tegemoetkoming wordt gekozen.</al>
              <al>In de toelichting wordt niet ingegaan op de relevante vragen en afwegingen die erkenning van leed meebrengt.<noot id="n34" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Zie hiervoor ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar. Een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties’ (advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 mei 2025, W01.25.00121/I, <extref doc="http://www.raadvanstate.nl" soort="URL" status="actief">www.raadvanstate.nl</extref>).</noot.al></noot> Daarmee is niet duidelijk of met een financiële tegemoetkoming wordt voorzien in de erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft. Dat het vooralsnog gaat om een grondslag voor bestaande regelingen van tegemoetkomingen doet hieraan niet af. Integendeel, uit onderzoek blijkt dat gedupeerden bij eerdere regelingen een gebrek hebben ervaren aan inspraak en daadwerkelijk luisteren. Ook was er ontevredenheid over de uitkomst.<noot id="n35" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>A.M. Overheul, ‘Compensatieregelingen voor beroepsziekten. Een empirisch-juridisch onderzoek naar ervaren rechtvaardigheid en de relatie met het aansprakelijkheidsrecht’ (diss. UU), Den Haag: Boom juridisch 2025, par. 7.3.2.</noot.al></noot></al>
              <al>Van belang is dat erkenningsmaatregelen bijdragen aan het herstel van de waardigheid van de getroffen burgers. In veel gevallen willen zij eerst en vooral worden gehoord. Ook is zorgvuldige communicatie vanuit de overheid cruciaal om onrealistische verwachtingen te voorkomen, bijvoorbeeld over de aard en hoogte van de tegemoetkoming. Verder geldt dat het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan betekenis wint wanneer dit wordt gecombineerd met een of meer andere vormen van erkenning. Uit de toelichting blijkt niet of, en zo ja, hoe de regering voornemens is op andere manieren erkenning te bieden of daarvoor werkgevers of brancheorganisaties verantwoordelijkheid te geven.</al>
              <al>De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de relevante vragen en afwegingen die erkenning van leed meebrengt. Zij adviseert in dat verband nader te motiveren of met een financiële tegemoetkoming voldoende wordt voorzien in de erkenning waaraan de doelgroep behoefte heeft, of dat hiervoor (ook) andere maatregelen nodig zijn.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Wettelijke tegemoetkomingsregeling</titel>
              </kop>
              <al>Het voorstel regelt een wettelijke grondslag voor een financiële tegemoetkoming aan personen die lijden aan een beroepsziekte. De Afdeling onderschrijft de noodzaak van een specifieke wettelijke bevoegdheid. Een betaling door de overheid behoeft immers een geldige rechtsgrond.<noot id="n36" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Zie ook afweging 7 van het afwegingskader ‘Tegemoetkomen doe je niet zomaar’.</noot.al></noot> De uitwerking hiervan wordt in het voorstel echter volledig gedelegeerd aan de minister. Dit beperkt de waarde van een formeel wettelijke regeling, nu de democratische legitimatie slechts ziet op de toekenning van bevoegdheden en niet op de inhoudelijke vormgeving van de financiële tegemoetkoming.</al>
              <al>De gekozen rechtstreekse delegatie aan de minister strookt ook niet met de Aanwijzingen voor de regelgeving. De algehele uitwerking van een financiële tegemoetkoming vergt inhoudelijke, normatieve keuzes en is daarom niet beperkt tot voorschriften van administratieve aard of tot details.<noot id="n37" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Zie aanwijzing 2.25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Het is in dit verband evenmin aannemelijk dat het gaat om voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.</noot.al></noot> Weliswaar volgt uit de toelichting dat het voorstel eerst en vooral beoogt om bestaande tegemoetkomingsregelingen van een toereikende wettelijke basis te voorzien, maar toekomstige aanpassingen van deze regelingen en de invoering van nieuwe regelingen worden expliciet niet uitgesloten en vallen ook te verwachten.</al>
              <al>Inmiddels is met de bestaande tegemoetkomingsregelingen voldoende ervaring opgedaan om de belangrijkste aspecten hiervan in de wet te kunnen regelen. Dit is temeer wenselijk omdat tussen (eerdere) tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten allerlei verschillen bestaan, bijvoorbeeld in de voorwaarden waaronder aanspraak wordt gemaakt op een tegemoetkoming of in de uitkomsten van de regeling.<noot id="n38" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>A.M. Overheul, ‘Compensatieregelingen voor beroepsziekten’, paragraaf 7.2.1.</noot.al></noot> Dat heeft er vooral mee te maken dat er geen vooraf bepaalde (wettelijke) kaders of vereisten zijn voor deze regelingen. Het gevolg hiervan is dat dat de rechtspositie van de benadeelde partij verschilt per regeling. Dit kan ongelijkheid en onzekerheid onder benadeelden in de hand werken.</al>
              <al>Deze knelpunten worden met de voorgestelde grondslag niet ondervangen en opgelost. Dit onderstreept de noodzaak en het belang van een op wetsniveau te geven nadere uitwerking van een tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten. Niet alleen worden de belangrijkste inhoudelijke keuzes dan voluit democratisch gelegitimeerd. Ook biedt een uniforme wettelijke tegemoetkomingsregeling meer rechtszekerheid en rechtsgelijkheid aan gedupeerden, en wordt nieuwe aanwas van ad hoc-regelingen voorkomen. Hierbij kan worden geput uit bestaande tegemoetkomingsregelingen.<noot id="n39" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>In algemene zin geldt dat een financiële tegemoetkoming bij voorkeur een vast bedrag is, dat relatief beperkt is maar betekenisvol. In de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten wordt een bedrag van ongeveer € 25.000 gehanteerd. Verder is een laagdrempelige aanvraagprocedure en de betrokkenheid van medische experts bij de uitvoering van de tegemoetkomingsregeling van groot belang.</noot.al></noot> Voor zover op onderdelen behoefte bestaat aan meer flexibiliteit, zoals wat betreft de door de regeling bestreken ziekten, is een algemene maatregel van bestuur daarvoor het aangewezen instrument.</al>
              <al>Meer in het algemeen geldt dat voor een structurele verbetering van schadecompensatie bij beroepsziekten andere maatregelen nodig zijn dan een tegemoetkomingsregeling. Te denken valt aan een verplichte directe verzekering, al dan niet binnen sectoren waar het risico op beroepsziekten groter is, of aan aanpassingen van het aansprakelijkheidsrecht. Het belang van draagvlak voor zulke maatregelen onder werkgevers dient hierbij afgewogen te worden tegen de knelpunten waar zieke werkenden tegenaan lopen. In de toelichting blijven zulke maatregelen buiten beschouwing.</al>
              <al>De Afdeling adviseert op het niveau van de wet te voorzien in een op hoofdlijnen uitgewerkte tegemoetkomingsregeling voor beroepsziekten en deze nader uit te werken bij algemene maatregel van bestuur. Daarnaast adviseert zij in de toelichting in te gaan op maatregelen die getroffen kunnen worden om de vergoeding van schade als gevolg van beroepsziekten structureel te verbeteren.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Financiering, uitvoering en inpassing in het wettelijk stelsel</titel>
              </kop>
              <al>De werkgever dan wel opdrachtgever is verantwoordelijk voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden. Zoals ook de toelichting opmerkt, doet een tegemoetkomingsregeling aan deze verantwoordelijkheid niets af.<noot id="n40" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 16.2.</noot.al></noot> Werkgevers en opdrachtgevers moeten zich blijven inspannen voor goede arbeidsomstandigheden. Als werkgevers en opdrachtgevers hun zorgplicht niet nakomen, zijn zij in beginsel aansprakelijk voor de schade.</al>
              <al>Gelet op deze verantwoordelijkheid van de werkgever of opdrachtgever acht de Afdeling het van belang dat de tegemoetkomingen voor beroepsziekten ten minste gedeeltelijk worden gefinancierd door werkgevers en opdrachtgevers gezamenlijk. Dit aandeel zou kunnen verschillen per beroepsziekte waarvoor een tegemoetkoming wordt verstrekt. Ook de commissie VSAB adviseerde om werkgevers te laten meebetalen aan het fonds voor de uitvoering en financiering van de tegemoetkomingsregeling opgericht zou moeten worden.<noot id="n41" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Commissie VSAB, ‘Stof tot nadenken’, p. 78.</noot.al></noot></al>
              <al>De Afdeling merkt op dat de financiering en uitvoering van de tegemoetkomingen niet wordt geregeld in dit voorstel. De toelichting verschaft hier geen informatie over, anders dan door verwijzing naar de bestaande regelingen en later te nemen beslissingen van de minister. Het gaat hier echter om wezenlijke elementen van een tegemoetkomingsregeling, die daarom op wettelijk niveau geregeld dienen te worden. Daarbij is ook aandacht nodig voor de rol van de werkgevers en opdrachtgevers bij de financiering van de tegemoetkomingen.</al>
              <al>In het verlengde hiervan merkt de Afdeling op dat keuze voor regeling in de Arbeidsomstandighedenwet niet wordt gemotiveerd in de toelichting. Zij wijst er op dat een regeling voor een door de overheid verschafte tegemoetkoming voor beroepsziekten raakvlakken vertoont met de regeling van uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid in het kader van de sociale zekerheid. Daarentegen ziet de Arbeidsomstandighedenwet primair op het bevorderen van veiligheid en gezondheid binnen ondernemingen. Inpassing van de regeling in de Wet WIA kan daarom ook in de rede liggen.<noot id="n42" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Dit mede gelet op de financiering van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten, waaraan werkgevers bijdragen via een licht verhoogde Aof-premie.</noot.al></noot></al>
              <al>De Afdeling adviseert de financiering van de tegemoetkomingen, en de rol van werkgevers en opdrachtgevers daarbij, op wettelijk niveau te regelen. Daarnaast adviseert zij om, gelet op bovenstaande, de keuze voor regeling van een tegemoetkoming voor beroepsziekten in de Arbeidsomstandighedenwet nader te motiveren.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Definitie beroepsziekte</titel>
            </kop>
            <al>Het voorstel definieert een beroepsziekte als een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.<noot id="n43" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Zie voorgesteld artikel 1, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet.</noot.al></noot> Deze definitie is ontleend aan de definitie van beroepsziekte in de Arbeidsomstandighedenregeling. Daar wordt de definitie gebruikt om af te bakenen in welke gevallen een bedrijfsarts of arbodienst melding moet doen van een beroepsziekte aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.<noot id="n44" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Zie artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet jo. artikel 1.11 van het Arbeidsomstandighedenregeling.</noot.al></noot></al>
            <al>De Afdeling merkt op dat in de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten een beroepsziekte wordt gedefinieerd als een ernstige aandoening die vermeld is op bij deze regeling behorende Lijst beroepsziekten.<noot id="n45" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Artikel 1 van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten.</noot.al></noot> In lijn met het advies van de commissie VSAB is in deze regeling verder een van de voorwaarden voor de aanspraak op een tegemoetkoming dat voorshands aannemelijk is dat de ernstige aandoening in het geval van de aanvrager het gevolg is van blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen bij het verrichten van de arbeid.<noot id="n46" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Zie artikel 4, eerste lid, sub a, onder 2, van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten.</noot.al></noot></al>
            <al>In de toelichting wordt niet ingegaan op de vraag hoe de voorgestelde wettelijke definitie zich verhoudt tot andere gehanteerde definities van beroepsziekte. Voor de praktijk is een uniforme en helder afgebakende definitie, die passend is voor alle gevallen waarop zij van toepassing is, van groot belang. Omdat de definitie van beroepsziekte mede bepalend is voor de toekenning van een tegemoetkoming, is ook aandacht nodig voor de gevolgen die eventuele verschillen in definities hiervoor kunnen hebben. In dat verband adviseert de Afdeling ook om duidelijk te maken of het criterium ‘voorshands aannemelijk’ de maatstaf blijft voor de aanspraak op een tegemoetkoming.</al>
            <al>De Afdeling adviseert om gelet op het voorgaande de voorgestelde wettelijke definitie van beroepsziekte nader te motiveren en zo nodig aan te passen.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Staatssteun</titel>
            </kop>
            <al>Het voorstel bevat twee grondslagen voor subsidieverstrekking. Het gaat om een subsidie aan de SER, waaraan de taak zal worden toebedeeld om bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen te ondersteunen met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie. Daarnaast betreft het een subsidie aan een samenwerkingsverband van instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Volgens de toelichting is bij deze subsidieverstrekkingen geen sprake van staatssteun.</al>
            <al>De Afdeling merkt op dat de staatssteunanalyses in de toelichting zeer beknopt zijn.<noot id="n47" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Zie memorie van toelichting, paragraaf 9.5 en 9.6.</noot.al></noot> Voor de subsidie aan het samenwerkingsverband geldt in het bijzonder dat de redenering die ten grondslag ligt aan de vermelde conclusies niet inzichtelijk is. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt uit te breiden. Van belang is dat de subsidie aan het samenwerkingsverband (alleen) bestemd is voor de bundeling, ontwikkeling en verspreiding van wetenschappelijk gefundeerde kennis. Daarmee wordt de afstand tot de markt bewaard en gaat het niet om economische activiteiten.<noot id="n48" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Vergelijk de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2016/C 262/01), paragraaf 2.5, nr. 31 en 32.</noot.al></noot></al>
            <al>Wat betreft de subsidie aan de SER merkt de Afdeling op dat, anders dan de toelichting stelt, de activiteiten van het Steunpunt economisch van aard lijken te zijn. Zoals volgt uit de toelichting is er een markt van zakelijke dienstverleners die ondernemingen ondersteunen met het opstellen van een RI&amp;E, maar faalt deze markt voor kleine en middelgrote ondernemingen. De activiteiten van het Steunpunt zijn vooral gericht op deze ondernemingen, wat maakt dat een subsidie aan de SER kan leiden tot een indirect economisch voordeel voor die groep ondernemingen. Dit roept de vraag op of de conclusie gerechtvaardigd is dat geen sprake is van staatssteun.</al>
            <al>Tenzij voor deze conclusie een dragender motivering kan worden gegeven, adviseert de Afdeling de subsidie robuuster vorm te geven. Zij wijst op de mogelijkheid om de taak die aan de SER wordt toebedeeld, vorm te geven als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). In dat geval kan gebruik worden gemaakt van een van de vrijstellingsmogelijkheden voor DAEB-steun. Daarvoor is nodig dat de ministeriële regeling waarbij de taak aan de SER wordt verleend en de financiering daarvoor wordt verstrekt, afgestemd wordt op de dan geldende vrijstellingsvoorwaarden voor steun aan een DAEB.<noot id="n49" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Zie het Besluit (EU) 2025/2630 van de Commissie van 16 december 2025.</noot.al></noot> De Afdeling adviseert om hier in de toelichting nader op in te gaan.</al>
            <al>De Afdeling adviseert in de toelichting nader te motiveren waarom de subsidie aan het samenwerkingsverband niet leidt tot staatssteun. Daarnaast adviseert zij de taak die bij ministeriële regeling wordt toegekend aan de SER vorm te geven als een DAEB en de subsidieverstrekking aan de SER daarop af te stemmen.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C. de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met beroepsziekten en het Steunpunt RI&amp;E [KetenID WGK014505]</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:</considerans.al>
