﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-17429/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het voorstel van wet, houdende regels voor de inzet van
      arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie om werkgevers in staat te stellen zoveel
      mogelijk werknemers te behouden in tijden van crises (Wet personeelsbehoud bij
      crisis)</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="datum">24 april 2026</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake het voorstel van wet, houdende regels voor de
                  inzet van arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie om werkgevers in staat
                  te stellen zoveel mogelijk werknemers te behouden in tijden van crises (Wet
                  personeelsbehoud bij crisis)</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 1 oktober 2025 2026,
               nr. 2025002199, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State
               haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen
               toekomen. Dit advies, gedateerd 4 februari 2026, nr. W12.25.00281/III, bied ik U
               hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2025, no.2025002199, heeft Uwe
                  Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij
                  de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het
                  voorstel van wet houdende regels voor de inzet van arbeidsrechtelijke instrumenten
                  en loonsubsidie om werkgevers in staat te stellen zoveel mogelijk werknemers te
                  behouden in tijden van crises (Wet personeelsbehoud bij crisis), met memorie van
                  toelichting.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het voorstel is erop gericht om ‘levensvatbare’ bedrijven tijdens
                  een crisis te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers. Het
                  voorstel voorziet in één regeling voor zowel grote als kleine crises. Daarnaast
                  beoogt het voorstel ook de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in tijden van
                  crisis te vergroten.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er begrip voor
                  dat met het wetsvoorstel de bestaande regeling werktijdverkorting wettelijk wordt
                  vastgelegd. Ook onderschrijft de Afdeling de wens van de regering om zich voor te
                  bereiden op toekomstige grootschalige crises. De Afdeling betwijfelt echter of de
                  voorgestelde regeling bij dergelijke grootschalige crises voldoende effectief kan
                  zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Eén van de kenmerken van grootschalige crises is nu juist dat die
                  niet voorspelbaar zijn, zowel qua aard, ernst, verloop, duur en gevolgen, alsmede
                  de frequentie waarmee een dergelijke grootschalige crisis zich aandient. Hierdoor
                  vraagt een grootschalige crisis om andere instrumenten en oplossingen, dan een
                  kleinschalige crisis. Het voorstel voorziet daarin niet.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de
                  wendbaarheid van de vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke
                  maatregelen die daartoe strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een
                  crisisregeling. De voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt
                  tot een crisisregeling als hier aan de orde. Voor dergelijke maatregelen is een
                  bredere toepasbaarheid gewenst. De gekozen benadering vergroot ook de complexiteit
                  van de regeling. Bovendien wordt daarmee de wendbaarheid op de arbeidsmarkt niet
                  vergroot.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Gelet op het voorgaande dient het voorstel nader te worden
                  overwogen.</nadruk>
            </al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Aanleiding en voorgeschiedenis van het voorstel</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Uit de toelichting blijkt dat aan het wetsvoorstel twee
                  ontwikkelingen ten grondslag liggen.</nadruk>
            </al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Bestaande regeling werktijdverkorting ontoereikend bij grootschalige
                     crisis</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De bestaande regeling werktijdverkorting biedt werkgevers de
                     mogelijkheid om bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                     werktijdverkorting aan te vragen vanwege een verminderd gebruik van
                     arbeidscapaciteit van tenminste 20%, veroorzaakt door buitengewone
                     omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico
                     kunnen worden gerekend.<noot id="n146" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004, <extref doc="stcrt-2004-199-p13-SC6705" soort="document" status="actief">Stcrt.
                              2004, nr. 199</extref>, blz 13.</noot.al></noot> Werkgevers ontvangen voor de niet gewerkte uren een uitkering op grond
                     van de Werkloosheidswet (WW), die wordt doorbetaald aan de werknemer. De
                     maximale duur bedraagt zes weken en kan drie keer worden verlengd tot een
                     maximale duur van 24 weken. Per jaar wordt gemiddeld voor ongeveer 350
                     werknemers een beroep gedaan op de regeling werktijdverkorting.<noot id="n147" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Volgens de toelichting is tijdens de coronacrisis gebleken, dat
                     de bestaande regeling werktijdverkorting niet geschikt is om de gevolgen van
                     een grootschalige crisis voor werkgevers op te vangen. Verder ontbreekt een
                     opschaalbare regeling voor het behoud van personeel in crisistijd. Die
                     ongeschiktheid heeft vooral betrekking op de (handmatige) uitvoering van die
                     regeling, die door de grote hoeveelheden aanvragen als gevolg van de
                     coronacrisis in de knel kwam. Om die reden werd destijds de Tijdelijke
                     Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) opgericht.<noot id="n148" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>De regeling werktijdverkorting werd met de invoering van de NOW op
                           17 maart 2020 tijdelijk beëindigd en is op 1 oktober 2021 weer
                           opengesteld</noot.al></noot> Om dit in de toekomst te voorkomen is de motie Palland en Tielen door
                     de Tweede Kamer aangenomen, waarin werd opgeroepen een start te maken met de
                     voorbereiding van een deeltijd WW of een variant daarop.<noot id="n149" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2020/21, <extref doc="kst-35410-130" soort="document" status="actief">35 410, nr. 130</extref>.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Noodzaak tot hervorming van de arbeidsmarkt/Vergroting wendbaarheid
                     arbeidsovereenkomst</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Daarnaast was, al voordat de coronacrisis uitbrak, een brede
                     maatschappelijke discussie gaande over een toekomstbestendige arbeidsmarkt. De
                     noodzaak tot hervorming van de arbeidsmarkt werd daarbij breed gezien, waarbij
                     er een betere balans tussen zekerheid en wendbaarheid op de arbeidsmarkt zou
                     moeten bestaan.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De toelichting wijst in dit verband op het rapport van de
                     Commissie Regulering van werk (Commissie Borstlap).<noot id="n150" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                           regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                           23 januari 2020.</noot.al></noot> Volgens dit rapport biedt de vaste arbeidsovereenkomst bedrijven (te)
                     weinig speelruimte om in te spelen op veranderende omstandigheden, zoals
                     fluctuaties in producten of diensten.<noot id="n151" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                           regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                           23 januari 2020.</noot.al></noot> Om werkgevers ruimte te bieden voor het organiseren van
                     aanpassingsvermogen binnen hun organisatie adviseert de commissie om aan
                     werkgevers gelijke rechten toe te kennen als werknemers hebben op grond van de
                     Wet flexibel werken. Dit betekent dat de interne wendbaarheid binnen de
                     arbeidsovereenkomst voor werkgevers wordt vergroot op het terrein van
                     arbeidsomvang, functies, werklocaties en arbeidstijden. De werkgever zou de
                     mogelijkheid moeten krijgen deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen
                     indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven, aldus het
                     rapport en de toelichting.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Tevens wordt in de toelichting gewezen op het middellange
                     termijn advies van de SER uit 2021 waarin ervoor wordt gepleit om het mogelijk
                     te maken om eenzijdig de arbeidsduur voor alle medewerkers met maximaal 20% te
                     verlagen bij bedrijfseconomische omstandigheden die anders tot ontslag zouden
                     hebben geleid, met volledige loondoorbetalingen, waarbij het Rijk 75% van het
                     loon compenseert.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Zowel de NOW, de genoemde motie, als de voorstellen van de
                     Commissie Borstlap en het middellange termijn advies van de SER zijn volgens de
                     toelichting aanleiding geweest voor het wetsvoorstel, zodat iedereen beter is
                     voorbereid op zowel klein- als grootschalige crises en er niet binnen zeer
                     korte tijd nieuwe regelgeving moet worden opgesteld. Tegelijkertijd draagt het
                     wetsvoorstel, samen met andere voorgestelde maatregelen, ook bij aan een
                     betere, toekomstbestendige arbeidsmarkt, aldus de toelichting.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Doel en inhoud van het wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het doel van het voorstel is om ‘levensvatbare’ bedrijven in een
                  crisis (in de zin van het wetsvoorstel) te ondersteunen bij het behouden van
                  zoveel mogelijk werknemers.<noot id="n152" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.6.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Een crisis wordt volgens het voorstel gevormd door een aantal
                  nader genoemde onvoorzienbare omstandigheden, die in redelijkheid niet tot het
                  reguliere ondernemersrisico kunnen worden gerekend.<noot id="n153" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, eerste lid.</noot.al></noot> Het voorstel maakt onderscheid tussen kleinschalige crises en
                  grootschalige crises. Bij kleinschalige crises gaat het om calamiteiten, zoals een
                  brand of uitzonderlijke weersomstandigheden, die veelal één of een beperkt aantal
                  bedrijven tegelijkertijd raken.<noot id="n154" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, tweede lid.</noot.al></noot> Daarvoor geldt nu de voormelde regeling werktijdverkorting. Bij dergelijke
                  kleinschalige crises is geen aanwijzing van de minister nodig, voordat werkgevers
                  gebruik kunnen maken van de voorgestelde instrumenten.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij ministeriële regeling kunnen ook enkele andere, nader
                  genoemde, omstandigheden als crisis worden aangewezen. Dit kan, als niet
                  onaannemelijk is dat die omstandigheden gedurende ten minste één maand zullen
                  leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van de arbeidscapaciteit van één of
                  meer werkgevers. Daarbij gaat het om een vijftal in het wetsvoorstel bepaalde
                  situaties, zoals bijvoorbeeld uitval van openbare infrastructuur of een gewapend
                     conflict.<noot id="n155" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, derde en zesde lid.</noot.al></noot> Hier gaat het om grote(re) crises die veel bedrijven tegelijkertijd kunnen
                  raken.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Ten slotte kunnen ook andere omstandigheden als crisis worden
                  aangewezen in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.<noot id="n156" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, derde, vijfde en zesde lid.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel biedt aan werkgevers die worden geraakt door een
                  crisis de mogelijkheid om, gedurende een periode van twee maanden, werknemers
                  tijdelijk ander werk te laten doen (herplaatsing), of om werknemers tijdelijk
                  minder uren te laten werken, onder gelijktijdige vermindering van de
                  loondoorbetalingsverplichting met 10% voor de niet gewerkte uren.<noot id="n157" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Artikel 26, voorgesteld artikel 660b, eerste lid, onder b, van Boek 7
                        van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Het voorstel voorziet daarbij ook in de mogelijkheid om voor de niet
                  gewerkte uren waarvoor gebruik wordt gemaakt van de verminderde
                  loondoorbetalingsverplichting, een loonsubsidie aan te vragen.<noot id="n158" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Paragraaf 3.</noot.al></noot> De loonsubsidie bedraagt 65% van het loon over de subsidiabele uren van
                  werknemers voor wie loonvermindering is toegepast.<noot id="n159" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 14.</noot.al></noot> Verlenging is mogelijk met twee keer een periode van twee
                  maanden.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Om de instrumenten te kunnen inzetten dient de werkgever een
                  aanvraag in bij het UWV, dat beoordeelt of de werkgever door de crisis is geraakt,
                  vaststelt of de werkgever de representatieve vakbond heeft geïnformeerd over zijn
                  voornemen tot herplaatsing of verminderde loondoorbetaling en vaststelt of de
                  werkgever de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de
                  onderneming werkzame personen in de gelegenheid heeft gesteld advies uit te
                  brengen over het door de werkgever voorgenomen besluit.<noot id="n160" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 3.</noot.al></noot> De aanvraag om loonsubsidie dient de werkgever eveneens in bij het
                     UWV.<noot id="n161" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 11.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>‘Levensvatbare’ bedrijven</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De doelstelling van het voorstel is volgens de toelichting beperkt
                  tot ‘levensvatbare’ bedrijven. In het voorstel noch in de toelichting daarop wordt
                  toegelicht wat onder ‘levensvatbare’ bedrijven wordt verstaan. Wel staat in de
                  toelichting dat de voorgestelde maximale duur van zes maanden aan bedrijven de
                  tijd geeft zich op de door een crisis veranderde situatie aan te passen en dat
                  steun die langer duurt het risico met zich brengt dat bedrijven worden ondersteund
                  die onvoldoende levensvatbaar zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling merkt hierover op dat het begrip ‘levensvatbare’
                  bedrijven aldus onvoldoende onderscheidend is. De voorgestelde regeling sluit
                  immers niet uit dat bedrijven die aan het begin van de crisis al onvoldoende
                  levensvatbaar zijn, toch gebruik kunnen maken van de voorgestelde maatregelen.
                  Evenmin kan in algemene zin worden volgehouden dat bedrijven die zich bij een
                  langdurige crisis niet binnen zes maanden aan de nieuwe situatie kunnen aanpassen,
                  niet levensvatbaar zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Door in het midden te laten wat onder ‘levensvatbare’ bedrijven
                  moet worden verstaan, en hoe en door wie wordt bepaald of een bedrijf
                  ‘levensvatbaar’ is, is onvoldoende duidelijk welke werkgevers van de voorgestelde
                  regeling gebruik mogen maken.</nadruk>
            </al>
            <al>De Afdeling merkt op dat het doel van het wetsvoorstel is om levensvatbare bedrijven
               te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers, maar dat in het
               voorstel niet is toegelicht wat onder levensvatbaarheid wordt verstaan. De regering
               heeft bewust gekozen om het begrip levensvatbaarheid een aspect te laten zijn van het
               doel van de regeling (zoals opgenomen in paragraaf 2.6 van de memorie van
               toelichting) en het begrip tegelijkertijd niet uitgebreid toe te lichten. De reden om
               het begrip levensvatbaarheid in het doel op te nemen is dat de ondersteuning uit het
               wetsvoorstel alleen ingezet zou moeten worden als werkgevers daarmee ook na de crisis
               zoveel mogelijk werknemers kunnen behouden. De ondersteuning in dit wetsvoorstel is
               niet bedoeld om baanverlies uit te stellen. Bedrijven die bij aanvang van een crisis
               al niet levensvatbaar zijn zullen ook na de crisis met grote waarschijnlijkheid niet
               levensvatbaar zijn en daarom op termijn ook geen werknemers kunnen behouden. Het
               ondersteunen van niet-levensvatbare bedrijven draagt daarom niet bij aan het doel van
               dit wetsvoorstel: het behouden van zoveel mogelijk werknemers.</al>
            <al>Ook over een toets op levensvatbaarheid voor werkgevers die gebruik willen maken van
               de instrumenten uit het wetsvoorstel is al in een vroeg stadium van de ontwikkeling
               van het wetsvoorstel nagedacht. Dit bleek uitvoeringstechnisch niet mogelijk in
               verband met complexiteit en arbeidsintensiviteit van een dergelijke toets. Het zou in
               de praktijk namelijk betekenen dat medewerkers van een uitvoeringsorganisatie
               gedurende een crisis op het niveau van een individuele werkgever zouden moeten
               vaststellen of een bedrijf levensvatbaar is of niet. Hiervoor bleek geen sluitende
               methodiek te bedenken die haalbaar is om in zeer korte tijd uit te voeren. Ook de
               optie om de ondernemingsraad (of personeelsvergadering of
               personeelsvertegenwoordiging) hierover een uitspraak te laten doen bleek niet te
               passen bij de rol van de ondernemingsraad. Een ondernemingsraad heeft daarvoor niet
               de kennis en heeft er belang bij om de onderneming als levensvatbaar aan te
               duiden.</al>
            <al>De regering onderkent met de Afdeling dat het niet toetsen op levensvatbaarheid
               maakt dat ook niet-levensvatbare bedrijven in theorie gebruik kunnen maken van de
               instrumenten uit het wetsvoorstel als zij aannemelijk kunnen maken geraakt te zijn
               door een crisis. De regering ziet hierin echter geen risico. Het systeem van het
               wetsvoorstel is zo ontworpen dat werkgevers worden aangezet een duidelijke keuze te
               maken tussen het inzetten van de instrumenten (als de intentie bestaat om zoveel
               mogelijk werknemers te behouden) of over te gaan tot bedrijfseconomisch ontslag (als
               die intentie niet bestaat). Als een werkgever bij aanvang van een crisis al verwacht
               dat een werknemer na afloop van de crisis niet behouden kan blijven, loont het niet
               om een werknemer in dienst te houden. Hierna wordt dat toegelicht.</al>
            <al>Het instrument loonvermindering in combinatie met loonsubsidie kan niet worden
               ingezet als werknemers werken. Is er géén werk voorhanden, dan zal een werkgever
               alsnog 25 procent van de loonkosten zelf moeten betalen, terwijl hier geen
               opbrengsten uit arbeid tegenover staan. Bovendien geldt dat werkgevers die tijdens of
               tot vier maanden na afloop van het crisistijdvak een verzoek indienen voor
               bedrijfseconomisch ontslag, vanaf die datum de instrumenten uit het wetsvoorstel niet
               meer mogen inzetten en dat de loonsubsidie over de periode voorafgaand aan de datum
               van een verzoek om bedrijfseconomisch ontslag met 25 procent wordt verlaagd (wat in
               veel gevallen tot terugbetaling door de werkgever zal leiden).</al>
            <al>Voorts wijst de regering op de gerichtheid van het wetsvoorstel (alleen werkgevers
               die aannemelijk hebben gemaakt geraakt te zijn door de crisis mogen de instrumenten
               inzetten) en op de voorwaarde dat alleen de mogelijkheid bestaat tot loonvermindering
               en loonsubsidie over uren waarop niet gewerkt kan worden. Deze twee punten zijn een
               belangrijk onderscheid met de NOW, waarin die geraaktheid niet hoefde te worden
               aangetoond en waarin werkgevers werknemers mochten laten doorwerken tijdens de
               NOW-steun. Met de NOW-steun konden werkgevers ook werkzaamheden in stand houden die
               om andere redenen dan de coronapandemie verliesgevend waren (geworden). Dit heeft
               mogelijk als gevolg gehad dat een deel van de NOW-steun terecht is gekomen bij
               bedrijven die bij aanvang van de coronapandemie al niet (meer) levensvatbaar
               waren.</al>
            <al>De bovengenoemde elementen binnen het wetsvoorstel zorgen ervoor dat het alleen voor
               levensvatbare bedrijven aantrekkelijk is om gebruik te maken van de instrumenten, en
               voor niet-levensvatbare bedrijven minder of niet. Zo wordt het risico dat met dit
               wetsvoorstel niet-levensvatbare bedrijven worden ondersteund gemitigeerd, zonder een
               expliciete levensvatbaarheidstoets op te nemen en zonder levensvatbaarheid nader toe
               te lichten of af te bakenen.</al>
            <al>De Afdeling heeft verder opgemerkt dat in algemene zin niet kan worden volgehouden
               dat bedrijven die zich bij een langdurige crisis niet binnen zes maanden hebben
               kunnen aanpassen, niet levensvatbaar zijn. De regering onderkent dat dit niet per
               definitie zo is maar wil wel benadrukken dat, zoals ook in de memorie van toelichting
               is benoemd, langdurige steun de noodzaak voor bedrijven om zich aan te passen
               vermindert. Hierdoor neemt het risico toe dat bedrijven worden ondersteund die zich
               niet goed aanpassen en daardoor onvoldoende levensvatbaar zijn of worden. Naar
               aanleiding van deze vragen van de Afdeling is de memorie van toelichting op twee
               plaatsen verduidelijkt (op paragraaf 2.4 en paragraaf 3.3.1).</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Verschillende doelen en instrumenten in één regeling</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het voorstel gaat uit van de veronderstelling dat het, gelet op de
                  hiervoor geschetste ontwikkelingen zowel noodzakelijk als mogelijk is een regeling
                  te treffen gericht op het behoud van personeel in tijden van crisis, die
                  uitvoerbaar is bij alle vormen van crisis, zowel in het geval van kleinschalige
                  calamiteiten, waarvoor op dit moment de regeling werktijdverkorting geldt, als in
                  het geval van grootschalige crises, zoals COVID-19.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat de voormelde regeling werktijdverkorting
                  al enkele decennia ondersteuning biedt aan werkgevers die worden getroffen door
                  een kleinschalige crisis, met de mogelijkheid van ontheffing van het verbod op
                  werktijdverkorting in combinatie met loonsubsidie. Op grond van die regeling
                  kunnen werkgevers, als een calamiteit ertoe leidt dat zij 20% of meer van hun
                  arbeidscapaciteit niet kunnen inzetten, loonsubsidie aanvragen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Omdat die regeling goed functioneert, heeft de Afdeling er begrip
                  voor dat die, nu die is neergelegd in een beleidsregel, met het voorstel wettelijk
                  vastgelegd wordt, zij het in enigszins gewijzigde vorm. Regeling op het niveau van
                  de wet vergroot de rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft ook de wens van de regering om zich voor
                  te bereiden op toekomstige grootschalige crises. De Afdeling betwijfelt echter of
                  de voorgestelde regeling bij dergelijke grootschalige crises in voldoende mate
                  effectief kan zijn.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In dit verband merkt de Afdeling op dat de voorgestelde regeling
                  bedoeld is om zowel de gevolgen van klein- als grootschalige crises op te vangen.
                  Klein- en grootschalige crises kunnen en zullen echter aanzienlijk van elkaar
                  verschillen. Bij kleinschalige crises gaat het om calamiteiten, waarbij de
                  gevolgen en de duur daarvan al snel inzichtelijk zijn. Bovendien is het voor
                  dergelijke kleinschalige crises op basis van ervaringen uit het verleden mogelijk
                  een inschatting te maken van de aantallen crises die zich jaarlijks
                  voordoen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Hoewel een calamiteit als zodanig onvoorzienbaar is, zijn de
                  ernst, duur en de periode van herstel in de situatie van vóór de calamiteit
                  doorgaans snel nadat de calamiteit zich heeft voorgedaan in te schatten. Het maken
                  van een regeling voor ondersteuning van werkgevers in dergelijke gevallen is
                  daarom, zo is ook de ervaring met de regeling werktijdverkorting, relatief
                  eenvoudig omdat het steeds gaat om kortdurende crises, waarbij zicht bestaat op
                  een (vrij) spoedig herstel en op basis van ervaring kan worden ingeschat wat nodig
                  is om de werkgever te ondersteunen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voor dergelijke kleinschalige crises is de in het voorstel gekozen
                  methodiek van kortdurende ondersteuning met beperkte mogelijkheid tot verlenging
                  goed navolgbaar. Bovendien sluit het voorstel daarmee aan op de bestaande regeling
                  werktijdverkorting, waarin ook werd uitgegaan van kortdurende
                  ondersteuning.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Eén van de kenmerken van grootschalige crises is nu juist dat die
                  niet voorspelbaar zijn, zowel qua aard, ernst, verloop, duur en (duur van de)
                  gevolgen, alsmede de frequentie waarmee een dergelijke grootschalige crisis zich
                  aandient. Alleen al om die reden is het voor de wetgever moeilijk om voor
                  dergelijke grootschalige crisis in algemene zin een optimale regeling qua duur te
                     ontwerpen.<noot id="n162" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband ook: Kwalitatieve Evaluatie NOW. Doelmatigheid,
                        inrichting, uitvoering, samenwerking en misbruik en oneigenlijk gebruik.
                        Eindrapport SEO Economisch onderzoek, april 2024.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Waar onbekend is welke crises zich in de toekomst kunnen voordoen,
                  wat de ernst daarvan is, hoe lang ze duren en hoe ze gaan verlopen, is het ook
                  vrijwel onmogelijk vooraf instrumenten te ontwikkelen die bij alle soorten en
                  verschijningsvormen van crises aan ondernemers op de crisis afgestemde
                  ondersteuning kunnen bieden. Verder is het moeilijk op voorhand een complete
                  inventarisatie te maken van onvoorzienbare omstandigheden die in redelijkheid niet
                  tot het reguliere ondernemersrisico kunnen worden gerekend. Met het oog hierop is
                  het maken een werkbare regeling die voorziet in één oplossing voor alle soorten
                  crises en calamiteiten ingewikkeld. De vraag is ook of dit wenselijk is.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Voor grootschalige crises gelden andere uitgangspunten dan voor
                  kleinschalige crises, juist vanwege de onvoorspelbaarheid ervan. Door
                  onvoorspelbaarheid van de duur, is het bijvoorbeeld moeilijk om bij grootschalige
                  crises vooraf een in alle gevallen optimale duur te bepalen. Snelle afbouw van
                  loonsubsidie leidt bijvoorbeeld weliswaar tot minder ongewenste neveneffecten,
                  zoals verstoring van de bedrijfs- en arbeidsmarktdynamiek, maar is niet zonder
                  risico op een verminderd werkgelegenheidsbehoud en daarmee een minder
                  doeltreffende regeling. Het voorstel kiest voor snelle afbouw van loonsubsidie,
                  maar gaat niet in op de risico’s van verminderd loonbehoud bij langduriger crises.
                  Waar crises langer duren wordt ook het belang van andere maatregelen dan
                  loonsubsidie groter om werkgevers in de gelegenheid te stellen
                  bedrijfsaanpassingen daadwerkelijk door te voeren.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij langdurige crises zijn voldoende prikkels voor
                  bedrijfsaanpassingen, omzetgeneratie en arbeidsmobiliteit om mogelijk ongewenst
                  gedrag van bedrijven te beperken en de doelmatigheid van steun te verhogen
                  belangrijker. Bijvoorbeeld door inzet van extra instrumenten voor omscholing en
                  werk-naar-werk begeleiding. Het voorstel voorziet daarin niet en beperkt de inzet
                  van de voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen tot het crisistijdvak. Met het
                  oog op de onvoorspelbaarheid en duur van een grootschalige crisis neemt ook het
                  belang toe van monitoring om te kunnen beoordelen wanneer het juiste moment is af
                  te bouwen (of juist te verlengen) en daarmee een soepele overgang naar een post
                  crisis economie te bevorderen. Ook hierin voorziet het voorstel niet.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het licht van het voorgaande merkt de Afdeling op dat de
                  voorgestelde regeling voor grootschalige crises onvoldoende meerwaarde heeft,
                  omdat de regeling geen mogelijkheden biedt om ondersteunende instrumenten af te
                  stemmen op de aard, ernst en duur van een crisis.</nadruk>
            </al>
            <al>In tijden van crisis is het belangrijk dat ondernemingen snel kunnen schakelen en
               zich geen zorgen hoeven te maken over het kunnen behouden van personeel. Een
               crisisregeling kan ervoor zorgen dat bedrijven zo’n moeilijke periode kunnen
               overbruggen. Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis doet dat door werkgevers in
               zowel kleine als grote crises meer interne wendbaarheid te bieden door het mogelijk
               te maken werknemers tijdelijk ander werk te laten verrichten of tijdelijk een
               verminderde loondoorbetalingsverplichting in combinatie met loonsubsidie beschikbaar
               te stellen. Zo kunnen werkgevers hun personeel doorbetalen, ook als daar geen directe
               productiviteit tegenover staat. Voor werknemers betekent dit meer zekerheid dat zij
               in tijden van crisis hun baan kunnen behouden.</al>
            <al>De regering deelt niet met de Raad van State dat de instrumenten uit het
               wetsvoorstel bij grootschalige crises onvoldoende meerwaarde bieden. Het uitgangspunt
               is vanaf de start van het ontwerpen van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
               geweest om te komen tot een schaalbare regeling die zowel voor kleinere als voor
               grote crises geschikt is. De regeling Werktijdverkorting voldoet namelijk niet in een
               grote crisissituatie. De NOW die bij de uitbraak van de Covid-19 pandemie onder grote
               tijdsdruk werd opgericht, heeft in die periode goed gewerkt maar kent door de
               ongerichtheid ook nadelen.</al>
            <al>De instrumenten in het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis zijn geschikt voor
               zowel kleine als grote crises. In beide soorten crises kunnen werkgevers tijdelijk
               geen werk hebben voor werknemers of tijdelijk alleen ander werk. Als een werkgever
               tijdelijk (gedeeltelijk) geen werk heeft voor zijn werknemers, betaalt de werkgever
               90 procent van het loon door en ontvangt hij een loonsubsidie van 65 procent van het
               loon. Als er andere werkzaamheden voor werknemers zijn binnen het bedrijf, kan de
               werkgever de mogelijkheid tot herplaatsen van werknemers benutten.</al>
            <al>Tegelijkertijd zijn, zoals de Raad van State terecht stelt, grootschalige crises
               niet voorspelbaar qua aard, ernst, verloop, duur en (duur van de) gevolgen, alsmede
               de frequentie waarmee een dergelijke grootschalige crisis zich aandient. Deze
               onvoorspelbaarheid beperkt zich wat de regering betreft niet alleen tot grote crises.
               Juist vanwege de onvoorspelbaarheid van crises ongeacht de omvang van een crisis, is
               flexibiliteit ingebouwd in de instrumenten uit het wetsvoorstel. In tijden van crisis
               kan een werkgever kiezen tussen de inzet van twee instrumenten. Een werkgever kan bij
               deze keuze de aard, ernst en duur van de gevolgen van de crisis meewegen. Zo kan een
               werkgever ervoor kiezen slechts één van de twee instrumenten in te zetten, of eerst
               het ene instrument en daarna het andere instrument. Ook kan een werkgever de keuze
               maken om de instrumenten voor slechts een deel van het crisistijdvak in te zetten. De
               instrumenten herplaatsen van werknemers en verminderde loondoorbetaling in combinatie
               met loonsubsidie, bieden werkgevers daarmee flexibiliteit, meer interne wendbaarheid
               en financiële ondersteuning zowel in tijden van kleine als grote crises. De
               keuzemogelijkheid voor werkgevers, de loonsubsidie voor werkgevers en het feit dat
               een werknemer doorbetaald krijgt in plaats van een WW-uitkering ontvangt, maakt dat
               het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis meer is dan een wettelijke verankering
               van de regeling Werktijdverkorting.</al>
            <al>Om de flexibiliteit voor werkgevers verder te vergroten en de complexiteit van het
               wetsvoorstel voor werkgevers te verminderen, heeft de regering naar aanleiding van
               het advies van de Raad van State een aanpassing doorgevoerd in het wetsvoorstel. Het
               gaat om een keuzemogelijkheid voor werkgevers om de inzet van instrumenten vooraf af
               te stemmen op de verwachte duur van een crisis. Dit door werkgevers de mogelijkheid
               te geven om in één keer een aanvraag te doen voor een crisistijdvak van twee, vier of
               zes maanden. Op pagina 14 wordt deze aanpassing nader toegelicht.</al>
            <al>Met het wetsvoorstel kiest de regering voor duidelijkheid, zekerheid en een stevige
               basis vooraf, wetende dat één oplossing voor alle soorten crises en calamiteiten niet
               mogelijk is vanwege de onvoorspelbaarheid van crises. De instrumenten geven
               duidelijkheid en zekerheid aan werkgevers en een basis om op terug te vallen in
               tijden van crisis ongeacht de aard, ernst, schaal en duur van de crisis. Die
               zekerheid vooraf kan niet worden geboden als de instrumenten pas op het moment dat
               een crisis zich voordoet, bedacht en afgestemd moeten worden op de aard, ernst en
               duur van een crisis inclusief de bijbehorende wettelijke verankering.</al>
            <al>Uiteraard zal de regering, als een crisis als bedoeld in het wetsvoorstel zich
               voordoet, afwegen of aanpalend beleid, naast de instrumenten uit het wetsvoorstel of
               na afloop van het gebruik van de instrumenten van het wetsvoorstel, moet worden
               ontwikkeld voor in de loop van de crisis en/of na de eerste maanden van de crisis. De
               aard, ernst en verwachte duur en gevolgen van de crisis voor zover bekend op dat
               moment worden hierbij meegenomen in het afwegingsmoment. Ook als aanvullende
               instrumenten naast de instrumenten uit het wetsvoorstel of na afloop van het gebruik
               van (de instrumenten uit) het wetsvoorstel nodig zijn die ontwikkeld moeten worden,
               vormen de instrumenten uit het wetsvoorstel een stevige basis om de eerste periode te
               overbruggen. Ook zal de regering gedurende de periode dat de instrumenten uit het
               wetsvoorstel beschikbaar zijn, monitoren hoe de situatie zich ontwikkelt. Zoals de
               Raad van State terecht opmerkt, kan gedurende de looptijd van een crisis wijzigen
               welke ondersteuning nodig is en kan na verloop van tijd bijvoorbeeld omscholing nodig
               blijken. Zowel bij het afwegingsmoment als een crisis zich voordoet als bij de
               monitoring gedurende de periode dat de instrumenten uit het wetsvoorstel beschikbaar
               zijn, zal ook regelmatig overleg gevoerd worden met sociale partners, uitvoering en
               andere relevante betrokkenen.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.</nr>
              <titel>Hervorming arbeidsmarkt, vergroting wendbaarheid arbeidsovereenkomst</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel beoogt met de instrumenten herplaatsing en
                  verminderde loondoorbetaling de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in tijden
                  van crisis te vergroten. De toelichting verwijst in dit verband naar het rapport
                  van de commissie-Borstlap en het SER-advies, zoals hiervoor onder punt 1b
                     vermeld.<noot id="n163" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                        regulering van werk. Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                        23 januari 2020.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de
                  wendbaarheid van de vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke
                  maatregelen die daartoe strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een
                  crisisregeling. De voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt
                  tot een crisisregeling als hier aan de orde.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Een crisisregeling is primair bedoeld om een acute economische
                  schok die het gevolg is van een crisis op te vangen. Daarbij is in de eerste
                  plaats tijdige, gerichte en passende financiële ondersteuning aangewezen.
                  Arbeidsrechtelijke instrumenten kunnen bij een crisis ook behulpzaam zijn, maar
                  daarvoor geldt, anders dan het instrument van loonsubsidie, dat die ook hun nut
                  moeten hebben anders dan in tijden van crises.</nadruk>
            </al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Meer fundamentele aanpak nodig</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat de behoefte aan wendbaarheid van de
                     arbeidsovereenkomst verder strekt dan alleen in tijden van crisis als bedoeld
                     in dit voorstel. Ook buiten tijden van dergelijke crisis hebben werkgevers
                     behoefte aan meer wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, om in te kunnen
                     spelen op voortdurende marktveranderingen en technologische ontwikkelingen.
                     Door de vaste arbeidsovereenkomst flexibeler te maken kunnen noodzakelijke
                     aanpassingen sneller worden doorgevoerd en arbeid daar worden ingezet, waar
                     deze het meeste nut heeft (gewenste mobiliteit van arbeid). Dat impliceert ook
                     het beëindigen van arbeid waar dat minder nut heeft (creatieve
                     destructie).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Door beperking van de instrumenten verminderde loondoorbetaling
                     en herplaatsing tot tijden van crisis doet het voorstel onvoldoende recht aan
                     de vraag naar wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in het licht van de
                     gewenste hervormingen van de arbeidsmarkt. Die vraag naar wendbaarheid beperkt
                     zich niet tot crises als bedoeld in het voorstel, maar geldt juist ook voor
                     veranderende economische omstandigheden die wel tot het ondernemersrisico
                     kunnen worden gerekend.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het regelen van instrumenten die de wendbaarheid van de
                     arbeidsovereenkomst vergroten in tijden van crisis, terwijl diezelfde
                     instrumenten buiten tijden van crisis ontbreken, kan er onder omstandigheden
                     toe leiden dat maatschappelijke en politieke druk ontstaat om een crisis aan te
                     wijzen in het geval van zich onverhoeds wijzigende marktomstandigheden of een
                     economische recessie. Indien hieraan gehoor wordt gegeven, wordt het reguliere
                     ondernemersrisico alsnog op het collectief afgewenteld door de lasten van
                     werkgevers deels over te nemen. Daarmee wordt de wendbaarheid op de
                     arbeidsmarkt niet vergroot.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het risico op het aanwijzen van zich onverhoeds wijzigende
                     marktomstandigheden als crisis wordt vergroot, nu het voorstel voorziet in de
                     mogelijkheid om ook bij andere dan de in artikel 2, derde lid, van het
                     wetsvoorstel genoemde omstandigheden een crisis aan te wijzen. Weliswaar moet
                     het daarbij volgens de voorgestelde regeling gaan om onvoorzienbare
                     omstandigheden die in redelijkheid niet tot het reguliere ondernemersrisico
                     behoren, maar het voorstel staat er niet aan in de weg het begrip ‘regulier
                     ondernemersrisico’ (zeer) beperkt uit te leggen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Door de hervormingen op de arbeidsmarkt meer fundamenteel aan
                     te pakken en daarbij werk te maken van de wendbaarheid van de
                     arbeidsovereenkomst zoals eerder aanbevolen, wordt dat risico aanzienlijk
                     verminderd. Bovendien maakt een meer fundamentele aanpak, gericht op de
                     wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, het treffen van een regeling voor
                     arbeidsrechtelijke maatregelen in tijden van crisis, minder
                     noodzakelijk.</nadruk>
              </al>
              <al>De Afdeling merkt op dat wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst ook buiten
                  tijden van crisis gewenst is om in te kunnen spelen op voortdurende
                  marktveranderingen en technologische ontwikkelingen. De Afdeling benoemt in haar
                  advies, onder verwijzing naar de memorie van toelichting, de voorstellen uit het
                  rapport van de Commissie Borstlap en het SER-MLT-rapport voor meer interne
                  wendbaarheid voor werkgevers binnen duurzame arbeidsrelaties. De regering gaat
                  daarom eerst in op een aantal afwegingen die zijn gemaakt in de totstandkoming van
                  het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis alvorens wordt ingegaan op
                  wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in het licht van de gewenste hervormingen
                  van de arbeidsmarkt.</al>
              <al>In zowel het rapport van de Commissie Borstlap als het SER-MLT wordt, kort
                  gezegd, voorgesteld om werkgevers het recht te geven om (naast functie,
                  arbeidsplaats en werktijden) de arbeidsomvang te kunnen aanpassen. Werkgevers
                  krijgen in deze voorstellen meer wendbaarheid als bedrijfseconomische
                  omstandigheden daarom vragen. Er is dus geen beperking tot crisissituaties. In het
                  rapport Borstlap wordt voorgesteld deeltijdontslag (zonder preventieve toets) tot
                  een bepaald percentage van de arbeidsduur mogelijk te maken. In het
                  SER-MLT-rapport wordt voorgesteld om de werkgever de mogelijkheid te geven om
                  eenzijdig de arbeidsduur (tijdelijk) met maximaal 20 procent te verlagen als het
                  loon volledig wordt doorbetaald. De loonkosten over de verlaagde arbeidsduur
                  worden dan voor 75 procent verzekerd door een compensatieregeling van Rijkswege,
                  waarbij gebruik ervan niet ten koste gaat van opgebouwde WW-rechten.</al>
              <al>Onder meer naar aanleiding van de voorgenoemde rapporten, is in het
                  Coalitieakkoord van kabinet-Rutte IV<noot id="n164" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2021/2022, <extref doc="nds-tk-2021D50025" soort="document" status="actief">2021D50025</extref>.</noot.al></noot> hierop voortgebouwd: ‘Om de interne flexibiliteit en wendbaarheid van
                  bedrijven te vergroten wordt in overleg met de sociale partners een budgettair
                  neutrale deeltijd-WW uitgewerkt, met oog voor uitvoerbaarheid en betaalbaarheid.’
                  Deze lijn is als basis genomen voor het wetsvoorstel dat een onderdeel is geworden
                  van het bredere arbeidsmarktpakket. Zo is in nauw overleg met de sociale partners,
                  bewust voor gekozen om de arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsen van
                  werknemers en verminderde loondoorbetaling alleen tijdens een crisis te kunnen
                  inzetten. De in dit wetsvoorstel opgenomen arbeidsrechtelijke instrumenten zijn
                  specifiek uitgewerkt voor tijdelijke inzet tijdens crises. Het wetsvoorstel regelt
                  dat voor het instrument herplaatsing ook arbeid met een lagere loonwaarde als
                  passend wordt beschouwd, waarmee bijvoorbeeld na een brand werknemers kunnen
                  worden ingezet voor schoonmaakwerkzaamheden met behoud van het volledige salaris.
                  Dit verruimt de mogelijkheid om de werknemer te herplaatsen. Verder is het
                  instrument verminderde loondoorbetaling als voorwaarde verbonden aan de
                  loonsubsidie met als doel ook werknemers te laten bijdragen aan de crisis.
                  Wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst ook buiten tijden van crisis, vraagt
                  waarschijnlijk andere oplossingen en maatregelen die buiten de reikwijdte van dit
                  wetsvoorstel liggen.</al>
              <al>In het Coalitieakkoord van het kabinet-Jetten<noot id="n165" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2026/27, <extref doc="nds-tk-2026D04554" soort="document" status="actief">2026D04554</extref>.</noot.al></noot> is ervoor gekozen om de initiatieven uit het arbeidsmarktpakket, waar dit
                  wetsvoorstel onderdeel van is, voort te zetten. Onderdeel van het
                  arbeidsmarktpakket is de maatregel re-integratie tweede spoor die werkgevers ook
                  buiten crisistijd meer wendbaarheid geeft. Verder wil het kabinet met sociale
                  partners in gesprek over de arbeidsmarkt op de middellange termijn. Een belangrijk
                  onderdeel daarvan is, zoals ook benoemd in het coalitieakkoord, in kaart brengen
                  hoe werkzekerheid voor mensen met een baan gewaarborgd kan worden, maar ook hoe
                  (meer) wendbaarheid voor werkgevers vormgegeven kan worden.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Vergroting complexiteit crisisregeling</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Mede om oneigenlijk gebruik te beperken is in het voorstel een
                     aantal waarborgen opgenomen, die tegelijkertijd de complexiteit van de
                     crisisregeling aanzienlijk vergroten. Juist met het oog op de inzet van de
                     arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling
                     dient de werkgever de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                     personeelsvergadering om advies te vragen. Dit brengt voor de werkgever in
                     tijden van crisis extra uitvoeringslasten mee. Bovendien kost de
                     adviesprocedure de nodige tijd die nog aanzienlijk kan worden verlengd als de
                     OR beroep instelt bij de Ondernemingskamer. Zolang het oordeel van de
                     Ondernemingskamer er niet is, kan de werkgever geen aanvraag indienen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat dit niet passend is voor een
                     crisisregeling die erop gericht moet zijn werkgevers tijdig, gericht en passend
                     ondersteuning te bieden. Ook hiervoor geldt dat, indien maatregelen meer
                     fundamenteel worden gericht op de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, deze
                     problematiek zich in tijden van crisis naar alle waarschijnlijkheid minder snel
                     zal voordoen.</nadruk>
              </al>
              <al>Wat betreft de complexiteit merkt de regering op dat er een balans is gezocht
                  tussen de gerichtheid van de regeling, benodigde snelheid in crisistijd en het
                  doenvermogen van de verschillende betrokken partijen. De instrumenten zijn zo
                  ingericht dat de toename van de complexiteit en administratieve lasten zoveel als
                  mogelijk is beperkt. Bijvoorbeeld door aan te sluiten bij de systematiek van de
                  loonaangifte.</al>
              <al>De Raad van State heeft opgemerkt dat het vragen van advies aan de
                  ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering voor
                  werkgevers in tijden van crisis extra uitvoeringslasten meebrengt. Het klopt dat
                  het vragen van advies uitvoeringslasten met zich meebrengt. De regering acht van
                  groot belang dat het werknemersperspectief onderdeel is van het aanvraagproces.
                  UWV heeft zonder deze bron van informatie enkel informatie vanuit het
                  werkgeversperspectief. Daarom wordt de voorwaarde om advies te vragen aan de
                  ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering niet
                  losgelaten. Hierbij moet worden aangemerkt dat – ook als het advies niet als
                  voorwaarde zou volgen uit dit wetsvoorstel – deze verplichting in veel situaties
                  ook volgt uit de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Dit wetsvoorstel biedt de
                  duidelijkheid dat advies in alle situaties noodzakelijk is en voorkomt daarmee
                  onzekerheid bij de werkgevers en mogelijk ingewikkelde discussies.</al>
              <al>Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State over de complexiteit en
                  administratieve lasten die het advies van de ondernemingsraad met zich meebrengt,
                  heeft het kabinet het proces voor de initiële aanvraag nog eens bezien. Zoals de
                  Raad van State terecht stelt, is het moeilijk om bij een crisis vooraf en in alle
                  situaties de optimale duur van de inzet van de instrumenten te bepalen. Dat het
                  bepalen van de optimale duur ingewikkeld is, geldt niet alleen voor grote crises
                  maar ook bij een kleinschalige crisis. Voor de ene situatie zal een werkgever
                  evident de volledige zes maanden nodig hebben om zich voor te bereiden op de
                  werkzaamheden na deze periode. Bijvoorbeeld een kleinschalige crisis met
                  ingrijpende en blijvende gevolgen voor de bedrijfsvoering van een individuele
                  werkgever, zoals een brand die de productiecapaciteit van de werkgever volledig
                  verwoest. In een ander situatie kan aanpassing evident in een kortere periode
                  plaatsvinden. Bijvoorbeeld herstel van de schade van een relatief beperkte
                  overstroming. In weer andere situaties zal dit moeilijker in te schatten zijn aan
                  het begin van de crisis. Om ruimte te bieden voor meer maatwerk, heeft het kabinet
                  ervoor gekozen dat werkgevers een keuzemogelijkheid krijgen bij het aanvragen van
                  het crisistijdvak. Zij kunnen – net zoals dat al voorgesteld wordt bij de
                  loonsubsidie – een initiële aanvraag doen voor twee, vier of zes maanden. Deze
                  wijziging is verwerkt in artikel 4 en 5 van het wetsvoorstel en onder meer in
                  paragraaf 3.3.1 en paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting.</al>
              <al>Als gevolg van deze aanpassing hoeft een werkgever niet drie separate aanvragen
                  te doen als de werkgever voor de volledige zes maanden de inzet van de
                  instrumenten nodig heeft en meteen aanvraagt voor zes maanden. Eén aanvraag en één
                  advies van de ondernemingsraad kan dan volstaan. Bij de aanvraag zal de werkgever
                  wel aannemelijk moeten maken dat hij verwacht voor de drie periodes van twee
                  maanden geraakt te zijn door de crisis. Zo wordt voorkomen dat een werkgever die
                  bijvoorbeeld voor 100 procent geraakt is tijdens de eerste twee maanden en
                  vervolgens voor 0 procent voor de vier maanden die daarop volgen, alsnog de
                  instrumenten zou kunnen inzetten voor zes maanden, omdat het gemiddelde over zes
                  maanden wel boven de 20 procent uitkomt. Het voornemen om de instrumenten voor
                  drie keer twee maanden in te zetten moet de werkgever ook als zodanig voor advies
                  voorleggen bij de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                  personeelsvergadering. De werkgever hoeft het voornemen om de instrumenten in te
                  zetten in dat geval maar één keer voor advies voor te leggen. Een werkgever die
                  (nog) niet voor de volle zes maanden aannemelijk kan maken dat hij geraakt wordt
                  door een crisis behoudt de mogelijkheid om een initiële aanvraag te doen voor twee
                  of vier maanden. Vervolgens kan de betreffende werkgever via een
                  verlengingsaanvraag aannemelijk maken dat de situatie nog twee maanden de
                  werkzaamheden raakt. Zo heeft ook deze werkgever de mogelijkheid om de volledige
                  zes maanden te benutten mocht dat nodig zijn.</al>
              <al>Het kabinet verwacht niet dat deze keuzemogelijkheid ten koste gaat van de
                  gerichtheid van de instrumenten. Een werkgever moet nog steeds voor de periodes
                  van twee maanden aannemelijk maken dat hij geraakt is door de crisis. Hierop zal
                  hij advies van de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                  personeelsvergadering moeten vragen. De ondernemingsraad,
                  personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering kan afspraken maken met de
                  werkgever over welke stappen ondernomen moeten worden als de situatie tijdens het
                  crisistijdvak dermate verandert waardoor nieuwe betrokkenheid vanuit het personeel
                  gewenst is. Daarnaast zijn de instrumenten zo ingericht dat het ook voor een
                  werkgever niet loont om deze in te blijven zetten als de reguliere werkzaamheden
                  opgestart kunnen worden voordat het crisistijdvak is geëindigd. De werkgever mag
                  immers de instrumenten van herplaatsing en verminderde loondoorbetaling enkel
                  inzetten voor de uren dat er niet (in eigen arbeid) gewerkt kan worden door de
                  crisis. Verder geldt dat over de uren dat er niet gewerkt wordt en de werkgever
                  een loonsubsidie kan krijgen, hij zelf 25 procent van de loondoorbetaling draagt.
                  Dus ook in het geval dat werkgevers de mogelijkheid krijgen om de instrumenten uit
                  het wetsvoorstel direct voor vier of zes maanden in te zetten, is het niet de
                  verwachting dat dit tot een groter gebruik van de instrumenten zal leiden.</al>
              <al>Met de aanpassing komt het kabinet tegemoet aan de opmerking van de Raad van
                  State dat de complexiteit van het wetsvoorstel vergroot wordt door een aantal
                  waarborgen die zijn ingebouwd om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. De
                  keuzemogelijkheid biedt namelijk een route voor werkgevers om het aanvraagproces
                  in te korten, wanneer vooraf duidelijk is en onderbouwd kan worden dat een
                  werkgever voor een langere periode dan twee maanden geraakt wordt door de crisis.
                  In dat geval hebben de verlengingsaanvragen namelijk geen toegevoegde waarde en
                  brengen deze alleen administratieve lasten met zich.</al>
              <al>De Raad van State heeft ook opgemerkt dat de adviesprocedure aanzienlijk kan
                  worden verlengd als een ondernemingsraad beroep instelt bij de Ondernemingskamer.
