﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-23122/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het voorstel van wet, houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet in verband met de introductie van een regeling betreffende deelgezag over minderjarige kinderen door personen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan (Wet deelgezag)</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="datum">19 juni 2026,</context.al>
          <context.al type="kenmerk">Nr. 6548678,</context.al>
          <context.al type="origine">Directie Wetgeving en Juridische Zaken,</context.al>
          <context.al type="origine">Ministerie van Justitie en Veiligheid.</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 18 december 2020, nr. nr. 2020002617, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 maart 2021, nr. W16.20.0490/II, bied ik U, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 18 december 2020, no.2020002617, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet in verband met de introductie van een regeling betreffende deelgezag over minderjarige kinderen door personen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan (Wet deelgezag), met memorie van toelichting.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Minderjarigen staan onder gezag van hun ouder(s) of van een derde persoon. Dit wetsvoorstel introduceert een nieuwe en daaraan ondergeschikte vorm van gezag, namelijk het deelgezag. Naast ouders en voogden zijn er ook anderen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind kunnen staan. Met de voorgestelde introductie van het deelgezag wordt getracht de positie van die personen te verduidelijken. Deelgezag geeft aan de drager ervan rechten en plichten tegenover het kind.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de meerwaarde van het voorstel in het licht van de beperkte betekenis, maar ook het conflictpotentieel ervan dragend te motiveren. Daarnaast is het de vraag is of de rechtsfiguur van het deelgezag zich leent voor de verscheidenheid aan situaties waarvoor het bedoeld is. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting en zo nodig het voorstel aangewezen.</nadruk>
            </al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Voorgeschiedenis</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dit wetsvoorstel is een nieuwe ontwikkeling in een lopende discussie over nieuwe vormen van ouderschap of gezag. In 2012 is bij de kamerbehandeling van het wetsvoorstel juridisch ouderschap vrouwelijke partner van moeder aan de regering gevraagd het fenomeen meeroudergezinnen te onderzoeken, teneinde het resultaat daarvan mee te nemen bij mogelijke nadere aanpassingen van het familierecht.<noot id="n60" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Handelingen II 2012/13, nr. <extref doc="h-tk-20122013-13-18" soort="document" status="actief">13, item 18</extref>.</noot.al></noot> In dit onderzoek zouden onder meer de voor- en nadelen van het toekennen van gezag aan meer dan twee ouders moeten worden geïnventariseerd.<noot id="n61" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken 2012/13, <extref doc="kst-33032-17" soort="document" status="actief">33 032, nr. 17</extref>, p. 1.</noot.al></noot> Bij verdere vragen op dit gebied bij de behandeling van dat wetsvoorstel in de Eerste Kamer is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een staatscommissie toegezegd, die zich onder meer zou moeten richten op meeroudergezinnen en de daarbij rijzende vragen over meerouderschap en meeroudergezag.<noot id="n62" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Handelingen I 2013/14, nr. <extref doc="h-ek-20132014-7-11" soort="document" status="actief">7, item 11</extref>, p. 30–42 en <extref doc="h-ek-20132014-7-14" soort="document" status="actief">item 14</extref>, p. 56–67. Zie ook Kamerstuk <extref doc="kst-33032-G" soort="document" status="actief">33 032 en 33 514 (R1998), G</extref>.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dit alles heeft eerst geleid tot het WODC-rapport Meeroudergezag<noot id="n63" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>M.V. Antokolskaia e.a., <nadruk type="cur">Meeroudergezag. Een oplossing voor kinderen met meer dan twee ouders</nadruk>?, Den Haag: Boom 2014.</noot.al></noot> en verder tot de instelling van de Staatscommissie Herijking ouderschap (hierna: de Staatscommissie) in 2014. Deze kreeg onder meer de taak het kabinet te adviseren over de wenselijkheid van wijziging van het Burgerlijk Wetboek en aanverwante wetten in verband met meerouderschap en meeroudergezag.<noot id="n64" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2014-12556" soort="document" status="actief">Stcrt. 2014, 12556</extref> en Kamerstukken I 2015/16, <extref doc="kst-33032-I" soort="document" status="actief">33 032, I</extref>.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Op 7 december 2016 heeft de Staatscommissie haar rapport Kind en ouders in de 21<sup>e</sup> eeuw uitgebracht. De Staatscommissie merkt daarin op dat het in de huidige maatschappij voorkomt dat een kind wordt verzorgd en opgevoed door meer dan twee personen die samen als waren zij allen ouders met het kind een gezin vormen. Het mogelijk maken dat deze personen ook een juridische ouderschapsband met het kind kunnen vestigen, zou meer zekerheid en stevigheid kunnen bieden aan de band tussen kind en deze personen tijdens het opgroeien, maar ook na de meerderjarigheid.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Waar verschillende personen samen met het kind een gezin vormen, acht de Staatscommissie het in de regel ook wenselijk dat deze personen samen het gezag over het kind uitoefenen, als erkenning van de gelijkwaardige positie van al deze personen ten opzichte van het kind en van elkaar. De Staatscommissie adviseert niet alleen meeroudergezag, maar ook meerouderschap onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. De Staatscommissie beveelt tevens aan de overdracht van onderdelen van het gezag aan pleegouders en stiefouders mogelijk te maken.<noot id="n65" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kind en ouders in de 21<sup>e</sup> eeuw</nadruk>, bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, <extref doc="kst-33836-18" soort="document" status="actief">33 836, nr. 18</extref>, p. 427–34; 444–54</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Bij brief van 12 juli 2019 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn reactie op de aanbevelingen van de Staatscommissie. Daarin vermeldt het kabinet oog te hebben voor het feit dat de manier waarop mensen ouderschap invullen meer divers wordt. Het kabinet erkent dat het een meerwaarde voor een kind kan hebben als verschillende personen samen een kind verzorgen en opvoeden. Niettemin kiest het kabinet momenteel niet voor meerouderschap of volledig meerpersoonsgezag, omdat het wil voorkomen dat een toename van het aantal personen met uitgebreide rechten tot een kind, leidt tot een toename van het aantal conflicten rond dat kind.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Verder heeft een dergelijke regeling verstrekkende gevolgen voor veel regelgevingscomplexen, waaronder gevolgen van financiële aard, en ingrijpende gevolgen voor uitvoeringsinstanties.<noot id="n66" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1 en de Brief aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2020, Kamerstukken II 2019/2020, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref>.</noot.al></noot> Bij dit alles speelt ook een rol dat de opvattingen over dit onderwerp in de samenleving en het kabinet uiteenlopen. In plaats van meerouderschap of volledig meerpersoonsgezag kiest het kabinet daarom voor de – in dit voorstel uitgewerkte – regeling voor deelgezag voor personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging of opvoeding van een kind, maar die nu geen gezag hebben.<noot id="n67" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2018/2019, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>, p. 9–12.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Inhoud van het voorstel</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Met dit wetsvoorstel worden de figuren deelgezag en deelgezagdrager in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geïntroduceerd. Deelgezag kan op twee manieren worden verkregen: zolang het kind nog geen drie maanden oud is door inschrijving in het gezagsregister en na die tijd bij de rechter indien de beoogd deelgezagdrager het kind gedurende ten minste een jaar feitelijk samen met de gezagdragers heeft verzorgd en opgevoed. In beide gevallen geschiedt de verkrijging op gezamenlijk verzoek van de gezagdragers en de beoogd deelgezagdrager,<noot id="n68" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgestelde artikelen 253zc en 253zd van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> en zijn de gevolgen hetzelfde. Deelgezag is een aan gezag ondergeschikte vorm. Waar gezag betrekking heeft op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen,<noot id="n69" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Artikel 245, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> heeft deelgezag slechts betrekking op bepaalde aspecten in verhouding tot de persoon van de minderjarige.<noot id="n70" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 253z, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De deelgezagdrager neemt gezamenlijk met de gezagdrager beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind.<noot id="n71" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Artikel I, onderdeel A van het wetsvoorstel en ook voorgesteld artikel 253z, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Hierbij valt te denken aan beslissingen over maaltijden, bedtijden, sportactiviteiten, speelafspraken, grenzen stellen, correcties en wat zo meer. Een uitputtende opsomming van wat de dagelijkse verzorging en opvoeding behelst kan niet worden gegeven, nu dit per opvoeder kan verschillen.<noot id="n72" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> Gezagdragers en deelgezagdragers zullen dan ook goede afspraken moeten maken over waar de grenzen liggen, aldus de toelichting.<noot id="n73" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel 253z, derde lid.</noot.al></noot> Wel is duidelijk wat niet onder de beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding zal vallen; beslissingen over zaken waarbij op grond van de wet de instemming van de ouder met gezag of de voogd nodig is of beslissingen over zaken die alleen door de wettelijke vertegenwoordiger genomen kunnen worden. Deze beslissingen blijven de verantwoordelijkheid van de gezagdragers en vallen derhalve niet onder de dagelijkse beslissingen.<noot id="n74" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Naast de in gezamenlijkheid uit te oefenen beslissingsbevoegdheid over het alledaagse, bevat het voorstel vier rechten voor de deelgezagdrager:</nadruk>
              </al>
              <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Informatie- en consultatierecht: met dit voorstel krijgt de deelgezagdrager het recht om geïnformeerd en geconsulteerd te worden over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind, ook tegenover derden die beroepshalve over zulke informatie beschikken, zoals leerkrachten of artsen.<noot id="n75" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Artikel I, onderdelen L en M van het wetsvoorstel.</noot.al></noot></nadruk>
                  </al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Omgangsrecht: het recht op omgang dat de deelgezagdrager – als persoon die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het minderjarige kind staat – reeds verondersteld wordt te hebben,<noot id="n76" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> wordt geëxpliciteerd.<noot id="n77" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Onderdeel K van het wetsvoorstel en ook voorgesteld artikel 253z, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></nadruk>
                  </al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Blokkaderecht; voorgesteld wordt dat de gezagdragers de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager slechts met toestemming van de deelgezagdrager kunnen wijzigen.<noot id="n78" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 253zb, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Dit blokkaderecht waarborgt voor het kind dat de deelgezagdrager niet zomaar ‘buiten spel kan worden gezet door de gezagdragers’.<noot id="n79" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot></nadruk>
                  </al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Voorkeurspositie bij overlijden gezagdrager(s): bij het overlijden van de alleen met gezag belaste ouder heeft de overlevende ouder momenteel een voorkeurspositie om met het gezag te worden belast.<noot id="n80" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Artikel 253g, eerste en derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Voorgesteld wordt om de deelgezagdrager ook zo’n voorkeurspositie te geven en in dezelfde mate als de overlevende ouder.<noot id="n81" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel I, onderdelen E en F.</noot.al></noot></nadruk>
                  </al>
                </li>
              </lijst>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Meerwaarde en conflictpotentieel</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het is duidelijk dat meerouderschap en meeroudergezag complexe en deels hoogstpersoonlijke onderwerpen betreft, zoals het kabinet dat zelf ook opmerkt.<noot id="n82" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2018/19, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>, p. 3.</noot.al></noot> Er wordt over deze onderwerpen nogal verschillend gedacht. Wat hier wordt voorgesteld, lijkt een compromis te zijn tussen die verschillende opvattingen. Gesteld wordt dat hiermee op een evenwichtige manier tegemoet wordt gekomen aan de wens van feitelijke mee-opvoeders, maar zonder onevenredige gevolgen voor wet- en regelgeving, en de uitvoering daarvan.<noot id="n83" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.</noot.al></noot> Dat laatste nadeel van het meer ingrijpende meerouderschap of meeroudergezag doet zich bij deelgezag inderdaad niet voor.<noot id="n84" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Zie daarover uitgebreid Kamerstukken II 2021/21, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref>.</noot.al></noot> De vraag is echter wat de werkelijke betekenis van het wetsvoorstel is in het licht van het conflictpotentieel daarvan en bezien vanuit het belang van het kind. De Afdeling merkt in dat kader het volgende op.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In algemene zin zijn de voordelen van het voorgestelde deelgezag een zekere erkenning van de positie van feitelijke mee-opvoeders, stiefouders, pleegouders of andere betrokkenen, alsook enige verduidelijking van hun positie tegenover anderen.<noot id="n85" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.</noot.al></noot> De (rechts)positie van degene die samen met de ouder(s) voor het kind zorgt lijkt te worden verstevigd, maar het is van belang nader te beschouwen wat die versteviging inhoudt.</nadruk>
            </al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Dagelijkse verzorging en opvoeding</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De kern van het deelgezag, het in gezamenlijkheid met de gezagdragers beslissen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind, is ten principale een beschrijving van een feitelijke gang van zaken en geen voorschrijving daarvan, zeker nu de concrete invulling daarvan aan de betrokkenen wordt overgelaten. Pleeg- en stiefouders zouden juist meer beslissingsbevoegdheden willen hebben, bijvoorbeeld om voor het kind zelf een paspoort te kunnen aanvragen.<noot id="n86" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Regioplan, <nadruk type="cur">Pleegouders over gezag en adoptie. Samenvatting en conclusies.</nadruk> Den Haag: WODC 2015, p. 4.</noot.al></noot> Zulke bevoegdheden biedt het deelgezag echter niet.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Specifieke rechten</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het omgangsrecht is geen nieuw recht, maar een explicitering van een recht dat de persoon met deelgezag reeds heeft (zie punt 1b). Naast het recht op omgang is er tegenover het kind ook een plicht tot omgang.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het blokkaderecht is een afweerrecht dat alleen aan de orde komt, als de gezagdragers het deelgezag niet respecteren. De gezagdragers willen bijvoorbeeld naar de andere kant van het land verhuizen vanwege een baanwisseling, waardoor het deelgezag uitgehold wordt vanwege de te overbruggen afstand. Inroepen van dit recht leidt tot onverkwikkelijke procedures ten overstaan van de rechter. Zij zijn maar al te bekend uit de scheidingspraktijk in het geval een van de ouders wenst te verhuizen en de andere ouder daardoor in zijn rechten ten aanzien van het kind wordt beperkt.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het recht op informatie- en consultatie komt pas naar voren als er geen informatie wordt verschaft en er geen raadpleging plaatsvindt. De vraag rijst of procedures hierover de belangen van het kind dienen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De bijzondere positie na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, is van belang als de gezagsouder voor het overlijden (bij testament) een derde heeft voorgesteld als voogd en die derde na overlijden de voogdij aanvaardt. Dan zal de deelgezagdrager zich tot de rechter moeten wenden met het verzoek te beslissen wie het gezag over het kind zal uitoefenen en wie daarmee onder andere de verblijfplaats van het kind zal bepalen. ‘Als zowel de juridische ouder zonder gezag als de deelgezagdrager met het gezag belast willen worden, zal de rechter moeten afwegen wat het meest in het belang van het kind is’, aldus de toelichting.<noot id="n87" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel I, onderdelen E en F.</noot.al></noot> Dat laatste betekent concreet dat drie partijen een gelijk recht hebben en hierover in rechte kunnen strijden vlak nadat één van de ouders van het kind is overleden. Dat betreft buitengewoon gevoelige zaken en het is zeer de vraag in wiens belang dit is.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De specifieke rechten bieden de deelgezagdrager concreet een bepaalde positie en kunnen in dat opzicht hun schaduw vooruit werpen, maar de realisering van die rechten vindt steeds plaats in conflictsituaties die hun weerslag hebben op het kind om wie het allemaal draait. Dat betekent niet dat die rechten niet toegekend zouden kunnen worden, maar wel dat de nadelen ervan, in het bijzonder voor het kind, zeer serieus afgewogen moeten worden.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Weliswaar heeft de regering in de toelichting in algemene zin aandacht besteed aan het verminderen van het conflictpotentieel van het wetsvoorstel, maar dat neemt niet weg dat, als maar al te bekend uit de huidige scheidingspraktijk, de rechten waarom het hier gaat, tot forse conflicten aanleiding kunnen geven die het welzijn van het kind niet dienen.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Conclusie</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>
                  <nadruk type="cur">Het voorgaande doet de vraag rijzen in hoeverre de toekenning van deelgezag, zoals nu vormgegeven, van voldoende betekenis is om de erkenning van de positie van de mee-opvoeder voldoende inhoud te geven. Worden mee-opvoeders blij gemaakt met ‘een dooie mus’ en met specifieke rechten die vooral betekenis krijgen als men er onderling niet uitkomt of krijgt hun positie werkelijk invulling?</nadruk>
                </al>
                <al>
                  <nadruk type="cur">De Afdeling begrijpt goed dat volledig meeroudergezag, mede gelet op de vérstrekkende gevolgen die dit in meer dan één opzicht heeft, te ver gaat, maar het nu voorgestelde deelgezag is zo beperkt dat de vraag rijst of deze regeling ertoe zal doen. Bij realisering van de bijzondere rechten die samenhangen met het deelgezag rijst de vraag of de conflicten die er dan zijn, de belangen van het kind dienen. Bij de meerwaarde ervan kunnen dan ook vraagtekens worden gezet.</nadruk>
                </al>
              </al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert de meerwaarde van de voorgestelde regeling van het deelgezag, gelet op de beperkte betekenis, maar ook het conflictpotentieel, in het licht van het voorgaande dragend te motiveren.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Verschillende situaties</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het deelgezag is bedoeld voor een verscheidenheid aan situaties. Het kan gaan om pleegouders, maar ook om stiefouders, en ook bijvoorbeeld om de situatie dat het kind door twee moeders wordt verzorgd en opgevoed waarbij ook de donor betrokken is. Maar het deelgezag kan ook zien op de grootmoeder die het kind van haar dochter en diens partner mede verzorgt en opvoedt.<noot id="n88" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> De vraag is of al die situaties zich lenen voor één rechtsfiguur. Pleegouders die langdurig de zorg voor een pleegkind hebben, bevinden zich in een bepaald andere situatie dan de donor die weliswaar betrokken kan zijn bij de verzorging en opvoeding, maar dat niet ‘fulltime’ doet. De vraag rijst dan ook of een vorm van deelgezag die meer variaties in bevoegdheden kent, is overwogen en zo nee, of zo’n vorm niet wenselijk zou zijn. Dan kunnen aan pleegouders onder omstandigheden bevoegdheden toekomen tot beslissing over geneeskundige behandeling of bijvoorbeeld tot het aanvragen van een paspoort, bevoegdheden die in andere situaties minder voor de hand liggen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.</nadruk>
            </al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De vice-president van de Raad van State</nadruk>
            </al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.20.0490/II</titel>
              </kop>
              <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">In artikel III ‘drie jaar’ vervangen door ‘vijf jaar’ en tevens aandacht besteden aan de evaluatie (zie ook Aanwijzing 4.43, onderdeel k, en 5.58 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving).</nadruk>
                  </al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">In artikel IV ‘, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld’ schrappen (zie ook Aanwijzing 4.21, onderdeel 1 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving).</nadruk>
                  </al>
                </li>
              </lijst>
            </divisie>
            <al>In de kern stelt het advies van de Afdeling advisering de vraag of de toekenning van deelgezag van voldoende betekenis is om de erkenning van de betrokkenen voldoende inhoud te geven. Een nadere weging van deze materie, mede op basis van de consultatie van een deel van de beoogde doelgroep voor deelgezag,<noot id="n89" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 2023/24, <extref doc="kst-33836-85" soort="document" status="actief">33 836, nr. 85</extref>, bijlage M. Gehem &amp; D. van den Berg, Waarden en wensen bij een wetswijziging meerouderschap en -gezag. Een verslag van gesprekken over wat er op het spel staat voor meeroudergezinnen en professionals, De ArgumentenFabriek 2023.</noot.al></noot> leidt mij tot de conclusie dat dit niet het geval is. Voortzetting van dit wetsvoorstel acht ik dan ook niet opportuun.<noot id="n90" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 2024/25, <extref doc="kst-33836-104" soort="document" status="actief">33 836, nr. 104</extref>.</noot.al></noot></al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Daartoe gemachtigd door de ministerraad geef ik U, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overweging het hierbij gevoegde voorstel van wet niet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</functie>
            <naam>
              <voornaam>K.T. van</voornaam>
              <achternaam>Bruggen.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No.W16.20.0490/II</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 10 maart 2021</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 18 december 2020, no.2020002617, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet in verband met de introductie van een regeling betreffende deelgezag over minderjarige kinderen door personen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan (Wet deelgezag), met memorie van toelichting.</al>