              <considerans.al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en voor de subsidiëring van het Steunpunt RI&amp;E;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">I</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">De Arbeidsomstandighedenwet wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                <wat>Aan artikel 1 wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Voor de toepassing van artikel 9, 9a en 9b en de daarop rustende bepalingen wordt onder beroepsziekte verstaan: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                <wat>Aan artikel 5 worden twee leden toegevoegd luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                      <al>Ter bevordering van de naleving van de verplichting uit dit artikel en de daarop rustende bepalingen wordt bij ministeriële regeling een instelling aangewezen die tot taak heeft te ondersteunen met informatie en hulpmiddelen met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">8.</lidnr>
                      <al>Onze Minister kan de aangewezen instelling subsidie verstrekken voor de taken genoemd in het zevende lid.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                <wat>Na artikel 9 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">9a.</nr>
                      <titel>Subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband van instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Een samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>alle instellingen die deelnemen aan het samenwerkingsverband:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>1°.</li.nr>
                              <al>rechtspersoonlijkheid bezitten of onderdeel uitmaken van een rechtspersoon;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>2°.</li.nr>
                              <al>over voldoende financiële stabiliteit beschikken; en</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>3°.</li.nr>
                              <al>voldoen aan de eisen die aan instellingen en samenwerkingsverbanden worden gesteld in de hoofdlijnennotitie;</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>er op geen enkele wijze sprake is van belangenverstrengeling met commerciële partijen;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>de kennisactiviteiten op onafhankelijke wijze en in overeenstemming met wetenschappelijke normen zullen worden verricht.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Indien een samenwerkingsverband bestaat uit een of meer instellingen die onderdeel uitmaken van de Staat, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, slechts subsidie verstrekken aan de overige instellingen van het samenwerkingsverband.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>de subsidieaanvraag;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>de bekendmaking van het aanvraagtijdvak en het subsidieplafond;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>e.</li.nr>
                          <al>de verplichtingen van het samenwerkingsverband dan wel, in de situatie, bedoeld in het derde lid, de niet tot de Staat behorende instellingen van het samenwerkingsverband;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>f.</li.nr>
                          <al>de verlening, de vaststelling en de intrekking of wijziging van de verlening of vaststelling van de subsidie;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>g.</li.nr>
                          <al>het verlenen van voorschotten, de betaling van het voorschot en het terugvorderen ervan;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>h.</li.nr>
                          <al>de omschrijving van de subsidiabele kennisactiviteiten in de vorm van een hoofdlijnennotitie; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>i.</li.nr>
                          <al>andere regels benodigd voor de goede uitvoering van de subsidie.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>Een hoofdlijnennotitie beschrijft in ieder geval de volgende onderwerpen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>de thema’s en doelen van de kennisactiviteiten;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>nadere eisen die worden gesteld aan een samenwerkingsverband en de daaraan deelnemende instellingen;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>nadere eisen over de samenwerking van een samenwerkingsverband met instellingen die niet tot het samenwerkingsverband behoren;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>de prioritering van de kennisactiviteiten; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>e.</li.nr>
                          <al>de criteria alsmede de weging daarvan waarop een subsidieaanvraag wordt beoordeeld.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>Onze Minister verstrekt per aanvraagtijdvak en hoofdlijnennotitie subsidie aan één samenwerkingsverband.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">9b.</nr>
                      <titel>Tegemoetkoming voor beroepsziekten</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Onze Minister kan een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Bij ministeriële regeling worden ten minste regels gesteld over:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>de beroepsziekte waarvoor de tegemoetkoming kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>de organisatie ter uitvoering van de regeling;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>het bedrag van de tegemoetkoming of de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>de aanvraag van de tegemoetkoming;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>e.</li.nr>
                          <al>de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt toegekend;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>f.</li.nr>
                          <al>de verplichtingen van de ontvanger van de tegemoetkoming;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>g.</li.nr>
                          <al>de intrekking en wijziging van de toekenning van de tegemoetkoming; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>h.</li.nr>
                          <al>de betaling van de tegemoetkoming, het verlenen van voorschotten en terugvorderen ervan.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Onverminderd het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de vergoeding van kosten die verband houden met de aanvraag van de tegemoetkoming.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensbescherming, is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing, indien de verwerking geschiedt door bestuursorganen en instellingen die belast of mede belast zijn met de uitvoering van een regeling als bedoeld in het tweede lid en de verwerking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van die regeling. Artikel 30, vierde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming is van overeenkomstige toepassing.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                <wat>Na artikel 45 wordt een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">45a.</nr>
                      <titel>Evaluatiebepaling</titel>
                    </kop>
                    <al>Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van # tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte (Stb #) en de subsidiëring van het Steunpunt RI&amp;E aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.</al>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
            </wijzig-artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">II</nr>
              </kop>
              <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.</al>
            </artikel>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">I.</nr>
                <titel>Algemeen</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">1.1.</nr>
                    <titel>Korte inhoud wetsvoorstel</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit wetsvoorstel regelt drie grondslagen in de Arbeidsomstandighedenwet. Ten eerste bevat het een grondslag voor een doorlopend kennisprogramma beroepsziekten. Deze grondslag biedt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verder: minister) een duurzame basis om periodiek subsidie te verstrekken aan een samenwerkingsverband van instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.</al>
                  <al>In het verlengde daarvan regelt dit voorstel dat de totstandkoming van het kennisprogramma verder kan worden uitgewerkt in een subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie(s) in de bijlage daarbij. De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie samen vormen het kader waarbinnen voor een bepaalde periode subsidie kan worden aangevraagd voor de uitvoering van het kennisprogramma.</al>
                  <al>Om wat voor kennisactiviteiten het moet gaan, beschrijft de minister in de hoofdlijnennotitie. Met de hoofdlijnennotitie geeft de minister dus aan waar hij wil dat onderzoek naar wordt gedaan. Daarnaast stelt hij hierin nadere eisen aan het samenwerkingsverband. Denk hierbij aan eisen over de reeds opgebouwde kennis en ervaring van de instellingen in het samenwerkingsverband en de samenwerking met partijen buiten het samenwerkingsverband. Maar ook aan de periode waarbinnen de kennisactiviteiten moeten worden afgerond.</al>
                  <al>Voor het thema stoffengerelateerde beroepsziekten zal het standaard om een periode van vijf jaar gaan. Na afloop van de projectperiode kan de minister een nieuwe hoofdlijnennotitie publiceren. Er volgt dan een nieuwe financieringsronde en een nieuwe subsidieperiode. De gevraagde kennisactiviteiten kunnen daarbij voortbouwen op het eerdere thema. Ook kan de minister na zo’n periode accenten van de inhoud verschuiven, uitbreiden en/of andere thema’s en doelen aanwijzen. Ook kan het samenwerkingsverband dat subsidie heeft ontvangen voor de nieuwe aanvraagperiode de samenstelling wijzigen.</al>
                  <al>De subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één samenwerkingsverband de subsidie krijgt toegekend. Meer uitleg over de wettelijke structuur en het proces van subsidietoekenning volgt in paragraaf 7.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Ten tweede bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten. De bestaande tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten zullen na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op deze grondslag zijn gebaseerd. Het gaat hierbij om de volgende twee tegemoetkomingsregelingen:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>De Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (Regeling-TSB).<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2022-31978" soort="document" status="actief">Stcrt. 2022, 31978</extref>.</noot.al></noot> Deze regeling biedt (voormalig) werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming aan te vragen bij de overheid. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding. De tegemoetkoming is bedoeld als een maatschappelijke erkenning van het opgelopen leed.</al>
                        <al>De huidige regeling staat open voor de volgende ernstige beroepsziekten: longkanker door blootstelling aan asbest en/of respirabel kristallijn silica, allergisch beroepsastma door allergenen en chronic-solvent-induced encephalopathy (cse) door vluchtige oplosmiddelen zoals bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Ook wel organisch psychosyndroom (ops) of ‘schildersziekte’ genoemd.</noot.al></noot>, neus-(bijholte) kanker door houtstof en silicose door kristallijn silica. De regeling wordt in de toekomst uitgebreid met meer stoffengerelateerde beroepsziekten. Zie voor de meest recente informatie over de regeling de Kamerbrief en de rapportage in de bijlage daarbij.<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-25883-518" soort="document" status="actief">25 883, nr. 518</extref>.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (Regeling-TAS).<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2014-8920" soort="document" status="actief">Stcrt. 2014, 8920</extref>.</noot.al></noot> Dit is een tegemoetkomingsregeling voor (voormalig) werkenden met de beroepsziekten mesothelioom of asbestose.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Ten derde biedt dit voorstel een wettelijke grondslag voor het reeds bestaande Steunpunt RI&amp;E (risico-inventarisatie en evaluatie) en ook de mogelijkheid tot het verlenen van subsidie aan dit Steunpunt. De regering maakt hiermee de structurele financiering van de activiteiten van dit Steunpunt mogelijk.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">1.2.</nr>
                    <titel>Waarom is deze wetswijziging nodig?</titel>
                  </kop>
                  <al>De regering vindt deze wetswijziging noodzakelijk om de volgende redenen:</al>
                  <al>Ten eerste is de kennis over beroepsziekten in Nederland nog onvoldoende. De opbouw van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten is daarbij prioritair. Voor de opbouw daarvan ontbreekt in Nederland vanuit ons systeem een stimulans. Dit hangt samen met het sociale systeem dat Nederland hanteert: het zogenaamde ‘risque social’. Binnen dit systeem is het voor een uitkering door arbeidsongeschiktheid niet nodig dat een werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke stof. Mede door dit systeem is de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland minder groot dan in landen waar een ander systeem geldt. Dat systeem heet: ‘risque professionel’. Daarbinnen is het wel nodig voor een uitkering dat een (voormalig) werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke stof. Er is nog veel tijd en een stabiele structuur nodig om de kennis over (stoffengerelateerde) beroepsziekten in Nederland te vergroten. Door het ontbreken van een stimulans vanuit ons sociale systeem hiervoor, vindt de regering het noodzakelijk om deze ontwikkeling te bevorderen.</al>
                  <al>Ten tweede passen betrokkenen de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten die er is onvoldoende toe in de praktijk. Dit bemoeilijkt een goede preventie op de werkvloer, vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden. Huisartsen, medische specialisten en bedrijfsartsen in Nederland herkennen veel gezondheidsklachten nog niet als stoffengerelateerde beroepsziekten. Ze vragen hier nog te weinig over door. Opleiders van huisartsen, medisch specialisten en bedrijfsartsen besteden nog te weinig aandacht aan de mogelijkheid dat een cliënt ziek is geworden door zijn arbeidsomstandigheden. Ten slotte zijn (voormalig) werkenden in Nederland zelf er onvoldoende alert op dat hun probleem zijn oorsprong kan vinden op de werkplek.</al>
                  <al>Ten derde: bij meerjarige kennisprogramma’s moet er een bepaalde zekerheid worden geboden voor het voortbestaan en de uitbreiding daarvan. De doelen van een dergelijk kennisprogramma zijn niet in korte tijd te behalen. Ook is het belangrijk dat de juiste medewerkers worden aangetrokken en voor langere tijd kunnen worden behouden. De betrokken medewerkers moeten daarvoor bijvoorbeeld ruim op tijd duidelijkheid hebben over de duur van hun arbeidscontract. Dit kan worden geboden door in elke hoofdlijnennotitie duidelijk aan te geven wat de duur van de subsidieperiode is. Ook is het van belang de subsidieregeling ruim voor het aflopen van een subsidieperiode te wijzigen in verband met een nieuwe subsidieperiode. Zodat er ruim op tijd duidelijk is of contracten kunnen worden verlengd en/of welke onderzoekers moeten worden geworven.</al>
                  <al>Dit alles vraagt om stabiliteit èn flexibiliteit voor het programma. De regering wil dit bieden met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.</al>
                  <al>Het kennisprogramma zal zich de eerste decennia in ieder geval richten op de opbouw van kennis rondom stoffengerelateerde beroepsziekten. Stoffengerelateerde beroepsziekten zijn ernstige ziekten die mensen hebben opgelopen door hun werk met gevaarlijke stoffen, gassen of dampen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan asbest, allergenen en oplosmiddelen. De grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor het kennisprogramma beperkt zich echter niet tot enkel stoffengerelateerde beroepsziekten, maar omvat beroepsziekten in het algemeen. Dit maakt het mogelijk om in de toekomst, of als daar tussentijds een acute noodzaak voor is, binnen dit kennisprogramma ook onderzoek uit te laten voeren naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten.</al>
                  <al-groep>
                    <al>De reden om de financiering van een samenwerkingsverband verder in te kaderen met een subsidieregeling, met in de bijlage een periodieke hoofdlijnennotitie is tweeledig:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Het kennisprogramma kan zo – na afloop van een subsidieperiode – worden aangepast aan nieuwe omstandigheden. Waarbij het voortbestaan van het kennisprogramma zelf door de grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is geborgd en het dus steeds betekenisvoller kan worden door de aanpassing of uitbreiding ervan.</al>