                  Op dit punt zijn geen wijzigingen doorgevoerd. De regering hecht veel waarde aan
                  de rol van de ondernemingsraad, daarbij hoort ook de mogelijkheid tot instellen
                  van beroep. Het uitgangspunt is dat de ondernemingsraad, de
                  personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering een redelijke termijn
                  krijgt om het advies uit te brengen. Een termijn van twee weken acht het kabinet
                  hierin redelijk. Specifiek voor de ondernemingsraad zijn de opschortingstermijn en
                  beroepstermijn teruggebracht van een maand naar twee weken, waarbij de
                  ondernemingsraad de opschortingstermijn kan opheffen. Naar verwachting zal het
                  aantal beroepszaken bij de Ondernemingskamer beperkt zijn. Op deze manier is de
                  betrokkenheid van het werknemersperspectief geborgd zonder dat dit te veel ten
                  koste gaat van de snelheid. Tot slot heeft de werkgever de mogelijkheid om direct
                  advies te vragen op de inzet van de instrumenten voor zes maanden. Dit kan de
                  werkgever combineren met een aanvraag van een crisistijdvak van zes maanden, zoals
                  eerder in dit nader rapport is toegelicht.</al>
              <al>Tijdens de implementatie van het wetsvoorstel zullen diverse middelen ontwikkeld
                  worden om informatie te verstrekken en om werkgevers te ondersteunen. Uiteindelijk
                  is de regering van mening dat de inzet van werkgevers die gevraagd wordt in
                  verhouding staat tot wat er tegenover staat: het gebruik van instrumenten om
                  zoveel mogelijk behoud van werknemers te kunnen realiseren.</al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling
                     arbeidsrechtelijke maatregelen die zijn gericht op de vergroting van de
                     wendbaarheid van de vaste arbeidsovereenkomst, te regelen in een afzonderlijk
                     wetsvoorstel dat niet beperkt is tot crises.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">6.</nr>
              <titel>Conclusie</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling heeft er begrip voor dat met het voorstel de bestaande
                  regeling werktijdverkorting wettelijk vastgelegd wordt. Regeling op het niveau van
                  de wet vergroot de rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft de wens van de regering om zich voor te
                  bereiden op toekomstige grootschalige crises. De Afdeling concludeert dat de
                  voorgestelde regeling bij dergelijke grootschalige crises onvoldoende meerwaarde
                  heeft, omdat de regeling geen mogelijkheden biedt om ondersteunende instrumenten
                  af te stemmen op de aard, ernst en duur van een crisis.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de
                  wendbaarheid van de vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke
                  maatregelen die daartoe strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een
                  crisisregeling. De voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt
                  tot een crisisregeling als hier aan de orde.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert daarom arbeidsrechtelijke maatregelen die
                  zijn gericht op de vergroting van de wendbaarheid van de vaste
                  arbeidsovereenkomst, te regelen in een afzonderlijk wetsvoorstel dat niet beperkt
                  is tot crises.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het voorstel nader
                  te overwegen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal
                  bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der
                  Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De vice-president van de Raad van State,</nadruk>
            </al>
            <al>Het etsvoorstel personeelsbehoud bij crisis biedt werkgevers bij zowel kleine als
               grote crises meer interne wendbaarheid door mogelijk te maken werknemers tijdelijk
               ander werk te laten verrichten of tijdelijk een subsidie beschikbaar te stellen, in
               combinatie met een verminderde loondoorbetalingsverplichting. In tijden van crisis
               kunnen bedrijven hierdoor snel schakelen.</al>
            <al>Met het wetsvoorstel kiest de regering voor duidelijkheid, zekerheid en een stevige
               basis vooraf, wetende dat één oplossing voor alle soorten crises en calamiteiten niet
               mogelijk is vanwege de onvoorspelbaarheid van crises. Juist vanwege de
               onvoorspelbaarheid van crises ongeacht de omvang van een crisis, is op diverse punten
               in het wetsvoorstel flexibiliteit ingebouwd voor werkgevers om bij de inzet van
               instrumenten de aard, ernst en duur van de gevolgen van de crisis mee te wegen. Deze
               flexibiliteit is naar aanleiding van het advies van de Raad van State uitgebreid door
               een keuzemogelijkheid in te bouwen waarmee werkgevers de gelegenheid krijgen om in
               een keer een aanvraag te doen voor twee, vier of zes maanden.</al>
            <al>Uiteraard zal de regering, als een crisis op grond van het wetsvoorstel zich
               voordoet, vooraf en gedurende de looptijd van de crisis afwegen of het
               instrumentarium voldoende passend is of dat aanvullende instrumenten nodig zijn voor
               in de loop van de crisis en na de eerste maanden van de crisis.</al>
            <al>Wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst ook buiten tijden van crisis, vraagt
               waarschijnlijk om andere oplossingen en maatregelen die buiten de reikwijdte van dit
               wetsvoorstel liggen. Overigens is de regering van mening dat het bestaan van het
               wetsvoorstel werkgevers, ook in goede tijden, vertrouwen geeft dat zij wendbaar
               kunnen zijn wanneer dat nodig is. Dit draagt bij aan meer rust in de bedrijfsvoering,
               aan de aantrekkelijkheid van de vaste arbeidsovereenkomst en daarmee ook aan de
               algemene wendbaarheid die werkgevers ervaren.</al>
            <al-groep>
              <al>Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om nog enkele kleine inhoudelijke en
                  technische wijzigingen door te voeren in het wetsvoorstel en de memorie van
                  toelichting. Het eerste punt betreft een vereenvoudiging van de berekening van de
                  loonsubsidie. Eerder is voorgesteld om bij het sociaal verzekeringsloon (SV-loon)
                  de opbouw vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardebedrag op te tellen en de
                  uitbetaling hiervan af te trekken (via de bijzondere beloning) voordat dit
                  geconstrueerd wordt voor de loonsubsidie. Dit om te corrigeren voor
                  loonbestanddelen die wel tot het SV-loon behoren, maar niet tot het naar
                  tijdruimte vastgesteld loon of andersom. Vanwege de complexiteitsreductie wordt
                  voorgesteld deze correcties achterwege te laten. Hierdoor kan er direct uitgegaan
                  worden van het SV-loon, wat voor werkgevers makkelijker te herleiden is en minder
                  foutgevoelig is. Deze wijziging is verwerkt in paragraaf 3.3.3 van de memorie van
                  toelichting. Het wetsvoorstel is niet aangepast omdat de uitwerking hiervan zal
                  plaatsvinden bij ministeriële regeling.</al>
              <al>Het tweede punt betreft een wijziging in de formulering in het wetsvoorstel van
                  de voorwaarde dat de arbeidsrechtelijke instrumenten enkel ingezet mogen worden
                  als deze worden toegepast voor alle werknemers per categorie uitwisselbare
                  functies voor een gelijk percentage. Om aan te sluiten bij de formulering van de
                  Ontslagregeling, is het begrip ‘groep’ aangepast in ‘categorie’. Dit creëert
                  uniformiteit van begrippen. Deze wijziging is verwerkt in artikel 26 van het
                  wetsvoorstel.</al>
              <al>In de derde plaats is de beoogde vergoeding in de loonsubsidie voor de
                  werkgeverslasten verhoogd van 23,5 procent naar 25 procent, in aansluiting op de
                  actuele vergoeding in de Participatiewet in plaats van de vergoeding zoals die
                  gold tot 2025. Dit is aangepast in paragraaf 3.3.3 van de memorie van
                  toelichting.</al>
              <al>Om onnodige wetgeving te voorkomen is artikel 7, vierde lid en artikel 15, tweede
                  lid, van het wetsvoorstel verwijderd. Daarin was een grondslag opgenomen voor
                  elektronische wetgeving, echter is de grondslag al gelegen in artikel 32e Wet
                  SUWI.</al>
              <al>Tot slot, is de memorie van toelichting geactualiseerd vanwege het aantreden van
                  het kabinet-Jetten en zijn er nog enige redactionele wijzigingen gemaakt.</al>
            </al-groep>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde
               memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Werk en
               Participatie,</functie>
            <naam>
              <voornaam>A.A.</voornaam>
              <achternaam>Aartsen</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W12.25.00281/III</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 4 februari 2026</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2025, no.2025002199, heeft Uwe Majesteit, op
               voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling
               advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van
               wet tot wijziging van regels voor de inzet van arbeidsrechtelijke instrumenten en
               loonsubsidie om werkgevers in staat te stellen zoveel mogelijk werknemers te behouden
               in tijden van crises (Wet personeelsbehoud bij crisis), met memorie van
               toelichting.</al>
            <al>Het voorstel is erop gericht om ‘levensvatbare’ bedrijven tijdens een crisis te
               ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers. Het voorstel voorziet
               in één regeling voor zowel grote als kleine crises. Daarnaast beoogt het voorstel ook
               de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in tijden van crisis te vergroten.</al>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er begrip voor dat met het
               wetsvoorstel de bestaande regeling werktijdverkorting wettelijk wordt vastgelegd. Ook
               onderschrijft de Afdeling de wens van de regering om zich voor te bereiden op
               toekomstige grootschalige crises. De Afdeling betwijfelt echter of de voorgestelde
               regeling bij dergelijke grootschalige crises voldoende effectief kan zijn.</al>
            <al>Eén van de kenmerken van grootschalige crises is nu juist dat die niet voorspelbaar
               zijn, zowel qua aard, ernst, verloop, duur en gevolgen, alsmede de frequentie waarmee
               een dergelijke grootschalige crisis zich aandient. Hierdoor vraagt een grootschalige
               crisis om andere instrumenten en oplossingen, dan een kleinschalige crisis. Het
               voorstel voorziet daarin niet.</al>
            <al>De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de wendbaarheid van de
               vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke maatregelen die daartoe
               strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een crisisregeling. De
               voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt tot een
               crisisregeling als hier aan de orde. Voor dergelijke maatregelen is een bredere
               toepasbaarheid gewenst. De gekozen benadering vergroot ook de complexiteit van de
               regeling. Bovendien wordt daarmee de wendbaarheid op de arbeidsmarkt niet
               vergroot.</al>
            <al>Gelet op het voorgaande dient het voorstel nader te worden overwogen.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Aanleiding en voorgeschiedenis van het voorstel</titel>
            </kop>
            <al>Uit de toelichting blijkt dat aan het wetsvoorstel twee ontwikkelingen ten grondslag
               liggen.</al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Bestaande regeling werktijdverkorting ontoereikend bij grootschalige
                     crisis</titel>
              </kop>
              <al>De bestaande regeling werktijdverkorting biedt werkgevers de mogelijkheid om bij
                  het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werktijdverkorting aan te
                  vragen vanwege een verminderd gebruik van arbeidscapaciteit van tenminste 20%,
                  veroorzaakt door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het
                  normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend.<noot id="n128" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004, <extref doc="stcrt-2004-199-p13-SC6705" soort="document" status="actief">Stcrt.
                           2004, nr. 199</extref>, blz 13.</noot.al></noot> Werkgevers ontvangen voor de niet gewerkte uren een uitkering op grond van
                  de Werkloosheidswet (WW), die wordt doorbetaald aan de werknemer. De maximale duur
                  bedraagt zes weken en kan drie keer worden verlengd tot een maximale duur van 24
                  weken. Per jaar wordt gemiddeld voor ongeveer 350 werknemers een beroep gedaan op
                  de regeling werktijdverkorting.<noot id="n129" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.</noot.al></noot></al>
              <al>Volgens de toelichting is tijdens de coronacrisis gebleken, dat de bestaande
                  regeling werktijdverkorting niet geschikt is om de gevolgen van een grootschalige
                  crisis voor werkgevers op te vangen. Verder ontbreekt een opschaalbare regeling
                  voor het behoud van personeel in crisistijd. Die ongeschiktheid heeft vooral
                  betrekking op de (handmatige) uitvoering van die regeling, die door de grote
                  hoeveelheden aanvragen als gevolg van de coronacrisis in de knel kwam. Om die
                  reden werd destijds de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW)
                     opgericht.<noot id="n130" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>De regeling werktijdverkorting werd met de invoering van de NOW op
                        17 maart 2020 tijdelijk beëindigd en is op 1 oktober 2021 weer
                        opengesteld</noot.al></noot> Om dit in de toekomst te voorkomen is de motie Palland en Tielen door de
                  Tweede Kamer aangenomen, waarin werd opgeroepen een start te maken met de
                  voorbereiding van een deeltijd WW of een variant daarop.<noot id="n131" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2020/21, <extref doc="kst-35410-130" soort="document" status="actief">35 410, nr. 130</extref>.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Noodzaak tot hervorming van de arbeidsmarkt/Vergroting wendbaarheid
                     arbeidsovereenkomst</titel>
              </kop>
              <al>Daarnaast was, al voordat de coronacrisis uitbrak, een brede maatschappelijke
                  discussie gaande over een toekomstbestendige arbeidsmarkt. De noodzaak tot
                  hervorming van de arbeidsmarkt werd daarbij breed gezien, waarbij er een betere
                  balans tussen zekerheid en wendbaarheid op de arbeidsmarkt zou moeten
                  bestaan.</al>
              <al>De toelichting wijst in dit verband op het rapport van de Commissie Regulering
                  van werk (Commissie Borstlap).<noot id="n132" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                        regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                        23 januari 2020.</noot.al></noot> Volgens dit rapport biedt de vaste arbeidsovereenkomst bedrijven (te)
                  weinig speelruimte om in te spelen op veranderende omstandigheden, zoals
                  fluctuaties in producten of diensten.<noot id="n133" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                        regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                        23 januari 2020.</noot.al></noot> Om werkgevers ruimte te bieden voor het organiseren van
                  aanpassingsvermogen binnen hun organisatie adviseert de commissie om aan
                  werkgevers gelijke rechten toe te kennen als werknemers hebben op grond van de Wet
                  flexibel werken. Dit betekent dat de interne wendbaarheid binnen de
                  arbeidsovereenkomst voor werkgevers wordt vergroot op het terrein van
                  arbeidsomvang, functies, werklocaties en arbeidstijden. De werkgever zou de
                  mogelijkheid moeten krijgen deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen indien
                  bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding geven, aldus het rapport en
                  de toelichting.</al>
              <al>Tevens wordt in de toelichting gewezen op het middellange termijn advies van de
                  SER uit 2021 waarin ervoor wordt gepleit om het mogelijk te maken om eenzijdig de
                  arbeidsduur voor alle medewerkers met maximaal 20% te verlagen bij
                  bedrijfseconomische omstandigheden die anders tot ontslag zouden hebben geleid,
                  met volledige loondoorbetalingen, waarbij het Rijk 75% van het loon
                  compenseert.</al>
              <al>Zowel de NOW, de genoemde motie, als de voorstellen van de Commissie Borstlap en
                  het middellange termijn advies van de SER zijn volgens de toelichting aanleiding
                  geweest voor het wetsvoorstel, zodat iedereen beter is voorbereid op zowel klein-
                  als grootschalige crises en er niet binnen zeer korte tijd nieuwe regelgeving moet
                  worden opgesteld. Tegelijkertijd draagt het wetsvoorstel, samen met andere
                  voorgestelde maatregelen, ook bij aan een betere, toekomstbestendige arbeidsmarkt,
                  aldus de toelichting.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Doel en inhoud van het wetsvoorstel</titel>
            </kop>
            <al>Het doel van het voorstel is om ‘levensvatbare’ bedrijven in een crisis (in de zin
               van het wetsvoorstel) te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk
                  werknemers.<noot id="n134" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.6.</noot.al></noot></al>
            <al>Een crisis wordt volgens het voorstel gevormd door een aantal nader genoemde
               onvoorzienbare omstandigheden, die in redelijkheid niet tot het reguliere
               ondernemersrisico kunnen worden gerekend.<noot id="n135" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, eerste lid.</noot.al></noot> Het voorstel maakt onderscheid tussen kleinschalige crises en grootschalige
               crises. Bij kleinschalige crises gaat het om calamiteiten, zoals een brand of
               uitzonderlijke weersomstandigheden, die veelal één of een beperkt aantal bedrijven
               tegelijkertijd raken.<noot id="n136" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, tweede lid.</noot.al></noot> Daarvoor geldt nu de voormelde regeling werktijdverkorting. Bij dergelijke
               kleinschalige crises is geen aanwijzing van de minister nodig, voordat werkgevers
               gebruik kunnen maken van de voorgestelde instrumenten.</al>
            <al>Bij ministeriële regeling kunnen ook enkele andere, nader genoemde, omstandigheden
               als crisis worden aangewezen. Dit kan, als niet onaannemelijk is dat die
               omstandigheden gedurende ten minste één maand zullen leiden tot ten minste 20%
               verminderde inzet van de arbeidscapaciteit van één of meer werkgevers. Daarbij gaat
               het om een vijftal in het wetsvoorstel bepaalde situaties, zoals bijvoorbeeld uitval
               van openbare infrastructuur of een gewapend conflict.<noot id="n137" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, derde en zesde lid.</noot.al></noot> Hier gaat het om grote(re) crises die veel bedrijven tegelijkertijd kunnen
               raken.</al>
            <al>Ten slotte kunnen ook andere omstandigheden als crisis worden aangewezen in
               overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.<noot id="n138" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 2, derde, vijfde en zesde lid.</noot.al></noot></al>
            <al>Het wetsvoorstel biedt aan werkgevers die worden geraakt door een crisis de
               mogelijkheid om, gedurende een periode van twee maanden, werknemers tijdelijk ander
               werk te laten doen (herplaatsing), of om werknemers tijdelijk minder uren te laten
               werken, onder gelijktijdige vermindering van de loondoorbetalingsverplichting met 10%
               voor de niet gewerkte uren.<noot id="n139" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Artikel 26, voorgesteld artikel 660b, eerste lid, onder b, van Boek 7 van
                     het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Het voorstel voorziet daarbij ook in de mogelijkheid om voor de niet gewerkte
               uren waarvoor gebruik wordt gemaakt van de verminderde loondoorbetalingsverplichting,
               een loonsubsidie aan te vragen.<noot id="n140" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Paragraaf 3.</noot.al></noot> De loonsubsidie bedraagt 65% van het loon over de subsidiabele uren van
               werknemers voor wie loonvermindering is toegepast.<noot id="n141" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 14.</noot.al></noot> Verlenging is mogelijk met twee keer een periode van twee maanden.</al>
            <al>Om de instrumenten te kunnen inzetten dient de werkgever een aanvraag in bij het
               UWV, dat beoordeelt of de werkgever door de crisis is geraakt, vaststelt of de
               werkgever de representatieve vakbond heeft geïnformeerd over zijn voornemen tot
               herplaatsing of verminderde loondoorbetaling en vaststelt of de werkgever de
               ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
               personen in de gelegenheid heeft gesteld advies uit te brengen over het door de
               werkgever voorgenomen besluit.<noot id="n142" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 3.</noot.al></noot> De aanvraag om loonsubsidie dient de werkgever eveneens in bij het UWV.<noot id="n143" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 11.</noot.al></noot></al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>‘Levensvatbare’ bedrijven</titel>
            </kop>
            <al>De doelstelling van het voorstel is volgens de toelichting beperkt tot
               ‘levensvatbare’ bedrijven. In het voorstel noch in de toelichting daarop wordt
               toegelicht wat onder ‘levensvatbare’ bedrijven wordt verstaan. Wel staat in de
               toelichting dat de voorgestelde maximale duur van zes maanden aan bedrijven de tijd
               geeft zich op de door een crisis veranderde situatie aan te passen en dat steun die
               langer duurt het risico met zich brengt dat bedrijven worden ondersteund die
               onvoldoende levensvatbaar zijn.</al>
            <al>De Afdeling merkt hierover op dat het begrip ‘levensvatbare’ bedrijven aldus
               onvoldoende onderscheidend is. De voorgestelde regeling sluit immers niet uit dat
               bedrijven die aan het begin van de crisis al onvoldoende levensvatbaar zijn, toch
               gebruik kunnen maken van de voorgestelde maatregelen. Evenmin kan in algemene zin
               worden volgehouden dat bedrijven die zich bij een langdurige crisis niet binnen zes
               maanden aan de nieuwe situatie kunnen aanpassen, niet levensvatbaar zijn.</al>
            <al>Door in het midden te laten wat onder ‘levensvatbare’ bedrijven moet worden
               verstaan, en hoe en door wie wordt bepaald of een bedrijf ‘levensvatbaar’ is, is
               onvoldoende duidelijk welke werkgevers van de voorgestelde regeling gebruik mogen
               maken.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Verschillende doelen en instrumenten in één regeling</titel>
            </kop>
            <al>Het voorstel gaat uit van de veronderstelling dat het, gelet op de hiervoor
               geschetste ontwikkelingen zowel noodzakelijk als mogelijk is een regeling te treffen
               gericht op het behoud van personeel in tijden van crisis, die uitvoerbaar is bij alle
               vormen van crisis, zowel in het geval van kleinschalige calamiteiten, waarvoor op dit
               moment de regeling werktijdverkorting geldt, als in het geval van grootschalige
               crises, zoals COVID-19.</al>
            <al>De Afdeling merkt op dat de voormelde regeling werktijdverkorting al enkele decennia
               ondersteuning biedt aan werkgevers die worden getroffen door een kleinschalige
               crisis, met de mogelijkheid van ontheffing van het verbod op werktijdverkorting in
               combinatie met loonsubsidie. Op grond van die regeling kunnen werkgevers, als een
               calamiteit ertoe leidt dat zij 20% of meer van hun arbeidscapaciteit niet kunnen
               inzetten, loonsubsidie aanvragen.</al>
            <al>Omdat die regeling goed functioneert, heeft de Afdeling er begrip voor dat die, nu
               die is neergelegd in een beleidsregel, met het voorstel wettelijk vastgelegd wordt,
               zij het in enigszins gewijzigde vorm. Regeling op het niveau van de wet vergroot de
               rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers.</al>
            <al>De Afdeling onderschrijft ook de wens van de regering om zich voor te bereiden op
               toekomstige grootschalige crises. De Afdeling betwijfelt echter of de voorgestelde
               regeling bij dergelijke grootschalige crises in voldoende mate effectief kan
               zijn.</al>
            <al>In dit verband merkt de Afdeling op dat de voorgestelde regeling bedoeld is om zowel
               de gevolgen van klein- als grootschalige crises op te vangen. Klein- en grootschalige
               crises kunnen en zullen echter aanzienlijk van elkaar verschillen. Bij kleinschalige
               crises gaat het om calamiteiten, waarbij de gevolgen en de duur daarvan al snel
               inzichtelijk zijn. Bovendien is het voor dergelijke kleinschalige crises op basis van
               ervaringen uit het verleden mogelijk een inschatting te maken van de aantallen crises
               die zich jaarlijks voordoen.</al>
            <al>Hoewel een calamiteit als zodanig onvoorzienbaar is, zijn de ernst, duur en de
               periode van herstel in de situatie van vóór de calamiteit doorgaans snel nadat de
               calamiteit zich heeft voorgedaan in te schatten. Het maken van een regeling voor
               ondersteuning van werkgevers in dergelijke gevallen is daarom, zo is ook de ervaring
               met de regeling werktijdverkorting, relatief eenvoudig omdat het steeds gaat om
               kortdurende crises, waarbij zicht bestaat op een (vrij) spoedig herstel en op basis
               van ervaring kan worden ingeschat wat nodig is om de werkgever te ondersteunen.</al>
            <al>Voor dergelijke kleinschalige crises is de in het voorstel gekozen methodiek van
               kortdurende ondersteuning met beperkte mogelijkheid tot verlenging goed navolgbaar.
               Bovendien sluit het voorstel daarmee aan op de bestaande regeling werktijdverkorting,
               waarin ook werd uitgegaan van kortdurende ondersteuning.</al>
            <al>Eén van de kenmerken van grootschalige crises is nu juist dat die niet voorspelbaar
               zijn, zowel qua aard, ernst, verloop, duur en (duur van de) gevolgen, alsmede de
               frequentie waarmee een dergelijke grootschalige crisis zich aandient. Alleen al om
               die reden is het voor de wetgever moeilijk om voor dergelijke grootschalige crisis in
               algemene zin een optimale regeling qua duur te ontwerpen.<noot id="n144" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband ook: Kwalitatieve Evaluatie NOW. Doelmatigheid,
                     inrichting, uitvoering, samenwerking en misbruik en oneigenlijk gebruik.
                     Eindrapport SEO Economisch onderzoek, april 2024.</noot.al></noot></al>
            <al>Waar onbekend is welke crises zich in de toekomst kunnen voordoen, wat de ernst
               daarvan is, hoe lang ze duren en hoe ze gaan verlopen, is het ook vrijwel onmogelijk
               vooraf instrumenten te ontwikkelen die bij alle soorten en verschijningsvormen van
               crises aan ondernemers op de crisis afgestemde ondersteuning kunnen bieden. Verder is
               het moeilijk op voorhand een complete inventarisatie te maken van onvoorzienbare
               omstandigheden die in redelijkheid niet tot het reguliere ondernemersrisico kunnen
               worden gerekend. Met het oog hierop is het maken een werkbare regeling die voorziet
               in één oplossing voor alle soorten crises en calamiteiten ingewikkeld. De vraag is
               ook of dit wenselijk is.</al>
            <al>Voor grootschalige crises gelden andere uitgangspunten dan voor kleinschalige
               crises, juist vanwege de onvoorspelbaarheid ervan. Door onvoorspelbaarheid van de
               duur, is het bijvoorbeeld moeilijk om bij grootschalige crises vooraf een in alle
               gevallen optimale duur te bepalen. Snelle afbouw van loonsubsidie leidt bijvoorbeeld
               weliswaar tot minder ongewenste neveneffecten, zoals verstoring van de bedrijfs- en
               arbeidsmarktdynamiek, maar is niet zonder risico op een verminderd
               werkgelegenheidsbehoud en daarmee een minder doeltreffende regeling. Het voorstel
               kiest voor snelle afbouw van loonsubsidie, maar gaat niet in op de risico’s van
               verminderd loonbehoud bij langduriger crises. Waar crises langer duren wordt ook het
               belang van andere maatregelen dan loonsubsidie groter om werkgevers in de gelegenheid
               te stellen bedrijfsaanpassingen daadwerkelijk door te voeren.</al>
            <al>Bij langdurige crises zijn voldoende prikkels voor bedrijfsaanpassingen,
               omzetgeneratie en arbeidsmobiliteit om mogelijk ongewenst gedrag van bedrijven te
               beperken en de doelmatigheid van steun te verhogen belangrijker. Bijvoorbeeld door
               inzet van extra instrumenten voor omscholing en werk-naar-werk begeleiding. Het
               voorstel voorziet daarin niet en beperkt de inzet van de voorgestelde
               arbeidsrechtelijke maatregelen tot het crisistijdvak. Met het oog op de
               onvoorspelbaarheid en duur van een grootschalige crisis neemt ook het belang toe van
               monitoring om te kunnen beoordelen wanneer het juiste moment is af te bouwen (of
               juist te verlengen) en daarmee een soepele overgang naar een post crisis economie te
               bevorderen. Ook hierin voorziet het voorstel niet.</al>
            <al>In het licht van het voorgaande merkt de Afdeling op dat de voorgestelde regeling
               voor grootschalige crises onvoldoende meerwaarde heeft, omdat de regeling geen
               mogelijkheden biedt om ondersteunende instrumenten af te stemmen op de aard, ernst en
               duur van een crisis.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.</nr>
              <titel>Hervorming arbeidsmarkt, vergroting wendbaarheid arbeidsovereenkomst</titel>
            </kop>
            <al>Het wetsvoorstel beoogt met de instrumenten herplaatsing en verminderde
               loondoorbetaling de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in tijden van crisis te
               vergroten. De toelichting verwijst in dit verband naar het rapport van de
               commissie-Borstlap en het SER-advies, zoals hiervoor onder punt 1b vermeld.<noot id="n145" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>‘In wat voor land willen wij werken? Naar een nieuw ontwerp voor de
                     regulering van werk.’ Eindrapport van de Commissie Regulering van Werk,
                     23 januari 2020.</noot.al></noot></al>
            <al>De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de wendbaarheid van de
               vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke maatregelen die daartoe
               strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een crisisregeling. De
               voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt tot een
               crisisregeling als hier aan de orde.</al>
            <al>Een crisisregeling is primair bedoeld om een acute economische schok die het gevolg
               is van een crisis op te vangen. Daarbij is in de eerste plaats tijdige, gerichte en
               passende financiële ondersteuning aangewezen. Arbeidsrechtelijke instrumenten kunnen
               bij een crisis ook behulpzaam zijn, maar daarvoor geldt, anders dan het instrument
               van loonsubsidie, dat die ook hun nut moeten hebben anders dan in tijden van
               crises.</al>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Meer fundamentele aanpak nodig</titel>
              </kop>
              <al>De Afdeling merkt op dat de behoefte aan wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst
                  verder strekt dan alleen in tijden van crisis als bedoeld in dit voorstel. Ook
                  buiten tijden van dergelijke crisis hebben werkgevers behoefte aan meer
                  wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, om in te kunnen spelen op voortdurende
                  marktveranderingen en technologische ontwikkelingen. Door de vaste
                  arbeidsovereenkomst flexibeler te maken kunnen noodzakelijke aanpassingen sneller
                  worden doorgevoerd en arbeid daar worden ingezet, waar deze het meeste nut heeft
                  (gewenste mobiliteit van arbeid). Dat impliceert ook het beëindigen van arbeid
                  waar dat minder nut heeft (creatieve destructie).</al>
              <al>Door beperking van de instrumenten verminderde loondoorbetaling en herplaatsing
                  tot tijden van crisis doet het voorstel onvoldoende recht aan de vraag naar
                  wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst in het licht van de gewenste hervormingen
                  van de arbeidsmarkt. Die vraag naar wendbaarheid beperkt zich niet tot crises als
                  bedoeld in het voorstel, maar geldt juist ook voor veranderende economische
                  omstandigheden die wel tot het ondernemersrisico kunnen worden gerekend.</al>
              <al>Het regelen van instrumenten die de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst
                  vergroten in tijden van crisis, terwijl diezelfde instrumenten buiten tijden van
                  crisis ontbreken, kan er onder omstandigheden toe leiden dat maatschappelijke en
                  politieke druk ontstaat om een crisis aan te wijzen in het geval van zich
                  onverhoeds wijzigende marktomstandigheden of een economische recessie. Indien
                  hieraan gehoor wordt gegeven, wordt het reguliere ondernemersrisico alsnog op het
                  collectief afgewenteld door de lasten van werkgevers deels over te nemen. Daarmee
                  wordt de wendbaarheid op de arbeidsmarkt niet vergroot.</al>
              <al>Het risico op het aanwijzen van zich onverhoeds wijzigende marktomstandigheden
                  als crisis wordt vergroot, nu het voorstel voorziet in de mogelijkheid om ook bij
                  andere dan de in artikel 2, derde lid, van het wetsvoorstel genoemde
                  omstandigheden een crisis aan te wijzen. Weliswaar moet het daarbij volgens de
                  voorgestelde regeling gaan om onvoorzienbare omstandigheden die in redelijkheid
                  niet tot het reguliere ondernemersrisico behoren, maar het voorstel staat er niet
                  aan in de weg het begrip ‘regulier ondernemersrisico’ (zeer) beperkt uit te
                  leggen.</al>
              <al>Door de hervormingen op de arbeidsmarkt meer fundamenteel aan te pakken en
                  daarbij werk te maken van de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst zoals eerder
                  aanbevolen, wordt dat risico aanzienlijk verminderd. Bovendien maakt een meer
                  fundamentele aanpak, gericht op de wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, het
                  treffen van een regeling voor arbeidsrechtelijke maatregelen in tijden van crisis,
                  minder noodzakelijk.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Vergroting complexiteit crisisregeling</titel>
              </kop>
              <al>Mede om oneigenlijk gebruik te beperken is in het voorstel een aantal waarborgen
                  opgenomen, die tegelijkertijd de complexiteit van de crisisregeling aanzienlijk
                  vergroten. Juist met het oog op de inzet van de arbeidsrechtelijke instrumenten
                  herplaatsing en verminderde loondoorbetaling dient de werkgever de
                  ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering om advies
                  te vragen. Dit brengt voor de werkgever in tijden van crisis extra
                  uitvoeringslasten mee. Bovendien kost de adviesprocedure de nodige tijd die nog
                  aanzienlijk kan worden verlengd als de OR beroep instelt bij de Ondernemingskamer.
                  Zolang het oordeel van de Ondernemingskamer er niet is, kan de werkgever geen
                  aanvraag indienen.</al>
              <al>De Afdeling merkt op dat dit niet passend is voor een crisisregeling die erop
                  gericht moet zijn werkgevers tijdig, gericht en passend ondersteuning te bieden.
                  Ook hiervoor geldt dat, indien maatregelen meer fundamenteel worden gericht op de
                  wendbaarheid van de arbeidsovereenkomst, deze problematiek zich in tijden van
                  crisis naar alle waarschijnlijkheid minder snel zal voordoen.</al>
              <al>In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling arbeidsrechtelijke
                  maatregelen die zijn gericht op de vergroting van de wendbaarheid van de vaste
                  arbeidsovereenkomst, te regelen in een afzonderlijk wetsvoorstel dat niet beperkt
                  is tot crises.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">6.</nr>
              <titel>Conclusie</titel>
            </kop>
            <al>De Afdeling heeft er begrip voor dat met het voorstel de bestaande regeling
               werktijdverkorting wettelijk vastgelegd wordt. Regeling op het niveau van de wet
               vergroot de rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers.</al>
            <al>De Afdeling onderschrijft de wens van de regering om zich voor te bereiden op
               toekomstige grootschalige crises. De Afdeling concludeert dat de voorgestelde
               regeling bij dergelijke grootschalige crises onvoldoende meerwaarde heeft, omdat de
               regeling geen mogelijkheden biedt om ondersteunende instrumenten af te stemmen op de
               aard, ernst en duur van een crisis.</al>
            <al>De Afdeling onderschrijft de noodzaak tot vergroting van de wendbaarheid van de
               vaste arbeidsovereenkomst en het nemen van arbeidsrechtelijke maatregelen die daartoe
               strekken. Dat betreft een bredere problematiek dan een crisisregeling. De
               voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen zijn echter beperkt tot een
               crisisregeling als hier aan de orde.</al>
            <al>De Afdeling adviseert daarom arbeidsrechtelijke maatregelen die zijn gericht op de
               vergroting van de wendbaarheid van de vaste arbeidsovereenkomst, te regelen in een
               afzonderlijk wetsvoorstel dat niet beperkt is tot crises.</al>
            <al>Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het voorstel nader te overwegen.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het
               voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te
               dienen, tenzij het is aangepast.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C.
                  de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Regels voor de inzet van
            arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie om werkgevers in staat te stellen zoveel
            mogelijk werknemers te behouden in tijden van crises (Wet personeelsbehoud bij crisis)
            [Keten ID 14249]</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
               Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
                  weten:</considerans.al>
              <considerans.al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te
                  voorzien in een structureel wettelijk kader voor de inzet van arbeidsrechtelijke
                  instrumenten en loonsubsidie ter ondersteuning van werkgevers in het behouden van
                  zoveel mogelijk werknemers ten tijde van crises;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met
                  gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
                  goedvinden en verstaan bij deze:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">1.</nr>
                <titel>Algemene bepalingen</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Algemene begrippen</titel>
                </kop>
                <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
                <definitielijst nr-sluiting="." plaatsing="inline" type="ongemarkeerd">
                  <definitie-item>
                    <term>arbeidscapaciteit:</term>
                    <definitie>
                      <al>bedongen arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
                              artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek tussen de werkgever
                              en zijn werknemers;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>crisis:</term>
                    <definitie>
                      <al>een omstandigheid als bedoeld in artikel 2;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>crisistijdvak:</term>
                    <definitie>
                      <al>het tijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>herplaatsing:</term>
                    <definitie>
                      <al>een herplaatsing door de werkgever van de werknemer overeenkomstig
                              artikel 660b, eerste lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk
                              Wetboek;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>loonaangifte:</term>
                    <definitie>
                      <al>de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
                              op de loonbelasting 1964;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>loonheffingennummer:</term>
                    <definitie>
                      <al>het loonheffingennummer waarmee de werkgever ingevolge artikel 28,
                              eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgave
                              aan de inspecteur heeft gedaan;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>Onze Minister:</term>
                    <definitie>
                      <al>Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>overheidswerkgever:</term>
                    <definitie>
                      <al>de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de
                              Werkloosheidswet;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>overheidswerknemer:</term>
                    <definitie>
                      <al>de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de
                              Werkloosheidswet;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>polisadministratie:</term>
                    <definitie>
                      <al>de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur
                              uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>UWV:</term>
                    <definitie>
                      <al>het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in
                              hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                              inkomen;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>vereniging van werknemers:</term>
                    <definitie>
                      <al>een vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel
                              heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen, als
                              zodanig werkzaam is, en ten minste twee jaar in het bezit is van
                              rechtspersoonlijkheid;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verloonde uren:</term>
                    <definitie>
                      <al>de uren waarover loon is betaald en waarvan door de werkgever
                              ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
                              loonbelasting 1964 opgave aan de inspecteur is gedaan;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verminderde loondoorbetaling:</term>
                    <definitie>
                      <al>een verminderde loondoorbetaling door de werkgever aan de werknemer
                              op grond van artikel 660b, eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het
                              Burgerlijk Wetboek;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>werkgever:</term>
                    <definitie>
                      <al>de werkgever, bedoeld in de Werkloosheidswet, niet zijnde een
                              overheidswerkgever;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>werknemer:</term>
                    <definitie>
                      <al>de werknemer in de zin van hoofdstuk I, paragraaf 2, en hoofdstuk III
                              van de Werkloosheidswet, niet zijnde een overheidswerknemer;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>wettelijk minimumloon:</term>
                    <definitie>
                      <al>het uurloon waarop een persoon van de leeftijd van de werknemer
                              ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet minimumloon en
                              minimumvakantiebijslag recht heeft.</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                </definitielijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Crisis</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>De onvoorzienbare omstandigheid die in redelijkheid niet tot het reguliere
                        ondernemersrisico kan worden gerekend, bedoeld in het tweede, derde en
                        vijfde lid, vormt een crisis in de zin van deze wet en de daarop berustende
                        bepalingen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Van een crisis is sprake in geval van:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>schade aan een productiemiddel ten gevolge van een niet aan opzet of
                              bewuste roekeloosheid van de werkgever of de eigenaar van het
                              productiemiddel te wijten brand of explosie;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>schade aan een productiemiddel ten gevolge van uitzonderlijke
                              weersomstandigheden;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>overheidsmaatregelen ter beperking van de gevolgen van uitzonderlijke
                              weersomstandigheden; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van planten-
                              of dierziekten.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Een hierna genoemde omstandigheid, anders dan de omstandigheid in het
                        tweede lid, valt niet onder het reguliere ondernemingsrisico en kan worden
                        aangewezen als crisis, mits deze onvoorzienbaar is en het niet onaannemelijk
                        is dat deze omstandigheid gedurende ten minste één maand zal leiden tot ten
                        minste 20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit binnen de onderneming van
                        één of meerdere werkgevers:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>uitval van vitale openbare infrastructuur;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>een gewapend conflict tussen staten of een gewapend conflict tussen
                              een regeringsleger en een of meer gewapende groepen, of tussen deze
                              gewapende groepen onderling;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een door een buitenlandse overheid aan Nederland of in Nederland
                              gevestigde ondernemingen opgelegde sanctie, voor zover het aanwijzen
                              van de sanctie als crisis in overeenstemming is met het Nederlandse
                              buitenlandbeleid en Onze Minister daarbij handelt in overeenstemming
                              met de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor
                              Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>een ramp als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s, voor
                              zover deze niet valt onder de toepassing van het tweede lid; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>e.</li.nr>
                      <al>door een overheidsorgaan bij of krachtens de artikelen 31, 35, 38,
                              47, 54, onderdelen b, c en d, 58d, 58f tot en met 58k, en 58o van de
                              Wet publieke gezondheid genomen maatregelen ter bestrijding van een
                              epidemie van een infectieziekte of een directe dreiging daarvan.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling kunnen weersomstandigheden die niet uitzonderlijk
                        zijn als bedoeld in het tweede lid en omstandigheden die niet onvoorzien
                        zijn als bedoeld in het derde lid worden aangewezen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Ook een omstandigheid, anders dan de omstandigheid genoemd in het tweede of
                        derde lid, kan worden aangewezen als crisis, mits is voldaan aan de criteria
                        in het eerste lid en het niet onaannemelijk is dat deze gedurende ten minste
                        één maand zal leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van
                        arbeidscapaciteit binnen de onderneming van één of meerdere werkgevers.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>De aanwijzing, bedoeld in het derde en vijfde lid, en het vaststellen van
                        de aanvangsdatum van de crisis vindt plaats bij ministeriële regeling. De
                        aanwijzing in het vijfde lid vindt plaats in overeenstemming met het
                        gevoelen van de ministerraad.</al>
                </lid>
              </artikel>
            </paragraaf>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">2.</nr>
                <titel>De initiële aanvraag</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Vaststelling op aanvraag werkgever</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Op aanvraag van een werkgever die het voornemen heeft gebruik te maken van
                        herplaatsing of verminderde loondoorbetaling, stelt het UWV vast of die
                        werkgever:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>door een crisis is geraakt in de zin van artikel 5;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>van dit voornemen melding heeft gemaakt bij Onze Minister; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de
                              onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een vergadering, in de
                              gelegenheid heeft gesteld advies als bedoeld in de Wet op de
                              ondernemingsraden uit te brengen over het door de werkgever
                              voorgenomen besluit tot herplaatsing of verminderde
                              loondoorbetaling.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Ten aanzien van een werkgever die niet kan voldoen aan de voorwaarde,
                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, omdat hij op grond van de Wet op de
                        ondernemingsraden niet verplicht is een ondernemingsraad in stand te houden
                        en evenmin om ten minste tweemaal per jaar een vergadering als bedoeld in
                        artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden, te beleggen, en
                        die geen personeelsvertegenwoordiging heeft, stelt het UWV vast of die
                        werkgever de in de onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een
                        vergadering, in de gelegenheid heeft gesteld om advies uit te brengen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Het UWV geeft de beschikking, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken
                        na ontvangst van de aanvraag van de werkgever.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de melding van de
                        werkgever en het verkrijgen van inzage in de gemelde informatie door een
                        vereniging van werknemers.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Crisistijdvak</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>De beschikking, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt per crisis slechts
                        eenmaal gegeven en heeft betrekking op een door de werkgever bij de aanvraag
                        aan te geven tijdvak van twee maanden.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag van de werkgever
                        aansluitend ten hoogste tweemaal achtereen met twee maanden worden verlengd
                        tot een periode van ten hoogste zes maanden.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Op de aanvraag tot verlenging, bedoeld in het tweede lid, is artikel 3 van
                        overeenkomstige toepassing.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>De beschikking geldt met ingang van de eerste dag na bekendmaking daarvan
                        door het UWV aan de werkgever en kan terugwerken tot en met tien weken, te
                        rekenen vanaf de dag waarop de werkgever zijn aanvraag, bedoeld in artikel
                        3, eerste lid, of zijn aanvraag tot verlenging, bedoeld in artikel 4, tweede
                        lid, bij het UWV heeft ingediend, maar uiterlijk tot en met de eerste dag
                        van de crisis en in geval van verlenging uiterlijk tot de laatste dag van
                        het crisistijdvak waarop de voorafgaande beschikking betrekking had.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Geraakt door een crisis</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Een werkgever is door een crisis geraakt wanneer het aannemelijk is dat hij
                        ten gevolge van die crisis gedurende het tijdvak van twee aaneengesloten
                        maanden, bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, gemiddeld ten minste
                        20% van de hem ter beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan benutten
                        op de wijze waarop hij deze zou hebben benut indien zich geen crisis zou
                        hebben voorgedaan.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling kunnen criteria worden bepaald op basis waarvan
                        in ieder geval aannemelijk wordt geacht dat een werkgever door een crisis is
                        geraakt.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Advies op grond van de WOR</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Tussen de werkgever en de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                        de in de onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een vergadering
                        geldt ten aanzien van de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                        onderdeel c, en tweede lid, in aanvulling op en in afwijking van de Wet op
                        de ondernemingsraden het bepaalde in het tweede tot en met vierde lid.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming
                        werkzame personen, bijeengekomen in een vergadering brengt het advies,
                        bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, uit of bericht
                        de werkgever van zijn adviesrecht af te zien, binnen een redelijke termijn
                        nadat de werkgever het advies heeft gevraagd. Deze redelijke termijn zal in
                        beginsel niet meer dan twee kalenderweken bedragen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Als het besluit van de werkgever bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de
                        Wet op de ondernemingsraden, niet overeenstemt met het advies van de
                        ondernemingsraad, geldt in afwijking van artikel 25, zesde lid, van de Wet
                        op de ondernemingsraden, voor de werkgever een opschorttermijn van twee
                        weken in plaats van één maand. Voorts geldt in afwijking van artikel 26,
                        tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden een beroepstermijn van twee
                        weken in plaats van één maand.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Artikel 35b, derde en vijfde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is op
                        de personeelsvergadering, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
                        toepassing.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Moment en wijze van aanvraag</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kan worden ingediend
                        gedurende een tijdvak van 26 weken te rekenen vanaf de eerste dag waarop de
                        crisis plaatsvindt of, indien de aanwijzing van een crisis plaatsvindt op
                        grond van artikel 2, zesde lid, gedurende een bij ministeriële regeling vast
                        te stellen tijdvak van 26 weken te rekenen vanaf de dag dat de betreffende
                        omstandigheid door onze Minister is aangewezen als crisis.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden ingediend
                        dan na afloop van de opschortingstermijn, bedoeld in artikel 6, derde lid,
                        en na afloop van een eventuele lopende procedure bij de Ondernemingskamer
                        over een voorgenomen besluit tot herplaatsing of verminderde
                        loondoorbetaling.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Een aanvraag tot verlenging als bedoeld in artikel 4, tweede lid, kan
                        worden ingediend uiterlijk tot en met tien weken na de laatste dag van het
                        crisistijdvak waarop de voorafgaande beschikking betrekking had.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>De werkgever dient de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de
                        aanvraag tot verlenging, bedoeld in artikel 4, tweede lid, in langs
                        elektronische weg.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Gegevens en bescheiden bij aanvraag</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens en bescheiden als
                        bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de
                        werkgever verschaft bij de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de
                        aanvraag tot verlenging, bedoeld in artikel 4, tweede lid.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Het UWV behandelt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet indien de
                        werkgever bij zijn aanvraag niet de gegevens en bescheiden, bedoeld in het
                        eerste lid, overlegt, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de
                        aanvraag binnen een door het UWV gestelde termijn aan te vullen.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">9.</nr>
                  <titel>Inlichtingenplicht werkgever</titel>
                </kop>
                <al>De werkgever is verplicht aan het UWV bij de aanvraag juiste en volledige
                     gegevens te verstrekken en nadien onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                     omstandigheden mede te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                     zij van invloed kunnen zijn op de beschikking op de aanvraag, bedoeld in
                     artikel 3, eerste lid.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.</nr>
                  <titel>Intrekken en wijzigen</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het UWV kan de beschikking op de aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, en artikel 4, derde lid, intrekken of ten nadele van de werkgever
                        wijzigen indien hij niet voldoet aan de inlichtingenplicht, bedoeld in
                        artikel 9, en:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>de door de werkgever bij zijn aanvraag verstrekte gegevens zodanig
                              onjuist of onvolledig blijken dat op die aanvraag een andere
                              beslissing zou zijn genomen, indien bij de beoordeling daarvan de
                              juiste gegevens bekend zouden zijn geweest; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>de beschikking op de aanvraag onjuist was en de werkgever dit wist of
                              behoorde te weten.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Een intrekking of wijziging als bedoeld in het eerste lid, kan niet
                        plaatsvinden indien vijf jaren zijn verstreken na de dag van bekendmaking
                        van de in te trekken of te wijzigen beschikking.</al>
                </lid>
              </artikel>
            </paragraaf>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">3.</nr>
                <titel>Loonsubsidie</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">11.</nr>
                  <titel>Aanspraak loonsubsidie</titel>
                </kop>
                <al>Het UWV verstrekt op aanvraag van een werkgever per loonheffingennummer
                     loonsubsidie over het loon over de subsidiabele uren in het
                     subsidietijdvak.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">12.</nr>
                  <titel>Subsidiabele uren</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Subsidiabele uren zijn de uren binnen het subsidietijdvak waarover:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>volledige verminderde loondoorbetaling heeft plaatsgevonden;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>een werkgever verminderde loondoorbetaling mocht toepassen, maar dat
                              niet of gedeeltelijk kon laten plaatsvinden omdat het loon anders
                              onder het wettelijk minimumloon zou uitkomen;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een werkgever verminderde loondoorbetaling mocht toepassen, maar dat
                              niet of gedeeltelijk kon laten plaatsvinden omdat de werknemer wegens
                              ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling als
                              bedoeld in artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een
                              loon ontvangt dat gelijk is aan of minder is dan 90% van het loon;
                              of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>een werkgever verminderde loondoorbetaling mag toepassen, maar dat
                              nog niet kon laten plaatsvinden omdat beslag op het loon is
                              gelegd;</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Subsidiabele uren worden in aanmerking genomen, indien deze zijn opgenomen
                        in de polisadministratie.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot
                        het</al>
                  <al>aanmerken van uren als subsidiabele uren, waarbij kan worden bepaald dat
                        bepaalde uren niet worden aangemerkt als subsidiabele uren.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">13.</nr>
                  <titel>Subsidietijdvak</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het subsidietijdvak is de periode waarover subsidie wordt aangevraagd. Deze
                        periode vangt steeds aan op dezelfde dag als waarop het crisistijdvak start
                        en kan twee, vier of zes maanden omvatten.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Het subsidietijdvak kan op aanvraag van de werkgever aansluitend ten
                        hoogste tweemaal met twee maanden worden verlengd tot een periode van ten
                        hoogste zes aaneengesloten maanden.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">14.</nr>
                  <titel>Hoogte loonsubsidie</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>De hoogte van de loonsubsidie is de som van de loonsubsidie per werknemer,
                        bedoeld in het tweede lid, van werknemers die vallen onder het
                        loonheffingennummer en wordt berekend op basis van gegevens in de
                        polisadministratie.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De hoogte van de loonsubsidie per werknemer, is de uitkomst van:</al>
                  <?xpp witregel?>
                  <al>A x (B/C) x 0,65 x factor werkgeverslasten</al>
                  <?xpp witregel?>
                  <al>Hierbij staat:</al>
                  <al>A voor subsidiabel loon, berekend door het geconstrueerde loon, bedoeld in
                        het vierde lid, over alle aangiftetijdvakken waarin het loon over het
                        subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, is verantwoord.</al>
                  <al>B voor de subsidiabele uren die betrekking hebben op het subsidietijdvak,
                        bedoeld in artikel 13.</al>
                  <al>C voor verloonde uren in de aangiftetijdvakken waarin het loon over het
                        subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, is verantwoord.</al>
                  <al>Als factor werkgeverslasten geldt de vastgestelde factor werkgeverslasten
                        op de laatste dag van het subsidietijdvak.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Onder aangiftetijdvak wordt verstaan het tijdvak waarover de werkgever
                        ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de
                        loonbelasting 1964 opgave aan de inspecteur heeft gedaan van het loon van de
                        werknemers voor wie hij in aanmerking wenst te komen voor een
                        loonsubsidie.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Het geconstrueerde loon per werknemer wordt berekend over alle
                        aangiftetijdvakken waarin het loon over het subsidietijdvak, bedoeld in
                        artikel 13, is verantwoord en is de uitkomst van:</al>
                  <?xpp witregel?>
                  <al>D / (1 – ((E/F) x 0,1))</al>
                  <?xpp witregel?>
                  <al>Hierbij staat:</al>
                  <al>D voor het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale
                        verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige
                        dienstbetrekking, in deze aangiftetijdvakken.</al>
                  <al>E voor de subsidiabele uren in deze aangiftetijdvakken.</al>
                  <al>F voor de verloonde uren in deze aangiftetijdvakken.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Het geconstrueerde loon bedraagt niet meer dan het maximale dagloon,
                        bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
                        verzekeringen, zoals dat gold aan het einde van het laatste aangiftetijdvak
                        waarin het loon over het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, is
                        verantwoord, vermenigvuldigd met 21,75 voor elk aangiftetijdvak van een
                        maand en vermenigvuldigd met 20 voor elk aangiftetijd van vier weken.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>In afwijking van het tweede lid, bedraagt de loonsubsidie per werknemer de
                        uitkomst van:</al>
                  <?xpp witregel?>
                  <al>B x 0,75 x het wettelijk minimumloon x 1,08 x factor werkgeverslasten,
                        indien deze berekening leidt tot een hogere loonsubsidie voor de werknemer.