            <al>Minderjarigen staan onder gezag van hun ouder(s) of van een derde persoon. Dit wetsvoorstel introduceert een nieuwe en daaraan ondergeschikte vorm van gezag, namelijk het deelgezag. Naast ouders en voogden zijn er ook anderen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind kunnen staan. Met de voorgestelde introductie van het deelgezag wordt getracht de positie van die personen te verduidelijken. Deelgezag geeft aan de drager ervan rechten en plichten tegenover het kind.</al>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de meerwaarde van het voorstel in het licht van de beperkte betekenis, maar ook het conflictpotentieel ervan dragend te motiveren. Daarnaast is het de vraag is of de rechtsfiguur van het deelgezag zich leent voor de verscheidenheid aan situaties waarvoor het bedoeld is. In verband daarmee is aanpassing van de toelichting en zo nodig het voorstel aangewezen.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Voorgeschiedenis</titel>
              </kop>
              <al>Dit wetsvoorstel is een nieuwe ontwikkeling in een lopende discussie over nieuwe vormen van ouderschap of gezag. In 2012 is bij de kamerbehandeling van het wetsvoorstel juridisch ouderschap vrouwelijke partner van moeder aan de regering gevraagd het fenomeen meeroudergezinnen te onderzoeken, teneinde het resultaat daarvan mee te nemen bij mogelijke nadere aanpassingen van het familierecht.<noot id="n31" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Handelingen II 2012/13, nr. <extref doc="h-tk-20122013-13-18" soort="document" status="actief">13, item 18</extref>.</noot.al></noot> In dit onderzoek zouden onder meer de voor- en nadelen van het toekennen van gezag aan meer dan twee ouders moeten worden geïnventariseerd.<noot id="n32" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken 2012/13, <extref doc="kst-33032-17" soort="document" status="actief">33 032, nr. 17</extref>, p. 1.</noot.al></noot> Bij verdere vragen op dit gebied bij de behandeling van dat wetsvoorstel in de Eerste Kamer is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een staatscommissie toegezegd, die zich onder meer zou moeten richten op meeroudergezinnen en de daarbij rijzende vragen over meerouderschap en meeroudergezag.<noot id="n33" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Handelingen I 2013/14, nr. <extref doc="h-ek-20132014-7-11" soort="document" status="actief">7, item 11</extref>, p. 30–42 en <extref doc="h-ek-20132014-7-14" soort="document" status="actief">item 14</extref>, p. 56–67. Zie ook Kamerstuk <extref doc="kst-33032-G" soort="document" status="actief">33 032 en 33 514 (R1998), G</extref>.</noot.al></noot></al>
              <al>Dit alles heeft eerst geleid tot het WODC-rapport <nadruk type="cur">Meeroudergezag</nadruk><noot id="n34" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>M.V. Antokolskaia e.a., <nadruk type="cur">Meeroudergezag. Een oplossing voor kinderen met meer dan twee ouders</nadruk>?, Den Haag: Boom 2014.</noot.al></noot> en verder tot de instelling van de Staatscommissie Herijking ouderschap (hierna: de Staatscommissie) in 2014. Deze kreeg onder meer de taak het kabinet te adviseren over de wenselijkheid van wijziging van het Burgerlijk Wetboek en aanverwante wetten in verband met meerouderschap en meeroudergezag.<noot id="n35" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2014-12556" soort="document" status="actief">Stcrt. 2014, 12556</extref> en Kamerstukken I 2015/16, <extref doc="kst-33032-I" soort="document" status="actief">33 032, I</extref>.</noot.al></noot></al>
              <al>Op 7 december 2016 heeft de Staatscommissie haar rapport <nadruk type="cur">Kind en ouders in de 21<sup>e</sup> eeuw</nadruk> uitgebracht. De Staatscommissie merkt daarin op dat het in de huidige maatschappij voorkomt dat een kind wordt verzorgd en opgevoed door meer dan twee personen die samen als waren zij allen ouders met het kind een gezin vormen. Het mogelijk maken dat deze personen ook een juridische ouderschapsband met het kind kunnen vestigen, zou meer zekerheid en stevigheid kunnen bieden aan de band tussen kind en deze personen tijdens het opgroeien, maar ook na de meerderjarigheid.</al>
              <al>Waar verschillende personen samen met het kind een gezin vormen, acht de Staatscommissie het in de regel ook wenselijk dat deze personen samen het gezag over het kind uitoefenen, als erkenning van de gelijkwaardige positie van al deze personen ten opzichte van het kind en van elkaar. De Staatscommissie adviseert niet alleen meeroudergezag, maar ook meerouderschap onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. De Staatscommissie beveelt tevens aan de overdracht van onderdelen van het gezag aan pleegouders en stiefouders mogelijk te maken.<noot id="n36" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kind en ouders in de 21<sup>e</sup> eeuw</nadruk>, bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, <extref doc="kst-33836-18" soort="document" status="actief">33 836, nr. 18</extref>, p. 427–34; 444–54</noot.al></noot></al>
              <al>Bij brief van 12 juli 2019 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn reactie op de aanbevelingen van de Staatscommissie. Daarin vermeldt het kabinet oog te hebben voor het feit dat de manier waarop mensen ouderschap invullen meer divers wordt. Het kabinet erkent dat het een meerwaarde voor een kind kan hebben als verschillende personen samen een kind verzorgen en opvoeden. Niettemin kiest het kabinet momenteel niet voor meerouderschap of volledig meerpersoonsgezag, omdat het wil voorkomen dat een toename van het aantal personen met uitgebreide rechten tot een kind, leidt tot een toename van het aantal conflicten rond dat kind.</al>
              <al>Verder heeft een dergelijke regeling verstrekkende gevolgen voor veel regelgevingscomplexen, waaronder gevolgen van financiële aard, en ingrijpende gevolgen voor uitvoeringsinstanties.<noot id="n37" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1 en de Brief aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2020, Kamerstukken II 2019/2020, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref>.</noot.al></noot> Bij dit alles speelt ook een rol dat de opvattingen over dit onderwerp in de samenleving en het kabinet uiteenlopen. In plaats van meerouderschap of volledig meerpersoonsgezag kiest het kabinet daarom voor de – in dit voorstel uitgewerkte – regeling voor deelgezag voor personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging of opvoeding van een kind, maar die nu geen gezag hebben.<noot id="n38" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2018/2019, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>, p. 9–12.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Inhoud van het voorstel</titel>
              </kop>
              <al>Met dit wetsvoorstel worden de figuren deelgezag en deelgezagdrager in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek geïntroduceerd. Deelgezag kan op twee manieren worden verkregen: zolang het kind nog geen drie maanden oud is door inschrijving in het gezagsregister en na die tijd bij de rechter indien de beoogd deelgezagdrager het kind gedurende ten minste een jaar feitelijk samen met de gezagdragers heeft verzorgd en opgevoed. In beide gevallen geschiedt de verkrijging op gezamenlijk verzoek van de gezagdragers en de beoogd deelgezagdrager,<noot id="n39" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgestelde artikelen 253zc en 253zd van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> en zijn de gevolgen hetzelfde. Deelgezag is een aan gezag ondergeschikte vorm. Waar gezag betrekking heeft op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen,<noot id="n40" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Artikel 245, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> heeft deelgezag slechts betrekking op bepaalde aspecten in verhouding tot de persoon van de minderjarige.<noot id="n41" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 253z, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></al>
              <al>De deelgezagdrager neemt gezamenlijk met de gezagdrager beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind.<noot id="n42" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Artikel I, onderdeel A van het wetsvoorstel en ook voorgesteld artikel 253z, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Hierbij valt te denken aan beslissingen over maaltijden, bedtijden, sportactiviteiten, speelafspraken, grenzen stellen, correcties en wat zo meer. Een uitputtende opsomming van wat de dagelijkse verzorging en opvoeding behelst kan niet worden gegeven, nu dit per opvoeder kan verschillen.<noot id="n43" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> Gezagdragers en deelgezagdragers zullen dan ook goede afspraken moeten maken over waar de grenzen liggen, aldus de toelichting.<noot id="n44" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel 253z, derde lid.</noot.al></noot> Wel is duidelijk wat niet onder de beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding zal vallen; beslissingen over zaken waarbij op grond van de wet de instemming van de ouder met gezag of de voogd nodig is of beslissingen over zaken die alleen door de wettelijke vertegenwoordiger genomen kunnen worden. Deze beslissingen blijven de verantwoordelijkheid van de gezagdragers en vallen derhalve niet onder de dagelijkse beslissingen.<noot id="n45" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot></al>
              <al>Naast de in gezamenlijkheid uit te oefenen beslissingsbevoegdheid over het alledaagse, bevat het voorstel vier rechten voor de deelgezagdrager:</al>
              <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Informatie- en consultatierecht:</nadruk> met dit voorstel krijgt de deelgezagdrager het recht om geïnformeerd en geconsulteerd te worden over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind, ook tegenover derden die beroepshalve over zulke informatie beschikken, zoals leerkrachten of artsen.<noot id="n46" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Artikel I, onderdelen L en M van het wetsvoorstel.</noot.al></noot></al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Omgangsrecht:</nadruk> het recht op omgang dat de deelgezagdrager – als persoon die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het minderjarige kind staat – reeds verondersteld wordt te hebben,<noot id="n47" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> wordt geëxpliciteerd.<noot id="n48" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Onderdeel K van het wetsvoorstel en ook voorgesteld artikel 253z, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Blokkaderecht;</nadruk> voorgesteld wordt dat de gezagdragers de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager slechts met toestemming van de deelgezagdrager kunnen wijzigen.<noot id="n49" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 253zb, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Dit blokkaderecht waarborgt voor het kind dat de deelgezagdrager niet zomaar ‘buiten spel kan worden gezet door de gezagdragers’.<noot id="n50" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot></al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Voorkeurspositie bij overlijden gezagdrager(s):</nadruk> bij het overlijden van de alleen met gezag belaste ouder heeft de overlevende ouder momenteel een voorkeurspositie om met het gezag te worden belast.<noot id="n51" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Artikel 253g, eerste en derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Voorgesteld wordt om de deelgezagdrager ook zo’n voorkeurspositie te geven en in dezelfde mate als de overlevende ouder.<noot id="n52" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel I, onderdelen E en F.</noot.al></noot></al>
                </li>
              </lijst>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Meerwaarde en conflictpotentieel</titel>
            </kop>
            <al>Het is duidelijk dat meerouderschap en meeroudergezag complexe en deels hoogstpersoonlijke onderwerpen betreft, zoals het kabinet dat zelf ook opmerkt.<noot id="n53" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2018/19, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>, p. 3.</noot.al></noot> Er wordt over deze onderwerpen nogal verschillend gedacht. Wat hier wordt voorgesteld, lijkt een compromis te zijn tussen die verschillende opvattingen. Gesteld wordt dat hiermee op een evenwichtige manier tegemoet wordt gekomen aan de wens van feitelijke mee-opvoeders, maar zonder onevenredige gevolgen voor wet- en regelgeving, en de uitvoering daarvan.<noot id="n54" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.</noot.al></noot> Dat laatste nadeel van het meer ingrijpende meerouderschap of meeroudergezag doet zich bij deelgezag inderdaad niet voor.<noot id="n55" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Zie daarover uitgebreid Kamerstukken II 2021/21, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref>.</noot.al></noot> De vraag is echter wat de werkelijke betekenis van het wetsvoorstel is in het licht van het conflictpotentieel daarvan en bezien vanuit het belang van het kind. De Afdeling merkt in dat kader het volgende op.</al>
            <al>In algemene zin zijn de voordelen van het voorgestelde deelgezag een zekere erkenning van de positie van feitelijke mee-opvoeders, stiefouders, pleegouders of andere betrokkenen, alsook enige verduidelijking van hun positie tegenover anderen.<noot id="n56" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.1.</noot.al></noot> De (rechts)positie van degene die samen met de ouder(s) voor het kind zorgt lijkt te worden verstevigd, maar het is van belang nader te beschouwen wat die versteviging inhoudt.</al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Dagelijkse verzorging en opvoeding</titel>
              </kop>
              <al>De kern van het deelgezag, het in gezamenlijkheid met de gezagdragers beslissen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind, is ten principale een beschrijving van een feitelijke gang van zaken en geen voorschrijving daarvan, zeker nu de concrete invulling daarvan aan de betrokkenen wordt overgelaten. Pleeg- en stiefouders zouden juist meer beslissingsbevoegdheden willen hebben, bijvoorbeeld om voor het kind zelf een paspoort te kunnen aanvragen.<noot id="n57" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Regioplan, <nadruk type="cur">Pleegouders over gezag en adoptie. Samenvatting en conclusies.</nadruk> Den Haag: WODC 2015, p. 4.</noot.al></noot> Zulke bevoegdheden biedt het deelgezag echter niet.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Specifieke rechten</titel>
              </kop>
              <al>Het omgangsrecht is geen nieuw recht, maar een explicitering van een recht dat de persoon met deelgezag reeds heeft (zie punt 1b). Naast het recht op omgang is er tegenover het kind ook een plicht tot omgang.</al>
              <al>Het blokkaderecht is een afweerrecht dat alleen aan de orde komt, als de gezagdragers het deelgezag niet respecteren. De gezagdragers willen bijvoorbeeld naar de andere kant van het land verhuizen vanwege een baanwisseling, waardoor het deelgezag uitgehold wordt vanwege de te overbruggen afstand. Inroepen van dit recht leidt tot onverkwikkelijke procedures ten overstaan van de rechter. Zij zijn maar al te bekend uit de scheidingspraktijk in het geval een van de ouders wenst te verhuizen en de andere ouder daardoor in zijn rechten ten aanzien van het kind wordt beperkt.</al>
              <al>Het recht op informatie- en consultatie komt pas naar voren als er geen informatie wordt verschaft en er geen raadpleging plaatsvindt. De vraag rijst of procedures hierover de belangen van het kind dienen.</al>
              <al>De bijzondere positie na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, is van belang als de gezagsouder voor het overlijden (bij testament) een derde heeft voorgesteld als voogd en die derde na overlijden de voogdij aanvaardt. Dan zal de deelgezagdrager zich tot de rechter moeten wenden met het verzoek te beslissen wie het gezag over het kind zal uitoefenen en wie daarmee onder andere de verblijfplaats van het kind zal bepalen. ‘Als zowel de juridische ouder zonder gezag als de deelgezagdrager met het gezag belast willen worden, zal de rechter moeten afwegen wat het meest in het belang van het kind is’, aldus de toelichting.<noot id="n58" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Toelichting, artikelsgewijs, artikel I, onderdelen E en F.</noot.al></noot> Dat laatste betekent concreet dat drie partijen een gelijk recht hebben en hierover in rechte kunnen strijden vlak nadat één van de ouders van het kind is overleden. Dat betreft buitengewoon gevoelige zaken en het is zeer de vraag in wiens belang dit is.</al>
              <al>De specifieke rechten bieden de deelgezagdrager concreet een bepaalde positie en kunnen in dat opzicht hun schaduw vooruit werpen, maar de realisering van die rechten vindt steeds plaats in conflictsituaties die hun weerslag hebben op het kind om wie het allemaal draait. Dat betekent niet dat die rechten niet toegekend zouden kunnen worden, maar wel dat de nadelen ervan, in het bijzonder voor het kind, zeer serieus afgewogen moeten worden.</al>
              <al>Weliswaar heeft de regering in de toelichting in algemene zin aandacht besteed aan het verminderen van het conflictpotentieel van het wetsvoorstel, maar dat neemt niet weg dat, als maar al te bekend uit de huidige scheidingspraktijk, de rechten waarom het hier gaat, tot forse conflicten aanleiding kunnen geven die het welzijn van het kind niet dienen.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>Conclusie</titel>
              </kop>
              <al-groep>
                <al>Het voorgaande doet de vraag rijzen in hoeverre de toekenning van deelgezag, zoals nu vormgegeven, van voldoende betekenis is om de erkenning van de positie van de mee-opvoeder voldoende inhoud te geven. Worden mee-opvoeders blij gemaakt met ‘een dooie mus’ en met specifieke rechten die vooral betekenis krijgen als men er onderling niet uitkomt of krijgt hun positie werkelijk invulling?</al>
                <al>De Afdeling begrijpt goed dat volledig meeroudergezag, mede gelet op de vérstrekkende gevolgen die dit in meer dan één opzicht heeft, te ver gaat, maar het nu voorgestelde deelgezag is zo beperkt dat de vraag rijst of deze regeling ertoe zal doen. Bij realisering van de bijzondere rechten die samenhangen met het deelgezag rijst de vraag of de conflicten die er dan zijn, de belangen van het kind dienen. Bij de meerwaarde ervan kunnen dan ook vraagtekens worden gezet.</al>
              </al-groep>
              <al>De Afdeling adviseert de meerwaarde van de voorgestelde regeling van het deelgezag, gelet op de beperkte betekenis, maar ook het conflictpotentieel, in het licht van het voorgaande dragend te motiveren.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Verschillende situaties</titel>
            </kop>
            <al>Het deelgezag is bedoeld voor een verscheidenheid aan situaties. Het kan gaan om pleegouders, maar ook om stiefouders, en ook bijvoorbeeld om de situatie dat het kind door twee moeders wordt verzorgd en opgevoed waarbij ook de donor betrokken is. Maar het deelgezag kan ook zien op de grootmoeder die het kind van haar dochter en diens partner mede verzorgt en opvoedt.<noot id="n59" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Toelichting, algemeen deel, paragraaf 3.3.</noot.al></noot> De vraag is of al die situaties zich lenen voor één rechtsfiguur. Pleegouders die langdurig de zorg voor een pleegkind hebben, bevinden zich in een bepaald andere situatie dan de donor die weliswaar betrokken kan zijn bij de verzorging en opvoeding, maar dat niet ‘fulltime’ doet. De vraag rijst dan ook of een vorm van deelgezag die meer variaties in bevoegdheden kent, is overwogen en zo nee, of zo’n vorm niet wenselijk zou zijn. Dan kunnen aan pleegouders onder omstandigheden bevoegdheden toekomen tot beslissing over geneeskundige behandeling of bijvoorbeeld tot het aanvragen van een paspoort, bevoegdheden die in andere situaties minder voor de hand liggen.</al>
            <al>De Afdeling adviseert in de toelichting op het voorgaande in te gaan en het voorstel zo nodig aan te passen.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.</titel>
            </kop>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C. de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
        <bijlage status="goed">
          <kop>
            <titel>Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.20.0490/II</titel>
          </kop>
          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>In artikel III ‘drie jaar’ vervangen door ‘vijf jaar’ en tevens aandacht besteden aan de evaluatie (zie ook Aanwijzing 4.43, onderdeel k, en 5.58 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving).</al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>In artikel IV ‘, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld’ schrappen (zie ook Aanwijzing 4.21, onderdeel 1 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving).</al>
            </li>
          </lijst>
        </bijlage>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Jeugdwet in verband met de introductie van een regeling betreffende deelgezag over minderjarige kinderen door personen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan (Wet deelgezag)</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:</considerans.al>
              <considerans.al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een vorm van deelgezag over minderjarige kinderen de relatie van het kind met andere verzorgenden dan de ouders of voogden beschermt;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">I</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                <wat>Aan artikel 245 wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>Onder deelgezagdrager wordt verstaan de persoon, bedoeld in artikel 253z, die gezamenlijk met de gezagdragers beslissingen neemt over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                <wat>In artikel 247, derde lid, wordt na ‘andere ouder’ ingevoegd ‘en de deelgezagdragers’.</wat>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                <wat>In artikel 248 wordt na ‘voogd’ ingevoegd ‘, de deelgezagdrager’.</wat>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                <wat>In artikel 249 wordt na ‘voogd’ ingevoegd ‘en de deelgezagdrager’.</wat>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">E</lidnr>
                <wat>Artikel 253g wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘, de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het tweede lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘, de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>In het derde lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘of een deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">F</lidnr>
                <wat>Artikel 253h wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager,’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het tweede lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>In het derde lid wordt na ‘de overlevende ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">G</lidnr>
                <wat>Artikel 253q wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het derde lid wordt na ‘de andere ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het vierde lid wordt na ‘ouder,’ ingevoegd ‘deelgezagdrager,’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">H</lidnr>
                <wat>Aan artikel 253t wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>Na het overlijden van de ouder zonder gezag, is voor de ouder en de deelgezagdrager die een gezamenlijk verzoek doen als bedoeld in het eerste lid, het tweede lid, onderdeel b, niet van toepassing.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">I</lidnr>
                <wat>Na afdeling 3A. wordt een afdeling ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <wijzig-divisie opmaak="default" soort="afdeling">
                    <kop>
                      <label>AFDELING</label>
                      <nr status="officieel">3AA.</nr>
                      <titel>DEELGEZAG</titel>
                    </kop>
                    <wijzig-divisie opmaak="default" soort="paragraaf">
                      <kop>
                        <label>PARAGRAAF</label>
                        <nr status="officieel">1.</nr>
                        <titel>ALGEMEEN</titel>
                      </kop>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253z</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>Deelgezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>Het kind heeft recht op mede verzorging en opvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>Deelgezag omvat de bevoegdheid tot het, gezamenlijk met de gezagdragers, nemen van beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                          <al>De deelgezagdrager oefent zijn bevoegdheden uit mede in het belang van het bevorderen van de ontwikkeling van de banden van het kind met de ouders en andere deelgezagdrager.</al>