                        <al>In geval van dringende actualiteiten is het daarnaast mogelijk om – lopende een subsidieperiode – een nieuwe hoofdlijnennotitie toe te voegen aan de regeling om in te spelen op deze actualiteit.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Het samenwerkingsverband dat het kennisprogramma uitvoert, kan periodiek van samenstelling wijzigen. En zo worden aangepast aan nieuwe omstandigheden.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Verder kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. De regering vindt de erkenning van getroffenen erg belangrijk en wil dit daarom beter geregeld hebben. Met dit wetsvoorstel stelt zij daarom voor om beroepsziekteregelingen van een blijvende grondslag te voorzien. Doel hiervan is de tegemoetkomingen voor getroffenen beter te borgen.</al>
                  <al>Daarnaast zal de Regeling-TSB in de loop van de tijd, zoals eerder aangegeven, steeds meer stoffengerelateerde beroepsziekten bevatten. De door de regering ingestelde onafhankelijke ‘Adviescommissie lijst beroepsziekten’ adviseert over de stapsgewijze uitbreiding van de bestaande regeling met andere beroepsziekten.<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2022-31975" soort="document" status="actief">Stcrt. 2022, 31975</extref>.</noot.al></noot> Ook in dat verband moet de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland worden vergroot, verspreid en toegepast.</al>
                  <al>Een wetswijziging is ook nodig voor het Steunpunt RI&amp;E. Het Steunpunt RI&amp;E werkt momenteel op basis van een driejarige subsidie. Deze subsidie loopt ten einde op 31 april 2027. Daarna is nieuwe financiering vereist. Het is de wens van de regering en sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid om deze financiering structureel te maken om de continuïteit van het Steunpunt RI&amp;E te waarborgen. De regering is van mening dat een bepaalde zekerheid geboden dient te worden bij de (door)ontwikkeling van een ondersteuningsorganisatie. Met een financiële waarborg kan meer aandacht uitgaan naar de ontwikkeling van de dienstverlening van het Steunpunt naar bedrijven en burgers. Voor de duidelijkheid: het gaat hierbij dus niet om de oprichting van een nieuwe organisatie, het Steunpunt bestaat al sinds 2004, maar om de financieringsstructuur.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Aanleiding voor dit wetsvoorstel</titel>
                </kop>
                <al>Werkgevers moeten hun werknemers een gezonde en veilige werkomgeving bieden. Ze zijn hierbij verplicht een risico-inventarisatie en evaluatie te doen. Als er sprake is van gevaarlijke stoffen op de werkvloer gelden hier nog extra vereisten. Denk hierbij aan het bijhouden van een stoffenregistratie en het inschatten van de risico’s van blootstelling aan deze stoffen. In het geval van kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen moet er op grond van de Europese CMR-richtlijn per medewerker een blootstellingsregistratie worden bijgehouden.<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene, mutagene of reprotoxische agentia op het werk.</noot.al></noot> Met mutagene stoffen worden hierbij stoffen bedoeld die een verandering in het genetische materiaal van een cel veroorzaken en met reprotoxische stoffen, stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting.</al>
                <al>Daarnaast zijn er grenswaarden voor maximale blootstelling voor de meest schadelijke stoffen gesteld. Het opstellen hiervan gebeurt op Europees niveau en op nationaal niveau. Als er niet op nationaal niveau grenswaarden zijn gesteld, dan moet een werkgever zelf veilige grenswaarden afleiden. De blootstelling moet binnen de grenswaarden voor veilige blootstelling blijven en de werkgever moet daarvoor de nodige maatregelen treffen.</al>
                <al>De werkgever heeft dus een zorgplicht. Aan de andere kant heeft ook de werknemer de verplichting om zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en die van collega’s. Dit is geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.</al>
                <al-groep>
                  <al>Het komt voor dat (voormalig) werkenden een stoffengerelateerde beroepsziekte krijgen. Zij kunnen hun werk- of opdrachtgever hiervoor aansprakelijk stellen en een beroepsziekteclaim indienen bij de civiele rechter. Beroepsziekteclaims behoren tot de meest ingewikkelde claims binnen de letselschade. Werknemers ervaren verschillende belemmeringen:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Het is moeilijk voor de werknemer om de werkgever aansprakelijk te stellen. Zeker als de relatie goed is.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Beroepsziekten kunnen meerdere oorzaken hebben. Zo wordt bijvoorbeeld 80% van de gevallen van longkanker veroorzaakt door roken. Het is daarom vaak moeilijk om aan te tonen dat longkanker is veroorzaakt door blootstelling aan een gevaarlijke stof, damp of gas op het werk.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De ziektebeelden en de klachten zijn soms moeilijk aantoonbaar en/of niet duidelijk genoeg.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De procedures duren lang (gemiddeld ruim vier jaar, maar tien jaar is geen uitzondering) en kunnen kostbaar zijn voor de (voormalig) werkende (15.000 – 70.000 euro).</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Sommige ziekten, zoals longkanker door asbest, kunnen in een ver verleden zijn opgelopen. Hierdoor is sommige ‘bewijslast’ verdwenen. Misschien bestaat het bedrijf niet meer en/of zijn de medische dossiers niet zo lang bewaard.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </al-groep>
                <al>In 2000 is de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers ingevoerd. Dit is de voorloper van de huidige Regeling-TAS uit 2014. De overheid wil het leed erkennen van werknemers die mesothelioom hebben gekregen door het werken met asbest. Mesothelioom is een dodelijke ziekte. De ziekte is monocausaal. Dat wil zeggen dat deze alleen door asbest kan zijn veroorzaakt. De tegemoetkoming betreft geen schadevergoeding. Dit betekent dat de tegemoetkoming geen verband houdt met de feitelijke schade die een werkende door zijn ziekte lijdt.</al>
                <al>Eerder, in 1998, hadden sociale partners, verzekeraars en de rijksoverheid het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) opgericht. Het IAS had aanvankelijk primair de taak namens het asbestslachtoffer met de (ex)werkgever of diens verzekeraar te bemiddelen over een schadevergoeding. Dit, om hiermee het asbestslachtoffer zoveel mogelijk te ontlasten. Na de invoering van de Regeling-TAS kreeg het IAS ook een rol in de uitvoering van deze regeling; het IAS adviseert de Sociale verzekeringsbank (SVB) over de toekenning van de tegemoetkoming.</al>
                <al>In 2003 is de Regeling zodanig gewijzigd dat de tegemoetkoming voortaan als voorschot wordt verstrekt. Het slachtoffer ontvangt zo spoedig mogelijk na aanvraag de financiële tegemoetkoming van de SVB. Slaagt de bemiddeling over een schadevergoeding vervolgens, dan wordt de tegemoetkoming teruggevorderd. In dat geval kan de tegemoetkoming worden beschouwd als voorschot. Slaagt de bemiddeling niet, dan wordt de tegemoetkoming definitief.</al>
                <al>Vanaf 2007 kwamen ook niet-werknemers met mesothelioom in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Hiertoe is de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom (Regeling TNS) ingevoerd. De uitvoering van deze regeling is eveneens belegd bij het IAS en de SVB.<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Deze regeling valt primair onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.</noot.al></noot></al>
                <al>Werknemers en niet-werknemers die door het werken met asbest de ziekte asbestose hebben gekregen, kunnen sinds 2014 eveneens een beroep doen op de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers en de Regeling TNS. Ook asbestose is een monocausale ziekte. In dat jaar is de Regeling TNS aangepast en is de huidige Regeling-TAS vastgesteld. In 2019 meldde zich het 10.000<sup>e</sup> asbestslachtoffer bij het IAS. Nog altijd melden zich jaarlijks ruim 600 asbestgetroffenen.</al>
                <al>De derde regeling die is ontwikkeld voor beroepsziekten door gevaarlijke stoffen is de regeling voor chronic-solvent-induced encephalopathy (cse). Het gaat om een ernstige aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen in diverse beroepen zoals drukker, schilder, autospuiter en parketteur. Cse is ook een monocausale ziekte. Echter, de symptomen kunnen ook door andere oorzaken verschijnen. De vaststelling van CSE is daardoor lastiger dan bij de eerder genoemde mono-causale beroepsziekten. De vaststelling van CSE is een ingewikkeld proces van uitsluiting van andere aandoeningen, waarbij diverse deskundigen ingezet moeten worden. Voor meer informatie over de ziekte kan de website van de patiëntenorganisatie OPS worden geraadpleegd: <extref doc="http://www.stichtingops.nl" soort="URL" status="actief">www.stichtingops.nl</extref>. De CSE-regeling is in 2017 in werking getreden en in 2023 opgenomen in de Regeling-TSB.</al>
                <al>De Sociaal Economische Raad benoemde in zijn advies uit december 2012 een aantal mogelijkheden om het proces van de ingewikkelde claims te verbeteren.<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>SER, <nadruk type="cur">Advies Stelsel voor gezond en veilig werken</nadruk>, 21 december 2012. Bijlage 3 bij Kamerstukken 2012/13, <extref doc="kst-25883-219" soort="document" status="actief">25 883, nr. 219</extref>.</noot.al></noot>Het betrof onder meer het aanstellen van gespecialiseerde rechters en een (verplichte) aansprakelijkheidsverzekering voor werkgevers tegen de financiële risico’s van schade als gevolg van beroepsziekten. Geen van de opties bleek te kunnen rekenen op draagvlak.</al>
                <al>Er volgden verschillende incidenten met blootstelling aan chroom 6 bij Defensie en de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg werkte hierbij samen met de Nederlandse Spoorwegen. De onafhankelijke commissie Tilburg chroom-6 stelde in haar rapport van 31 januari 2019 dat het stelsel van individuele schadeafhandeling van beroepsziekten via het aansprakelijkheidsrecht nog steeds problematisch was.<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al><extref doc="https://tilburg.onderzoekscommissiechroom6.nl/" soort="URL" status="actief">https://tilburg.onderzoekscommissiechroom6.nl/</extref>.</noot.al></noot> Dit was voor toenmalig Staatssecretaris van SZW aanleiding om op 1 juli 2019 de commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten, VSAB (hierna: commissie Heerts) in te stellen.<noot id="n10" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2019-35929" soort="document" status="actief">Stcrt. 2019, 35929</extref>.</noot.al></noot> De commissie kreeg tot taak advies uit te brengen over een betere organisatie van schadeafhandeling bij beroepsziekten door stoffen en daartoe verbetervoorstellen te doen. Op 14 mei 2020 heeft de commissie haar advies uitgebracht.<noot id="n11" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2019/20, <extref doc="kst-25883-385" soort="document" status="actief">25 883, nr. 385</extref>.</noot.al></noot></al>
                <al>De commissie Heerts heeft het Kabinet geadviseerd over een betere organisatie van het proces van schadeafhandeling bij beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Heerts adviseerde onder andere om een laagdrempelige en toegankelijke procedure in te richten voor een tegemoetkoming (geen schadevergoeding). Met de tegemoetkomingsregeling zou de samenleving, aldus de commissie, uitdrukking geven aan haar betrokkenheid bij het leed dat door het werken met gevaarlijke stoffen in het arbeidsproces is veroorzaakt.</al>
                <al>Deze tegemoetkoming zou de route naar het aansprakelijkheidsrecht niet afsnijden; het zou mogelijk blijven voor getroffenen om een claim in te dienen bij de civiele rechter. In tegenstelling tot de Regeling-TAS uit 2014 zijn aanvragers van de Regeling-TSB niet verplicht gesteld om mee te werken aan een civiele claim richting de (voormalige) werkgever.</al>
                <al>De commissie Heerts adviseerde ook om een voorziening voor bundeling, ontwikkeling, verspreiding en toepassing van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in te richten. En hierbij rekening te houden met al bestaande, samenwerkende instellingen in Nederland die zich hier al voorzichtig mee bezig hielden.</al>
                <al>De regering heeft aangegeven beide adviezen om zetten in beleid.<noot id="n12" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-25883-417" soort="document" status="actief">25 883, nr. 417</extref>.</noot.al></noot> Dit is inmiddels voor het grootste gedeelte gedaan. Dit wetsvoorstel is het sluitstuk daarvan. Een toelichting op de acties die zijn ingezet naar aanleiding van de adviezen van de commissie Heerts volgt in de paragrafen 3 en 4.</al>
                <al>Ten slotte bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor de financiering van het Steunpunt RI&amp;E. Zoals eerder is vermeld is de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&amp;E) een wettelijke verplichting voor iedere werkgever met ten minste één werknemer in dienst. De RI&amp;E is de basis van een gezonde en veilige werkomgeving en bestaat al sinds 1994. De RI&amp;E is een Europese verplichting die voortkomt uit de Europese Kaderrichtlijn 89/391. In de RI&amp;E dient de werkgever te inventariseren welke arbeidsrisico’s zich voordoen in de organisatie. Vervolgens dient de werkgever in het plan van aanpak maatregelen te treffen om de geïnventariseerde risico’s te minimaliseren of te beheersen. Het Steunpunt RI&amp;E helpt bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen zodat zij kunnen voldoen aan de wettelijke RI&amp;E-verplichting. Ook andere belanghebbenden zoals werknemers en zzp’ers kunnen terecht bij het Steunpunt RI&amp;E. Het opstellen van een RI&amp;E wordt, door met name het midden- en kleinbedrijf (tot 25 werknemers), ervaren als een complexe taak<noot id="n13" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/04/04/advies-regeldruk-risico-inventarisatie-en-evaluatie" soort="URL" status="actief">Advies regeldruk bij risico-inventarisatie en evaluatie (RI&amp;E) | Rapport | Rijksoverheid.nl</extref></noot.al></noot> <noot id="n14" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/12/12/je-wilt-de-riene-levend-houden" soort="URL" status="actief">‘Je wilt de RI&amp;E levend houden’ | Rapport | Rijksoverheid.nl</extref></noot.al></noot> <noot id="n15" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2023/arbovisie-2040-deel-1.pdf" soort="URL" status="actief">Naar een werkend arbostelsel voor iedereen – Arbovisie 2040, deel 1</extref></noot.al></noot>. Het opstellen kost tijd en geld van de werkgever bijvoorbeeld om deskundige bijstand te vragen voor het opstellen en toetsen van de RI&amp;E. Taken die het Steunpunt RI&amp;E op zich neemt zijn bijvoorbeeld het beantwoorden van vragen van werkgevers: ben ik als werkgever verplicht een RI&amp;E op te stellen? Is er voor mijn branche een branche RI&amp;E beschikbaar? Waar moet ik starten als ik een RI&amp;E wil opstellen? Ook onderhoudt het Steunpunt online hulpmiddelen, zoals de Route naar RIE.</al>
                <al-groep>
                  <al>Het Steunpunt RI&amp;E bestaat sinds 2004. De minister is opdrachtgever. Het is in overleg met sociale partners opgericht. Het Steunpunt maakte van 2004 tot 2007 onderdeel uit van het Arboplatform van de Sociaal-Economische Raad (SER). Na 2007 is besloten het Steunpunt onder te brengen bij onderzoeksinstituut TNO. In 2011 werd gestart met een nieuw zelfreguleringsinstrument om het voor werkgevers eenvoudiger te maken om aan de RI&amp;E-verplichting te voldoen: de introductie van de erkende branche RI&amp;E. Bedrijven met minder dan 25 werknemers die gebruik maken van een erkende branche RI&amp;E hoeven hun RI&amp;E niet te laten toetsen. Met de introductie van de erkende branche RI&amp;E ontstond een nieuwe structuur van het Steunpunt. Branche RI&amp;E’s moesten erkend worden en er werd besloten dat de erkenningsprocedure uitgevoerd moest worden door de sociale partners (werkgever- en werknemersvertegenwoordigingen) in de Stichting van de Arbeid. De Stichting werd op dat moment formeel eigenaar van het Steunpunt RI&amp;E. In de Stichting werd een werkgroep opgericht voor het Steunpunt met daarin een vertegenwoordiging van werknemers en werkgevers: FNV, CNV, VCP, MKB-Nederland, Uneto-VNI en VOB.</al>
                  <al>Echter bleef het secretariaat van het Steunpunten de bijbehorende website bij TNO. In 2023 rees de vraag of TNO nog de meest voor de hand liggende organisatie is voor het beheer van het secretariaat van het Steunpunt. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, opdrachtgever en financierder van het Steunpunt RI&amp;E, heeft de werkgroep in de Stichting van de Arbeid vervolgens advies hierover gevraagd.</al>