                        Voor de factor werkgeverslasten en het wettelijk minimumloon wordt gekeken
                        naar de vastgestelde factor werkgeverslasten en het geldende wettelijk
                        minimumloon op de laatste dag van het subsidietijdvak.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                  <al>In afwijking van op het vierde lid, wordt het aantal subsidiabele uren in
                        een aangiftetijdvak waarover loonsubsidie is aangevraagd gesteld op nihil,
                        indien de werknemer in dat aangiftetijdvak geen loon of minder loon heeft
                        genoten omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht in verband met
                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld
                        in artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">8.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling wordt de factor werkgeverslasten, bedoeld in het
                        tweede en zesde lid, vastgesteld.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">9.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over wat voor de
                        toepassing van het vierde lid wordt verstaan onder D.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">10.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriele regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de
                        berekening van de hoogte van de loonsubsidie.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">15.</nr>
                  <titel>De aanvraag verlening loonsubsidie</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>De aanvraag tot verlening van loonsubsidie kan worden ingediend vanaf het
                        moment dat van de subsidiabele uren en het loon over de subsidiabele uren in
                        het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid,
                        loonaangifte is gedaan, tot en met 26 weken na afloop van het
                        crisistijdvak.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De werkgever dient de aanvraag in langs elektronische weg.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">16.</nr>
                  <titel>Gegevens en bescheiden bij aanvraag</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Bij het indienen van een aanvraag, bedoeld in artikel 15, eerste lid,
                        verstrekt het UWV aan de werkgever een overzicht van werknemers waarvoor
                        subsidiabele uren zijn opgegeven en gegevens uit de polisadministratie die
                        ten grondslag liggen aan de berekening van de loonsubsidie. Hierbij wordt
                        het burgerservicenummer verwerkt van de werknemers waarop de loonsubsidie
                        betrekking heeft.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de gegevens die
                        de werkgever aanlevert bij een aanvraag als bedoeld in artikel 15, eerste
                        lid.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">17.</nr>
                  <titel>Subsidieverlening</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het UWV geeft binnen zes weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in
                        artikel 15, eerste lid, een beschikking omtrent subsidieverlening.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie op grond van artikel
                        14, worden voor de beschikking tot subsidieverlening de gegevens uit de
                        polisadministratie gebruikt zoals deze gelden op het moment van indiening
                        van de aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 15, eerste
                        lid.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Indien de werkgever niet voldoet aan de verplichting in artikel 23,
                        onderdeel d, verlaagt het UWV de hoogte van de loonsubsidie, bedoeld in
                        artikel 14, tweede lid, berekend op basis van het subsidiabele loon van de
                        werknemer ten aanzien waarvan de verplichting niet is nagekomen, naar 75%
                        van dat bedrag.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Bij een aanvraag tot verlenging van het subsidietijdvak, bedoeld in artikel
                        13, tweede lid, wordt de beschikking tot subsidieverlening herzien en wordt
                        de hoogte van de subsidie opnieuw berekend over het totale
                        subsidietijdvak.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">18</nr>
                  <titel>Subsidieverlening werkgevers met aangiftetijdvak halfjaar of
                        jaar</titel>
                </kop>
                <al>Als een werkgever een aangiftetijdvak hanteert van een halfjaar of jaar geldt
                     voor de verlening van loonsubsidie dat:</al>
                <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>artikel 12, tweede lid, niet van toepassing is;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 14, eerste lid, de loonsubsidie mede kan worden
                           berekend op basis van gegevens die door de werkgever zijn verstrekt;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>c.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 14, derde lid, onder aangiftetijdvak mede wordt
                           verstaan het tijdvak waarover het loon wordt genoten, bedoeld in artikel
                           25 van de Wet op de loonbelasting, door de werknemer voor wie de
                           werkgever in aanmerking wenst te komen voor een loonsubsidie;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>d.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 14, vijfde lid, onder aangiftetijdvak mede
                           wordt verstaan het tijdvak waarover het loon wordt genoten, bedoeld in
                           artikel 25 van de Wet op de loonbelasting, door de werknemer voor wie de
                           werkgever in aanmerking wenst te komen voor een loonsubsidie en de
                           berekening van het maximale geconstrueerde loon dan naar rato van de duur
                           van dat tijdvak plaatsvindt;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>e.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 15, eerste lid, een aanvraag tot verlening van
                           de loonsubsidie kan worden ingediend vanaf het moment dat het loon over
                           de subsidiabele uren in het subsidietijdvak is uitbetaald;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>f.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 17, tweede lid, voor de berekening van de
                           hoogte van de loonsubsidie mede de door de werkgever bij de aanvraag tot
                           subsidieverlening verstrekte gegevens kunnen worden gebruikt.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">19.</nr>
                  <titel>Voorschot</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het UWV verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een
                        voorschot.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De hoogte van het voorschot bedraagt 100% van het bedrag van de verlening,
                        bedoeld in artikel 14.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Betaling van het voorschot geschiedt binnen twee weken na
                        subsidieverlening.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">20.</nr>
                  <titel>Opschorting van de betaling</titel>
                </kop>
                <al>Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht, schort het UWV de
                     betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 19, eerste lid, op,
                     indien:</al>
                <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>sprake is van een ernstig vermoeden dat niet wordt voldaan aan de
                           voorwaarden of de verplichtingen, bedoeld in artikel 23, onderdeel a, b,
                           c, en d, die zijn verbonden aan de loonsubsidie; of</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>een melding van de werkgever daartoe aanleiding geeft.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">21.</nr>
                  <titel>Subsidievaststelling</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het UWV stelt de loonsubsidie ambtshalve vast vanaf 27 weken na afloop van
                        het crisistijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, en uiterlijk
                        binnen 10 maanden na afloop van het crisistijdvak.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie op grond van artikel
                        14, worden voor de beschikking omtrent subsidievaststelling de gegevens uit
                        de polisadministratie gebruikt zoals deze gelden op de peildatum. Die
                        peildatum is de eerste dag van de 27e week na afloop van het
                        crisistijdvak.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Indien in een loonaangifte van de werkgever na de peildatum, bedoeld in het
                        tweede lid, nieuwe of gewijzigde gegevens zijn opgenomen die zouden leiden
                        tot een lager bedrag aan loonsubsidie, kan het UWV besluiten deze gegevens
                        in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de hoogte van de
                        loonsubsidie, bedoeld in artikel 14.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Indien de werkgever niet voldoet aan de verplichting in artikel 22,
                        onderdeel d, verlaagt het UWV de hoogte van de loonsubsidie, bedoeld in
                        artikel 14, tweede lid, berekend op basis van het subsidiabele loon van de
                        werknemer ten aanzien waarvan de verplichting niet is nagekomen, naar 75%
                        van dat bedrag.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">22.</nr>
                  <titel>Subsidievaststelling werkgevers met aangiftetijdvak halfjaar of
                        jaar</titel>
                </kop>
                <al>Als een werkgever een aangiftetijdvak hanteert van een halfjaar of jaar geldt
                     voor de vaststelling van loonsubsidie dat:</al>
                <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                  <li>
                    <li.nr>a.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 14, vijfde lid, voor de berekening van het
                           maximale geconstrueerde loon het maximale dagloon wordt vermenigvuldigd
                           met 130,5 voor aangiftetijdvakken van een halfjaar en vermenigvuldigd met
                           261 voor aangiftetijdvakken van een jaar;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>b.</li.nr>
                    <al>in afwijking van artikel 21, eerste lid, het UWV de loonsubsidie
                           ambtshalve vaststelt vanaf het moment dat van het loon over de
                           subsidiabele uren in het subsidietijdvak, bedoeld in artikel 13,
                           loonaangifte is gedaan en ten minste 26 weken na afloop van het
                           crisistijdvak zijn verstreken;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>c.</li.nr>
                    <al>indien van het loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak,
                           bedoeld in artikel 13, binnen 26 weken na afloop van het crisistijdvak
                           geen loonaangifte is gedaan, UWV in afwijking van artikel 21, eerste lid,
                           de loonsubsidie uiterlijk ambtshalve vaststelt binnen vier maanden nadat
                           loonaangifte is gedaan;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>d.</li.nr>
                    <al>indien op de peildatum, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het loon
                           over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak nog geen loonaangifte is
                           gedaan, wordt in afwijking van artikel 21, tweede lid, voor de berekening
                           van de subsidievaststelling, de ten tijde van vaststelling over de
                           aangiftetijdvakken meest recent ingediende loonaangifte waarin het loon
                           over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak is verantwoord,
                           benut.</al>
                  </li>
                </lijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">23.</nr>
                  <titel>Verplichtingen bij subsidieverstrekking en overdraagbaarheid</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>De werkgever aan wie loonsubsidie wordt verstrekt is verplicht:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>aan het UWV bij de aanvraag tot subsidieverlening juiste en volledige
                              gegevens te verstrekken en nadien onverwijld uit eigen beweging alle
                              feiten en omstandigheden mede te delen waarvan hem redelijkerwijs
                              duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                              loonsubsidie;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>een zodanig controleerbare administratie te voeren dat alle voor de
                              verstrekking van de loonsubsidie van belang zijnde gegevens kunnen
                              worden nagegaan en desgevraagd tot vijf jaar na de datum van
                              vaststelling van de loonsubsidie inzage te geven in deze
                              administratie;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 te doen
                              op de voorgeschreven wijze;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>in het crisistijdvak, en tot en met vier maanden na afloop van dat
                              tijdvak geen verzoek in te dienen als bedoeld in artikel 671a, lid 1
                              of 2, of artikel 671b, lid 1, onderdeel b, van Boek 7 van het
                              Burgerlijk Wetboek om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond
                              van artikel 669, lid 3, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk
                              Wetboek.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Een verstrekte loonsubsidie is niet overdraagbaar.</al>
                </lid>
              </artikel>
            </paragraaf>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">4.</nr>
                <titel>Bestuurlijke boete</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">24.</nr>
                  <titel>Bestuurlijke boete inlichtingenplicht</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het UWV kan aan de werkgever die niet voldoet aan de inlichtingenplicht,
                        bedoeld in artikel 9, of 23, eerste lid, onderdeel a, een bestuurlijke boete
                        opleggen indien op de aanvraag anders zou zijn beslist of indien de
                        beschikking op de aanvraag zou zijn ingetrokken of gewijzigd indien de
                        juiste of volledige gegevens bij het UWV bekend zouden zijn geweest.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag van de derde
                        categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van
                        Strafrecht. In geval van een herhaalde overtreding als bedoeld in het zesde
                        lid bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vierde
                        categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van
                        Strafrecht.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>De beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete baseert het UWV
                        in ieder geval op:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>de aard en ernst van de overtreding;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>de mate van verwijtbaarheid van de werkgever; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>de mate waarin de overtreding het gevolg is van een handelen of
                              nalaten van het UWV.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Het UWV legt een bestuurlijke boete op indien de werkgever:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>een valselijk opgemaakt of vervalst geschrift als echt en onvervalst
                              heeft gebruikt om een positieve beschikking als bedoeld in artikel 3,
                              eerste lid, of een loonsubsidie te verkrijgen of te behouden, dan wel
                              heeft gebruikt om mededelingen te doen over feiten en omstandigheden
                              die van invloed kunnen zijn op het verkrijgen van die beschikking of
                              het recht op loonsubsidie;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>de inlichtingenverplichting opzettelijk heeft overtreden of grove
                              schuld heeft ten aanzien van de overtreding en dit feit strekt tot
                              bevoordeling van zichzelf; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een overtreding heeft gepleegd waarvoor in beginsel strafrechtelijke
                              vervolging is aangewezen en strafrechtelijke vervolging in het
                              betreffende geval is uitgebleven.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Het UWV ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete, indien:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>de werkgever voordat de overtreding door het UWV is geconstateerd uit
                              eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>naar het oordeel van het UWV aannemelijk is dat sprake is van een
                              vergissing of anderszins een bestuurlijke boete niet zal bijdragen aan
                              de met het betreffende besluit te dienen doelen.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>De bestuurlijke boete kan worden verhoogd indien nog geen vijf jaar is
                        verstreken sinds een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie
                        wegens een overtreding van de inlichtingenverplichting onherroepelijk is
                        geworden.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                  <al>Het UWV is bevoegd op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is
                        opgelegd, de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij
                        medewerking aan een schuldregeling.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">8.</lidnr>
                  <al>Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd
                        aan het UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van
                        de bestuurlijke boete van belang zijn.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">9.</lidnr>
                  <al>Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien
                        daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van een dringende reden is onder
                        meer sprake indien de nadelige gevolgen van het opleggen van een
                        bestuurlijke boete voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding
                        tot de met het besluit te dienen doelen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">10.</lidnr>
                  <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
                        de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke
                        boete is opgelegd.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">11.</lidnr>
                  <al>Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
                        betrekking de hoogte van de boetes wanneer de werkgever niet voldoet aan de
                        inlichtingenplicht in artikel 23, eerste lid, onderdeel a.</al>
                </lid>
              </artikel>
            </paragraaf>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">5.</nr>
                <titel>Wijziging andere wetten</titel>
              </kop>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">25.</nr>
                  <titel>Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In bijlage 1 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <definitielijst nr-sluiting="." plaatsing="inline" type="ongemarkeerd">
                        <definitie-item>
                          <term>Wet personeelsbehoud bij crisis:</term>
                          <definitie>
                            <al>een beschikking als bedoeld in
                              artikel 3, eerste lid en artikel 4, tweede lid.</al>
                          </definitie>
                        </definitie-item>
                      </definitielijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 10 van bijlage 2 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:
                        Wet personeelsbehoud bij crisis.</wat>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">26.</nr>
                  <titel>Wijziging van het Burgerlijk Wetboek</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">Na artikel 660a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt
                     een nieuw artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">660b</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De werkgever kan een werknemer in verband met een crisis als bedoeld
                              in artikel 2 van de Wet personeelsbehoud bij crisis gedurende het
                              tijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van die wet, voor
                              de uren waarin de werknemer de bedongen arbeid niet kan
                              verrichten:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>passende arbeid aanbieden met behoud van zijn loon en voor
                                    zover hierna niet anders is bepaald, dezelfde
                                    arbeidsvoorwaarden, welke arbeid de werknemer verplicht is te
                                    verrichten met dien verstande dat:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>1°.</li.nr>
                              <al>de passende arbeid een bij de functie behorende
                                          gelijkwaardige of lagere beloning kent dan de bedongen
                                          arbeid;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>2°.</li.nr>
                              <al>de arbeid wordt verricht bij dezelfde werkgever of bij
                                          een werkgever binnen dezelfde groep, bedoeld in artikel
                                          24b van Boek 2; en</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>3°.</li.nr>
                              <al>eventuele extra reistijd wordt aangemerkt als werktijd en
                                          extra reiskosten worden vergoed; of</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>in afwijking van artikel 628, lid 1, 90% betalen over die uren,
                                    met dien verstande dat hij de werknemer over die uren ten minste
                                    het uurloon betaalt waarop een persoon van de leeftijd van de
                                    werknemer ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet
                                    minimumloon en minimumvakantie recht heeft.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>De werkgever kan de instrumenten, bedoeld in lid 1, inzetten:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
                                    genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
                                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft vastgesteld dat
                                    hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste
                                    lid, van de Wet personeelsbehoud bij crisis;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>indien per groep van uitwisselbare functies de herplaatsing of
                                    de verminderde loondoorbetaling voor alle werknemers binnen die
                                    groep voor een gelijk percentage van de voor hen geldende
                                    arbeidsomvang wordt ingezet, waarbij voor de herplaatsing wordt
                                    afgerond op hele uren; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>indien voorafgaand aan het crisistijdvak, bedoeld in artikel 4,
                                    eerste en tweede lid, van de Wet personeelsbehoud bij
                                    crisis:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>1°</li.nr>
                              <al>de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd of ontbonden op
                                          grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a; en</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>2°</li.nr>
                              <al>de werkgever geen toestemming heeft verkregen als bedoeld
                                          in artikel 671a, lid 1 of 2, om de arbeidsovereenkomst op
                                          grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a, op te zeggen,
                                          die op grond van artikel 671a, zesde lid, tijdens het
                                          crisistijdvak geldig is;</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>voor zolang in dat crisistijdvak door de werkgever geen verzoek
                                    is ingediend als bedoeld in artikel 671a, lid 1 of 2, of artikel
                                    671b, lid 1, onderdeel b, om de arbeidsovereenkomst te
                                    beëindigen op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Nadat de werkgever de aanvraag voor verlening van loonsubsidie,
                              bedoeld in artikel 15 van de Wet personeelsbehoud bij crisis, heeft
                              ingediend, informeert hij onverwijld de ondernemingsraad,
                              personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame personen
                              over de uren, per groep van uitwisselbare functies, waarover
                              verminderde loondoorbetaling, als bedoeld in lid 1, onderdeel b, heeft
                              plaatsgevonden.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Onder passende arbeid als bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt
                              verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de
                              werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                              geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>Lid 1, onderdeel b, is slechts van toepassing op een werknemer die in
                              verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of
                              bevalling als bedoeld in artikel 629 verhinderd is arbeid te
                              verrichten, voor zover deze meer dan 90% van het naar tijdruimte
                              vastgestelde loon ontvangt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>Bij ministeriële regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
                              betrekking tot het bepalen van de groep van uitwisselbare functies,
                              bedoeld in lid 2, onderdeel b.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                      <al>Elk beding dat ten nadele van de werknemer afwijkt van lid 1,
                              onderdeel b, is nietig.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">27.</nr>
                  <titel>Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>Artikel 99, onderdeel e, komt te luiden:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>e.</li.nr>
                          <al>de bedragen die het UWV ontvangt door de toepassing van de
                                    artikelen 23, onderdeel d, en 24 van de Wet personeelsbehoud bij
                                    crisis en artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht ten
                                    aanzien van loonsubsidies als bedoeld in paragraaf 3 van de Wet
                                    personeelsbehoud bij crisis;</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>Artikel 100 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In onderdeel c wordt voor ‘de uitvoeringskosten, voorzover deze
                           betrekking hebben op de in de onderdelen a en b’ ingevoegd ‘de
                           uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering van de Wet
                           personeelsbehoud bij crisis,’ en wordt ‘voorzover’ vervangen door ‘voor
                           zover’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Onderdeel e komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>e.</li.nr>
                          <al>de op grond van paragraaf 3 van de Wet personeelsbehoud bij
                                    crisis te betalen loonsubsidies;</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
            </paragraaf>
            <paragraaf>
              <kop>
                <label>Paragraaf</label>
                <nr status="officieel">6.</nr>
                <titel>Slotbepalingen</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">28.</nr>
                  <titel>Evaluatiebepaling</titel>
                </kop>
                <al>Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan
                     de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze
                     wet in de praktijk.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">29.</nr>
                  <titel>Inwerkingtreding</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
                     dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
                     worden vastgesteld.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">30.</nr>
                  <titel>Citeertitel</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet personeelsbehoud bij crisis.</al>
              </artikel>
            </paragraaf>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
                  ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de
                  nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Sociale
                  Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Inhoud</titel>
              </kop>
              <table colsep="0" frame="none" pgwide="1" rowsep="0" tabstyle="xml1">
                <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4" tgroupstyle="xml1">
                  <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="10*" />
                  <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*" />
                  <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*" />
                  <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="400*" />
                  <tbody valign="top">
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">I.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Algemeen deel</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top" />
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">1.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Inleiding</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">2.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Aanleiding en doel van het voorstel</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Aanleiding</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Voorgeschiedenis en huidige situatie</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.3</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Probleemanalyse</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.4</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Oorzaken problematiek</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.5</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Randvoorwaarden</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.6</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Doel van het wetsvoorstel</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.7</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Doelgroepen</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">2.8</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Overwogen alternatieven</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">3.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Hoofdlijnen en uitwerking van het
                                    voorstel</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">3.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Kern van het wetsvoorstel</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">3.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Afbakening crises</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">3.3</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Arbeidsrechtelijke instrumenten, loonsubsidie en
                                    voorwaarden</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>3.3.1</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Initiële aanvraag bij UWV – fase 1</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>3.3.2</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Instrumenten: herplaatsing en/of verminderde loondoorbetaling –
                                 fase 2</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>3.3.3</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Loonsubsidie – fase 3</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>3.3.4</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Overzicht aanvraag- en beslistermijnen</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>3.3.5</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Voorbeeld tijdlijnen Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">4.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Rechtsbescherming</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">5.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Verhouding tot nationale en internationale
                                    regelgeving</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">5.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Verhouding tot internationale
                                    regelgeving</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">5.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Verhouding tot nationaal recht</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">6.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Regeldruk en gevolgen</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">6.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Inleiding</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">6.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Effecten regeldruk</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.2.1</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Effecten regeldruk voor werkgevers</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.2.2</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Effecten regeldruk voor werknemers/burgers</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">6.3</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Arbeidsmarkteffecten</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">6.4</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Financiële effecten</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.4.1</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Budgettaire gevolgen voor regering (uitvoeringslasten)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.4.2</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Uitvoeringskosten</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">6.5</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Doeltreffendheid en doelmatigheid</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.5.1</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Doeltreffendheid</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>6.5.2</al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col4" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>Doelmatigheid</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">7.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Uitvoering</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">7.1.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Uitvoeringsaspecten initiële aanvraag en
                                    aanvraag loonsubsidie</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">7.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Uitvoeringstoets UWV</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">7.3</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Uitvoeringstoets Belastingdienst</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">8.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Misbruik en oneigenlijk gebruik, toezicht en
                                    handhaving</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">8.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Misbruik, oneigenlijk gebruik en
                                    beheersmaatregelen</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">8.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Intrekken, herzien en handhaving</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">9.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Evaluatie</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">10.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Advies en consultatie</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.1</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Doenvermogen en handelingsperspectief</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.2</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">MKB-toets</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.3</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Advies Adviescollege toetsing regeldruk</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.4</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Autoriteit Persoonsgegevens</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.5</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Internetconsultatie</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">10.6</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col3" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Advies Raad voor de Rechtspraak</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">11.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Overgangsrecht en inwerkingtreding</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top" />
                    </row>
                    <row rowsep="0">
                      <entry align="left" colname="col1" colsep="0" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">II.</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry align="left" colname="col2" colsep="0" morerows="0" nameend="col4" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Artikelsgewijze toelichting</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">I.</nr>
                <titel>Algemeen deel</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <al>Tijdens de coronacrisis bleek dat het Nederland ontbrak aan een opschaalbare
                     regeling voor het behoud van personeel in crisistijd. Op stel en sprong werd de
                     Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) opgericht.<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
                           werkgelegenheid (NOW-1), (<extref doc="stcrt-2020-19874" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2020,
                           19874</extref>).</noot.al></noot> Om dit in de toekomst te voorkomen, is de motie van de leden Palland en
                     Tielen door de voltallige Tweede Kamer aangenomen waarbij de oproep werd gedaan
                     een start te maken met de voorbereiding van een deeltijd-WW of een variant
                        daarop.<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2020/21, <extref doc="kst-35420-130" soort="document" status="actief">35 420, nr. 130</extref>.</noot.al></noot> Al voor de coronacrisis uitbrak, was er reeds een brede
                     maatschappelijke discussie gaande over een toekomstbestendige arbeidsmarkt. De
                     noodzaak tot hervorming van de arbeidsmarkt werd breed gezien, waarbij er een
                     betere balans tussen zekerheid en wendbaarheid op de arbeidsmarkt zou moeten
                     ontstaan. Hier hebben de Commissie Regulering van Werk en de
                     Sociaal-Economische Raad (SER) voorstellen voor gedaan.<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Commissie Regulering van Werk, In welk land willen wij werken? Naar
                           een nieuw ontwerp voor de regulering van werk. Eindrapport van de
                           Commissie Regulering van Werk (2020); Sociaal-Economische Raad, Zekerheid
                           voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving
                              (2021);<nadruk type="cur"> Kamerstukken II,</nadruk> 2019/20, <extref doc="kst-29544-960" soort="document" status="actief">29 544,
                              nr. 960</extref>.</noot.al></noot></al>
                <al>Zowel de NOW, de motie en de voorstellen van de Commissie Regulering van Werk
                     en de SER, zijn aanleiding geweest om wet- en regelgeving aan te willen passen,
                     zodat iedereen beter voorbereid is op zowel klein- als grootschalige crises en
                     er dan niet binnen zeer korte termijn nieuwe regelgeving dient te worden
                     opgesteld. Tegelijkertijd draagt dit wetsvoorstel ook bij, samen met andere
                     voorgestelde maatregelen, aan een betere, toekomstbestendige arbeidsmarkt.</al>
                <al>Dit wetsvoorstel, aangeboden in overeenstemming met de Staatssecretaris van
                     Justitie en Veiligheid, vloeit zoals hierboven gesteld onder meer voort uit een
                     brede maatschappelijke discussie over de wijze waarop we in Nederland werk
                     reguleren.</al>
                <al>Een aantal adviezen, waaronder die van de Commissie Regulering van Werk, beter
                     bekend als de Commissie Borstlap, en het SER Middellange termijn-advies
                     (SER-MLT) heeft aandacht gevraagd voor het belang van het toekomstbestendig
                     maken van de arbeidsmarkt. Eén van de belangrijkste aanbevelingen in dit kader
                     is dat werkgevers meer mogelijkheden moeten krijgen tot interne wendbaarheid
                     binnen duurzame arbeidsrelaties, bijvoorbeeld via een regeling die het mogelijk
                     maakt om de arbeidsomvang en salaris, maar ook de functie, werklocatie of
                     arbeidstijden van werknemers (tijdelijk) te wijzigen als bedrijfseconomische
                     omstandigheden daar aanleiding toe bieden.</al>
                <al>Het overkoepelende thema in deze adviezen is de noodzaak van een hervorming
                     van de arbeidsmarkt, om te zorgen voor een betere balans tussen zekerheid voor
                     werkenden enerzijds en wendbaarheid voor werkgevers anderzijds. Het
                     Coalitieakkoord van het kabinet Rutte-IV, ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken
                     naar de toekomst’, bevat dan ook een arbeidsmarktparagraaf die voortbouwt op de
                     inzichten uit de Commissie Regulering van Werk en het SER-MLT, ook wat betreft
                     de inzet rondom interne wendbaarheid van bedrijven.<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Coalitieakkoord ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de
                           toekomst’, Coalitieakkoord tussen VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Het
                           akkoord is op 15 december 2021 gepresenteerd.</noot.al></noot></al>
                <al>Het kabinet Rutte IV presenteerde de Tweede en Eerste Kamer de hoofdlijnen van
                     dit beleid in haar brief van juli 2022.<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2021/22, <extref doc="kst-29544-1112" soort="document" status="actief">29 544,
                              nr. 1112</extref>.</noot.al></noot> Daarin beschreef het toenmalige kabinet dat het voornemens was een
                     arbeidsmarktpakket verder uit te werken, met een groot aantal verschillende
                     maatregelen die zorgen voor meer zekerheid voor werkenden en wendbaarheid voor
                     werkgevers. In april 2023 presenteerde het kabinet Rutte IV de uitwerking van
                     dit arbeidsmarktpakket, met steun van werkgeversorganisaties en vakbonden. De
                     Kamerbrief voortgang uitwerking arbeidsmarktpakket van april 2023 beschreef
                     deze uitwerking en kondigde het voornemen aan om het Wetsvoorstel
                     personeelsbehoud bij crisis verder uit te werken.<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 2022/23, <extref doc="kst-29544-1176" soort="document" status="actief">29 544,
                              nr. 1176</extref>.</noot.al></noot> In de Kamerbrief van 30 juni 2023 is deze beoogde nadere uitwerking
                        beschreven.<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2022/23, <extref doc="kst-29544-1208" soort="document" status="actief">29 544,
                              nr. 1208</extref>.</noot.al></noot></al>
                <al>Het arbeidsmarktpakket bevat meer beleidsvoornemens dan alleen de voornemens
                     die in dit wetsvoorstel worden uitgewerkt. Dit wetsvoorstel beoogt interne
                     wendbaarheid van werkgevers te vergroten in tijden van crisis, waar de andere
                     beleidsvoorstellen elk weer eigen doelen binnen het bredere arbeidsmarktpakket
                     nastreven, zoals bijvoorbeeld het tegengaan van schijnzelfstandigheid of het
                     vergroten van de zekerheid voor werknemers met een flexibele
                     arbeidsovereenkomst. Vanzelfsprekend hangen deze maatregelen met elkaar samen,
                     en werken ze onderling op elkaar in om tot een arbeidsmarkt te komen die beter
                     in balans komt. In paragraaf 6.3 wordt verder ingegaan op de
                     arbeidsmarkteffecten.</al>
                <al>Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is erop gericht om werkgevers
                     meer wendbaarheid te geven. Dit wetsvoorstel stelt voor de werkgever bij
                     onvoorzienbare crises die buiten het regulier ondernemersrisico vallen de
                     mogelijkheid te bieden om werknemers tijdelijk ander werk te laten doen
                     (herplaatsing), eventueel zelfs op een andere locatie of in een andere functie.
                     Ook biedt dit wetsvoorstel werkgevers de mogelijkheid om werknemers tijdelijk
                     minder te laten werken, waarbij de loondoorbetalingsverplichting verminderd
                     wordt. De werkgever kan na de verminderde loondoorbetaling ook een loonsubsidie
                     aanvragen ter ondersteuning bij het doorbetalen van de lonen als er niet
                     gewerkt kan worden. De werkgever krijgt zo tijdelijk meer mogelijkheden om de
                     crisis op te vangen en heeft zo meer tijd om zijn bedrijfsvoering indien nodig
                     aan te passen aan de nieuwe situatie. De ondersteuning uit dit wetsvoorstel
                     helpt de werkgever om te voorkomen dat ontslag moet worden aangevraagd indien
                     deze door een crisis niet meer in zijn personeelskosten kan voorzien. Voor
                     werkgever en werknemer wordt zo baanbehoud gerealiseerd in tijden van crisis.
                     Dit draagt, samen met de overige maatregelen uit het arbeidsmarktpakket, bij
                     aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt in Nederland.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Aanleiding en doel van het voorstel</titel>
                </kop>
                <al>Deze paragraaf beschrijft de aanleiding voor en het doel van dit
                     wetsvoorstel.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.1</nr>
                    <titel>Aanleiding</titel>
                  </kop>
                  <al>Al langere tijd bestaat er een wens om een regeling op te zetten die
                        voorziet in loonondersteuning bij crises. Vanuit economisch perspectief is
                        het wenselijk om bij kortdurende, plotselinge crises die buiten het
                        ondernemersrisico liggen baanbehoud te stimuleren. Baanverlies kost de
                        werknemer, de werkgever en de maatschappij geld. De werkgever moet na afloop
                        van de crisis nieuw personeel werven en inwerken, de werknemer verliest zijn
                        inkomen en moet op zoek naar een nieuwe baan en de maatschappij draagt de
                        kosten van de werkloosheidsvoorziening waar de werknemer mogelijk aanspraak
                        op kan maken na ontslag. Bij een onvoorzienbare crisis kan het daarom
                        raadzaam zijn om een tijdelijke ondersteuning te bieden bij de
                        loondoorbetalingsverplichting, zodat ontslag voorkomen wordt, en de
                        bedrijfsvoering zo snel mogelijk weer hervat kan worden.</al>
                  <al>Op 23 januari 2020 kwam de Commissie Regulering van Werk met haar rapport,
                        met bevindingen over de toekomst van de arbeidsmarkt.<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Commissie Regulering van Werk, In welk land willen wij werken?
                              Naar een nieuw ontwerp voor de regulering van werk. Eindrapport van de
                              Commissie Regulering van Werk (2020).</noot.al></noot> Zo gaf zij aan dat werkgevers ruimte moeten krijgen voor meer
                        aanpassingsvermogen binnen de organisatie. Werkgevers zouden soortgelijke
                        rechten moeten krijgen als werknemers op grond van de Wet flexibel
                           werken.<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Wet flexibel werken, (<extref doc="stb-2015-246" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk>
                                 2015, 246</extref>).</noot.al></noot> Dit betekent concreet dat de interne wendbaarheid binnen het
                        contract voor onbepaalde tijd voor werkgevers zou moeten worden vergroot op
                        het terrein van arbeidsomvang en salaris (tot een bepaald percentage), maar
                        ook op het terrein van functie, werklocatie en arbeidstijden. De werkgever
                        zou de mogelijkheid moeten krijgen deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te
                        wijzigen indien bedrijfseconomische omstandigheden daartoe aanleiding
                        geven.</al>
                  <al>Op 2 juni 2021 bracht de SER haar middellange termijn advies uit voor het
                        sociaaleconomische beleid.<noot id="n10" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Sociaal-Economische Raad, Zekerheid voor mensen, een wendbare
                              economie en herstel van de samenleving (2021).</noot.al></noot> De SER pleit ervoor om het mogelijk te maken om eenzijdig de
                        arbeidsduur (tijdelijk) voor alle werknemers met maximaal 20% te verlagen
                        bij bedrijfseconomische omstandigheden die anders tot ontslag zou hebben
                        geleid. Het loon zou wel volledig moeten worden doorbetaald, waarbij het
                        Rijk 75% van het loon compenseert.</al>
                  <al>Naast de wensen om meer interne wendbaarheid en flexibiliteit te creëren,
                        is, naar aanleiding van de coronacrisis, op 24 september 2020 een motie van
                        de leden Palland en Tielen door de voltallige Tweede Kamer aangenomen waarin
                        werd opgeroepen een start te maken met de voorbereiding van een deeltijd-WW
                        of een variant daarop.<noot id="n11" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II, 2020/21, <extref doc="kst-35420-130" soort="document" status="actief">35 420, nr. 130</extref>.</noot.al></noot> Doel van zo’n regeling zou moeten zijn om in de kern gezonde
                        bedrijven te helpen in tijdelijke periodes waarin zij zich geconfronteerd
                        zien met sterke vraaguitval en grote omzetverliezen, waardoor deze geen
                        mensen te hoeven ontslaan en kennis en talent voor de onderneming wordt
                        behouden. Tijdens de coronacrisis is duidelijk geworden dat er periodes
                        kunnen zijn, waarin bedrijven, ook in de kern gezonde bedrijven,
                        geconfronteerd worden met sterke vraaguitval. Ook werd toen duidelijk dat
                        het huidige vangnet vanuit het Rijk – de Beleidsregels ontheffing verbod op
                        werktijdverkorting 2004 (WTV) – hierop niet is berekend. Zie voor een
                        verdere toelichting paragraaf 2.2 ‘Voorgeschiedenis en huidige
                        situatie’.</al>
                  <al>Uiteindelijk komen deze adviezen en motie samen in het Coalitieakkoord van
                        het kabinet Rutte-IV<noot id="n12" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Coalitieakkoord 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de
                              toekomst', Coalitieakkoord tussen VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Het
                              akkoord is op 15 december 2021 gepresenteerd.</noot.al></noot> en het regeerprogramma van het kabinet Schoof.<noot id="n13" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Regeerprogramma, Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het
                              kabinet, 13 september 2024.</noot.al></noot> In het coalitieakkoord stond dat er, samen met sociale partners, een
                        budgetneutrale deeltijd-WW zou worden ontworpen met oog voor uitvoerbaarheid
                        en betaalbaarheid. Het doel van een dergelijke deeltijd-WW zou zijn om de
                        interne flexibiliteit en wendbaarheid van bedrijven te vergroten. In het
                        regeerprogramma van het kabinet Schoof is opgenomen dat er wordt gewerkt aan
                        een regeling waarmee werkgevers hun werknemers kunnen behouden tijdens een
                        crisis buiten het reguliere ondernemersrisico. Werkgevers kunnen hiermee
                        werknemers tijdelijk herplaatsen of minder laten werken en bij dat laatste
                        een loonsubsidie aanvragen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2</nr>
                    <titel>Voorgeschiedenis en huidige situatie</titel>
                  </kop>
                  <al>De wens om een dergelijke deeltijd-WW in te voeren, waarbij de interne
                        flexibiliteit en wendbaarheid van bedrijven worden vergroot, kent een
                        voorgeschiedenis. Er zijn meerdere regelingen en een conceptwetsvoorstel
                        geweest die een variatie op dit doel in zich hadden. Onderstaand volgt een
                        kort overzicht.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Regeling werktijdverkorting (WTV)</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij de WTV krijgen werkgevers de mogelijkheid om werktijdverkorting aan
                           te vragen ‘vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone
                           omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico
                           kunnen worden gerekend’. Werkgevers kunnen, na een wachttermijn van twee
                           kalenderweken, een aanvraag indienen bij het Ministerie van Sociale Zaken
                           en Werkgelegenheid (hierna: Ministerie van SZW). Als de aanvraag is
                           goedgekeurd, mag de werkgever de werktijd van zijn werknemers verkorten
                           en vervolgens samen met de werknemer bij UWV een uitkering uit hoofde van
                           de Werkloosheidswet (WW) aanvragen voor de niet-gewerkte uren.<noot id="n14" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Het arbeidsrecht verbiedt werkgevers de werktijd van
                                 werknemers eenzijdig te verkorten, tenzij in de arbeidsovereenkomst
                                 schriftelijk een eenzijdig wijzigingsbeding is
                                 overeengekomen.</noot.al></noot> De WW bedraagt 70% van het loon (over de niet-gewerkte uren) en
                           deze wordt uitbetaald aan de werkgever.<noot id="n15" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Tot maximaal dagloon.</noot.al></noot> De werkgever betaalt de uitkering vervolgens door aan de
                           werknemer. De WW wordt toegekend voor zes weken en kan drie keer met zes
                           weken worden verlengd. De maximale duur van de WTV komt daarmee op 24
                           weken. De WTV-periode gaat ten koste van de WW-rechten van de betreffende
                           werknemers. Per jaar wordt gemiddeld voor circa 350 werknemers een beroep
                           gedaan op de WTV.</al>
                    <al>Hoewel de regeling geen limitatieve lijst bevat van crises waarvoor
                           werktijdverkorting kan worden aangevraagd, staan in de beleidsregels
                           enkele voorbeelden genoemd zoals brand of blikseminslag. Voor crises die
                           het niveau van de onderneming ontstijgen, wordt telkens afzonderlijk
                           beoordeeld of zij tot het normale ondernemersrisico behoren of niet. In
                           de beleidsregels is verder bepaald dat er een directe relatie moet
                           bestaan tussen de aangevoerde oorzaak en de werkvermindering.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Toen in 2020 in reactie op de Covid-19 pandemie door de Rijksoverheid
                              beperkingen werden opgelegd aan de samenleving om verspreiding van het
                              virus zoveel mogelijk tegen te gaan, bleek de WTV niet geschikt voor
                              een crisis van een dergelijke omvang.</al>
                      <al>De beperkende maatregelen hadden een negatieve impact op een relevant
                              deel van de reguliere economische activiteiten in Nederland. Dit
                              vertaalde zich onder andere in een flink verhoogd beroep op de WTV
                              door werkgevers die als gevolg van de beperkingen te weinig werk
                              hadden voor hun werknemers. Halverwege maart 2020 is besloten dat de
                              WTV door deze grote hoeveelheid aanvragen niet houdbaar was, omdat de
                              (handmatige) uitvoering in de knel zou komen. Een snelle afhandeling
                              van aanvragen kon niet langer worden gegarandeerd. De WTV is daarom op
                              17 maart 2020 tijdelijk beëindigd.<noot id="n16" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en
                                    Werkgelegenheid van 17 maart 2020, 2020-0000039117, houdende de
                                    beëindiging van de mogelijkheid tot ontheffing van het verbod op
                                    werktijdverkorting (<extref doc="stcrt-2020-17126" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt</nadruk>. 2020, nr. 17126</extref>).</noot.al></noot> Als uitvoerbaar alternatief is vervolgens de NOW
                              geïntroduceerd.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Regeling calamiteiten WW</titel>
                    </kop>
                    <al>Al eerder bestond de wens om een regeling te ontwikkelen waar werkgevers
                           een beroep op konden doen in het geval van een calamiteit, die ook
                           toepasbaar is bij grotere crisissituaties. Een beoogde uitwerking daarvan
                           betrof de Regeling calamiteiten WW. Bij deze regeling zouden de WTV en
                           het recht op WW-uitkering bij langdurige perioden van winters weer en bij
                           (andere) buitengewone natuurlijke omstandigheden, worden samengevoegd. De
                           Regeling calamiteiten WW is in 2013 uiteindelijk niet in werking getreden
                           als gevolg van bezwaren vanuit sociale partners en het ontbreken van
                           voldoende politiek draagvlak voor deze regeling. Grootste struikelblokken
                           destijds waren de toenemende administratieve last voor de werkgever, een
                           standaardwachttijd van drie weken ongeacht de aard van de calamiteit en
                           de zeer beperkte mogelijkheden om maatwerk toe te passen bij
                           uitzonderlijke situaties. Implementatie van deze Regeling calamiteiten WW
                           is inmiddels niet meer mogelijk als gevolg van wijzigingen in de
                           WW-systematiek in de afgelopen jaren.<noot id="n17" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 2021/22, <extref doc="kst-35420-422" soort="document" status="actief">35 420,
                                    nr. 422</extref>.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Bijzondere Werktijdverkorting</titel>
                    </kop>
                    <al>De mondiale kredietcrisis die aanving in 2008 leidde in Nederland tot de
                           invoering van de regeling Bijzondere Werktijdverkorting. Deze regeling
                           werd van kracht op 30 november 2008 en beoogde ontslag van vakmensen die
                           na korte tijd weer hard nodig zijn te voorkomen. Als gebruik werd gemaakt
                           van deze Bijzondere Werktijdverkorting, kon voor de betrokken werknemers
                           een beroep op de WW worden gedaan, zodat zij tijdens hun dienstverband
                           voor de niet-gewerkte uren een WW-uitkering kregen. De belangrijkste
                           toelatingsvoorwaarde voor werkgevers om aan de Bijzondere
                           Werktijdverkorting deel te nemen was een omzetcriterium: de omzet moest
                           in twee maanden (in de periode van 1 september 2008 tot de datum van de
                           WTV-aanvraag) met minstens 30% zijn afgenomen ten opzichte van de omzet
                           in de twee direct daaraan voorafgaande maanden. In maart van 2009 werd de
                           Bijzondere Werktijdverkorting ingetrokken. In overleg met sociale
                           partners kwam daarvoor in de plaats het Besluit deeltijd WW tot behoud
                           van vakkrachten.<noot id="n18" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten, (<extref doc="stcrt-2009-4913" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2009, 64</extref>), pagina
                                 3.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Deeltijd-WW (Besluit deeltijd WW tot behoud van
                              vakkrachten)</titel>
                    </kop>
                    <al>In maart van 2009 werd de Bijzondere Werktijdverkorting vervangen door
                           de Deeltijd-WW die gold tot 2011. Het doel van de deeltijd-WW was het
                           behouden van werknemers ten tijde van een economische crisis, zodat deze
                           werknemers bij een weer oplevende economie nog steeds beschikbaar waren
                           voor de werkgever en direct konden worden ingezet. Ook bij deze regeling
                           gold dat voor de betrokken werknemers een beroep op de WW kon worden
                           gedaan. Bij deze regeling gold geen omzetcriterium. Anders dan bij de
                           Bijzondere Werktijdverkorting golden bij de Deeltijd-WW een aantal
                           inspanningsverplichtingen, op het gebied van scholing en
                              detachering.<noot id="n19" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Idem.</noot.al></noot> Op 1 juli 2009 is de Deeltijd-WW na de eerste drie maanden
                           geëvalueerd en zijn de voorwaarden om van de regeling gebruik te kunnen
                           maken aangescherpt, omdat het intensieve gebruik van de regeling tot dat
                           moment en de budgettaire gevolgen daarvan een indicatie waren dat de
                           regeling door werkgevers niet in alle gevallen met de gewenste
                           terughoudendheid was aangevraagd.<noot id="n20" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Besluit wederopenstelling deeltijd WW, (<extref doc="stcrt-2009-10813" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2009, 10813</extref>), pagina
                                 3.</noot.al></noot> De regeling is beëindigd op 1 juli 2011 met het oog op de
                           belemmering op de arbeidsmarktdynamiek die deeltijd-WW vormt bij een
                           aantrekkende economie en arbeidsmarkt, wanneer deze te lang beschikbaar
                           zou zijn.<noot id="n21" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Besluit verlenging deeltijd WW, (<extref doc="stcrt-2010-4900" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2010, 4900</extref>), pagina
                                 4.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid</titel>
                    </kop>
                    <al>Als onderdeel van een breder steunpakket in het kader van de beperkende
                           maatregelen ter bestrijding van het Covid-19 virus, werd in maart 2020 de
                           NOW in het leven geroepen. De NOW stelde werkgevers in staat loonsubsidie
                           aan te vragen waarmee werknemers konden worden doorbetaald, zodat
                           ontslagen als gevolg van de beperkende maatregelen zoveel mogelijk konden
                           worden voorkomen.<noot id="n22" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
                                 werkgelegenheid (NOW-1), (<extref doc="stcrt-2020-19874" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2020, 19874</extref>).</noot.al></noot></al>
                    <al>Gegeven de urgentie van de crisis is de NOW in slechts enkele weken tijd
                           tot stand gekomen. Daarom is de NOW een grofmazige en ongerichte regeling
                           gericht op het snel kunnen uitkeren van voorschotten aan werkgevers.</al>
                    <al>Als werkgevers aan de voorwaarden voldeden, werden ze voor 80–90%
                           gecompenseerd in de loonkosten. De precieze hoogte van het voorschot was
                           naast de loonkosten tevens afhankelijk van het omzetverlies. Na de
                           subsidieverlening volgde op een later moment de subsidievaststelling,
                           waarbij werd getoetst of de loonsom daadwerkelijk op peil was gebleven en
                           of de hoogte van het uiteindelijke omzetverlies aanleiding gaf om in
                           navolging van het uitbetaalde voorschot nog een nabetaling te doen aan de
                           werkgever of juist een (gedeeltelijke) terugbetaling te vragen. Met het
                           einde van de Covid-19 pandemie is ook de subsidiëring vanuit de NOW
                           geëindigd. De laatste tranche van de NOW-regeling (NOW 6, 8<sup>e</sup>
                           tranche) liep af per 1 april 2022.</al>
                    <al>Per 1 oktober 2021 is de WTV weer opengesteld.<noot id="n23" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en
                                 Werkgelegenheid van 22 september 2021, 2021-0000067623, tot
                                 heropening van de mogelijkheid tot ontheffing van het verbod op
                                 werktijdverkorting (<extref doc="stcrt-2021-42158" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2021,
                                    42158</extref>).</noot.al></noot> Gelet op de eerdergenoemde beperkingen van deze regeling,
                           ontbreekt het op dit moment echter aan een opschaalbare regeling om
                           werkgevers tijdelijk te kunnen ondersteunen in het geval van een crisis
                           buiten het reguliere ondernemersrisico, met als doel het zoveel mogelijk
                           voorkomen van onnodige ontslagen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3</nr>
                    <titel>Probleemanalyse</titel>
                  </kop>
                  <al>De problematiek die ten grondslag ligt aan onderhavig wetsvoorstel is dat
                        er onvoldoende tijdelijke bescherming van werkgelegenheid in tijden van
                        crisis is. De gevolgen hiervan worden gedragen door zowel werknemers,
                        werkgevers en de maatschappij als geheel.</al>
                  <al>Een werkgever die tijdens een crisis tijdelijk geen of minder werk heeft
                        voor zijn werknemers en zijn onderneming wil voortzetten, staat binnen het
                        Nederlandse arbeidsrecht voor een binaire keuze: (1) houd ik een werknemer
                        in dienst vanuit de verwachting dat er binnen afzienbare tijd weer werk is
                        (zogenaamde labour hoarding) of (2) ontsla ik een werknemer om
                        bedrijfseconomische redenen in de hoop dat, als er weer genoeg werk is, de
                        ontslagen werknemers of andere geschikte werknemers beschikbaar zijn op de
                           arbeidsmarkt?<noot id="n24" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Ten aanzien van labour hoarding: Giupponi, G., en Landais, C.,
                              Subsidizing Labor Hoarding in Recessions: The Employment &amp; Welfare
                              Effects of Short Time Work, CEP Discussion Paper No 1585, Center for
                              Economic Performance, London School of Economics and Political Science
                              (december 2018).</noot.al></noot> Deze keuze is binair, omdat in het arbeidsrecht een tussenvorm als
                        tijdelijk bedrijfseconomisch ontslag of deeltijd-bedrijfseconomisch ontslag
                        (behoudens enkele uitzonderingen) niet mogelijk is. Kiest de werkgever voor
                        optie 1, dan moet hij de werknemers volledig doorbetalen terwijl er minder
                        of geen werk is. Dit kan leiden tot een toename van faillissementen,
                        aangezien de reserves van de werkgever door het door moeten betalen van de
                        werknemers snel op kunnen raken. Kiest de werkgever voor optie 2, dan moet
                        bij UWV een ontslagvergunning worden aangevraagd. Na toestemming van UWV kan
                        de arbeidsovereenkomst worden beëindigd en heeft de werknemer recht op een
                        transitievergoeding en/of een werkloosheidsuitkering. Het beëindigen van een
                        arbeidsovereenkomst kan niet per direct, hier zit altijd een opzegtermijn
                        bij van minimaal 1 maand. Ook bij deze optie moet een werkgever in die
                        tussenperiode het loon volledig doorbetalen.</al>
                  <al>Bij keuze voor optie 2 weet de werkgever niet of hij zijn vakkrachten of
                        andere werknemers weer kan aannemen voordat zij elders een baan hebben
                        gevonden. Het ontslag leidt verder tot verlies van bedrijfsspecifieke kennis
                        waar investeringen van beide partijen (bijvoorbeeld in de vorm van
                        trainingen) aan vooraf zijn gegaan. Zonder steun in crisistijd kan het
                        werkgevers in een volgende fase ontbreken aan vakkundig personeel en kan het
                        moeilijk zijn om snel weer op maximale capaciteit te komen. De gevolgen van
                        de crisis duren in dat geval langer dan nodig. Ook maakt de werkgever kosten
                        bij het aannemen van een nieuwe werknemer, zoals de kosten om werknemers te
                        zoeken en te screenen en in te werken in de organisatie.</al>
                  <al>Voor de werknemer betekent optie 2 ontslag. Ontslag heeft vaak grote
                        gevolgen voor het individu. Ontslag zorgt er in eerste instantie voor dat de
                        inkomensvoorziening van de werknemer wegvalt, met mogelijk veel onzekerheid
                        tot gevolg. Vooral als er niet op korte termijn zicht is op een nieuwe baan.
                        Bovendien is werk een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven en
                        mensen ontlenen er hun identiteit aan. Als dit wegvalt, is dit meestal niet
                        goed voor het zelfvertrouwen, worden mensen inactiever en verliezen ze
                        aansluiting op de maatschappij. De werknemer weet niet of hij kan terugkeren
                        naar zijn oude baan, of dat hij een nieuwe baan kan vinden. Daarnaast zijn
                        er kosten verbonden aan het zoeken naar een nieuwe baan (door de werknemer),
                        zoals de tijd om een baan te zoeken of nieuwe vaardigheden te leren of zelfs
                        te verhuizen naar een regio met meer werk. Als de werkloosheid van de
                        werknemer langer aanhoudt, kan dit leiden tot verlies van werkritme, parate
                        kennis en zelfvertrouwen, een proces dat ook wel scarring wordt
                           genoemd.<noot id="n25" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Nilsen, Ø., en Reiso, K., Scarring Effects of Unemployment,
                              Discussion Paper No. 6198, IZA Discussion Paper No. 6198,
                              Forschungsinstitut zur Zukunft der Arbeit (december 2011).</noot.al></noot> Scarring is nadelig voor de arbeidsproductiviteit en daarmee voor
                        het verdienvermogen van Nederland.</al>
                  <al>Tenslotte zijn er ook kosten voor de maatschappij in brede zin in de vorm
                        van een werkloosheidsuitkering als de ontslagen werknemer niet meteen een
                        nieuwe dienstbetrekking kan vinden. Ook kan een crisis zorgen voor
                        maatschappelijke onrust, met negatieve economische effecten tot gevolg. Als
                        mensen het gevoel hebben dat hun banen op de tocht staan, zullen zij minder
                        geld uitgeven, waardoor er minder economische vraag is. Om de economie op
                        gang te houden en vanuit het oogpunt van het creëren van stabiliserend
                        vermogen vanuit de Rijksoverheid in tijden van crisis, is het belangrijk dat
                        dit zo min mogelijk gebeurt. Ook kan het in het belang van werkgevers én
                        werknemers zijn als werkgevers in staat worden gesteld een korte periode,
                        waarin er minder of geen werk is, te overbruggen zonder dat werknemers
                        worden ontslagen (optie 1). Ook ligt er een maatschappelijk belang aangezien
                        hier mogelijk scarring en daardoor langdurige werkloosheid mee wordt
                        voorkomen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.4</nr>
                    <titel>Oorzaken problematiek</titel>
                  </kop>
                  <al>In de voorafgaande paragraaf is de problematiek waar onderhavig
                        wetsvoorstel deels een oplossing voor zal bieden, uiteen gezet. In deze
                        paragraaf wordt dieper ingegaan op de achterliggende oorzaken van die
                        problematiek die maken dat dit wetsvoorstel nodig is.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Beperkte wendbaarheidsmogelijkheden</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het arbeidsrecht hebben werkgevers beperkte mogelijkheden
                           om medewerkers die in dienst zijn in het geval van een crisis intern
                           wendbaar en flexibel in te zetten, ook al voorzien zij dat het om een
                           tijdelijke crisis gaat. Een dergelijk gebrek aan wendbaarheid en
                           flexibiliteit kan vervolgens een dilemma opleveren: enerzijds willen
                           werkgevers hun werknemers (deels) behouden, maar anderzijds bestaat het
                           risico dat zij als gevolg van de crisis niet meer kunnen voldoen aan
                           verschillende financiële verplichtingen (waaronder jegens de werknemer).
                           Dit kan vervolgens leiden tot het moeten overgaan tot ontslag wegens
                           bedrijfseconomische omstandigheden. Dit is een suboptimale uitkomst, ten
                           eerste omdat de werkgever de onderneming na afloop van de crisis niet
                           naar wens kan herstarten of hervormen, en ten tweede omdat het ontslag
                           mogelijk vermijdbaar was indien tijdelijke steun vanuit de overheid
                           voorhanden was. Daar komt bij dat gedurende de aanvraag voor een
                           ontslagvergunning en de opzegtermijn de werkgever uiteraard wel moet
                           voldoen aan de financiële verplichtingen jegens zijn werknemers, terwijl
                           dat uit hoofde van de crisis of calamiteit waar de onderneming mee te
                           maken heeft (en omwille waarvan juist bedrijfseconomisch ontslag was
                           aangevraagd) naar verwachting tot problemen in de bedrijfsvoering zal
                           leiden. Dit brengt mogelijk risico’s voor de andere werknemers en breder
                           voor het voortbestaan van de onderneming met zich mee.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onvoldoende vangnet overheid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Zoals beschreven in paragraaf 2.2 ontbreekt het op dit moment aan een
                              opschaalbare regeling om werkgevers tijdelijk te kunnen ondersteunen
                              in het geval van een crisis.</al>
                      <al>Terwijl ten tijde van de Covid-19 pandemie is gebleken dat een
                              opschaalbare en uitvoerbare regeling in het geval van grotere crises
                              heel belangrijk is om te voorkomen dat in de kern gezonde bedrijven
                              failliet gaan.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Daarom is in het voorjaar van 2020 de NOW ingevoerd. De NOW was echter
                           een tijdelijke noodmaatregel en kende bovendien een aantal nadelen die
                           een structureel gebruik ervan in de weg staan.</al>
                    <al>Ten eerste was de NOW een relatief ongerichte maatregel: als een
                           werkgever meer dan 20% omzetverlies had in een bepaalde periode, dan kon
                           subsidie worden aangevraagd. Een causaal verband tussen de bedrijfsmatige
                           effecten als gevolg van de beperkende maatregelen en het geleden
                           omzetverlies was geen voorwaarde om voor steun in aanmerking te komen. In
                           het licht van de snelle totstandkoming van de NOW was dit een
                           noodzakelijke keuze om in korte tijd tot een uitvoerbare steunmaatregel
                           te komen die werkgevers kon ondersteunen bij het uitbetalen van
                           salarissen van werknemers.<noot id="n26" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van
                                 werkgelegenheid, (<extref doc="stcrt-2020-19874" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2020,
                                    19874</extref>), pagina 8.</noot.al></noot> Bij het introduceren van een structurele regeling voor tijdelijke
                           ondersteuning van werkgevers in geval van een crisis is een dergelijke
                           causaliteit tussen de calamiteit enerzijds en de noodzaak tot het
                           ontvangen van steun anderzijds echter wel een logisch en gewenst
                           aspect.</al>
                    <al>Het tweede nadeel van de NOW komt voort uit de vergoedingssystematiek:
                           de vergoeding werd niet gebaseerd op de vermindering van de hoeveelheid
                           werk maar op de vermindering van de omzet. Het percentage van de
                           loonkosten waarover de vergoeding werd uitgekeerd, werd vastgesteld door
                           het percentage omzetverlies te meten.</al>
                    <al>Hier ligt de aanname aan ten grondslag dat er met minder omzet ook naar
                           evenredigheid minder personeel nodig is. In welke mate dit één op één te
                           koppelen is, hangt echter af van de aard en inrichting van het bedrijf en
                           de impact van de crisis. Zo zal een vermindering van de inzet van
                           personeel bij een onderneming met veel (omzet genererende)
                           productiemedewerkers en weinig overhead tot een bijna evenredige
                           vermindering van de omzet leiden. Bij een bedrijf met relatief veel
                           overhead zal het verband tussen inzet van personeel en omzet mede
                           afhankelijk zijn van de vraag welke medewerkers met werktijdvermindering
                           worden geconfronteerd. Werktijdvermindering voor medewerkers in R&amp;D,
                           management, HR, marketing of communicatie hoeft niet direct tot
                           omzetverlies te leiden. Is de werktijdvermindering vooral geconcentreerd
                           binnen de omzet-genererende groepen van uitwisselbare functies, dan zal
                           het effect op de omzet groter zijn. Om een loonsteunregeling beter te
                           kunnen richten, ligt het in de rede om niet het omzetverlies maar de
                           daadwerkelijke verminderde inzet van arbeidscapaciteit als uitgangspunt
                           te nemen. Het onderhavige wetsvoorstel neemt daarom het percentage
                           verminderde inzet van arbeidscapaciteit en de daadwerkelijk minder
                           gewerkte uren als uitgangspunt voor het berekenen van de hoogte van de
                           loonsubsidie.</al>
                    <al>Ten derde geldt dat de NOW-regeling lang heeft opengestaan, waardoor het
                           risico toenam dat bedrijven die onvoldoende levensvatbaar zijn,
                           ondersteund werden. De NOW-regeling is uiteindelijk actief geweest vanaf
                           maart 2020 t/m maart 2022, met een kleine onderbreking in het
                              4<sup>e</sup> kwartaal van 2021. In totaal dus bijna twee jaar,
                           terwijl de oorspronkelijke opzet was om de regeling korter van kracht te
                           laten zijn, zodat werkgevers zich onder andere met behulp van de
                           NOW-steun konden voorbereiden op de periode na afloop daarvan, eventueel
                           met een aanpassing van de bedrijfsvoering die leidt tot innovatie,
                           economische groei en toenemende welvaart. Naarmate dergelijke steun
                           langer duurt, wordt dit proces verstoord en neemt het risico toe dat
                           bedrijven worden ondersteund die onvoldoende levensvatbaar zijn. In het
                           reguliere economische verkeer kan dit leiden tot een bedrijfsbeëindiging
                           of faillissement, waarbij de werknemers na eventueel een transitieperiode
                           op een andere plek juist meer productiviteit kunnen toevoegen. Als gevolg
                           van de langlopende NOW ondervinden bedrijven minder prikkels om omzet te
                           genereren dan in de reguliere situatie het geval is.<noot id="n27" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Coronapublicatie-Lessen-voor-de-NOW.pdf" soort="URL" status="actief">CPB</extref>, Coronapublicatie ‘Lessen
                                 voor de NOW’, (2020).</noot.al></noot> Om deze reden is in het onderhavige wetsvoorstel een tijdelijke
                           regeling voorzien, die maximaal voor een periode van zes maanden kan
                           worden aangevraagd. Omdat deze maximale tijdsduur ook vooraf al bekend
                           is, kunnen werkgevers zich hierop instellen en in het geval van een
                           crisis zich voorbereiden op de fase na deze zes maanden.</al>
                    <al>Ten vierde kenmerkte de NOW zich door een voorschotfase vooraf waarin
                           een forfaitair voorschot werd verleend op basis van een door de werkgever
                           zelf ingeschat percentage omzetverlies. Pas na verloop van tijd volgde
                           een vaststellingsfase achteraf. Dit laatste heeft geborgd dat werkgevers
                           de door hen ontvangen subsidie achteraf moesten verantwoorden en hierop
                           controle kon plaatsvinden, maar heeft ook significante administratieve
                           lasten met zich meegebracht. Hoewel dit met het oog op de noodzakelijke
                           snelle totstandkoming van de NOW een logische en gewenste keuze was, zal
                           het uitbetalings- en controleproces van het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                           bij crisis anders worden ingericht om zodoende dergelijke administratieve
                           lasten voor werkgevers achteraf zoveel mogelijk te voorkomen.</al>
                    <al>Ten slotte is de middels de NOW verstrekte loonsubsidie gefinancierd
                           vanuit algemene middelen, waardoor de overheidsschuld toenam. Gezien de
                           spoedeisendheid van de situatie was dit een logische keuze.