                        </lid>
                      </artikel>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253za</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>Onbevoegd tot het deelgezag zijn:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>a.</li.nr>
                              <al>minderjarigen;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>b.</li.nr>
                              <al>zij die onder curatele zijn gesteld;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>c.</li.nr>
                              <al>zij van wie geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het deelgezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>Indien de deelgezagdrager op een van de in het vorige lid genoemde gronden onbevoegd is, herleeft van rechtswege het deelgezag wanneer de grond voor onbevoegdheid is weggevallen.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>De tot het gezag bevoegde ouder van het kind kan niet worden belast met deelgezag. Hetzelfde geldt voor elke andere persoon die met het gezag over het kind is belast.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                          <al>Deelgezag staat niet open voor rechtspersonen.</al>
                        </lid>
                      </artikel>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253zb</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>De gezagdragers kunnen de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager slechts met toestemming van de deelgezagdrager wijzigen.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>In geval de volgens het eerste lid vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan de rechtbank op verzoek van de gezagdragers met toepassing van artikel 377a een wijziging van de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager vaststellen.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>De rechtbank behandelt het verzoek binnen zes weken.</al>
                        </lid>
                      </artikel>
                    </wijzig-divisie>
                    <wijzig-divisie opmaak="default" soort="paragraaf">
                      <kop>
                        <label>PARAGRAAF</label>
                        <nr status="officieel">2.</nr>
                        <titel>VERKRIJGING VAN HET DEELGEZAG</titel>
                      </kop>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253zc</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>Het deelgezag ontstaat door aantekening in het register, bedoeld in artikel 244, op gezamenlijk verzoek van de gezagdragers en de beoogd deelgezagdrager.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>De aantekening wordt door de griffier geweigerd indien op het tijdstip van het verzoek:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>a.</li.nr>
                              <al>het kind ouder is dan drie maanden;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>b.</li.nr>
                              <al>de beoogd deelgezagdrager onbevoegd is tot het uitoefenen van het deelgezag;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>c.</li.nr>
                              <al>er al twee deelgezagdragers zijn;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>d.</li.nr>
                              <al>de beoogd deelgezagdrager de ouder zonder gezag van het kind is als bedoeld in artikel 253za, derde lid;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>e.</li.nr>
                              <al>de beoogd deelgezagdrager reeds is belast met het gezag over het kind als bedoeld in artikel 253za, derde lid; of</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>f.</li.nr>
                              <al>de instemming van de ouder zonder gezag ontbreekt.</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>Tegen de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van de gezagdragers of de beoogd deelgezagdrager anders dan wegens minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechtbank worden verzocht de aantekening te gelasten.</al>
                        </lid>
                      </artikel>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253zd</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>Op gezamenlijk verzoek van de gezagdragers en de beoogd deelgezagdrager kan de rechtbank het deelgezag toekennen indien de beoogd deelgezagdrager het kind gedurende ten minste een jaar met de gezagdragers feitelijk gezamenlijk heeft verzorgd en opgevoed.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>De rechtbank wijst het verzoek af indien één van de gronden genoemd in artikel 253zc, tweede lid, onderdelen b tot en met e, zich voordoet.</al>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.</al>
                        </lid>
                      </artikel>
                    </wijzig-divisie>
                    <wijzig-divisie opmaak="default" soort="paragraaf">
                      <kop>
                        <label>PARAGRAAF</label>
                        <nr status="officieel">3.</nr>
                        <titel>EINDE VAN HET DEELGEZAG</titel>
                      </kop>
                      <artikel status="goed">
                        <kop>
                          <label>Artikel</label>
                          <nr status="officieel">253ze</nr>
                        </kop>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                          <al>Het deelgezag eindigt van rechtswege:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>a.</li.nr>
                              <al>bij meerderjarigheid van het kind;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>b.</li.nr>
                              <al>bij overlijden van het kind;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>c.</li.nr>
                              <al>bij overlijden van de deelgezagdrager.</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                          <al>De rechtbank kan het deelgezag beëindigen indien:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>a.</li.nr>
                              <al>de deelgezagdrager niet in staat is het deelgezag te dragen;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>b.</li.nr>
                              <al>de deelgezagdrager het deelgezag misbruikt;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>c.</li.nr>
                              <al>beëindiging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </lid>
                        <lid>
                          <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                          <al>Beëindiging van het deelgezag kan worden uitgesproken op verzoek van:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>a.</li.nr>
                              <al>de gezagdragers en deelgezagdragers gezamenlijk of één van hen;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>b.</li.nr>
                              <al>de raad voor de kinderbescherming;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>c.</li.nr>
                              <al>het openbaar ministerie.</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </lid>
                      </artikel>
                    </wijzig-divisie>
                  </wijzig-divisie>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">J</lidnr>
                <wat>In artikel 293, onderdeel c, wordt ‘.’ vervangen door ‘;’ en een onderdeel d toegevoegd, luidende:</wat>
                <?xpp qa?>
                <?xpp lead;1?>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>indien na zijn overlijden de deelgezagdrager krachtens rechterlijke beschikking tot voogd is benoemd.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">K</lidnr>
                <wat>Artikel 377a wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid, eerste zin, wordt na ‘staat’ ingevoegd ‘waaronder de deelgezagdrager, bedoeld in artikel 245, zesde lid’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het tweede lid wordt na ‘hen’ ingevoegd ‘, de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">L</lidnr>
                <wat>Artikel 377b wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid, eerste zin, wordt na ‘gezag belaste ouder’ ingevoegd ‘en de deelgezagdrager’ en wordt in de tweede zin na ‘een ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het tweede lid wordt na ‘gezag belaste ouder’ ingevoegd ‘of de deelgezagdrager,’</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">M</lidnr>
                <wat>Artikel 377c wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid, eerste zin, wordt na ‘gezag belaste ouder’ ingevoegd ‘en de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het tweede lid, eerste zin, wordt na ‘ouder’ ingevoegd ‘of deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">N</lidnr>
                <wat>Artikel 377e wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In het eerste lid wordt na ‘een van hen’ ingevoegd ‘, de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In het derde lid wordt na ‘de andere ouder’ telkens ingevoegd ‘of de deelgezagdrager’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
            </wijzig-artikel>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">II</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Artikel 4.2.1 van de Jeugdwet wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijziging>
                <nr status="officieel">1.</nr>
                <wat>In het eerste lid wordt na ‘ouder zonder gezag,’ ingevoegd ‘deelgezagdrager, bedoeld in artikel 245, zesde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,’.</wat>
              </wijziging>
              <wijziging>
                <nr status="officieel">2.</nr>
                <wat>In het tweede lid, onderdeel a, wordt na ‘ouder zonder gezag,’ ingevoegd ‘deelgezagdrager,’.</wat>
              </wijziging>
              <wijziging>
                <nr status="officieel">3.</nr>
                <wat>In het vierde lid, aanhef, wordt na ‘ouder zonder gezag,’ ingevoegd ‘deelgezagdrager,’ en wordt in onderdeel a na ‘ouder zonder gezag,’ ingevoegd ‘deelgezagdrager,’.</wat>
              </wijziging>
            </wijzig-artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">III</nr>
                <titel>EVALUATIE</titel>
              </kop>
              <al>Onze Minister voor Rechtsbescherming zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.</al>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">IV</nr>
                <titel>INWERKINGTREDING</titel>
              </kop>
              <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.</al>
            </artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">V</nr>
                <titel>CITEERTITEL</titel>
              </kop>
              <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet deelgezag.</al>
            </artikel>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister voor Rechtsbescherming,</functie>
            </ondertekening>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">I</nr>
                <titel>ALGEMEEN</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <al>Dit wetsvoorstel, dat mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt ingediend, introduceert een nieuwe vorm van gezag over een minderjarige, namelijk het deelgezag. In de praktijk zijn naast ouders en voogden regelmatig ook anderen nauw betrokken bij de verzorging en opvoeding van een minderjarige. De positie van deze andere personen is niet altijd duidelijk. Met een wettelijke regeling van deelgezag gaat dit veranderen. Voor het kind biedt deelgezag meer duidelijkheid over de rol van deze derde en waarborgen voor behoud van contact met deze persoon of personen. Het geeft het kind recht op medeverzorging en medeopvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager. Hierin komt het belang van het kind tot uiting. De deelgezagdrager krijgt de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om met de gezagdragende ouder(s) en voogd(en) dagelijkse beslissingen te nemen over de verzorging en opvoeding van een kind.</al>
                <al>Onderdeel van deelgezag is een recht op informatie en consultatie van de deelgezagdrager. De deelgezagdrager heeft niet alleen recht op informatie van de ouder met gezag of voogd, maar heeft ook een recht op informatie van derden die beroepsmatig bij het kind zijn betrokken, zoals een school, hulpverlener of de huisarts. Daarnaast is een wijziging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager afhankelijk van de instemming van de deelgezagdrager en heeft hij net als de juridische ouder een wettelijk recht op omgang met het kind. Een nauwe persoonlijke betrekking is al aanwezig en wordt nog steviger verankerd. Dit waarborgt de continuïteit van de band tussen het kind en de deelgezagdrager. Dat is eveneens in het belang van het kind.</al>
                <al>Door deelgezag ontstaat een evenwichtige balans tussen enerzijds het belang van het kind bij continuïteit, erkenning en bescherming van bestaande relaties die het heeft met zijn verzorgers en opvoeders en anderzijds de wens om het aantal juridisch afdwingbare rechten rondom een kind beperkt te houden, om zo juridische strijd rondom het gezinsleven te beperken. Deelgezag geeft aan een deelgezagdrager rechten en plichten tegenover een kind. De deelgezagdrager krijgt beslissingsbevoegdheid over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een kind. Tegelijkertijd heeft de deelgezagdrager de verantwoordelijkheid tegenover het kind voor die dagelijkse verzorging en opvoeding.</al>
                <al>Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Paragraaf 2 beschrijft de context van deelgezag: de aanleiding, de huidige knelpunten, de grenzen en de doelstelling. Paragraaf 3 beschrijft het wettelijk kader en geeft de inhoud en de uitgangspunten van het wetsvoorstel weer. Paragraaf 4 gaat over het verwerken van persoonsgegevens. Paragraaf 5 gaat in op de gevolgen voor de regeldruk voor burgers alsmede de financiële gevolgen. Paragraaf 6 geeft de belangrijkste thema’s, perspectieven en suggesties uit de consultatie weer. Daarna volgt het artikelsgewijze deel waarin de wetsartikelen zijn toegelicht.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Context deelgezag</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.1</nr>
                    <titel>Aanleiding</titel>
                  </kop>
                  <al>De samenleving verandert, opvattingen over relaties en ouderschap wijzigen en de wijze waarop mensen invulling geven aan ouderschap en de totstandkoming hiervan wordt steeds meer divers. Daarbij nemen medisch gezien de mogelijkheden toe om mensen met een kinderwens te helpen bij het vormen van een gezin. Het traditionele gezin waarbij kinderen opgroeien bij hun met elkaar gehuwde vader en moeder, maakt steeds meer plaats voor anders samengestelde gezinnen. Zoals gezinnen waarbij kinderen opgroeien bij een ongehuwd samenwonende vader en moeder, bij een alleenstaande ouder<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Volgens de Jeugdmonitor van het CBS woonde in 2019 16 procent van de kinderen in een eenoudergezin.</noot.al></noot>, bij twee moeders of twee vaders of bij zowel de juridische als sociale ouders, bijvoorbeeld in een gezin met feitelijke meerouders<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Hiermee wordt bedoeld: meer dan twee personen die als ware zij allen de juridische ouders de verzorging en opvoeding van een kind op zich nemen.</noot.al></noot> of bij pleegouders. De gezinssamenstelling zoals die bij de geboorte van een kind was, kan ook weer veranderen door een scheiding van de ouders, het overlijden van een ouder of een uithuisplaatsing.</al>
                  <al>Op grond van het huidige familierecht kan een kind maximaal twee formele (juridische) ouders hebben en kunnen maximaal twee personen met het gezag over het kind worden belast. Voor feitelijke meeroudergezinnen waarbij drie of vier personen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding delen, biedt het huidige recht geen mogelijkheid om al deze personen een formele positie te geven. Dat geldt ook voor de situatie waarin kinderen na een echtscheiding opgroeien in twee gezinnen met een stiefouder. Verschillen in opvatting over deze veranderingen binnen de samenleving en de wenselijkheid om het familierecht ook voor deze gezinnen passend te maken zijn onvermijdelijk. Daarnaast laten menselijke gevoelens zich niet leiden door juridische kaders en zullen er altijd situaties zijn waarin de wet niet voorziet. Toch is het belangrijk om ons familierecht zo goed mogelijk te laten aansluiten op de veranderingen in onze samenleving en op de gezinssamenstellingen van de huidige tijd.</al>
                  <al>Op 7 december 2016 bracht de Staatscommissie Herijking ouderschap (hierna: Staatscommissie) onder voorzitterschap van de heer A. Wolfsen haar rapport ‘Kind en ouder in de 21<sup>e</sup> eeuw’ uit.<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 2016/17, <extref doc="kst-33836-18" soort="document" status="actief">33 836, nr. 18</extref>, bijlage.</noot.al></noot> De opdracht aan de Staatscommissie was een reactie op de maatschappelijke en medisch-technologische veranderingen.<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur"> Kamerstukken II</nadruk>  2013/14, <extref doc="kst-33836-2" soort="document" status="actief">33 836, nr. 2</extref>.</noot.al></noot> In haar rapport gaat zij in op de vraag naar de wenselijkheid van een wijziging van ons familierecht betreffende de onderwerpen ouderschap en gezag. De Staatscommissie heeft 68 aanbevelingen gedaan om het personen- en familierecht beter te laten aansluiten bij de huidige ontwikkelingen in de samenleving. Bij brief van 12 juli 2019 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn reactie op de aanbevelingen van de Staatscommissie.<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken</nadruk> II 2018/2019, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>.</noot.al></noot> Het kabinet heeft te kennen gegeven dat het voornemens is om onder meer met een regeling voor deelgezag te komen voor personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een kind, maar nu geen gezag hebben. In de kabinetsreactie is op hoofdlijnen weergegeven wat deelgezag inhoudt. Het wetsvoorstel geeft invulling aan dit voornemen.</al>
                  <al>Het kabinet heeft vooralsnog niet gekozen voor meerouderschap en meeroudergezag, zie hierover de genoemde kabinetsreactie en meer uitgebreid de reactie op de motie van het Lid Bergkamp c.s.<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Brief analyse invoering meerouderschap, 16 oktober 2020, <nadruk type="cur">Kamerstukken</nadruk> II 2019/2020, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref>.</noot.al></noot> De reden voor het niet kiezen voor meerouderschap en meeroudergezag is allereerst gelegen in het conflictpotentieel van een dergelijke regeling en voorts in de verstrekkende gevolgen voor meerdere ministeries en uitvoeringsinstanties. In de reactie op de motie is de complexiteit van het wettelijk mogelijk maken van meerouderschap en meeroudergezag nader uitgewerkt en is aangegeven dat de invoering hiervan veel praktische en financiële gevolgen heeft voor de betrokken ministeries en uitvoeringsinstanties. Het schematisch overzicht bij bedoelde brief toont wat invoering van een regeling voor meerouderschap en meeroudergezag in ieder geval met zich meebrengt. Een regeling voor meerouderschap en meeroudergezag zou indruisen tegen andere beleidsvoornemens, zoals het vereenvoudigen van de uitvoeringspraktijk. Met de nu voorgestelde regeling van deelgezag wordt daarom op een evenwichtige manier tegemoet gekomen aan de wens van feitelijke meerouders, zonder onevenredige gevolgen voor wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2</nr>
                    <titel>Knelpunten en grenzen</titel>
                  </kop>
                  <al>De geboorte van een kind is een veelal mooie maar ook ingrijpende gebeurtenis en brengt een grote verantwoordelijkheid voor ouders met zich. Het kind moet worden verzorgd en opgevoed en er moet zorggedragen worden voor zijn geestelijke en lichamelijke welzijn. Niet alleen over de invulling van de dagelijkse verzorging en opvoeding moeten beslissingen worden genomen, maar ook over grotere onderwerpen als de schoolkeuze, de normen en waarden die een kind meegegeven worden, de eventuele religie of levensbeschouwing, welke sporten het kind gaat beoefenen, geldzaken en het inzetten van hulp als er zorgen zijn over de ontwikkeling van het kind. Uitgangspunt is dat het kind gebaat is bij een stabiele opvoedingssituatie en bij juridische bescherming van de feitelijke gezinssituatie. Voor een kind kan het van meerwaarde zijn als er meerdere personen bij zijn verzorging en opvoeding zijn betrokken.</al>
                  <al>In de vorige paragraaf is benoemd dat het huidige familierecht geen formele kaders biedt voor gezinnen waarbij het kind meerdere opvoeders heeft. Op grond van de wet kunnen maximaal twee personen juridisch ouder worden en een formele rol als opvoeder hebben. Het gezag wordt meestal door een ouder of de ouders gezamenlijk uitgeoefend, maar een ouder en stiefouder kunnen ook samen met het gezag zijn belast. Het (toe)delen van specifieke onderdelen van het gezag aan een derde is niet mogelijk, behoudens in de situatie dat er sprake is van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing waarbij de gecertificeerde instelling bepaalde onderdelen van het gezag kan krijgen.<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Artikel 1:265e BW.</noot.al></noot></al>
                  <al>Al voor de geboorte van een kind, kan de behoefte bestaan om het kind met drie of vier personen te gaan verzorgen en opvoeden. Bijvoorbeeld in de situatie dat twee vrouwen samen met de donorvader het kind willen grootbrengen. Ondanks dat slechts twee van deze personen juridisch ouder kunnen worden en het gezag kunnen hebben, kan het kind met alle drie een sterke band ontwikkelen en kan het verwarrend zijn als niet duidelijk is wie zijn opvoeders zijn en wie welke beslissingen over hem mag nemen. Ook met personen die op een later moment betrokken raken bij zijn opvoeding, zoals een stief- of pleegouder, kan het kind een goede band ontwikkelen. Op de (aanstaande) ouders met gezag rust de verantwoordelijkheid om zich bij hun keuze voor een bepaalde gezinsvorm bewust te zijn van wat dit betekent voor het kind en zich bewust te zijn van het belang om met de betrokkene(n) goede afspraken te maken over diens betrokkenheid en continuïteit bij de verzorging en opvoeding.</al>
                  <al>Toch zal de derde het gevoel kunnen hebben met lege handen te staan, doordat hij geen formele positie richting het kind heeft. Hij voelt zich de ouder van het kind, wil daarvoor verantwoordelijkheid dragen, maar is afhankelijk van de beide juridische ouders als het gaat om het invullen van zijn of haar rol als ouder en de mate waarin hij wordt betrokken bij belangrijke beslissingen over het kind zoals de schoolkeuze. Daarnaast kan zijn informele status als mede-opvoeder tot praktische problemen leiden in bijvoorbeeld de situatie dat de gezagdragende ouders niet aanwezig zijn en het kind onverwachts naar de huisarts moet en de huisarts vraagt om de aanwezigheid van een ouder met gezag. Of als de school hem geen informatie mag geven, terwijl hij wel degene is die het kind vaak naar school brengt en ophaalt. Niet alleen voor het kind en de feitelijke meerouder, stiefouder of andere betrokkene kan dit tot onduidelijkheid leiden over zijn rol in de opvoeding, maar ook voor een derde zoals de school.<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Zie ook het WODC-onderzoek uit 2013 ‘<nadruk type="cur">Meeroudergezag. Een oplossing voor kinderen met meer dan twee ouders?</nadruk>’, waaruit blijkt dat bij bijvoorbeeld donoren en stiefouders verschillende behoeften bestaan aan de invulling van hun rol.</noot.al></noot></al>
                  <al>Voor een kind is naast duidelijkheid over wie zijn opvoeders zijn, ook van belang dat hij niet onverhoeds wordt gescheiden van personen die een belangrijke rol in zijn leven vervullen. De wet biedt hiervoor verschillende waarborgen. Zo houden ouders die gezamenlijk het gezag over hun kind hebben, dit gezag als zij uit elkaar gaan. Ze hebben dan de verantwoordelijkheid om de banden van het kind met de andere ouder na scheiding te bevorderen. Daarnaast heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en degene die in een nauwe betrekking tot hem staat en heeft een juridische ouder zonder gezag een wettelijk recht op en een verplichting tot omgang met zijn kind. De juridische ouder zonder gezag heeft ook een voorkeursrecht op het verkrijgen van het gezag als de gezagdragende ouder overlijdt. Daarnaast hebben pleegouders die een jaar of langer voor een kind zorgen een ‘blokkaderecht’, wat inhoudt dat de ouders met gezag of de voogd het kind niet zonder hun toestemming bij de pleegouders kunnen weghalen. De belangen van het kind en de pleegouders worden gewaarborgd door een rechterlijke toets bij een verzoek tot vervangende toestemming van de gezagdrager als de pleegouders niet akkoord gaan met een wijziging van de verblijfplaats van het kind.</al>