                </al-groep>
                <al>De werkgroep sprak unaniem de voorkeur uit om het Steunpunt RI&amp;E onder te brengen bij de SER in plaats van bij TNO. De voornaamste reden was het contact met sociale partners en het Arboplatform, een initiatief van de SER waar allerlei informatie rondom arbeidsomstandigheden voor werkgevers wordt ontsloten. Het Steunpunt sloot volgens de werkgroep goed aan bij de reeds bestaande SER-initiatieven. Vanaf 1 mei 2024 is het secretariaat van het Steunpunt ondergebracht bij de SER. De driejarige subsidie die het Steunpunt RI&amp;E ontvangt voor haar werkzaamheden loopt tot 1 mei 2027. Het is de wens van de regering en sociale partners om deze financiering structureel te maken om de continuïteit van het Steunpunt te waarborgen. Dit wetsvoorstel biedt daarom een wettelijke grondslag voor structurele subsidiering zodat het Steunpunt haar taken duurzaam kan uitvoeren.</al>
                <al>Het bieden van een wettelijke grondslag voor subsidiering van het Steunpunt RI&amp;E E is niet een nieuwe financiële verplichting, maar een verduidelijking van een unanieme structurele intentie.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Uitwerking Kabinetsreactie adviescommissie Heerts</titel>
                </kop>
                <al>Per 1 januari 2023 heeft de regering een belangrijke eerste stap gezet op het gebied van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts: erkenning van getroffenen van stoffengerelateerde beroepsziekten. Op dat moment is de Regeling-TSB in werking getreden.</al>
                <al>De tweede stap volgde op 1 juli 2023. Op die datum heeft de regering een aantal – al bestaande en samenwerkende – instellingen in Nederland met kennis van stoffengerelateerde beroepsziekten een subsidie verstrekt voor een eerste werkprogramma naar beroepsziekten door gevaarlijke stoffen. De subsidie is verstrekt aan het samenwerkingsverband Landelijk expertisecentrum stoffengerelateerde beroepsziekten (Lexces).<noot id="n16" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Zie voor de samenwerkingsovereenkomst Lexces: <extref doc="stcrt-2022-29239" soort="document" status="actief">Stcrt. 2022, 29239</extref>.</noot.al></noot> Dit samenwerkingsverband was door de heer mr. drs. Bruins aangeraden.<noot id="n17" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Bruno Bruins is voormalig Minister voor Medische Zorg in het Kabinet Rutte III en sinds 2021 staatsraad bij de Afdeling advisering van de Raad van State.</noot.al></noot> Bruins was gevraagd hier, als verkenner, onderzoek naar te doen naar aanleiding van het advies van de commissie Heerts. En de regering hierover te adviseren. Bruins constateerde dat veel hoogwaardige kennis over deze ziekten geconcentreerd was in een zeer beperkt aantal, kleine, zeer deskundige instituten.<noot id="n18" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Verkenning kennisinfrastructuur stoffengerelateerde Beroepsziekten <extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/ronl-bac33e3b-5ffa-4134-b2c9-f2c2178fdf46/pdf" soort="URL" status="actief">https://open.overheid.nl/documenten/ronl-bac33e3b-5ffa-4134-b2c9-f2c2178fdf46/pdf</extref></noot.al></noot></al>
                <al-groep>
                  <al>Daarnaast heeft SZW ingezet op het verder ondersteunen van werkgevers en werknemers. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van handreikingen over wettelijke verplichtingen. Denk bijvoorbeeld aan een werkwijzer over gevaarlijke stoffen of over het werken met nano- of ultrafijnstof. Ook is er een toolbox gezond werken met stoffen ontwikkeld en beschikbaar gemaakt via het Arboportaal: <?xpp afbreek?><extref doc="http://www.arboportaal.nl" soort="URL" status="actief">www.arboportaal.nl</extref>.</al>
                  <al>Hierin zitten hulpmiddelen die werkgevers en werkenden helpen bij het veilig werken met gevaarlijke stoffen. Hierin wordt specifiek aandacht besteed aan werken met chroom 6.</al>
                </al-groep>
                <al>Het sluitstuk van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts vormt dit wetsvoorstel om het kennisprogramma en beroepsziekteregelingen van een grondslag te voorzien. Zodat dit permanente voorzieningen worden. Het voornemen is om zo spoedig mogelijk na 1 januari 2027 een samenwerkingsverband van private en publieke instellingen te financieren voor de ontwikkeling en uitvoering van een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten. Dit programma bouwt voort op het onderzoeksprogramma dat van juli 2023 tot en met juni 2028 op basis van een tijdelijke projectsubsidie wordt uitgevoerd door het Lexces.</al>
                <al>Zoals in paragraaf 1.2 al is aangegeven, kiest de regering er in dit wetsvoorstel voor om het kennisprogramma betrekking te laten hebben op beroepsziekten in het algemeen. De regering maakt deze keuze met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen die nader onderzoek naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten wenselijk of noodzakelijk maken. Mocht er in de toekomst behoefte bestaan aan onderzoek naar een bepaalde niet-stoffengerelateerde beroepsziekte, dan kan de minister op basis van het voorgestelde stelsel in dit wetsvoorstel een hoofdlijnennotitie uitbrengen die zich richt op deze beroepsziekte. Op dat moment kan er subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband voor het doen van nadere onderzoek naar deze beroepsziekte, in lijn met de hoofdlijnennotitie.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>De doelen van het kennisprogramma</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Op grond van het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet kan de Minister van SZW subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Deze kennisactiviteiten dienen in ieder geval de volgende doelen:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>1.</li.nr>
                      <al>Het bundelen van kennis over beroepsziekten in binnen- en buitenland.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>2.</li.nr>
                      <al>Het – zo nodig – ontwikkelen van nieuwe kennis.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>3.</li.nr>
                      <al>Het verspreiden van kennis over Nederland over de doelgroepen: huisartsen, medisch specialisten, bedrijfsartsen, arbeidshygiënisten, preventiemedewerkers, veiligheidsdeskundigen en ergonomen. Maar ook: werkgevers, werkenden en relevante beroep- en zorgopleiders.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Het is de bedoeling dat door het kennisprogramma de kennis over beroepsziekten zich steeds verder uitbreidt en verspreidt. Bruins, die het Kabinet heeft geadviseerd over de uitwerking van het advies van de commissie Heerts over de kennisopbouw van stoffengerelateerde beroepsziekten, sprak in dit verband over ‘een kenniscirkel’. Zie voor de werking van de kenniscirkel het onderstaande overzicht.</al>
                </al-groep>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Overzicht werking kenniscirkel</titel>
                  </kop>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Het samenwerkingsverband van instellingen vormt een ‘eerste ring’ binnen de kenniscirkel.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>De betrokken onderzoekers van de instellingen van het samenwerkingsverband in de eerste ring bundelen de bestaande kennis uit binnen- en buitenland.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Dit betreft ook kennis die zij ontwikkelen in samenwerking met doelgroepen en/of bedrijven in de praktijk. Deze vorm van onderzoek wordt ook wel ‘werkplaatsonderzoek’ of ‘praktijkgericht onderzoek’ genoemd. Het betreft wel kennis die veralgemeniseerd kan worden. Het betreft dus geen praktijkonderzoek dat alleen van toepassing is op één specifieke situatie.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Zo nodig vult het samenwerkingsverband de kennis aan met nieuw onderzoek.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Het samenwerkingsverband betrekt instellingen buiten de eerste ring voor aanvullende kennis en/of expertise, via onderaanbesteding. Deze instellingen vormen de ‘tweede ring’ in de kenniscirkel.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>De betrokken onderzoekers verspreiden de kennis over de doelgroepen, zodat zij de kennis kunnen toepassen.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>De regering wil met dit kennisprogramma ervoor zorgen dat de kennis verbetert van alle betrokken doelgroepen over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen, gassen en/of dampen. Het kennisprogramma bouwt voort op de uitkomsten van het tijdelijke onderzoeksprogramma naar stoffengerelateerde beroepsziekten dat is uitgevoerd door een samenwerkingsverband van kennisinstellingen onder de naam Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde Beroepsziekten (Lexces).</al>
                  <al>Het kennisprogramma sluit nadrukkelijk aan bij de kennis die internationaal is opgebouwd. Het betreft hier niet alleen fundamenteel wetenschappelijke onderzoekskennis, maar ook kennis over de verspreiding en toepassing van deze kennis en wetenschappelijke inzichten op het gebied van de gedragsverandering die hiervoor nodig is. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de kennis die beschikbaar is via het Europees Agentschap for Safety and Health at work (EU OSHA) of buitenlandse overheidsinstanties. Het is ook belangrijk dat er kennis genomen wordt van de Europese bepalingen op het terrein van gevaarlijke stoffen, zoals die bijvoorbeeld zijn opgenomen in de Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk uit 1989.<noot id="n19" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.</noot.al></noot></al>
                  <al>Het kennisprogramma richt zich niet op het uitvoeren van interventies op het gebied van inzicht in verantwoordelijkheden en gedragsverandering. Het legt wel een kennisbasis neer voor andere partijen om dit op te pakken. Via deze interventies kunnen de doelgroepen zich bewuster worden van hun verantwoordelijkheden en gedrag. En meer inzicht krijgen in hoe hun verantwoordelijkheid te nemen en gedrag te veranderen. Denk hierbij aan dat zij daadwerkelijk meer maatregelen nemen ter preventie. En voor vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden.</al>
                  <al>Op die manier kan het doorlopend kennisprogramma er uiteindelijk aan bijdragen dat minder mensen ernstig ziek worden door hun werk, dat mensen die ziek zijn geworden, sneller worden gediagnosticeerd en beter geholpen. Een mogelijk neveneffect is dat mensen met een beroepsziekte, waaronder stoffengerelateerde beroepsziekten, beter hun weg naar de regelingen voor financiële tegemoetkomingen weten te vinden, dan nu het geval is. De regering verwacht dat het kennisprogramma ook hier in de toekomst een bijdrage aan gaat leveren.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>De doelen van de grondslag voor beroepsziekteregelingen</titel>
                </kop>
                <al>Zoals gezegd kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame basis voor de verstrekking van financiële middelen, waaronder tegemoetkomingen. In dit wetsvoorstel is daarom, in artikel 9b, een duurzame grondslag opgenomen voor de verstrekking van tegemoetkomingen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Met een definitieve grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor genoemde regelingen en mogelijk nieuwe regelingen voor tegemoetkomingen bij beroepsziekten, borgt de regering de tegemoetkomingen voor getroffenen van beroepsziekten.</al>
                <al>Om te kunnen beoordelen of iemand in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan een beroepsziekte, is het onvermijdelijk dat er gegevens worden verwerkt die iets zeggen over de gezondheid van deze persoon. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens. Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is daarom een expliciete grondslag vereist om deze gegevens te mogen verwerken. Om buiten twijfel te stellen dat gegevens over gezondheid mogen worden verwerkt voor het verstrekken van tegemoetkomingen, bevat het voorgestelde artikel 9b een expliciete grondslag voor de verwerking van gegevens over gezondheid.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>De doelen van de grondslag voor het steunpunt RI&amp;E</titel>
                </kop>
                <al>Het Steunpunt RI&amp;E kent op dit moment een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame basis voor de verstrekking van financiële middelen. In dit wetsvoorstel is daarom een wettelijke grondslag opgenomen voor structurele financiering van het Steunpunt RI&amp;E. Met een specifieke grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet borgt de regering ondersteuning voor werkgevers, brancheorganisaties, zzp’ers en werknemers middels het Steunpunt, nu en in de toekomst. De grondslag is conform de unanieme wens van de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Wettelijke structuur van het kennisprogramma</titel>
                </kop>
                <al>De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie samen vormen het kader waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd voor het kennisprogramma. De subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één samenwerkingsverband de subsidie krijgt toegekend.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.1.</nr>
                    <titel>Wettelijke grondslag en wettelijke eisen</titel>
                  </kop>
                  <al>De Arbeidsomstandighedenwet bevat, na de wijziging middels dit wetsvoorstel, een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van één samenwerkingsverband voor de uitvoering van kennisactiviteiten in het kader van het kennisprogramma. En ook de eisen waaraan de instellingen binnen het samenwerkingsverband moeten voldoen om in aanmerking te komen voor financiering. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de eis dat de individuele instellingen binnen het samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid bezitten of onderdeel uitmaken van een rechtspersoon.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.2.</nr>
                    <titel>Subsidieregeling</titel>
                  </kop>
                  <al>Een samenwerkingsverband kan in groepsverband, als consortium, op grond van de eisen in de Arbeidsomstandighedenwet, de onderliggende subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie subsidie aanvragen voor de uitvoering van kennisactiviteiten. Alleen instellingen die geen onderdeel uitmaken van de Staat, zoals universiteiten en stichtingen, maar ook gemeenten en/of zelfstandige bestuursorganen met een eigen rechtspersoonlijkheid (zbo’s) kunnen subsidie ontvangen.</al>
                  <al-groep>
                    <al>In de subsidieregeling staan onder andere de procedure voor de subsidieaanvraag en administratievoorschriften waar de ontvanger van een subsidie aan moet voldoen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Hoe het samenwerkingsverband de aanvraag moet indienen.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Hoe de aanvraag vervolgens wordt behandeld en beoordeeld.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>Wat de weigeringsgronden zijn.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Wat de administratievoorschriften – na toekenning – zijn.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>5.</li.nr>
                        <al>Hoe er over de voortgang gerapporteerd moet worden.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>6.</li.nr>
                        <al>Hoe de subsidievaststelling werkt.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>7.</li.nr>
                        <al>Wanneer de subsidie kan worden ingetrokken of teruggevorderd.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Geïnteresseerde samenwerkingsverbanden kunnen tijdens het aanvraagtijdvak een aanvraag voor subsidie indienen. Het aanvraagtijdvak en subsidieplafond wordt in de regeling bekendgemaakt. Na sluiting van het tijdvak worden de ingekomen aanvragen beoordeeld. Het samenwerkingsverband dat voldoet aan de gestelde eisen in de Arbeidsomstandighedenwet en de Subsidieregeling, en op grond van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten heeft, zonder dat een uitsluitingsgrond van toepassing is, krijgt de subsidie. De subsidie wordt verstrekt op basis van één voorstel voor een samenhangend kennisprogramma van één samenwerkingsverband.</al>