                           Tegelijkertijd is het vanuit het oogpunt van verantwoord begrotingsbeleid
                           wenselijk om verwachte uitgaven van dekking te voorzien, om te voorkomen
                           dat lasten worden doorgeschoven naar volgende generaties. Het onderhavige
                           wetsvoorstel voorziet in een dergelijke dekking.</al>
                    <al>Het is wenselijk gebleken een nieuwe, structurele regeling uit te werken
                           zonder de bovengenoemde nadelen van de NOW.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.5</nr>
                    <titel>Randvoorwaarden</titel>
                  </kop>
                  <al>In het Coalitieakkoord van het kabinet van Rutte IV stond benoemd dat een
                        budgettair neutrale deeltijd-WW wordt uitgewerkt, met oog voor
                        uitvoerbaarheid en betaalbaarheid.</al>
                  <al>Deze uitvoerbaarheid is ook relevant voor de gekozen insteek van de
                        maatregel. In het genoemde Coalitieakkoord werd de maatregel als
                        ‘deeltijd-WW’ omschreven. Dit impliceert een regeling waarin een koppeling
                        gemaakt wordt met de WW. Omwille van de uitvoerbaarheid zullen individuele
                        WW-rechten van werknemers echter niet worden aangesproken bij gebruik van de
                        instrumenten uit dit wetsvoorstel door werkgevers, omdat dit de gewenste
                        opschaalbaarheid van de regeling in het geval van een grotere crisis
                        onmogelijk maakt. Daarom is afgezien van een dergelijke koppeling, en is
                        daarmee besloten de regeling ook geen ‘deeltijd-WW’ meer te noemen, maar Wet
                        personeelsbehoud bij crisis. Op andere plekken in deze memorie van
                        toelichting zal nog uitgebreid op de uitvoerbaarheid worden ingegaan.</al>
                  <al>Ook de randvoorwaarde van budgetneutraliteit speelt bij de gekozen insteek
                        van het wetsvoorstel een belangrijke rol. Dit heeft geleid tot de verderop
                        in deze memorie van toelichting beschreven verdeling van kosten tussen
                        werkgever, werknemer en overheid.</al>
                  <al>In de Kamerbrief ‘Voortgang uitwerking arbeidsmarktpakket' staat benoemd
                        dat de regering van mening is dat een dergelijke regeling niet is bedoeld
                        voor het overnemen van ondernemersrisico’s: bedrijven die in de problemen
                        raken vanwege bepaalde bedrijfseconomische of managementkeuzes moeten daar
                        zelf de gevolgen van dragen.<noot id="n28" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/04/03/kamerbrief-voortgang-uitwerking-arbeidsmarktpakket" soort="URL" status="actief"><nadruk type="cur">Kamerstukken</nadruk></extref><nadruk type="cur"> II</nadruk>, 2022/23,
                                 <extref doc="kst-29544-1176" soort="document" status="actief">29 544,
                                 nr. 1176</extref>.</noot.al></noot> Hetzelfde gebeurt immers ook als een bedrijf keuzes maakt die juist
                        economisch rendement opleveren. Het (ten dele) overnemen door de overheid
                        van dergelijke risico’s leidt tot een verstoring van de reguliere werking
                        van de economie en kan leiden tot ‘moral hazard’: het nemen van meer risico
                        in de wetenschap dat de overheid de potentieel negatieve gevolgen hiervan
                        ten dele zal dragen (zie ook paragraaf 2.8). Dit betreft dus een
                        randvoorwaarde voor de maatregel.</al>
                  <al>Het is echter wel wenselijk dat er een vangnet komt voor omstandigheden die
                           <nadruk type="cur">buiten</nadruk> het reguliere ondernemersrisico
                        liggen, waarbij werkgevers een tijdelijke crisis kunnen overbruggen en
                        werknemers hun baan kunnen behouden. De redenen hiervoor zijn in voorgaande
                        alinea’s reeds beschreven.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.6</nr>
                    <titel>Doel van het wetsvoorstel</titel>
                  </kop>
                  <al>In overeenstemming met bovenstaande economische analyse, de beschreven
                        oorzaken van de problematiek en de genoemde randvoorwaarden, beoogt dit
                        wetsvoorstel levensvatbare bedrijven in een crisis in de zin van het
                        wetsvoorstel, te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk
                        werknemers.</al>
                  <al>De arbeidsrechtelijke instrumenten en de loonsubsidie in dit wetsvoorstel
                        bieden werkgevers meer interne wendbaarheid en flexibiliteit. Zonder deze
                        steun zouden levensvatbare bedrijven als gevolg van een crisis mogelijk
                        kennis en expertise van (meer) werknemers verloren zien gaan. Het is niet
                        uitgesloten dat werkgevers toch moeten overgaan tot het indienen van een
                        verzoek om toestemming (bij UWV, een ontslagcommissie of de kantonrechter)
                        om een arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen.
                        Belangrijk is echter dat een werkgever telkens afweegt of dat noodzakelijk
                        is. Als een werknemer ook met inzet van de instrumenten uit dit wetsvoorstel
                        niet behouden kan worden, dan zou de werkgever voor die werknemer geen
                        gebruik moeten maken van de instrumenten. Het wetsvoorstel is niet bedoeld
                        om baanverlies uit te stellen. In dat kader zijn twee consequenties
                        gekoppeld aan het indienen van een verzoek een arbeidsovereenkomst op te
                        zeggen wegens bedrijfseconomische redenen: vanaf de datum van die indiening
                        mogen de arbeidsrechtelijke instrumenten en loonsubsidie op de betreffende
                        werknemer niet meer worden ingezet (zie hiervoor paragraaf 3.3.2.1), en over
                        de periode voorafgaand aan die datum wordt de hoogte van de loonsubsidie ten
                        aanzien van die werknemer met 25% verlaagd (zie hiervoor paragraaf 3.3.3).
                        Met dit wetsvoorstel heeft de werkgever zekerheid dat er een regeling is
                        waarop in tijden van crisis een beroep kan worden gedaan, mits uiteraard
                        wordt voldaan aan de voorwaarden (zie hoofdstuk 3). Deze zekerheid draagt
                        bij aan een gunstig ondernemingsklimaat in Nederland.</al>
                  <al>Voor werknemers geldt dat het wetsvoorstel de kans vergroot dat zij ondanks
                        een crisis hun baan kunnen behouden en dat hun inkomsten grotendeels
                        behouden blijven. Dit kan tevens bijdragen aan het welzijn van de werknemers
                        en het verminderen van potentiële maatschappelijke onrust als gevolg van het
                        bestaan van een grote crisis.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.7</nr>
                    <titel>Doelgroepen</titel>
                  </kop>
                  <al>De doelgroep van dit wetsvoorstel omvat zowel de werkgever als de
                        werknemer. Het is de werkgever die een aanvraag indient en vervolgens de
                        arbeidsrechtelijke instrumenten (verminderde loondoorbetaling en
                        herplaatsing) en de loonsubsidie kan inzetten ten aanzien van zijn
                        werknemers. Daarbij heeft de regering ervoor gekozen om voor zowel werkgever
                        als werknemer aan te sluiten bij de definities in de WW. De WW heeft
                        weliswaar niet hetzelfde doel als het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                        crisis (werknemers verzekeren tegen de financiële gevolgen van werkloosheid
                        versus werkgevers ondersteunen in personeelsbehoud tijdens een crisis) maar
                        de doelen liggen wel in elkaars verlengde. Daarnaast zal dit wetsvoorstel
                        grotendeels, evenals de WW, worden gefinancierd uit het door WW-premies
                        gefinancierde Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Vanuit deze gedachten is de
                        keuze gemaakt om voor het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis dezelfde
                        doelgroepen aan te houden als in de WW.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>De werkgever</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit wetsvoorstel gaat uit van hetzelfde brede werkgeversbegrip als de
                           WW: elke werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft met een natuurlijk
                           persoon (de werknemer), ook wel de formele werkgever genoemd.<noot id="n29" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610
                                 Burgerlijk Wetboek (BW).</noot.al></noot> Er is één uitzondering gemaakt: de overheidswerkgever.
                           Overheidswerkgevers zijn alle publiekrechtelijke organisaties
                           (ministeries, provincies, gemeenten, waterschappen, maar ook bijvoorbeeld
                           Rijkswaterstaat, Politie, Defensie, Belastingdienst of de Sociale
                           Verzekeringsbank) en de onderwijssectoren.<noot id="n30" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Ook zijn een aantal privaatrechtelijke lichamen die een
                                 directe link met de overheid hebben of hebben gehad aangemerkt als
                                 overheidswerkgever, zogenoemde B3-instellingen, bijvoorbeeld
                                 sommige nutsbedrijven, vervoersbedrijven of
                                 cultuurinstellingen.</noot.al></noot> Deze organisaties worden gefinancierd vanuit publieke middelen.
                           Ook tijdens een crisis zal deze bekostiging continueren. Het is daarom
                           onnodig en beleidsmatig ongewenst overheidswerkgevers additionele
                           ondersteuning te geven in het kader van het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                           bij crisis.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>De werknemer</titel>
                    </kop>
                    <al>Zoals in paragraaf 1 kort benoemd, krijgen werkgevers bij crises die
                           buiten het regulier ondernemersrisico vallen de mogelijkheid om
                           werknemers tijdelijk ander werk te laten doen (herplaatsing) of minder te
                           laten werken waarbij de loondoorbetalingsverplichting verminderd wordt.
                           Een combinatie van herplaatsing en minder laten werken is ook mogelijk.
                           Wel geldt dat indien een werknemer wordt herplaatst, over die specifieke
                           uren geen verminderde loondoorbetaling kan worden toegepast. Na het
                           toepassen van het instrument verminderde loondoorbetaling kan er
                           loonsubsidie worden aangevraagd. Voor de instrumenten herplaatsing en
                           verminderde loondoorbetaling geldt dat de werkgever ze voor elke
                           werknemer met een arbeidsovereenkomst kan inzetten.<noot id="n31" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610
                                 Burgerlijk Wetboek (BW).</noot.al></noot> In paragrafen 3.3.2.2 en 3.3.2.3 wordt nader uiteengezet voor
                           welke werknemers deze instrumenten kunnen worden ingezet. De loonsubsidie
                           kan niet voor iedere werknemer met een arbeidsovereenkomst worden
                           ingezet, daarvoor is het werknemersbegrip uit de WW van toepassing.<noot id="n32" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>In artikel 1 van dit wetsvoorstel is de werknemer
                                 gedefinieerd als ‘de werknemer in de zin van hoofdstuk I, paragraaf
                                 2, en hoofdstuk III van de Werkloosheidswet, niet zijnde een
                                 overheidswerknemer’. Deze afbakening voorkomt dat een persoon die
                                 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en op basis van
                                 artikel 67 onder c van de WW ook als werknemer wordt verstaan (voor
                                 een uitkering wegens betalingsonmacht) onbedoeld ook voor de
                                 loonsubsidie in aanmerking zou kunnen komen.</noot.al></noot> Daardoor gelden de territoriale bepalingen uit de WW tevens voor
                           de loonsubsidie in dit wetsvoorstel. In lijn met de uitsluiting van
                           overheidswerkgevers zijn voor de loonsubsidie overheidswerknemers ook
                           uitgesloten. Voor een nadere toelichting op het werknemersbegrip wordt
                           verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de definitie van
                           werknemer.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.8</nr>
                    <titel>Overwogen alternatieven</titel>
                  </kop>
                  <al>Bij de uitwerking van dit wetsvoorstel zijn uiteraard diverse alternatieven
                        overwogen. Zo zijn de vergelijkbare Short-Time Work Schemes (STW’s) uit
                        enkele Europese buurlanden van Nederland geanalyseerd en beoordeeld op
                        mogelijke toepasbaarheid voor Nederland. De Tweede Kamer is hier
                        bijvoorbeeld over geïnformeerd middels de brief ‘Structurele crisisregeling
                        voor ondersteuning werkgever bij betaling loonkosten’.<noot id="n33" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II, </nadruk>2021/22, <extref doc="kst-35420-422" soort="document" status="actief">35 420,
                                 nr. 422</extref>.</noot.al></noot> Hierbij vallen enkele verschillen op met de in dit wetsvoorstel
                        beschreven inhoudelijke vormgeving. Onderstaand volgt een uitleg over STW’s,
                        gevolgd door een korte vergelijking van vergelijkbare regelingen in
                        Duitsland, België en Frankrijk. Daarna volgt de weging waarom in dit
                        wetsvoorstel voor een andere aanpak is gekozen. Ook het SER-MLT uit juni
                        2021 beschrijft een vorm van deeltijdontslag waar in deze paragraaf op wordt
                           ingegaan.<noot id="n34" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.ser.nl/nl/Publicaties/advies-sociaal-economisch-beleid-2021-2025" soort="URL" status="actief">Sociaal</extref>-Economische Raad,
                              ‘Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de
                              samenleving, (2021).</noot.al></noot> Deze paragraaf sluit af met een weergave van de overige
                        beleidsinstrumenten die zijn overwogen.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Short-Time Work Schemes</titel>
                    </kop>
                    <al>In veel landen bestaan regelingen in de sfeer van deeltijd-WW, in de
                           economische literatuur ook wel STW’s genoemd. Deze regelingen verstrekken
                           tijdelijke loonkostensubsidies aan bedrijven die met een tijdelijk
                           (geheel of gedeeltelijk) verlies van arbeidsuren te maken krijgen zodat
                           lonen kunnen worden doorbetaald en ontslag van werknemers kan worden
                           voorkomen. Waar werkloosheidsuitkeringen als doel hebben om het
                           inkomensverlies na ontslag van de werknemer gedeeltelijk te compenseren
                           (curatief), hebben STW’s als doel om ontslag en daarmee mogelijk
                           werkloosheid te voorkomen (preventief).</al>
                    <al>STW’s zijn bedoeld om ontslag en alle daarmee samenhangende nadelen te
                           ondervangen. Er is echter ook een keerzijde aan de inzet van STW’s.
                           Fluctuaties in de hoeveelheid werk horen bij het normale
                           ondernemersrisico en werkgevers dienen hun bedrijfsvoering hierop voor te
                           bereiden. Als werkgevers vrij makkelijk via een STW dit risico kunnen
                           afwentelen op het collectief zullen zij geneigd zijn meer werknemers aan
                           te nemen dan nodig is. Ook zullen ze minder geneigd zijn om hun
                           bedrijfsvoering aan te passen op fluctuaties in de hoeveelheid werk dan
                           wel alternatieve werkzaamheden te zoeken. Dit effect, dat moral hazard
                           wordt genoemd, is een belangrijk nadeel van STW’s en kan het beroep op
                           zo’n regeling onnodig verhogen en een efficiënte bedrijfsvoering
                           ontmoedigen. Het effect kan worden tegengegaan door ten eerste niet alle
                           loonkosten te vergoeden in de regeling. Hoe lager het percentage dat van
                           de loonkosten wordt vergoed, hoe groter de prikkel voor de werkgever om
                           te anticiperen en oplossingen te vinden voor perioden dat er minder werk
                           is. Ten tweede kan moral hazard worden tegengegaan door de STW te
                           beperken tot calamiteiten die buiten het ondernemersrisico vallen: alleen
                           omstandigheden waarop de werkgever geen invloed heeft en waarop deze zich
                           niet kan voorbereiden zouden toegang tot de regeling moeten geven. Binnen
                           dit wetsvoorstel worden beide strategieën toegepast: door (1) duidelijk
                           af te bakenen welke omstandigheden als crisis worden aangemerkt, en door
                           (2) de loonkosten niet volledig te vergoeden, maar zowel werkgevers als
                           werknemers een deel te laten meebetalen.</al>
                    <al>Een andere keerzijde van STW’s is dat zulke regelingen de economische
                           dynamiek in de weg kunnen zitten. Dat komt doordat ook economische
                           onrendabele bedrijven subsidie kunnen aanvragen. Voor een efficiënte
                           allocatie van arbeid en kapitaal is echter wenselijk dat ondernemingen
                           die niet meer rendabel zijn, failliet kunnen gaan. Daardoor komt arbeid
                           en kapitaal beschikbaar voor productieve doeleinden (ook wel creatieve
                           destructie genoemd). Dat proces is pijnlijk voor de betrokken werkgevers
                           en werknemers en heeft maatschappelijke gevolgen, maar is tegelijkertijd
                           essentieel voor de productiviteitsgroei en daarmee onze welvaart. Voor
                           zover een recessie te bestrijden is door vraaguitval tegen te gaan, is
                           een STW ook niet het juiste instrument om de conjunctuur aan te jagen.
                           Daarvoor is meer generiek (bijvoorbeeld anticyclisch) begrotingsbeleid
                           en/of monetair beleid passender.<noot id="n35" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>Voor deze paragraaf is geput uit Giupponi, Giulia, Camille
                                 Landais, and Alice Lapeyre, 2022, ‘Should We Insure Workers or Jobs
                                 during Recessions?’ <nadruk type="cur">Journal of Economic
                                    Perspectives</nadruk>, 36 (2): 29–54 en uit Hijzen, Alexander
                                 and Venn, Danielle, The Role of Short-Time Work Schemes during the
                                 2008-09 Recession, 2013, IZA Discussion Paper No. 7291.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Duitsland</titel>
                    </kop>
                    <al>De ‘Kurzarbeit’ in Duitsland biedt ondersteuning in meerdere situaties.
                           Het recht hierop ontstaat bij tijdelijke vraaguitval vanwege economische
                           redenen, maar kan ook van toepassing zijn bij sectoren die onderhevig
                           zijn aan seizoenvariaties door weercondities (Saison-Kurzarbeitergeld).
                           Bij gebruik van de regeling moeten eerst andere alternatieven zijn
                           aangewend, bijvoorbeeld het opmaken van vakantiedagen of overuren door
                           werknemers. Daarnaast moet bij minstens 1/3 van de werknemers sprake zijn
                           van ten minste 10% reductie in brutosalaris vanwege (tijdelijk) minder
                           werk. Als aan alle voorwaarden is voldaan, wordt bij 100% urenverlies 60%
                           van het nettosalaris direct aan de werknemer uitgekeerd (met een
                           maximum). Bij gedeeltelijk urenverlies verloopt betaling via de
                           werkgever. De totale duur van de Kurzarbeit bedraagt maximaal 12 maanden
                           en kan in uitzonderlijke situaties verlengd worden tot maximaal
                              24 maanden.<noot id="n36" type="voet"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>Merkblatt 8a – Kurzarbeitergeld; <extref doc="https://www.arbeitsagentur.de/datei/merkblatt-8a-kurzarbeitergeld_ba036300.pdf" soort="URL" status="actief">Kurzarbeitergeld
                                    (arbeitsagentur.de)</extref>.</noot.al></noot></al>
                    <al>Om risico’s op misbruik of oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk te
                           beperken, wordt elke maand gecontroleerd of de werkgever nog recht heeft
                           op compensatie. Hiervoor dient de werkgever elke maand verschillende
                           documenten aan te leveren. De helft van de kosten van de regeling worden
                           door de werkgevers betaald, de andere helft door de werknemers (beiden
                           zijn verplicht verzekerd). Op het moment dat daadwerkelijk aanspraak
                           wordt gemaakt op de regeling betalen werkgevers 80% van de sociale
                           premies over de niet-gewerkte uren. Werknemers dragen bij middels een
                           vermindering van hun loon van 40% of 33% over de niet-gewerkte uren.
                           Daarnaast gelden er, tijdens de gehele looptijd van de Kurzarbeit,
                           beperkingen bij het aannemen van nieuw personeel. Ontslagen mogen tijdens
                           Kurzarbeit, maar alleen als de werknemer elders voltijds werk vindt
                           tijdens de opzegtermijn. Daarnaast moet de werkgever tijdens de
                           opzegtermijn zelf het volledige loon van de werknemer doorbetalen.<noot id="n37" type="voet"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>Idem.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>België</titel>
                    </kop>
                    <al>In België is er geen sprake van één regeling die inzet op baanbehoud op
                           momenten dat werkgevers in zwaar weer terecht komen, maar zijn er
                           afhankelijk van de specifieke calamiteit meerdere regelingen beschikbaar
                           met hetzelfde doel. Wanbeheer of slecht management zijn hierbij geen
                           gronden voor een aanvraag. Op het moment dat de werkgever gebruikmaakt
                           van een regeling, kan de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) tijdelijk
                           worden geschorst, waardoor de werknemer tijdelijk gebruik kan maken van
                           de reguliere werkloosheidsregeling als hij aan de voorwaarden hiervan
                           voldoet. Dit betekent dat 65% van het loon wordt vergoed, tot een bepaald
                           maximum. Werknemers leveren hiermee een aanzienlijk deel van hun loon
                              in.<noot id="n38" type="voet"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>Steunpunt tot Bestrijding van Armoede, Bestaansonzekerheid en
                                 Sociale Uitsluiting, ‘Overzicht van COVID-19-maartegelen, ter
                                 ondersteuning in situaties van armoede en bestaansonzekerheid’,
                                 (2021), pagina 33.</noot.al></noot></al>
                    <al>Er is, in tegenstelling tot bij de Kurzarbeit in Duitsland, geen
                           toegangsdrempel voor de werkgever. Instemming van de werknemer is niet
                           noodzakelijk, maar zij moeten wel geïnformeerd worden. Werkgevers hoeven
                           geen financiële bijdrage te leveren en voor werknemers geldt dat gebruik
                           van de rechten vanuit de reguliere werkloosheidsregeling niet verplicht
                           is. Ontslagen zijn toegestaan tijdens de periode van tijdelijke
                           werkloosheid, maar de opzegtermijn begint pas na de periode van
                           tijdelijke werkloosheid. De totale duur van de tijdelijke werkloosheid is
                           groter als er nog gedeeltelijk kan worden gewerkt en is kleiner als dit
                           in mindere mate of niet het geval is.</al>
                    <al>De maximale duur van de regeling bedraagt twaalf maanden als er minstens
                           drie dagen per week wordt gewerkt, in andere gevallen is de maximale duur
                           drie maanden. Als er helemaal niet kan worden gewerkt, bedraagt de
                           maximale duur vier weken.</al>
                    <al>De kosten voor de tijdelijke werkloosheid worden gefinancierd vanuit de
                           reguliere werkloosheidsregeling. Zowel werknemers en werkgevers betalen
                           hiervoor sociale premies. Werkgevers betalen 25% over het loon,
                           werknemers dragen ruim 13% af.<noot id="n39" type="voet"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>Idem.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Frankrijk</titel>
                    </kop>
                    <al>De ‘Activité partielle’ in Frankrijk is een regeling waar aanspraak op
                           kan worden gemaakt ten tijde van economische neergang. Het systeem stelt
                           werkgevers in staat om werknemers in tijdelijke werkloosheid te plaatsen
                           als er sprake is van een reden die verband houdt met de economische
                           situatie, als de vermindering van bedrijfsactiviteiten cyclisch is, en
                           extern aan de onderneming. Voorafgaand aan de aanvraag moet het bedrijf
                           de arbeidsinspectie vragen om autorisatie en is er toestemming van
                           werknemers nodig. Werknemers krijgen 60% van hun brutoloon doorbetaald,
                           tenzij het loon lager wordt dan het minimumloon, dan krijgen zij het
                           minimumloon betaald. Werkgevers kunnen, als zij dat willen, het loon
                           aanvullen tot 70%.</al>
                    <al>De steun kan voor 6 maanden worden aangevraagd en kan maximaal één keer
                           worden vernieuwd. Indien binnen drie jaar weer activité partielle wordt
                           aangevraagd, gelden extra voorwaarden, zoals een langere beperking op het
                           ontslaan van werknemers. Tijdens het gebruik van de regeling moet de
                           werkgever alle werknemers in dienst houden. Aan het begin van de Covid-19
                           pandemie is de regeling versimpeld zodat grotere aantallen werkgevers en
                           werknemers er gebruik van konden maken. Vervolgens is ook een nieuwe
                           regeling ingevoerd: ‘Activité Partielle de Longue Durée’. Deze
                           ondersteunt werkgevers die geconfronteerd worden met een blijvende
                           vermindering van bedrijfsactiviteit, om de arbeidsduur van haar
                           werknemers te verminderen en om een vergoeding te ontvangen voor de
                           niet-gewerkte uren. Hier staat een scholingsverplichting tegenover.<noot id="n40" type="voet"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.service-public.fr/particuliers/vosdroits/F13898?lang=en" soort="URL" status="actief">Remuneration of an employee on
                                    short-time work (partial activity) |
                                 Service-Public.fr</extref>.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vergelijking</titel>
                    </kop>
                    <al>In de regelingen van deze drie buurlanden valt een aantal dingen op. Zo
                           kan in alle buurlanden in gevallen bij economische neergang hulp van de
                           overheid worden verwacht, terwijl de regering bij dit wetsvoorstel kiest
                           voor een regeling waarbij ondernemersrisico (waaronder economische
                           conjunctuur) als toegangsgrond wordt uitgesloten. De regering is
                           voornemens om het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis niet open te
                           stellen voor een conjuncturele dip of een economische recessie. Ook de
                           keuze om bedrijven voor maximaal 6 maanden toegang te geven tot het
                           Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis beperkt onbedoelde subsidiering
                           van onrendabele bedrijven. Daarnaast ziet de regering belangrijke
                           praktische belemmeringen bij het inzetten van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis voor een economische recessie. Zo is het
                           begrip recessie (twee kwartalen negatieve economische groei) niet
                           bruikbaar als criterium voor toegang van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis, omdat pas achteraf is vast te stellen of er
                           sprake was van een recessie. Door deze keuze in de vormgeving van het
                           wetsvoorstel ten opzichte van de buurlanden betreft het onderhavige
                           wetsvoorstel een minder breed toegankelijke regeling. Hier is bewust voor
                           gekozen vanuit economische overwegingen (zie ook paragraaf ‘Short-Term
                           Workschemes’).</al>
                    <al>In de buurlanden is hier een andere afweging gemaakt. Om de toestroom
                           daar te beperken, worden werknemers om een forse bijdrage gevraagd,
                           waardoor het wetsvoorstel alleen in die situaties gebruikt wordt waarin
                           zicht is op verbetering op korte termijn, anders zouden werknemers de
                           inkomensterugval niet accepteren en een andere baan zoeken. Omdat dit
                           wetsvoorstel een strakkere afbakening kent, is een ruimere bijdrage
                           vanuit de overheid mogelijk en dus een relatief beperktere bijdrage van
                           werkgevers en werknemer ten opzichte van de buurlanden. Ook is de duur
                           van de regeling korter ten opzichte van de regelingen in de buurlanden.
                           Bovenstaand is het gevolg van de keuze om toegang tot het wetsvoorstel
                           tijdelijk beschikbaar te maken in het geval van een crisis of calamiteit,
                           zodat een werkgever kan bezien hoe de bedrijfsvoering zo nodig kan worden
                           aangepast na afloop van- of nog lopende een crisis. Tot slot is gebleken
                           dat de verschillende regelingen in de buurlanden tijdens de Covid-19
                           pandemie vanwege de grote toestroom in aanvragen moesten worden aangepast
                           om deze grote vraag aan te kunnen. Dat is een scenario dat de regering
                           met dit wetsvoorstel, dat zowel bij kleine- als grote crises kan worden
                           ingezet, wil voorkomen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>SER-MLT</titel>
                    </kop>
                    <al>In het SER-MLT uit juni 2021 is een vorm van deeltijdontslag opgenomen
                           waar conjuncturele schommelingen wél toegang zouden geven tot een
                           regeling. Dit sluit dus op hoofdlijnen aan bij hoe een dergelijke
                           regeling in onze buurlanden is geregeld. De regering kiest met dit
                           wetsvoorstel zoals gesteld niet voor een regeling waarin dergelijke
                           conjuncturele schommelingen toegang geven tot het wetsvoorstel. Opgemerkt
                           dient te worden dat zo’n breder toegankelijke regeling een ander doel kan
                           dienen, namelijk het beschikbaar houden van vakkrachten specifiek gericht
                           op (tekort)sectoren. Bijvoorbeeld in sectoren waar menselijk kapitaal
                           centraal staat en waarin veel wordt geïnvesteerd op het gebied van kennis
                           en kunde. De wens tot het behoud van vakkrachten in tijden van
                           economische crisis is begrijpelijk. Een generieke regeling is echter geen
                           passende oplossing voor een probleem dat speelt bij specifieke sectoren.
                           In dergelijke gevallen ligt er in de eerste plaats een rol voor sectoren
                           zelf, omdat conjuncturele schommelingen zich altijd zullen voordoen en
                           daarmee kunnen worden gezien als een regulier ondernemersrisico. Als
                           sectoren voorzien dat het behoud van vakkrachten in tijden van economisch
                           laagconjunctuur ingewikkeld is, kunnen en moeten ze daar zelf op
                           inspelen. Tenslotte kan het ook voor de werknemer gunstig zijn om tijdig
                           te zoeken naar een andere baan. Bij de inzet van een deeltijdontslag in
                           deze situaties kan deze prikkel verminderen of later ontstaan, wat
                           nadelig kan zijn voor de werknemer zelf en de arbeidsallocatie binnen de
                           Nederlandse economie in het geheel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Overige alternatieve beleidsinstrumenten</titel>
                    </kop>
                    <al>Er zijn ook andere beleidsinstrumenten onderzocht. Bijvoorbeeld
                           voorlichting om bedrijven te stimuleren om weerbaarder te zijn in
                           crisissituaties, of een collectieve crisisverzekering voor de loonkosten.
                           De eerste optie laat echter veel verantwoordelijkheid bij de werkgever,
                           waardoor vooral in grote crisissituaties de kans bestaat dat alsnog een
                           beroep wordt gedaan op de overheid, als blijkt dat werkgevers zich
                           ondanks de voorlichting toch niet (voldoende) hebben voorbereid.</al>
                    <al>De tweede optie, een collectieve verzekering, kent ook vele
                           moeilijkheden en wordt derhalve ongeschikt geacht als oplossing voor het
                           probleem. De kans is namelijk reëel dat potentiële verzekerden het risico
                           onderschatten dat ze geraakt worden en hiermee de adoptie van de
                           verzekering beperken. Daarnaast is niet voor ieder risico een
                           verzekeringsmarkt aanwezig, en ook kan de toekomst crises met zich
                           meebrengen die op dit moment nog niet konden worden voorzien. Dit brengt
                           complexiteit met zich mee ten aanzien van bijvoorbeeld de premiestelling.
                           Ten slotte is relevant dat bedrijven zich in het geval van een
                           collectieve crisisverzekering mogelijk niet verzekeren, omdat zij
                           verwachten dat de overheid alsnog te hulp zal schieten, ook als ze niet
                           verzekerd zijn. Dit zou leiden tot een suboptimale uitkomst met
                           betrekking tot de dekkingsgraad versus de gewenste dekking om
                           maatschappelijke ongewenste effecten te voorkomen.</al>
                    <al>Ten slotte blijkt het continueren van de WTV door de randvoorwaarde dat
                           de regeling ook inzetbaar moet zijn bij grote crises geen reëel
                           alternatief.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tot slot</titel>
                    </kop>
                    <al>Tot slot volgt uit de eerdere paragrafen waarin de problematiek staat
                           beschreven waarvoor dit wetsvoorstel een oplossing wil bieden, reeds dat
                           niets doen geen optie is. In het licht hiervan en na beschrijving van de
                           alternatieven, kiest de regering ervoor om maatregelen te treffen zoals
                           uitgewerkt in dit Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. De WTV zal
                           gelijktijdig met de invoering van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                           crisis komen te vervallen. Dit zorgt ervoor dat na invoering van
                           onderhavig wetsvoorstel één uniforme regeling geldt met duidelijke
                           voorwaarden en verschillende instrumenten die door de werkgever tijdelijk
                           kunnen worden ingezet in reactie op een crisis.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Hoofdlijnen en uitwerking van het voorstel</titel>
                </kop>
                <al>In dit hoofdstuk wordt de vormgeving van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                     crisis nader uiteengezet en toegelicht. Paragraaf 3.1 bevat een kernachtige
                     samenvatting van de ondersteuning die dit wetsvoorstel de werkgever biedt, met
                     een toelichting op de juridische vormgeving van het wetsvoorstel. In paragraaf
                     3.2 wordt vervolgens beschreven welke omstandigheden als crisis in de zin van
                     dit wetsvoorstel worden aangemerkt. Paragraaf 3.3 bevat een nadere uitwerking
                     van de twee arbeidsrechtelijke instrumenten en de loonsubsidie, en van de
                     voorwaarden (zoals die in paragraaf 3.1 uiteen zijn gezet).</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.1</nr>
                    <titel>Kern van het wetsvoorstel</titel>
                  </kop>
                  <al>In paragraaf 2.6 is het doel van het wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                        crisis beschreven, namelijk het ondersteunen van levensvatbare werkgevers en
                        hun werknemers bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers in een crisis
                        die buiten het ondernemersrisico ligt. Dit wetsvoorstel biedt ondersteuning
                        in de vorm van twee arbeidsrechtelijke instrumenten en een loonsubsidie die
                        de werkgever onder voorwaarden kan inzetten. De toepassing ervan kan worden
                        beschreven aan de hand van drie fasen die tezamen de kern van het
                        wetsvoorstel beschrijven.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Dit betreft:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1)</li.nr>
                        <al>De werkgever dient een initiële aanvraag in bij UWV als hij het
                                 voornemen heeft om gebruik te maken van de mogelijkheid tot
                                 herplaatsing, verminderde loondoorbetaling of een combinatie
                                 daarvan. UWV stelt op grond van deze aanvraag uiterlijk binnen zes
                                 weken vast of de werkgever voldoet aan de volgende
                                 voorwaarden:</al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>Is de werkgever geraakt door een crisis in de zin van het
                                       wetsvoorstel;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>Heeft de werkgever de vereniging van werknemers geïnformeerd
                                       door een melding te doen bij Onze Minister over zijn
                                       voornemen tot het inzetten van de arbeidsrechtelijke
                                       instrumenten herplaatsing of verminderde
                                       loondoorbetaling;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>Is de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging, of de
                                       in de onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een
                                       vergadering (hierna: personeelsvergadering), door de
                                       werkgever in de gelegenheid gesteld advies (als bedoeld in de
                                       Wet op de ondernemingsraden) uit te brengen over het door de
                                       werkgever voorgenomen besluit tot herplaatsing, verminderde
                                       loondoorbetaling of een combinatie daarvan.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                        <al>De werkgever duidt bij zijn initiële aanvraag ook de periode aan
                                 van twee maanden waarin hij is geraakt door een crisis en waarin
                                 hij voornemens is de instrumenten in te zetten: het zogenaamde
                                 crisistijdvak. Deze periode kan twee keer worden verlengd tot een
                                 crisistijdvak van maximaal zes maanden (nader uitgewerkt in
                                 paragraaf 3.3.1);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2)</li.nr>
                        <al>Vervolgens kan de werkgever binnen de arbeidsverhouding met zijn
                                 werknemer gedurende het crisistijdvak twee arbeidsrechtelijke
                                 instrumenten inzetten, te weten herplaatsing of verminderde
                                 loondoorbetaling of een combinatie van deze instrumenten. Deze
                                 instrumenten kunnen worden ingezet voor de uren waarvoor de
                                 werknemer de bedongen arbeid als gevolg van de crisis niet meer kan
                                 verrichten. De instrumenten kunnen gecombineerd worden, dat wil
                                 zeggen dat een werkgever beide instrumenten kan inzetten voor een
                                 werknemer of groep van werknemers met uitwisselbare functies. Het
                                 is echter niet mogelijk om beide instrumenten gelijktijdig voor
                                 dezelfde uren in te zetten. Indien een werknemer wordt herplaatst,
                                 kan over die specifieke uren geen verminderde loondoorbetaling
                                 worden toegepast. Over de uren dat er door de crisis niet kan
                                 worden gewerkt (en derhalve ook niet kan worden herplaatst) kan wel
                                 verminderde loondoorbetaling worden toegepast. Om de instrumenten
                                 te kunnen inzetten, dient de werkgever binnen de arbeidsverhouding
                                 met zijn werknemers aan een aantal voorwaarden te voldoen:</al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>UWV heeft vastgesteld dat de werkgever heeft voldaan aan de
                                       voorwaarden genoemd onder 1;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>De werkgever zet de instrumenten per groep van uitwisselbare
                                       functies voor alle werknemers binnen die groep voor een
                                       gelijk percentage van de voor hen geldende arbeidsomvang
                                       in;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>De werkgever mag gedurende het crisistijdvak geen verzoek
                                       hebben ingediend om toestemming van UWV, een ontslagcommissie
                                       of de kantonrechter voor het opzeggen van de
                                       arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen of
                                       over die toestemming beschikken (nader uitgewerkt in
                                       paragraaf 3.3.2).</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3)</li.nr>
                        <al>De werkgever kan een aanvraag voor loonsubsidie indienen bij UWV,
                                 alleen in het geval hij gebruik heeft gemaakt van het instrument
                                 verminderde loondoorbetaling. De loonsubsidie bedraagt in dat geval
                                 65% van het sociale verzekeringsloon (hierna: SV-loon) over de
                                 niet-gewerkte uren (nader uitgewerkt in paragraaf 3.3.3).</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Schematisch weergegeven ziet het proces als volgt uit:</al>
                  <plaatje>
                    <illustratie breedte="150mm" formaat="png" hoogte="53mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-001.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                  </plaatje>
                  <al>Uit bovenstaande volgt dat in het proces dat een werkgever moet doorlopen
                        om gebruik te kunnen maken van de instrumenten die het wetsvoorstel biedt,
                        er afhankelijk van het gekozen instrument (herplaatsing werknemers, inzet
                        van een verminderde loondoorbetaling of een combinatie hiervan) sprake kan
                        zijn van één of twee verschillende aanvraagmomenten. Ten eerste de initiële
                        aanvraag wanneer een werkgever wordt geconfronteerd met een crisis in de zin
                        van de Wet personeelsbehoud bij crisis en hij als gevolg hiervan het
                        voornemen heeft om de instrumenten in te zetten. Als de werkgever
                        gebruikmaakt van het instrument verminderde loondoorbetaling, kan hij na
                        afloop van de periode waarin dit instrument is ingezet een aanvraag voor
                        loonsubsidie indienen. Omdat een verminderde loondoorbetaling voorwaardelijk
                        is voor de aanvraag voor deze loonsubsidie, kan de werkgever dit pas na
                        afloop van de periode waarop het instrument van toepassing is geweest
                        aanvragen.</al>
                  <al>De vormgeving van dit wetsvoorstel is deels bestuursrechtelijk en deels
                        civielrechtelijk. De initiële aanvraag vindt plaats bij UWV (fase 1) en is
                        bestuursrechtelijk van aard. Dit houdt in dat de Algemene wet bestuursrecht
                        (hierna: Awb) van toepassing is op deze aanvraag. Als UWV op aanvraag van de
                        werkgever vaststelt dat de werkgever voldoet aan de voorwaarden, krijgt de
                        werkgever die vervolgens ook voldoet aan nadere civielrechtelijke vereisten
                        (nader uitgelegd in paragraaf 3.3.2), de mogelijkheid om de
                        arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling
                        in te zetten (fase 2). Deze instrumenten grijpen in op de individuele
                        arbeidsovereenkomst die werkgever en werknemer hebben afgesloten. Dit valt
                        onder het civiele recht, en zal daarom worden geregeld in Boek 7, Titel 10,
                        van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De aanvraag voor de loonsubsidie
                        bij UWV (fase 3) is vervolgens weer bestuursrechtelijk van aard.</al>
                  <al>De hierboven beschreven vormgeving van het wetsvoorstel vloeit voort uit
                        het feit dat de civiele arbeidsrechtelijke vereisten ingrijpen op de
                        individuele civielrechtelijke afspraken tussen werkgever en werknemer. De
                        met het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde uitzonderingen op de
                        civielrechtelijk geldende uitgangspunten met betrekking tot de
                        arbeidsovereenkomst dienen daarom ook in titel 10 van Boek 7 BW te worden
                        opgenomen. Een andere reden waarom gekozen is voor deze splitsing is dat UWV
                        niet kan controleren of is voldaan aan de vereisten die gelden als de
                        arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing of verminderde loondoorbetaling
                        zijn ingezet. Twee van die vereisten zijn bijvoorbeeld het voor een gelijk
                        percentage van de arbeidsomvang inzetten van de instrumenten per groep van
                        uitwisselbare functies en de randvoorwaarden voor passende arbeid bij
                        herplaatsing. UWV heeft hier namelijk geen zicht op, omdat deze voorwaarden
                        invulling krijgen in de relatie tussen werkgever en werknemer. Derhalve is
                        het logisch deze vereisten in het arbeidsrecht op te nemen zodat deze door
                        de werknemer kunnen worden afgedwongen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.2</nr>
                    <titel>Afbakening crises</titel>
                  </kop>
                  <al>Er gelden in ieder geval twee vereisten waaraan voldaan dient te worden om
                        te kunnen spreken van een crisis in de zin van dit wetsvoorstel: een
                        onvoorzienbare omstandigheid, die in redelijkheid niet tot het reguliere
                        ondernemersrisico kan worden gerekend.</al>
                  <al>De crises op grond waarvan gebruik gemaakt kan worden van de instrumenten
                        uit dit wetsvoorstel zijn onderverdeeld in 3 categorieën: (1) een opsomming
                        van omstandigheden die altijd als crisis worden beschouwd, (2) een opsomming
                        van omstandigheden die door Onze Minister als crisis kunnen worden
                        aangewezen en (3) andere omstandigheden die niet in deze wet zijn opgenomen
                        maar toch gezien het doel van deze wet door Onze Minister, in
                        overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, als crisis in de zin
                        van deze wet kunnen worden aangewezen.</al>
                  <al>Er is voor gekozen om de omstandigheden die als crisis voor dit
                        wetsvoorstel gelden duidelijk af te bakenen, maar daarnaast ook de
                        mogelijkheid open te laten om de instrumenten voor andere (nog niet in het
                        wetsvoorstel opgenomen) omstandigheden in te kunnen zetten, gezien de
                        onvoorzienbare aard van crises. Veel van de omstandigheden die in dit
                        wetsvoorstel als crisis worden beschouwd, vloeien voort uit de bestaande
                        praktijk van de WTV, zoals bijvoorbeeld brand, uitzonderlijke
                        weersomstandigheden en dierziekten. In de WTV is het uitgangspunt eveneens
                        om werkgevers te ondersteunen bij omstandigheden die onvoorzienbaar zijn en
                        waarvan redelijkerwijs niet van de werkgever verwacht kan worden dat hij
                        zich hierop had voorbereid of de gevolgen ervan zelf draagt.</al>
                  <al>Zoals in paragraaf 2.5 uiteengezet, is het niet wenselijk om werkgevers te
                        ondersteunen bij risico’s die tot het reguliere ondernemersrisico behoren.
                        In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van dit wetsvoorstel is een
                        lijst opgenomen met voorbeelden van ondernemersrisico’s. Deze lijst geeft
                        inzicht in welk soort ondernemersrisico geen grond is om een initiële
                        aanvraag voor het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis te doen. Dit
                        betreft geen limitatieve opsomming, het is immers voorstelbaar dat andere
                        risico’s zich voordoen waarvan op dat moment wordt geoordeeld dat deze ook
                        binnen het ondernemersrisico vallen, maar die niet zijn opgenomen in de
                        huidige lijst met reguliere ondernemersrisico’s.</al>
                  <al>Om in voorkomende gevallen van langer voortdurende crises onduidelijkheid
                        te voorkomen, kan Onze Minister besluiten om een specifieke
                        (weers)omstandigheid expliciet aan te wijzen in een ministeriële regeling
                        als zijnde niet uitzonderlijk dan wel voorzienbaar. Hier zal slechts sprake
                        van zijn als een crisis in de zin van categorie 1 of 2 zich al langer of
                        meermaals terugkerend heeft voorgedaan.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Categorie 1: Omstandigheden die altijd als crisis worden
                              beschouwd</titel>
                    </kop>
                    <al>Het wetsvoorstel bevat allereerst een categorie van crises die naar hun
                           aard niet tot het regulier ondernemersrisico behoren en onvoorzienbaar
                           zijn. Het gaat dan om schade aan productiemiddelen ten gevolge van brand,
                           explosie of uitzonderlijke weersomstandigheden, en om
                           overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van planten- of
                           dierziekten. Deze crises komen overeen met de drie meest voorkomende
                           omstandigheden op grond waarvan op dit moment een beroep kan worden
                           gedaan op de WTV.<noot id="n41" type="voet"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al>Met uitzondering van de omstandigheid ‘overheidsmaatregelen
                                 ter beperking van de verspreiding van plantenziekten’, deze wordt
                                 met het onderhavig wetsvoorstel toegevoegd.</noot.al></noot> Binnen de WTV is in de afgelopen jaren ervaring opgedaan met
                           dergelijke omstandigheden en de (tijdelijke) gevolgen die ze kunnen
                           hebben voor de werkgever en de hieruit volgende wens tot
                           werktijdvermindering.</al>
                    <al>Het ligt in de rede om werkgevers die met deze specifieke omstandigheden
                           worden geconfronteerd de mogelijkheid te geven om de instrumenten
                           herplaatsing of verminderde loondoorbetaling in te kunnen zetten, omdat
                           het bij deze crises duidelijk is dat het een onvoorzienbare omstandigheid
                           betreft die buiten het ondernemersrisico valt. Het betreft omstandigheden
                           die zich plotseling en onaangekondigd voordoen waardoor de
                           ondernemer/werkgever ze niet van tevoren kan zien aankomen. Tot slot is
                           met de introductie van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis geen
                           versobering beoogd ten opzichte van de huidige WTV. Het ligt hiermee in
                           lijn om de in dit wetsvoorstel opgenomen instrumenten structureel in te
                           bedden, zodat deze toegankelijk zijn voor werkgevers die met deze crises
                           te maken krijgen.</al>
                    <al>In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 is een lijst opgenomen
                           van situaties die als regulier ondernemersrisico worden beschouwd.
                           Hiertoe behoren ook risico’s waarvoor algemeen toegankelijke
                           verzekeringen bestaan. Het is niet de bedoeling dat de instrumenten uit
                           het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis voor dergelijke risico’s
                           ingezet kan worden. Een uitzondering hierop is brand, waarvoor wel
                           algemeen toegankelijke verzekeringen bestaan, maar die ook is opgenomen
                           in dit wetsvoorstel. Het is al jaren beleid dat werkgevers bij brand
                           gebruik kunnen maken van de WTV voor tijdelijke ondersteuning bij de
                           betaling van de loonkosten. Daarom is ervoor gekozen dit ook als crisis
                           in dit wetsvoorstel op te nemen. Vanuit het oogpunt van consistent
                           overheidsbeleid is het niet wenselijk dit met de invoering van dit
                           wetsvoorstel aan te passen. Ook biedt het opnemen van brand in onderhavig
                           wetsvoorstel werkgevers het voordeel van de inzet van het instrument
                           herplaatsing.</al>
                    <al>Er is geen sprake van een crisis wanneer de brand of explosie tot schade
                           leidt aan een productiemiddel en dit het gevolg is van opzet of bewuste
                           roekeloosheid van de werkgever of de eigenaar van het productiemiddel.
                           Voor de begrippen ‘opzet en bewuste roekeloosheid’ is aangesloten bij het
                           arbeidsrecht, meer specifiek de artikelen 7:658, lid 2, BW, 7:661 BW en
                           6:170, lid 3, BW. Weliswaar gaat het in de artikelen 7:658, lid 2, BW,
                           7:661 BW en 6:170, lid 3, BW om opzet of bewuste roekeloosheid van de
                           zijde van de werknemer, terwijl artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van
                           het wetsvoorstel ziet op opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van
                           de werkgever resp. eigenaar van een productiemiddel. In dit wetsvoorstel
                           wordt voor de onderhavige situaties die betrekking hebben op de werkgever
                           resp. eigenaar van een productiemiddel dezelfde uitleg beoogd. Wat onder
                           opzet en bewuste roekeloosheid wordt verstaan, volgt uit jurisprudentie.
                           Zo blijkt uit Pollemans/Hoondert<noot id="n42" type="voet"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>HR 20 september 1996, NJ 1997, 198 m.nt. Stein –
                                 Pollemans/Hoondert</noot.al></noot> dat van bewuste roekeloosheid sprake is, als de werknemer zich
                           direct voorafgaand aan de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan,
                           zich daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter van zijn
                           gedraging. Uit het arrest Maasman/Akzo Nobel volgt dat sprake moet zijn
                           van een zodanig gevaarlijke gedraging dat de betrokkene onmiddellijk
                           voorafgaand aan de gebeurtenis daadwerkelijk beseft dat hij zich daarvan
                           in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor
                           in het leven geroepen gevaar had behoren te onthouden.<noot id="n43" type="voet"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al>HR 1 februari 2008, JAR 2008/56</noot.al></noot></al>
                    <al>Het voorgaande brengt met zich dat geen sprake is van een crisis wanneer
                           schade ontstaat aan een productiemiddel door brand of explosie als dit
                           het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever.
                           Aangezien bij dezelfde uitleg als in het arbeidsrecht wordt aangesloten,
                           betekent dit dat er geen sprake is van een crisis wanneer de werkgever
                           zich direct voorafgaand aan de brand of explosie daadwerkelijk bewust is
                           geweest van het roekeloze karakter van zijn gedraging, er sprake is van
                           een aanmerkelijke kans op schade en de werkgever zich van deze gedraging
                           had moeten onthouden maar dat niet heeft gedaan. Bij de vraag of er
                           sprake is van bewuste roekeloosheid van de werkgever als daaraan schade
                           ontstaat door brand of explosie, wordt enige onvoorzichtigheid van de
                           werkgever acceptabel geacht.</al>
                    <al>Voor zover bekend zijn er geen uitspraken bekend wanneer er op grond van
                           de artikelen 7:658, lid 2, BW, 7:661, lid 1, BW en 6:170, lid 3, BW
                           sprake is van opzettelijk handelen van de zijde van de werknemer. Voor de
                           term ‘opzet’ als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het
                           wetsvoorstel, wordt aangesloten bij een eerdere uitleg van de regering
                           bij een artikel in het Burgerlijk Wetboek.<noot id="n44" type="voet"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken I</nadruk>, 2004/05, <extref doc="kst-20042005-19529-B" soort="document" status="actief">19 529, B</extref>, p. 19.</noot.al></noot> Het begrip opzet is verwant met de begrippen opzet en
                           voorwaardelijke opzet in strafrechtelijke zin, al is de specifieke
                           invulling van deze begrippen telkens afhankelijk van het rechtsgebied
                           waar zij worden gehanteerd. Men onderscheidt drie vormen van opzet, te
                           weten opzet als oogmerk, opzet als zekerheidsbewustzijn en voorwaardelijk
                           opzet. Dit onderscheid en deze begrippen zijn afkomstig uit het
                           strafrecht en ook het begrip opzet in artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
                           van het wetsvoorstel omvat deze drie vormen. Wanneer de werkgever of
                           eigenaar van het productiemiddel opzettelijk en willens en wetens brand
                           of explosie heeft veroorzaakt en daardoor schade is ontstaan aan het
                           productiemiddel, is er geen sprake van crisis als bedoeld in dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>Een toevoeging die met dit wetsvoorstel gedaan wordt in aanvulling op de
                           crises waarbij gebruik kan worden gemaakt van de WTV, betreft
                           overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van
                           plantenziekten. Bij het opstellen van dit wetsvoorstel is ten aanzien van
                           dit onderwerp een nieuwe afweging gemaakt. In dat licht worden in dit
                           wetsvoorstel overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van
                           plantenziekten gelijkgesteld aan soortgelijke maatregelen in relatie tot
                           dierziekten. Het overheidsingrijpen bij dier- en plantenziekten is in de
                           kern hetzelfde. Bij beide ziekten kan de overheid ingrijpen door
                           vergelijkbare beperkende maatregelen op te leggen ter bestrijding van een
                           ziekte. Omdat het wenselijk is om beide vormen van ingrijpen gelijk te
                           behandelen, is deze omstandigheid toegevoegd aan de reikwijdte van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>Wat betreft de crises die samenhangen met weersomstandigheden kan het
                           zijn dat de weersomstandigheid een buitengewone natuurlijke omstandigheid
                           betreft die onder de Regeling onwerkbaar weer valt. Als een werknemer de
                           overeengekomen arbeid niet verricht vanwege een weersomstandigheid zoals
                           opgenomen in deze Regeling en aan de andere voorwaarden is voldaan, kan
                           een werkgever vrijgesteld worden van de loondoorbetalingsverplichting.