                  <al>Deze waarborgen zijn er voor het kind in mindere mate als het gaat om degene die naast de ouders nauw betrokken is bij de verzorging en opvoeding. Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft het kind recht op bescherming van zijn familie- en gezinsleven. Als er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking heeft het kind recht op omgang met zijn derde en vierde opvoeder.<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Artikel 1:377a BW.</noot.al></noot> Maar als zijn ouders hieraan niet willen meewerken zal de mede opvoeder – anders dan de juridische ouder zonder gezag – bij de rechter eerst moeten aantonen dat er sprake is van het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking alvorens de rechter een omgangsregeling kan vaststellen. Een vorm van blokkaderecht zoals de pleegouders dat hebben, heeft hij niet. Evenmin heeft hij een voorkeurspositie als de ouder(s) met gezag of voogd kom(t)en te overlijden.</al>
                  <al>Op grond van artikel 3 VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) dient bij alle maatregelen die het kind betreffen, het belang van het kind een eerste overweging te zijn. Tevens heeft het kind recht op bescherming en de zorg die nodig is voor zijn welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van de ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind. De Staatscommissie heeft benoemd dat de belangen van het kind in de kern draaien om het welzijn van kinderen en om een gezonde, volledige en harmonieuze ontwikkeling van kinderen naar onafhankelijke en sociaal verantwoordelijke individuen. Het kabinet stelt het belang van het kind voorop en is van oordeel dat een toename van het aantal personen met uitgebreide rechten tot een kind, kan leiden tot een toename van het aantal conflicten rond dat kind. De ervaringen rond escalaties bij problematische scheidingen leert dat deze situaties en de daaruit voorvloeiende (loyaliteits)conflicten uiterst belastend kunnen zijn voor kinderen. De vrees dat ouderschapsrechten voor meer dan twee personen leiden tot meer conflicten, betreft primair het meeroudergezag maar raakt ook het meerouderschap. Deze zorg wordt geuit, zowel vanuit de juridische praktijk, de gedragswetenschappelijke hoek als de rechtswetenschap. De Staatscommissie onderkent dat de realiteit is dat er grenzen zijn aan de hoeveelheid personen met wie het kind een nauwe band kan ontwikkelen en het maximumaantal huishoudens. Waar de grens ligt, valt niet aan te geven en voorzichtigheid is daarom geboden, aldus de Staatscommissie. De Staatscommissie heeft daarom ten aanzien van meerouderschap de aanbeveling gedaan dit mogelijk te maken voor maximaal vier ouders, die maximaal twee huishoudens vormen. De vraag hoe aan deze voorwaarde invulling moet worden gegeven bij een scheiding van de drie of vier ouders, wordt door de Staatscommissie niet beantwoord.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3</nr>
                    <titel>Doelen</titel>
                  </kop>
                  <al>De primaire verantwoordelijkheid voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van het kind ligt bij de ouders (artikel 8 EVRM en 18 IVRK). In aanvulling op de ouderlijke verantwoordelijkheid, heeft de overheid een positieve verplichting om te bevorderen dat een kind zijn recht op gezinsleven kan uitoefenen. De overheid geeft hieraan invulling door te bepalen wie de ouders zijn, wat het ouderlijk gezag inhoudt, wie het gezag over het kind uitoefenen en hoe het recht op gezag beperkt kan worden. Het kabinet heeft oog voor de ontwikkelingen in de samenleving waarbij gezinssamenstellingen veranderen en hecht eraan om het recht van het kind om zijn familie- en gezinsleven te kunnen uitoefenen met al zijn opvoeders, beter te waarborgen.</al>
                  <al>Uit het recht van het kind op verzorging en opvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager volgen specifieke verplichtingen voor de deelgezagdrager. De plicht c.q. verantwoordelijkheid van de deelgezagdrager naar het kind toe voor de dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding wordt wettelijk verankerd. Hierin komt het belang van het kind tot uiting. Deelgezag verstevigt de (rechts)positie van degene die samen met de ouders voor een kind zorgt en biedt deze gezinnen een oplossing voor problemen die ze in dat opzicht bij de dagelijkse verzorging en opvoeding kunnen tegenkomen. Deelgezag biedt ouders met gezag of de voogd de mogelijkheid om samen met maximaal twee andere personen ook naar buiten herkenbaar de verantwoordelijkheid te dragen voor de dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding. Ook krijgt de deelgezagdrager een recht op informatie van beroepskrachten, zoals leraren van de school van het kind. Deelgezag biedt een uitkomst in de situatie dat al voorafgaand aan de geboorte het de wens van de ouder(s) is om met een of twee feitelijke meerouders voor het kind te zorgen. En ook na de geboorte kan deelgezag uitkomst bieden. Voor de alleenstaande moeder die met haar ouders voor het kind zorgt. Of een vader die samen met zijn nieuwe partner (stiefouder) voor zijn kinderen gaat zorgen. Deelgezag biedt maatwerk in dergelijke situaties.</al>
                  <al>Deelgezag komt tegemoet aan het belang van zowel het kind als de verzorgende derde(n) door duidelijkheid te verschaffen in verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Het vormt tevens een erkenning in rechte van de feitelijke situatie waarin het kind opgroeit en de positie van de verzorgende derde. Het is ook in het belang van het kind dat hij niet onverhoeds gescheiden wordt van degene door wie hij langere tijd is verzorgd en opgevoed. Dat kan bijvoorbeeld voorkomen als de ouder in het stiefgezin waarin het kind woont overlijdt, en de andere ouder bij wie het kind niet de hoofdverblijfplaats heeft de verzorging en opvoeding op zich wil nemen. Of als de ouder met gezag en de stiefouder uit elkaar gaan. Dit raakt aan het belang van het kind bij continuïteit in de opvoedingsrelatie en bij contact en omgang met voor hem belangrijke personen.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Wettelijk kader</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.1</nr>
                    <titel>Uitgangspunten</titel>
                  </kop>
                  <al>De regeling deelgezag sluit zoveel mogelijk aan op de uitgangspunten en de wettelijke kaders van gezag. Van de gezagdragers mag worden verwacht dat zij goed ouderschap laten zien en op een goede en verantwoorde wijze invulling geven aan het gezag. De deelgezagdrager draagt met de gezagdragers een verantwoordelijkheid voor een goede invulling van de dagelijkse verzorging en opvoeding. Dit houdt onder meer in dat zij verantwoordelijk zijn voor het geestelijke en lichamelijke welzijn en de veiligheid van het kind en het kind niet mishandelen.<noot id="n10" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Artikel 1:247, tweede lid, BW.</noot.al></noot> Daarnaast mag van de gezagdragers en deelgezagdragers over en weer worden verwacht dat zij de band van het kind met de ander(e) betrokkenen bevorderen, de ouders, gezagdragers en deelgezagdragers. Dit speelt vooral een rol bij een eventuele scheiding van de (deel)gezagdragers. Voor het (minderjarige) kind betekent deelgezag dat het ook beslissingen en correcties van de deelgezagdrager zal moeten accepteren.<noot id="n11" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Artikel 1:249 BW.</noot.al></noot></al>
                  <al>De Staatscommissie heeft als aanbeveling gedaan om de door de haar geformuleerde zeven kernen van goed ouderschap centraal te stellen in het afstammings- en gezagsrecht. Het kabinet heeft deze aanbeveling overgenomen. Dit houdt in dat voor gezag en daarmee ook voor deelgezag, de volgende kernen van goed ouderschap – in willekeurige volgorde – als uitgangspunt worden genomen: een onvoorwaardelijk persoonlijk commitment, verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn, continuïteit in de opvoedingsrelatie, opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie, het organiseren en monitoren van de verzorging en opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein, zorgdragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind, zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen. Het kabinet heeft hieraan nog het belang van een veilige opvoedingssituatie voor het kind toegevoegd.</al>
                  <al>Zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat deelgezag leidt tot een toename van conflicten rond het kind. Voor deelgezag geldt daarom als uitgangspunt dat het in goede harmonie met alle betrokkenen, dus ook een eventuele aanwezige juridische ouder zonder gezag, tot stand komt en dat overeenstemming bestaat over welke concrete beslissingen de deelgezagdrager mag nemen. Een verzoek om iemand met deelgezag te belasten zal daarom alleen door de gezagdragers en beoogd deelgezagdrager(s) gezamenlijk kunnen worden gedaan. De eventuele aanwezige (juridische) ouder zonder gezag dient hiermee in te stemmen, behalve wanneer hij onvindbaar is. Daarnaast zullen de gezagdragers en deelgezagdragers goede afspraken moeten maken over de invulling van het deelgezag. Voor het kind is het belangrijk dat duidelijk is wie welke beslissingen neemt en hoe hieraan invulling wordt gegeven.</al>
                  <al>Dat conflicten zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, neemt niet weg dat deelgezag – ook voor het kind – meer rechtsbescherming biedt. De deelgezagdrager kan bijvoorbeeld via de rechter een omgangsregeling of een informatie- of consultatieregeling laten vaststellen waarbij de rechter het belang van het kind meeweegt in die procedure.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Aan de hand van deze uitgangspunten spelen de volgende onderwerpen bij deelgezag een rol:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>recht op informatie en consultatie;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>recht op omgang en blokkaderecht;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>overlijden gezagdrager(s).</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Deze onderwerpen worden hieronder toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de vraag wie met deelgezag kunnen worden belast.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.2</nr>
                    <titel>Wie kunnen met deelgezag worden belast</titel>
                  </kop>
                  <al>Met deelgezag kunnen maximaal twee personen worden belast die nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een minderjarige. Dat kan een stiefouder zijn, een feitelijke meerouder, een pleegouder, een familielid of een andere persoon zoals een oudere stiefbroer of -zus die een grote rol heeft in de verzorging en opvoeding. Deze opsomming betreft geen limitatieve opsomming. Er zijn vele verschillende scenario’s denkbaar waarin er naast de gezagdragers ook een deelgezagdrager is. Een aantal voorbeelden:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>In de situatie dat twee vrouwen en twee mannen samen het kind opvoeden, zal in ieder geval de moeder uit wie het kind is geboren de juridische ouder zijn en gezag hebben. Over wie de tweede juridische ouder is en wie met gezag dan wel deelgezag worden belast, kunnen afspraken worden gemaakt. Een optie is dat de beide vrouwen juridisch ouder zijn en het gezag uitoefenen en de beide mannen deelgezag hebben. Of dat naast de biologische moeder er een juridische vader met gezag is en de andere vrouwelijke en mannelijke medeopvoeder deelgezagdragers zijn.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De ouders zijn gescheiden en beiden of een van hen heeft een nieuwe partner die met deelgezag wordt belast.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Een alleenstaande moeder woont met haar kind bij haar ouders in huis en de beide grootouders zijn met deelgezag belast.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De ouders verblijven voor langere tijd in het buitenland en hebben de kinderen tijdelijk bij een familielid ondergebracht dat deelgezagdrager is.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                  <al>Ook pleegouders kunnen op grond van deze regeling met deelgezag worden belast. Pleegzorg kent evenwel eigen kenmerken en uitdagingen. Uit het onderzoek ‘Pleegouders over gezag en adoptie’, van de Vrije Universiteit in Amsterdam dat in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) is uitgevoerd, komt naar voren dat bijna 4 op de 10 pleegouders behoefte heeft aan een vorm van deelgezag.<noot id="n12" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>WODC onderzoek, Eenvoudige adoptie van pleegkinderen, december 2019, <extref doc="http://www.wodc.nl" soort="URL" status="actief">www.wodc.nl</extref>.</noot.al></noot> Daarbij bestaat vooral bij bestandspleegouders een behoefte aan tekenbevoegdheid bij praktische zaken zoals het openen van een bankrekening, inschrijven op een school of een medische behandeling. De voorgestelde regeling voor deelgezag geeft geen tekenbevoegdheid, maar de gezagdrager kan de deelgezagdrager wel machtigen om bepaalde handelingen uit te voeren. Uitgangspunt van deelgezag is dat deze in goede harmonie tussen alle betrokkenen tot stand komt (zie ook 3.4 ‘Verkrijging deelgezag’). Deelgezag zal daarom naar verwachting vooral een optie kunnen zijn bij een langdurige (netwerk) pleegzorgplaatsing in het vrijwillig kader of als de gecertificeerde instelling met de voogdij is belast. In de situatie dat het kind binnen een ondertoezichtstelling bij de pleegouders is geplaatst, kan de gecertificeerde instelling door de rechter met een deel van het gezag worden belast voor zover het gaat om inschrijving op een school, toestemming geven voor een medische behandeling en/of aanvraag van een verblijfsvergunning.</al>
                  <al>Deelgezag is niet mogelijk voor de juridische ouder zonder gezag, voor rechtspersonen en voor personen die onbevoegd zijn om het gezag uit te oefenen. Uitgangspunt in ons familierecht is dat het kind recht heeft op gelijkwaardig ouderschap van zijn juridische ouders en dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Deelgezag voor de juridisch ouder zou dat uitgangspunt onder druk zetten, bijvoorbeeld als een ouder met gezag geen instemming wil geven voor gezamenlijk gezag, maar alleen voor deelgezag. Daarbij heeft de ouder zonder gezag al recht op omgang, consultatie en informatie en een voorkeursrecht bij overlijden. Deelgezag levert zowel voor het kind als voor deze ouder dan ook weinig extra’s op. Ook in de situatie dat het gezag van een ouder is beëindigd en een gecertificeerde instelling of pleegouders met de voogdij is/zijn belast, staat deelgezag voor de ouder niet open. Het gegeven dat het gezag door de rechter is beëindigd, betekent dat de ouder niet in staat is gebleken om op een goed en verantwoorde wijze invulling te geven aan het ouderlijk gezag.</al>
                  <al>Deelgezag gaat over natuurlijke personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding. Een rechtspersoon, zoals een gecertificeerde instelling, kan weliswaar belast worden met de voogdij, maar het zijn natuurlijke personen, zoals de pleegouders, die zorgdragen voor de feitelijke verzorging en opvoeding van het kind. Deelgezag is bedoeld als een manier om het kind een positie tegenover nauw betrokken opvoeders te geven en vice versa.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.3</nr>
                    <titel>Inhoud deelgezag</titel>
                  </kop>
                  <al>In de eerdergenoemde kabinetsreactie van 12 juli 2019 staat dat het kabinet het van belang acht dat alle (toekomstige) ouders goed geïnformeerd zijn over het ontstaan van juridisch ouderschap en het tot stand komen van gezag en dat het kabinet daarom inzet op uitbreiding van de voorlichting van ouders op dit punt. Bij deze voorlichting zal aandacht zijn voor de toegang tot en de inhoud van deelgezag.</al>
                  <al>Bij de evaluatie van de deelgezagsregeling zal de toegevoegde waarde ervan worden betrokken en of de regeling in voldoende mate tegemoet komt aan de problemen die er bestaan voor sociale ouders. Ook zal daarbij het conflictpotentieel worden betrokken, waaronder of er internationaal inmiddels meer inzicht bestaat in het conflictpotentieel van meerouderschap en -gezag.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding</titel>
                    </kop>
                    <al>Deelgezag geeft de verantwoordelijkheid en het recht om met de gezagdragers dagelijkse beslissingen te nemen en handelingen te verrichten die gaan over de verzorging en opvoeding. Onder de dagelijkse beslissingen vallen de beslissingen die voor het kind noodzakelijk zijn om op een normale wijze te functioneren in het dagelijkse leven en die het mogelijk maken voor de deelgezagdrager om als mede-opvoeder te kunnen functioneren, zonder steeds met de gezagdragers te moeten overleggen.<noot id="n13" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Zie o.a. M.R. Bruning, <nadruk type="cur">Beslisbevoegdheid van pleegouders: België als gidsland?,</nadruk> FJR 2019 nr. 8, waarin wordt verwezen naar het Belgische Burgerlijk recht waarbij het mogelijk is gemaakt om pleegouders beslissingsbevoegdheid te geven over beslissingen die dagelijkse opvoeding betreffen.</noot.al></noot> Hierbij valt te denken aan beslissingen over wat het kind eet, de bedtijden, sportactiviteiten, speelafspraken, grenzen stellen en corrigeren en dergelijke.</al>
                    <al>Welke verrichtingen en beslissingen precies onder de dagelijkse verrichtingen en beslissingen van verzorging en opvoeding vallen en hoe hieraan invulling wordt gegeven, zal per opvoeder verschillen en zal ook worden beïnvloed door factoren als de culturele achtergrond, de eventuele religie of levensbeschouwing, de normen en waarden van de opvoeders en de leeftijd van het kind. De gezagdrager(s) en deelgezagdrager(s) zullen samen moeten afspreken welke beslissingen onder de dagelijkse verzorging en opvoeding vallen en hoe zij dit willen invullen. Een verdergaande invulling is geen taak van de overheid en betekent een onnodige inmenging van het door artikel 8 EVRM beschermde recht van de ouders en gezagdragers om hun gezinsleven naar eigen inzicht vorm te geven.</al>
                    <al>Beslissingen over zaken waarbij op grond van de wet de instemming van de ouder met gezag of de voogd nodig is zoals het instemmen met een (ingrijpende) medische behandeling en het inzetten van jeugdhulp of zaken die alleen door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind geregeld kunnen worden – bijvoorbeeld het aanvragen van een paspoort of openen van een bankrekening – blijven onder de verantwoordelijkheid van de gezagdragers vallen en niet onder de dagelijkse beslissingen. Ook andere niet genoemde rechten en plichten, zoals het beheer van het vermogen of het bestaan van een onderhoudsverplichting, maken géén onderdeel uit van het deelgezag.</al>
                    <al>Een kind is gebaat bij zo min mogelijk conflicten tussen zijn opvoeders over zijn verzorging en opvoeding. Van belang is dan ook dat er duidelijkheid bestaat over wie beslist bij een geschil. Bij een geschil tussen de gezagdrager(s) en deelgezagdrager(s) over de invulling of uitvoering van de dagelijkse verzorging en opvoeding is om die reden de stem van de gezagdrager doorslaggevend. Het geschil kan niet aan de rechter worden voorgelegd. De geschillenregeling van artikel 1:253a BW over de uitoefening van het ouderlijk gezag staat niet open voor een geschil tussen de deelgezagdrager en de gezagdrager(s). Een deelgezagdrager is derhalve geen belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv als er een procedure wordt gevoerd tussen de gezagdragende ouders over de verdeling van de zorg, tenzij de procedure direct raakt aan de toedeling van zorg en opvoeding aan de deelgezagdragers. Dan zal de deelgezagdrager wel moeten worden aangemerkt als belanghebbende. Zo wordt voorkomen dat deelgezag leidt tot procedures tussen de gezagdragers en deelgezagdragers over de uitvoering van de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Wel kan de deelgezagdrager naar de rechter stappen om bijvoorbeeld zijn recht op omgang af te dwingen als de gezagdragers dit recht negeren of zij geen toestemming hebben gevraagd aan de deelgezagdrager bij een wijziging van het deelgezag.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Recht op informatie en consultatie</titel>
                    </kop>
                    <al>De gezagdragers hebben de wettelijke bevoegdheid om belangrijke beslissingen te nemen over de gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning en eventuele godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes vóór het kind. Het is, gelet op diens nauwe betrokkenheid bij het kind, wel voor de deelgezagdrager van belang om op de hoogte te zijn van deze beslissingen. Ook omdat deze van invloed kunnen zijn op de dagelijkse verzorging en opvoeding en het welzijn van het kind. Bijvoorbeeld in de situatie dat een kind medicatie moet innemen. Redenen waarom hij, net als de juridische ouder zonder gezag, over gewichtige aangelegenheden die het kind betreffen, geïnformeerd en geraadpleegd moet worden door gezagdragers.<noot id="n14" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Artikel 1:377b BW.</noot.al></noot> Als de ouders bijvoorbeeld het kind van school willen laten wisselen, zal de deelgezagdrager hierover geïnformeerd moeten worden en gevraagd moeten worden om zijn visie hierover.</al>
                    <al>De deelgezagdrager heeft tevens recht op informatie van beroepskrachten die bij het kind zijn betrokken, zoals de leerkrachten van de school en de arts van het kind. Het gaat hier om informatie over belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige of zijn verzorging en opvoeding betreffen. Het is overigens in de eerste plaats aan de gezagdragers om de deelgezagdrager hierover te informeren. Als dat niet gebeurt, zullen de deelgezagdrager en gezagdragers hierover met elkaar in gesprek moeten gaan.</al>
                    <al>Een reden voor een deelgezagdrager om zelf om informatie te vragen kan zijn dat hij degene is die het kind vaak naar school brengt en van school haalt en daarom zelf aan de leerkracht wil kunnen vragen of er nog bijzonderheden zijn. Net als de juridische ouder zonder gezag, zal de deelgezagdrager zelf om informatie moeten vragen en hoeft de beroepskracht niet uit zichzelf informatie aan de deelgezagdrager te verstrekken. Bij een verzoek van de deelgezagdrager om informatie, is het aan de beroepskracht om te bepalen welke informatie wordt gegeven en of het belang van het kind zich er niet tegen verzet om de deelgezagdrager informatie te geven. Informatie die niet aan de gezagdragers wordt verstrekt, hoeft evenmin aan de deelgezagdrager te worden verstrekt. Daarnaast mag de informatie alleen betrekking hebben op het kind zelf en niet over de ouders of andere personen gaan.</al>
                    <al>De praktijk leert dat het voor beroepskrachten niet altijd duidelijk is of een ouder of derde bevoegd is om informatie te vragen en welke informatie zij mogen geven. Voor beroepskrachten moet duidelijk zijn dat de deelgezagdrager een recht op informatie heeft over belangrijke ontwikkelingen betreffende het kind, maar dat deze persoon niet om toestemming of instemming hoeft te worden gevraagd als er bijvoorbeeld jeugdhulp wordt ingezet. Deelgezag biedt een herkenbare positie van de betrokken derden met informatierecht.<noot id="n15" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Artikel 1:377c BW.</noot.al></noot> Van de gezagdragers mag worden verwacht dat zij de beroepskrachten die bij het kind betrokken zijn, informeren over de betrokkenheid en positie van de deelgezagdrager.</al>
                    <al>Het recht van de deelgezagdrager op consultatie geldt alleen richting de gezagdragers.<noot id="n16" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Artikel 1:377b BW.</noot.al></noot> De deelgezagdrager kan een beroep op de rechter doen om af te dwingen dat er een informatie- en consultatieregeling is.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Recht op omgang</titel>
                    </kop>