                  <al>Als in het samenwerkingsverband een of meer instellingen zitten die behoren tot de Staat, dan zal de minister alleen subsidie verstrekken aan de instellingen van het samenwerkingsverband die niet tot de Staat behoren. Na inwilliging van een dergelijke subsidieaanvraag zullen de tot de Staat behorende instellingen van het samenwerkingsverband via een opdrachtverlening worden gefinancierd. Voor de tot de Staat behorende instellingen die financiering ontvangen, zullen in beginsel dezelfde verplichtingen gelden als de instellingen waaraan op grond van deze regeling een subsidie is verleend.</al>
                  <al>Er is gedurende de gehele subsidieperiode de mogelijkheid voor instellingen binnen het samenwerkingsverband (‘de eerste ring’) om samen te werken met instellingen buiten het samenwerkingsverband (‘de tweede ring’). Aangezien de subsidie een langere periode betreft (en we niet in de toekomst kunnen kijken), moet het samenwerkingsverband ruimte beschikbaar houden om specifiekere kennis en expertise die in de eerste ring niet beschikbaar is, te betrekken en te financieren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan specialistisch laboratoriumonderzoek en/of expertise op thema’s die ten tijde van de publicatie van de hoofdlijnennotitie nog niet kenbaar waren.</al>
                  <al>De subsidieregeling, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, wordt in de Staatscourant gepubliceerd en is zijn daarmee voor iedereen toegankelijk</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.3.</nr>
                    <titel>Hoofdlijnennotitie</titel>
                  </kop>
                  <al>In de hoofdlijnennotitie (bijlage bij de regeling) licht de minister zijn visie op het kennisprogramma toe. De hoofdlijnennotitie bevat de nadere eisen die hij stelt aan het samenwerkingsverband en de thema’s en de doelen van het kennisprogramma. Een samenwerkingsverband dat in aanmerking wil komen voor financiering, moet ook aan deze eisen voldoen en een nadere invulling geven aan de thema’s en doelen in de hoofdlijnennotitie.</al>
                  <al>In de hoofdlijnennotitie zal worden gewerkt met een puntenstelsel en, eventueel, uitsluitingsgronden. Voor elk onderdeel in de hoofdlijnennotitie kan een bepaald aantal punten worden behaald. Hierbij kan het zo zijn dat een vast aantal punten wordt toegekend als aan het onderdeel wordt voldaan en er geen punten worden toegekend als dit niet het geval is, maar er zullen ook onderdelen zijn waarbij het aantal punten afhangt van de mate waarin de subsidieaanvrager aan het betreffende onderdeel voldoet. Als bijvoorbeeld een eis in de hoofdlijnennotitie is dat een samenwerkingsverband ervaring heeft met het verrichten van bepaalde vormen van onderzoek, dan zal een subsidieaanvrager met slechts weinig ervaring op dit vlak minder punten krijgen dan een subsidieaanvrager met uitgebreide ervaring.</al>
                  <al>Uitsluitingsgronden in de hoofdlijnennotitie zijn onderdelen waar een subsidieaanvrager zonder meer aan moet voldoen. Als aan een of meer van deze onderdelen niet wordt voldaan, dan komt de subsidieaanvrager niet in aanmerking voor subsidie. Dit belemmert een subsidieaanvrager overigens niet om bij de eerstvolgende hoofdlijnenpublicatie een nieuwe subsidieaanvraag in te dienen.</al>
                  <al>De verstrekking van subsidie is altijd gekoppeld aan een hoofdlijnennotitie. Dit houdt in dat er pas subsidie kan worden aangevraagd en verstrekt op grond van artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de Subsidieregeling als er een hoofdlijnennotitie is gepubliceerd. Bij elke hoofdlijnennotitie hoort ook een aanvraagtijdvak en subsidieplafond. Deze worden opgenomen in de Subsidieregeling in de Staatscourant.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.4.</nr>
                    <titel>Wetenschappelijk ondersteunend bureau</titel>
                  </kop>
                  <al>Ter ondersteuning van het samenwerkingsverband stelt de regering een wetenschappelijk ondersteunend bureau ter beschikking dat is ondergebracht bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Bij dit bureau werken gespecialiseerde medewerkers, die het samenwerkingsverband kunnen ondersteunen door de algemene coördinatie van het inhoudelijke onderzoeksprogramma (waaronder het opstellen daarvan en het voorbereiden en opstellen van de voortgangsrapportages en eindrapportage) en de verspreiding van informatie naar derden, op zich te nemen. En indien gewenst door het samenwerkingsverband, ook de financiële verantwoordingsrapportage van de subsidie. Daarnaast draagt het bureau zorg voor de afstemming met de Regeling-TSB.</al>
                  <al>De ondersteuning door het bureau wordt gefinancierd middels een opdrachtverlening door minister van SZW aan het RIVM volgens de raamcontracten Rijksopdrachtgevers-RIVM die daarvoor zijn opgesteld. Dit vindt plaats buiten de subsidie aan het samenwerkingsverband voor de uitvoering van het kennisprogramma om.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Wettelijke structuur van het Steunpunt RI&amp;E</titel>
                </kop>
                <al>Het Steunpunt RI&amp;E bestaat sinds 2004 maar was tot dusver niet in de wet opgenomen. In artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet wordt het Steunpunt RI&amp;E nu als wettelijke taak opgenomen. Daarnaast wordt een delegatiegrondslag opgenomen voor het aanwijzen van een organisatie die als Steunpunt RI&amp;E fungeert. Tot slot wordt opgenomen dat de minister het Steunpunt RI&amp;E subsidie kan verlenen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">9.</nr>
                  <titel>Verhouding tot hoger recht (Kennisprogramma)</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.1.</nr>
                    <titel>Grondwet</titel>
                  </kop>
                  <al>Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft een ieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt.</al>
                  <al>In artikel 9a zijn de grondslag en enige voorwaarden opgenomen voor het verstrekken van subsidie voor kennisactiviteiten binnen het kennisprogramma. Bij de verstrekking van deze subsidies zullen er persoonsgegevens worden verwerkt. Het gaat dan in ieder geval om gegevens van de penvoerder, indien deze een natuurlijke persoon is, of, indien de penvoerder geen natuurlijke persoon is, de gegevens van de contactpersoon van de penvoerder. Als deze persoonsgegevens worden verwerkt, dan levert dit een beperking op van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.</al>
                  <al>In het geval van het voorgestelde artikel 9b, dat de grondslag biedt voor het verstrekken van tegemoetkomingen bij beroepsziekten, zal de verwerking van persoonsgegevens onvermijdelijk zijn. Om te kunnen vaststellen of een persoon recht heeft op een tegemoetkoming, zullen er namelijk persoonsgegevens over hem moeten worden verwerkt. Deze verwerkingen van persoonsgegevens leveren een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op.</al>
                  <al>Met de voorgestelde artikelen 9a en 9b wordt voorzien in een grondslag op het niveau van de wet die artikel 10 van de Grondwet vereist voor beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De regering is daarbij van mening dat de beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die voortkomen uit de subsidieverstrekking op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, noodzakelijk zijn om de subsidie respectievelijk de tegemoetkoming te kunnen verstrekken en te waarborgen dat dit op terechte gronden gebeurt. In het geval van de hiervoor bedoelde subsidieverstrekking zal de verwerking van persoonsgegevens tevens noodzakelijk zijn om te kunnen nagaan of gedurende de looptijd van de subsidie wordt voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.</al>
                  <al>Om de beperking van het hiervoor genoemde recht zo klein mogelijk te houden, zal bij de uitwerking van de subsidieverstrekking in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 9a, zevende lid, ernaar worden gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken.</al>
                  <al>Bij de Regeling-TSB en de Regeling-TAS is de verwerking van persoonsgegevens reeds getoetst. Bij eventuele toekomstige tegemoetkomingsregelingen zal per regeling worden beoordeeld welke persoonsgegevens nodig zijn voor het verstrekken van een tegemoetkoming. Hierbij zal het uitgangspunt zijn dat alleen die gegevens worden verwerkt die voor dit doel en eventueel voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk zijn. Dit laatste kan alleen als op grond van artikel 5, lid 1 onder b en e van de AVG in samenhang met artikel 89 AVG, artikel 9, lid 2 onder j en artikel 24 UAVG het gebruik van de persoonsgegevens noodzakelijk voor het onderzoek aantoonbaar verenigbaar is met het doel van de regeling. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat de gegevens worden gepseudonimiseerd of geanonimiseerd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.2.</nr>
                    <titel>Internationale verdragen</titel>
                  </kop>
                  <al>Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt de voorwaarden waaronder een inmenging in het recht op respect voor het privéleven is toegestaan. Een inmenging moet zijn voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor een van de in het lid genoemde doelen.</al>
                  <al>Daarnaast bepaalt artikel 17, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder: IVBPR) dat niemand mag worden onderworpen aan een willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven.</al>
                  <al>De verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de verstrekking van subsidie op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, leveren een inmenging op in de hierboven genoemde rechten. Naar het oordeel van de regering zijn deze inmengingen echter te rechtvaardigen. Zij vinden namelijk hun grondslag in de wet, te weten de voorgestelde artikelen 9a en 9b van dit wetsvoorstel, met een uitwerking in lagere regelgeving. Door deze uitwerking zal er van willekeur als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het IVBPR ook geen sprake zijn.</al>
                  <al>De inmenging in het recht op respect voor het privéleven, zoals verwoord in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, is naar het oordeel van de regering zowel bij de subsidieverstrekking op grond van artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel 9b, noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land, zoals genoemd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De verwerkingen van persoonsgegevens zijn namelijk nodig om te voorkomen dat ten onrechte een subsidie of tegemoetkoming wordt verstrekt en, in het geval van de subsidieverstrekking, zodat kan worden nagegaan of een subsidieontvanger zich houdt aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de verleende subsidie.</al>
                  <al>Het is de bedoeling van de regering om de inmenging in het recht op respect voor het privéleven zo beperkt mogelijk te houden. Om die reden zal, zoals al is opgemerkt in de vorige paragraaf, in de ministeriële regeling tot uitwerking van de subsidieverstrekking en de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen ernaar worden gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken. Bij het opstellen van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is dit uitgangspunt reeds gehanteerd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.3.</nr>
                    <titel>Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: Handvest) is het recht van een ieder op eerbiediging van onder andere zijn privéleven opgenomen. In artikel 8, eerste lid, van het Handvest is het recht van een ieder op bescherming van zijn persoonsgegevens vastgelegd. Het tweede lid van artikel 8 schrijft voor dat als gegevens worden verwerkt, dit op een eerlijke manier moet plaatsvinden, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Daarnaast heeft een ieder recht op inzage in zijn gegevens en rectificatie hiervan. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest bevat de voorwaarden waaronder de rechten in het Handvest kunnen worden beperkt.</al>
                  <al>Omdat de eisen die het Handvest stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de beperking van de in het Handvest opgenomen rechten samenvallen met de eisen die in de Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) zijn opgenomen, wordt verwezen naar paragraaf 9.4.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.4.</nr>
                    <titel>Algemene verordening gegevensbescherming</titel>
                  </kop>
                  <al>De AVG is een Europese verordening die regels bevat over de verwerking van persoonsgegevens. De AVG is niet op alle verwerkingen van persoonsgegevens van toepassing, maar alleen op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, eerste lid, AVG).</al>
                  <al>Uit artikel 5 van de AVG volgt een aantal eisen waaraan dient te worden voldaan bij het verwerken van persoonsgegevens. Zo dient de verwerking plaats te vinden op een zodanige wijze dat het voor betrokkenen rechtmatig, behoorlijk en transparant is. De verwerking dient daarnaast gebonden te zijn aan specifieke doelen en de gegevens moeten toereikend, ter zake dienend en beperkt tot het noodzakelijke zijn. Voorts geldt de eis dat de verwerkte gegevens juist zijn, dat gegevens niet langer mogen worden bewaard dan nodig en dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van de integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens.</al>
                  <al>Naar het oordeel van de regering is er bij zowel de subsidieverstrekking op grond van het voorgestelde artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van het voorgestelde artikel 9b, sprake van de verwerking van persoonsgegevens waarop de AVG van toepassing zal zijn.</al>
                  <al>De regering is voorts van mening dat de verwerking van persoonsgegevens beantwoordt aan de in de AVG opgenomen eisen van rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding en minimale gegevensverwerking. De verwerking van persoonsgegevens zal namelijk haar basis vinden in de voorgestelde artikelen 9a en 9b en de daarop gebaseerde subsidieregeling respectievelijk tegemoetkomingsregelingen. Deze regelingen zullen zo worden opgezet dat alleen persoonsgegevens worden verwerkt als dit nodig is voor de subsidieverstrekking en het verstrekken van een tegemoetkoming. Daarbij geldt dat alleen die persoonsgegevens worden verwerkt die voor dit doel nodig zijn. In het geval van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn deze uitgangspunten meegenomen bij de totstandkoming van deze regelingen.</al>
                  <al>Bij de daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens zal er tevens op worden toegezien dat dit in overeenstemming met de AVG plaatsvindt. Dit houdt onder meer in dat er technische en organisatorische maatregelen zullen worden genomen om onrechtmatige verwerkingen van persoonsgegevens te voorkomen en dat de gegevens die worden verwerkt, juist zijn. Bij de uitvoering van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is hier al in voorzien.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verwerking van bijzondere persoonsgegevens</titel>
                    </kop>
                    <al>In het kader van de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van het voorgestelde artikel 9b, zullen, zoals eerder aangegeven, onvermijdelijk gegevens over gezondheid worden verwerkt. Dit om vast te kunnen stellen of iemand recht heeft op een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan een beroepsziekte. Gegevens over gezondheid zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de AVG. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de AVG is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in beginsel verboden, tenzij een van de uitzonderingen in artikel 9, tweede lid, van de AVG van toepassing zijn.</al>
                    <al>Bij de bestaande tegemoetkomingsregelingen (Regeling-TSB en Regeling-TAS), die in de toekomst het voorgestelde artikel 9b als basis zullen hebben, worden ook gegevens over gezondheid verwerkt. Deze verwerkingen zijn tot nog toe gebaseerd op de uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (verder: UAVG).</al>
                    <al>Met dit wetsvoorstel stelt de regering voor om de verwerkingen van gegevens over gezondheid niet langer te baseren op het hiervoor genoemde artikel uit de UAVG, maar hier een zelfstandige uitzondering voor te creëren. Dit in de vorm van het voorgestelde vierde lid van artikel 9b. Deze voorgestelde uitzondering zal niet alleen van toepassing zijn op de al bestaande Regeling-TSB en Regeling-TAS, maar ook eventuele nieuwe tegemoetkomingsregelingen die op het voorgestelde artikel 9b zullen zijn gebaseerd.</al>