                           Artikel 18, WW bepaalt dat een werknemer die uitsluitend werkloos is als
                           gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden, recht heeft op een
                           WW-uitkering voor de duur van deze omstandigheid. Het recht op uitkering
                           bestaat alleen als de werkgever niet gehouden is het loon door te betalen
                           en de werknemer als gevolg daarvan ten minste vijf uur per week of ten
                           minste de helft van zijn arbeidsuren per week minder heeft gewerkt.<noot id="n45" type="voet"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al>Regeling onwerkbaar weer (<extref doc="stcrt-2019-70095" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt</nadruk>. 2019, nr. 70095</extref>).</noot.al></noot> Een werkgever die zowel aan de voorwaarden uit het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis als de Regeling onwerkbaar weer kan voldoen,
                           moet een keus maken van welke instrumenten hij gebruik wil maken. De
                           instrumenten uit beide regelingen tegelijkertijd inzetten kan niet. Met
                           een vrijstelling op de loondoorbetalingsverplichting voldoet een
                           werkgever namelijk niet aan de voorwaarden in dit wetsvoorstel. Een
                           werkgever moet dus kiezen of hij bij UWV meldt dat er niet gewerkt kan
                           worden door de buitengewone natuurlijke weersomstandigheid (een van de
                           voorwaarden in de Regeling onwerkbaar weer) of dat hij een aanvraag gaat
                           doen volgens dit wetsvoorstel. Een werkgever kan er ook voor kiezen om
                           eerst gebruik te maken van de Regeling onwerkbaar weer en vervolgens van
                           de instrumenten in dit wetsvoorstel. Bijvoorbeeld als de
                           weersomstandigheid zelf slechts van beperkte duur was, terwijl de crisis
                           zich langer voordoet door schade aan een productiemiddel. In dat geval
                           kan de crisis niet eerder ingaan dan het moment dat de werkgever niet
                           langer is vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Categorie 2: Omstandigheden die als crises kunnen worden
                              aangewezen</titel>
                    </kop>
                    <al>Naast bovenstaande categorie van omstandigheden die altijd als crisis in
                           de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis worden beschouwd,
                           bevat het wetsvoorstel ook een categorie omstandigheden die door Onze
                           Minister als crisis kunnen worden aangemerkt. Een aanvullend vereiste
                           hierbij is dat het niet onaannemelijk is dat de omstandigheid gedurende
                           ten minste één maand zal leiden tot verminderde inzet van
                           arbeidscapaciteit binnen de onderneming van één of meerdere
                           werkgevers.</al>
                    <al>Het betreft de volgende omstandigheden: uitval van vitale openbare
                           infrastructuur, gewapende conflicten, door een buitenlandse overheid
                           opgelegde sanctie, rampen en overheidsmaatregelen ter bestrijding van een
                           epidemie. Deze omstandigheden vallen naar hun aard buiten het regulier
                           ondernemersrisico, maar kunnen mogelijk (zeker op de langere termijn) wel
                           als voorzienbaar worden beschouwd. Het aanmerken van een specifieke zich
                           voordoende omstandigheid vindt plaats bij ministeriële regeling, waarin
                           wordt bepaald welke specifieke omstandigheid kwalificeert als crisis
                           conform categorie 2, en vanaf welke datum dit geldt. Werkgevers kunnen
                           vanaf die datum gedurende een tijdvak van 26 weken een initiële aanvraag
                           indienen. Werkgevers en werknemers krijgen zo vooraf duidelijkheid dat
                           zij op grond van deze specifieke omstandigheid een aanvraag in kunnen
                           dienen, en tot wanneer dit mogelijk is. UWV kan aanvragen voor die
                           specifieke crisis pas in behandeling nemen op het moment dat de crisis is
                           aangewezen in de ministeriële regeling.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Voordat een crisis in deze categorie 2 kan worden aangewezen als
                              crisis in de zin van deze wet, moet naar het oordeel van Onze
                              Minister, ten eerste sprake zijn van onvoorzienbaarheid. Een
                              omstandigheid is onvoorzienbaar als men deze in redelijkheid niet van
                              tevoren kan zien aankomen. Omstandigheden die zich onaangekondigd en
                              plotseling aandienen zijn onvoorzienbaar. Het is niet van werkgevers
                              te verwachten dat zij in hun bedrijfsvoering rekening houden met
                              bijvoorbeeld het ontstaan van een gewapend conflict of met
                              overheidsmaatregelen ter beperking van de verspreiding van een
                              onbekend virus. Echter, op het moment dat crises uit categorie 2
                              langer voortduren, of zich met grote regelmaat voordoen, komt er een
                              kantelpunt, waarbij de crises wél voorzienbaar worden, en van de
                              werkgever verwacht kan worden dat hij in zijn bedrijfsvoering rekening
                              houdt met het bestaan hiervan. Een paar voorbeelden om dit te
                              illustreren:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>1.</li.nr>
                          <al>Een al langer voortdurende oorlog zou technisch gezien onder de
                                    omschrijving <nadruk type="cur">gewapend conflict</nadruk>
                                    vallen, maar omdat de oorlog al een tijd gaande is, kan van
                                    werkgevers verwacht worden dat zij hun bedrijfsvoering hebben
                                    aangepast naar deze omstandigheden.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>2.</li.nr>
                          <al>Er ontstaat ook een bepaalde voorzienbaarheid wanneer
                                    infectieziekten zich herhaaldelijk voordoen en waarvoor al vaker
                                    maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding zijn
                                    genomen. Een bepaalde mate van anticipatie en aanpassing hierop
                                    mag dan van werkgevers worden verwacht.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Aanvullend moet naar het oordeel van Onze Minister het niet
                           onaannemelijk zijn dat een crisis gedurende ten minste één maand zal
                           leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit binnen
                           een onderneming van één of meerdere werkgevers. Voor de toetsing of het
                           niet onaannemelijk is dat de onvoorzienbare omstandigheid die niet tot
                           het reguliere ondernemersrisico gerekend kan worden leidt tot ten minste
                           20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit bij een onderneming voor
                           minimaal een maand, zal het Ministerie van SZW uitgaan van signalen in de
                           markt. Het ministerie zal daarbij beoordelen of naar de aard van de
                           omstandigheid, verwachte gevolgen en duur hiervan het inderdaad niet
                           onaannemelijk is dat een onderneming als gevolg van de omstandigheid
                           verminderde inzet van arbeidscapaciteit ervaart. Dit betreft een
                           kwalitatieve globale toetsing waar plausibiliteit voldoende is. Nadat een
                           omstandigheid als crisis is aangewezen in de zin van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis, zal een werkgever vervolgens op individueel
                           niveau uiteraard aannemelijk moeten maken dat naar verwachting sprake zal
                           zijn van een gemiddelde verminderde inzet van arbeidscapaciteit van 20%
                           over <nadruk type="cur">twee</nadruk> maanden.</al>
                    <al>De termijn van <nadruk type="vet">één</nadruk> maand is korter dan de
                           wettelijke voorwaarde voor de initiële aanvraag van de werkgever bij UWV,
                           waarbij sprake moet zijn van gemiddeld ten minste 20% verminderde inzet
                           van arbeidscapaciteit over twee maanden. Daarnaast is het vereiste dat
                           het niet onaannemelijk is dat een onderneming geraakt is minder stringent
                           dan de voorwaarde dat dit aannemelijk moet zijn. De toets bepaalt of de
                           concrete situatie aanleiding geeft om een ministeriële regeling te
                           treffen om de specifieke crisis te definiëren als crisis in de zin van
                           dit wetsvoorstel. Het is de verwachting dat als een crisis zich voordoet,
                           sprake zal zijn van enige onzekerheid met betrekking tot de duur, impact
                           en gevolgen voor individuele werkgevers. Bij de bepaling of een crisis in
                           categorie 2 aanleiding geeft om een ministeriële regeling te maken, is in
                           dit wetsvoorstel de voorkeur gegeven aan een minder stringente toetsing
                           (in casu een vooraf ingeschatte duur van de crisis van minimaal één maand
                           en het niet onaannemelijkheidsvereiste) dan de eis van een minimale duur
                           van twee maanden en aannemelijkheid die voor de individuele werkgever
                           geldt als hij een initiële aanvraag doet. Dit verschil ligt in de rede,
                           omdat bij deze beoordeling naar een onzekere toekomst moet worden
                           gekeken, en de vraag voorligt of de nieuwe crisis mogelijk tot
                           verminderde inzet van arbeidscapaciteit zou kunnen leiden. Een minder
                           stringente beoordeling is passend, omdat anders het risico bestaat dat
                           Onze Minister geen ministeriële regeling treft, terwijl achteraf blijkt
                           dat de situatie daar toch om had gevraagd.</al>
                    <al>Specifiek voor de omstandigheid ‘door een buitenlandse overheid
                           opgelegde sanctie’ geldt als extra voorwaarde dat het aanwijzen als
                           crisis alleen zal kunnen als dit in overeenstemming is met het
                           Nederlandse buitenlandbeleid. Daarvan zal slechts in uitzonderlijke
                           omstandigheden sprake zijn. Zo past het niet binnen het Nederlands
                           buitenlandbeleid om sancties die worden genomen door landen waarvan dat
                           op voorhand redelijkerwijs te verwachten valt als crisis aan te wijzen.
                           Bij de overwegingen ten aanzien van het aanwijzen van een crisis in deze
                           context dient tevens te worden meegewogen of dit door statelijke
                           dreigingen misbruikt kan worden tegen het algemeen belang van Nederland.
                           Voor deze omstandigheid geldt daarom dat de ministeriële regeling alleen
                           getroffen kan worden in overeenstemming met de ministers die het mede
                           aangaat.</al>
                    <al>Het betreft hier ‘door een buitenlandse overheid opgelegde sanctie’.
                           Sancties opgelegd door Nederland, de EU of de VN (zoals de
                           sanctiemaatregelen uit het Wetsvoorstel internationale
                           sanctiemaatregelen) vallen hier niet onder, en kunnen dus ook niet als
                           crisis in de zin van dit wetsvoorstel worden aangewezen.</al>
                    <al>Verder hecht de regering eraan te benadrukken dat het feit dat een
                           sanctie door een buitenlandse overheid als crisis kan worden aangewezen
                           geenszins betekent dat de Nederlandse overheid aansprakelijk is voor
                           nadeel dat bedrijven kunnen ondervinden door een door een buitenlandse
                           overheid opgelegde sanctie. Ook niet indien een dergelijke sanctie is
                           ingesteld als tegenmaatregel tegen een door Nederland, de EU of de VN
                           getroffen sanctie. Het kunnen inzetten van de instrumenten uit dit
                           wetsvoorstel bij een door een buitenlandse overheid opgelegde sanctie
                           heeft enkel als doel om levensvatbare bedrijven te ondersteunen in het
                           behouden van zoveel mogelijk werknemers, en niet om de schade die
                           bedrijven door deze sanctie ondervinden te compenseren.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Categorie 3: Nieuwe crises</titel>
                    </kop>
                    <al>Op voorhand kan niet worden voorzien welke crises zich in de toekomst
                           mogelijk zullen voordoen en in hoeverre deze wel of niet passen in de
                           omstandigheden zoals benoemd bij categorie 1 en 2. Om deze reden bevat
                           het wetsvoorstel ook de mogelijkheid om nieuwe omstandigheden aan te
                           wijzen in de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. Als
                           zo’n mogelijke toekomstige crisis zich voordoet, kan Onze Minister in
                           overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad besluiten om bij
                           ministeriële regeling deze nieuwe crisis ook aan te wijzen als crisis in
                           de zin van deze wet.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Net als bij categorie 2 zal op eenzelfde wijze getoetst worden
                              of:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>er sprake is van onvoorzienbaarheid;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>of het niet onaannemelijk is dat de crisis gedurende ten minste
                                    één maand zal leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van
                                    arbeidscapaciteit binnen de onderneming van één of meerdere
                                    werkgevers, en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>of de crisis buiten het reguliere ondernemersrisico valt,
                                    waarvoor ook wordt gekeken naar of het een risico betreft
                                    waarvoor geen algemeen toegankelijke verzekeringen bestaan.<noot id="n46" type="voet"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al>Voor categorie 2 is de toets of de crisis buiten het
                                          ondernemersrisico valt niet nodig aangezien alle
                                          omstandigheden in die categorie daar buiten
                                          vallen.</noot.al></noot> Hiervoor zal worden beoordeeld of het een risico betreft
                                    dat in elk geval als ondernemersrisico wordt beschouwd, zoals
                                    compliance risico, markt risico en risico’s waarvoor algemeen
                                    toegankelijke verzekeringen bestaan, zie hiervoor de
                                    artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van dit
                                    wetsvoorstel.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Als aan deze vereisten is voldaan, kan bij ministeriële regeling de
                           omstandigheid worden aangewezen als crisis in de zin van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.3</nr>
                    <titel>Arbeidsrechtelijke instrumenten, loonsubsidie en voorwaarden</titel>
                  </kop>
                  <al>Onderstaand worden de drie verschillende fasen uit het wetsvoorstel zoals
                        uiteengezet in paragraaf 3.1 nader beschreven en toegelicht.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.3.1</nr>
                      <titel>Initiële aanvraag bij UWV – fase 1</titel>
                    </kop>
                    <al>In de eerste fase vraagt de werkgever UWV vast te stellen of voldaan is
                           aan een drietal voorwaarden:</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Voorwaarde 1: De werkgever is geraakt door een crisis</titel>
                      </kop>
                      <al>Om in aanmerking te komen voor het inzetten van de arbeidsrechtelijke
                              instrumenten en loonsubsidie uit onderhavig wetsvoorstel, dient sprake
                              te zijn van een crisis in de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                              bij crisis (zoals uitgelegd in paragraaf 3.2). De werkgever maakt dit
                              aannemelijk in zijn initiële aanvraag en in de eventuele
                              verlengingsaanvraag door in het aanvraagformulier aan te geven op
                              grond van welke crisis hij een aanvraag indient. Daarnaast dient hij
                              bewijs aan te leveren waaruit blijkt dat inderdaad sprake is van deze
                              crisis in zijn bedrijf, bijvoorbeeld door foto’s van de situatie mee
                              te sturen met zijn aanvraag. Er valt bijvoorbeeld te denken aan foto’s
                              van een ondergelopen bedrijfsruimte, als gevolg van een overstroming.
                              Tegelijkertijd zal naar verwachting niet bij iedere crisis het bestaan
                              aannemelijk kunnen worden gemaakt door middel van het maken van
                              foto’s. De werkgever kan ook andere bewijsstukken meesturen,
                              bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt welke goederen verhandeld worden,
                              wie afnemers zijn, in welk gebied geopereerd wordt, etc. Dit is geen
                              limitatieve lijst, het is afhankelijk van de aard van de crisis en de
                              aard van de werkzaamheden van het bedrijf hoe de werkgever aannemelijk
                              kan maken dat hij getroffen is door een crisis.</al>
                      <al>Bij het aannemelijk maken van de crisis, dient de werkgever tevens
                              aannemelijk te maken dat de bedrijfsvoering als gevolg van de crisis
                              (deels) stilligt en dat de arbeidscapaciteit derhalve niet meer
                              volledig kan worden benut. De werkgever zal bij een aanvraag daarom
                              aannemelijk moeten maken dat sprake is van het niet meer kunnen
                              benutten van minimaal gemiddeld 20% van de arbeidscapaciteit gedurende
                              de periode waarover de aanvraag gaat. Met andere woorden, zowel bij de
                              initiële aanvraag als bij een aanvraag voor verlenging van het
                              crisistijdvak moet de werkgever aannemelijk maken dat sprake is van
                              minimaal 20% gemiddeld verminderde inzet van arbeidscapaciteit over de
                              twee maanden waar de aanvraag op ziet. Er is simpel gezegd minder
                              werk. Deze voorwaarde borgt dat sprake is van in ieder geval een
                              substantiële afname van het aantal arbeidsuren dat kan worden ingezet
                              in de bedrijfsvoering van een onderneming, voordat gebruik kan worden
                              gemaakt van de instrumenten uit het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                              crisis. Er is gekozen voor een minimum van 20% gemiddeld, omdat van
                              werkgevers verwacht kan worden dat zij, een kleine, tijdelijke impact
                              die lager ligt dan 20% minder benutte arbeidscapaciteit zelf kunnen
                              opvangen. Ook in de WTV moet er sprake zijn van minstens 20%
                              werktijdverkorting. Net als bij het aanmerken van crises, is hier ook
                              gekozen voor consistent overheidsbeleid en gekozen voor minstens
                              20%.</al>
                      <al>Daarnaast geldt dat de verminderde inzet van arbeidscapaciteit van
                              minimaal 20% gemiddeld moet gelden voor een periode van twee
                              aaneensluitende maanden. Ook wat betreft de duur van de impact van een
                              crisis mag van werkgevers verwacht worden dat zij een bepaalde mate
                              van tegenslag in de bedrijfsvoering zelf moeten kunnen dragen. Het
                              feit dat wordt uitgegaan van een gemiddelde over deze periode betekent
                              dat sprake kan zijn van een situatie waarin de werkgever gedurende
                                 <nadruk type="cur">minder</nadruk> dan twee maanden een verminderde
                              inzet van arbeidscapaciteit heeft van <nadruk type="cur">meer</nadruk>
                              dan 20%, waardoor het gemiddelde over de volledige twee maanden alsnog
                              boven het minimum van 20% uitkomt. Dit uitgangspunt is passend, omdat
                              het bezien vanuit het doel van het wetsvoorstel slecht uitlegbaar zou
                              zijn als bijvoorbeeld een werkgever wiens bedrijfsvoering volledig tot
                              stilstand is gekomen als gevolg van een crisis (100% verminderde inzet
                              van arbeidscapaciteit) en die verder aan alle voorwaarden voldoet,
                              geen gebruik kan maken van de instrumenten uit het wetsvoorstel omdat
                              de periode waarbinnen de 100% vermindering zich voordoet (net) geen
                              twee maanden duurt. Door uit te gaan van een gemiddelde over twee
                              maanden, worden dergelijke ongewenste situaties voorkomen.</al>
                      <al>Om een inschatting te kunnen maken van hoeveel verminderde inzet van
                              arbeidscapaciteit er is, moet de werkgever in acht nemen welke
                              werknemers hij mag meetellen in zijn berekening en op welk niveau de
                              aanvraag mag worden gedaan. Als regel geldt dat personeel dat werkzaam
                              is op basis van een arbeidsovereenkomst moet worden meegerekend. De
                              werkgever die ZZP-ers, uitzendkrachten of payroll-medewerkers inleent
                              heeft met hen geen arbeidsovereenkomst en zij vallen daarmee niet
                              onder het begrip arbeidscapaciteit. Het uitzendbureau of de
                              payroll-organisatie waar deze werknemers in dienst zijn, kan overigens
                              wel Wpc aanvragen voor deze werknemers. De daling van de te benutten
                              arbeidscapaciteit wordt gemeten op het niveau van de formele
                              werkgever, en niet op een hoger niveau zoals een groep of concern
                              (zoals aanvankelijk bij de NOW-regeling). Hiervoor is gekozen omwille
                              van eenduidigheid: de formele werkgever doet de (initiële) aanvraag en
                              heeft ook het beste zicht op het verlies aan te benutten
                              arbeidscapaciteit op dat niveau. Bovendien is gebleken is dat het
                              werkgeversbegrip zoals dat in de NOW werd gehanteerd
                              (groep/concernniveau) ingewikkeld is in de uitvoering. Ook vindt de
                              regering het wenselijk dat de instrumenten uit dit wetsvoorstel kunnen
                              worden ingezet als een specifiek onderdeel (formele werkgever) van een
                              groter concern wordt getroffen door een crisis.</al>
                      <al>Daarnaast moet de werkgever bij de inschatting van het percentage
                              minder te benutten arbeidscapaciteit kijken naar de situatie zoals die
                              zou zijn geweest in het crisistijdvak als er geen sprake was van een
                              crisis. De werkgever kijkt dus vóóruit: welke werknemers zijn tijdens
                              de periode waarvoor de werkgever voornemens is een aanvraag te doen
                              voor de instrumenten van het wetsvoorstel in dienst en moeten derhalve
                              worden doorbetaald en hoeveel daarvan kunnen als gevolg van de crisis
                              minder of niet werken. De werkgever kan vervolgens de inschatting
                              maken of sprake zal zijn van minimaal een gemiddelde van 20% minder te
                              benutten arbeidscapaciteit over twee maanden, en dit aannemelijk maken
                              bij zijn aanvraag bij UWV.</al>
                      <al>Het kan voorkomen dat werkgevers worden geraakt door een crisis of
                              calamiteit die niet primair bij hen in het bedrijf heeft
                              plaatsgevonden. Ook in deze gevallen kan de werkgever een beroep doen
                              op de instrumenten uit het wetsvoorstel. Uiteraard zal een werkgever
                              in dergelijke gevallen aannemelijk moeten maken dat hij wat betreft de
                              gevolgen voor de verminderd in te zetten arbeidsuren afhankelijk is
                              van direct getroffen bedrijven.</al>
                      <al>Bij ministeriële regeling kunnen criteria worden aangewezen aan de
                              hand waarvan aannemelijk wordt geacht dat een werkgever is geraakt
                              door een crisis. Deze criteria zullen voornamelijk worden aangewezen
                              bij grote crises, zodat er tijdig en gericht kan worden beoordeeld
                              door UWV of aannemelijk wordt geacht dat een werkgever is geraakt door
                              een crisis zonder dat de werkgever hier concrete gegevens voor hoeft
                              aan te leveren. Zie voor nadere uitwerking hiervan hoofdstuk 7
                              Uitvoering.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Voorwaarde 2: Werkgever vraagt advies aan de ondernemingsraad,
                                 de personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
                                 personen, bijeengekomen in de personeelsvergadering</titel>
                      </kop>
                      <al>De tweede voorwaarde voor de initiële aanvraag van een werkgever
                              betreft het advies vragen over dit voornemen aan de ondernemingsraad,
                              de personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering). Concreet
                              zal de werkgever advies moeten vragen over het voorgenomen besluit
                              over te willen gaan tot herplaatsing en/of verminderde
                              loondoorbetaling. De ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging
                              of de personeelsvergadering zal zich buigen over de gevolgen van de
                              aanvraag en kan daarbij bezien of inderdaad sprake is van een crisis
                              bij het bedrijf, en of dit leidt tot 20% verminderde inzet van
                              arbeidscapaciteit. Daarmee vervult de ondernemingsraad, de
                              personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering een
                              controlerende functie; met dit advies wordt het werknemersperspectief
                              onderdeel van het aanvraagproces. Het is de verwachting dat de
                              ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de
                              personeelsvergadering de werkgever zal bevragen op nut en noodzaak van
                              het inzetten van de instrumenten uit het wetsvoorstel, aangezien de
                              werknemers en hun vertegenwoordigers zicht hebben op de onderneming en
                              de wijze waarop deze mogelijk wordt geraakt door een crisis. Deze
                              voorwaarde betreft alleen het aanvragen van het advies en strekt zich
                              niet uit tot de vraag of het advies aanbevelingen bevat. Ook is het
                              geen voorwaarde dat het besluit van de werkgever overeen moet stemmen
                              met het advies.<noot id="n47" type="voet"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al>Waarbij een opschortingstermijn zal gaan gelden van twee
                                    weken als de werkgever het advies van de ondernemersraad niet of
                                    niet geheel opvolgt, zie verderop in de tekst.</noot.al></noot> Wel kan UWV de inhoud van het advies en de vraag of het
                              besluit van de werkgever overeenkomt met het advies gebruiken bij de
                              vaststelling of de werkgever is geraakt door de crisis.</al>
                      <al>De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                              personeelsvergadering heeft daartoe ook de mogelijkheid. Indien de
                              werkgever de ondernemingsraad om advies vraagt, dient hij het
                              voorgenomen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor te
                              leggen. Hierbij verstrekt hij aan de ondernemingsraad een overzicht
                              van de beweegredenen voor het voorgenomen besluit, alsmede van de
                              gevolgen die het besluit naar verwachting voor de in de onderneming
                              werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan
                              voorgenomen maatregelen. Verwacht wordt dat de werkgever de
                              personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering soortgelijke
                              inlichtingen verschaft. Hiernaast is de werkgever op grond van de Wet
                              op de ondernemingsraden (WOR) gehouden om de ondernemingsraad en de
                              personeelsvertegenwoordiging desgevraagd alle inlichtingen en gegevens
                              te verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak
                              redelijkerwijze nodig hebben. Hebben de ondernemingsraad en de
                              personeelsvertegenwoordiging onvoldoende expertise in huis om een tot
                              een advies over de aanvraag te kunnen komen, dan kunnen ze zich laten
                              bijstaan door deskundigen.</al>
                      <al-groep>
                        <al>Wanneer de werkgever bij UWV de initiële aanvraag doet, zal de
                                 werkgever concreet de volgende informatie moeten aanleveren:</al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>–</li.nr>
                            <al>Het advies van de ondernemingsraad, de
                                       personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering over
                                       het voorgenomen besluit om een aanvraag in te dienen in het
                                       kader van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis bij
                                       UWV, dan wel een verklaring dat van advies wordt afgezien. Is
                                       het advies of de verklaring om van het advies af te zien
                                       mondeling uitgebracht, dan volstaan de notulen van het
                                       betreffende overleg tussen de ondernemingsraad, de
                                       personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering en
                                       de werkgever.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>–</li.nr>
                            <al>De werkgever zal moeten laten weten of de ondernemingsraad,
                                       de personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering
                                       bedenkingen/kanttekeningen heeft geplaatst bij de
                                       beweegredenen van het voorgenomen besluit om een aanvraag in
                                       te dienen. Het advies van de ondernemingsraad, de
                                       personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering zal
                                       meestal zien op de gevolgen van het besluit, maar kan ook
                                       ingaan op de beweegredenen ervan. Dat laatste zal zeer
                                       waarschijnlijk het geval zijn als de ondernemingsraad, de
                                       personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering
                                       twijfelt aan het nut of de noodzaak van het inzetten van de
                                       instrumenten uit het wetsvoorstel.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>–</li.nr>
                            <al>De schriftelijke reactie van de werkgever op het advies van
                                       de ondernemingsraad, bedoeld in artikel 25, lid 5, van de
                                       WOR, of, indien aanwezig, een soortgelijke reactie op het
                                       advies van de personeelsvertegenwoordiging of de
                                       personeelsvergadering indien het advies niet of niet geheel
                                       is gevolgd.<noot id="n48" type="voet"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al>Wet op de ondernemingsraden, (<extref doc="stb-2016-290" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 2016,
                                                290</extref>).</noot.al></noot></al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>Aan de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de
                              personeelsvergadering zal een redelijke termijn moeten worden gegeven
                              om advies uit te brengen. Wat een redelijke termijn is, hangt af van
                              de omstandigheden. In crisistijd is het belangrijk dat er snel
                              duidelijkheid is. Het advies is immers een belangrijk element van het
                              Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. Vanwege de urgentie in
                              crisistijd, wordt bij een adviesaanvraag in het kader van dit
                              wetsvoorstel een termijn van twee weken redelijk gevonden. Voor de
                              personeelsvergadering geldt dat het ook hier de bedoeling is dat deze
                              binnen twee weken plaatsvindt.</al>
                      <al>De ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de
                              personeelsvergadering is niet verplicht om advies uit te brengen.
                              Wordt van het adviesrecht afgezien, dan wordt verwacht dat de
                              werkgever daarvan zo snel mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Ook
                              hiervoor is een uiterlijke termijn van twee weken het uitgangspunt. De
                              werkgever moet in dit geval een document waaruit blijkt dat is
                              afgezien van het adviesrecht of de notulen van het betreffende overleg
                              meesturen naar UWV bij de initiële aanvraag. Dit belemmert het doen
                              van een aanvraag voor de werkgever niet, omdat het een vrije keuze is
                              van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de
                              personeelsvergadering om van het adviesrecht af te zien.</al>
                      <al>Met betrekking tot de ondernemingsraad – en dus niet ten aanzien van
                              de personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering – geldt nog
                              het volgende. Als de werkgever het advies van de ondernemingsraad
                                 <nadruk type="cur">niet of niet geheel</nadruk> opvolgt, geldt een
                              opschortingstermijn voor de tenuitvoerlegging van het besluit. Binnen
                              deze periode kan de werkgever geen aanvraag indienen bij het UWV. Deze
                              periode geeft de ondernemingsraad de gelegenheid om beroep in te
                              stellen bij de Ondernemingskamer tegen het voorgenomen besluit.</al>
                      <al>Op grond van artikel 25, zesde lid, WOR bedraagt de
                              opschortingstermijn een maand. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld
                              deze termijn vanwege de crisissituatie te verkorten tot twee weken.
                              Het inkorten van de termijn zorgt er voor dat de in crisis verkerende
                              werkgever sneller een initiële aanvraag kan indienen. In lijn met de
                              opschortingstermijn, wordt ook voorgesteld de beroepstermijn van
                              artikel 26, tweede lid, WOR te verkorten tot twee weken. Dat brengt
                              met zich dat de ondernemingsraad twee weken nadat de ondernemingsraad
                              van het betreffende besluit in kennis is gesteld, de mogelijkheid
                              heeft om een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer in te dienen. Als
                              beroep is ingesteld bij de Ondernemingskamer, neemt UWV de aanvraag
                              niet in behandeling, tot er een uitspraak van de Ondernemingskamer is.
                              De personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering heeft op
                              grond van de WOR geen mogelijkheid om beroep in te stellen bij de
                              Ondernemingskamer naar aanleiding van het advies. Individuele
                              werknemers kunnen, indien ze bezwaren hebben, een procedure bij de
                              civiele rechter starten.<noot id="n49" type="voet"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>Op de personeelsvertegenwoordiging is wel de algemene
                                    geschillenregeling uit de WOR van toepassing. Dit betekent dat
                                    de personeelsvertegenwoordiging en de bestuurder een geschil
                                    over de toepassing van de regels uit de WOR aan de kantonrechter
                                    kunnen voorleggen.</noot.al></noot></al>
                      <al>Is de beroepstermijn van 14 dagen verstreken en geen beroep
                              ingesteld, dan kan de werkgever een aanvraag bij UWV indienen, met
                              daarbij gevoegd het advies van de ondernemingsraad.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Voorwaarde 3: Werkgever informeert een vereniging van
                                 werknemers over zijn voornemen tot het inzetten van de instrumenten
                                 herplaatsing of verminderde loondoorbetaling, door hiervan een
                                 melding te doen bij Onze Minister</titel>
                      </kop>
                      <al>De werkgever is tevens verplicht om voorafgaand aan het indienen van
                              de initiële aanvraag een vereniging van werknemers te informeren over
                              zijn voornemen om de arbeidsrechtelijke instrumenten in te zetten door
                              hiervan melding te doen bij Onze Minister. Hiervoor zal een meldpunt
                              worden ingesteld. Via dit meldpunt worden verenigingen van werknemers
                              (vakbonden) die op verzoek inzage hebben verkregen tot dit meldpunt,
                              geïnformeerd over dit voornemen van de werkgever. De regering heeft er
                              niet voor gekozen de werkgever te verplichten om rechtstreeks alle
                              verenigingen van werknemers te informeren, zijnde een vereniging van
                              werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van
                              haar leden als werknemers te behartigen, als zodanig werkzaam is, en
                              ten minste twee jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid. Omdat
                              het voor een werkgever zeker in crisis tijdrovend en lastig kan zijn
                              om te moeten uitzoeken welke vakbonden geïnformeerd zouden moeten
                              worden, is in het kader van de melding voorafgaand de initiële
                              aanvraag gekozen voor een meldpunt waar de werkgever de melding kan
                              doen en verenigingen van werknemers op verzoek inzage in kunnen
                              krijgen. Op welke wijze de melding door de werkgever precies plaats
                              zal vinden, en hoe vakbonden op verzoek hiertoe inzage in kunnen
                              verkrijgen, zal in lagere regelgeving worden uitgewerkt.</al>
                      <al>Als de werkgever de melding heeft gedaan, kan hij het afschrift van
                              de melding aanleveren bij UWV met de overige benodigde documenten ten
                              behoeve van de initiële aanvraag. Overeenstemming met een vereniging
                              van werknemers over de aanvraag is geen voorwaarde, het betreft louter
                              een meldingsplicht en niet een overleg- of onderhandelingsplicht.</al>
                      <al>Via het meldpunt kunnen alle verenigingen van werknemers die daarom
                              hebben verzocht geïnformeerd worden over het voornemen van de
                              werkgever om de arbeidsrechtelijke instrumenten in te zetten. Hierdoor
                              worden deze vakbonden in de gelegenheid gesteld om eventueel met de
                              werkgever in gesprek te gaan over dit voornemen. Met deze melding
                              wordt geborgd dat vakbonden op de hoogte zijn van de ontwikkelingen
                              binnen een bedrijf en kunnen zij zo nodig ondersteuning bieden aan
                              werknemers in de vorm van het verstrekken van informatie over hun
                              rechten en plichten tijdens de periode waarin de werkgever het
                              voornemen heeft om arbeidsrechtelijke instrumenten in te gaan
                              zetten.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Aanvraag Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis</titel>
                        </kop>
                        <al-groep>
                          <al>Een werkgever moet de initiële aanvraag, vergezeld van de
                                 bijbehorende stukken, digitaal indienen bij UWV. Dit kan vanaf de
                                 dag dat een crisis uit de eerste categorie zich voordoet of vanaf
                                 de dag dat Onze Minister bij ministeriële regeling een crisis heeft
                                 aangewezen als crisis in de zin van het Wetsvoorstel
                                 personeelsbehoud bij crisis (zie paragraaf 3.2), en ten hoogste
                                 gedurende 26 weken te rekenen vanaf die dag of de in de
                                 ministeriële regeling aangewezen datum. Hierdoor wordt ook aan
                                 werkgevers die last hebben van na-ijl effecten de mogelijkheid
                                 geboden enige tijd nadat de crisis heeft plaatsgevonden een
                                 aanvraag te doen.</al>
                          <al>Bij de aanvraag zal de werkgever ook aan moeten geven wat zijn
                                 crisistijdvak is, oftewel wat de periode is waarin bij hem sprake
                                 is van de crisis en waarvoor hij de instrumenten herplaatsing of
                                 verminderde loondoorbetaling in wil zetten. Het crisistijdvak kan
                                 terugwerken tot en met tien weken vanaf de datum dat de werkgever
                                 de initiële aanvraag bij UWV doet, maar nooit verder dan de eerste
                                 dag van de crisis. Daardoor kan de werkgever de instrumenten
                                 verminderde loondoorbetaling en loonsubsidie met terugwerkende
                                 kracht toepassen. Dit is niet mogelijk voor het instrument
                                 ‘herplaatsing’, aangezien het in de praktijk niet mogelijk is met
                                 terugwerkende kracht werknemers elders te laten werken. Er is
                                 vanuit het belang van de werknemer gekozen voor een periode van
                                 terugwerkende kracht van maximaal tien weken. Zo zal de werknemer
                                 niet onnodig lang de gevolgen van het instrument verminderde
                                 loondoorbetaling ondervinden.</al>
                        </al-groep>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Beschikking UWV na aanvraag werkgever</titel>
                        </kop>
                        <al>Nadat de aanvraag is ingediend, zal UWV zo snel als mogelijk is,
                                 maar uiterlijk binnen zes weken, een besluit nemen en de werkgever
                                 hierover schriftelijk informeren. Als UWV vaststelt dat de
                                 werkgever voldoet aan de voorwaarden, betekent dit dat de aanvrager
                                 heeft aangetoond dat sprake is van een crisis en dat aannemelijk is
                                 gemaakt dat hierdoor sprake is van gemiddeld ten minste 20%
                                 verminderde inzet van arbeidscapaciteit voor een periode van twee
                                 maanden. Om te kunnen vaststellen of de werkgever voldoet aan de
                                 voorwaarden, moet de werkgever het aanvraagformulier volledig
                                 invullen, en daartoe verschillende gegevens meeleveren, zoals nader
                                 zal worden uitgewerkt in een ministeriële regeling. In de
                                 artikelsgewijze toelichting bij artikel 8 wordt hierop nader
                                 ingegaan.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Aanvraag verlenging van het crisistijdvak</titel>
                        </kop>
                        <al>Als de werkgever langer dan twee maanden last heeft van de crisis,
                                 dan kan de werkgever maximaal tweemaal een verlenging van het
                                 crisistijdvak aanvragen. Deze perioden van twee maanden moeten op
                                 elkaar aansluiten. De keuze voor aansluitende periodes zorgt voor
                                 een automatische maximering van het crisistijdvak op 6 maanden.
                                 Deze 6 maanden zorgen ervoor dat de werkgever de eerste schok na
                                 het ontstaan van de crisis gebruik kan maken van de instrumenten
                                 uit het onderhavige wetsvoorstel. Dit biedt de werkgever de
                                 mogelijkheid om in deze onrustige en vaak onzekere tijd toch het
                                 personeel te behouden. De werkgever kan zo de crisisperiode
                                 overbruggen. Als de crisis en/of de gevolgen hiervan onverhoopt
                                 langer duren dan 6 maanden, geeft de periode van 6 maanden de
                                 werkgever tijd om zich voor te bereiden op de veranderde situatie.
                                 Hij kan deze 6 maanden gebruiken om zijn bedrijfsvoering aan te
                                 passen. Dit is belangrijk, aangezien steun die langer duurt dan
                                 6 maanden onwenselijk is, omdat dit de innovatiecapaciteit van
                                 bedrijven verstoort en het risico toeneemt dat bedrijven worden
                                 ondersteund die onvoldoende levensvatbaar zijn. Als gevolg van
                                 langlopende steun zullen bedrijven minder prikkels ondervinden om
                                 zich voor te bereiden op de periode na de crisis en omzet te
                                 genereren dan in de reguliere situatie het geval is (zie hoofdstuk
                                 2.4 voor nadere uitleg). De keuze om de periodes op elkaar te laten
                                 aansluiten, beoogt daarnaast te voorkomen dat werkgevers de
                                 instrumenten uit het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis te
                                 lichtzinnig zullen inzetten. Als een werkgever een periode tussen
                                 twee aanvragen in zonder ondersteuning zou kunnen, en de werkgever
                                 de instrumenten daarna weer in wil zetten, dan wordt ondersteuning
                                 middels dit wetsvoorstel onnodig geacht.</al>
                        <al>Voor een aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak gelden
                                 dezelfde voorwaarden als bij de initiële aanvraag. UWV zal weer zo
                                 snel als mogelijk is, maar uiterlijk binnen zes weken nadat de
                                 aanvraag voor de verlenging is ingediend een besluit nemen en de
                                 werkgever hierover schriftelijk informeren. De aanvraag voor de
                                 verlenging zal naar verwachting minder tijd in beslag nemen dan de
                                 initiële aanvraag. De werkgever is immers al bekend met de
                                 aanvraagprocedure en de ondernemingsraad,
                                 personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering ook.
                                 Tevens is UWV al bekend met de situatie bij het bedrijf, wat een
                                 spoedige beslissing van UWV op de aanvraag ten goede komt.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.3.2</nr>
                      <titel>Instrumenten: herplaatsing en/of verminderde loondoorbetaling –
                              fase 2</titel>
                    </kop>
                    <al>Als UWV heeft vastgesteld dat de werkgever heeft voldaan aan de
                           voorwaarden genoemd onder fase 1, zoals in de paragraaf hiervoor
                           beschreven, dan kan de werkgever binnen de arbeidsverhouding met zijn
                           werknemer gedurende het crisistijdvak twee instrumenten inzetten: 1)
                           herplaatsing van medewerkers of 2) verminderde loondoorbetaling, of een
                           combinatie van de twee. De werkgever kan deze instrumenten inzetten voor
                           de uren waarvoor de werknemer de bedongen arbeid als gevolg van de crisis
                           niet meer kan verrichten.</al>
                    <al>In het BW zijn enkele aanvullende voorwaarden opgenomen waar de
                           werkgever bij de inzet van deze instrumenten aan moet voldoen. Deze
                           aanvullende arbeidsrechtelijke voorwaarden staan uitgewerkt in paragraaf
                           3.3.2.1. In de daaropvolgende paragraaf 3.3.2.2 volgt nadere uitleg bij
                           het instrument herplaatsing. Het instrument verminderde loondoorbetaling
                           staat centraal in paragraaf 3.3.2.3.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <nr status="officieel">3.3.2.1</nr>
                        <titel>Arbeidsrechtelijke voorwaarden bij inzetten instrumenten
                                 herplaatsing en verminderde loondoorbetaling</titel>
                      </kop>
                      <al>De instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling zullen
                              in artikel 660b boek 7 BW worden opgenomen. Herplaatsing en
                              verminderde loondoorbetaling zijn arbeidsrechtelijke instrumenten die
                              de werkgever kan inzetten jegens de werknemer waarmee hij een
                              arbeidsovereenkomst heeft als bedoeld in artikel 7:610 BW. Daarbij
                              geldt dat de toepassing van deze instrumenten gebeurt binnen de
                              arbeidsrechtelijke context.</al>
                      <al>In onderhavig wetsvoorstel worden zes voorwaarden verbonden aan het
                              kunnen inzetten van de instrumenten herplaatsing en verminderde
                              loondoorbetaling of een combinatie daarvan:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>1.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">UWV heeft een beschikking afgegeven op grond van artikel
                                       3, eerste lid, Wpc</nadruk>
                          </al>
                          <al>Om gebruik te kunnen maken van de instrumenten herplaatsing en
                                    verminderde loondoorbetaling, moet UWV een beschikking hebben
                                    afgegeven op grond van artikel 3, eerste lid, Wpc (zie paragraaf
                                    3.3.1).</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>2.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">De werkgever mag de instrumenten inzetten over de uren
                                       waarover de werknemer de bedongen arbeid ten gevolge van de
                                       crisis niet kan verrichten</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het daadwerkelijk inzetten van de instrumenten is alleen
                                    mogelijk over de uren waarover de werknemer de bedongen arbeid
                                    daadwerkelijk niet kan verrichten. Voor zover de normale
                                    bedrijfsvoering gecontinueerd wordt, is het namelijk niet de
                                    bedoeling dat werkgevers de instrumenten inzetten.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>3.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">De werkgever moet de instrumenten per groep van
                                       uitwisselbare functies voor een gelijk percentage
                                       inzetten</nadruk>
                          </al>
                          <al>De instrumenten die het wetsvoorstel biedt, zijn steeds van
                                    toepassing op zogenoemde groepen van uitwisselbare functies. Er
                                    is gekozen om te werken met groepen uitwisselbare functies om te
                                    bewerkstelligen dat werknemers zoveel mogelijk gelijke gevolgen
                                    van de crisis ondervinden. Het voorkomt onderscheid op
                                    individuele basis, waarbij bijvoorbeeld de ene werknemer wordt
                                    herplaatst tegen volledige loondoorbetaling terwijl een andere
                                    werknemer met dezelfde functie verminderde loondoorbetaling
                                    krijgt. Deze keuze borgt tevens dat werknemers in dezelfde groep
                                    van uitwisselbare functies voor eenzelfde percentage van hun
                                    uren worden herplaatst of verminderd loon krijgen uitbetaald (of
                                    een combinatie hiervan).</al>
                          <al>De werkgever kan per groep van uitwisselbare functies
                                    gebruikmaken van de herplaatsing en de verminderde
                                    loondoorbetaling. De indeling van de groepen van uitwisselbare
                                    functies zal gaan plaatsvinden op dezelfde wijze als waarop die
                                    indeling plaatsvindt bij bedrijfseconomisch ontslag, en dus
                                    conform artikel 13 van de Ontslagregeling.<noot id="n50" type="voet"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>Regeling van de Minister van Sociale Zaken en
                                          Werkgelegenheid van 23 april 2015, tot vaststelling van
                                          regels met betrekking tot ontslag en de
                                          transitievergoeding (Ontslagregeling), (<extref doc="stcrt-2015-12685" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2015,
                                             12685</extref>).</noot.al></noot> Dat betekent dat de werkgever rekening moet houden met
                                    uitwisselbare functies. Een functie is uitwisselbaar met een
                                    andere functie, indien de functies in onderlinge samenhang
                                    bezien, naar de inhoud van de functie, de voor de functie
                                    vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke
                                    of structurele aard vergelijkbaar en naar niveau en beloning
                                    gelijkwaardig zijn. Voor kleinere organisaties kunnen groepen
                                    van uitwisselbare functies uit slechts één of enkele werknemers
                                    bestaan. Wanneer de uitwisselbare functies zijn bepaald, kan
                                    worden overgegaan tot het inzetten van de instrumenten. Voor
                                    elke groep van uitwisselbare functies maakt de werkgever een
                                    keuze: (1) de bedongen arbeid laten uitvoeren, (2) de werknemers
                                    herplaatsen, of (3) de werknemers niet laten werken waarbij de
                                    verminderde loondoorbetaling kan worden toegepast. Ook kan de
                                    werkgever per groep van uitwisselbare functies een combinatie
                                    van deze drie opties toepassen. Dit mag op nagenoeg elke
                                    mogelijke manier: er mag binnen het crisistijdvak gewisseld
                                    worden van instrument (bijvoorbeeld: eerst een maand verminderde
                                    loondoorbetaling, daarna een maand herplaatsing) of er mag per
                                    werknemer een combinatie van het instrument herplaatsing en
                                    verminderde loondoorbetaling, én doorwerken worden gemaakt
                                    (bijvoorbeeld: iedere werknemer binnen een groep werknemers met
                                    uitwisselbare functies werkt 30% van de uren door in de eigen
                                    functie, wordt voor 30% van de uren herplaatst in een passende
                                    functie en krijgt voor 40% van de uren het loon verminderd
                                    doorbetaald). Er is voor gekozen om de combinatie mogelijk te
                                    maken zodat werkgevers optimaal kunnen inspelen op de
                                    veranderlijkheid van de (crisis)situatie. Het zou bijvoorbeeld
                                    kunnen dat er in het begin van het crisistijdvak nog geen
                                    herplaatsingsmogelijkheden zijn, maar een maand later wel. Wat
                                    niet mag, is de twee arbeidsrechtelijke instrumenten voor
                                    dezelfde uren inzetten: herplaatsen voor een aantal uur en voor
                                    die uren tevens een verminderde loondoorbetaling inzetten.</al>
                          <al>De werkgever kan tijdens de adviesvraag bij de
                                    ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                                    personeelsvergadering bij de initiële aanvraag of aanvraag voor
                                    verlenging van het crisistijdvak aangeven hoe hij de
                                    instrumenten wil gaan inzetten (voor welke groepen van
                                    uitwisselbare functies, en of hij combinaties wil gaan maken).
                                    Als hij hier nog geen informatie over heeft opgenomen richting
                                    de adviesvraag, dan dient hij dit later nog te doen (zie
                                    paragraaf 3.3.1). Als de werkgever tussentijds de inzet van de
                                    instrumenten wil wijzigen, dient hiervoor een nieuw advies aan
                                    de ondernemingsraad te worden gevraagd.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>4.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Geen ontslag om bedrijfseconomische redenen tijdens het
                                       crisistijdvak</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het doel van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is om
                                    levensvatbare bedrijven te ondersteunen bij het behouden van
                                    zoveel mogelijk werknemers in een crisis in de zin van het
                                    wetsvoorstel. Als werkgevers werknemers om bedrijfseconomische
                                    redenen (gaan) ontslaan<noot id="n51" type="voet"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>Ontslag om bedrijfseconomische redenen zoals
                                          gedefinieerd in het Burgerlijk Wetboek, boek 7, artikel
                                          669 lid 3 sub a.</noot.al></noot> heeft de werkgever niet de intentie om deze werknemers
                                    te behouden. Het inzetten van de instrumenten uit dit
                                    wetsvoorstel past daar dan ook niet bij. Daarom is als
                                    voorwaarde voor de inzet van de instrumenten opgenomen dat de
                                    werkgever tijdens het crisistijdvak ten aanzien van de
                                    werknemers voor wie hij de instrumenten inzet geen verzoek mag
                                    indienen om toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag bij UWV,
                                    een ontslagcommissie of de kantonrechter. Een werkgever die niet
                                    aan deze voorwaarde voldoet mag vanaf de datum van de
                                    ontslagaanvraag de arbeidsrechtelijke instrumenten (herplaatsing
                                    en verminderde loondoorbetaling) niet meer inzetten voor
                                    werknemers waarvoor een ontslagaanvraag wordt ingediend. Ook
                                    voor de loonsubsidie heeft het indienen van een verzoek om
                                    toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag gevolgen, zie
                                    daarvoor paragraaf 3.3.3.</al>
                          <al>In de internetconsultatieversie van dit wetsvoorstel was
                                    eveneens opgenomen dat vanaf de datum van de ontslagaanvraag de
                                    in dit wetsvoorstel opgenomen arbeidsrechtelijke instrumenten en
                                    de loonsubsidie niet meer mogen worden ingezet voor werknemers
                                    waarvoor een ontslagaanvraag wordt ingediend. Daarnaast voorzag
                                    die versie erin dat de werkgever verplicht was de verminderde
                                    loondoorbetaling over de periode voorafgaand aan de
                                    ontslagaanvraag na te betalen aan de betreffende werknemers. In
                                    combinatie met een verlaging van de loonsubsidie van 10% over
                                    diezelfde periode (zie hiervoor paragraaf 3.3.3) wordt hiermee
                                    een drempel gecreëerd die de werkgever ertoe aanzet om van
                                    tevoren goed na te denken of hij de instrumenten uit dit
                                    wetsvoorstel zal inzetten, of direct tot bedrijfseconomisch
                                    ontslag zal overgaan. Deze drempel verhoogt de gerichtheid van
                                    dit wetsvoorstel en daarmee de doeltreffendheid. Gebleken is
                                    echter dat deze nabetaling van de loonvermindering leidt tot een
                                    verschil in de hoogte van de loonsubsidie tussen werkgevers die
                                    de loonaangifte doen volgens de loon-in-methode en zij die dat
                                    volgens de loon-over-methode doen. Voor loon-in-werkgevers
                                    (veelal kleine werkgevers) kan de loonsubsidie door de
                                    nabetaling tot 10% lager uitvallen dan voor
                                    loon-over-werkgevers. Dit verschil tussen groepen werkgevers is
                                    beleidsmatig ongewenst en is niet te onderbouwen. Bovendien zou
                                    een loon-in-werkgever in een bezwaar- of beroepsprocedure zich
                                    kunnen beroepen op het evenredigheidsbeginsel. Dit heeft
                                    mogelijk kans van slagen. Aangezien ook alternatieve routes om
                                    de nabetaling te laten plaatsvinden niet haalbaar bleken, heeft
                                    de regering ondanks bezwaren van de sociale partners ervoor
                                    gekozen de nabetaling uit het wetsvoorstel te halen. Om de
                                    hierboven genoemde drempel zoveel mogelijk in stand te houden is
                                    de verlaging van de loonsubsidie na een ontslagaanvraag over de
                                    periode voorafgaand aan die ontslagaanvraag verhoogd van 10%
                                    (internetconsultatieversie) naar 25%.</al>
                          <al>Om te voorkomen dat werkgevers van tevoren al een
                                    ontslagaanvraag indienen is tevens als voorwaarde opgenomen dat
                                    het verzoek om toestemming voor ontslagaanvraag voorafgaand aan
                                    het crisistijdvak niet in behandeling mag zijn. Ook mag de
                                    werkgever voorafgaand aan het crisistijdvak niet over
                                    toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag beschikken dat nog
                                    geldig is tijdens het crisistijdvak en mag de
                                    arbeidsovereenkomst niet zijn opgezegd of ontbonden om
                                    bedrijfseconomische redenen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>5.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Informeren werknemers</nadruk>
                          </al>
                          <al>Wanneer de werkgever gebruik gaat maken van één van de
                                    instrumenten, volgt uit het goed werkgeverschap dat de werkgever
                                    de werknemers die het betreft tijdig informeert. Het gaat immers
                                    om een ingrijpende maatregel voor de werknemer. De werknemer
                                    krijgt minder loon, wordt herplaatst of ondervindt een
                                    combinatie hiervan. Daarom weet een werkgever altijd dat de
                                    implicaties en de gevolgen van deze instrumenten ingrijpend en
                                    belangrijk voor de werknemers zijn. Dit leidt ertoe dat de
                                    werkgever hierdoor gehouden is de werknemer hierover te
                                       informeren.<noot id="n52" type="voet"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld P.A. Hogewind-Wolters, W.A. Zondag,
                                          Goed werkgeverschap en goed werknemerschap, Sdu Commentaar
                                          arbeidsrecht thematisch.</noot.al></noot> De werkgever dient werknemers daarom in ieder geval
                                    vóórdat de gevolgen van de instrumenten voor werknemer te merken
                                    zijn te informeren over de inzet van de instrumenten. De
                                    instrumenten uit dit wetsvoorstel kunnen alleen worden ingezet
                                    ten aanzien van uren waarop de werknemer de bedongen arbeid als
                                    gevolg van de crisis niet kan uitvoeren. Het gaat dan altijd om
                                    uren waarop de werknemer wordt herplaatst, dan wel om uren
                                    waarop geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Het spreekt voor
                                    zich dat de werkgever de werknemer tijdig informeert over een
                                    dergelijke wijziging in werkzaamheden. Daarnaast is de werkgever
                                    verplicht de werknemer te informeren over het feit dat hij het
                                    instrument herplaatsing en/of het instrument verminderde
                                    loondoorbetaling toepast op basis van het onderhavige
                                    wetsvoorstel. Dit geeft de werknemer de mogelijkheid zich nader
                                    te informeren over zijn rechten en te beoordelen of de
                                    instrumenten correct worden ingezet. Wanneer een individuele
                                    werknemer van mening is dat de werkgever de instrumenten ten
                                    onrechte of onder onjuiste voorwaarden toepast, dan kan de
                                    werknemer naar de civiele rechter.</al>
                          <al>Een voorwaarde voor het inzetten van de instrumenten
                                    herplaatsing en verminderde loondoorbetaling is dat de werkgever
                                    de instrumenten voor alle werknemers binnen een groep van
                                    uitwisselbare functies voor een gelijk percentage dient in te
                                    zetten. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat hieraan is
                                    voldaan. De werknemer moet – om te kunnen beoordelen of de
                                    instrumenten jegens hem of haar juist zijn ingezet – inzage
                                    kunnen krijgen in de door de werkgever gehanteerde
                                    functiegroepindeling. De werkgever zal dan ook, desgevraagd, de
                                    werknemer informatie moeten verstrekken t.a.v. de toegepaste
                                    indeling in uitwisselbare functies. Dit is voor de werknemer van
                                    belang om (bijvoorbeeld in een civiele rechtszaak) te kunnen
                                    stellen dat de werkgever de functiegroepindeling niet juist
                                    heeft toegepast. In dat kader zal de werknemer inzage moeten
                                    krijgen in de feitelijke stelling van de werkgever. Het is aan
                                    de werkgever om deze stelling voldoende concreet te onderbouwen
                                    of motiveren.<noot id="n53" type="voet"><noot.nr>53</noot.nr><noot.al>I. Haanappel-Van der Burg en S. Hidajat-Engelsman,
                                          TvO 2023, nr. 4, Redelijke gronden in de
                                          ontbindingsprocedure: over stelplicht, bewijslast en
                                          beoordeling, p. 108–109.</noot.al></noot> Hieruit volgt dat de werkgever, indien de werknemer
                                    daarom verzoekt, inzage moet geven in de toegepaste indeling in
                                    uitwisselbare functies.</al>
                          <al>Verder zal bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de
                                    overheid een website instellen waarin werknemers, maar ook
                                    werkgevers, worden geïnformeerd over de rechten en plichten die
                                    dit wetsvoorstel met zich meebrengen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>6.</li.nr>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">De werkgever informeert de medezeggenschap over de uren
                                    waarover verminderde loondoorbetaling heeft plaatsgevonden</nadruk>
                          </al>
                          <al>Als de werkgever gebruik maakt van het instrument verminderde
                                    loondoorbetaling, informeert de werkgever de ondernemingsraad,
                                    de personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
                                    personen per groep van uitwisselbare functies over de uren
                                    waarover verminderde loondoorbetaling voor alle werknemers
                                    binnen die groep heeft plaatsgevonden en waarvoor de werkgever
                                    een aanvraag loonsubsidie heeft ingediend. Bij het ontbreken van
                                    een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging dient de
                                    werkgever de informatie aan de in de onderneming werkzame
                                    personen te verstrekken. De werkgever hoeft deze hiervoor niet
                                    in vergadering bijeen te roepen. De werkgever kan informatie
                                    schriftelijk verstrekken.</al>
                          <al>De werkgever informeert de ondernemingsraad, de
                                    personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
                                    personen nadat de aanvraag loonsubsidie is ingediend. Het is de
                                    bedoeling dat de werkgever dat onverwijld na het indienen van de
                                    aanvraag doet. Het overzicht van uren dat de werkgever verstrekt
                                    ziet op subsidiabele uren van alle werknemers per functiegroep.