                    <al>Wanneer in de praktijk een probleem ontstaat in de verhouding tussen de gezagdragers en de deelgezagdragers, staat het belang van het kind voorop wat concreet betekent dat zijn opvoedingssituatie zoveel mogelijk gecontinueerd moet worden en hij contact kan hebben met voor hem belangrijke personen. Het kind heeft recht op omgang met zijn ouders en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, zal, indien de ouders niet willen meewerken aan omgang met het kind, eerst het bestaan van de nauwe persoonlijke betrekking moeten aantonen bij de rechter. Bij de juridische ouders wordt verondersteld dat deze betrekking aanwezig is. Een deelgezagdrager vervult samen met de gezagdragers een voor het kind belangrijke rol in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding en de nauwe persoonlijke betrekking wordt daarom verondersteld aanwezig te zijn. Indien er een wijziging optreedt, bijvoorbeeld door een verhuizing van de gezagdragers, als gevolg waarvan de deelgezagdrager niet meer betrokken kan zijn bij de dagelijkse verzorging en opvoeding, is het in het belang van het kind dat dit niet betekent dat daarmee ook het contact tussen hem en de deelgezagdrager volledig wordt verbroken. Reden waarom de deelgezagdrager, net als de juridische ouder zonder gezag, een wettelijk recht op omgang heeft. Bij de praktische invulling van het omgangsrecht staat het belang van het kind voorop. In de situatie dat er bijvoorbeeld twee vrouwen en twee mannen samen het kind opvoeden en er een wijziging optreedt in de opvoedingssituatie, zal er voor het kind een passende omgangsregeling moeten komen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Blokkaderecht</titel>
                    </kop>
                    <al>De deelgezagdrager speelt met de gezagdragers een rol in de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind en is daarmee een voor het kind vertrouwde persoon. Niet alleen doordat de deelgezagdrager dagelijkse beslissingen kan nemen bij de verzorging en opvoeding, maar ook doordat de deelgezagdrager geconsulteerd moet worden door de gezagdragers bij grotere en/of ingrijpende beslissingen over het kind. Een kind heeft belang bij een stabiele opvoedingssituatie met continuïteit van de opvoeders, maar kan ook te maken krijgen met bijvoorbeeld een scheiding van de ouders.</al>
                    <al>Het belang van het kind brengt mee dat alle betrokken volwassenen met (deel)gezag op een lijn moeten zitten over wijzigingen, om zo recht te doen aan het belang op continuïteit in de verzorging en opvoeding. Dit kan betekenen dat er een goede omgangsregeling wordt afgesproken of dat het deelgezag wordt beëindigd bij onoverkomelijke conflicten. Daarnaast is het in het belang van het kind dat er wettelijke waarborgen zijn ter bescherming van die continuïteit. Voor de ouders met gezag is wettelijk geregeld dat zij bij een scheiding gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de verzorging en opvoeding. Een ouder zonder gezag heeft de mogelijkheid alsnog met het ouderlijk gezag te worden belast om op die manier betrokken te kunnen blijven bij de verzorging en opvoeding. De deelgezagdrager heeft deze mogelijkheid niet. Om voor het kind te waarborgen dat de deelgezagdrager niet zomaar buiten spel kan worden gezet door de gezagdragers, heeft de deelgezagdrager net als pleegouders die langer dan een jaar voor een kind hebben gezorgd, een blokkaderecht ter bescherming van zijn rol in de opvoeding.</al>
                    <al>Het blokkaderecht houdt feitelijk in dat de gezagdragers de instemming van de deelgezagdrager nodig hebben indien zij een zodanige wijziging in de dagelijkse verzorging en opvoeding willen doorvoeren, dat de deelgezagdrager wordt beperkt in zijn mogelijkheden om hierbij betrokken te blijven of het hem feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de ouders met gezamenlijk gezag willen verhuizen naar een ander deel van Nederland. Of als er sprake is van een scheiding van de gezagdragers. In de situatie dat er twee deelgezagdragers zijn, hebben zij afzonderlijk van elkaar een blokkaderrecht. Stemt de deelgezagdrager niet in met de wijziging van zijn bijdrage aan de dagelijkse verzorging en opvoeding, dan kan de ouder met gezag of de voogd aan de rechter om een wijziging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager verzoeken. Het betreft hier een afweerrecht van de deelgezagdragers richting de gezagdragers. Het gaat dus niet om de situatie dat twee deelgezagdragers uit elkaar gaan, en zij daarmee zelf aan de basis staan van de wijziging in de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind. Evenmin geldt het blokkaderecht in de situatie waarin een gezagdrager en een deelgezagdrager uit elkaar gaan en dit leidt tot een wijziging in de verzorging. Dat het blokkaderecht in deze situaties niet geldt, neemt niet weg dat in deze gevallen wel een nieuwe omgangsregeling nodig zal zijn. Komt in een stiefgezin de gezagdrager te overlijden en wil de overgebleven gezagdrager de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager wijzigen, dan is wel de instemming van de deelgezagdrager nodig. Omdat het in het belang van het kind is, dat het zo snel mogelijk duidelijkheid heeft over een eventuele wijziging in de opvoedingssituatie, zal de rechter dit verzoek binnen zes weken moeten behandelen. Ook voor de gezagdragers en deelgezagdragers is het van belang om spoedig te weten waar zij aan toe zijn.</al>
                    <al>Factoren die voor de toetsing van de rechter van belang kunnen zijn, zijn de belangen van de gezagdrager(s) bij de wijziging, de noodzaak hiervan, in welke mate hierover overleg met de <?xpp afbreek?>deelgezagdrager is geweest, de belangen van de deelgezagdrager bij handhaven van de bestaande afspraken over zijn rol bij de dagelijkse verzorging en opvoeding en de alternatieven die door de gezagdrager(s) hiervoor zijn aangeboden. De toets door de rechter geeft aan dat de primaire verantwoordelijkheid om beslissingen over het kind te nemen, bij de gezagdragers ligt.<noot id="n17" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1:253, tweede lid, en 1:299a, vierde lid, BW.</noot.al></noot> Deze verantwoordelijkheid houdt ook in dat als een deelgezagdrager akkoord gaat met een wijziging en als gevolg hiervan meer op afstand van het kind komt te staan, door gezagdragers en de deelgezagdrager overwogen kan worden om het deelgezag te beëindigen. Ook in deze situatie geldt dat het in het belang van het kind is om duidelijkheid te hebben over zijn opvoedingssituatie en dat het kind hierbij wordt betrokken op een manier die past bij zijn leeftijd/ontwikkelingsniveau.</al>
                    <al>Het blokkaderecht is een ordemaatregel die tijdelijk de beslissingsbevoegdheid van de gezagdrager(s) inperkt. Het betreft alleen de beslissingsbevoegdheid over een wijziging van de dagelijkse verzorging en opvoeding die de deelgezagdrager in zijn toedeling van de taken van verzorging en opvoeding raakt. Bij een verhuizing van de gezagdrager(s) met het kind naar het buitenland zonder dat de deelgezagdrager heeft ingestemd met de wijziging van zijn betrokkenheid bij de dagelijkse verzorging en opvoeding, is geen sprake van een internationale kinderontvoering. De regeling van artikel 1:253zb BW betreft slechts een in duur beperkte ordemaatregel die tijdelijk de beslissingsbevoegdheid van de gezaghebbende ouder(s) inperkt. Daaruit volgt derhalve niet dat aan de deelgezagdragers een gezagsrecht over een minderjarige toekomt of een recht om over de verblijfplaats van een minderjarige te beslissen als bedoeld in artikel 5 van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag.<noot id="n18" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Vergelijk Rechtbank Den Haag 21 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:14179, RFR 2014/24.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Overlijden gezagdrager(s)</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Het deelgezag eindigt van rechtswege door overlijden van het kind of de deelgezagdrager.</al>
                      <al>Als er sprake is van gezamenlijk gezag en een van de gezagdragers komt te overlijden, dan oefent de andere gezagdrager voortaan het gezag alleen uit. Het deelgezag blijft in deze situatie voortbestaan. Wel moeten mogelijk nieuwe afspraken worden gemaakt over de rol van de deelgezagdrager en zijn of haar aandeel in de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Ook in de situatie dat er sprake is van éénhoofdig gezag en de gezagdrager komt te overlijden of als er gezamenlijk gezag is en beide gezagdragers overlijden, blijft het deelgezag voortduren. Er dient dan wel bekeken te worden wie met het gezag over het kind wordt belast. De juridische ouder zonder gezag heeft hierbij op grond van de wet een voorkeurspositie. Dit houdt in dat deze ouder te allen tijde de rechter kan verzoeken hem of haar met het ouderlijk gezag te belasten, ook als er door de gezagdrager(s) testamentair is vastgelegd wie is aangewezen als gezagdrager bij overlijden.<noot id="n19" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Artikelen 1:253g, 1:253h en 1:253x BW.</noot.al></noot> De deelgezagdrager krijgt dezelfde voorkeurspositie. Als zowel de juridische ouder zonder gezag als de deelgezagdrager met het gezag belast willen worden, zal de rechter moeten afwegen wat het meest in het belang van het kind is en wint hierbij zonodig advies in bij de raad voor de kinderbescherming.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.4</nr>
                    <titel>Verkrijging deelgezag</titel>
                  </kop>
                  <al>In sommige situaties bestaat al voor de geboorte van het kind de wens om met meerdere personen voor het kind te gaan zorgen. Zoals in de situatie dat twee moeders en de donorvader vanaf de geboorte van het kind samen zorgdragen voor de verzorging en opvoeding. Deze situatie verschilt van de situatie waarbij de behoefte aan deelgezag op een later moment bestaat. Zoals bijvoorbeeld na een scheiding waar bij een ouder en zijn/haar partner op enig moment de behoefte ontstaat om voor deelgezag te kiezen om zo de rol van de partner (stiefouder) bij de verzorging en opvoeding voor het kind duidelijk te maken. Verondersteld moet worden dat het kind in zo’n geval geconfronteerd is met een wijziging van de opvoedsituatie. In het wetsvoorstel wordt in de toegang tot deelgezag tussen voornoemde situaties een onderscheid gemaakt. Voor beide situaties geldt het uitgangspunt dat deelgezag in goede harmonie tot stand komt. De inhoud van deelgezag is voor deze situaties gelijk.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Deelgezag vanaf de geboorte (intentioneel deelgezag)</titel>
                    </kop>
                    <al>In de situatie dat sprake is van intentioneel deelgezag, is het wenselijk dat deelgezag eenvoudig toegankelijk is. Op die manier heeft het kind vanaf zijn geboorte duidelijkheid over zijn opvoeders en is er ook voor buitenstaanders meteen duidelijkheid over de positie van de feitelijke meerouder. Bij intentioneel deelgezag kunnen de gezagdragers en beoogd deelgezagdrager(s) deelgezag aanvragen op dezelfde wijze als ouders die gezamenlijk het gezag willen gaan uitoefenen. Via het (digitaal) indienen van een formulier deelgezag kan aan de griffier van de rechtbank worden verzocht om een aantekening van deelgezag in het gezagsregister.<noot id="n20" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Vgl. artikel 1:252 BW.</noot.al></noot> Indien de gezagdrager en beoogd deelgezagdrager(s) het deelgezag via deze weg willen regelen, kunnen zij binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag na de geboortedag van het kind, bij de rechtbank een verzoek indienen. Een termijn van drie maanden wordt voldoende passend geacht in een situatie waarin al voor de geboorte duidelijk is dat er behoefte is aan feitelijk meerouderschap, te weten of één of twee derde(n) een rol gaat/gaan krijgen in de verzorging en opvoeding van het kind. Indien het verzoek niet binnen drie maanden wordt ingediend, gaat een verzorgingstermijn van tenminste een jaar gelden.</al>
                    <al>Het verzoek moet door de gezagdrager, of bij gezamenlijk gezag, door de gezagdragers, gezamenlijk met de beoogd deelgezagdrager worden gedaan. Als er een eventuele juridische ouder zonder gezag is, zal deze met het verzoek moeten instemmen. Een juridische ouder zonder gezag krijgt een positie ten opzichte van deelgezagdragers als hij later alsnog gezag zou willen hebben. Door de juridische ouder zonder gezag ook te laten instemmen wordt gewaarborgd dat deelgezag in goede harmonie tussen alle betrokkenen tot stand komt. De griffier toetst of aan de voorwaarden voor deelgezag is voldaan.</al>
                    <al>Er is afgezien van aanvullende eisen voor de totstandkoming van deelgezag in de vorm van een deelgezagsovereenkomst.<noot id="n21" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap, hoofdstuk 11.2.5 <nadruk type="cur">Juridisch meerouderschap</nadruk>, december 2016, p. 431.</noot.al></noot> Een dergelijke overeenkomst zou een prikkel vormen voor alle betrokkenen om goede afspraken met elkaar te maken. Maar bij deelgezag houden de gezagdragers de (eind)verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding. Een verplichting om een plan aan de rechter voor te leggen, zou een drempel opwerpen voor een snelle toegang tot deelgezag in de situatie dat sprake is van intentioneel deelgezag. Dit neemt niet weg dat het, net zoals dat ook voor ouders geldt bij de invulling van het gezamenlijk gezag, verstandig is om afspraken met elkaar te maken over de concrete invulling van deelgezag en andere zaken die de gezag- en deelgezagdragers met elkaar willen regelen en vastleggen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Behoefte aan deelgezag op een later moment</titel>
                    </kop>
                    <al>In de situatie dat de behoefte aan deelgezag op een later moment ontstaat, zoals na een scheiding van de ouders, betekent dat voor het kind een wijziging van de opvoedsituatie. De deelgezagdrager krijgt rechten en bevoegdheden over het kind, maar de vraag is of hiermee ook het belang van het kind is gediend. Voor het kunnen laten ontstaan van deelgezag in deze situaties, geldt voor degene die met de gezagdragers nauw is betrokken bij de verzorging en opvoeding een verzorgingstermijn van ten minste een jaar. Dit om te waarborgen dat tussen het kind en de beoogd deelgezagdrager een nauwe persoonlijke betrekking heeft kunnen ontstaan en dat sprake is van een situatie met enige stabiliteit. De verzorgingstermijn draagt eraan bij dat niet te lichtvaardig tot deelgezag wordt overgegaan en is in overeenstemming met de huidige blokkaderecht-regeling voor pleegouders en stiefouderadoptie waarbij ook een verzorgingstermijn van een jaar geldt. Van de gezagdragers wordt verwacht dat zij bij de keuze tot deelgezag ook het kind betrekken op een bij de leeftijd passende manier.</al>
                    <al>Net als bij intentioneel deelgezag, zal het verzoek om deelgezag door de gezagdrager, of bij gezamenlijk gezag door de gezagdragers gezamenlijk, samen met de beoogd deelgezagdrager moeten worden gedaan. Met een rechterlijke toets wordt geborgd dat deelgezag niet tot stand kan komen als het belang van het kind zich verzet tegen de formele toevoeging van de beoogd deelgezagdrager aan de betrokkenen bij de dagelijkse verzorging en opvoeding. Het verzoek om deelgezag wordt toegewezen indien het in het belang van het kind is. De rechter zal het verzoek bijvoorbeeld kunnen afwijzen als er aanwijzingen zijn dat deelgezag tot conflicten zal leiden. Gelet op het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap, zal de rechter ook de belangen van de juridische ouder zonder gezag meewegen bij een verzoek om deelgezag, waarbij het belang van het kind centraal staat. De rechter zal verder moeten toetsen of de gezagdrager(s) en beoogd deelgezagdrager bevoegd zijn om (deel)gezag uit te oefenen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Gezagsregister</titel>
                    </kop>
                    <al>Deelgezag wordt ingeschreven in het gezagsregister. Dit is immers de plaats waar rechtsfeiten met betrekking tot het gezag worden bijgehouden. Het gezagsregister is openbaar, hetgeen betekent dat professionele partijen, zoals de advocatuur en de raad voor de kinderbescherming, een uittreksel uit het gezagsregister kunnen opvragen. Andere organisaties en burgers kunnen een incidentele bevraging doen bij een gerecht. Hiermee wordt de kenbaarheid van wie belast is met deelgezag gewaarborgd.</al>
                    <al>Deelgezag zal op eenzelfde manier in het gezagsregister worden vermeld als dat gebeurt met andere situaties waarin naast de ouders een derde persoon het gezag heeft. Overigens: een aantekening van deelgezag zegt nog niets over wie het gezag uitoefenen. Gezag dat van rechtswege automatisch wordt verkregen, wordt immers niet in het gezagsregister geregistreerd.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.5</nr>
                    <titel>Einde deelgezag</titel>
                  </kop>
                  <al>Deelgezag kan van rechtswege eindigen of door een uitspraak van de rechtbank. Deelgezag eindigt van rechtswege op de dag dat de minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt, door overlijden van de minderjarige of door overlijden van de deelgezagdrager.</al>
                  <al>Om deelgezag door een uitspraak van de rechtbank te laten beëindigen kan door de gezagdrager(s) en deelgezagdrager(s) gezamenlijk of door één van hen een verzoek hiertoe worden ingediend. De behoefte tot het beëindigen van deelgezag kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld conflicten tussen de gezagdrager of deelgezagdrager.</al>
                  <al>Indien dat in het belang van het kind is, moet het mogelijk zijn om het deelgezag op verzoek van een derde te beëindigen. Bijvoorbeeld omdat er grote zorgen zijn over het kind en de opvoedingssituatie of omdat de deelgezagdrager het deelgezag niet op een verantwoorde manier uitoefent of misbruikt. Dit is ook de reden waarom de raad voor de kinderbescherming en het openbaar ministerie de mogelijkheid hebben om een verzoek tot beëindiging van deelgezag in te dienen. De rechter beoordeelt of beëindiging van het deelgezag in het belang is van het kind.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.6</nr>
                    <titel>Deelgezag en kinderbeschermingsmaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <al>Een kinderbeschermingsmaatregel is een gezagsmaatregel.<noot id="n22" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>In artikel 1.1 Jeugdwet is bepaald welke maatregelen hieronder vallen.</noot.al></noot> Het gezag kan worden beperkt, geschorst of beëindigd. Bij een kinderbeschermingsmaatregel zijn er zorgen over de veiligheid van het kind. De gezagdragers dragen primair de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind. Als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, is het de verantwoordelijkheid van de ouders om samen met de gecertificeerde instelling te werken aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Een maatregel die de gecertificeerde instelling kan nemen, zoals het geven van een schriftelijke aanwijzing, zal om die reden niet aan de deelgezagdrager gericht kunnen worden. De gezagdrager zal de deelgezagdrager hierin moeten betrekken voor zover het gaat om beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Verwerken persoonsgegevens</titel>
                </kop>
                <al>Deelgezag wordt ingeschreven in het openbaar gezagsregister. De rechtspraak is belast met het beheer van het gezagsregister. Via het (digitaal) indienen van een formulier deelgezag kan aan de griffier van de rechtbank worden verzocht om een aantekening van deelgezag in het gezagsregister of de gezagsbeschikking zal in het gezagsregister moeten worden bijgeschreven.</al>
                <al>Op de inschrijving en openbaarmaking is de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG) van toepassing.<noot id="n23" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Zie voor een beschrijving van de systematiek van de AVG Kamerstukken II 2017/2018, <extref doc="kst-34851-3" soort="document" status="actief">34 851, nr. 3</extref>, p. 52 e.v.</noot.al></noot> De griffier verwerkt bij de vermelding in het gezagsregister persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4 van de AVG. Het gaat om persoonsgegevens betreffende de persoon van de minderjarige en van de deelgezagdrager. Het openbaar maken van de deelgezagdrager in het gezagsregister is nodig om aan belanghebbenden en andere derden inzicht te geven in het gezag over een minderjarige. Verwerking van persoonsgegevens is rechtmatig mits zij op een van de in artikel 6, eerste lid, AVG opgenoemde gronden berust. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de wettelijke taakuitoefening van de rechtspraak inzake het gezagsregister<noot id="n24" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1:244 BW en het Besluit gezagsregisters.</noot.al></noot> geschiedt op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, AVG. De Raad voor de rechtspraak is verwerkingsverantwoordelijke en op hem rusten de verplichtingen die volgen uit de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de AVG. Het toezicht van de AP is beperkt waar het gaat om verwerkingen door gerechten bij de uitoefening van hun rechterlijke taken (artikel 55, derde lid, AVG). De AP heeft advies uitgebracht en heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Gevolgen voor burgers en de rijksbegroting</titel>
                </kop>
                <al>Het navolgende beschrijft eerst wat de verwachte regeldruk gevolgen zijn voor burgers en vervolgens de verwachte financiële gevolgen voor de rijksbegroting.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.1</nr>
                    <titel>Regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel heeft regeldrukeffecten voor burgers. Deze kunnen worden uitgesplitst naar administratieve lasten en inhoudelijke nalevingskosten. Administratieve lasten zijn de kosten die burgers en bedrijven moeten maken om te voldoen aan informatieverplichtingen jegens de overheid die voortvloeien uit wet- en regelgeving. De inhoudelijke nalevingskosten bestaan uit kosten die burgers en bedrijven moeten maken om aan de inhoudelijke verplichtingen te voldoen die nieuwe wet- en regelgeving stelt.</al>
                  <al>Over de te verwachten regeldrukeffecten van de verplichtingen die uit dit wetsvoorstel voortvloeien voor burgers zij het volgende opgemerkt. Het wetsvoorstel brengt geen administratieve lasten mee, omdat niet wordt voorzien in wettelijke informatieverplichtingen jegens de overheid. Wel brengt het wetsvoorstel inhoudelijke nalevingskosten mee. Het digitaal aanvragen van gezamenlijk gezag is kosteloos en dat zal ook gaan gelden voor het digitaal aanvragen van deelgezag. Indien deelgezag via een verzoek aan de rechtbank wordt aangevraagd, zullen advocaatkosten en griffierechten betaald moeten worden. Het Adviescollege Toetsing en Regeldruk (ATR) adviseert om voor beide wegen een indicatie van de kosten te maken. Daarbij is relevant hoeveel tijd het kost om de aanvraag te doen. Voor deelgezag tot aan drie maanden na de geboorte van een kind kan worden gedacht aan een tijdsbesteding van 1 uur voor het invullen van de digitale aanvraag. Voor aanvragen voor deelgezag die later dan drie maanden na de geboorte van een kind worden gedaan moet een verzoek aan de rechtbank worden gedaan waarvoor kan worden gedacht aan een tijdsbesteding van 15 uur. Daarbij is tussenkomst van een advocaat vereist en zijn griffierechten verschuldigd. Het aantal aanvragen van deelgezag op jaarbasis is onduidelijk, een grove inschatting is niet te maken. Bij het ontbreken hiervan is een weergave van de structurele jaarlijkse regeldrukkosten voor burgers voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet realiseerbaar.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.2</nr>