                    <al>De nieuwe uitzondering zal het mogelijk maken om ook partijen die niet tot de genoemde partijen in artikel 30, eerste lid, van de UAVG, behoren, gegevens over gezondheid te laten verwerken. Dit biedt ruimte om bijvoorbeeld stichtingen die de belangen behartigen van personen die lijden aan een bepaalde beroepsziekte, een ondersteunende en zelfstandige rol te geven bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling, bijvoorbeeld in een adviserende rol. Vanwege de bijzondere aard van gegevens over gezondheid zal hier terughoudend mee worden omgegaan. Hiermee wordt bedoeld dat het betrekken van partijen, die geen bestuursorgaan zijn, altijd het gevolg zal zijn van een kritische afweging of dit noodzakelijk is. Uiteraard geldt voor elk van de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling en daarbij gegevens over gezondheid verwerken, dat zij zich dienen te houden aan de beginselen en eisen in de AVG.</al>
                    <al>Een andere reden voor de opname van een nieuwe uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken, is dat de uitzondering in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de UAVG primair ziet op de verwerking van gegevens over gezondheid in de context van de sociale zekerheid. De regering acht het gelet daarop zuiverder om een zelfstandige uitzondering te scheppen voor de verwerking van gegevens over gezondheid bij de uitvoering van tegemoetkomingsregelingen die zijn gebaseerd op artikel 9b van de Arbeidsomstandighedenwet. Hiermee wordt ook buiten twijfel gesteld dat het verwerken van deze gegevens toelaatbaar is, mits de verwerking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van die regeling en artikel 30, vierde lid, van de UAVG in acht wordt genomen.</al>
                    <al>De uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken past naar het oordeel van de regering in de uitzonderingsgrond die is opgenomen in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De noodzaak voor de verwerking van gegevens over gezondheid is in dit geval om te kunnen beoordelen of iemand recht heeft op een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan de beroepsziekte(n) waarop de tegemoetkomingsregeling betrekking heeft. Deze verwerkingen kunnen daarbij worden aangemerkt als verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van specifieke rechten van de betrokkene en ter uitvoering van verplichtingen op het gebied van het arbeidsrecht (de Engelse tekst van de AVG spreekt in dit verband over ‘the field of employment’). Het hiervoor bedoelde recht is het uit artikel 9b, eerste lid, en de tegemoetkomingsregelingen voortvloeiende recht van een betrokkene op een tegemoetkoming, indien hij lijdt aan een beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming, en het recht om een zodanige tegemoetkoming aan te vragen. De hiervoor bedoelde verplichting is de verplichting van de relevante partijen die uitvoering geven aan een tegemoetkomingsregeling om, als een aanvraag om een tegemoetkoming is ingediend, vast te stellen of een persoon lijdt aan een bepaalde beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming. De lidstaatrechtelijke grondslag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG, is in dit geval het voorgestelde artikel 9b, vierde lid.</al>
                    <al>De passende waarborgen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG, bestaat in dit geval allereerst uit de afbakening van partijen die gegevens over gezondheid mogen verwerken (alleen bestuursorganen en instellingen die op grond van een tegemoetkomingsregeling (mede) zijn belast met de uitvoering hiervan) en de eis dat de verwerking van deze gegevens noodzakelijk moet zijn voor een goede uitvoering van een tegemoetkomingsregeling. Daarnaast is artikel 30, vierde lid, van de UAVG van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat de bestuursorganen en instellingen die zijn belast met de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling de gegevens over gezondheid alleen mogen laten verwerken door personen die op grond van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel op grond van een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.5.</nr>
                    <titel>Staatssteunanalyse kennisprogramma</titel>
                  </kop>
                  <al>Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel kennisprogramma beroepsziekten uitgevoerd. Samengevat is de uitkomst als volgt: De begunstigde(n) is geen onderneming. De te subsidiëren activiteiten zijn geen economische activiteiten. Ook leidt de maatregel niet tot (potentiële) vervalsing van de mededinging en een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten. Wel is de steunmaatregel afkomstig van of toe te rekenen aan de staat. En levert de maatregel de onderneming een economisch voordeel op. En ten slotte is de maatregel ook selectief (er wordt geld verstrekt aan een selectieve groep).</al>
                  <al>Er is sprake van staatsteun als alle vijf de bovengenoemde elementen uit de analyse van toepassing zijn op het wetsvoorstel. Dat is niet het geval. De conclusie van de staatssteunanalyse is daarom dat het geen staatssteun betreft.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.6.</nr>
                    <titel>Staatssteunanalyse Steunpunt RI&amp;E</titel>
                  </kop>
                  <al>Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel subsidiëring van het Steunpunt RI&amp;E uitgevoerd. De begunstigde is geen onderneming. De SER is een adviesorgaan waarin ondernemers, werknemers en onafhankelijke deskundigen (kroonleden) samenwerken, om tot overeenstemming te komen over belangrijke sociaaleconomische onderwerpen. De SER faciliteert in dit verband een aantal zaken die te maken hebben met gezond en veilig werken. Ook de werkzaamheden voor het Steunpunt RI&amp;E vallen hieronder. De SER bezit rechtspersoonlijkheid en is dus een instelling die een activiteit van de minister kan overnemen. De SER is een onafhankelijk adviesorgaan zonder winstoogmerk en ontvangt met deze subsidie de financiële middelen om het secretariaat de activiteiten van het Steunpunt en de bijbehorende RI&amp;E-hulpmiddelen te laten uitvoeren en beheren. Zonder subsidiering kan de SER deze dienst niet verlenen. Om het Steunpunt te bemensen neemt de SER personeel in dienst. De SER ontvangt de subsidiemiddelen en ondersteunt daar kosteloos werkgevers en werknemers mee. De activiteiten passen bij andere activiteiten die de SER, onder andere via het communicatieplatform ‘Arboplatform’, onderneemt.</al>
                  <al>Er wordt een dienst verleend gericht aan Nederlandse bedrijven en branches, volgend uit en gebaseerd op Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving. Er is geen sprake van beïnvloeding van marktwerking tussen de lidstaten. De dienstverlening van het Steunpunt is gericht op met name het midden- en kleinbedrijf en heeft vooral een informatief en stimulerend karakter. De markt, zakelijke dienstverleners, die ondernemingen ondersteunen met het opstellen van een RI&amp;E, zullen hierdoor niet financieel-economisch bevoordeeld of benadeeld worden omdat de ondersteuning van het Steunpunt RI&amp;E aanvullend is aan de bestaande dienstverlening vanuit bijvoorbeeld arbodiensten. Het Steunpunt ondersteunt de werkgever maar de werkgever blijft primair verantwoordelijk voor het opstellen van de RI&amp;E. De SER is een adviesraad met bestuurlijke taken en bevoegdheden. Het bekostigen van activiteiten van de SER wordt dan ook niet opgevat als staatsteun.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">10.</nr>
                  <titel>Verhouding tot nationaal recht</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Kaderwet SZW-subsidies</titel>
                  </kop>
                  <al>De Kaderwet SZW-subsidies bevat een algemene grondslag voor de minister om subsidies te verstrekken voor activiteiten die passen binnen een aantal beleidsterreinen, waaronder het arbeidsomstandighedenbeleid. Op basis van deze wet zou ook subsidie kunnen worden verstrekt voor de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en de activiteiten van het Steunpunt RI&amp;E waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. De regering is echter van mening dat voor de subsidiëring van de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en het Steunpunt RI&amp;E, bedoeld in dit wetsvoorstel, een zelfstandige grondslag op zijn plaats is.</al>
                  <al>De Kaderwet SZW-subsidies noemt geen concrete activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, maar spreekt slechts over activiteiten die passen binnen bepaalde beleidsterreinen. De precieze activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, zullen overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet SZW-subsidies moeten worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Indien de subsidiëring van kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en het Steunpunt RI&amp;E, bedoeld in dit wetsvoorstel, zou worden gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies, dan zou de subsidieverstrekking feitelijk gebaseerd zijn op een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Vanwege de structurele, doorlopende activiteiten van het kennisprogramma en het Steunpunt RI&amp;E de doelen die worden nagestreefd acht de regering dit onwenselijk. Om deze reden kiest de regering met dit wetsvoorstel voor een zelfstandige grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor de subsidiëring van de in dit wetsvoorstel bedoelde kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en de activiteiten van het Steunpunt RI&amp;E.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS</titel>
                  </kop>
                  <al>De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bevat onder meer regels van procedurele aard op het gebied van de verstrekking van subsidies en is van toepassing op subsidies die overeenkomstig de Kaderwet SZW-subsidies worden verstrekt. De voorschriften in de Kaderregeling zijn ook bruikbaar voor subsidies die op grond van het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet zullen worden verstrekt. Om deze reden zal in de subsidieregeling die op grond van het voorgestelde artikel 9a, zevende lid, moet worden opgesteld, de Kaderregeling van toepassing worden verklaard.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Comptabiliteitswet 2016</titel>
                  </kop>
                  <al>De Comptabiliteitswet 2016 bevat regels die onder meer zien op de rijksbegroting, het beheer van rijksmiddelen en de Algemene Rekenkamer. Op grond van artikel 4.10 van deze wet moeten subsidieregelingen een vervaldatum bevatten. In de op artikel 9a, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet te baseren subsidieregeling kennisprogramma beroepsziekten, zal deze bepaling in acht worden genomen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Andere kennisinitiatieven</titel>
                  </kop>
                  <al>In verhouding tot het nationaal recht noemt de regering hier verder nog de andere kennisinitiatieven op het gebied van beroepsziekten die zij heeft geïnitieerd. Zo voert ZonMw in opdracht van de minister het subsidieprogramma ‘Innovatieve arbozorg voor betere arbeidsgerelateerde zorg’ uit. De scope van dit programma is breder dan alleen stoffengerelateerde beroepsziekten. Het programma biedt drie programmalijnen met experimenteerruimte om nieuwe werkwijzen uit te proberen om te voorkomen dat mensen ziek worden of zelfs overlijden door arbeidsomstandigheden. Binnen het programma wordt ruimte geboden voor verkenningen, het opzetten van samenwerkingsverbanden en kennisinfrastructuren en vernieuwing van de opleiding bedrijfsgeneeskunde.</al>
                  <al>Kennisneming, kennisdeling en samenwerking met initiatieven zoals bijvoorbeeld het bovengenoemde initiatief zijn gewenst.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">11.</nr>
                  <titel>Gevolgen kennisprogramma beroepsziekten</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">11.1.</nr>
                    <titel>Effecten op de kennis</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Het beoogde effect is dat de doelgroepen meer kennis hebben over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen, dampen of gassen. En dat zij deze kennis toepassen in de praktijk. Door de kennisvergroting worden de doelgroepen zich immers bewuster van het mogelijke verband tussen de ziekteverschijnselen en bepaald werk. En ook van hun gedrag rondom de beroepsziekten. Zo worden zij gemotiveerd om dit gedrag te veranderen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voeren van gesprekken in de behandelkamers over de relatie tussen de ziekteverschijnselen en het werk, het verwerken van de kennis in trainingen en opleidingen, maar ook het zoeken van oplossingen op de werkvloer door werk- en opdrachtgevers en werkenden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Het vervangen van een gevaarlijke stof door een niet gevaarlijke stof (bijvoorbeeld het gebruiken van verf op waterbasis).</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Het zoeken van een technische oplossing (bijvoorbeeld: de toepassing van een goed ventilatie- en/of afzuigsysteem)</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>Het zoeken van een organisatorische oplossing (bijvoorbeeld regelen dat onbeschermde werkenden niet in de ruimte mogen komen waar met een gevaarlijke stof wordt gewerkt).</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het goed gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan het juiste gebruik van een mondkapje).</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Het effect in het algemeen is dat door een betere preventie, minder mensen ziek worden door het werken met een gevaarlijke stof. En ook dat meer mensen eerder gediagnosticeerd worden als ze wel ziek zijn geworden. Hierdoor lopen ze mogelijk minder kans om heel ernstig ziek te worden. En ten slotte is een verwacht effect dat de behandeling van mensen die ziek zijn geworden, verbetert. Hierdoor verloopt de ziekte mogelijk minder ernstig.</al>
                  <al>Een mogelijk neveneffect is dat het kennisprogramma eraan bijdraagt dat (voormalig) werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte de Regeling-TSB goed weten te vinden en andersom.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">11.2.</nr>
                    <titel>Overige gevolgen</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>De inrichting van een blijvend kennisprogramma vraagt van instellingen in Nederland die dit kennisprogramma in samenwerking willen uitvoeren tijd en aandacht voor:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Het inrichten van een samenwerkingsverband met een voorstel ter invulling van een onderzoeksprogramma.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Het doen van een subsidieaanvraag (private instellingen) of uitwerking van een opdracht (publiekrechtelijke instellingen).</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>Het uitvoeren van de projecten na de beslissing voor financiering.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het verantwoorden van de resultaten.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Van de in paragraaf 4 genoemde doelgroepen vraagt het kennisprogramma vooral tijd om aan te sluiten bij onderzoek (bijvoorbeeld praktijkgericht onderzoek via werkplaatsen of praktijkgericht onderzoek bij een bedrijf) en het nemen van praktische maatregelen, zoals bijvoorbeeld het anders inrichten van processen. Hierbij kan gedacht worden aan het standaard opnemen van de vraag welk beroep iemand uitoefent bij het gesprek tussen een arts en de patiënt over de ziektegeschiedenis. En ook het onder de loep nemen van het gebruik van beschermingsmiddelen. Tot slot moeten opleidingen mogelijk worden aangepast. Overigens zijn al deze activiteiten op vrijwillige basis. Uit deze wet zelf vloeien geen wettelijke inhoudelijke of informatieverplichtingen voort. Zoals eerder betoogd, verwacht de regering wel een gedragsverandering bij de doelgroepen, omdat zij via kennisvergroting en de bewustwording van gedrag, gemotiveerd raken om het gedrag te veranderen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">11.3.</nr>
                    <titel>Regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>Door de gevolgen die hierboven zijn genoemd, kunnen de verschillende doelgroepen regeldruk ervaren. Regeldruk bestaat uit de eenmalige en structurele administratieve lasten, waaronder kennisnemingskosten en inhoudelijke nalevingskosten voor de verschillende doelgroepen. De regeldruk wordt verder beschreven in paragraaf 14.1.</al>