                                    Dit zegt ook wat over het percentage werktijdvermindering dat de
                                    werkgever heeft toegepast per functiegroep. Subsidiabele uren
                                    zijn namelijk uren waarop – op enkele uitzonderingen na,
                                    neergelegd in artikel 12, eerste lid, – verminderde
                                    loondoorbetaling is toegepast. Deze uren vormen de basis voor
                                    het berekenen van de hoogte van de loonsubsidie. Het begrip
                                    subsidiabele uren is uitgewerkt in het onderdeel <nadruk type="cur">‘Berekening hoogte loonsubsidie’ van paragraaf
                                       3.3.3</nadruk>.</al>
                          <al>Door het ontvangen van bovenstaande informatie kunnen de
                                    ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de
                                    onderneming werkzame personen de gevolgen voor werknemers op
                                    geaggregeerd niveau monitoren. Hiermee is het ook een stimulans
                                    voor werkgevers om te zorgen dat de betreffende informatie juist
                                    wordt opgegeven.</al>
                          <al>Aangezien het gaat om een nadere invulling van het instrument
                                    loonsubsidie, gaat het hier alleen om een informatierecht voor
                                    de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de
                                    onderneming werkzame personen. Het voorgenomen besluit om dit
                                    instrument in te zetten door de werkgever is immers in het kader
                                    van de initiële aanvraag al voorgelegd als onderdeel van het
                                    uitbrengen van advies. De ondernemingsraad, de
                                    personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame
                                    personen kunnen aandachtspunten bij de werkgever
                                    adresseren.</al>
                          <al>Het verstrekken van informatie is opgenomen in voorliggend
                                    wetsvoorstel en niet in de WOR. De reden hiervoor is dat het
                                    informatierecht op grond van de WOR ziet op informatie die op
                                    reguliere basis dient te worden verstrekt of informatie over een
                                    voorgenomen besluit. De WOR kent geen informatieverplichting na
                                    het uitvoeren van een besluit. In het kader van voorliggend
                                    wetsvoorstel gaat het om een besluit dat al is genomen omdat de
                                    werkgever na ontvangst van de beschikking op de initiële
                                    aanvraag het instrument verminderde loondoorbetaling kan
                                    inzetten. De informatieplicht ziet op informatie die te maken
                                    heeft met het instrument verminderde loondoorbetaling dat al is
                                    toegepast. Bovendien is de rol van de medezeggenschap bij de
                                    initiële aanvraag ook geregeld in voorliggend wetsvoorstel en
                                    niet in de WOR.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <nr status="officieel">3.3.2.2</nr>
                        <titel>Instrument 1: herplaatsing</titel>
                      </kop>
                      <al>Met het instrument herplaatsing worden werkgevers gefaciliteerd om
                              werknemers zo veel mogelijk door te laten werken op plekken binnen de
                              onderneming waar ze ondanks de verminderde inzet van arbeidscapaciteit
                              als gevolg van de crisis arbeid kunnen verrichten. De mogelijkheid
                              voor werkgevers om werknemers tijdelijk te kunnen herplaatsen
                              vergroot, in lijn met het doel van het wetsvoorstel, de kans
                              aanzienlijk dat deze werknemers en hun specifieke kennis en ervaring
                              binnen het bedrijf kunnen worden behouden. Het is tevens een invulling
                              van de wensen uit het Coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV, het
                              regeerprogramma van het huidige kabinet en het SER-MLT advies met
                              betrekking tot het verruimen van de wendbaarheid voor werkgevers.
                              Herplaatsing biedt werkgevers deze wendbaarheid als tijdens crisis de
                              bedongen arbeid niet kan worden uitgevoerd. En bijkomend voordeel van
                              dit instrument is dat de loondoorbetalingsverplichting van kracht
                              blijft en werknemers hun volledige loon behouden.</al>
                      <al>Op dit moment is herplaatsing binnen het arbeidsrecht vormgegeven via
                              een wijziging van de arbeidsovereenkomst langs de band van het goed
                              werknemerschap (artikel 7:611 BW) óf via een eenzijdig
                              wijzigingsbeding (artikel 7:613 BW). Als gebruik gemaakt wordt van de
                              mogelijkheid tot herplaatsing op grond van goed werknemerschap dient
                              de werkgever de werknemer een wijzigingsvoorstel te doen ten aanzien
                              van de arbeidsvoorwaarden zoals overeengekomen in de individuele
                              arbeidsovereenkomst, en daarover met de werknemer in overleg te
                              treden. Conform geldende jurisprudentie wordt daarbij getoetst of de
                              werkgever ‘aanleiding’ heeft voor het doen van het voorstel en of dit
                              voorstel ook ‘redelijk’ is. Alle omstandigheden van het geval moeten
                              in acht worden genomen bij de beoordeling of het in ‘redelijkheid’ van
                              de werknemer kan worden verwacht dat hij instemt met het
                              wijzigingsvoorstel. Als gebruik wordt gemaakt van een eenzijdig
                              wijzigingsbeding (dat schriftelijk moet zijn overeengekomen) heeft de
                              werkgever het recht eenzijdig, dus zonder instemming van de werknemer,
                              de arbeidsovereenkomst te wijzigen. De werkgever kan zich hier alleen
                              op beroepen als hij een zodanig zwaarwichtig belang heeft, dat het
                              belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en
                              billijkheid moet wijken. De bewijslast dat er sprake is van een
                              zwaarwichtig belang dat prevaleert boven het belang van de werknemer,
                              rust op de werkgever.</al>
                      <al>Met het in dit wetsvoorstel opgenomen instrument herplaatsing wordt
                              daaraan toegevoegd dat, buiten de voorwaarden genoemd in de vorige
                              alinea, de werkgever een mogelijkheid wordt gegeven om over te gaan
                              tot herplaatsing van de werknemer. Met dit voorstel heeft de werkgever
                              de bevoegdheid passende arbeid aan te bieden die de werknemer
                              vervolgens verplicht is te verrichten. Indien de werkgever een
                              positieve beschikking ontvangt op de initiële aanvraag of aanvraag
                              voor verlenging, en de werkgever aan de overige arbeidsrechtelijke
                              voorwaarden voldoet, kan de werkgever eenzijdig overgaan tot
                              herplaatsing. Door de werkgever deze bevoegdheid te geven, brengt dit
                              een wenselijke versnelling in de handelingsmogelijkheden van de
                              werkgever in tijden van crisis.</al>
                      <al>Bij herplaatsing gaat het om verrichten van ander werk onder behoud
                              van dezelfde arbeidsvoorwaarden. Denk daarbij aan bijvoorbeeld loon en
                              vakantiedagen. Zou door een wijziging van werkzaamheden een andere cao
                              van toepassing zijn, dan blijven toch de oorspronkelijke collectieve
                              arbeidsvoorwaarden gelden, alsof de werknemer zijn eigen arbeid
                              verricht. Indien de oorspronkelijke cao tijdens de herplaatsing
                              gewijzigd wordt, geldt de wijziging ook voor de herplaatste
                              werknemer.</al>
                      <al>Het alternatieve werk moet voldoen aan verschillende voorwaarden. In
                              de eerste plaats moet het gaan om passende werkzaamheden, waarbij
                              wordt aangesloten bij een definitie van passende arbeid die ook in de
                              WW na verloop van zes maanden wordt gebruikt. Hieronder wordt
                              verstaan: alle arbeid die op de krachten en bekwaamheden van de
                              werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                              geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevraagd. Het
                              begrip ‘passende arbeid’ moet dus ruim worden opgevat. Een voorbeeld
                              van passende arbeid is dat een werknemer die normaal gesproken in een
                              fabriek machines onderhoudt, nu wordt herplaatst naar een functie in
                              het magazijn, waar hij de inventaris bij moet houden. Een ander
                              voorbeeld van passende arbeid is dat een manager van een locatie die
                              is afgebrand, nu wordt herplaatst naar een andere locatie van dezelfde
                              werkgever, waar hij schoonmaakdiensten gaat uitvoeren. Een voorbeeld
                              van arbeid die niet passend is, omdat dit soort werkzaamheden om
                              redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de
                              werknemer kan worden gevraagd, is dat een werknemer met chronische
                              rugklachten een functie moet vervullen waarbij hij voortdurend dozen
                              moet tillen. Andere voorwaarden zijn dat de passende arbeid een
                              gelijkwaardige of lagere loonwaarde kent en dat de arbeid wordt
                              verricht bij dezelfde werkgever of de werkgever die behoort tot
                              dezelfde groep (zie hiervoor de toelichting in de volgende alinea). Er
                              is gekozen voor een gelijkwaardige of lagere loonwaarde zodat
                              werknemers niet kunnen worden verplicht om tijdelijk werkzaamheden
                              boven hun niveau uit te voeren, waardoor er mogelijk te veel druk op
                              de werknemers komt te liggen. Ook voorkomt dit dat er werkzaamheden
                              aan de werknemer worden verplicht zonder dat daar een bijpassend,
                              hoger salaris tegenover staat. Binnen het reguliere arbeidsrecht is
                              het uiteraard wel mogelijk om werknemers te herplaatsen naar een
                              functie met een hogere loonwaarde, met alle arbeidsrechtelijke
                              waarborgen van dien (zie hiervoor de tweede alinea van deze
                              paragraaf). Tot slot zal de voorwaarde gelden dat als extra reistijd
                              aan de orde is, deze extra reistijd wordt aangemerkt als werktijd en
                              de extra reiskosten door de werkgever worden vergoed. In sommige
                              gevallen kan het zijn dat de arbeid niet passend is. Dit kan
                              bijvoorbeeld het geval zijn als een werknemer gevraagd wordt om op een
                              andere locatie te werken, maar dit niet te verenigen is met de
                              dagelijkse mantelzorgtaken die de werknemer in de lunchpauze op zich
                              neemt. De herplaatsing zal voor deze werknemer alleen passend zijn
                              indien voldoende rekening wordt gehouden met deze specifieke
                              omstandigheden.</al>
                      <al>De alternatieve werkzaamheden kunnen plaatsvinden bij de formele
                              werkgever (dus de partij met wie de werknemer de arbeidsovereenkomst
                              heeft) zelf, of op concernniveau, ook wel de groep genoemd. Met groep
                              wordt bedoeld een economische eenheid waarin rechtspersonen en
                              vennootschappen organisatorisch verbonden zijn (artikel 24b van Boek 2
                              van het BW). Er wordt aangesloten bij hoe herplaatsing binnen een
                              groep is uitgewerkt in de Ontslagregeling.<noot id="n54" type="voet"><noot.nr>54</noot.nr><noot.al>Ontslagregeling (<extref doc="stcrt-2015-12685" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2015, 12685</extref>).</noot.al></noot> Er is nadrukkelijk voor gekozen om herplaatsing in geval van
                              concerns niet te beperken tot de formele werkgever. Zo kunnen
                              organisaties die hun werknemers hebben ondergebracht in aparte bv’s
                              per vestiging de werknemers van een door een crisis getroffen
                              vestiging ook herplaatsen naar andere vestigingen binnen de groep, en
                              zijn ze niet gebonden aan slechts één vestiging. Dit vergroot de
                              wendbaarheid van werkgevers. Er is nadrukkelijk niet voor gekozen om
                              herplaatsing mogelijk te maken bij een andere werkgever die niet bij
                              dezelfde groep hoort, omdat dit zeer ingrijpend zou kunnen zijn voor
                              de werknemer die dan kan worden herplaatst naar een andere werkgever.
                              Dit zou ook moeilijk verenigbaar zijn met wetgeving rondom
                              detachering.</al>
                      <al>De werkgever mag van de herplaatsing gebruikmaken zodra UWV vaststelt
                              dat de werkgever voldoet aan de voorwaarden. Dit betekent dat de
                              werkgever zijn personeel niet direct vanaf de eerste dag dat hij last
                              heeft van de crisis, mag herplaatsen met de herplaatsingsvoorwaarden
                              binnen onderhavig wetsvoorstel, maar moet wachten totdat UWV heeft
                              vastgesteld of de werkgever voldoet aan de voorwaarden die gelden bij
                              de initiële aanvraag.</al>
                      <al>Het staat werkgevers uiteraard vrij om direct nadat de eerste
                              negatieve effecten van een crisis merkbaar zijn, met de werknemers in
                              gesprek te gaan over het inzetten van herplaatsingsmogelijkheden
                              buiten de mogelijkheden van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                              crisis. Met de herplaatsingsoptie <nadruk type="cur">binnen</nadruk>
                              het wetsvoorstel heeft de werkgever echter meer mogelijkheden, wat een
                              wenselijke versnelling kan geven aan de opties die de werkgever heeft
                              in tijden van crisis.</al>
                      <al>Het instrument herplaatsing is van toepassing voor elke werknemer met
                              een arbeidsovereenkomst in de zin van titel 10, boek 7 BW. Voor
                              werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd hebben (zoals bepaald
                              in de Algemene Ouderdomswet (AOW)) geldt hierop geen uitzondering. De
                              regering vindt een zo breed mogelijke inzet van dit instrument
                              wenselijk omdat het in belang van werkgever én werknemer is dat banen
                              kunnen worden behouden, uitsluitingen passen daar niet bij. Als gevolg
                              hiervan kunnen AOW-gerechtigde werknemers samen met andere werknemers
                              binnen een functiegroep herplaatst worden.</al>
                      <al>Werkgevers kunnen het instrument herplaatsing ook inzetten ten
                              aanzien van zieke werknemers. Door deze keuze kunnen zieke werknemers
                              die gedeeltelijk werken ook herplaatst worden en op dezelfde passende
                              arbeid worden ingezet als de niet-zieke collega’s in dezelfde groep
                              van uitwisselbare functies. Dit uiteraard onder het voorbehoud dat die
                              arbeid ook passend moet zijn voor de zieke werknemer: het
                              re-integratietraject van de zieke werknemer mag niet worden verstoord
                              en de werknemer moet gelet op zijn beperkingen in staat zijn tot het
                              verrichten van die andere werkzaamheden.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <nr status="officieel">3.3.2.3</nr>
                        <titel>Instrument 2: verminderde loondoorbetaling</titel>
                      </kop>
                      <al>Naast de herplaatsingsoptie biedt het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                              bij crisis de werkgever ook de mogelijkheid tot een tijdelijke
                              verminderde loondoorbetaling. Als sprake is van verminderde inzet van
                              arbeidscapaciteit, kan de werkgever 10% van het naar tijdruimte
                              vastgestelde loon, zoals beschreven in artikel 7:628, eerste lid BW,
                              inhouden over de niet-gewerkte uren van de werknemers binnen een groep
                              van uitwisselbare functies. De loondoorbetalingsverplichting blijft
                              bestaan, maar kan middels dit instrument worden verminderd tot 90%.
                              Zie voor een voorbeeld onderstaande box. Hierbij geldt dat een
                              werknemer nooit minder dan het minimumloon kan ontvangen. De werknemer
                              ontvangt over de uren die hij wel heeft gewerkt zijn volledige loon.
                              Het naar tijdruimte vastgestelde loon is het in de arbeidsovereenkomst
                              overeengekomen bedrag waar de reguliere loonbetalingen op worden
                              gebaseerd.</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Ter illustratie:</nadruk>
                        </al>
                        <al>Als voor werknemers binnen een groep van uitwisselbare functies
                                 bijvoorbeeld 30% vermindering van de arbeidstijd van toepassing is,
                                 dan zal over deze 30% niet-gewerkte uren dus 10% van het brutoloon
                                 worden ingehouden door de werkgever. Het totale loon van de
                                 werknemer, inclusief de 70% die wel wordt gewerkt, bedraagt
                                 vervolgens 100% – (10% * 30%) = 97%. In het geval dat er voor 100%
                                 niet gewerkt kan worden, bedraagt het totale brutoloon voor de
                                 werknemer na inhouding door de werkgever van 10% over de
                                 niet-gewerkte uren 100% – (10% * 100%) = 90%.</al>
                      </al-groep>
                      <al>De verminderde loondoorbetaling kan ook worden toegepast op het niet
                              naar tijdruimte vastgestelde loon, zoals beschreven in artikel 7:628,
                              derde lid BW. Indien het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld,
                              zoals bij provisie of stukloon, geldt op grond van dit lid een
                              verplichting om het gemiddelde loon door te betalen dat de werknemer
                              zou hebben verdiend als er wel had kunnen worden gewerkt. Als gevolg
                              van onderhavig wetsvoorstel kan de werkgever indien er sprake is van
                              verminderde inzet van arbeidscapaciteit dit gemiddelde loon over de
                              niet-geleverde arbeid met 10% verminderen.</al>
                      <al>Een verminderde loondoorbetaling van 10% over niet-gewerkte uren
                              wordt redelijk geacht. De crisis waar werkgever en werknemer in
                              terecht zijn gekomen, valt buiten het reguliere ondernemersrisico. Dat
                              betekent dat niemand zich hierop had hoeven voorbereiden. De kosten
                              die het gevolg zijn van de crisis worden door alle betrokken partijen
                              (in de standaard situatie 25% door de werkgever, 10% door de werknemer
                              en 65% door de overheid) gedragen. Daarnaast draagt het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis bij aan het zoveel mogelijk voorkomen dat
                              de werkgever waarmee de werknemer een arbeidsrelatie heeft bij een
                              crisis genoodzaakt wordt om ontslag om bedrijfseconomische redenen aan
                              te vragen. Het gevolg van ontslag zou voor betreffende werknemers zijn
                              dat zij een andere baan moeten vinden, en in de tussengelegen periode
                              een WW-uitkering moeten aanvragen, waarbij zij mogelijk nog meer in
                              inkomen achteruit zouden gaan dan het geval is bij de verminderde
                              loondoorbetaling binnen onderhavig wetsvoorstel.</al>
                      <al>In paragraaf 2.8 is daarnaast een internationale vergelijking gemaakt
                              van soortgelijke regelingen in buurlanden van Nederland. Hoewel die
                              regelingen een bredere toegang kennen voor de werkgever (niet alleen
                              bij crises), worden ze ook gekenmerkt door een hogere bijdrage van de
                              werknemers. De Duitse Kurzarbeit kent bijvoorbeeld een verminderde
                              loondoorbetaling van 40%. Ondanks dat een tijdelijke verlaging van het
                              loon op zichzelf naar verwachting voor geen enkele werknemer een
                              positieve ontwikkeling is, is in het licht van de crisis en
                              internationale vergelijking een verminderde loondoorbetaling van 10%
                              over de niet-gewerkte uren relatief beperkt te noemen.</al>
                      <al>De verminderde loondoorbetaling draagt tevens bij aan het
                              solidariteitsprincipe: in een crisis kan van iedereen verwacht worden
                              om tijdelijk een steentje bij te dragen. De bijdrage van de werknemers
                              draagt daarnaast bij aan de betaalbaarheid van het wetsvoorstel.</al>
                      <al>Tot slot worden door de introductie van de twee civielrechtelijke
                              instrumenten werknemers aangezet om met werkgevers het gesprek aan te
                              gaan over het voornemen om de instrumenten van het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis in te zetten. Het is wenselijk dat
                              werknemers hier met hun werkgevers over in gesprek gaan, om samen te
                              bezien of de situatie ernstig genoeg is dat gebruik moet worden
                              gemaakt van de instrumenten van onderhavig wetsvoorstel en zo ja, hoe
                              de instrumenten het beste ingezet kunnen worden.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Aanvulling verminderde loondoorbetaling bij cao</titel>
                        </kop>
                        <al>Werkgever en werknemer hebben onderhandelingsvrijheid in de
                                 loonruimte. Dit betekent dat zij technisch gezien kunnen afspreken
                                 middels cao-afspraken dat de verminderde
                                 loondoorbetalingsverplichting bijvoorbeeld niet wordt toegepast of
                                 dat de verminderde loondoorbetalingsverplichting wordt aangevuld.
                                 Omdat dergelijke afspraken de gewenste solidariteit ondergraven en
                                 voornoemde prikkelwerking verminderen, zal de werkgever geen
                                 aanspraak kunnen maken op de loonsubsidie als de verminderde
                                 loondoorbetaling niet wordt toegepast. Als een werkgever
                                 loonsubsidie aanvraagt, mag UWV er dus van uitgaan dat er geen
                                 aanvulling op de verminderde loondoorbetaling vanwege een
                                 cao-afspraak is toegepast door deze werkgever.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Wettelijk minimumloon (WML)</titel>
                        </kop>
                        <al>Het loon dat een werknemer ontvangt bij de verminderde
                                 loondoorbetaling mag vanzelfsprekend niet onder het WML per uur
                                 komen. De relatieve bijdrage die geldt voor de betreffende
                                 werknemer in de vorm van een verminderde loondoorbetaling zal dus
                                 kleiner worden als door een dergelijke vermindering het
                                 salarisniveau van het minimumloon per uur wordt bereikt. Als een
                                 werknemer bij aanvang van de periode waarbinnen de instrumenten van
                                 het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis worden ingezet het
                                 minimumloon per uur verdient, zal in dit geval dus helemaal geen
                                 sprake zijn van een verminderde loondoorbetaling. In het
                                 wetsvoorstel is geborgd dat de werkgever in dit geval ondanks dat
                                 niet aan de verplichting tot het toepassen van verminderde
                                 loondoorbetaling is voldaan, toch loonsubsidie kan ontvangen. Omdat
                                 het niet wenselijk wordt geacht dat de werkgever extra kosten moet
                                 dragen omwille van het in deze gevallen niet kunnen verminderen van
                                 het loon met 10% over de niet-gewerkte uren, zal de bijdrage vanuit
                                 de Rijksoverheid in die gevallen hoger zijn dan de reguliere 65%
                                 over de niet-gewerkte uren. Het kan zijn dat de werkgever de
                                 verminderde loondoorbetaling niet over één maar over twee
                                 loontijdvakken verrekend. Dat mag, zolang het loon van de werknemer
                                 niet onder het WML uit komt.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Loondoorbetalingsverplichting vereist voor toepassing
                                    verminderde loondoorbetaling</titel>
                        </kop>
                        <al>Het instrument verminderde loondoorbetaling hangt samen met de
                                 loondoorbetalingsverplichting van de werkgever zoals opgenomen in
                                 artikel 7:628 BW. Als de loondoorbetalingsverplichting niet geldt,
                                 kan er uiteraard geen gebruik gemaakt worden van het instrument
                                 verminderde loondoorbetaling. Dit is relevant voor de situaties
                                 waarin de loondoorbetalingsverplichting is uitgesloten. Dit kan in
                                 de eerste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst en voor
                                 uitzendkrachten bij cao in de eerste 52 gewerkte weken, ook wel
                                 Fase A genoemd. Voor personen met een zogenoemde fictieve
                                 dienstbetrekking geldt in het geheel geen
                                 loondoorbetalingsverplichting, aangezien zij niet werkzaam zijn op
                                 basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Voor deze
                                 werknemers kan de werkgever het instrument verminderde
                                 loondoorbetaling dus niet inzetten. Als gevolg daarvan kan de
                                 werkgever dus ook het instrument loonsubsidie niet inzetten voor
                                 deze werknemers.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>AOW-gerechtigde en zieke werknemers</titel>
                        </kop>
                        <al>Net als bij het instrument herplaatsing, geldt dat het instrument
                                 verminderde loondoorbetaling niet alleen van toepassing is op
                                 werknemers in de zin van de WW, maar kan worden ingezet ten aanzien
                                 van elke werknemer met een arbeidsovereenkomst in de zin van
                                 artikel 7:610 BW. Dit betekent dat het instrument ook kan worden
                                 toegepast voor werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd uit
                                 de AOW hebben bereikt, en dat de territoriale bepalingen uit de WW
                                 niet gelden. Zo helpt dit instrument werkgevers om de
                                 werkgelegenheid van AOW-gerechtigden te kunnen behouden, en worden
                                 werknemers onder en boven de AOW-gerechtigde leeftijd gelijk
                                 behandeld in de toepassing van de verminderde loondoorbetaling. Het
                                 is echter wel zo dat niet voor alle werknemers waarvoor verminderde
                                 loondoorbetaling kan worden ingezet, ook de loonsubsidie kan worden
                                 aangevraagd. Zie voor nadere uitleg het kopje ‘uitzonderingen in de
                                 loonsubsidie’ in paragraaf 3.3.3.</al>
                        <al>Het instrument verminderde loondoorbetaling zal ook voor zieke
                                 werknemers kunnen worden ingezet. Door beide groepen gelijk te
                                 behandelen, wordt voorkomen dat zieke werknemers in voorkomende
                                 gevallen een hoger loon ontvangen dan niet-zieke werknemers. Dit
                                 voorkomt hoge administratieve lasten bij werkgevers en voorkomt
                                 bovendien problemen in de uitvoering en controle bij UWV. Wel kent
                                 het wetsvoorstel een waarborg waardoor zieke werknemers alleen een
                                 verminderde loondoorbetaling mogen krijgen voor zover hun loon
                                 daardoor niet minder dan 90% zal bedragen. Zieke werknemers wiens
                                 loondoorbetaling bij ziekte al minder dan 90% bedraagt, kunnen geen
                                 verdere loonvermindering krijgen. Op deze wijze wordt geborgd dat
                                 de zieke werknemer voor wat betreft het te ontvangen loon niet
                                 wordt benadeeld ten opzichte van de niet-zieke werknemer. Ter
                                 illustratie, hieronder een voorbeeld:</al>
                        <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                          <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="6" tgroupstyle="zebra1">
                            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*" />
                            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*" />
                            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="65*" />
                            <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="69*" />
                            <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="69*" />
                            <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="69*" />
                            <thead valign="bottom">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" nameend="col6" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Hoogte loondoorbetaling bij ziekte als percentage
                                                van het voormalig loon</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </thead>
                            <tbody valign="top">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                  <al>Vóór Wpc</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>100%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>95%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>90%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>80%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>70%</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                  <al>Tijdens Wpc</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>90%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>90%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>90%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>80%</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>70%</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </tbody>
                          </tgroup>
                        </table>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.3.3</nr>
                      <titel>Loonsubsidie – fase 3</titel>
                    </kop>
                    <al>Indien de werkgever kiest voor het instrument van verminderde
                           loondoorbetaling, kan hij bij UWV een loonsubsidie aanvragen. Het betreft
                           een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Awb omdat een werkgever
                           aanspraak maakt op financiële middelen die verstrekt worden door UWV als
                           bestuursorgaan.</al>
                    <al>Een werkgever die tijdelijk geen werk kan bieden, wordt met deze
                           loonsubsidie in staat gesteld om zijn personeel door te kunnen betalen in
                           tijden van crisis. Uitgangspunt van de loonsubsidie is dat de betreffende
                           werkgever 65% van de loonkosten over de <nadruk type="cur">niet-gewerkte
                              uren</nadruk> ontvangt, vermeerderd met een opslag voor de
                           werkgeverslasten.</al>
                    <al>De uren waarin de werknemer wél heeft gewerkt tijdens het crisistijdvak
                           komen niet in aanmerking voor loonsubsidie, hierover betaalt de werkgever
                           het reguliere loon (berekend naar het aantal uren).</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Voorwaarden voor loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <al>De werkgever kan loonsubsidie aanvragen, als hij aan een aantal
                              voorwaarden voldoet:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>1)</li.nr>
                          <al>De werkgever heeft, na het ontvangen van een positieve
                                    beschikking op de initiële aanvraag of de aanvraag tot
                                    verlenging van het crisistijdvak, de verminderde
                                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:660b, eerste lid,
                                    onderdeel b, BW, toegepast. Van de werkgever wordt bij de
                                    aanvraag voor loonsubsidie gevraagd te verklaren dat dit het
                                    geval is. Indien de werkgever de verminderde loondoorbetaling
                                    niet (volledig) heeft ingehouden op het loon, kan UWV de
                                    aanvraag van loonsubsidie voor de betreffende werknemer afwijzen
                                    of lager vaststellen. Voor een aantal situaties geldt een
                                    uitzondering. Deze uitzonderingen worden onder <nadruk type="cur">Berekening hoogte loonsubsidie</nadruk> nader
                                    toegelicht.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>2)</li.nr>
                          <al>De werkgever heeft zijn aangifte loonheffingen gedaan over alle
                                    loontijdvakken waarover loonsubsidie wordt aangevraagd. Dit is
                                    essentieel, omdat UWV voor de berekening van de loonsubsidie
                                    kijkt naar de gegevens die volgen uit de
                                    polisadministratie.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>3)</li.nr>
                          <al>De werkgever dient uiterlijk binnen 26 weken na de laatste dag
                                    van het crisistijdvak (zie <nadruk type="cur">Aanvraag verlening
                                       loonsubsidie</nadruk>) de aanvraag voor loonsubsidie in.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Subsidietijdvak en verlenging</titel>
                      </kop>
                      <al>De werkgever geeft bij de aanvraag voor loonsubsidie aan over welke
                              periode de loonsubsidie wordt gevraagd. Dit is het <nadruk type="cur">subsidietijdvak</nadruk>. Dat kan geen willekeurig moment zijn.
                              Het subsidietijdvak is altijd gelegen binnen het crisistijdvak (zie
                              paragraaf 3.3.1) en bestrijkt een periode van twee, vier of zes
                              aaneengesloten maanden. De eerste dag van het subsidietijdvak valt
                              altijd gelijk met de eerste dag van het crisistijdvak. De werkgever
                              kan zodoende in geval van een langdurige crisis maximaal driemaal een
                              subsidieaanvraag indienen voor steeds twee maanden loonsubsidie, maar
                              hij kan ook na afloop van een crisis van zes maanden éénmaal een
                              subsidieaanvraag doen over het gehele subsidietijdvak van zes
                              maanden.</al>
                      <al>Bij een tweede of derde subsidieaanvraag wordt het subsidietijdvak
                              verlengd. Er ontstaat dus geen nieuw subsidietijdvak. Ook bij
                              verlenging dient het subsidietijdvak binnen het crisistijdvak te
                              vallen. Bij verlenging van het subsidietijdvak wordt de hoogte van de
                              subsidie berekend over het gehele subsidietijdvak, dus inclusief de
                              periode waarover al een eerdere verlening heeft plaatsgevonden.
                              Hierbij wordt het eerder verleende subsidiebedrag in mindering
                              gebracht op de loonsubsidie over het verlengde subsidietijdvak. Deze
                              verrekening vindt plaats op grond van artikel 4:57, derde lid, van de
                              Awb.</al>
                      <plaatje>
                        <illustratie breedte="134mm" formaat="png" hoogte="67mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-002.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      </plaatje>
                      <al>De gekozen systematiek zorgt ervoor dat de subsidieberekening op
                              subsidietijdvakniveau zo goed mogelijk aansluit bij de loongegevens
                              die op aangiftetijdvakniveau beschikbaar zijn in de polisadministratie
                              (zie <nadruk type="cur">Aanvraag verlening loonsubsidie)</nadruk>. Het
                              is mogelijk dat het loon dat betrekking heeft op het oorspronkelijke
                              subsidietijdvak vóór verlenging en het loon dat betrekking heeft op
                              het subsidietijdvak ná verlenging deels in dezelfde aangiftetijdvakken
                              vallen. Zo kan het oorspronkelijke subsidietijdvak eindigen op
                              bijvoorbeeld 15 augustus en vervolgens worden verlengd met 2 maanden
                              vanaf 16 augustus. Bij verlenging van het subsidietijdvak wordt de
                              loonsubsidie over het gehele subsidietijdvak berekend en wordt de
                              eerder verleende loonsubsidie hierop in mindering gebracht, waarmee
                              wordt voorkomen dat over bepaalde aangiftetijdvakken tweemaal subsidie
                              wordt uitbetaald.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Aanvraag verlening loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <al>Bij de subsidieaanvraag vraagt de werkgever om een verlening van de
                              loonsubsidie. Ook een verlenging van het subsidietijdvak is een
                              verzoek om subsidieverlening. De vaststelling van de loonsubsidie
                              geschiedt ambtshalve, vanaf 27 weken na afloop van het crisistijdvak
                              (zie paragraaf 3.3.4).</al>
                      <al>De werkgever dient de aanvraag loonsubsidie digitaal in. De werkgever
                              mag zijn aanvraag over het gewenste subsidietijdvak pas indienen nadat
                              hij de verminderde loondoorbetaling heeft toegepast (uitzonderingen
                              daargelaten, zie Berekening hoogte loonsubsidie) en hij hiervan
                              loonaangifte heeft gedaan. De werkgever moet de subsidieaanvraag
                              binnen 26 weken na afloop van het crisistijdvak indienen.</al>
                      <al>De werkgever geeft bij de aanvraag aan in welke aangiftetijdvakken
                              het loon is verantwoord dat betrekking heeft op het subsidietijdvak.
                              Daarnaast geeft de werkgever enkele contactgegevens door. Welke
                              concrete gegevens de werkgever dient mee te leveren, zal worden
                              uitgewerkt in een ministeriële regeling. In de artikelsgewijze
                              toelichting bij artikel 16 wordt hierop nader ingegaan. Bij de
                              aanvraag verklaart de werkgever dat hij de gegevens naar waarheid
                              heeft ingevuld.</al>
                      <al>De werkgever dient per loonheffingennummer één aanvraag voor
                              loonsubsidie in. De werkgever hoeft geen gegevens op werknemersniveau
                              aan te leveren: deze gegevens zijn beschikbaar voor UWV via de
                              polisadministratie. Tijdens de aanvraag kan UWV geautomatiseerd
                              terugkoppelen aan de werkgever voor welke werknemers subsidiabele uren
                              (zie <nadruk type="cur">Berekening hoogte loonsubsidie</nadruk>) in de
                              polisadministratie zijn aangegeven. Van de werkgever wordt dan
                              gevraagd te verifiëren dat de gegevens van alle werknemers kloppen,
                              zodat het bedrag aan loonsubsidie berekend kan worden. Indien de
                              werkgever constateert dat voor een of meerdere werknemers gegevens
                              niet kloppen, dient hij zelf zijn loonaangifte te corrigeren alvorens
                              opnieuw het aanvraagproces bij UWV te starten. De werkgever dient
                              hierbij wel rekening te houden met de uiterste termijn van 26 weken
                              voor het doen van de subsidieaanvraag. Bij een zeer grote werkgever
                              met veel werknemers zal het mogelijk enkele uren duren voordat de
                              gegevens geautomatiseerd teruggekoppeld kunnen worden. In dat geval is
                              het terugkoppelen tijdens de aanvraag zodat de werkgever deze in één
                              keer kan afronden niet mogelijk. Een werkgever krijgt dan een keus.
                              Hij kan wachten op de terugkoppeling van gegevens, wat kan betekenen
                              dat hij pas de volgende dag zijn aanvraag kan afronden. Het
                              alternatief voor de werkgever is dat hij zijn aanvraag direct afrondt.
                              In dat geval kan er geen verificatie van gegevens plaatsvinden vóór de
                              beschikking tot subsidieverlening. Als bij de beschikking tot
                              subsidieverlening blijkt dat de gegevens waarmee de loonsubsidie is
                              berekend niet klopten, dan kan deze werkgever deze gegevens alsnog
                              corrigeren waardoor de juiste gegevens worden meegenomen bij een
                              volgende verlening of bij de ambtshalve vaststelling.</al>
                      <al>Voor deze ruime termijn van 26 weken is gekozen om de werkgever
                              voldoende tijd te bieden de verminderde loondoorbetaling te verwerken
                              in de loonadministratie, hiervan aangifte te doen en vervolgens de
                              aanvraag voor loonsubsidie in te dienen. Deze termijn is ook
                              toereikend wanneer de startdatum van het crisistijdvak – en daarmee
                              ook van het subsidietijdvak – vóór het indienen van de initiële
                              aanvraag ligt en UWV de maximale beslistermijn van zes weken
                              benut.</al>
                      <al>Nadat de aanvraag loonsubsidie is ingediend, informeert de werkgever
                              de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de
                              onderneming werkzame personen, per groep van uitwisselbare functies
                              over de uren waarover verminderde loondoorbetaling voor alle
                              werknemers binnen die groep heeft plaatsgevonden en waarvoor de
                              werkgever een aanvraag loonsubsidie heeft ingediend. Dit is nader
                              toegelicht in paragraaf 3.3.2.1.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Berekening hoogte loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <al>De totale loonsubsidie wordt berekend door de hoogte van de
                              loonsubsidie per werknemer in het subsidietijdvak te berekenen en deze
                              uitkomsten bij elkaar op te tellen. Om tot een loonsubsidie per
                              werknemer te komen, wordt het in aanmerking te nemen loon
                              vermenigvuldigd met het percentage werktijdvermindering. Deze uitkomst
                              wordt met 65% vermenigvuldigd, en vervolgens vermenigvuldigd met een
                              factor om de werkgeverslasten die bovenop het brutoloon komen te
                              compenseren. Dit leidt tot de volgende formule om de loonsubsidie per
                              werknemer in het subsidietijdvak te bepalen:</al>
                      <al>A x (B/C) x 0,65 x factor werkgeverslasten</al>
                      <al>Hierbij staat A voor het subsidiabele loon, B voor het aantal
                              subsidiabele uren en C voor het aantal verloonde uren. Deze begrippen
                              worden hieronder nader toegelicht.</al>
                      <al>A staat voor het subsidiabele loon, gelijk aan het geconstrueerde
                              loon over alle aangiftetijdvakken in het subsidietijdvak. Het
                              geconstrueerde loon is een benadering van het loon dat zou zijn
                              aangegeven in de betreffende aangiftetijdvakken indien er geen
                              verminderde loondoorbetaling zou hebben plaatsgevonden. Hoe het
                              geconstrueerde loon in de aangiftetijdvakken wordt bepaald, wordt
                              verderop in deze toelichting uitgelegd.</al>
                      <al>B staat voor het aantal subsidiabele uren die betrekking hebben op
                              het subsidietijdvak. Met onderhavig wetsvoorstel zal het begrip
                              subsidiabele uren worden geïntroduceerd in de gegevensset voor de
                              loonaangifte en opgenomen worden in de polisadministratie. In
                              onderhavig wetsvoorstel is het uitgangspunt dat uren waarop de
                              verminderde loondoorbetaling is toegepast in aanmerking komen voor
                              loonsubsidie. Uren waar geen verminderde loondoorbetaling op is
                              toegepast, komen niet in aanmerking voor loonsubsidie.</al>
                      <al>In onderhavig wetsvoorstel wordt een aantal aanvullende situaties
                              onder het subsidiabele urenbegrip gebracht of juist uitgezonderd. Ten
                              eerste wordt geregeld dat uren waarvoor de verminderde
                              loondoorbetaling niet heeft plaatsgevonden omdat de werknemer daarmee
                              onder het wettelijk minimumloon zou verdienen alsnog subsidiabel zijn.
                              Zoals in paragraaf 3.3.2.3 wordt beschreven, wordt in dit wetsvoorstel
                              geregeld dat een werknemer niet minder dan het minimumloon mag
                              ontvangen, waardoor er mogelijk geen sprake is van een verminderde
                              loondoorbetaling bij werknemers die rond het minimumloon verdienen. In
                              deze gevallen kan de verminderde loondoorbetaling niet (volledig)
                              plaatsvinden, maar is het vanwege het doel van het wetsvoorstel wel
                              wenselijk dat de werkgever loonsubsidie ontvangt. In deze situatie kan
                              de werkgever zodoende wél loonsubsidie aanvragen. Als de loonsubsidie
                              ook in deze situaties 65% zou bedragen, betekent dit dat de werkgever
                              35% van het loon over de niet-gewerkte uren zou moeten bijdragen. De
                              werknemer kan immers geen 10% bijdragen. De regering acht het van
                              belang dat werkgevers voor deze werknemers in beginsel niet meer dan
                              25% van het loon over de niet-gewerkte uren bijdragen, omdat het niet
                              wenselijk wordt geacht dat de werkgever extra kosten moet dragen
                              omwille van het in deze gevallen niet kunnen verminderen van het loon
                              met 10% over de niet-gewerkte uren. Dit wordt gerealiseerd met een
                              minimale loonsubsidie per subsidiabel uur ter hoogte van 75% van het
                              wettelijk minimumloon inclusief vakantiebijslag. De werking van de
                              minimale loonsubsidie wordt beschreven in de paragraaf <nadruk type="cur">Minimale loonsubsidie per uur</nadruk>.</al>
                      <al>Ten tweede kan loonsubsidie worden aangevraagd voor werknemers die
                              ten gevolge van ziekte, zwangerschap, of bevalling als bedoeld in
                              artikel 7:629 BW, de bedongen arbeid niet kunnen verrichten (hierna:
                              zieke werknemers) en waarvoor de verminderde loondoorbetaling niet kan
                              worden toegepast, omdat de loondoorbetaling op grond van 7:629 BW al
                              zodanig is verminderd dat de werknemer al 90% of minder van zijn loon
                              ontvangt. De regering vindt het beleidsmatig wenselijk werkgevers die
                              te maken hebben met een crisis ondersteuning te bieden ten aanzien van
                              zieke werknemers, omdat ook deze loonkosten blijven bestaan in tijden
                              van crisis. Daarnaast zou het uitsluiten van zieke werknemers voor
                              loonsubsidie leiden tot hoge administratieve lasten voor werkgevers en
                              problemen in de uitvoering en controle bij UWV. Voor zieke werknemers
                              wordt daarom geregeld dat de werkgever een proportioneel aantal
                              subsidiabele uren mag aangeven zoals dat geldt voor de groep van
                              uitwisselbare functies waartoe de werknemer behoort. Onder de zieke
                              werknemers vallen niet de werknemers die de arbeid niet kunnen
                              verrichten omdat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof genieten.
                              Tijdens dit verlof overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid,
                              van de Wet arbeid en zorg, geldt namelijk geen recht op doorbetaling
                              van loon. De werknemer ontvangt dan een uitkering en de werkgever
                              heeft dan ook geen tegemoetkoming nodig in het kader van loonkosten
                              over deze periode.</al>
                      <al>Ten derde kan loonsubsidie worden aangevraagd voor werknemers
                              waarvoor de verminderde loondoorbetaling niet kan worden toegepast,
                              omdat bij deze werknemers sprake is van loonbeslag en toepassing van
                              de verminderde loondoorbetaling bij verrekening zou leiden tot een
                              loon dat onder de beslagvrije voet ligt. Het is, om zowel economische
                              als uitvoeringstechnische redenen, onwenselijk als de werkgever bij
                              loonbeslag voor de betreffende werknemer geen loonsubsidie kan
                              aanvragen of moet wachten met de subsidieaanvraag totdat hij de
                              verminderde loondoorbetaling alsnog heeft kunnen toepassen. Deze
                              uitzondering ontslaat de werkgever niet van de verplichting om de
                              verminderde loondoorbetaling toe te passen op het moment dat de
                              situatie van de werknemer dit toelaat.</al>
                      <al>Ten vierde zal bij ministeriële regeling worden geregeld dat
                              niet-gewerkte uren niet subsidiabel zijn voor zover een
                              loondoorbetalingsverplichting geldt en de werknemer tijdens de
                              dienstbetrekking een uitkering op grond van de Ziektewet of WAZO
                              ontvangt. Op grond van artikel 7:629, lid 5, BW wordt een eventuele
                              uitkering in mindering gebracht op de loondoorbetalingsverplichting.
                              Tegelijkertijd worden deze uitkeringen vaak betaald door tussenkomst
                              van de werkgever en voegt de werkgever in de loonaangifte de bedragen
                              voor loon en uitkering samen tot één loonbedrag. Door te regelen dat
                              de niet-gewerkte uren waarvoor de werknemer een uitkering ontvangt
                              niet subsidiabel zijn, wordt voorkomen dat een werkgever zowel een
                              uitkering (die hij vervolgens doorbetaalt aan de werknemer) als
                              loonsubsidie ontvangt en daarmee dubbel tegemoetgekomen wordt. Door
                              dit te regelen in het subsidiabele urenbegrip en niet in het
                              loonbegrip wordt ook voorkomen dat werkgevers voor de aanvraag van
                              loonsubsidie in de loonaangifte een onderscheid moeten aanbrengen
                              tussen loon uit deze uitkeringen en het reguliere loon uit de
                              dienstbetrekking.</al>
                      <al>Subsidiabele uren worden aangegeven voor werknemers die niet op basis
                              van het aantal gewerkte uren worden verloond, maar bijvoorbeeld op
                              basis van provisie of stukloon. De werkgever kan ten gevolge van het
                              nieuwe artikel 7:660 BW immers ook de verminderde loondoorbetaling
                              toepassen op dergelijke beloningen (zie ook paragraaf 3.3.2.3). De
                              werkgever dient een inschatting te maken van het aantal uren dat de
                              werknemer niet heeft kunnen werken vanwege de crisis en deze op te
                              geven als subsidiabele uren.</al>
                      <al>De subsidiabele uren kunnen gedeeltelijk of geheel worden aangegeven
                              in aangiftetijdvakken na afloop van het subsidietijdvak. De werkgever
                              kan namelijk de verminderde loondoorbetaling verwerken in de
                              aangiftetijdvakken die meetellen voor de berekening van de
                              loonsubsidie, maar hij kan de verminderde loondoorbetaling ook op een
                              later moment toepassen, waardoor de subsidiabele uren in latere
                              aangiftetijdvakken worden verwerkt. Deze situatie kan van toepassing
                              zijn als de werkgever bijvoorbeeld tijd nodig heeft om de verminderde
                              loondoorbetaling te verwerken in de loonadministratie, of als hij
                              gebruikmaakt van de mogelijkheid om met terugwerkende kracht de
                              verminderde loondoorbetaling toe te passen en loonsubsidie aan te
                              vragen. Om hiermee rekening te houden worden ook de subsidiabele uren
                              meegenomen die aangegeven worden na afloop van de aangiftetijdvakken
                              die de werkgever bij zijn aanvraag voor loonsubsidie heeft aangemerkt.
                              Bovendien zorgt dit ervoor dat zowel werkgevers die de <nadruk type="cur">loon-in</nadruk> aangiftesystematiek als werkgevers die
                              de <nadruk type="cur">loon-over</nadruk> systematiek hanteren in alle
                              gevallen het aantal subsidiabele uren goed kunnen aangeven.<noot id="n55" type="voet"><noot.nr>55</noot.nr><noot.al>Werkgevers hanteren bij de loonaangifte de loon-in
                                    systematiek of de loon-over systematiek. Bij loon-in geeft de
                                    werkgever looncomponenten altijd aan in het aangiftetijdvak
                                    waarin de werknemer het loon geniet. Bij loon-over geeft de
                                    werkgever looncomponenten die betrekking hebben op een eerdere
                                    periode aan in het aangiftetijdvak van de betreffende
                                    periode.</noot.al></noot></al>
                      <al>C staat voor het aantal verloonde uren in het subsidietijdvak. Dit is
                              een bestaand gegeven in de loonaangifte. Het delen van B (het aantal
                              subsidiabele uren) door C (het aantal verloonde uren) vertegenwoordigt
                              het percentage werktijdvermindering in het subsidietijdvak. Door dit
                              te vermenigvuldigen met het subsidiabele loon wordt zo goed mogelijk
                              aangesloten bij het loon over de niet-gewerkte uren. Dit bedrag wordt
                              vermenigvuldigd met 65%, het deel van de loonkosten dat de overheid in
                              tijden van crisis op zich neemt. Tot slot wordt de uitkomst
                              vermenigvuldigd met de factor werkgeverslasten. Door de factor
                              werkgeverslasten toe te passen wordt de loonsubsidie niet alleen
                              berekend over het subsidiabel loon, maar ook over een (forfaitaire)
                              opslag op het subsidiabele loon waarmee wordt gecorrigeerd voor de
                              verschillende kosten die de werkgever heeft naast het brutoloon zoals
                              bijvoorbeeld premies voor werknemersverzekeringen en pensioenpremies.