                    <titel>Financiële gevolgen</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel heeft gevolgen voor de werklast van de rechtspraak, omdat deelgezag via de rechtbank tot stand komt en registratie van deelgezag in het gezagsregister plaatsvindt. De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is technisch en financieel verantwoordelijk voor het gezagsregister. Omdat deelgezag een nieuwe vorm van gezag is, zullen hierover mogelijk ook vragen binnenkomen bij de griffies en het Rechtspraak Service Centrum. Verder zijn rechtbanken wettelijk verplicht om de gemeente te informeren over een aantekening in het gezagsregister van een minderjarige. Daarnaast zullen bij de rechtbanken mogelijk meer verzoeken van professionals komen om inzage in het gezagsregister en/of een uittreksel hiervan als zij door de deelgezagdrager worden gevraagd om informatie over het kind. Voor professionals is het van belang om zekerheid te hebben over of de deelgezagdrager bevoegd is om een verzoek om informatie betreffende het kind te doen. Tegelijkertijd met de internetconsultatie is een uitvoeringstoets uitgevraagd bij de Rvdr. Voor de Rvdr staat vast dat er een toename van het aantal zaken zal zijn omdat het wetsvoorstel situaties creëert met conflictpotentieel. Over veel zaken rond de verzorging en opvoeding van een kind kunnen betrokkenen van mening verschillen. Het is echter ondoenlijk voor de Rvdr om vooraf in te schatten hoe vaak men in dit soort situaties ook de gang naar de rechter zal maken, te meer nu het wetsvoorstel voor deze veronderstelde conflicten niet in een rechtsingang voorziet. Omdat de Rvdr geen inschatting kan maken van de aantallen, kan zij ook geen inschatting maken van de toename van de gemiddelde zaakzwaarte. Duidelijk is echter wel voor de Rvdr dat er een verzwaring van de werklast is als gevolg van het wetsvoorstel. Hoe meer partijen bij een zaak zijn betrokken, hoe complexer de behandeling van de zaak. Dit vertaalt zich naar een hogere prijs per zaak. Voor de behandeling van zaken op grond van artikel 1:253zb BW geldt een termijn van zes weken. Deze zaken moeten dus snel op zitting komen. Dat vergt voldoende rechters, juridisch en administratief medewerkers, aldus de Rvdr. Het wetsvoorstel zal volgens de Rvdr leiden tot meer gezag- en omgangszaken en meer onderzoeken door de raad voor de kinderbescherming die door de rechtbank kan worden gevraagd om advies bij een verzoek aan de rechtbank om deelgezag uit te spreken. Mocht er een geschil in het kader van deelgezag ontstaan, dan kan de raad voor de kinderbescherming een onderzoek uitvoeren zoals nu bij gezag- en omgangszaken gebeurt. Deelgezag kan daarmee tot een toename van de werklast van de raad voor de kinderbescherming leiden en daaruit volgend tot meer jeugdbeschermingszaken met extra werklast voor gecertificeerde instellingen.</al>
                  <al>De Rvdr wijst er daarnaast op dat het Besluit gezagsregisters moet worden aangepast naar aanleiding van deze wet. Er is tijd en geld gemoeid met het realiseren van de benodigde (technische) aanpassingen van het gezagsregister. Voorts is met het registreren van gezagsbeslissingen in het gezagsregister tijd gemoeid. Kosten en doorlooptijd zullen in kaart gebracht worden op het moment dat het aangepaste Besluit gezagsregisters in concept gereed is. De Rvdr zal dan deze kosten begroten in het kader van de aanpassing van het Besluit gezagsregisters.</al>
                  <al>Wijzigingen in de gezagsverhouding van de minderjarige worden door de gemeente opgenomen in de Basisregistratie personen (BRP). Deelgezag heeft hiermee ook gevolgen voor gemeenten. De BRP voorziet overheidsorganen en aangewezen derden van persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun wettelijke taken. Circa 700 gebruikers ontvangen oudergegevens. Om bij invoering van deelgezag registratie van maximaal twee deelgezagdragers en verstrekking van die gegevens mogelijk te maken, zijn juridische en technische aanpassingen nodig. De Nederlandse vereniging voor burgerzaken (NVVB) heeft in haar consultatiereactie geen aanleiding gezien tot het maken van opmerkingen anders dan dat het van belang is voor de burgerzakenpraktijk dat de registratie van deelgezag in de BRP goed wordt ingeregeld. Het inregelen zal worden meegenomen bij andere aanpassingen van de BRP waarin wordt voorzien. De eventuele kosten zullen dan worden begroot.</al>
                  <al>Daarnaast geldt dat burgers met een laag inkomen of vermogen mogelijk in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Dit leidt tot een beperkte toename van het aantal aanvragen om gesubsidieerde rechtsbijstand.</al>
                  <al>Invoering van deelgezag leidt niet tot aanspraken die ouders hebben zoals ouderschapsverlof of kindgebonden budget. De deelgezagdrager is niet de ouder van het kind en draagt geen financiële verantwoordelijkheid voor het kind.</al>
                  <al>De kosten van toename van de werklast van de Rvdr komt ten laste van het Rijk. Ook de eventuele toename van de werklast van de raad voor de kinderbescherming, alsmede een mogelijke toename van aanvragen om gesubsidieerde rechtsbijstand, zullen gevolgen voor de rijksbegroting hebben. Omdat het moeilijk is om de mogelijke toename van de werklast en de bijbehorende kosten voor uitvoeringsorganisaties – voortvloeiend uit deze wetgeving – op voorhand in te schatten zal pas bij inwerkingtreding van de wet deelgezag duidelijker worden wat de gevolgen voor de rijksbegroting zijn. Ook zijn eventuele lange termijn effecten niet uit te sluiten.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Consultatie</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.1</nr>
                    <titel>Inleiding</titel>
                  </kop>
                  <al>Een voorontwerp van dit wetsvoorstel is van 24 april 2020 tot 24 mei 2020 in (internet)consultatie gegeven. Daarop zijn 688 reacties ontvangen, waarvan 395 reacties openbaar zijn. Het kabinet waardeert de grote betrokkenheid van organisaties en burgers bij dit wetsvoorstel. De vele reacties zijn uiteenlopend maar voornamelijk kritisch van aard. Er zijn burgers en belangenorganisaties die vinden dat het wetsvoorstel niet ver genoeg gaat. Zij bepleiten een stevigere positie voor derden die betrokken zijn bij de opvoeding van een kind, oplopend tot volledig meerouderschap en meeroudergezag. Daartegenover staan reacties van burgers en belangenorganisaties die menen dat het wetsvoorstel (veel) te ver gaat en onnodig is. Ook zijn er adviezen met een meer technisch karakter. Van de volgende organisaties zijn commentaren ontvangen: Rvdr, Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), Nederlandse vereniging Familie- en erfrecht Advocaten en Scheidingsmediators (vFAS), Raad voor Straftoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), Branches gespecialiseerde Zorg voor Jeugd, o.a. Jeugdzorg Nederland (BGZJ), Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP), Artsenfederatie (KNMG), COC Nederland/Meer dan gewenst/Transgender Netwerk Nederland/Nederlandse organisatie voor seksediversiteit (COC), Stichting Dutch Rainbow Familyprofessionals (Durf), Samenwerkingsverband van ouderorganisaties (SWV), Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie en Vereniging voor Mediators in het Notariaat (KNB/VMN), Defence for children (DfC) en Adviescollege Toetsing en Regeldruk (ATR). Hierna wordt eerst ingegaan op de commentaren van deze organisaties aan de hand van de meest in het oog springende thema’s. Aansluitend wordt ook stilgestaan bij de reacties van burgers die zijn ontvangen, mede aan de hand van de verschillende perspectieven van waaruit is gereageerd. Ten slotte wordt ingegaan op een aantal meer technische opmerkingen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.2</nr>
                    <titel>Consultatiethema’s</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>In de consultatie is door de hiervoor genoemde belangenorganisaties en burgers met name aandacht gevraagd voor de volgende twee thema’s:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>het belang van het kind;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>de ongelijkheid tussen (deel)gezagdragers en het conflictpotentieel van de regeling.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Over deze thema’s zij het volgende opgemerkt.</al>
                  </al-groep>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Belang van het kind</titel>
                    </kop>
                    <al>Gesteld wordt door onder meer de NOvA, de RSJ, DfC, de BGZJ en het SWV dat het belang van het kind onderbelicht is gebleven in het voorontwerp. Betwijfeld wordt of er een wetsvoorstel deelgezag nodig is om het belang van het kind te dienen. Het kabinet benadrukt dat kinderen over het algemeen gebaat zijn bij het éénduidig uitgangspunt van wettelijk gezag bij de juridische ouders. Het kabinet is echter van mening dat de situatie waarin kinderen opgroeien divers is en dat het belang van het kind meerzijdig is. Indien meerdere mensen betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding, is een kind er naar het oordeel van het kabinet ook bij gebaat dat er door deelgezag meer duidelijkheid komt over de rol van die derde of vierde persoon. Het kabinet meent dat het invoeren van deelgezag een verduidelijking biedt over de rol van de beoogd deelgezagdrager en waarborgen voor behoud van contact met de deelgezagdrager die in het belang zijn van een kind. Het belang van het kind moet in dit geval worden gezien in een meervoudig genuanceerde balans. Wanneer meer dan twee personen nauw betrokken zijn bij de opvoeding van een kind biedt de huidige wet daarvoor nu onvoldoende kader. Met deelgezag ontstaat er meer erkenning van de relatie tussen het kind en de personen met wie het bij de dagelijkse verzorging en opvoeding in nauwe betrekking staat. De mogelijkheid dat eventuele familiale conflicten ook juridische conflicten worden is in deze regeling beperkt. Hierdoor wordt de rechtspositie van het kind versterkt. Het uitgangspunt voor het kind is de continuïteit in zijn opvoedingsrelatie, het belang van een evenwichtige ontwikkeling en een helder toekomstperspectief. Een recht op omgang met degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot kinderen is onderdeel van het meeromvattende deelgezag. Het wettelijk beschermen van de relatie tussen het kind en een derde (en vierde) volwassene die betrokken is bij de verzorging en opvoeding van het kind is daarmee naar het oordeel van het kabinet wel degelijk in het belang van zowel de deelgezagdrager als het kind.</al>
                    <al>De Rvdr geeft specifiek aan dat er meer personen met rechten ten aanzien van het kind komen door deelgezag, maar dat weinig aandacht is voor plichten ten opzichte van het kind. Het kabinet deelt met de Rvdr dat het dragen van verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van een kind hoort te worden gestut met het hebben van rechten én plichten als deelgezagdrager. De tekst van de toelichting is naar aanleiding hiervan aangepast, om deze intentie meer expliciet te maken. Om de verplichtingen van de deelgezagdrager beter tot uitdrukking te brengen is tevens artikel 1:253z BW uitgebreid. Het recht van het kind op verzorging en opvoeding door en omgang met de deelgezagdrager is geconcretiseerd door er een nieuw tweede lid tussen te voegen waarin dit tot uiting komt. Hierdoor wordt de plicht c.q. verantwoordelijkheid van de deelgezagdrager naar het kind toe voor de dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding wettelijk verankerd en komt ook het belang van het kind bij deelgezag meer expliciet tot uitdrukking. Uit het recht van het kind op verzorging en opvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager volgen specifieke verplichtingen voor de deelgezagdrager en gezagdragers waardoor een evenwichtige balans bestaat in de verzorging en opvoeding. Aan het uitoefenen van deelgezag heeft het kabinet, anders dan de Rvdr suggereert, geen onderhoudsverplichting gekoppeld omdat daarvan de verwachting is dat dit de kans op conflicten zal vergroten. Een groter aantal onderhoudsplichtigen betekent meer kansen op een voor de verdeling van de onderhoudsbijdragen relevante wijziging van omstandigheden. Daardoor zal deze verdeling vaker opnieuw moeten worden berekend en als partijen daar onderling niet uitkomen, door de rechter moeten worden vastgesteld.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Ongelijkheid en conflictpotentieel</titel>
                    </kop>
                    <al>Volgens onder meer de vFAS, Durf en het COC is een blijvend knelpunt de ongelijkheid tussen gezagdragers en deelgezagdragers omdat de deelgezagdrager afhankelijk is van de gezagdragers en onvoldoende rechtsmiddelen heeft. Daartegenover verwachten de Rvdr, de NOvA, de RSJ, het SWV, DfC en de BGZJ dat als meer personen betrokken zijn bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van een kind dat zal leiden tot meer conflicten. Met deze belangenorganisaties acht het kabinet het aannemelijk dat hoe meer personen nauw betrokken zijn bij de opvoeding van een kind, hoe eerder dit ook zou kunnen leiden tot conflicten. Dit neemt niet weg dat in veel opvoedingssituaties al een derde of vierde persoon nauw bij de opvoeding van een kind wordt betrokken. Het wetsvoorstel deelgezag roept deze situaties niet in het leven, maar reageert daarop door de rolverdeling in deze situaties te verhelderen. Gegeven de nauwe betrokkenheid van meerdere personen, en het belang van het kind bij continuïteit in diens opvoedsituatie, acht het kabinet een betere bescherming van de positie van de derde en vierde betrokkene wenselijk. In de regeling is een balans gezocht tussen rechten en plichten van deze betrokkenen en een beperking van de mogelijkheid dat eventuele familiale conflicten ook juridische conflicten worden.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.3</nr>
                    <titel>Deelgezag in verschillende gezinssituaties</titel>
                  </kop>
                  <al>Naast de hiervoor besproken organisaties hebben vele burgers gereageerd vanuit het perspectief van meerouders, pleegouders en stiefouders. Vanuit het perspectief van grootouders en andere mogelijke betrokkenen bij de opvoeding zijn nauwelijks reacties ontvangen. Aan de hand van de verschillende gezinssituaties zij het volgende opgemerkt.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Meeroudergezinnen</titel>
                    </kop>
                    <al>Er zijn burgers en organisaties die de voorgestelde regeling van deelgezag met een positieve grondhouding omarmen, maar het voorstel niet ver genoeg vinden gaan. Zij willen dat de wet de deelgezagdrager meer rechten biedt, zodat een meer gelijkwaardig ouderschap ontstaat. Meerdere respondenten, waaronder de vFAS, het COC en Durf, merken expliciet op dat deelgezag niet voorziet in de behoefte aan gelijkstelling van het ouderschap bij meerouders. Zij vinden dat er een volwaardige regeling voor meerouders moet komen. Het kabinet heeft begrip voor deze wens, maar heeft vooralsnog niet gekozen voor meerouderschap en meeroudergezag, zie hierover meer uitgebreid de kabinetsreactie op de Staatscommissie Herijking ouderschap en de reactie op de motie van het Lid Bergkamp c.s..<noot id="n25" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Brief analyse invoering meerouderschap, 16 oktober 2020, <nadruk type="cur">Kamerstukken</nadruk> II 2019/2020, <extref doc="kst-33836-58" soort="document" status="actief">33 836, nr. 58</extref> en <nadruk type="cur">Kamerstukken</nadruk> II 2018/2019, <extref doc="kst-33836-45" soort="document" status="actief">33 836, nr. 45</extref>.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Pleeggezinnen</titel>
                    </kop>
                    <al>De NVP, het SWV, de BGZJ en DfC pleiten vanuit de bijzondere positie van pleegouders naast ouders en/of voogden voor een aparte aanvullende regeling voor pleegouders. Pleegouders hebben volgens hen met name behoefte aan gezag voor praktische zaken zoals het openen van een bankrekening, inschrijving op een school of een medische behandeling. De NOvA en de vFAS belichten dat deelgezag wel iets tegemoetkomt aan de knelpunten waar pleegouders in de praktijk van een pleeggezin tegenaan lopen. In een recent WODC onderzoek ‘Eenvoudige adoptie van pleegkinderen’<noot id="n26" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>M.J. Vonk, W.D. de Haan, C.G. Jeppesen de Boer en G.C.A.M. Ruitenberg, Eenvoudige adoptie van pleegkinderen, WODC December 2019.</noot.al></noot> waarop separaat een kabinetsreactie volgt, komt onder meer naar voren dat pleegouders niet altijd op de hoogte zijn van de verschillende mogelijkheden met betrekking tot adoptie en voogdij. In het Actieplan Pleegzorg wordt hier verder aandacht aan besteed. Omdat er veel soorten pleegzorgsituaties bestaan die om verschillende juridische kaders vragen wil het kabinet dit wetsvoorstel niet op deze ontwikkelingen laten wachten.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Samengestelde gezinnen</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanuit de positie van stiefouders zijn er verschillende geluiden naar voren gebracht. Sommigen vinden dat de regeling deelgezag onnodig is voor stiefouders. Onder meer de RSJ, de BGZJ en DfC stellen dat voor harmonieuze samengestelde gezinnen – waar het nu toch al goed gaat – deelgezag geen toegevoegde waarde heeft. Anderen vinden juist dat de regeling een versterking vormt van de positie van stiefouders. De NOvA stelt bijvoorbeeld dat deelgezag een aantal knelpunten uit de praktijk voor stiefouders oplost. Met name het recht op informatie lijkt een oplossing te kunnen bieden voor praktische problemen op school en bij de huisarts, aldus de NOvA. De Rvdr verwacht juist uitvoeringsproblemen in de praktijk doordat professionals ook deelgezagdragers van informatie zullen moeten gaan voorzien. Er zijn ook burgers die de voorstellen van de hand wijzen. Ook zij menen dat deelgezag geen nut heeft voor samengestelde gezinnen. Sommigen oordelen dat er eerst meer geregeld moet worden voor juridische ouders en dat ouderverstoting moet worden tegengegaan omdat gevreesd wordt de zeggenschap over een kind te verliezen. Ook het SWV is van mening dat er geen wet moet komen waarin, naast de ouders, ook aan niet juridische ouders deelgezag wordt toegekend. Het SWV vindt dat eerst het recht op gezag van ouders die hun kind erkend hebben moet zijn gewaarborgd en kinderen niet meer mogen opgroeien in één-oudergezinnen waarin zij van de andere ouder en diens familie zijn vervreemd. Daarnaast zijn er burgers die, al dan niet op grond van hun geloofsovertuiging, vinden dat er maar twee ouders kunnen en zouden moeten zijn en dat niet ter vrije bepaling van mensen zou moeten staan dat er een derde persoon bij de opvoeding van een kind wordt betrokken met wettelijke rechten. Zij menen dat de sociale en maatschappelijke gevolgen hiervan niet wenselijk zijn of op de langere termijn enkel tot conflicten leiden.</al>
                    <al>Het kabinet stelt met het wetsvoorstel deelgezag de maatschappelijke realiteit waarin kinderen opgroeien voorop. Die realiteit omvat in een groeiend aantal gevallen situaties waarin meer personen dan de twee ouders nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een kind. Het voorstel biedt een verheldering en erkenning voor deze situaties, voor die gevallen waarbij alle betrokkenen het eens zijn met die situatie. Het kabinet meent dat het voorstel juist ook van nut is voor samengestelde gezinnen mits, voordat deelgezag tot stand komt, in goede harmonie afspraken worden gemaakt tussen de verschillende verzorgende personen. Ook in samengestelde gezinnen kan deelgezag op passende wijze ondersteuning bieden. Deze steun wordt voor kinderen gewaarborgd door rechtelijke tussenkomst. Met de belangenorganisaties deelt het kabinet dat het belang van het kind leidend is voor de keuze om al of niet deelgezag te verlenen. Dit neemt niet weg dat het kabinet het wenselijk acht dat een rechterlijke toets bij deelgezag over een kind ouder dan drie maanden waarborgt dat de keuze van deelgezag door de gezagdragers en de beoogd deelgezagdrager en het kind weloverwogen wordt gemaakt. Daarnaast beschermt de huidige regeling over het ontstaan van het ouderschap van rechtswege de positie van de bekende biologische vader. Hij kan door huwelijk of geregistreerd partnerschap en ook door deelgezag niet van het ouderschap worden uitgesloten, noch vormt deelgezag een hindernis voor het ontstaan van gezag. De regeling deelgezag ziet nu juist op situaties waarbij verzorgende personen het met elkaar eens zijn waarbij geen sprake is van ouder<?xpp afbm?>verstoting, of een gebrek aan rechten van een andere ouder. Het kabinet houdt dan ook vast aan de mogelijkheid van deelgezag voor alle situaties van opgroeien: of het kind nu opgroeit met meerouders, stiefouders, pleegouders, e.a. belanghebbenden zoals grootouders of andere familieleden. Het kabinet meent met dit wetsvoorstel een evenwichtige stap te zetten die in het belang is van het kind en waardoor naast ouders en voogden ook andere nauw betrokkenen bij de verzorging en opvoeding van een minderjarige een duidelijkere positie krijgen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.4</nr>
                    <titel>Overige aspecten</titel>
                  </kop>
                  <al>De consultatie leverde ook verschillende suggesties met een meer technisch karakter op tot verbetering van de regeling, dan wel verduidelijking van de toelichting daarop. Hieraan is op passende wijze aandacht besteed. Gelet op het grote aantal reacties die in de (internet)consultatie zijn ontvangen, kan hier niet op alle suggesties en opmerkingen afzonderlijk worden ingegaan. De meest in het oog springende kwesties worden hier genoemd:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Door de Rvdr is onder meer de suggestie gedaan om in de memorie van toelichting nader in te gaan op de samenloop met kinderbeschermingsmaatregelen. Deelgezag heeft geen gevolgen voor kinderbeschermingsmaatregelen. Aangezien gezagdragers de eindverantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van een kind dragen, kan een kinderbeschermingsmaatregel alleen tot de gezagsdragers gericht worden. Waar kinderbeschermingsmaatregelen zich ook richten op de dagelijkse verzorging en opvoeding, zullen de gezagdragers de eventuele deelgezagdrager moeten betrekken bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Dat geldt overigens ook voor bij de opvoeding betrokkenen die geen deelgezag dragen. Deelgezag maakt betrokkenen geen belanghebbenden bij procedures inzake kinderbeschermingsmaatregelen.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr vraagt naar de vreemdelingenrechtelijke aspecten van deelgezag. Daarvoor geldt dat geen verblijfsaanspraak voor een kind dan wel een deelgezagdrager kan worden gebaseerd op deelgezag.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Door de NOvA, de Rvdr en DfC is de suggestie gedaan om meer aandacht te besteden aan de internationaal privaatrechtelijke aspecten van het wetsvoorstel, in het bijzonder erkenning in het buitenland. Voor erkenning van deelgezag in het buitenland geldt dat het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (HKV 1996) van toepassing is omdat deelgezag rechten omvat die onder het bereik van dit verdrag vallen. Deelgezag zal in landen die zijn aangesloten bij dit verdrag doorwerken op grond van artikel 23 van dat verdrag. Daarnaast is Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II Bis Verordening) van toepassing op grond waarvan deelgezag wordt erkend in andere lidstaten. Hierin komt geen verandering met de inmiddels aangenomen herschikking van de verordening.<noot id="n27" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking). Deze verordening houdt in het formulier in bijlage II al rekening met delen van het gezag voor meer dan twee personen.</noot.al></noot></al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr merkt op dat het wetsvoorstel niet voorziet in wijzigingen van strafrechtelijke bepalingen. Gelet op het uitgangspunt dat een deelgezagdrager altijd in overeenstemming met de gezagdragers moet handelen is een wijziging van het strafrecht, zoals het onttrekken aan het gezag, niet nodig. Het kabinet heeft hierin een bewuste keuze gemaakt om het conflictpotentieel van de regeling tot een minimum te beperken.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Door onder andere de Rvdr, de vFAS en de KNB/VMN is opgemerkt dat het wetsvoorstel niet voorziet in een verplichting om de afspraken over de dagelijkse verzorging en opvoeding in een plan of overeenkomst vast te leggen. Het kabinet is het ermee eens dat op het moment dat de gezagdragers en beoogd deelgezagdrager deelgezag willen vestigen het maken van afspraken wenselijk is. Het kabinet maakt het maken van schriftelijke afspraken in een deelgezagplan of -overeenkomst, met inschrijving ervan in het gezagsregister, echter niet mogelijk. De opname van deze afspraken in het gezagsregister zou veronderstellen dat derden kennis moeten kunnen nemen van deze afspraken om daarbij rekening te houden in het contact met verzorgers en kind. Dat zou tot onwerkbare situaties leiden. Het kabinet kiest voor een vaste set rechten en plichten voor deelgezagdragers, waarmee ook derden rekening kunnen houden: een recht op omgang en een recht op informatie. Voor het recht op afstemming omtrent de dagelijkse verzorging is uitgangspunt dat de betrokkenen er gezamenlijk uit moeten komen en uit moeten blijven komen. De afspraken tussen ouders en deelgezagdragers over de invulling van de dagelijkse verzorging hebben daarmee geen derdenwerking.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>In Boek 1 BW worden de termen ‘minderjarige’ en ‘kind’ niet steeds consequent gebruikt, zoals de Rvdr terecht opmerkt. In de nieuwe afdeling 3AA en daar waar het wetsvoorstel wijzigingen doorvoert in andere titels en afdelingen van Boek 1 BW is zoveel als mogelijk aangesloten bij de in die context gebruikte terminologie en formuleringen (vergelijk bijvoorbeeld artikel 1:247 BW, artikel 1:245, zesde lid, BW en artikel 1:253z BW). Dit betekent dat de termen ‘minderjarige’ en ‘kind’ inderdaad door elkaar worden gebruikt. Wel is er in afdeling 3AA zoveel mogelijk voor gekozen om gebruik te maken van ‘het kind’ in plaats van ‘de minderjarige’ omdat duidelijk is dat met kind steeds wordt bedoeld: het minderjarige kind.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr vraagt of op grond van artikel 1:377g BW de minderjarige de rechter om een regeling kan vragen met de deelgezagdrager via de informele rechtsingang. Die vraag kan bevestigend worden beantwoord.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr vraagt wat er gebeurt met het deelgezag als het gezag van de ouders wordt geschorst (artikel 1:268 BW). Als het gezag van de gezagdragers is geschorst, blijft deelgezag gewoon bestaan. Dat zorgt voor continuïteit van de verzorging en opvoeding van het kind. Op grond van artikel 1:253ze, derde lid, BW kan zo nodig beëindiging van het deelgezag worden verzocht.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr vraagt naar de positie van een deelgezagdrager als er sprake is van tegenstrijdige belangen tussen gezagdragers en het kind over aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding en er een bijzondere curator is benoemd. Een bijzonder curator komt op voor de belangen van het kind en kan de deelgezagdrager horen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de gezagdragers.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>De Rvdr merkt op dat het begrip ‘zorgregeling’ nu niet voorkomt in de wet en wellicht voor verwarring kan zorgen. Naar aanleiding hiervan is het begrip ‘zorgregeling’ in artikel 1:253zb BW gewijzigd in ‘de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager’.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>DfC en de RSJ zijn van mening dat ook het kind om beëindiging van het deelgezag zou moeten kunnen verzoeken (artikel 1:253ze, derde lid, BW). Het wetsvoorstel bevat geen mogelijkheid voor het kind zelf om het deelgezag te beëindigen omdat daarmee een rechtsingang voor het kind zou ontstaan. De wenselijkheid en mogelijkheid van een zelfstandige rechtsingang voor het kind in zijn algemeenheid wordt naar aanleiding van aanbevelingen in een recent WODC-onderzoek verder verkend.<noot id="n28" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>De mogelijkheden voor een zelfstandige rol voor het kind zijn in een recent WODC onderzoek in kaart gebracht: M.R. Bruning, D.J.H. Smeets, K.G.A. Bolscher, J.S. Peper, R. Boer, e.a., Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie; Het hoorrecht en de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken, WODC maart 2020. Op dit rapport volgt nog een kabinetsreactie.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel leent zich er niet voor om dat hierin al mee te nemen.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>–</li.nr>