                  <al>Het oorspronkelijke voorstel betrof een tweetrapsraket van aanwijzing en subsidiëring. Dit was naar aanleiding van een advies van de Landsadvocaat. Ook was het voorstel de hoofdlijnennotitie als zelfstandig document te publiceren in de Staatscourant. Om regeldruk te voorkomen is besloten de tweetrapsraket te vervangen door een enkelvoudige subsidietender. En de hoofdlijnennotitie als bijlage bij de Subsidieregeling op te nemen.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">12.</nr>
                  <titel>Gevolgen grondslag beroepsziekteregelingen</titel>
                </kop>
                <al>Het beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor tegemoetkomingsregelingen is dat is zeker gesteld dat alle getroffenen van beroepsziekten in de toekomst in principe een tegemoetkoming kunnen krijgen via tegemoetkomingsregelingen. En dat hun privacyrechten voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens daarbij goed zijn geborgd.</al>
                <al>Op dit moment functioneren de Regeling-TAS en de Regeling-TSB nog op tijdelijke grondslagen, via de Kaderwet SZW-subsidies. Zij zullen na inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 9b een structurele grondslag hebben.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">13.</nr>
                  <titel>Gevolgen grondslag Steunpunt RI&amp;E</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">13.1.</nr>
                    <titel>Effecten op naleving RI&amp;E-verplichting</titel>
                  </kop>
                  <al>De naleving van de wettelijke RI&amp;E verplichting is laag. Uit de monitor van de Nederlandse Arbeidsinspectie, Arbo in Bedrijf 2022–2023, blijkt dat 64 procent van alle werkgevers een RI&amp;E bezit, waarvan een derde van de bedrijven slecht scoort op de kwaliteit (volledigheid en actualiteit) van de RI&amp;E. Kleine bedrijven beschikken minder vaak over een RI&amp;E dan grote bedrijven: van de bedrijven met minder dan 5 werknemers heeft 56 procent een RI&amp;E, voor bedrijven met 5–9 werknemers is dat 68 procent, voor bedrijven met 10–49 werknemers is dat 78 procent, voor bedrijven met 50–99 werknemers is dat 91 procent, en voor bedrijven met 100 of meer werknemers heeft 92 procent een RI&amp;E. Het verschil in naleving van de RI&amp;E-verplichting tussen grote en kleine bedrijven bestaat al geruime tijd. Om met name werkgevers bij te staan en te ondersteunen in het opstellen van de RI&amp;E, is het Steunpunt RI&amp;E geïnitieerd. Het beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is dat werkgevers duurzaam worden ondersteund bij het opstellen van een RI&amp;E. Met de ondersteuning draagt het Steunpunt bij aan de naleving van de wettelijke verplichtingen uit artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Werkgevers kunnen zo makkelijker een RI&amp;E opstellen en daarmee een veiligere en gezondere werkomgeving bieden, meer investeren in preventie en het aantal werkgerelateerde doden en zieken terugdringen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">13.2.</nr>
                    <titel>Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik/handhaafbaarheid</titel>
                  </kop>
                  <al>Er zijn voorwaarden aan de subsidie verbonden. Het Steunpunt legt verantwoording af middels een activiteitenverslag, een financieel verslag en in de controleverklaring en rapport van een accountant. Het niet voldoen aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn of het niet (geheel) verrichten van de activiteiten kan tot gevolg hebben dat de subsidie geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd. Een registratie van (ernstige) onregelmatigheden bij subsidies wordt bijgehouden met het oog op het tegengaan van misbruik van subsidie.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">14.</nr>
                  <titel>Regeldruk</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">14.1.</nr>
                    <titel>Regeldruk Kennisprogramma beroepsziekten</titel>
                  </kop>
                  <al>Regeldrukkosten zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. Het is goed als de doelgroepen kennis nemen van deze regeling, maar dit is op basis van deze regeling geen verplichting. De regeldrukgevolgen voor instellingen en doelgroepen worden nader uitgewerkt in de subsidieregeling. Het beschikbaar stellen van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM heeft het doel de lasten voor het samenwerkingsverband te verlichten.</al>
                  <al>De kosten voor het RIVM en de apparaatskosten voor de overheid zijn geen regeldrukeffecten, maar gevolgen voor de overheid. Ook deze worden nader uitgewerkt in de subsidieregeling.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">14.2.</nr>
                    <titel>Regeldruk Steunpunt RI&amp;E</titel>
                  </kop>
                  <al>De wetswijziging van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft geen regeldrukeffecten. Het doel van dit voorstel is enkel om het sinds 2004 bestaande Steunpunt een wettelijke grondslag te geven en om de financieringsstroom richting het Steunpunt, die op dit moment een tijdelijk karakter heeft, structureel te maken.</al>
                  <al>Het voorstel kent daarom geen extra regeldrukkosten bovenop de huidige situatie. Het effect op de ervaren regeldruk is ook nul. Voor bedrijven en burgers die op dit moment gebruik maken van de diensten van het Steunpunt verandert er niets.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">15.</nr>
                  <titel>Financiële gevolgen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">15.1.</nr>
                    <titel>Financiële gevolgen grondslag kennisprogramma</titel>
                  </kop>
                  <al>De aanpassing van de Arbeidsomstandighedenwet voor een grondslag voor een doorlopend kennisprogramma leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor de overheid. Er is structureel budget gereserveerd voor een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten. Dit betreft voorlopig ongeveer 5,5 miljoen euro per jaar.</al>
                  <al>Dit geld is bedoeld voor subsidie van en/of opdrachten aan instellingen binnen het samenwerkingsverband voor het uitvoeren van kennisactiviteiten over stoffengerelateerde beroepsziekten. En voor de kosten voor de ondersteuning van de uitvoering van het kennisprogramma door een wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">15.2.</nr>
                    <titel>Financiële gevolgen van grondslag tegemoetkomingsregelingen beroepsziekten</titel>
                  </kop>
                  <al>Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn de financiële gevolgen voor getroffenen en de Staat besproken in de respectievelijke regelingen zelf en in de begroting van SZW. Voor nieuwe beroepsziekteregelingen zal dit ook worden gedaan.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">15.3.</nr>
                    <titel>Financiële gevolgen van grondslag Steunpunt RI&amp;E</titel>
                  </kop>
                  <al>Het creëren van een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor een doorlopende financiering van het Steunpunt RI&amp;E leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor de regering. De regering financiert het Steunpunt RI&amp;E al sinds 2007. Op dit moment loopt er al een driejarige tijdelijke subsidieregeling voor het Steunpunt RI&amp;E die in totaal 1,5 miljoen euro omvat. De wettelijke grondslag biedt de mogelijkheid om deze subsidieregeling om te zetten in een duurzame vorm van financiering. De financiële toezegging die de overheid al heeft gedaan aan de SER (voorheen TNO), die het Steunpunt RI&amp;E op zich neemt, wordt met deze grondslag structureel gemaakt. De bedragen zullen jaarlijks geïndexeerd worden. Dit geld is bedoeld voor de activiteiten die het Steunpunt RI&amp;E voor de regering uitvoert.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">16.</nr>
                  <titel>Uitvoering</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">16.1.</nr>
                    <titel>Uitvoering van het kennisprogramma beroepsziekten</titel>
                  </kop>
                  <al>Het proces van aanvraag en toekenning van subsidie vindt plaats volgens het proces van een subsidietender. Dit betreft een inhoudelijke beoordeling en onderlinge rangschikking door de minister van de aanvragen. De subsidietender moet voldoen aan criteria van objectiviteit, transparantie en non-discriminatie. Het te volgen proces is naar het oordeel van de regering transparant, omdat uit de wet, subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie duidelijk zal volgen wanneer een aanvraag kan worden ingediend, wat hiervoor nodig is en hoe deze wordt beoordeeld. Daarnaast zal de minister een openbare oproep voor het indienen van subsidieaanvragen plaatsen op de daartoe geëigende websites. De criteria waaraan subsidieaanvragen zullen worden getoetst, zijn daarnaast zo objectief mogelijk vormgegeven. De transparantie en non-discriminatie zijn verder gewaarborgd, doordat de minister in de motiveringen bij de afwijzingen en toekenningen niet alleen inzicht zal geven in de redenen voor afwijzing, maar ook in de redenen voor toekenning van de subsidie aan een andere subsidieaanvrager.</al>
                  <al>Geïnteresseerde samenwerkingspartijen van instellingen kunnen in een vast tijdvak een aanvraag voor subsidie indienen. Na sluiting van het aanvraagtijdvak, dat bekend zal worden gemaakt in de hoofdlijnennotie (bijlage bij de subsidieregeling), beoordeelt de minister, eventueel na het inwinnen van advies van een of meer onafhankelijke experts, welke aanvragen volledig zijn en voldoen aan de voorwaarden in artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling. Ook controleert de minister of een of meer uitsluitingsgronden in de hoofdlijnennotitie van toepassing zijn. Is de aanvraag onvolledig, voldoet deze niet aan een of meer voorwaarden in de Arbeidsomstandighedenwet of de subsidieregeling, of zijn een of meer uitsluitingsgronden van toepassing, dan zal de minister deze aanvragen afwijzen.</al>
                  <al>Na de hierboven beschreven controle van de aanvragen gaat de minister na welk samenwerkingsverband het meest geschikt is om de kennisactiviteiten in de hoofdlijnennotitie uit te voeren. Het meest geschikte samenwerkingsverband is het samenwerkingsverband dat op grond van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten heeft behaald. Aan dit samenwerkingsverband zal uiteindelijk subsidie worden verleend. De overige aanvragen zullen daarbij worden afgewezen, nu per hoofdlijnennotitie slechts aan één subsidieaanvrager subsidie zal worden verstrekt.</al>
                  <al>Het samenwerkingsverband rapporteert gedurende de looptijd van de financiering jaarlijks over de voortgang van de kennisactiviteiten aan de minister. Elke instelling binnen het samenwerkingsverband stelt jaarlijks voor de minister een financiële verantwoording op over de besteding van de ter beschikking gestelde financiële middelen. Deze verantwoording wordt opgenomen in het jaarlijkse voortgangsverslag. Hierbij kan ondersteuning worden geboden aan het samenwerkingsverband door het wetenschappelijk ondersteunend bureau, dat is ondergebracht bij het RIVM.</al>
                  <al>De minister van SZW controleert of aan de subsidievoorwaarden en/of opdrachtverplichtingen is voldaan. Bij het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden of opdrachtverplichtingen kan worden besloten tot intrekking van de subsidie of opdracht en kan geld worden teruggevorderd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">16.2.</nr>
                    <titel>Uitvoering van tegemoetkomingsregelingen</titel>
                  </kop>
                  <al>De inregeling van een structurele grondslag vraagt op zich geen bijzondere tijd en aandacht van de uitvoerende instanties van de Regeling-TAS en de TSB-regeling.</al>
                  <al>Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS wordt de uitvoering toegelicht in de toelichting bij de respectievelijke regelingen zelf. Bij nieuwe beroepsziekteregelingen zal dit ook worden gedaan.</al>
                  <al>De verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden ligt altijd bij de werkgever dan wel opdrachtgever; een tegemoetkomingsregeling doet daar niets aan af. Het is belangrijk dat werkgevers en opdrachtgevers zich blijven inspannen voor goede arbeidsomstandigheden. Daarmee kan worden voorkomen dat werkenden nog steeds beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, gassen of dampen oplopen. Werkgevers en opdrachtgevers die hun zorgplicht niet nakomen (bijvoorbeeld door geen preventieve maatregelen te nemen) blijven in principe aansprakelijk voor de schade (artikelen 7:611, 7:658, 6:162 en 6:175 BW). Op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet wordt bovendien gehandhaafd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Deze toezichthouder heeft een uitgebreid instrumentarium aan bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen tot haar beschikking, waaronder de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen. In het geval van zeer ernstige (gevolgen van) overtredingen (bijvoorbeeld overlijden) van de Arbeidsomstandighedenwet kan het strafrecht worden ingezet.</al>
                  <al>Als al een schadeclaim is toegewezen, is er geen of slechts een gedeeltelijk recht op een tegemoetkoming. Het in dat geval te volgen proces zal in de afzonderlijke regelingen worden toegelicht.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">16.3.</nr>
                    <titel>Uitvoering van het Steunpunt RI&amp;E</titel>
                  </kop>
                  <al>De inregeling van een structurele grondslag vraagt geen bijzondere tijd en aandacht van de SER. Momenteel voert het secretariaat van het Steunpunt, reeds ondergebracht bij de SER, al de activiteiten uit op basis van een driejarige subsidie. Zij zullen dezelfde taken toebedeeld krijgen wanneer de minister overgaat op een structurele financiering.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">17.</nr>
                  <titel>Evaluatie</titel>
                </kop>
                <al>Deze wetswijziging wordt vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">18.</nr>
                  <titel>Consultatie en advies</titel>
                </kop>
                <al>Voorafgaand aan de internetconsultatie hebben juridische medewerkers het wetsvoorstel, de subsidieregeling en voor zover van toepassing de hoofdlijnennotitie getoetst op uitvoerbaarheid, bezwaar- en beroepsprocedures en handhaving.</al>
                <al>De structurele financiering voor het Steunpunt RI&amp;E, en daarmee wijziging van de wet, is besproken met TNO, de SER en sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Openbare internetconsultatie</titel>
                  </kop>
                  <al>In de periode van dinsdag 22 april tot en met dinsdag 20 mei zijn de voorstellen voor de eerste twee grondslagen (kennisprogramma beroepsziekten en beroepsziekteregelingen), de subsidieregeling kennisprogramma beroepsziekten, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie voor een openbare consultatie aangeboden via <extref doc="http://www.internetconsultatie.nl" soort="URL" status="actief">www.internetconsultatie.nl</extref>. De grondslag voor het Steunpunt RI&amp;E is daarna toegevoegd.</al>
                  <al>Er zijn acht reacties binnengekomen, waarvan één niet-openbaar. Eén openbare reactie is afkomstig van de FNV. De inhoud van deze reactie werd ondersteund door FNV Arbonetwerk, De Astmavereniging Nederland en Davos en de Asbestslachtoffers Vereniging Nederland en ook door een anonieme reageerder. Deze vier reacties hadden daarnaast geen verdere opmerkingen. Hieronder volgt een samenvatting van de reacties op de internetconsultatie, waarbij is aangegeven in hoeverre dit heeft geleid tot wijzigingen in het conceptbesluit.</al>
                  <al>Alle reacties zijn overwegend positief over het voorstel met enkele specifieke bezwaren op onderdelen van het voorstel. De FNV en de ASP maken vooral bezwaar tegen het verplaatsen van de definitie van beroepsziekte van de Arbeidsomstandig-hedenregeling naar de Arbeidsomstandighedenwet. Beide organisaties zijn bang dat hiermee de aandacht voor preventieve activiteiten (onbedoeld) belemmerd wordt. Ook vrezen zij een verslechtering van de aansprakelijkheidspositie van mensen met een beroepsziekte. Tenslotte ziet de FNV als effect ook nog een verenging van de zorgplicht.</al>