                              De factor werkgeverslasten zal bij ministeriële regeling worden
                              vastgesteld. Bij de berekening van de loonsubsidie wordt in verband
                              met de consistentie en eenvoud gekeken naar de waarde zoals deze is
                              vastgesteld op de laatste dag van het subsidietijdvak. Als gedurende
                              het subsidietijdvak de vastgestelde factor werkgeverslasten wijzigt,
                              is hiermee duidelijk dat het UWV bij de berekening uitgaat van één en
                              (voor het subsidietijdvak) het meest actuele getal.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Berekening geconstrueerd loon per aangiftetijdvak</titel>
                      </kop>
                      <al>In de hierboven uitgelegde formule is A gelijk aan het geconstrueerde
                              loon over alle aangiftetijdvakken in het subsidietijdvak. Het
                              geconstrueerde loon is het loon dat zou zijn aangegeven in de
                              betreffende aangiftetijdvakken indien er geen verminderde
                              loondoorbetaling zou hebben plaatsgevonden. Het gaat hierbij om een
                              forfaitaire berekening, aangezien de informatie wat het loon zou zijn
                              geweest niet beschikbaar is in de polisadministratie. Het
                              geconstrueerde loon wordt bepaald volgens de volgende formule:</al>
                      <al>D / (1 – ((E/F) x 0,1))</al>
                      <al>Hierbij staat D voor het SV-loon, E voor het aantal subsidiabele uren
                              en F het aantal verloonde uren, allen in de aangiftetijdvakken waarin
                              het loon over het subsidietijdvak, is verantwoord. Deze begrippen
                              worden hieronder nader toegelicht.</al>
                      <al-groep>
                        <al>D staat voor het SV-loon conform artikel 16 van de Wet
                                 financiering sociale verzekeringen (Wfsv) in de betreffende
                                 aangiftetijdvakken, gecorrigeerd voor enkele looncomponenten die
                                 per ministeriële regeling worden vastgesteld. De regering kiest
                                 vanwege twee zwaarwegende redenen om bij de berekening van het
                                 geconstrueerde loon uit te gaan van het SV-loon:</al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>1)</li.nr>
                            <al>Het SV-loon hangt samen met zowel het werknemersbegrip
                                       (namelijk de werknemer in de zin van de WW, zie paragraaf
                                       2.7) als de financieringssystematiek (namelijk de
                                       financiering vanuit het AWf, zie paragraaf 2.7 en paragraaf
                                       6.4). Het SV-loon vormt immers de grondslag waarover de
                                       AWf-premie geheven wordt. Aangezien de AWf-premie enkel wordt
                                       geheven tot het maximumpremieloon, wordt ook het
                                       geconstrueerd loon gemaximeerd tot het, aan het
                                       maximumpremieloon gekoppelde, maximumdagloon. Voor het
                                       overgrote deel van de beroepsbevolking heeft dit geen
                                       gevolgen, omdat ze een salaris onder het maximumdagloon
                                       verdienen.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>2)</li.nr>
                            <al>Het SV-loon is opgenomen in de polisadministratie. Door uit
                                       te gaan van het SV-loon kan de loonsubsidie (zoveel mogelijk)
                                       geautomatiseerd berekend worden op basis van beschikbare
                                       gegevens in de polisadministratie.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>In de beleidsvoorbereidende fase heeft de regering verkend of in
                              plaats van het SV-loon, aangesloten kon worden bij het naar tijdruimte
                              vastgestelde loon per werknemer. Uit deze verkenning bleek dat het
                              aangeven van het naar tijdruimte vastgestelde loon een te groot beroep
                              zou doen op het doenvermogen van werkgevers. Naar verwachting zullen
                              veel werkgevers dit niet goed kunnen bepalen waardoor de kans op
                              fouten te groot zou worden. Ook staan de administratieve lasten die
                              gepaard gaan met het aangeven van dit loonbegrip niet in verhouding
                              tot het subsidiebedrag.</al>
                      <al>Het is noodzakelijk om het SV-loon voor een aantal zaken te
                              corrigeren om tot een subsidiabel loon te komen dat het loon over de
                              niet-gewerkte uren goed representeert. Het SV-loon wijkt immers af van
                              het loonbegrip dat van toepassing is voor de (verminderde)
                              loondoorbetaling op grond van 7:628 BW. Ten eerste bevat het SV-loon
                              informatie over het loon dat genoten is in een bepaald aangiftetijdvak
                              en niet over de uren die niet gewerkt zijn. Ten tweede bevat het
                              SV-loon zowel loonbestanddelen die structureel als incidenteel worden
                              genoten, terwijl incidentele loonbestanddelen niet altijd behoren tot
                              het naar tijdruimte vastgestelde loon. En in het verlengde daarvan
                              geldt dat de (periodieke) opbouw van uitgesteld loon zoals
                              vakantiebijslag of een eindejaarsuitkering (zoals een dertiende maand)
                              tot het naar tijdruimte vastgesteld loon behoort, maar niet tot het
                              SV-loon. Pas wanneer dit uitgestelde loon wordt uitbetaald, komt dit
                              tot uitdrukking in het SV-loon.</al>
                      <al>Voor de berekening van de loonsubsidie wordt het SV-loon om deze
                              redenen gecorrigeerd. UWV doet dit op basis van gegevens die de
                              werkgever via de loonaangifte aanlevert. De regering is voornemens om
                              het SV-loon te vermeerderen met de periodieke opbouw van
                              vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag en te verminderen met het
                              loon dat belast wordt volgens de loonbelastingtabel voor bijzondere
                              beloningen. Bij ministeriële regeling wordt dit verder geregeld.</al>
                      <al>Verder wordt alleen het SV-loon in aanmerking genomen voor zover dit
                              loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is ingevolge de Wet op de
                              loonbelasting 1964. Dit betekent dat loon uit vroegere
                              dienstbetrekking niet tot het subsidiabele loon kan behoren. Het gaat
                              hier met name om situaties waarbij de werknemer een uitkering op grond
                              van de werknemersverzekering ontvangt. Het ligt voor de hand om deze
                              situaties uit te sluiten, omdat dit loon niet wordt genoten vanwege
                              verrichte werkzaamheden uit een actieve dienstbetrekking waaruit
                              vanwege een crisissituatie werktijdvermindering kan ontstaan.</al>
                      <al>E staat voor het aantal subsidiabele uren in de betreffende
                              aangiftetijdvakken. Dit is het aantal uren waarop de verminderde
                              loondoorbetaling overeenkomstig artikel 7:660b, eerste lid, onderdeel
                              b, BW, is toegepast tijdens het subsidietijdvak. De subsidiabele uren
                              zijn van belang voor het construeren van het loon, omdat deze
                              informatie bevatten over het toepassen van de verminderde
                              loondoorbetaling in de betreffende aangiftetijdvakken. Voor een goede
                              werking van de formule is het van belang dat het aantal subsidiabele
                              uren dat door de werkgever in de aangiftetijdvakken wordt aangegeven,
                              overeenkomt met de vermindering van het SV-loon als gevolg van
                              toepassing van de verminderde loondoorbetaling.</al>
                      <al>F staat voor het aantal verloonde uren in de betreffende
                              aangiftetijdvakken. Dit is het aantal uren waarvoor een werknemer is
                              betaald in de aangiftetijdvakken, ongeacht of het volledige loon is
                              doorbetaald of er een verminderde loondoorbetaling heeft
                              plaatsgevonden. Zowel uren die 100% zijn doorbetaald als uren waarop
                              een verminderde loondoorbetaling van toepassing is, tellen volledig
                              mee in het verloonde urenbegrip. Dit is reeds een bestaand gegeven in
                              de polisadministratie. Indien de werknemer niet op basis van uren
                              wordt beloond, maar bijvoorbeeld op basis van provisie of stukloon,
                              dient de werkgever een inschatting te maken van het aantal uren dat de
                              werknemer heeft gewerkt plus het aantal uren dat de werknemer vanwege
                              de crisis niet heeft gewerkt en gezamenlijk als verloonde uren aan te
                              geven.</al>
                      <al>Het SV-loon wordt gedeeld door de factor (1 – ((E/F) x 0,1)) om op
                              forfaitaire wijze het loon vóór verwerking van de verminderde
                              loondoorbetaling te construeren. De factor E/F staat hierbij voor het
                              percentage werktijdvermindering in de betreffende aangiftetijdvakken.
                              Deze berekening is noodzakelijk om te voorkomen dat het van invloed is
                              op de hoogte van de loonsubsidie of de werkgever de verminderde
                              loondoorbetaling aangeeft in aangiftetijdvakken na afloop van het
                              subsidietijdvak of tijdens het subsidietijdvak. Zonder construeren zal
                              een werkgever die de verminderde loondoorbetaling verwerkt in een
                              aangiftetijdvak binnen het subsidietijdvak een lagere loonsubsidie
                              ontvangen dan een werkgever die de verminderde loondoorbetaling na
                              afloop verwerkt. Ook zou zonder construeren de subsidiehoogte kunnen
                              afhangen van de aangiftesystematiek die de werkgever hanteert.</al>
                      <al>Het geconstrueerde loon kan ook berekend worden in situaties waarin
                              de werkgever meer subsidiabele uren aangeeft dan verloonde uren. Dit
                              doet zich voor wanneer de werkgever de verminderde loondoorbetaling
                              (deels) later verwerkt in de loonadministratie, bijvoorbeeld omdat de
                              verminderde loondoorbetaling met terugwerkende kracht plaatsvindt. In
                              dergelijke gevallen zal de werkgever voor meerdere maanden aan
                              verminderde loondoorbetaling in één keer verwerken, en daarmee ook
                              voor meerdere maanden subsidiabele uren aangeven. Het verwerken van
                              meerdere maanden verminderde loondoorbetaling in één aangiftetijdvak
                              leidt an sich niet tot een hogere of lagere loonsubsidie ten opzichte
                              van een gelijkmatige verwerking van de verminderde
                              loondoorbetaling.</al>
                      <al>Construeren is echter niet in alle situaties wenselijk. In onderhavig
                              wetsvoorstel wordt geregeld dat bij werknemers waarvoor al een
                              verminderde loondoorbetaling vanwege ziekte geldt het loon bij
                              benadering niet geconstrueerd wordt. Construeren zou namelijk leiden
                              tot willekeurige uitkomsten, afhankelijk van of de werkgever de
                              subsidiabele uren aangeeft in aangiftetijdvakken die betrekking hebben
                              op het subsidietijdvak of in aangiftetijdvakken buiten het
                              subsidietijdvak. Aangezien loonvermindering op basis van dit
                              wetsvoorstel niet (volledig) kan plaatsvinden in deze situaties, hoeft
                              het loon ook niet (volledig) geconstrueerd te worden. Om dit te
                              benaderen wordt voor deze aangiftetijdvakken de subsidiabele uren E
                              gelijk gesteld aan nihil. UWV kan signaleren wanneer er niet
                              geconstrueerd moet worden doordat de werkgever de code incidentele
                              inkomstenvermindering in verband met ziekte moet aangeven voor deze
                              werknemers. Deze code wordt al toegepast bij dagloonvaststellingen als
                              er sprake is van verminderde loondoorbetaling vanwege ziekte. Indien
                              de code incidentele inkomstenvermindering in verband met ziekte van
                              toepassing is op een werknemer wordt voor de berekening van het
                              geconstrueerde loon de subsidiabele uren in het betreffende
                              aangiftetijdvak gelijk gesteld aan nihil. Voor de berekening van de
                              loonsubsidie wordt het aantal subsidiabele uren B wel gewoon
                              meegenomen. Zie ook voorbeeld 4.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Minimale loonsubsidie per uur</titel>
                      </kop>
                      <al>Voor werknemers die tot 111,1% van het wettelijk minimumloon
                              verdienen is het niet in alle gevallen mogelijk om de verminderde
                              loondoorbetaling (volledig) in te houden omdat de werknemer anders
                              niet het wettelijk minimumuurloon zou verdienen. In deze gevallen past
                              de werkgever de verminderde loondoorbetaling toe tot maximaal het
                              wettelijk minimumuurloon per niet-gewerkt uur. De werkgever kan
                              vervolgens, ook al heeft hij de verminderde loondoorbetaling niet
                              volledig kunnen toepassen, wel loonsubsidie aanvragen. Het
                              uitgangspunt daarbij is dat de werkgever niet meer dan 25% van de
                              loonkosten over de niet-gewerkte uren betaalt.</al>
                      <al>In deze gevallen is de uitkomst van de formule voor het construeren
                              van het loon niet passend. Er ontstaat dan namelijk verschil in hoogte
                              van de subsidie, afhankelijk van welke aangiftesystematiek de
                              werkgever hanteert. Om deze willekeur te ondervangen is in onderhavig
                              wetsvoorstel een minimale loonsubsidie per uur opgenomen. De minimale
                              loonsubsidie bedraagt 75% van het wettelijk minimumloon inclusief
                              vakantiebijslag, zoals deze geldt op de laatste dag van het
                              subsidietijdvak, vermeerderd met de factor werkgeverslasten die bij
                              ministeriële regeling wordt vastgesteld. Voor de waarde van de
                              werkgeverslasten wordt ook gekeken naar laatste dag van het
                              subsidietijdvak. Op moment van totstandkoming van dit wetsvoorstel
                              wordt uitgegaan van een opslag van 23,5%, gebaseerd op de vergoeding
                              voor de werkgeverslasten bij loonkostensubsidie in de Participatiewet
                              zoals dit gold tot 2025.<noot id="n56" type="voet"><noot.nr>56</noot.nr><noot.al>Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021 (<extref doc="stcrt-2021-993" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt</nadruk>. 2021, 993</extref>)</noot.al></noot> De factor werkgeverslasten zou op basis van dit percentage op
                              1,235 worden vastgesteld.</al>
                      <al>Deze berekening van de minimale loonsubsidie per uur wordt parallel
                              aan de reguliere berekening van de loonsubsidie uitgevoerd. UWV
                              gebruikt vervolgens voor de berekening van de loonsubsidie de
                              berekening waarvan de uitkomst het hoogste bedrag aan loonsubsidie is.
                              In de praktijk zal de hoogte van de loonsubsidie voor werknemers die
                              tot 115,4% van het minimumloon verdienen gebaseerd zijn op de formule
                              voor de berekening van de minimale loonsubsidie per uur. Voor
                              werknemers die 115,4% van het wettelijk minimumloon of meer verdienen
                              zal de loonsubsidie berekend worden met de reguliere formule.</al>
                      <al>De minimale loonsubsidie per uur heeft als gevolg dat de procentuele
                              bijdrage van de werkgever voor werknemers tot 115,4% WML varieert
                              tussen de 18,6% en 25%. Het grootste effect vindt plaats bij
                              werknemers die iets meer dan het wettelijk minimumloon verdienen met
                              een laag percentage werktijdvermindering. Dit effect is niet beoogd
                              met de introductie van de minimale loonsubsidie per uur, maar is
                              onvermijdelijk. De regering accepteert deze consequentie omdat zij het
                              belangrijker vindt dat willekeur in de hoogte van de loonsubsidie
                              wordt voorkomen en dat werkgevers in tijden van crisis niet meer dan
                              25% van de loondoorbetalingsverplichting voor hun rekening hoeven te
                              nemen.</al>
                      <al>Voor werknemers onder 21 jaar geldt het minimumjeugdloon per uur.
                              Voor deze werknemers wordt de minimale loonsubsidie per uur
                              vastgesteld op 75% van het jeugdminimumloon zoals deze geldt voor de
                              betreffende werknemer op de laatste dag van het subsidietijdvak.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Voorbeelden</titel>
                      </kop>
                      <al>Ter illustratie volgen hieronder enkele numerieke voorbeelden voor de
                              berekening van de loonsubsidie bij enkele verschillende scenario’s.
                              Hierbij wordt eerst uitgelegd hoe UWV het SV-loon vaststelt en
                              vervolgens per aangiftetijdvak construeert. Met de geconstrueerde
                              lonen kan de totale loonsubsidie berekend worden.</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Voorbeeld 1: basisuitwerking berekening
                                    loonsubsidie</nadruk>
                        </al>
                        <al>Het subsidietijdvak loopt van 1 maart t/m 30 april. De werkgever
                                 doet maandelijks loonaangifte en geeft in zijn subsidieaanvraag aan
                                 dat het loon verwerkt is in de aangiftetijdvakken maart en april.
                                 De werkgever levert voor werknemer A de volgende gegevens aan:</al>
                      </al-groep>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Voorbeeld 1: werknemer A</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="258*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="47*" />
                          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="47*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="1" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Regulier</al>
                              </entry>
                              <entry align="center" colname="col3" colsep="1" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                                <al>Subsidietijdvak</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Februari</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Maart</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>April</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Verloonde uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Subsidiabele-uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>SV-loon</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 3.000</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.700</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.700</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Loon tabel bijzondere beloningen</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Opbouw vakantiebijslag en
                                             arbeidsvoorwaardenbedrag</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 240</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 216</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 216</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>De werkgever heeft de verminderde loondoorbetaling verwerkt in de
                              aangiftetijdvakken die zien op de subsidieperiode, dus in maart en
                              april. UWV berekent als volgt de loonsubsidie:</al>
                      <al-groep>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>1.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">SV-loon per aangiftetijdvak:</nadruk>
                            </al>
                            <al>UWV stelt het SV-loon over de aangiftetijdvakken vast door
                                       het SV-loon te verminderen met het bedrag aan loon belast
                                       volgens tabel bijzondere beloningen en te vermeerderen met de
                                       opbouw van vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag. Het
                                       SV-loon dat is gecorrigeerd in zowel maart als april is
                                       € 2.700 – 0 + € 216 = € 2.916.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>2.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Geconstrueerd loon:</nadruk>
                            </al>
                            <al>Toepassing van de formule om het geconstrueerde loon te
                                       berekenen geeft de volgende uitkomst:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="85mm" formaat="png" hoogte="12mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-003.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>3.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Berekening totale loonsubsidie</nadruk>
                            </al>
                            <al>Vervolgens kan de loonsubsidie worden berekend door middel
                                       van de volgende formule:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="93mm" formaat="png" hoogte="7mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-004.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>De loonsubsidie voor deze werknemer bedraagt dus €  5.201,82.</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Voorbeeld 2: werkgever verwerkt de
                                    werknemersbijdrage na afloop van het crisistijdvak</nadruk>
                        </al>
                        <al>Het subsidietijdvak loopt van 1 maart t/m 30 april. De werkgever
                                 doet maandelijks loonaangifte en geeft in zijn subsidieaanvraag aan
                                 dat het loon verwerkt is in de aangiftetijdvakken maart en april.
                                 De werkgever levert voor werknemer A de volgende gegevens aan:</al>
                      </al-groep>
                      <?xpp ep?>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Voorbeeld 2: werknemer B</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="258*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="47*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="47*" />
                          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="49*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="1" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="center" colname="col2" colsep="1" morerows="0" nameend="col3" namest="col2" rotate="0" valign="top">
                                <al>Subsidietijdvak</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Regulier</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Maart</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>April</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Mei</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Verloonde uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Subsidiabele uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>314</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>SV-loon</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 3.000</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 3.000</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.400</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Loon tabel bijzondere beloningen</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Opbouw vakantiebijslag en
                                             arbeidsvoorwaardenbedrag</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 240</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 240</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 192</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>De werkgever heeft de verminderde loondoorbetaling verwerkt in een
                              aangiftetijdvak dat ligt na het subsidietijdvak, namelijk in mei. UWV
                              berekent als volgt de loonsubsidie:</al>
                      <al-groep>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>1.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">SV-loon per aangiftetijdvak:</nadruk>
                            </al>
                            <al>UWV stelt het SV-loon per aangiftetijdvak vast door het
                                       SV-loon te verminderen met het bedrag aan loon belast volgens
                                       tabel bijzondere beloningen en te vermeerderen met de opbouw
                                       van vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag. Het SV-loon
                                       dat is gecorrigeerd in zowel maart als april is € 3.000 – € 0
                                       + € 240 = € 3.240.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>2.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Geconstrueerd loon:</nadruk>
                            </al>
                            <al>Toepassing van de formule om het geconstrueerde loon te
                                       berekenen geeft de volgende uitkomst:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="83mm" formaat="png" hoogte="12mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-005.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>3.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Berekening totale loonsubsidie</nadruk>
                            </al>
                            <al>Vervolgens kan de loonsubsidie worden berekend door middel
                                       van de volgende formule:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="95mm" formaat="png" hoogte="8mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-006.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>Het subsidiebedrag voor werknemer B is even hoog als het
                              subsidiebedrag voor werknemer A uit Voorbeeld 1.</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Voorbeeld 3: werkgever kan de loondoorbetaling
                                    niet verminderen in verband met Wml</nadruk>
                        </al>
                        <al>Het subsidietijdvak loopt van 1 maart t/m 30 april. De werkgever
                                 doet maandelijks loonaangifte en geeft in zijn subsidieaanvraag aan
                                 dat het loon verwerkt is in de aangiftetijdvakken maart en april.
                                 De werkgever levert voor werknemer A de volgende gegevens aan:</al>
                      </al-groep>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Voorbeeld 3: werknemer C</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="163*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="50*" />
                          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="50*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Regulier</al>
                              </entry>
                              <entry align="center" colname="col3" colsep="1" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                                <al>Subsidietijdvak</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Februari</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Maart</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>April</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Verloonde uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Subsidiabele uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>SV-loon</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.083</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.083</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.083</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Loon tabel bijzondere beloningen</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Opbouw vakantiebijslag en
                                             arbeidsvoorwaardenbedrag</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 167</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 167</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 167</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>De werkgever heeft de verminderde loondoorbetaling niet kunnen
                              verwerken omdat de werknemer het wettelijk minimumloon uitbetaald
                              krijgt. UWV voert zowel de reguliere berekening als de berekening voor
                              de minimale loonsubsidie per uur uit.</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Reguliere berekening</nadruk>
                        </al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>1.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">SV-loon per aangiftetijdvak:</nadruk>
                            </al>
                            <al>UWV stelt het SV-loon per aangiftetijdvak vast door het
                                       SV-loon te verminderen met het bedrag aan loon belast volgens
                                       tabel bijzondere beloningen en te vermeerderen met de opbouw
                                       van vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag. Het SV-loon
                                       dat is gecorrigeerd in zowel maart als april is € 2.083 – 0 +
                                       € 167 = € 2.250.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>2.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Geconstrueerd loon:</nadruk>
                            </al>
                            <al>Toepassing van de formule om het geconstrueerde loon te
                                       berekenen geeft de volgende uitkomst:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="92mm" formaat="png" hoogte="12mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-007.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>3.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Berekening totale loonsubsidie:</nadruk>
                            </al>
                            <al>Vervolgens kan de loonsubsidie worden berekend doormiddel
                                       van de volgende formule:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="105mm" formaat="png" hoogte="9mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-008.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Minimale loonsubsidie per uur</nadruk>
                        </al>
                        <al>Bij de berekening van de minimale loonsubsidie per uur wordt het
                                 aantal subsidiabele uren vermenigvuldigd met het 75% van het WML
                                 per uur inclusief vakantiebijslag, vermenigvuldigd met 1,235 voor
                                 de werkgeverslasten. Op 1 januari 2024 was het WML per uur € 13,27.
                                 Dit leidt tot de volgende formule:</al>
                      </al-groep>
                      <al>
                        <nadruk type="cur">Loonsubsidie</nadruk> = 314 * € 13,27 * 1,08 * 0,75 * 1,235 = € 4.168,24</al>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Conclusie</nadruk>
                        </al>
                        <al>De berekening van de loonsubsidie via de formule van de minimale
                                 loonsubsidie per uur valt hoger uit dan de reguliere berekening.
                                 UWV maakt altijd het hoogste bedrag over aan de werkgever. In dit
                                 geval € 4.168,24.</al>
                      </al-groep>
                      <al-groep>
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Voorbeeld 4: werkgever kan de
                                    loondoorbetaling niet verminderen van een zieke
                                    werknemer</nadruk>
                        </al>
                        <al>Het subsidietijdvak loopt van 1 maart t/m 30 april. De werkgever
                                 doet maandelijks loonaangifte en geeft in zijn subsidieaanvraag aan
                                 dat het loon verwerkt is in de aangiftetijdvakken maart en april.
                                 De werkgever levert voor werknemer A de volgende gegevens aan:</al>
                      </al-groep>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Voorbeeld 1: werknemer A</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="4" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="258*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="49*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="47*" />
                          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="47*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="1" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Regulier</al>
                              </entry>
                              <entry align="center" colname="col3" colsep="1" morerows="0" nameend="col4" namest="col3" rotate="0" valign="top">
                                <al>Subsidietijdvak</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Februari</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Maart</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>April</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Verloonde uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Subsidiabele-uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>157</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>SV-loon</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 3.000</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.700</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 2.100</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Loon tabel bijzondere beloningen</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 0</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" thscope="row" valign="top">
                                <al>Opbouw vakantiebijslag en
                                             arbeidsvoorwaardenbedrag</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 240</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 216</al>
                              </entry>
                              <entry align="right" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>€ 168</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>De werkgever heeft de verminderde loondoorbetaling verwerkt in maart,
                              een aangiftetijdvak dat ziet op de subsidieperiode. In april heeft er
                              geen verminderde loondoorbetaling worden toegepast, omdat de werknemer
                              ten gevolge van zijn ziekte al minder dan 90% van zijn loon
                              doorbetaald kreeg. UWV berekent als volgt de loonsubsidie:</al>
                      <al-groep>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>1.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">SV-loon per aangiftetijdvak:</nadruk>
                            </al>
                            <al>UWV stelt het SV-loon over de aangiftetijdvakken vast door
                                       het SV-loon te verminderen met het bedrag aan loon belast
                                       volgens tabel bijzondere beloningen en te vermeerderen met de
                                       opbouw van vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag. Het
                                       SV-loon dat is gecorrigeerd in maart bedraagt € 2.700 – 0 +
                                       € 216 = € 2.916 en in april € 2.700 – 0 + € 168 =
                                       € 2.268.</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>2.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Geconstrueerd loon:</nadruk>
                            </al>
                            <al>Toepassing van de formule om het geconstrueerde loon te
                                       berekenen geeft de volgende uitkomst:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="87mm" formaat="png" hoogte="12mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-009.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>3.</li.nr>
                            <al>
                              <nadruk type="ondlijn">Berekening totale loonsubsidie</nadruk>
                            </al>
                            <al>Vervolgens kan de loonsubsidie worden berekend door middel
                                       van de volgende formule:</al>
                            <plaatje>
                              <illustratie breedte="105mm" formaat="png" hoogte="10mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-010.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                            </plaatje>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>De loonsubsidie voor deze werknemer bedraagt dus € 4.380,48.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Afwijkende aangiftetijdvakken</titel>
                      </kop>
                      <al-groep>
                        <al>Bij de berekening van de loonsubsidie wordt gebruik gemaakt van de
                                 gegevens uit de polisadministratie. Hierdoor sluit de
                                 subsidieberekening op subsidietijdvakniveau zo goed mogelijk aan
                                 bij de loongegevens die op aangiftetijdvakniveau beschikbaar zijn.
                                 Het uitgangspunt hierbij is dat de werkgever aangifte loonheffingen
                                 doet over een periode van vier weken of een maand. Dit zijn de
                                 meest gangbare perioden. Een werkgever kan echter ook
                                 aangiftetijdvakken van een halfjaar of een jaar hebben. Voor dit
                                 wetsvoorstel gaat het in ieder geval om de volgende groepen<noot id="n57" type="voet"><noot.nr>57</noot.nr><noot.al>Belastingdienst (2025) <nadruk type="cur">Handboek
                                          Loonheffingen 2025</nadruk>. Versie maart 2025. Paragraaf
                                       13.1 Aangiftetijdvakken.</noot.al></noot>:</al>
                        <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                          <li>
                            <li.nr>–</li.nr>
                            <al>personeel van zelfstandige binnenschippers die aan boord van
                                       het schip wonen (aangiftetijdvak is een halfjaar)</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>–</li.nr>
                            <al>personeel aan huis met een dienstbetrekking (anders dan met
                                       het thuiszorgbureau), waaronder personeel in het kader van
                                       een persoonsgebonden budget voor zorg, waarbij de hulp zelf
                                       geregeld wordt en de regeling dienstverlening aan huis niet
                                       van toepassing is (aangiftetijdvak is een jaar).</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </al-groep>
                      <al>Werkgevers van dergelijk personeel kunnen in de knel komen als ze
                              geraakt zijn door een crisis en loonsubsidie willen aanvragen na het
                              toepassen van de verminderde loondoorbetaling. Met de gekozen
                              systematiek mag de werkgever zijn aanvraag namelijk pas indienen nadat
                              hij zijn loonaangifte heeft gedaan over alle loontijdvakken waarover
                              loonsubsidie wordt aangevraagd. Tegelijkertijd moet een werkgever
                              uiterlijk binnen 26 weken na de laatste dag van het crisistijdvak de
                              aanvraag voor loonsubsidie indienen. De combinatie van beide vereisten
                              kan bij werkgevers met een afwijkend aangiftetijdvak van een
                              (half)jaar knellen. Ze zouden lang moeten wachten om loonsubsidie te
                              kunnen aanvragen en bovendien hebben ze mogelijk nog geen loonaangifte
                              gedaan voordat de aanvraagtermijn voor de loonsubsidie al is
                              verstreken. Daarmee zou het voor deze werkgever veelal onmogelijk zijn
                              een loonsubsidie te ontvangen.</al>
                      <al>Voor de werkgevers met aangiftetijdvak van een (half)jaar wordt
                              daarom een uitzondering gemaakt bij de subsidieverlening. Het vereiste
                              dat voorafgaand aan de aanvraag loonaangifte moet zijn gedaan, komt
                              voor deze werkgevers te vervallen. In plaats van gegevens in de
                              polisadministratie, mogen deze werkgevers andere bewijsstukken
                              aanleveren waarmee UWV het voorschot aan loonsubsidie zal berekenen.
                              Zo kan ook deze groep werkgevers tijdig een loonsubsidie aanvragen.
                              Dit betekent dat er afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de
                              loonsubsidie geautomatiseerd berekend wordt. Aangezien het om een
                              beperkte groep werkgevers gaat, zal naar verwachting voor UWV nog
                              steeds mogelijk zijn om binnen zes weken de aanspraak op loonsubsidie
                              te beoordelen. Over alle loontijdvakken waarover de werkgever
                              loonsubsidie aanvraagt, zal hij de volgende gegevens inzichtelijk
                              moeten maken: de subsidiabele en verloonde uren, het SV-loon en
                              eventueel het loon belast volgens tabel bijzondere beloningen,
                              vakantiebijslag, opgebouwde recht vakantiebijslag, opname
                              arbeidsvoorwaardenbedrag en opbouw arbeidsvoorwaardenbedrag.</al>
                      <al>De uitzondering ziet enkel op de verlening van de subsidie. Bij de
                              vaststelling wordt wel gebruik gemaakt van de gegevens die volgen uit
                              de polisadministratie. Daarmee sluit de systematiek zoveel mogelijk
                              aan op die bij de werkgevers met aangiftetijdvakken van vier weken of
                              een maand. Naar verwachting zal het voorschot aansluiten op de
                              uitkomst van de vaststelling. De gevraagde gegevens zijn namelijk ook
                              de gegevens die een werkgever zal aangeven bij zijn aangifte
                              loonheffingen. UWV gaat over op de ambtshalve vaststelling als na
                              afloop van het crisistijdvak ten minste 26 weken zijn verstreken. Voor
                              de werkgevers met aangiftetijdvakken van een (half)jaar zal UWV een
                              afwijkende beslistermijn hanteren. Hier geldt namelijk hetzelfde als
                              bij de aanvraag: mogelijk heeft de werkgever nog geen aangifte moeten
                              doen op het moment dat UWV begint met vaststellen. Als de werkgever
                              met een afwijkend aangiftetijdvak later dan 27 weken na afloop van het
                              crisistijdvak loonaangifte doet, start de vaststellingstermijn op het
                              moment dat er loonaangifte is gedaan. De beslistermijn voor de
                              ambtshalve vaststelling eindigt dan uiterlijk 4 maanden daarna.</al>
                      <al>In onderstaande figuur zijn twee voorbeelden weergegeven. In het
                              eerste voorbeeld is een werkgever in de eerste twee maanden geraakt
                              door een crisis. In het reguliere proces zou UWV overgaan tot de
                              ambtshalve vaststelling in augustus. Maar een werkgever die per jaar
                              aangifte doet, heeft dan nog geen loonaangifte gedaan. Dat doet hij
                              pas in januari het jaar erop. In dit geval start de
                              vaststellingstermijn pas nadat er loonaangifte is gedaan. UWV heeft
                              vervolgens vier maanden de tijd om vast te stellen. In voorbeeld twee
                              is dezelfde werkgever pas in september en oktober geraakt door een
                              crisis. In dit geval geldt de reguliere vaststellingstermijn. Die
                              start namelijk in mei van het volgende jaar. Op dat moment heeft deze
                              werkgever al loonaangifte gedaan voor het subsidietijdvak waarmee UWV
                              de subsidie kan vaststellen.</al>
                      <plaatje>
                        <illustratie breedte="143mm" formaat="png" hoogte="16mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-011.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      </plaatje>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Uitzonderingen bij de loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <al>De loonsubsidie kan worden toegepast op de werknemer zoals
                              gedefinieerd in dit wetsvoorstel, namelijk: de werknemer in de zin van
                              de Werkloosheidswet, niet zijnde een overheidswerknemer. Het
                              werknemersbegrip in de Werkloosheidswet omvat alleen personen jonger
                              dan de AOW-gerechtigde leeftijd, AOW-gerechtigden hebben daardoor geen
                              recht op een WW-uitkering. Voor de loonsubsidie uit dit wetsvoorstel
                              geldt ook dat zij buiten het werknemersbegrip vallen. De regering
                              onderkent het belang van personeelsbehoud van AOW-gerechtigde
                              werknemers en heeft daarom de instrumenten verminderde
                              loondoorbetaling en herplaatsing voor hen wel van toepassing gemaakt.
                              De regering vindt het echter wel wenselijk om AOW-gerechtigde
                              werknemers uit te sluiten van de loonsubsidie omdat dit in
                              overeenstemming is met veel andere sociale regelingen die de
                              loonkosten voor werkgevers verlagen. Zo zijn bijvoorbeeld de
                              loonkostenvoordelen uit de Wet tegemoetkomingen Loondomein, de
                              no-riskpolis bij ziekte en de loondispensatie voor Wajong-ers ook niet
                              toepassing voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd. De
                              uitsluiting past ook bij de voorgenomen financiering van dit
                              wetsvoorstel (middels een verhoging van de AWf-premie). Voor
                              AOW-gerechtigde werknemers is geen AWf-premie verschuldigd. Werkgevers
                              betalen voor deze groep niet mee aan de financiering van de
                              loonsubsidie in dit wetsvoorstel.</al>
                      <al>Door in dit wetsvoorstel uit te gaan van het werknemersbegrip in de
                              WW gelden de territoriale bepalingen uit de WW ook voor de
                              loonsubsidie in dit wetsvoorstel. In de WW geldt de basisregel dat
                              werknemers die hun dienstbetrekking buiten Nederland en het Nederlands
                              continentaal plat uitvoeren niet onder de WW vallen. De regering vindt
                              het wenselijk dat de loonsubsidie ook alleen voor deze doelgroep kan
                              worden toegepast, dit om te voorkomen dat buitenlandse werkgevers
                              zonder verbinding met Nederland er een beroep op kunnen doen, zeker
                              als deze buitenlandse werkgevers ook niet meebetalen aan de
                              financiering van deze loonsubsidie (via premies aan het Nederlandse
                              AWf).</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Ontslag om bedrijfseconomische redenen tijdens en na afloop van
                                 het crisistijdvak</titel>
                      </kop>
                      <al>Het doel van dit wetsvoorstel is om levensvatbare bedrijven te
                              ondersteunen in het behouden van zo veel mogelijk werknemers tijdens
                              een crisis. Voor werkgevers biedt dit wetsvoorstel meer interne
                              wendbaarheid en flexibiliteit, wat kan bijdragen aan het behoud van
                              werkgelegenheid binnen levensvatbare bedrijven die zonder de steun als
                              gevolg van een crisis mogelijk kennis en expertise van (meer)
                              werknemers verloren zien gaan. Vanuit dit doel is het belangrijk om de
                              voorwaarden voor het instrument loonsubsidie daarbij aan te laten
                              sluiten.</al>
                      <al>Zoals uiteengezet in paragraaf 3.3.2.1 mag de werkgever tijdens het
                              crisistijdvak geen verzoek hebben ingediend om toestemming voor
                              bedrijfseconomisch ontslag bij UWV, een ontslagcommissie of de
                              kantonrechter. Ook mag die toestemming niet al zijn verkregen, en de
                              arbeidsovereenkomst mag ook niet door al de kantonrechter zijn
                              ontbonden. De werkgever die niet aan deze voorwaarde voldoet mag de
                              arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde
                              loondoorbetaling vanaf het moment van indienen van dat verzoek de
                              instrumenten niet (meer) inzetten voor de betreffende werknemer.
                              Aangezien het toepassen van de verminderde loondoorbetaling een
                              voorwaarde is voor de loonsubsidie, is er vanaf diezelfde datum ook
                              geen recht meer op de loonsubsidie (ten aanzien van deze werknemer).
                              Dat is beleidsmatig wenselijk omdat vanaf de datum van indienen van
                              het verzoek de werkgever niet meer de intentie heeft de baan van de
                              betreffende werknemer te behouden.</al>
                      <al>Daarnaast is ervoor gekozen om het indienen of het beschikken van een
                              verzoek om toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag ook gevolgen te
                              laten hebben voor de hoogte van de loonsubsidie. Voor werkgevers die
                              tijdens of tot en met vier maanden na afloop van het crisistijdvak een
                              verzoek om toestemming voor bedrijfseconomisch hebben ingediend bij
                              UWV, een ontslagcommissie of de kantonrechter of over die toestemming
                              beschikken, wordt de loonsubsidie over de periode voorafgaand aan de
                              indiening 25% verlaagd ten aanzien van de werknemer voor wie het
                              verzoek is ingediend. Deze verlaging wordt zowel toegepast bij
                              verlening van de loonsubsidie als bij de (ambtshalve) vaststelling van
                              de loonsubsidie. Voor zover werkgevers de loonsubsidie al hebben
                              ontvangen dienen zij deze 25% terug te betalen. Dit percentage van 25%
                              is de uitkomst van de volgende afweging.</al>
                      <al>Enerzijds is een verlaging van de loonsubsidie wenselijk om voor
                              werkgevers ertoe aan te zetten om voorafgaand aan een aanvraag op
                              grond van dit wetsvoorstel goed na te denken over zaken als de
                              levensvatbaarheid van het bedrijf of de banen waarvoor de loonsubsidie
                              wordt ingezet. Banen die alleen voor de duur van de inzet van de
                              loonsubsidie worden behouden, en na afloop ervan alsnog niet behouden
                              kunnen worden, dragen niet bij aan het doel van dit wetsvoorstel. Dit
                              kan zich bijvoorbeeld voordoen bij niet-levensvatbare ondernemingen
                              die ook zonder de crisissituatie structureel te weinig werk hebben
                              voor hun werknemers. Zij zouden door de opbrengsten van de gewerkte
                              uren aan te vullen met de loonsubsidie over de niet-gewerkt uren
                              onvermijdelijke reorganisatie en/of ontslagen kunnen uitstellen. Maar
                              ook voor levensvatbare ondernemingen geldt dat het de doeltreffendheid
                              van dit wetsvoorstel ten goede komt als de instrumenten alleen worden
                              ingezet voor banen waarvan aannemelijk is dat die op termijn behouden
                              kunnen blijven.</al>
                      <al>Anderzijds is het wenselijk om de loonsubsidie bij een verzoek om
                              toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag niet te veel te verlagen
                              om te voorkomen dat dat bedrijfsmatige problemen in de hand zou
                              werken. Het moet voor een werkgever mogelijk blijven werknemers om
                              bedrijfseconomische redenen te ontslaan. De maximale termijn van zes
                              maanden voor de inzet van de instrumenten maakt tevens dat werkgevers
                              zich bij een langdurig crisis moeten kunnen aanpassen aan de nieuwe,
                              mogelijk blijvende, situatie. Daar kunnen ook reorganisatie of
                              bedrijfseconomisch ontslag voor nodig zijn. Bovendien zou een te hoge
                              verlaging van de loonsubsidie werkgevers ervan kunnen weerhouden
                              gebruik te maken van de loonsubsidie.</al>
                      <al>Bovengenoemde afweging heeft de regering doen besluiten de
                              loonsubsidie bij een verzoek tot toestemming voor bedrijfseconomisch
                              ontslag te verlagen met 25% (over de periode voorafgaand aan het
                              indienen van de toestemming). Ten aanzien van de termijn voor deze
                              consequentie is gekozen voor een periode van vier maanden na het einde
                              van het crisistijdvak aangezien de duur proportioneel moet blijven
                              voor de werkgever.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.3.4</nr>
                      <titel>Overzicht aanvraag- en beslistermijnen</titel>
                    </kop>
                    <al>In bovenstaande uitleg van het wetsvoorstel staan veel termijnen
                           genoemd. In deze paragraaf worden die termijnen samengevat om een
                           overzicht te creëren.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Initiële aanvraag</titel>
                      </kop>
                      <al>Op het moment dat een crisis zich voordoet, en een werkgever een
                              initiële aanvraag wil indienen, heeft de werkgever te maken met een
                              aantal termijnen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De aanvraag moet worden ingediend binnen een tijdvak van 26
                                    weken na de dag van aanvang van de crisis of, indien de crisis
                                    is aangewezen bij ministeriële regeling, de in de ministeriële
                                    regeling aangewezen datum. Een aanvraag die later wordt
                                    ingediend zal worden afgewezen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De werkgever dient bij de aanvraag de ingangsdatum van het
                                    crisistijdvak op te geven. Het crisistijdvak is het tijdvak
                                    waarbinnen de werkgever de instrumenten wil gaan inzetten en kan
                                    zowel voor als na de aanvraagdatum beginnen. Als de werkgever
                                    het crisistijdvak voor de aanvraagdatum wil laten beginnen kan
                                    dat maximaal tien weken voor de aanvraagdatum, maar uiteraard
                                    niet voordat de crisis is opgetreden. Het crisistijdvak kan ook
                                    na de aanvraagdatum beginnen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Na indiening van de initiële aanvraag geeft UWV zo snel
                                    mogelijk, maar binnen zes weken, na ontvangst van de aanvraag
                                    een beschikking aan de werkgever. Bij een positieve beschikking
                                    heeft de werkgever volgens UWV aangetoond dat hij geraakt is
                                    door een crisis. Indien ook aan de overige arbeidsrechtelijke
                                    vereisten wordt voldaan (zie hiervoor paragraaf 3.3.2), kan de
                                    werkgever gedurende het crisistijdvak van twee maanden de
                                    instrumenten uit dit wetsvoorstel inzetten. Hierbij is het
                                    relevant te vermelden dat op de datum van de beschikking het
                                    crisistijdvak al begonnen kan zijn. Aangezien het instrument
                                    herplaatsing niet met terugwerkende kracht kan worden ingezet
                                    kan het instrument herplaatsing in dat geval niet voor het
                                    volledige crisistijdvak worden ingezet.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <plaatje>
                        <illustratie breedte="139mm" formaat="png" hoogte="37mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-012.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      </plaatje>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Aanvraag verlenging crisistijdvak</titel>
                      </kop>
                      <al>Als de crisis langer dan twee maanden aanhoudt, kan de werkgever een
                              aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak indienen. Als de
                              werkgever kan aantonen dat hij nog steeds geraakt wordt door de crisis
                              en aan de overige voorwaarden voldoet, zal UWV het crisistijdvak met
                              twee maanden verlengen. Een verlenging kan twee keer plaatsvinden
                              waardoor het crisistijdvak ten hoogste zes maanden kan duren. Ten
                              aanzien van deze aanvraag gelden de onderstaande termijnen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak moet binnen
                                    tien weken na de laatste dag van het eerder vastgestelde
                                    crisistijdvak worden gedaan. Een aanvraag die later wordt
                                    ingediend zal worden afgewezen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Na indiening beslist UWV zo snel mogelijk maar binnen zes weken
                                    na ontvangst van de aanvraag tot verlenging van het
                                    crisistijdvak middels een beschikking aan de werkgever.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Bij een positieve beschikking wordt het eerder vastgestelde
                                    crisistijdvak met twee maanden verlengd.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <plaatje>
                        <illustratie breedte="140mm" formaat="png" hoogte="26mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-013.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      </plaatje>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Aanvraag loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <?xpp qa?>
                      <?xpp lead;-1?>
                      <al>Na het toepassen van de verminderde loondoorbetaling en het verwerken
                              daarvan in de aangifte loonheffingen, kan loonsubsidie worden
                              aangevraagd over het subsidietijdvak. Het subsidietijdvak duurt twee,
                              vier of zes maanden, start altijd tegelijkertijd met het crisistijdvak
                              en ligt daarmee ook altijd binnen het crisistijdvak. Een
                              subsidietijdvak kan derhalve niet eerder ingaan dan de eerste dag van
                              het crisistijdvak en eindigt uiterlijk op de laatste dag van het
                              crisistijdvak. Voor de aanvraag voor de loonsubsidie gelden de
                              onderstaande termijnen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De aanvraag voor loonsubsidie moet binnen 26 weken na afloop
                                    van het crisistijdvak worden aangevraagd.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Bij verlening wordt de loonsubsidie op basis van voorschot
                                    verstrekt.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Het subsidietijdvak kan maximaal tweemaal worden verlengd. Deze
                                    aanvraag (de aanvraag voor verlenging van het subsidietijdvak)
                                    moet, evenals de eerste aanvraag voor loonsubsidie, binnen 26
                                    weken na afloop van het crisistijdvak worden aangevraagd. Bij
                                    een positieve beschikking wordt het eerder vastgestelde
                                    subsidietijdvak verlengd (naar vier of zes maanden). De
                                    loonsubsidie wordt vastgesteld over het gehele subsidietijdvak,
                                    waarbij de nieuwe subsidieverlening of subsidievaststelling
                                    wordt verrekend met het eerder verleende voorschot.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Op een aanvraag voor verlening van de loonsubsidie beslist UWV
                                    zo snel mogelijk maar binnen zes weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Na een beschikking tot subsidieverlening vindt altijd nog een
                                    definitieve vaststelling plaats. UWV gaat daartoe ambtshalve
                                    over als na afloop van het crisistijdvak ten minste 26 weken
                                    zijn verstreken. De werkgever kan dan namelijk ook niet meer om
                                    verlenging van het subsidietijdvak verzoeken. UWV stelt de
                                    loonsubsidie ambtshalve vast uiterlijk binnen tien maanden na
                                    afloop van het crisistijdvak.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <plaatje>
                        <illustratie breedte="141mm" formaat="png" hoogte="40mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-014.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      </plaatje>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.3.5</nr>
                      <titel>Voorbeeld tijdlijnen Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                              crisis</titel>
                    </kop>
                    <?xpp qa?>
                    <?xpp lead;-1?>
                    <al>In deze paragraaf wordt middels twee voorbeelden schematisch het proces
                           weergegeven dat doorlopen wordt vanaf de initiële aanvraag tot en met de
                           subsidievaststelling. Het eerste voorbeeld schetst het proces bij een
                           crisistijdvak van twee maanden. In het tweede voorbeeld wordt het
                           crisistijdvak verlengd tot vier maanden. Na de voorbeelden worden deze
                           toegelicht.</al>
                    <plaatje>
                      <illustratie alt="Voorbeeld 1: crisistijdvak van twee maanden " breedte="74mm" formaat="png" hoogte="220mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-015.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      <bijschrift locatie="boven">
                        <nadruk type="cur">Voorbeeld 1: crisistijdvak van twee
                                 maanden</nadruk>
                      </bijschrift>
                    </plaatje>
                    <plaatje>
                      <illustratie alt="Voorbeeld 2: crisistijdvak van vier maanden " breedte="79mm" formaat="png" hoogte="220mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-016.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      <bijschrift locatie="boven">
                        <nadruk type="cur">Voorbeeld 2: crisistijdvak van vier
                                 maanden</nadruk>
                      </bijschrift>
                    </plaatje>
                    <plaatje>
                      <illustratie alt="Voorbeeld 3: aangiftetijdvak van een jaar " breedte="50mm" formaat="png" hoogte="220mm" kleur="nee" naam="stcrt-2026-17429-017.png" type="lijn" uitlijning="start" />
                      <bijschrift locatie="boven">
                        <nadruk type="cur">Voorbeeld 3: aangiftetijdvak van een jaar</nadruk>
                      </bijschrift>
                    </plaatje>
                    <al>
                      <nadruk type="cur">Toelichting voorbeeld 1</nadruk>
                    </al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>De crisisperiode loopt van 1 januari tot en met 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>De werkgever wenst vanaf 15 januari de instrumenten uit het
                                 Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis in te zetten en dient op
                                 29 januari de initiële aanvraag in voor een crisistijdvak van
                                 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de initiële aanvraag te
                                 beoordelen start op 29 januari.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het crisistijdvak loopt van 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>5.</li.nr>
                        <al>UWV geeft op 12 februari de beschikking af om de instrumenten te
                                 mogen inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>6.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan vanaf 12 februari t/m 14 maart het instrument
                                 herplaatsing inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>7.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan met terugwerkende kracht vanaf 15 januari t/m
                                 14 maart de verminderde loondoorbetaling inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>8.</li.nr>
                        <al>De werkgever doet op 1 april zijn loonaangifte, waarin hij
                                 aangifte heeft gedaan van het loon dat betrekking heeft op het
                                 subsidietijdvak.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>9.</li.nr>
                        <al>De werkgever dient op 8 april zijn aanvraag voor loonsubsidie in.
                                 De aanvraag gaat over het subsidietijdvak dat loopt van 15 januari
                                 t/m 14 maart. De werkgever verzoekt om een beschikking tot
                                 verlening van de loonsubsidie.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>10.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de loonsubsidie te
                                 verlenen start op 8 april.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>11.</li.nr>
                        <al>UWV besluit op 22 april de loonsubsidie als voorschot te
                                 verstrekken.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>12.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor ambtshalve vaststelling start vanaf 27 weken
                                 na afloop van het crisistijdvak op 13 september en eindigt
                                 uiterlijk tien maanden na afloop van het crisistijdvak.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>
                      <nadruk type="cur">Toelichting voorbeeld 2</nadruk>
                    </al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>De crisisperiode loopt van 1 januari t/m 14 mei.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>De werkgever wenst vanaf 15 januari de instrumenten uit het
                                 Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis in te zetten en dient op
                                 29 januari de initiële aanvraag in voor een crisistijdvak van
                                 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de initiële aanvraag te
                                 beoordelen start op 29 januari.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het crisistijdvak loopt van 15 januari t/m 14 mei. Bij de initiële
                                 aanvraag (zie 2) wordt het crisistijdvak vastgesteld van 15 januari
                                 t/m 14 maart. Na de beschikking tot verlenging van het
                                 crisistijdvak (zie 10) wordt het crisistijdvak verlengd naar
                                 14 mei.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>5.</li.nr>
                        <al>UWV geeft op 12 februari de beschikking af om de instrumenten in
                                 te mogen zetten gedurende het crisistijdvak. In eerste instantie is
                                 dit van 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>6.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan vanaf 12 februari t/m 14 maart het instrument
                                 herplaatsing inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>7.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan met terugwerkende kracht vanaf 15 januari t/m
                                 14 maart de verminderde loondoorbetaling inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>8.</li.nr>
                        <al>De werkgever verwacht ook na 14 maart nog last te hebben van de
                                 crisis en dient op 19 februari een aanvraag in om het crisistijdvak
                                 met twee maanden te verlengen.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>9.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de aanvraag voor
                                 verlenging van het crisistijdvak te beoordelen start op
                                 19 februari.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>10.</li.nr>
                        <al>UWV geeft op 4 maart een positieve beschikking af voor verlenging
                                 van het crisistijdvak. Herplaatsing en de verminderde
                                 loondoorbetaling kunnen t/m 14 mei worden ingezet.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>11.</li.nr>
                        <al>De werkgever doet op 1 april zijn loonaangifte, waarin hij
                                 aangifte heeft gedaan van het loon dat betrekking heeft op het
                                 subsidietijdvak van 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>12.</li.nr>
                        <al>De werkgever dient op 8 april zijn aanvraag voor loonsubsidie in.
                                 De aanvraag gaat over het subsidietijdvak dat loopt van 15 januari
                                 t/m 14 maart. De werkgever verzoekt om een beschikking tot
                                 verlening van de loonsubsidie.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>13.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om subsidie te verlenen
                                 start op 8 april.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>14.</li.nr>
                        <al>UWV besluit op 22 april de loonsubsidie als voorschot te
                                 verstrekken.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>15.</li.nr>
                        <al>De werkgever doet op 3 juni zijn loonaangifte, waarin hij aangifte
                                 heeft gedaan van het loon dat betrekking heeft op het
                                 subsidietijdvak van 15 januari t/m 14 mei.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>16.</li.nr>
                        <al>De werkgever dient op 10 juni zijn aanvraag voor loonsubsidie in.
                                 De aanvraag gaat over het subsidietijdvak dat loopt van 15 januari
                                 t/m 14 mei.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>17.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de loonsubsidie te
                                 verlenen start op 10 juni.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>18.</li.nr>
                        <al>UWV besluit op 24 juni de loonsubsidie als voorschot te
                                 verstrekken.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>19.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor ambtshalve vaststelling start vanaf 27 weken
                                 na afloop van het crisistijdvak op 13 november en eindigt uiterlijk
                                 tien maanden na afloop van het crisistijdvak.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>
                      <nadruk type="cur">Toelichting voorbeeld 3</nadruk>
                    </al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>De crisisperiode loopt van 1 januari tot en met 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>De werkgever wenst vanaf 15 januari de instrumenten uit het
                                 Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis in te zetten en dient op
                                 29 januari de initiële aanvraag in voor een crisistijdvak van
                                 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de initiële aanvraag te
                                 beoordelen start op 29 januari.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>4.</li.nr>
                        <al>Het crisistijdvak loopt van 15 januari t/m 14 maart.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>5.</li.nr>
                        <al>UWV geeft op 12 februari de beschikking af om de instrumenten te
                                 mogen inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>6.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan vanaf 12 februari t/m 14 maart het instrument
                                 herplaatsing inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>7.</li.nr>
                        <al>De werkgever kan met terugwerkende kracht vanaf 15 januari t/m
                                 14 maart de verminderde loondoorbetaling inzetten.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>8.</li.nr>
                        <al>De werkgever dient op 8 april zijn aanvraag voor loonsubsidie in.