                      <al>Het advies van het ATR om het voorstel aan te vullen met een evaluatiebepaling is overgenomen. Het wetsvoorstel zal drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan de zorgen die zijn geuit door verschillende belangenorganisaties en burgers over de toegevoegde waarde en het conflictpotentieel van de regeling.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </divisie>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">II</nr>
                <titel>ARTIKELSGEWIJS</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>ARTIKEL I (Wijzigingen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek)</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel A (Deelgezagdrager)</titel>
                  </kop>
                  <al>In titel 14 van Boek 1 BW is het gezag over minderjarige kinderen geregeld. In deze titel wordt met dit wetsvoorstel een nieuwe afdeling 3AA ingevoegd over deelgezag. Artikel 1:245 BW gaat over het gezag in het algemeen. Aan dit artikel wordt een nieuw lid toegevoegd waarin is aangegeven wat onder deelgezagdrager wordt verstaan. Op deze wijze wordt meteen duidelijk dat deelgezag een onderdeel is van het gezag over minderjarige kinderen. Deelgezag is een nieuwe vorm van gezag naast de twee bestaande: ouderlijk gezag en voogdij. Als de drager of dragers van ouderlijk gezag of voogdij wordt bedoeld, is in de wettekst steeds het algemene begrip ‘gezagdragers’ gebruikt naast ‘deelgezagdrager’. De deelgezagdrager neemt gezamenlijk met de gezagdragers beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarig kind. Deelgezag kan worden uitgeoefend door maximaal twee anderen dan de gezagdragers.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel B (Deelgezag naast ouderlijk gezag)</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 1:247 BW gaat over het ouderlijk gezag. Deelgezag kan ontstaan naast ouderlijk gezag en betekent voor de ouders dat zij rekening moeten houden met de deelgezagdrager en vice versa. Een concreet gevolg van dit vereiste is dat ouders in een ouderschapsplan niet kunnen vastleggen dat het kind geen contact heeft met de deelgezagdrager. De rechter zal de norm in zijn ambtshalve toets van het ouderschapsplan moeten meenemen. Hij kan de ouders vragen het ouderschapsplan te wijzigen als het plan niet voldoet. Bijvoorbeeld als er een deelgezagdrager is die elke donderdag voor het kind zorgt, maar dit niet is weergegeven in het ouderschapsplan. De wijziging in artikel 1:247, derde lid, BW correspondeert met de wijziging in artikel 1:377a BW waarin is opgenomen dat de deelgezagdrager het recht heeft op en de verplichting tot omgang met het kind. In de nieuwe afdeling 3AA is geregeld dat op de deelgezagdrager de plicht rust om rekening te houden met de ouders met gezag die de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding dragen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel C (Schakelbepaling)</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 1:248 BW geeft door middel van een schakelbepaling naar artikel 1:247, tweede lid, BW ten eerste weer wat onder verzorging en opvoeding in het algemeen wordt verstaan. Daaronder worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijke en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ten tweede wordt weergegeven dat de deelgezagdrager, net als de ouders, in de verzorging en opvoeding geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toepast.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel D (Verplichtingen van het minderjarige kind)</titel>
                  </kop>
                  <al>De regeling deelgezag houdt onder meer in dat het kind dagelijkse beslissingen die de deelgezagdrager neemt, dient op te volgen. Hij dient bijvoorbeeld het correctierecht – niet te dicht in de buurt van die brandende kaars komen! – te accepteren. Het kind zal rekening moeten houden met de aan de deelgezagdrager toekomende bevoegdheid. De deelgezagdrager wordt daarom expliciet in artikel 1:249 BW genoemd. Ook hier is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande wettelijke kaders voor het gezag over een minderjarige.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdelen E en F (Voorkeurspositie deelgezagdrager voogdij na overlijden van alleen met gezag belaste ouder)</titel>
                  </kop>
                  <al>Deze onderdelen wijzigen de artikelen 1:253g en 1:253h BW van paragraaf 2 van Titel 14 die gaan over het gezag van ouders anders dan na scheiding. Uitgangspunt is dat door het overlijden van één of beide gezagdragende ouder(s) deelgezag niet eindigt omdat deelgezag is gerelateerd aan het kind. De deelgezagdrager heeft dan een voorkeurspositie voor het verkrijgen van de voogdij, vergelijkbaar met de huidige voorkeurspositie van de ouder zonder gezag. Dat houdt concreet in dat de rechter daar alleen in zwaarwegende gevallen aan voorbij kan gaan.</al>
                  <al>Onder de wettelijke term ‘gezag’ wordt verstaan ouderlijk gezag en voogdij. Een deelgezagdrager kan niet worden belast met ouderlijk gezag, alleen met voogdij.<noot id="n29" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Tenzij artikel 1:253t BW van toepassing is.</noot.al></noot> Daar waar in de artikelen staat ‘met het gezag wordt belast’, is voor de deelgezagdrager bedoeld dat hij als voogd benoemd kan worden. Als van de ouders diegene overlijdt die het gezag over de minderjarige kinderen alleen uitoefent, kan de rechter op verzoek van de deelgezagdrager bepalen dat hij met de voogdij over deze kinderen wordt belast. Alleen als de rechter oordeelt dat het belang van het kind zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, kan hij het verzoek afwijzen. De juridische ouder zonder gezag heeft op grond van de huidige wet een voorkeurspositie en behoudt deze ook naast die van de deelgezagdrager (dubbele voorkeurspositie). Dit brengt tot uitdrukking dat gezamenlijk gezag van de juridische ouders steeds het uitgangspunt is evenals dat een persoon niet tegelijk kan worden belast met gezag en deelgezag. De Rvdr en de RSJ merkten op dat het bij deze dubbele voorkeurspositie niet duidelijk is hoe dit in de praktijk vorm moet krijgen, met name of een van deze personen dan voorgaat. Ter verduidelijking wordt benadrukt dat het gaat om dezelfde voorkeurspositie. Als zowel de juridische ouder zonder gezag als de deelgezagdrager met het gezag belast willen worden, zal de rechter moeten afwegen wat het meest in het belang van het kind is, zij wint hierbij zo nodig advies in van de raad voor de kinderbescherming.</al>
                  <al>Uit de wijzigingen in de artikelen 1:253g en 1:253h BW blijkt de voorkeur voor gezagsuitoefening door een ouder dan wel de deelgezagdrager. Artikel 1:253g BW ziet op alle gevallen waarin van de ouders diegene overlijdt die alleen met het gezag is belast. Ook de deelgezagdrager is bevoegd om een verzoek in te dienen om als voogd te worden benoemd. Op deze manier wordt gegarandeerd dat in alle gevallen bij overlijden in het gezag wordt voorzien. Het gaat erom ook de deelgezagdrager een positie te geven omdat het kind is gebaat bij continuïteit van de opvoedingssituatie. Het criterium voor afwijzing van het verzoek van de deelgezagdrager is hetzelfde als dat voor afwijzing van het verzoek van de overlevende ouder. De beslissing is overgelaten aan de rechter die steeds zal handelen in het belang van het kind.</al>
                  <al>Als niet de deelgezagdrager of de overlevende ouder, maar een derde met het gezag is belast, kan de deelgezagdrager verzoeken hem met het gezag te belasten in plaats van die derde. Het verzoek tot wijziging van het gezag kan slechts worden toegewezen bij gewijzigde omstandigheden of als er bij het nemen van de gezagsbeslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Als één van deze gevallen zich voordoet zal vervolgens beoordeeld moeten worden of gezagswijziging in het belang van het kind is. Eveneens kan de overleden ouder bij uiterste wilsbeschikking of door aantekening in het gezagsregister een persoon dan wel twee personen als (gezamenlijke) voogd(en) hebben aangewezen om het gezag over zijn kinderen te zullen uitoefenen. Doet de deelgezagdrager binnen een jaar na aanvang van de voogdij van de testamentaire voogd een verzoek tot wijziging van de voogdij, dan kan de rechter dit toewijzen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</al>
                  <al>Opgemerkt wordt dat er concurrerende aanspraken kunnen zijn van twee deelgezagdragers of van een ouder zonder gezag en een deelgezagdrager. In die situatie is het aan de rechter om te beoordelen bij wie het gezag het beste kan komen te liggen. Dat kan in een uitzonderlijke situatie ook een ander zijn dan de deelgezagdrager of de juridische ouder.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel G (Tijdelijke voogd)</titel>
                  </kop>
                  <al>Op advies van de Rvdr is de deelgezagdrager toegevoegd aan artikel 1:253q, vierde lid, BW. Op grond van artikel 1:253q in samenhang met artikel 1:253r BW kan onder meer tijdelijk een voogd worden benoemd wanneer één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert/verkeren het gezag uit te oefenen of hun verblijfplaats onbekend is. Doordat de deelgezagdrager is toegevoegd aan artikel 1:253q kan ook de deelgezagdrager een verzoek doen tot de tijdelijke benoeming van een voogd. De suggestie van de Rvdr om de deelgezagdrager een voorkeurspositie te geven als de ouder(s) beiden niet meer het gezag kunnen uitoefenen is eveneens overgenomen. Daarvoor is het derde lid van artikel 1:253q BW gewijzigd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel H (Gezamenlijk gezag)</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 1:253t BW is van toepassing als het gezag bij één ouder berust. De rechtbank kan dan op gezamenlijk verzoek van de met gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen met het gezamenlijk gezag belasten. Een deelgezagdrager is in dit geval ook een ander dan de ouder. De ander dan de ouder moet in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. Daarvan is sprake bij een deelgezagdrager.</al>
                  <al>Op grond van artikel 1:253t, tweede lid, BW gelden er twee cumulatieve voorwaarden in het geval er een andere juridische ouder is. Dat is niet altijd het geval, bijvoorbeeld bij kinderen van niet getrouwde ouders, waarvan de man het kind niet heeft erkend of bij door middel van kunstmatige donorseminatie verwekte kinderen binnen een lesbische relatie. Dan is er geen reden om de voorwaarden aan het gezamenlijk gezag ten grondslag te leggen. Bij deelgezag kan er wel sprake zijn van de aanwezigheid van een (tweede) juridische ouder en dan gelden de voorwaarden.</al>
                  <al>Het eerste vereiste is een jaar gezamenlijke zorg. De ouder en de deelgezagdrager waarmee hij gezamenlijk gezag wil uitoefenen, dienen op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar samen voor het kind te hebben gezorgd. Dit vereiste zal een rol spelen bij intentioneel ouderschap op grond van artikel 1:253zc BW. De termijn van ten minste een jaar geldt al voor deelgezag dat op grond van artikel 1:253zd, eerste lid, BW tot stand komt.</al>
                  <al>Het tweede vereiste is drie jaren alleen met het ouderlijk gezag zijn belast. Door het vereiste dat de ouder tenminste drie jaren alleen met het ouderlijk gezag is belast geweest, kan lichtvaardig gebruik van gezamenlijk gezag met een ander dan de ouder worden voorkomen. Na een scheiding kan niet op korte termijn met een nieuwe partner het gezag worden verkregen. Eerst dient de situatie van de ouder die met het gezag is belast in relatie tot de andere ouder bestendig te zijn. Ook als de andere juridische ouder instemt met het verzoek dient aan de termijn van tenminste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen gezag te zijn voldaan.</al>
                  <al>In het nieuwe zesde lid is geregeld dat in de situatie van de met gezag belaste ouder en de deelgezagdrager die gezamenlijk belast willen worden met het gezag over het kind de termijn van drie jaren niet van toepassing is. Artikel 1:253t BW is aangepast zodat een deelgezagdrager die al lange tijd met deelgezag is belast, met volledig gezag belast kan worden na het overlijden van de andere juridische ouder. Ook als beide gezagdragers overlijden, blijft deelgezag bestaan omdat het is gerelateerd aan het kind en in zoverre niet afhankelijk is van de gezagdragers.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel I (Nieuwe afdeling 3AA. in Titel 14)</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit onderdeel voegt een nieuwe afdeling 3AA in Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in met de titel: Deelgezag. Voor de eenheid is in de wettekst van dit voorstel gekozen voor zoveel mogelijk gebruik van ‘het kind’ in plaats van ‘de minderjarige’, omdat duidelijk is dat met kind steeds wordt bedoeld: het minderjarige kind. In deze afdeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande structuur van titel 14.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Paragraaf 1. Algemeen</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253z (Omvang van het deelgezag)</titel>
                      </kop>
                      <al>Deelgezag houdt in – kort gezegd – het recht tot het nemen van dagelijkse beslissingen bij de verzorging en opvoeding van een minderjarige. Het bevat een deelplicht en een deelrecht van de deelgezagdrager jegens het kind met betrekking tot een deel van de verzorging en opvoeding van het kind samen met de gezagdragers (ouders of voogden). Bij een eventueel geschil is de beslissing van de gezagdrager of gezagdragers doorslaggevend. Uitgangspunt is dat het deelgezag wordt uitgeoefend in het belang van het kind. In artikel 1:253z BW is bepaald wie met deelgezag kunnen worden belast en het geeft de reikwijdte van het deelgezag weer. De leden worden afzonderlijk toegelicht.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste lid (De persoon van de minderjarige)</titel>
                        </kop>
                        <al>Het eerste lid benadrukt dat deelgezag, anders dan gezag, alleen betrekking heeft op de persoon van de minderjarige. Gezag heeft ook betrekking op het bewind over het vermogen van de minderjarige en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte (artikel 1:245, vierde lid, BW).</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Tweede lid (Belang van het kind)</titel>
                        </kop>
                        <al>Om duidelijk te maken dat het bij deelgezag gaat om rechten én plichten van de deelgezagdrager, benadrukt het tweede lid dat het kind recht heeft op mede verzorging en opvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager. Voor deze formulering is aansluiting gezocht bij artikel 1:377a BW. Hierdoor wordt de plicht c.q. verantwoordelijkheid van de deelgezagdrager naar het kind toe voor de dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding wettelijk verankerd en komt het belang van het kind bij deelgezag expliciet tot uitdrukking. Uit het recht van het kind op verzorging en opvoeding door en omgang met zijn deelgezagdrager volgen specifieke verplichtingen voor de deelgezagdrager en gezagdragers waardoor een evenwichtige balans bestaat in de verzorging en opvoeding.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid (Beslissingen dagelijkse verzorging en opvoeding)</titel>
                        </kop>
                        <al>Het derde lid geeft aan dat deelgezag betrekking heeft op een deel van de gezagsuitoefening samen met de gezagdragers zijnde een ouder met ouderlijk gezag of voogd. De deelgezagdrager neemt gezamenlijk met de gezagdragers beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van een minderjarige. Op advies van de Rvdr is de formulering in artikel 1:253z, derde lid, BW beter afgestemd op die van artikel 1:245, zesde lid, BW. In beide artikelen staat nu dat het gaat om het nemen van beslissingen gezamenlijk met de gezagdragers. Zo is duidelijk dat deelgezag de bevoegdheid omvat tot het, gezamenlijk met de gezagdragers, nemen van beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind. Met dagelijkse beslissingen wordt bijvoorbeeld bedoeld de bedtijd, speelafspraken, het bezoeken van ouderavonden en een standaard doktersbezoek. Als de (deel)gezagdragers het niet eens worden over een beslissing omtrent de dagelijkse verzorging, is de beslissing van de gezagdragende ouders en/of voogden doorslaggevend. De gezagdrager of gezagdragers houdt of houden de volledige bevoegdheden en verplichtingen die bij het uitoefenen van het gezag horen. De gezagdragers en deelgezagdragers zullen samen afspraken moeten maken over waar de grenzen liggen, dat is niet wettelijk ingevuld. Daarom is het verstandig dat ouders en deelgezagdragers vooraf goede afspraken maken over wederzijdse verwachtingen. Zij kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om vooraf een plan op te stellen waarin de afspraken worden opgenomen. Eventuele geschillen over de dagelijkse verzorging en opvoeding kunnen niet door de deelgezagdrager worden voorgelegd aan de rechter. Onenigheid over bijvoorbeeld bedtijd, speelafspraken en voeding van het kind moet in goede harmonie worden opgelost en hoort niet bij de rechter thuis. Het belang van het kind is hiermee gediend.</al>
                        <al>Bij deelgezag gaat het om dagelijkse beslissingen die moeten worden genomen bij de verzorging en opvoeding van een minderjarige. De aanmelding bij een onderwijsinstelling, het geven van toestemming voor een medische behandeling (van het kind jonger dan twaalf jaar of van het kind van twaalf jaar of ouder dat niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake), het aanvragen van een paspoort, en de bepaling van de hoofdverblijfplaats van het kind zijn geen dagelijkse beslissingen. Opgemerkt wordt dat tot de leeftijd van zestien jaar zowel de minderjarige als de ouder met gezag moet instemmen met een medische behandeling. Bij dagelijkse beslissingen gaat het om beslissingen die het mogelijk maken om als opvoeder te kunnen functioneren. Wel dient de deelgezagdrager zijn beslissingen terug te koppelen aan de ouders. De gezagdragers houden de bevoegdheid om belangrijke beslissingen te nemen over de gezondheid, opvoeding, opleiding, ontspanning en eventuele godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind. Er is geen sprake van een limitatieve opsomming van wat wel en niet onder de dagelijkse beslissingen zou kunnen vallen. Met deze voorbeelden is een onderscheid tussen dagelijkse en fundamentele beslissingen weergegeven. Over fundamentele beslissingen dient de deelgezagdrager indien hij dat wenst te worden geïnformeerd en geconsulteerd.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Vierde lid (Deelgezag naast ouderlijk gezag)</titel>
                        </kop>
                        <al>Het vierde lid is het spiegelbeeld van artikel 1:247, derde lid, BW dat gaat over de omvang van het ouderlijk gezag. Deelgezag ontstaat in het belang van het kind naast het ouderlijk gezag. Op de deelgezagdrager rust de plicht om de banden met de ouders of voogd(en) en andere deelgezagdrager te bevorderen. Gezagdragers en deelgezagdragers hebben de verplichting ervoor te zorgen dat het kind niet wordt belast met verschillen in opvatting over de verzorging en opvoeding door gezagdragers en deelgezagdragers.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253za (Onbevoegdheid tot deelgezag en de gevolgen daarvan)</titel>
                      </kop>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste lid</titel>
                        </kop>
                        <al>De gronden voor onbevoegdheid om deelgezag uit te oefenen zijn in artikel 1:253za BW samengebracht. Er is aansluiting gezocht bij artikel 1:246 BW. Het eerste lid geeft weer wanneer natuurlijke personen onbevoegd zijn tot deelgezag. Dat zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier geestesvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het deelgezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is. Wie minderjarig zijn is geregeld in artikel 1:233 BW. Ongeacht de grond waarop iemand onder curatele is gesteld, is het gevolg ervan dat hij onbevoegd wordt tot uitoefening van het deelgezag (artikel 1:378 BW). Hoewel een geestelijke stoornis aanleiding kan zijn om onder curatele gesteld te worden, wordt het net als in artikel 1:246 BW ook als zelfstandige onbevoegdheidgrond genoemd. Tijdelijke geestelijke stoornis levert geen onbevoegdheid op.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Tweede lid</titel>
                        </kop>
                        <al>De gevolgen van onbevoegdheid van een deelgezagdrager zijn geregeld in het tweede lid. Als de deelgezagdrager onbevoegd is tot het uitoefenen van deelgezag op één van de gronden genoemd in het eerste lid, eindigt zijn deelgezag. Wanneer de grond van onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het deelgezag. De Rvdr merkt terecht op dat in het geval een curatele lange tijd (bijvoorbeeld jaren) duurt, het wenselijk is dat een toets plaatsvindt of het nog wel in het belang van het kind is dat het deelgezag herleeft. Dat zal van geval tot geval met de gezagdragers en de deelgezagdrager onderling moeten worden afgestemd. Tijdens de onbevoegdheid op grond van dit artikel – waardoor het deelgezag (tijdelijk) stopt – kan overigens niet iemand anders in aanmerking komen voor deelgezag, zoals de Rvdr suggereert. Met deelgezag kunnen immers maximaal twee personen worden belast. De in dit artikel genoemde omstandigheden kunnen er niet toe leiden dat van dat uitgangspunt wordt afgeweken, ook al kan het deelgezag (tijdelijk) feitelijk niet worden uitgeoefend. Gelet op de kans dat de grond voor onbevoegdheid na verloop van tijd weer wegvalt waardoor de bevoegdheid om deelgezag uit te oefenen herleeft, kan het in de tussentijd zo zijn dat maar één persoon deelgezag heeft.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Uitgangspunt in het familierecht is dat het kind recht heeft op gelijkwaardig ouderschap en dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Als er sprake is van gezag alleen door de moeder heeft de vader van het kind het recht om gezamenlijk gezag te verzoeken. De mogelijkheid van deelgezag voor de juridische ouder zou het uitgangspunt van gezamenlijk gezag kunnen doorkruisen. Niet beoogd is de afweging of de vader wel of niet met (gezamenlijk) gezag belast wordt, te veranderen met de introductie van deze regeling. In het derde lid is daarom uitgesloten dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind kan worden belast met deelgezag. Daarbij heeft de ouder zonder gezag al veel van de rechten van de deelgezagdrager. Deelgezag voor een ouder zonder gezag voegt in die zin ook weinig toe.</al>