                  <al>Het is niet de bedoeling om aan het begrip beroepsziekte een bredere werking te geven dan voor de melding en registratie van beroepsziekten, het samenwerkingsverband voor kennis over beroepsziekten en tegemoetkomingsregelingen. Naar het inzicht van de regering leidt het verplaatsen van de begripsbepaling daar ook niet toe. De term beroepsziekte komt in de Arbowet ook alleen voor in artikel 9 en in het voorgestelde 9a en 9b. Het nemen van preventieve maatregelen voor een gezonde en veilige werkvloer is niet beperkt tot het al dan niet bestaan van het gevaar van een beroepsziekte, die verplichting is breder dan dat. Dat is op dit moment al zo en verandert niet door het verplaatsen van een begripsbepaling. Desalniettemin is ervoor gekozen om in de definitie nu expliciet op te nemen dat deze alleen betrekking heeft op de artikelen waarin de genoemde onderwerpen zijn geregeld, zodat hier geen twijfel over kan bestaan.</al>
                  <al>De NVAB benadrukt het belang van de structurele financiering van kennisontwikkeling. Hiervoor verwijst de regering naar paragraaf 15.1. Hierin is aangegeven dat er structureel geld is gereserveerd voor kennisontwikkeling over stoffengerelateerde beroepsziekten. Daarnaast benadrukt de NVAB het belang dat álle beroepsziekten in aanmerking komen voor een aanvullende vergoeding, om willekeur en ongelijkheid tussen beroepsgroepen en ziektebeelden te voorkomen. De regering streeft ernaar dat de TSB-regeling wordt uitgebreid met de beroepsziekten door gevaarlijke stoffen die door de onafhankelijke Adviescommissie lijst Beroepsziekten daarvoor aan de regering worden voorgedragen.</al>
                  <al>Uit de niet-openbare reactie blijkt dat er onduidelijkheden zijn over de taken en verantwoordelijkheden van de penvoerder en de ondersteuning door het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM. Naar aanleiding hiervan zijn in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel de taken van het bureau verduidelijkt en in toelichting op de subsidieregeling de taken van de penvoerder.</al>
                  <al>Ook is gebleken dat de bepaling waarin was opgenomen dat het intellectueel eigendomsrecht moest worden overgedragen, niet in lijn is met de afspraken die gemaakt zijn in de academische wereld. Ook lijkt dit onderwerp meer passend in de ministeriële regeling dan op wetsniveau. Het zevende lid is daarom na de internetconsultatie geschrapt. In de subsidieregeling zullen regels worden gesteld over openbaarmaking van data en intellectueel eigendomsrecht.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Adviescollege toetsing regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Ook is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) gevraagd advies uit te brengen over de regeldrukeffecten. Dit zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke verplichtingen te kunnen voldoen. De ATR heeft ook gekeken naar ervaren regeldruk. Regeldruk ontstaat als de verplichtingen niet goed aansluiten op hoe betrokkenen hun werk hebben georganiseerd. De ATR heeft geadviseerd de regeldruk in kaart te brengen, conform de Rijksbrede methodiek. Het eindoordeel van de ATR is:</al>
                    <al>Het wetsvoorstel indienen en de regeling vaststellen nadat met het adviespunt rekening is gehouden. Het conceptvoorstel is hierop aangepast. Dit heeft tot gevolg gehad dat de regeldrukbeschrijvingen zijn verplaatst naar de toelichting op de subsidieregeling. En dat deze beschrijvingen in lijn zijn gebracht met de Rijksbrede methodiek.</al>
                  </al-groep>
                  <al>Na het advies van de ATR is de wettelijke grondslag voor het Steunpunt RI&amp;E toegevoegd aan het voorstel. Dit is besproken met de ATR, maar heeft geen aanleiding gegeven tot een aanvullende reactie van het college van de ATR.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Advies Autoriteit Persoonsgegevens</titel>
                  </kop>
                  <al>Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geraadpleegd over het concept. De AP heeft geen aanmerkingen op het concept.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Samenwerkingsverband Lexces, bureau Lexces en TNO</titel>
                  </kop>
                  <al>Na de internetconsultatie is gesproken met het samenwerkingsverband Lexces, het RIVM (bureau Lexces) en TNO over hun reflecties op het wetsvoorstel en de subsidieregeling. Relevant reflecties, zoals over de taken van de penvoerder, de positie van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat bij het RIVM is ondergebracht en de mogelijkheid voor een kennisinstituut als TNO (een ZBO) om deel uit te maken van een samenwerkingsverband dat subsidie wil aanvragen, zijn verwerkt.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>SVB</titel>
                  </kop>
                  <al>De SVB heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd over artikel 9b. Hierop is een overbodig stukje tekst in artikel 9b, derde lid geschrapt.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">19.</nr>
                  <titel>Bekendmaking en inwerkingtreding</titel>
                </kop>
                <al>De wetswijziging wordt bekend gemaakt in het Staatsblad. De bijbehorende subsidieregeling, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie worden gelijktijdig bekend gemaakt in de Staatscourant.</al>
                <al>Op de websites van SZW, de Rijksoverheid en het UVB zal een aankondiging voor belangstellende samenwerkingsverbanden om een subsidieverzoek in te dienen, komen te staan. Bij de bekendmaking in het Staatsblad en de Staatscourant zullen daar linkjes bij worden geplaatst.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">II.</nr>
                <titel>Artikelsgewijs</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel I</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel I, onderdeel A (artikel 1)</titel>
                  </kop>
                  <al>In de Arbeidsomstandighedenregeling staat op dit moment een definitie van het begrip beroepsziekte. Het begrip beroepsziekte komt echter ook voor in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, en heeft daar dezelfde betekenis als de betekenis die in de Arbeidsomstandighedenregeling aan dit begrip wordt gegeven. Aangezien het begrip beroepsziekte ook terugkomt in de nieuwe artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, wordt nu voorgesteld om de definitie van beroepsziekte die in de Arbeidsomstandighedenregeling is opgenomen, te verplaatsen naar de Arbeidsomstandighedenwet. De definitie van beroepsziekte heeft alleen betrekking op het bestaande artikel 9, en op de voorgestelde artikelen 9a en 9b. Om dit te benadrukken wordt het verband tussen deze artikelen in de definitie benoemd. Omdat de definitie hierdoor niet binnen de structuur van artikel 1, eerste lid, past, wordt een nieuw derde lid voorgesteld.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel I, onderdeel B (artikel 5, zevende en achtste lid)</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zevende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit lid wordt de taakomschrijving van het Steunpunt RI&amp;E opgenomen. Hoewel de verplichtingen van artikel 5 zich richten tot de werkgever, kunnen ook werknemers en ZZP’ers gebruik maken van de diensten van het Steunpunt RI&amp;E. Brancheorganisaties kunnen een instrument als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onder b, onder 2, opstellen, de zogenaamde branche RI&amp;E. Om die reden kunnen ook zij ondersteuning van het Steunpunt RI&amp;E vragen. In het zevende lid is ook een delegatiegrondslag voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgenomen om een instelling aan te wijzen die de taken van het Steunpunt RI&amp;E uitvoert.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Achtste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Momenteel wordt het Steunpunt RI&amp;E gefinancierd met een tijdelijke subsidie op grond van de Kaderwet SZW-subsidies. Met het opnemen van een financieringsgrondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is de continuïteit van het Steunpunt RI&amp;E gewaarborgd.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel I, onderdeel C (artikelen 9a en 9b)</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit onderdeel wordt voorgesteld om twee nieuwe artikelen toe te voegen aan de Arbeidsomstandighedenwet.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 9a</titel>
                    </kop>
                    <al>In het eerste lid van het voorgestelde artikel 9a is een bevoegdheid opgenomen voor de minister om subsidie te verstrekken voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Het gaat hierbij om kennisactiviteiten die passen binnen een hoofdlijnennotitie die als bijlage bij de door de minister vastgestelde subsidieregeling wordt gepubliceerd.</al>
                    <al>De subsidie wordt op aanvraag verstrekt. Alleen samenwerkingsverbanden die voldoen aan de eisen in het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet, de daarop gebaseerde subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie, kunnen in aanmerking komen voor subsidie. Zoals volgt uit het voorgestelde zesde lid, is de subsidie gekoppeld aan de hoofdlijnennotitie en kan er per gepubliceerde hoofdlijnennotitie aan slechts één samenwerkingsverband subsidie worden verstrekt.</al>
                    <al>Het tweede lid bepaalt waar een samenwerkingsverband aan moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.</al>
                    <al>Een samenwerkingsverband kan ook uit publiekrechtelijke rechtspersonen of onderdelen daarvan bestaan. Aan deze partijen kan ook subsidie worden verstrekt, met uitzondering van instellingen die een onderdeel zijn van de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat. Dit omdat geldstromen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon geen subsidie zijn.<noot id="n20" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 1993/94, <extref doc="kst-23700-3" soort="document" status="actief">23 700, nr. 3</extref>, p. 37.</noot.al></noot> Gelet hierop, is in het derde lid expliciet bepaald dat als een samenwerkingsverband bestaat uit een of meer instellingen die onderdeel uitmaken van de Staat, alleen subsidie zal worden verstrekt aan de andere instellingen van het samenwerkingsverband. Dit wil overigens niet zeggen dat deze instellingen geen financiering kunnen krijgen voor de kennisactiviteiten die zij als onderdeel van het samenwerkingsverband verrichten. Als een subsidie wordt verleend aan de instellingen van het samenwerkingsverband die geen onderdeel uitmaken van de Staat, dan zal tevens een financiële bijdrage worden verstrekt aan het orgaan of de organen van het samenwerkingsverband die onderdeel uitmaken van de Staat. De verstrekking van deze financiële bijdrage zal plaatsvinden overeenkomstig de (begrotings)regels die hierop van toepassing zijn.</al>
                    <al>In het vierde lid is opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de subsidie voor het kennisprogramma. Het gaat hierbij om onder meer voorschriften over het indienen van een subsidieaanvraag, de bekendmaking van het tijdvak waarin dit kan worden gedaan en de verplichtingen die rusten op de subsidieontvangers. Ook zullen regels moeten worden gesteld over het bedrag van de subsidie, de uitbetaling hiervan, de intrekking en wijziging van een verstrekte subsidie en de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiegelden.</al>
                    <al>In het vierde lid is tevens opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de kennisactiviteiten waar het onderzoeksprogramma op ziet. De omschrijving van de kennisactiviteiten heeft de vorm van een hoofdlijnennotitie die als bijlage bij de ministeriële regeling wordt gevoegd. Dit is geregeld in het vijfde lid. Het vijfde lid bepaalt tevens welke andere onderwerpen ten minste in een hoofdlijnennotitie moeten worden opgenomen. De hoofdlijnennotitie bevat daarnaast een deel van de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald aan welk samenwerkingsverband een subsidie wordt verstrekt. De overige criteria zijn de criteria in het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling die op dit artikel zal zijn gebaseerd.</al>
                    <al>Het zesde lid koppelt de subsidieverstrekking aan een hoofdlijnennotitie: de minister kan per uitgebrachte hoofdlijnennotitie aan slechts één samenwerkingsverband subsidie verstrekken.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 9b</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het eerste lid van het voorgestelde artikel 9b kan de minister een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Wat onder een beroepsziekte moet worden verstaan, volgt uit de begripsbepaling van dit begrip die met dit wetsvoorstel tevens aan de Arbeidsomstandighedenwet zal worden toegevoegd.</al>
                    <al>De bestaande tegemoetkomingsregelen voor beroepsziekten waarvoor de minister verantwoordelijk is, namelijk de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten en de Regeling tegemoetkoming Asbestslachtoffers, zijn gebaseerd op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Dit artikel geeft slechts een grondslag om op tijdelijke basis tegemoetkomingen te verstrekken. Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zullen deze bestaande tegemoetkomingsregelingen in het vervolg berusten op het voorgestelde artikel 9b van de Arbeidsomstandighedenwet, waardoor zij een permanente wettelijke grondslag zullen hebben.</al>
                    <al>Als de minister besluit om voor een of meer beroepsziekten een tegemoetkoming te verstrekken, dan zullen, op grond van het tweede lid, bij ministeriële regeling de kaders hiervoor moeten worden geregeld. Het gaat dan onder meer om een afbakening van de beroepsziekte of -ziekten waarvoor op aanvraag een tegemoetkoming kan worden verstrekt, de begunstigden, het aanvraag- en beoordelingsproces en verplichtingen die op de ontvanger van een tegemoetkoming rusten.</al>
                    <al>Het derde lid geeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen over de vergoeding van kosten die verband houden met de aanvraag van de tegemoetkoming en andere criteria voor de toekenning van de tegemoetkoming. Deze regels vormen een aanvulling op de regels die op grond van het tweede lid moeten worden opgenomen in een ministeriële regeling. In tegenstelling tot het tweede lid gaat het in dit geval om een bevoegdheid tot het stellen van regels. Het stellen van deze regels is niet verplicht. Bij de vergoeding van kosten gaat het met name om kosten die aanvragers van een tegemoetkoming noodzakelijkerwijs moeten maken om aan te tonen dat zij recht op de tegemoetkoming hebben.</al>
                    <al>Bij de uitvoering van de tegemoetkomingsregelingen die op dit artikel zijn en zullen worden gebaseerd, worden onvermijdelijk gegevens over de gezondheid van personen verwerkt. Er kan immers alleen een tegemoetkoming worden verstrekt aan personen die lijden aan een beroepsziekte, wat de verwerking van gegevens om dit vast te kunnen stellen noodzakelijk maakt. Omdat deze gegevens iets zeggen over de gezondheidstoestand van personen, zijn dit bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de AVG en dan meer in het bijzonder gegevens over gezondheid. De verwerking van deze gegevens is op grond van artikel 9, eerste lid, van de AVG verboden, tenzij een van de situaties in het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Met het vierde lid van het voorgestelde artikel 9b, wordt een beroep gedaan op en een invulling gegeven aan de uitzondering in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij de uitvoering van de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen de gezondheidsgegevens kunnen worden verwerkt die nodig zijn voor een goede uitvoering van de tegemoetkomingsregeling. Voor een verdere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 9.4 van dit wetsvoorstel.</al>
                    <al>Met ‘bestuursorganen en instellingen die zijn of mede zijn belast met de uitvoering van een regeling’ in het vierde lid worden alle bestuursorganen en instellingen bedoeld waaraan op grond van een tegemoetkomingsregeling taken of bevoegdheden zijn toegekend die betrekking hebben op de uitvoering van die regeling.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel I, onderdeel D (artikel 45a)</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel bevat de verplichting voor de minister om deze wetswijziging binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet te evalueren.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel II</titel>
                </kop>
                <al>Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zal dit in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027 zodat de overgang van het tijdelijke onderzoeksprogramma Lexces naar een duurzaam kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten goed geborgd is. Door de wet op 1 januari 2027 in werking te laten treden, kan 2027 gebruikt worden voor de subsidietender. Het samenwerkingsverband dat de subsidie krijgt heeft vervolgens tijd om personeel aan te trekken en in 2028 van start te gaan. Op die manier waarborgen we de continuïteit van een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>