                        <al>De tweede zin van het derde lid benadrukt het uitgangspunt dat een persoon niet tegelijk kan worden belast met gezag en deelgezag. Het deelgezag is voor personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een kind en die geen gezag kunnen krijgen.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Vierde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het vierde lid sluit uit dat een rechtspersoon wordt belast met deelgezag. Met deelgezag is beoogd de nauwe persoonlijke betrekking van het kind met een andere persoon dan de ouder te beschermen. Een rechtspersoon, zoals een gecertificeerde instelling, kan weliswaar belast worden met de voogdij, maar kan niet een dergelijke persoonlijke betrekking aangaan met het kind. Het zijn natuurlijke personen, zoals de pleegouders, die zorgdragen voor de feitelijke verzorging en opvoeding van het kind.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253zb (Blokkaderecht deelgezagdrager)</titel>
                      </kop>
                      <al>Het blokkaderecht dat is geregeld in artikel 1:253zb BW betreft een ordemaatregel en gaat over de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager. Omgang, informatie en consultatie maken onderdeel uit van deze toedeling. Als de gezagdrager of gezagdragers bijvoorbeeld willen verhuizen en de deelgezagdrager daardoor een minder grote rol kan spelen in de verzorging en opvoeding van een kind, dan zal de deelgezagdrager moeten instemmen met de wijziging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding. Stemt deze niet in, dan kunnen de gezagdragers de rechter om wijziging van de toedeling van verzorging en opvoeding verzoeken. De rechter dient daarbij artikel 1:377a BW over het omgangsrecht toe te passen. Hiermee biedt deelgezag waarborgen voor continuïteit voor het kind en een duidelijke, ook voor buitenstaanders herkenbare rol in situaties waarin meer dan twee personen zorgen voor een kind.</al>
                      <al>Een deelgezagdrager heeft geen zeggenschap over de verblijfplaats van de minderjarige. De blokkade is een ordemaatregel om de tijd te bieden om de wijziging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager zorgvuldig te regelen. Dit is vergelijkbaar met het blokkaderecht voor een wijziging van het verblijf van het kind (hoofdverblijfplaats, artikel 1:253s BW). Ook dat is een ordemaatregel om de tijd te bieden om de beëindiging van het gezag of ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing te regelen. Hier is de blokkade een manier om overleg of desnoods een procedure over de omgang te faciliteren en een abrupte wijziging van de omgang te voorkomen. Op grond van artikel 1:377a BW hebben degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan, recht op omgang met het (minderjarige) kind. Deelgezag impliceert het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking. Het is in het belang van het kind dat de continuïteit van de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk blijft gewaarborgd en dat het kind contact kan blijven houden met de deelgezagdrager. Het blokkaderecht maakt dat altijd overleg zal moeten plaatsvinden over aanpassing van de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager(s). De deelgezagdrager kan de rechtbank op de voet van artikel 1:377a BW verzoeken om bevestiging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding als de gezagdragers een verzoek op grond van artikel 1:253zb BW achterwege laten. Hierdoor staat vast dat altijd in een procedure door de rechter kan worden beslist over de (wijziging van de) de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager. De rechter toetst of een wijziging van de toedeling noodzakelijk is. Bij deze beoordeling dient de rechter alle omstandigheden van het geval, het belang van het kind en de belangen van alle andere betrokkenen in aanmerking te nemen en mee te wegen. Hij gaat onder meer na of een wijziging zorgvuldig, in goed onderling overleg en tijdig is voorbereid en of rekening is gehouden met het belang van het kind en alle belangen van de andere betrokkenen. Bijvoorbeeld of initiatieven zijn genomen dan wel voorstellen zijn gedaan om de negatieve gevolgen te compenseren. Daarbij is het wijzigen van de feitelijke situatie zonder toestemming van de deelgezagdrager een sterke aanwijzing van onzorgvuldigheid.</al>
                      <al>Opgemerkt wordt dat een deelgezagdrager het blokkaderecht niet kan uitoefenen als hij op grond van artikel 1:253za, eerste lid, onderdelen b en c, BW onbevoegd is tot het uitoefenen van het deelgezag. Zodra op grond van artikel 1:253za, tweede lid, BW het deelgezag herleeft, heeft de deelgezagdrager weer recht op uitoefening van het blokkaderecht.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste en tweede lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het eerste lid bepaalt dat een wijziging van de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager niet kan plaatsvinden zonder instemming van de deelgezagdrager(s). Als een deelgezagdrager niet akkoord gaat, dan zal de (kinder)rechter om een wijziging van de toedeling moeten worden gevraagd als de gezagdrager de wijziging toch wil doorzetten. Dit is geregeld in het tweede lid.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het derde lid bepaalt dat de rechtbank een verzoek van de gezagdragers voor een wijziging van de toedeling van de taken van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager binnen zes weken moet behandelen. Dit betekent dat bij binnenkomst van het verzoek, als het verzoek voldoet aan de vereisten, op korte termijn een mondelinge behandeling moet plaatsvinden. Dan kan zo snel mogelijk door de rechter worden getracht een vergelijk tussen partijen te treffen dan wel een beslissing te nemen. De termijn is opgenomen omdat continuïteit in de verzorging en opvoeding in het belang is van het kind. Een termijn van zes weken zorgt ervoor dat het voor gezagdragers bijvoorbeeld niet onmogelijk wordt om elders een baan te aanvaarden waarvoor een verhuizing noodzakelijk is. Ook zal deze korte termijn gezagdragers weerhouden om een kort geding procedure te starten. Voor de duur van de termijn is aansluiting gezocht bij de geschillenregeling in artikel 1:253a, zesde lid, BW waarvoor ook een termijn van zes weken geldt.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Paragraaf 2. Verkrijging van het deelgezag</titel>
                    </kop>
                    <al>Uitgangspunt is dat deelgezag tot stand komt in goede harmonie met alle betrokkenen en ook in goede harmonie wordt uitgevoerd. Het is niet altijd noodzakelijk om de totstandkoming van deelgezag voor te leggen aan de rechter. Voor meeroudergezinnen waarbij al vóór de geboorte van het kind de wens en intentie bestaan om met meer dan twee personen voor het kind te gaan zorgen, kan deelgezag eenvoudig worden geregistreerd. In situaties waarbij er pas na enige tijd behoefte aan deelgezag ontstaat, bijvoorbeeld in een stiefgezin, is vanwege de complexiteit van de situatie wel een rol gegeven aan de rechter. Het uitgangspunt is dat bij deelgezag zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de wettelijke kaders over gezag. Net als gezag ontstaat deelgezag vanaf het moment dat een kind wordt geboren en kan het niet al voor de geboorte worden geregeld.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253zc (Deelgezag vanaf de geboorte)</titel>
                      </kop>
                      <al>In de toegang tot deelgezag wordt tussen twee situaties een onderscheid gemaakt. Artikel 253cz regelt de eenvoudige toegang tot intentioneel deelgezag tot drie maanden na de geboorte. Artikel 253zd regelt de toegang tot deelgezag op een later moment.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste lid</titel>
                        </kop>
                        <al>In sommige situaties bestaat al voor de geboorte van het kind de intentie om met drie of meer personen voor het kind te gaan zorgen. Zoals in de situatie dat twee moeders en de donorvader vanaf de geboorte van het kind samen zorgdragen voor de verzorging en opvoeding. In die gevallen is er sprake van ‘intentioneel deelgezag’ en bevestigt deelgezag de situatie zoals het kind die vanaf zijn geboorte zal ondervinden en de daarover gemaakte afspraken van de betrokkenen. Het is in deze situatie wenselijk dat deelgezag makkelijk toegankelijk is, om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te bieden. Het eerste lid van artikel 253zc bepaalt daartoe dat de gezagdragers een persoon met deelgezag kunnen belasten. De gezagdragers moeten samen met de beoogd deelgezagdrager een gezamenlijk verzoek indienen om deelgezag te laten aantekenen in het gezagsregister.<noot id="n30" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Artikel 1:244 BW; zie ook artikel 1:252 BW en artikel 1:253p BW.</noot.al></noot> In de praktijk kunnen de gezagdragers het verzoek ook samen met twee beoogd deelgezagdragers indienen. In feite ziet deze mogelijkheid op de situatie dat vanaf de geboorte van het kind de ouder(s) de intentie heeft/hebben om de dagelijkse verzorging en opvoeding gezamenlijk met één of twee derde(n) te gaan invullen. Door middel van een (digitaal) formulier aan de griffier van de rechtbank kan gezamenlijk worden verzocht om deelgezag door een aantekening ervan in het gezagsregister, zoals nu ook gezamenlijk gezag van de ouders eenvoudig kan worden aangevraagd. Gezagdragers die het gezag gezamenlijk uitoefenen of een gezagdrager die alleen het gezag uitoefent, oefenen het gezag voor een deel samen met een deelgezagdrager uit indien dit op hun gezamenlijk verzoek in het register, bedoeld in artikel 1:244 BW, is aangetekend.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Tweede lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het tweede lid geeft weer wanneer een gezamenlijk verzoek tot registratie van deelgezag in het gezagsregister wordt geweigerd door de griffier (vgl. artikel 1:252, tweede lid, BW). Zo kan deelgezag alleen worden geregistreerd ten aanzien van kinderen jonger dan drie maanden en zal de aantekening worden geweigerd als het kind op het moment van het indienen van het verzoek ouder is dan drie maanden (<nadruk type="cur">onderdeel a</nadruk>). In de termijn van drie maanden vanaf de geboorte komt tot uitdrukking dat deze mogelijkheid is bedoeld voor ‘intentioneel deelgezag’. Vervolgens moet de beoogd deelgezagdrager bevoegd zijn tot het uitoefenen van deelgezag. Is hij onbevoegd dan zal de aantekening worden geweigerd (<nadruk type="cur">onderdeel b</nadruk>). Daarnaast geldt dat hoogstens twee personen kunnen worden belast met deelgezag. Als er al twee deelgezagdragers staan geregistreerd in het gezagsregister zal de griffier eveneens de aantekening weigeren (<nadruk type="cur">onderdeel c</nadruk>). Ook mag de beoogd deelgezagdrager niet de andere juridische ouder zijn van het kind. Is dat wel het geval, dan zal de aantekening geweigerd worden (<nadruk type="cur">onderdeel d</nadruk>). Daarnaast kan een persoon die al met het gezag over het kind is belast geen deelgezagdrager worden. Is dat het geval, dan zal de aantekening eveneens geweigerd worden (<nadruk type="cur">onderdeel e</nadruk>). De andere juridische ouder moet altijd instemmen met de aantekening van de deelgezagdrager. Ontbreekt de instemming van deze ouder, dan zal de aantekening eveneens geweigerd worden (<nadruk type="cur">onderdeel f</nadruk>). De Rvdr vraagt of de bepalingen dat de gezagdragers het verzoek samen met de beoogd deelgezagdrager moeten indienen, dat het kind niet ouder mag zijn dan drie maanden en dat ook de ouder zonder gezag moet instemmen in het licht van artikel 8 EVRM niet een te grote inperking vormen op de bescherming van de feitelijke situatie van de verzorging en opvoeding. Dat is niet het geval. Dat het kind niet ouder mag zijn dan drie maanden benadrukt dat de betrokkenen binnen drie maanden na de geboorte van het kind tot overeenstemming moeten zijn gekomen. Na drie maanden is toetsing door de rechter vereist, om conflicten in de toekomst te voorkomen.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het derde lid geeft weer dat tegen de weigering van de aantekening alleen beroep mogelijk is, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling. In dat geval kan de rechtbank worden verzocht de aantekening te gelasten.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253zd (Deelgezag krachtens rechterlijke beslissing)</titel>
                      </kop>
                      <al>In de toegang tot deelgezag wordt tussen twee situaties een onderscheid gemaakt. Artikel 253cz regelt de eenvoudige toegang tot intentioneel deelgezag tot drie maanden na de geboorte. Artikel 253zd regelt de toegang tot deelgezag op een later moment.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste lid</titel>
                        </kop>
                        <al>De behoefte aan deelgezag kan ook op een later moment ontstaan. Bijvoorbeeld in de situatie dat na een scheiding van de ouders een ouder zijn partner met deelgezag wil belasten. Verondersteld moet worden dat het kind in zo’n geval geconfronteerd wordt met een wijziging van de opvoedsituatie. De deelgezagdrager krijgt rechten met betrekking tot het kind, maar de vraag is of hiermee ook het belang van het kind is gediend. Ook is mogelijk dat deelgezag wordt verzocht, terwijl er een juridische ouder is zonder gezag die hiermee niet instemt. In al deze gevallen is een meer voorzichtige benadering aangewezen. De rechter zal in deze gevallen de wenselijkheid van deelgezag moeten beoordelen. Hiertoe kan een gezamenlijk verzoek door de gezagdrager(s) en beoogd deelgezagdrager bij de rechtbank worden ingediend waarin wordt verzocht om deelgezag uit te spreken.</al>
                        <al>Het eerste lid van artikel 1:253zd BW bepaalt dat gezagdragers de rechtbank kunnen verzoeken een persoon die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind met deelgezag te belasten. Het verzoek moet door de gezagdrager of gezagdragers gezamenlijk met de beoogd deelgezagdrager worden ingediend. De rechtbank beoordeelt het verzoek en houdt bij de te nemen beslissing rekening met het belang van het kind. Met de voorwaarde van een verzorgingstermijn van ten minste een jaar wordt geborgd dat er tussen het kind en de beoogd deelgezagdrager een nauwe persoonlijke betrekking heeft kunnen ontstaan en dat sprake is van een situatie met enige stabiliteit. Met een rechterlijke toets wordt tevens geborgd dat deelgezag niet tot stand kan komen als het niet in het belang is van het kind. De rechter zal het verzoek bijvoorbeeld kunnen afwijzen als het verzoek niet goed is voorbereid en er aanwijzingen zijn dat deelgezag tot conflicten zal leiden. Gelet op het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap, zal de rechter ook de belangen van de juridische ouder zonder gezag meewegen bij een verzoek om deelgezag, waarbij het belang van het kind centraal staat.</al>
                        <al>Voor het verzoek van een gezagdrager of gezagdragers om het gezag voor een deel samen met een deelgezagdrager uit te oefenen geldt op grond van het Wetboek voor burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) een verplichte procesvertegenwoordiging (artikel 278 Rv). Naast de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (derde titel van het eerste boek Rv) gelden de bijzondere regels van de artikelen 798–813 Rv. Zo regelt artikel 809 Rv het horen van minderjarige kinderen, op basis waarvan het kind zijn wens kenbaar kan maken aan de rechter over het verzoek tot het belasten van een persoon met deelgezag. De gezagsbeschikking zal in het gezagsregister moeten worden bijgeschreven.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Tweede lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het tweede lid geeft weer wanneer een verzoek tot deelgezag moet worden afgewezen. Hiervoor gelden dezelfde criteria als genoemd in artikel 1:253zd, tweede lid, onderdelen b tot en met e, BW. Zo kan deelgezag niet worden toegewezen als er al twee deelgezagdragers zijn. Eveneens kan deelgezag niet worden toegewezen als de beoogd deelgezagdrager niet in een nauwe persoonlijke betrekking staat met het kind. Bijvoorbeeld een grootouder die in het buitenland woont en alleen in de kerstperiode het kind verzorgt en opvoedt. Dit komt tot uitdrukking in het eerste lid waarin het vereiste is opgenomen dat de beoogd deelgezagdrager iemand is die ten minste gedurende een jaar samen met de gezagdrager of gezagdragers het kind heeft verzorgd en opgevoed. Wanneer er al een deelgezagdrager is, is niet vereist dat hij moet instemmen met een tweede deelgezagdrager. Zijn instemming kan wel onderdeel uitmaken van het verzoek, maar is geen wettelijk vereiste. Op deze manier worden conflicten zoveel mogelijk voorkomen.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het derde lid benadrukt dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als in het belang van het kind wenselijk is. Dit brengt tot uitdrukking dat de rechter de vrijheid heeft om dat te doen wat in het belang is van het kind.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Paragraaf 3. Einde van het deelgezag</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 253ze (Einde deelgezag van rechtswege of door rechter)</titel>
                      </kop>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Eerste lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het eerste lid regelt wanneer het deelgezag van rechtswege eindigt. Dat is door overlijden van de deelgezagdrager of de minderjarige en op de dag dat de minderjarige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Deze regeling sluit aan bij de algemene regeling van gezag.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Tweede lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Deelgezag kan ook worden beëindigd door een uitspraak van de rechtbank. Bijvoorbeeld in de situatie dat de deelgezagdrager het deelgezag misbruikt. Hiervoor is aansluiting gezocht bij artikel 1:266, eerste lid, onderdelen a en b, BW waar het gaat om de beëindiging van het ouderlijk gezag omdat ouders niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen. De rechter beoordeelt of beëindiging van het deelgezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De band tussen het kind en de deelgezagdrager kan bijvoorbeeld zijn verwaterd of er zijn aanhoudende conflicten tussen de gezagdragers en deelgezagdragers. Een echtscheiding van de gezagdragers zou geen gevolgen moeten hebben voor het deelgezag. De deelgezagdrager wiens deelgezag wordt beëindigd kan op grond artikel 1:377a BW de rechter verzoeken om een omgangsregeling met het kind. Een verwaterde band met het kind kan overigens wel een reden zijn dat de rechter een omgangsregeling niet toekent.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Derde lid</titel>
                        </kop>
                        <al>Een verzoek tot beëindiging van deelgezag kan door de gezagdrager(s) en deelgezagdrager(s) gezamenlijk of door één van hen worden ingediend. Ook de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie kunnen een verzoek indienen.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel J (Geen gevolg testamentaire voogdij)</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 1:293, onderdeel a, BW geeft een beperking ten aanzien van de door de ouder gewenste voogdijbeschikking als de andere ouder van rechtswege of bij rechterlijke beschikking het gezag uitoefent. Met deze beperking komt het subsidiaire karakter van de testamentaire voogdij, dat ook al terug te vinden is in artikel 1:253g, derde en vierde lid, BW en artikel 1:253h, derde lid, BW tot uitdrukking. De aanvulling van artikel 1:293 BW met een onderdeel d sluit aan op de wijzigingen in voornoemde artikelen (onderdelen E en F). Op advies van de Rvdr is de formulering van het artikel iets aangepast, omdat het anders leek alsof de deelgezagdrager ook van rechtswege het gezag kan krijgen. Dat is niet het geval.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel K (Recht deelgezagdrager op omgang/omgangsregeling)</titel>
                  </kop>
                  <al>Titel 15 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek gaat over omgang en informatie. De deelgezagdrager wordt ook daar geïntroduceerd. De deelgezagdrager heeft recht op omgang met het kind. In artikel 1:377a wordt in het tweede lid de deelgezagdrager expliciet genoemd. Op deze manier is het duidelijk dat de deelgezagdrager de rechter kan verzoeken een omgangsregeling vast te stellen. De ontzeggingsgronden uit artikel 1:377a, derde lid, BW zijn hierop ook van toepassing. Artikel 1:253zb BW is vormgegeven als een blokkaderecht bij een wijziging van de toedeling van verzorging en opvoeding van het kind aan de deelgezagdrager, waar een omgangsregeling onderdeel van uitmaakt.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdelen L en M (Recht deelgezagdrager op informatie en consultatie)</titel>
                  </kop>
                  <al>De deelgezagdrager moet door de gezagdragers op de hoogte worden gesteld van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van het kind en hij moet worden geraadpleegd over daaromtrent te nemen beslissingen. Een deelgezagdrager heeft recht op informatie en consulatie over de ontwikkeling van het kind (artikel 1:377b BW). Bij informatie kan het gaan om informatie over de gezondheid van het kind. Consultatie kan betrekking hebben op de schoolkeuze van een kind. Het recht op informatie van de deelgezagdrager werkt niet alleen richting de gezagdrager, maar ook richting derden, zoals de school of een arts (artikel 1:377c BW). Een leerkracht of arts zal de deelgezagdrager ook op diens verzoek van informatie moeten voorzien en moeten consulteren over het betreffende kind. Bij informatie en consultatie over de ontwikkeling van het kind gaat het om schoolbeslissingen, financiële beslissingen, medische beslissingen, psychologische onderzoeken, sport, vaccinaties, etc. Als een deelgezagdrager in het geheel niet wordt geïnformeerd of geconsulteerd over grotere beslissingen zoals een medische handeling of schoolkeuze, kan hij de rechter verzoeken een regeling te treffen. Het recht op informatie en consultatie wordt daarmee beschermd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Onderdeel N (Wijziging omgangsregeling)</titel>
                  </kop>
                  <al>Op advies van de Rvdr is de deelgezagdrager toegevoegd aan artikel 1:337e, eerste lid, BW. Op deze manier kan een deelgezagdrager ook een verzoek indienen tot wijziging van een omgangsregeling bij gewijzigde omstandigheden, zoals een verhuizing van de gezagdragers. Eveneens is op advies van de Rvdr de deelgezagdrager toegevoegd aan artikel 1:337e, derde lid, BW. Dit derde lid gaat over wijziging van de omgangsregeling in het geval van partnerdoding. Dat is nu gelijkgetrokken met de situatie dat een ouder een deelgezagdrager doodt. Als ingeval van (vermoedelijke) partnerdoding door de rechter een ontzegging van contact voor de duur van twee jaar of meer is bepaald, kan die beslissing op verzoek van de ouder pas voor het eerst gewijzigd worden nadat twee jaren verstreken zijn nadat de eerdere beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Dit is gedaan omdat een dergelijke procedure zeer belastend is voor het kind en diens omgeving.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel II (Wijzigingen in de Jeugdwet)</titel>
                </kop>
                <al>De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van door bij hen werkzame personen. Deze klachtregeling kan ook van toepassing zijn tegenover de deelgezagdrager. Aan artikel 4.2.1 Jeugdwet, dat gaat over het klachtrecht, is de deelgezagdrager toegevoegd.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel III</titel>
                </kop>
                <al>Artikel III bevat een evaluatiebepaling. De evaluatie van de effecten van de wet in de praktijk zal zowel betrekking hebben op de gevolgen voor het kind als de gezagdragers en de deelgezagdrager(s), als de organisaties en instanties waarmee zij te maken (kunnen) krijgen, zoals gemeenten, onderwijs, (medische) zorg, hulpverlening en de rechterlijke macht.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikelen IV en V</titel>
                </kop>
                <al>Artikel IV betreft de gebruikelijke inwerkingtredingsbepaling. Artikel V bevat de citeertitel.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister voor Rechtsbescherming,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>