                                 De aanvraag gaat over het subsidietijdvak dat loopt van 15 januari
                                 t/m 14 maart. De werkgever verzoekt om een beschikking tot
                                 verlening van de loonsubsidie. Aangezien hij nog geen loonaangifte
                                 heeft moeten doen voor dit tijdvak, voegt hij bij zijn aanvraag de
                                 benodigde aanvullende gegevens waarmee UWV het voorschot kan
                                 berekenen.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>9.</li.nr>
                        <al>De beslistermijn voor UWV van zes weken om de loonsubsidie te
                                 verlenen start op 8 april.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>10.</li.nr>
                        <al>UWV besluit op 22 april de loonsubsidie als voorschot te
                                 verstrekken.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>11.</li.nr>
                        <al>De werkgever doet op 20 januari het jaar erop zijn jaarlijkse
                                 loonaangifte voor het voorafgaande jaar.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>12.</li.nr>
                        <al>Aangezien dit later is dan 27 weken na afloop van het
                                 crisistijdvak, start de beslistermijn voor ambtshalve vaststelling
                                 op 21 januari het jaar erop. De termijn eindigt vier maanden later
                                 op 21 mei.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.4</nr>
                    <titel>Overname</titel>
                  </kop>
                  <al>In het kader van overname van een bedrijf, kan de vraag ontstaan hoe de
                        inzet van de instrumenten en de loonsubsidie uit dit wetsvoorstel zich tot
                        de overname verhouden. In deze paragraaf wordt dit nader uiteengezet.</al>
                  <al>Als sprake is van een overname – anders dan een aandelentransactie –
                        waarbij de vervreemder beschikt over een positieve beschikking van UWV op
                        een initiële aanvraag, gaat deze beschikking niet mee over naar een
                        verkrijger. Deze beschikking is namelijk onlosmakelijk verbonden met de
                        betreffende vervreemder. Om de positieve beschikking op een initiële
                        aanvraag van UWV te ontvangen wordt getoetst of de werkgever die de aanvraag
                        indient aannemelijk heeft gemaakt dat hij door een crisis als vermeld in het
                        Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is getroffen en ten minste 20%
                        minder arbeidscapaciteit heeft. Voor het afgeven van de beschikking wordt
                        zodoende gekeken naar de situatie van de werkgever die de aanvraag heeft
                        gedaan. Een beschikking op een initiële aanvraag zal daarom ook op naam
                        staan van de werkgever die de beschikking heeft aangevraagd en het fiscaal
                        nummer van de werkgever vermelden. Het fiscaal nummer is het nummer waarmee
                        een niet-natuurlijk persoon, bijvoorbeeld een stichting, vereniging, vof of
                        bv, is geregistreerd bij de Belastingdienst en UWV. Dit nummer wordt ook wel
                        het RSIN genoemd. Als de werkgever een natuurlijk persoon is, zoals bij een
                        eenmanszaak, wordt een bsn gebruikt.</al>
                  <al>Als de verkrijgende partij na een overname ook gebruik wenst te maken van
                        de arbeidsrechtelijke instrumenten, dan zal hij daartoe zelf een nieuwe
                        initiële aanvraag kunnen doen. Meent de verkrijgende partij dat een met de
                        vervreemder vergelijkbare situatie ter beoordeling aan het UWV zal worden
                        voorgelegd (bijvoorbeeld omdat slechts de rechtsvorm is gewijzigd), dan zal
                        de verkrijger bij de nieuwe aanvraag om een initiële beschikking de
                        mogelijkheid krijgen dat op het aanvraagformulier te vermelden.</al>
                  <al>Een aanvraag voor de loonsubsidie kan alleen gedaan worden door de
                        werkgever die ook de positieve beschikking op de initiële aanvraag heeft
                        ontvangen. Als de vervreemder een positieve beschikking heeft op de initiële
                        aanvraag, zal de vervreemder loonsubsidie kunnen aanvragen voor de minder
                        gewerkte uren tot het moment van de overname. De verkrijgende werkgever kan
                        loonsubsidie ontvangen over de uren vanaf de overname, mits hij daaraan
                        voorafgaand een positieve beschikking heeft ontvangen op de initiële
                        aanvraag. De loonsubsidie is niet overdraagbaar en kan dus ook niet worden
                           verpand.<noot id="n58" type="voet"><noot.nr>58</noot.nr><noot.al>Rb. Midden-Nederland 30 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1261,
                              r.o. 4.11.</noot.al></noot></al>
                  <al>Het leerstuk overgang van onderneming dat ziet op de overgang van rechten
                        en plichten van <nadruk type="cur">werknemers</nadruk>, doet aan
                        bovenstaande consequenties niet af. Het is de werkgever die een initiële
                        beschikking nodig heeft alvorens arbeidsrechtelijke instrumenten te kunnen
                        inzetten en het is de werkgever die aanspraak kan maken op
                        loonsubsidie.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Rechtsbescherming</titel>
                </kop>
                <al>Dit wetsvoorstel brengt wijzigingen aan in het bestaande recht, zoals
                     uiteengezet in de paragraaf 3.1, en dit heeft gevolgen voor de rechtspositie
                     van werkgevers en werknemers. Ook heeft het wetsvoorstel gevolgen voor de
                     rechtspraak. In dit hoofdstuk worden deze gevolgen uiteengezet.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Werkgever</titel>
                  </kop>
                  <al>Wanneer de werkgever het niet eens is met de vaststelling van UWV
                        betreffende de initiële aanvraag, dan heeft de werkgever de mogelijkheid om
                        rechtstreeks beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Het gaat om
                        rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter zonder dat voorafgaand een
                        bezwaarschrift moet worden ingediend. De regering kiest voor uitsluiting van
                        de bezwaarschriftprocedure vanwege het belang voor de werkgever om zo snel
                        mogelijk duidelijkheid te hebben over de vraag of een werkgever door een
                        crisis wordt geraakt bij een afwijzende beschikking.</al>
                  <al>De keuze om af te zien van de bezwaarprocedure acht de regering te
                        rechtvaardigen, aangezien de werkgever niet adequaat meer kan handelen
                        tijdens een crisis als hij lang in onduidelijkheid verkeert over zijn
                        rechtspositie. Het gaat bij het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis om
                        crisissituaties waarin snel gehandeld moet kunnen worden. Als de werkgever
                        de maatregelen in het wetsvoorstel niet snel kan benutten hebben deze niet
                        meer het gewenste effect. Dat geldt zowel voor een crisis waardoor een
                        enkele werkgever wordt geraakt, als een crisis waar werkgevers in grote
                        getalen door worden getroffen.</al>
                  <al>De mogelijkheid voor werkgevers om rechtstreeks in beroep te gaan wordt
                        gerealiseerd door artikel 3 van dit wetsvoorstel op te nemen in Bijlage 1
                        van de Awb (Regeling rechtstreeks beroep) op grond van artikel 7:1, eerste
                        lid, onderdeel g, Awb. In deze bijlage zijn diverse andere wettelijk
                        voorschriften opgenomen waar rechtstreeks beroep omwille van de snelheid van
                        besluitvorming gewenst is, zoals besluiten die samenhangen met verkiezingen
                        of bestuurlijke maatregelen die zien op terrorismebestrijding.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Werknemer</titel>
                  </kop>
                  <al>De beschikking van UWV op de door de werkgever ingediende initiële aanvraag
                        of de aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak is rechtsvaststellend,
                        en beoogt enkel voor de werkgever rechtsgevolgen. Met de vaststelling van
                        UWV dat de werkgever is geraakt door een crisis, een belanghebbende
                        vereniging van werknemers heeft geïnformeerd en de ondernemingsraad,
                        personeelsvertegenwoordiging of -vergadering in de gelegenheid heeft gesteld
                        advies uit te brengen, heeft de werkgever de mogelijkheid om de in het
                        voorgestelde artikel 7:660b BW opgenomen instrumenten herplaatsing en
                        verminderde loondoorbetaling te benutten, mits hij daarnaast voldoet aan de
                        overige in dat artikel opgenomen voorwaarden. Tegen deze inzet van de
                        instrumenten herplaatsing of verminderde loondoorbetaling door de werkgever
                        staat voor de werknemer rechtsbescherming open bij de civiele rechter.</al>
                  <al>Een werknemer die het niet eens is met de inzet van de instrumenten
                        herplaatsing of verminderde loondoorbetaling door zijn werkgever zal zich
                        kunnen wenden tot de in arbeidsgeschillen bevoegde kantonrechter. Dit zal
                        aan de orde kunnen zijn, omdat een werknemer van mening is dat de werkgever
                        niet voldoet aan of een onjuiste toepassing geeft van de in het voorgestelde
                        artikel 7:660b BW opgenomen voorwaarden voor de inzet van de
                        arbeidsrechtelijke instrumenten. Gedacht kan worden aan de inzet per groep
                        van uitwisselbare functies, of het ontbreken van de beschikking van het UWV
                        inzake de initiële aanvraag. Dit is logisch, want deze in titel 10 van Boek
                        7 BW op te nemen instrumenten grijpen in op de onderlinge arbeidsrelatie
                        tussen deze partijen.</al>
                  <al>Deze mogelijke rechtsgang naar de civiele rechter versterkt de
                        rechtsbescherming van werknemers. Met het advies van de ondernemingsraad,
                        personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering over de inzet van
                        de arbeidsrechtelijke instrumenten, waardoor de invloed van de werknemer
                        middels het advies kan worden uitgeoefend op de aanvraag als dat betrekking
                        heeft op de voorvraag of de werkgever door een crisis is geraakt, wordt de
                        rechtsbescherming van de werknemer in het aanvraagproces bij de initiële
                        aanvraag vergroot. Ook kunnen werknemers de vakbond inschakelen voor
                        ondersteuning. Doordat de vakbonden op voorhand over de initiële aanvraag of
                        de aanvraag voor verlenging crisistijdvak is geïnformeerd, is de verwachting
                        dat de vakbond op een efficiënte manier ondersteuning kan bieden. Ten slotte
                        zal er worden ingezet op goede communicatie met betrekking tot de rechten
                        van werknemers in relatie tot het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis.
                        Gedacht kan worden aan een speciale informatiepagina voor werknemers op de
                        website van UWV, waar ze worden gewezen op contact met de vakbond en
                        informatie over de civielrechtelijke procedure wanneer een werknemer het
                        niet eens is met de gevolgen van de door de werkgever ingezette
                        instrumenten.</al>
                  <al>Wanneer de werkgever gebruik gaat maken van één van de instrumenten, kan
                        er, op basis van goed werkgeverschap, van de werkgever worden verwacht dat
                        de werkgever de werknemers die het betreft tijdig informeert. Het gaat
                        immers om een maatregel die ingrijpt op de overeengekomen
                        arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en werknemer, ook al is de ingreep
                        van tijdelijke aard. De werknemer krijgt minder loon of wordt herplaatst. De
                        werkgever dient werknemers daarom in ieder geval vóórdat de gevolgen van de
                        instrumenten voor werknemer te merken zijn te informeren over het gebruik
                        van de instrumenten van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. Dat
                        biedt de werknemer tijd om zich in te lezen in zijn of haar rechten.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Gevolgen voor de rechtspraak</titel>
                  </kop>
                  <al>Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is de verwachting dat het aantal
                        zaken, zowel civielrechtelijk als bestuursrechtelijk, overeenkomt met het
                        huidige aantal beroepszaken omtrent de WTV. Dat is gemiddeld één zaak per
                        jaar, waarbij er sommige jaren geen zaken waren. Op het moment dat zich een
                        grote crisis voordoet, waarbij veel werkgevers tegelijkertijd worden geraakt
                        en een aanvraag indienen, kan het voorkomen dat er meer rechtszaken zullen
                        zijn. Er zijn op dat moment immers ook meer aanvragen. De verwachting is dat
                        dit om een tijdelijke situatie gaat, omdat het ook gaat om incidentele
                        tijdelijke crises.</al>
                  <al>De mogelijkheid voor werkgevers om rechtstreeks beroep in te stellen bij de
                        bestuursrechter over de initiële aanvraag heeft tot gevolg dat rechtszaken
                        hierover direct doorstromen naar de rechtelijke macht. De regering verwacht
                        dat de gevolgen van deze verschuiving voor het totaal aantal beroepszaken
                        beperkt is. In de beroepsprocedure zal namelijk veelal de vraag voorliggen
                        of een werkgever geraakt is door een crisis in de zin van dit wetsvoorstel.
                        Deze vraag wordt door UWV beantwoord aan de hand van een wettelijk
                        toetsingskader. De werkgever moet aannemelijk maken door een crisis te zijn
                        geraakt. De beoordelingsruimte van UWV is, zeker bij grotere crises,
                        beperkt. Hierdoor zal een beroepsprocedure in de meeste gevallen niet tot
                        een andere uitkomst leiden.</al>
                  <al>Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat er een toename van zaken bij de
                        Ondernemingskamer gaan plaatsvinden. Ondernemingsraden moeten in staat
                        gesteld worden om advies te kunnen geven over de voorgenomen aanvraag.
                        Wanneer de werkgever dit advies niet of niet geheel opvolgt, kan een
                        ondernemingsraad beroep aantekenen bij de Ondernemingskamer. De verwachting
                        is dat dit niet zal leiden tot een significante toename, aangezien
                        ondernemingsraden en werkgevers er in de meeste gevallen onderling proberen
                        uit te komen. De Ondernemingskamer wordt zowel door de ondernemingsraden als
                        door de werkgever als uiterste redmiddel gezien.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Verhouding tot nationale en internationale regelgeving</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.1</nr>
                    <titel>Verhouding tot internationale regelgeving</titel>
                  </kop>
                  <al>In deze paragraaf wordt geschetst hoe onderhavig wetsvoorstel zich verhoudt
                        tot artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van de
                        Europese Unie (VWEU), Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de
                        coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de verdragen 87 en 98 van de
                        Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en het eigendomsrecht zoals verwoord
                        in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de
                        Rechten van de Mens (EVRM). Ook is hier een paragraaf opgenomen ten aanzien
                        van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 107, eerste lid van het Verdrag betreffende de werking van
                              de Europese Unie, 15 maart 1957 Rome</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit wetsvoorstel omvat geen steunmaatregel in de zin van artikel 107,
                           eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, 15 maart
                           1957 Rome. De vraag of sprake is van staatssteun is afhankelijk van vijf
                           cumulatieve criteria die zijn benoemd in artikel 107, eerste lid, van het
                           VWEU. Daarin is opgenomen dat lidstaten geen steun mogen geven aan
                           ondernemingen als dit ondernemingen economisch voordeel oplevert ten
                           opzichte van andere ondernemingen, als dat onverenigbaar is met de
                           interne markt. Ook mag de steun de handel tussen lidstaten niet ongunstig
                           beïnvloeden.</al>
                    <al>Eén van de cumulatieve criteria waaraan voldaan moet zijn om van
                           staatssteun te kunnen spreken is selectiviteit. Naarmate een regeling een
                           grotere discretionaire bevoegdheid kent voor het uiteindelijke
                           toepassingsbereik van de maatregel, is het aannemelijker dat sprake is
                           van selectiviteit. De beperkte discretionaire bevoegdheid uit het
                           wetsvoorstel ziet op de vaststelling van een omstandigheid als crisis.
                           Indien hiervan sprake is, kunnen alle ondernemingen in Nederland die door
                           die crisis zijn geraakt en voldoen aan de overige objectieve, vooraf
                           vaststaande criteria aanspraak maken op de instrumenten uit het
                           wetsvoorstel. Er zijn verder geen aanwijzingen om aan te nemen dat de
                           voorwaarden voor toepassing van de instrumenten uit dit wetsvoorstel
                           mogelijk de facto bepaalde ondernemingen a priori zullen in- of
                           uitsluiten van toepassing van de maatregel. Daarmee is het wetsvoorstel
                           generiek en niet selectief. Daarnaast zal dit wetsvoorstel de handel
                           tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloeden. De ons omringende lidstaten
                           hebben namelijk soortgelijke wetgeving voor de daar gevestigde
                           werkgevers. Nu niet is voldaan aan twee van de cumulatieve criteria uit
                           artikel 107, eerste lid, van het VWEU, kan worden geconcludeerd dat geen
                           sprake is van een steunmaatregel in de zin van dat artikel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verordening 883/2004:</titel>
                    </kop>
                    <al>Verordening 883/2004<noot id="n59" type="voet"><noot.nr>59</noot.nr><noot.al>Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en
                                 de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de
                                 socialezekerheidsstelsels.</noot.al></noot> is niet van toepassing op de loonsubsidie van dit wetsvoorstel,
                           aangezien het hier geen ‘werkloosheid’ en ‘uitkeringen bij werkloosheid’
                           betreft.</al>
                    <al>Hoewel Verordening 883/2004 en de toepassingsverordening 987/2009<noot id="n60" type="voet"><noot.nr>60</noot.nr><noot.al>Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en
                                 de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van
                                 toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de
                                 coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.</noot.al></noot> geen definities geven van 'werkloosheid' of 'uitkering bij
                           werkloosheid', heeft het Hof van Justitie van de EU zich hierover
                           meermaals uitgesproken. Werkloosheid wordt door het Hof van Justitie van
                           de EU doorgaans gedefinieerd als de situatie waarin een werknemer geen
                           dienstverband meer heeft, daardoor inkomen misloopt, arbeidsgeschikt is,
                           beschikbaar is voor werk en actief werk zoekt.<noot id="n61" type="voet"><noot.nr>61</noot.nr><noot.al>HvJ EU van 11 september 2008, C-228/07, Petersen,
                                 ECLI:EU:C:2008:494, punt 14 en 23–25;</noot.al><noot.al>HvJ EU van 18 juli 2006, C-406/04, De Cuyper,
                                 ECLI:EU:C:2006:491, punt 27 en</noot.al><noot.al>HvJ EU van 2 augustus 1993, C-66/92, Acciardi,
                                 ECLI:EU:C:1993:341, punt 16 en 17.</noot.al></noot> Daarnaast kenmerkt werkloosheid zich door onvrijwilligheid en
                              beschikbaarheid.<noot id="n62" type="voet"><noot.nr>62</noot.nr><noot.al>Zie de conclusie AG Mancini van 18 mei 1983, zaak 171/82,
                                 Valentini, ECLI:EU:C:1983:140, punt 6.</noot.al></noot> Uitkeringen bij werkloosheid zijn volgens het Hof van Justitie
                           van de EU uitkeringen die het inkomensverlies als gevolg van baanverlies
                           vervangen om in het onderhoud van de betrokkene te voorzien, terwijl deze
                           arbeidsgeschikt is.<noot id="n63" type="voet"><noot.nr>63</noot.nr><noot.al>HvJ EU van 8 juli 1992, C-102/91, Knoch, ECLI:EU:C:1992:303,
                                 punt 45 en HvJ EU van 18 juli 2006, C-406/04, De Cuyper,
                                 ECLI:EU:C:2006:491, punt 27.</noot.al></noot> Werklozen moeten voor het verkrijgen en behouden van het recht op
                           een werkloosheidsuitkering bovendien voldoen aan een aantal
                           verplichtingen die gelden in alle nationale stelsels.<noot id="n64" type="voet"><noot.nr>64</noot.nr><noot.al>Zie noot 53.</noot.al></noot> Deze verplichtingen komen ook voor in Verordening 883/2004 en
                           zien op het zich inschrijven als werkzoekende, het zich onderwerpen aan
                           periodieke controle en het aanvaarden van werkaanbiedingen.<noot id="n65" type="voet"><noot.nr>65</noot.nr><noot.al>Artikel 64 Verordening 883/2004 en artikel 55 Verordening
                                 978/2009.</noot.al></noot></al>
                    <al>In dit wetsvoorstel is er geen sprake van baanverlies; het doel van het
                           Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is juist baanbehoud. Onder
                           onderhavig wetsvoorstel hoeft de werknemer bovendien niet te voldoen aan
                           de bovengenoemde verplichtingen die horen bij werkloosheid en uitkeringen
                           bij werkloosheid. De werknemer die onder voortzetting van zijn
                           dienstverband tijdelijk minder wordt ingezet en tijdelijk minder loon
                           ontvangt, hoeft slechts beschikbaar te blijven voor zijn werkgever, zodat
                           hij zodra zijn werkgever hem oproept om weer (volledig) te komen werken
                           ook beschikbaar is en weer (volledig) kan starten. Om die reden is geen
                           sprake van werkloosheid. En hoewel de werknemer door verminderde
                           loondoorbetaling tijdelijk inkomensverlies lijdt, is dit verlies beperkt
                           (maximaal 10%, zie paragraaf 3.3.2.3 e.v.) en veel lager dan bij
                           (gedeeltelijke) werkloosheid. Bovendien voorziet de loonsubsidie aan de
                           werkgever niet in een financiële tegemoetkoming aan de werknemer voor
                           deze verminderde loondoorbetaling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verdrag Nr. 87 en Verdrag Nr. 98 van de Internationale
                              Arbeidsorganisatie</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit wetsvoorstel is met de Verdragen 87 en 98 van de Internationale
                           Arbeidsorganisatie (IAO) in lijn.<noot id="n66" type="voet"><noot.nr>66</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">IAO-Verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten
                                 van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht,
                                 San Francisco 9 juli 1948; IAO-Verdrag nr. 98 betreffende het recht
                                 zich te organiseren en collectief te onderhandelen, Geneve 19 juni
                                 1981.</nadruk></noot.al></noot> Deze verdragen stimuleren onder andere het belang van
                           medezeggenschap vanuit werknemers en werkgeversorganisaties of andere
                           medezeggenschapsorganisaties. Dit wetsvoorstel raakt deze verdragen
                           specifiek door de effecten op onderlinge arbeidsovereenkomsten,
                           bijvoorbeeld door het introduceren van het instrument verminderde
                           loondoorbetalingsverplichting als voorwaarde om het instrument
                           loonsubsidie te kunnen inzetten.</al>
                    <al>In de totstandkoming van dit wetsvoorstel zijn werknemers- en
                           werkgeversorganisaties betrokken geweest en hebben zij medezeggenschap
                           gehad in de invulling van het wetsvoorstel in alle beleidsfases. In
                           overeenstemming met de aanbevelingen van het Committee on Freedom of
                           Association (CFA)<noot id="n67" type="voet"><noot.nr>67</noot.nr><noot.al><sup /> ILO, GB.344/INS/15/1, Case No. 3398, punt
                                 646.</noot.al></noot>, zijn er op frequente basis dialogen georganiseerd met betrokken
                           werkgevers- en werknemersorganisaties. Bovendien houden
                           werknemersorganisaties ook een rol binnen het wetsvoorstel zelf. Een
                           belanghebbende vereniging van werknemers zal geïnformeerd moeten worden
                           als een werkgever een aanvraag (initieel of voor verlenging
                           crisistijdvak) wil indienen (zie paragraaf 3.3.1). De ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering zullen een
                           adviesrol krijgen binnen dit wetsvoorstel (zie paragraaf 3.3.1). Zoals
                           gesteld in hoofdstuk 8 staat het een belanghebbende vereniging van
                           werknemers, ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de
                           onderneming werkzame personen vrij om meldingen te maken indien er een
                           vermoeden is van misbruik. De sociale partners zijn zoveel mogelijk
                           betrokken bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel met als doel het
                           bieden van de juiste waarborgen.<noot id="n68" type="voet"><noot.nr>68</noot.nr><noot.al><sup /> ILO, GB.344/INS/15/1, Case No. 3398, punt
                                 643.</noot.al></noot> Daarmee kan worden gesteld dat aan de door de IAO verdragen
                           vereiste betrokkenheid is voldaan.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eigendomsrecht ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het
                              EVRM</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM stelt dat
                           natuurlijke en rechtspersonen recht hebben op het ongestoorde genot van
                           hun eigendommen. Het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) geeft
                           een ruime invulling aan het begrip eigendom. Het begrip heeft volgens het
                           EHRM een autonome betekenis die niet beperkt is tot de eigendom van
                           roerende goederen en onafhankelijk is van wat onder nationaal recht onder
                           het begrip wordt verstaan.<noot id="n69" type="voet"><noot.nr>69</noot.nr><noot.al>EHRM 11 januari 2007, nr. 73049/01, Anheuser-Busch Inc. t.
                                 Portugal, § 63.</noot.al></noot></al>
                    <al>Indien de werkgever gebruik wil maken van de loonsubsidie op grond van
                           dit wetsvoorstel, is de voorwaarde dat de werkgever voor de betreffende
                           werknemer gebruikmaakt van het instrument verminderde loondoorbetaling.
                           Beoordeeld dient te worden of in dit geval loon kan worden aangemerkt als
                           ‘eigendom’.</al>
                    <al>Het EHRM benadrukt in zijn jurisprudentie dat toekomstig inkomen niet
                           kan worden aangemerkt als eigendom, tenzij het al is verdiend of wanneer
                           er een afdwingbare aanspraak/vordering op bestaat.<noot id="n70" type="voet"><noot.nr>70</noot.nr><noot.al>EHRM 20 november 2007, nr. 76096/01, Olcar t. Turkije, §
                                 31.</noot.al></noot> In dit geval is sprake van een loondoorbetalingsplicht van de
                           werkgever op grond van artikel 7:628, lid 1, BW. Nu het instrument
                           verminderde loondoorbetaling uit dit wetsvoorstel ook met terugwerkende
                           kracht kan worden toegepast, is niet uitgesloten dat dit ingehouden loon
                           als eigendom kan worden beschouwd. Tegelijkertijd benadrukt het EHRM dat
                           artikel 1 van het EP geen directe rechtsgrond kan zijn tot het
                           doorbetalen van loon van een bepaalde hoogte.<noot id="n71" type="voet"><noot.nr>71</noot.nr><noot.al>EHRM: Baka v. Hungary (20261/12) 27.05.2014; Panfile v.
                                 Romania (13902/11) 20/03/2012; Vilho Eskelinen and Others v.
                                 Finland [GC] (63235/00) 19/04/2007.</noot.al></noot></al>
                    <al>Voor zover het loon als eigendom kan worden beschouwd betreft het
                           instrument van verminderde loondoorbetaling een beperking van het recht
                           op het ongestoord genot van het eigendom en geen ontneming, onteigening,
                           vernietiging of onbruikbaar maken van het eigendom.<noot id="n72" type="voet"><noot.nr>72</noot.nr><noot.al>Constitutioneel Hof Sint Maarten, 1 november 2021,
                                 ECLI:NL:OCHM:2021:2, r.o. 5.3. jo Artikel 1 EP.</noot.al></noot> Vervolgens moet worden beoordeeld of deze inmenging
                           gerechtvaardigd is door het te onderwerpen aan de toets van artikel 1 van
                           het EP.<noot id="n73" type="voet"><noot.nr>73</noot.nr><noot.al>EHRM: Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal
                                 (dec.), 2013: 22;</noot.al><noot.al>Koufaki and Adedy v. Greece (dec.), 2013, §§ 46;</noot.al><noot.al>Mihaies v. Romania, 44232/11</noot.al></noot> Bij deze beoordeling, verwijst het EHRM vaak naar de ruime
                           beoordelingsmarge van de lidstaten in zaken over loonsverlagingen of
                              inhoudingen.<noot id="n74" type="voet"><noot.nr>74</noot.nr><noot.al>71 EHRM : Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal
                                 (dec.), 2013: 27</noot.al></noot></al>
                    <al-groep>
                      <al>De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de mogelijke
                              beperking bij wettelijk voorschrift is voorzien. Daarvan is in ieder
                              geval sprake door middel van dit wetsvoorstel. De tweede vraag is of
                              de mogelijke beperking een ‘legitimate public or general interest’
                              dient die, ten derde, tevens ‘reasonably proportionate’ is. Een
                              ‘legitimate public or general interest’ is bijvoorbeeld het waarborgen
                              van stabiliteit in de samenleving ten tijde van een uitzonderlijke
                                 situatie.<noot id="n75" type="voet"><noot.nr>75</noot.nr><noot.al>EHRM : Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal
                                    (dec.), 2013: 27;</noot.al><noot.al>Koufaki and Adedy v. Greece (dec.), 2013, §§ 46;</noot.al><noot.al>Mihaies v. Romania, 44232/11.</noot.al><noot.al>Uit deze jurisprudentie volgt niet direct dat het niet
                                    mogelijk is om dergelijke maatregelen zoals in dit wetsvoorstel
                                    te ondernemen, maar uit de jurisprudentie volgt de beoordeling
                                    die daarvoor geldt (en waarvoor lidstaten dus een
                                    beoordelingsruimte hebben). Om deze beoordeling te doorstaan zal
                                    moeten worden beargumenteerd waarom deze beperking a ‘legitimate
                                    public (or general) interest dient’ en ‘reasonably
                                    proportionate’ is. Het EHRM kijkt in diens afweging ook naar de
                                    duur en breedte van de maatregelen, wat relevant is gelet op het
                                    feit dat dit wetsvoorstel betrekking heeft op crises van
                                    verschillende aard en omvang.</noot.al></noot> Dit wetsvoorstel beoogt dat door een tijdelijke bescherming
                              van werkgelegenheid te bieden in het geval van een crisis. Dit
                              wetsvoorstel streeft daarmee een legitiem doel na in het algemeen
                              belang, namelijk het waarborgen van de economische stabiliteit van de
                              Nederlandse economie door middel van tijdelijke bescherming van
                              werkgelegenheid tijdens een crisis. Zie hiervoor uitgebreider
                              hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel.</al>
                      <al>De maatregel dient verder ‘reasonably proportionate’ te zijn. Dat
                              houdt in dat sprake moet zijn van een redelijk evenwicht tussen de
                              eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van
                              de fundamentele rechten van het individu. De duur en reikwijdte van de
                              maatregelen spelen hierbij een rol. Hoewel de uitkomst van de
                              proportionaliteitstoets onder artikel 1 van het EP mogelijk zou kunnen
                              verschillen afhankelijk van de aard en omvang van de crisis, heeft het
                              EHRM herhaaldelijk geoordeeld dat er in tijden van crisis maatregelen
                              geoorloofd zijn die daarbij inbreuk kunnen maken op eigendomsrechten
                              van individuen.<noot id="n76" type="voet"><noot.nr>76</noot.nr><noot.al>ECtHR: Da Conceição Mateus and Santos Januário v. Portugal
                                    (dec.), 2013: 27;</noot.al><noot.al>Koufaki and Adedy v. Greece (dec.), 2013, §§ 46;</noot.al><noot.al>Mihaies v. Romania, 44232/11</noot.al></noot></al>
                    </al-groep>
                    <al>Het wetsvoorstel komt tegemoet aan het legitieme doel en is hier ook het
                           juiste middel voor doordat het een wettelijke regeling creëert die
                           bedrijven en hun werknemers ondersteunt in het zoveel mogelijk behouden
                           van banen in een crisis die buiten het reguliere ondernemersrisico
                              ligt.<noot id="n77" type="voet"><noot.nr>77</noot.nr><noot.al>Zie hiervoor uitgebreider paragraaf 2.4 en 2.6 van dit
                                 wetsvoorstel.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel is tevens noodzakelijk en in evenredige
                           verhouding tot het doel. Er bestaat bijvoorbeeld geen alternatief of een
                           minder ingrijpende maatregel om hetzelfde resultaat te kunnen bereiken.
                           Het buitengewone karakter van een crisissituatie kan vragen om
                           buitengewone maatregelen waarmee passend en doelgericht actie kan worden
                           ondernomen. Minder ingrijpende maatregelen kunnen dan niet dezelfde
                           doelmatigheid bieden. Daarbij verdient vermelding dat het wetsvoorstel
                           garandeert dat de inzet van het instrument verminderde loondoorbetaling
                           er nooit voor zorgt dat de werknemer minder dan het minimumloon betaald
                           krijgt.</al>
                    <al>Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de mogelijke beperking
                           van de loondoorbetalingsplicht die gemaximeerd is tot zes maanden<noot id="n78" type="voet"><noot.nr>78</noot.nr><noot.al>Op grond van artikel 7:628, eerste lid BW.</noot.al></noot> in dit wetsvoorstel de toets doorstaat van artikel 1 van het EP
                           en dus verenigbaar is met artikel 1 van het EP.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Gegevensbescherming en gegevensverwerking</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van dit wetsvoorstel zullen er voor de werkgever een aantal
                           aanvraagmomenten zijn de initiële aanvraag, de aanvraag met betrekking
                           tot de verlenging van het crisistijdvak en de aanvraag loonsubsidie.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>De initiële aanvraag en aanvraag voor verlenging van het
                                 crisistijdvak</titel>
                      </kop>
                      <al>Bij de initiële aanvraag en de aanvraag voor verlenging van het
                              crisistijdvak zal de werkgever het UWV verzoeken te beoordelen of vast
                              te stellen dat hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3,
                              te weten: is de werkgever geraakt door een crisis, heeft hij een
                              vereniging van werknemers geïnformeerd over zijn voornemen gebruik te
                              maken van de instrumenten die het wetsvoorstel zal bieden door hiervan
                              melding te doen bij Onze Minister en heeft hij de ondernemingsraad,
                              personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering in de
                              gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dit voornemen. Voor de
                              inhoudelijke beoordeling van de initiële aanvraag zijn geen
                              persoonsgegevens vereist. Wel dient de initiële aanvraag van de
                              werkgever op grond van artikel 4:2 Awb zijn naam en (correspondentie-)
                              adres te bevatten. Dit kunnen persoonsgegevens, niet zijnde bijzondere
                              persoonsgegevens, zijn die noodzakelijk zijn om de aanvraag te
                              behandelen. Te denken valt aan een zakelijk e-mailadres met daarin een
                              naam van een persoon of gegevens van werkgevers zonder
                              rechtspersoonlijkheid. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke
                              (persoons)gegevens de werkgever bij de initiële aanvraag moet
                              verstrekken.</al>
                      <al>De grondslag voor UWV om deze contactgegevens ten behoeve van de
                              initiële aanvraag en aanvraag tot verlenging van het crisistijdvak op
                              te vragen bij de werkgever en te verwerken, is gelegen in artikel 6,
                              eerste lid, onderdeel c, van de Algemene verordening
                              Gegevensverwerking (hierna: AVG). De verwerking is namelijk
                              noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting op
                              grond van de artikelen 8 en 16 van dit wetsvoorstel in samenhang met
                              artikel 54, eerste lid, Wet SUWI. Gelet op artikel 4 AVG zal UWV de
                              verwerkingsverantwoordelijke zijn voor deze gegevens; UWV stelt het
                              doel van en de middelen voor de verwerking van deze (persoons)gegevens
                              vast.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>De aanvraag loonsubsidie</titel>
                      </kop>
                      <al>De andere aanvraag betreft de aanvraag voor het verkrijgen van
                              loonsubsidie over het loon over niet-gewerkte uren van werknemers voor
                              wie de werkgever het loon verminderd heeft doorbetaald. Voor de
                              verlening en vaststelling van een aanvraag loonsubsidie worden voorts
                              – evenals voor de initiële aanvraag en aanvraag tot verlenging van het
                              crisistijdvak – contactgegevens gevraagd op grond van artikel 4:2 Awb.
                              Daarnaast zijn aanvullende gegevens nodig, namelijk gegevens op basis
                              waarvan de hoogte van de loonsubsidie kan worden berekend. Dat zijn
                              het loonheffingennummer, informatie over subsidiabele tijdvakken en
                              een SEPA-rekeningnummer. Deze gegevens die de werkgever voor de
                              aanvraag moet verstrekken, worden vastgesteld bij ministeriële
                              regeling.</al>
                      <al>De grondslag voor het UWV om de contactgegevens ten behoeve van de
                              aanvraag voor loonsubsidie op te vragen bij de werkgever en te
                              verwerken, is net als voor de initiële aanvraag gelegen in artikel 6,
                              eerste lid, onderdeel c, van de AVG. De verwerking is namelijk
                              noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting op
                              grond van de artikelen 8 en 16 van dit wetsvoorstel in samenhang met
                              artikel 54, eerste lid, Wet SUWI. Gelet op artikel 4 AVG zal UWV ook
                              de verwerkingsverantwoordelijke zijn voor deze gegevens.</al>
                      <al>Aangezien de hoogte van de loonsubsidie afhankelijk is van het loon
                              van de betreffende werknemers, zal het voor UWV noodzakelijk zijn om
                              te weten voor welke werknemers loonsubsidie wordt aangevraagd. In dat
                              kader zal UWV bij die aanvraag voor loonsubsidie (of de aanvraag voor
                              verlenging van het subsidietijdvak) het burgerservicenummer (bsn)
                              verwerken (artikel 16, eerste lid, Wpc). Het UWV zal het bsn benutten
                              om vast te stellen voor welke werknemers binnen het
                              loonheffingennummer loonsubsidie wordt aangevraagd en, indien nodig,
                              in de communicatie over de loonsubsidie tussen het UWV en de
                              werkgever. De werkgever hoeft geen gegevens op werknemersniveau aan te
                              leveren: deze gegevens zijn beschikbaar voor UWV via de
                              polisadministratie.</al>
                      <al>De hoogte van de lonen, als ook de subsidiabele uren, verkrijgt UWV
                              via de polisadministratie. De gegevens in de polisadministratie komen
                              binnen via de Belastingdienst. Op grond van artikel 28, eerste lid,
                              onderdeel d, Wet op de loonbelasting 1964, is de werkgever verplicht
                              voornoemde gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken. De
                              grondslag voor de Belastingdienst om deze gegevens te verwerken is
                              artikel 6, eerste lid, onderdeel e, AVG. De verwerking is namelijk
                              noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichtingen.
                              Het betreffen namelijk gegevens ten behoeve van een doel van de
                              polisadministratie, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel a,
                              van de Wet SUWI. Dat onderdeel ziet op het vastleggen van gegevens
                              over de arbeidsverhouding van de werknemer ten behoeve van de
                              uitvoering van taken die bij een andere wet dan bedoeld in artikel 30,
                              eerste lid, aan het UWV zijn opgedragen. Het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis wordt zo’n ‘andere wet’. UWV is
                              verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens uit de
                              polisadministratie voor de doelen genoemd in artikel 33, tweede lid,
                              onderdelen a, b en c van de Wet SUWI. De Belastingdienst is
                              verwerkingsverantwoordelijke voor het doel genoemd in onderdeel d en
                              het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) genoemd in onderdeel e.
                              In bijlage I bij het Besluit SUWI wordt per gegeven aangegeven voor
                              welk doel deze gegevens worden gebruikt.</al>
                      <al>Op grond van artikel 33, vijfde lid, Wet SUWI, verstrekt de
                              Belastingdienst voornoemde gegevens aan UWV. Dat lid bepaalt namelijk
                              dat alle gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij de uitvoering
                              van de heffing van loonbelasting en van de artikelen 58, tweede lid,
                              en 59 Wfsv, door de Belastingdienst aan het UWV worden verstrekt voor
                              zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor de
                              verwerking van gegevens in de polisadministratie. In het kader van het
                              Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis verkrijgt de Belastingdienst
                              gegevens op grond van artikel 59, tweede lid, Wfsv. In het tweede lid
                              wordt namelijk bepaald dat mede opgave kan worden verlangd van
                              gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de doelen van de
                              gegevensverwerking in de polisadministratie waarbij onder andere wordt
                              verwezen naar artikel 33, tweede lid, onderdeel a, Wet SUWI.</al>
                      <al>Ten behoeve van de gegevensoverdracht van de Belastingdienst aan het
                              UWV wordt bijlage 1 bij het Besluit SUWI aangepast. Er zal een
                              aanvullende rij met daarin ‘subsidiabele uren’ worden aangebracht voor
                              gegevensoverdracht van de Belastingdienst aan UWV en doormiddel van
                              kruisjes zal kenbaar worden gemaakt welke gegevens uit de
                              polisadministratie worden benut ten behoeve van de taken van het UWV
                              op grond van dit wetsvoorstel.</al>
                      <al>Voor de berekening van de loonsubsidie gebruikt UWV uit de
                              polisadministratie de volgende gegevens: bsn per loonheffingennummer,
                              SV-loon, subsidiabele uren (nieuw gegeven), verloonde uren, code
                              incidentele inkomstenvermindering (vanwege ziekte, zwangerschap of
                              bevalling). Aanvullend zal in een ministeriële regeling worden
                              uitgewerkt welke gegevens aanvullend nodig zijn. Het gaat naar
                              verwachting om loon belast volgens de tabel bijzondere beloningen,
                              vakantiebijslag, opgebouwde recht vakantiebijslag, opname
                              arbeidsvoorwaardenbedrag en opbouw arbeidsvoorwaardenbedrag. Deze
                              gegevens zijn hier voor de volledigheid alvast benoemd.</al>
                      <al>De informatie waarop UWV de hoogte van de loonsubsidie baseert, wordt
                              door UWV voorgelegd aan de werkgever, om te verifiëren of de gegevens
                              kloppen. Indien dit het geval is, zal op basis van die gegevens de
                              loonsubsidie worden berekend. Als dit niet het geval is, is het de
                              verantwoordelijkheid van de werkgever om de loonaangifte bij de
                              Belastingdienst te corrigeren.</al>
                      <al>In de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte zal worden geregeld dat
                              de werkgever de benodigde informatie verstrekt bij de
                              loonaangifte.</al>
                      <al>Ten aanzien van de werkgever wordt in het kader van de aanvraag voor
                              loonsubsidie het beginsel van eenmalige gegevensuitvraag gehanteerd,
                              zoals dat is opgenomen in artikel 33a, tweede lid, Wet SUWI. Dit
                              betekent dat gegevens die reeds zijn opgenomen in de
                              polisadministratie in beginsel niet nogmaals worden uitgevraagd.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.2</nr>
                    <titel>Verhouding tot nationaal recht</titel>
                  </kop>
                  <al>De voorgestelde wetgeving wordt ingebed in nationale wet- en regelgeving.
                        In onderstaande paragraaf is de verhouding beschreven tussen de voorgestelde
                        wetgeving en het Kader modernisering (staats)nood- en crisisrecht, de
                        Werkloosheidswet, het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en de Regeling
                        looncomponenten en arbeidsduur.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verhouding tot Kader modernisering (staats)nood- en
                              crisisrecht</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De regering hecht grote waarde aan een goed werkend en actueel
                              (staats)nood- en crisisrecht. Er wordt daarom gewerkt aan een
                              modernisering van het (staats)nood- en crisisrecht, met een nieuwe
                              systematische indeling van nood- en crisisbevoegdheden.<noot id="n79" type="voet"><noot.nr>79</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 2022/23,
                                       <extref doc="kst-29668-69" soort="document" status="actief">29 668, nr. 69</extref> en nr. <extref doc="kst-29668-70" soort="document" status="actief">70</extref>.</noot.al></noot> In het Kader modernisering (staats)nood- en crisisrecht
                              verduidelijkt de regering de indeling van het (staats)nood- en
                              crisisrecht, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>1)</li.nr>
                          <al>noodbevoegdheden die in werking gesteld moeten worden en die
                                    alleen in een noodtoestand kunnen worden ingezet;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>2)</li.nr>
                          <al>noodbevoegdheden die in werking gesteld moeten worden en die
                                    ook toepasbaar zijn buiten de noodtoestand; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>3)</li.nr>
                          <al>vormvrije noodbevoegdheden, waarin de toepassingscriteria
                                    gericht en relatief ingekaderd zijn.<noot id="n80" type="voet"><noot.nr>80</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,
                                          </nadruk>2022/23, <extref doc="kst-29668-69" soort="document" status="actief">29 668,
                                          nr. 69</extref>.</noot.al></noot></al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Het onderhavig wetsvoorstel wil het mogelijk maken om in tijden van
                           crisis Onze Minister de bevoegdheid te geven om mogelijkheden te
                           verruimen voor werkgevers om eenzijdige wijzigingen door te voeren in
                           bestaande arbeidsovereenkomsten, en daarmee de rechten van werknemers in
                           te perken. Daarom valt het wetsvoorstel ook onder het crisisrecht.<noot id="n81" type="voet"><noot.nr>81</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2023/24, <extref doc="kst-29668-70" soort="document" status="actief">29 668,
                                    nr. 70</extref>.</noot.al></noot></al>
                    <al>De instrumenten uit onderhavig wetsvoorstel kwalificeren als dergelijke
                           vormvrije noodbevoegdheden (categorie 3), omdat de noodbepalingen zijn
                           toegespitst op specifieke en begrensde situaties. De instrumenten zijn
                           slechts tijdelijk inzetbaar, aangezien zij uitsluitend kunnen worden
                           toegepast in de situaties beschreven in het wetsvoorstel. Daarnaast
                           hebben zij een beperkte impact op werknemers, aangezien de
                           inkomensterugval als gevolg van het inzetten van de instrumenten immers
                           beperkt is tot 10% over het brutoloon van de werknemer over de
                           niet-gewerkte uren. Uit het Kader modernisering (staats)nood- en
                           crisisrecht volgt dat voor de derde categorie geen aanvullende vereisten
                           zijn waar onderhavig wetsvoorstel aan zou moeten voldoen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verhouding tot de Werkloosheidswet (WW)</titel>
                    </kop>
                    <al>Werknemers zullen voor zover sprake is van inzet van de instrumenten uit
                           onderhavig wetsvoorstel niet in aanmerking komen voor een uitkering op
                           grond van de WW.</al>
                    <al>Om voor de WW in aanmerking te komen moet sprake zijn van werkloosheid.
                           Artikel 16 lid 1 WW bepaalt dat sprake is van werkloosheid als de
                           werknemer in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft
                           dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal
                           arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn
                           gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek. Daarnaast geldt dat de
                           werknemer beschikbaar is om arbeid te kunnen aanvaarden. Uit artikel 1a
                           WW volgt dat met arbeidsurenverlies ook wordt bedoeld dat er sprake moet
                           zijn van loonverlies.</al>
                    <al>De omstandigheden van werknemers die werkloos zijn en werknemers die
                           (tijdelijk) niet kunnen werken als gevolg van een crisis in de zin van
                           het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis kunnen weliswaar op elkaar
                           lijken (er wordt niet gewerkt, en er is een terugval aan inkomen), maar
                           de oorzaak is van andere orde. Zo is de WW bedoeld om werknemers die geen
                           of minder werk hebben een financiële tegemoetkoming te geven om de
                           periode naar een nieuwe baan (over het algemeen) bij een nieuwe werkgever
                           te overbruggen. Onderhavig wetsvoorstel ziet erop dat werknemers juist
                           hun huidige baan bij de huidige werkgever kunnen behouden, ondanks het
                           feit dat zich een crisis heeft voorgedaan, waardoor er tijdelijk minder
                           werk is. Ook is er voor werknemers die te maken krijgen met een
                           tijdelijke crisis in de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                           crisis geen noodzaak voor inkomensondersteuning. Voor deze werknemers
                           geldt voor de niet-gewerkte uren namelijk de verminderde
                           loondoorbetalingsverplichting. De inkomensterugval van de werknemer kan
                           daarmee niet groter zijn dan 10% van het naar tijdruimte vastgestelde
                           loon.</al>
                    <al>Het is niet nodig om samenloopbepalingen op te nemen die uitsluiten dat
                           werknemers die een tijdelijke crisis ervaren gebruik zullen maken van de
                           WW. Voor de WW geldt de toegangsvoorwaarde dat er sprake is van een
                           verlies van minimaal vijf arbeidsuren. Als een werknemer met een fulltime
                           contract van 40 uur vijf arbeidsuren verliest, gaat het om een
                           loonverlies van 12,5%. Bij gebruik van het instrument verminderde
                           loondoorbetaling uit onderhavig wetsvoorstel zal voor de werknemer die
                           met een fulltime contract van 40 uur vijf uur minder gaat werken, het
                           inkomen van de werknemer slechts met 1,25% (10% verminderde
                           loondoorbetaling x 12,5% verlies van de arbeidsuren) dalen. Bij
                           verminderde loondoorbetaling op grond van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis zal de werknemer daarom niet voldoen aan de
                           eis van een inkomensterugval van minimaal 12,5% die voor de WW
                           geldt.</al>
                    <al>Ten slotte kan ook de vraag gesteld worden of de werknemer die als
                           gevolg van een crisis tijdelijk minder werk heeft wel beschikbaar is om
                           andere arbeid aan te nemen. Tijdens de crisis heeft de werknemer
                           weliswaar tijdelijk minder werk, en zou in theorie andere arbeid kunnen
                           aanvaarden. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst blijft echter van
                           kracht, en op het moment dat er weer werk is, zal de oorspronkelijke
                           werkgever een beroep kunnen doen op de werknemer om de overeengekomen
                           arbeid weer te verrichten.</al>
                    <al>Naast de WW is er nog de uitkering op basis van hoofdstuk IV WW, de
                           uitkering wegens betalingsonmacht. Deze uitkering waarborgt dat een
                           werknemer het door hem in het verleden verdiende loon en het loon over de
                           voor hem geldende opzegtermijn ontvangt.<noot id="n82" type="voet"><noot.nr>82</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 1985/86, <extref doc="kst-19261-3" soort="document" status="actief">19 261,
                                    nr. 3</extref>.</noot.al></noot> Het recht op de uitkering wordt per kalendermaand berekend. De
                           uitkering bestaat onder andere uit het onbetaalde loon over maximaal
                           dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
                           dienstbetrekking eindigt en het loon over maximaal de voor de werknemer
                           geldende opzegtermijn. Onder loon wordt verstaan alles wat de werkgever
                           in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer rechtens verschuldigd
                           is (met uitzondering van vakantiegeld en de vakantiebijslag). Als UWV de
                           uitkering heeft voldaan, krijgt UWV voor eenzelfde bedrag inclusief de
                           verschuldigde werkgeverpremies een bevoorrechte vordering op de
                           werkgever. Als het instrument verminderde loon is toegepast en de
                           arbeidsovereenkomst eindigt terwijl het loon nog is verminderd, geldt
                           voor het berekenen van deze uitkering het verminderde loon. Dat geldt ook
                           als een dergelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst geschiedt
                           vanwege faillissement. De Europese Insolventierichtlijn<noot id="n83" type="voet"><noot.nr>83</noot.nr><noot.al>Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad
                                 van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers
                                 bij insolventie van de werkgever.</noot.al></noot> staat hieraan niet in de weg. De Insolventierichtlijn beoogt de
                           uitbetaling van onvervulde aanspraken van werknemers bij faillissement te
                           garanderen. Aanspraken die gewaarborgd moeten worden betreffen de
                           onbetaalde lonen, ook wel bezoldiging. De Europese Commissie heeft
                           aangegeven dat de definitie van de term ‘bezoldiging’ in de
                           Insolventierichtlijn is overgelaten aan de nationale wetgever, waardoor
                           er verschillen tussen de lidstaten bestaan wat de omvang van de waarborg
                              betreft.<noot id="n84" type="voet"><noot.nr>84</noot.nr><noot.al>COM (2011) 84, 52011DC0084.</noot.al></noot> In artikel 7:660b, eerste lid, onder b, BW, wordt geregeld dat de
                           werkgever de werknemer 90% van zijn loon kan betalen over de uren waarin
                           de werknemer de bedongen arbeid vanwege een crisis niet heeft kunnen
                           werken. Artikel 61 WW regelt dat het UWV gehouden is een werknemer een
                           uitkering te vergoeden indien zijn failliete/in surseance van betaling
                           verkerende werkgever is opgehouden loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag
                           te betalen. Als de werkgever niet langer gehouden is 100% van het loon te
                           betalen op basis van artikel 660b, eerste lid onder b, BW, hoeft het UWV
                           op grond van de Insolventierichtlijn evenmin 100% te vergoeden.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Uitzondering verminderde loondoorbetaling voor Dagloonbesluit
                              (Dagloonbesluit werknemersverzekeringen)</titel>
                    </kop>
                    <al>Het instrument verminderde loondoorbetaling heeft tot gevolg dat een
                           werknemer een lager SV-loon heeft (zie paragraaf 3.3.2.3). Het SV-loon is
                           het loon waarover sociale verzekeringspremies worden betaald. Dit
                           loonbegrip is ook relevant voor de dagloonvaststelling, de berekening van
                           het maatmanloon voor de arbeidsongeschiktheidswetten en de verrekening
                           van inkomsten tijdens een uitkering op grond van één van de
                           werknemersverzekeringen. Het verlaagde SV-loon heeft zodoende invloed op
                           de hoogte van het dagloon en kan mogelijk leiden tot een lagere
                           uitkering. Het kabinet acht dit onwenselijk. Er worden maatregelen
                           voorgesteld om dit te repareren. Hierbij moet worden aangemerkt dat deze
                           maatregelen wijziging in lagere regelgeving vergen, waaronder in ieder
                           geval het Dagloonbesluit. De regering werkt de benodigde wijzigingen uit
                           waarna deze getoetst worden op uitvoerbaarheid. In de uitwerking is ook
                           oog voor de samenhang met de bredere ontwikkelingen rond het
                           Dagloonbesluit.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Systematiek van het dagloon</titel>
                    </kop>
                    <al>De hoogte van verschillende uitkeringen, zoals WW, ZW, WIA en WAZO
                           worden gebaseerd op het dagloon. Het dagloon wordt berekend over het
                           daadwerkelijk ontvangen loon in het jaar voorafgaand aan het intreden van
                           het verzekerd risico, zoals werkloosheid, ziekte of
                           arbeidsongeschiktheid. Wanneer er binnen de referteperiode sprake is van
                           een inkomstenvermindering, dan leidt dit tot een lager SV-loon en daarmee
                           tot een lager dagloon. Dit zorgt weer voor een lagere loongerelateerde
                           uitkering. Het Dagloonbesluit is een complex besluit mede omdat de
                           systematiek diverse uitgangspunten kent. Enerzijds beoogt het een
                           representatieve weergave te geven van het inkomen dat in een voorliggende
                           periode is ontvangen. Anderzijds moet het een heldere manier van
                           berekening bieden, die geautomatiseerd kan worden uitgevoerd.<noot id="n85" type="voet"><noot.nr>85</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-2013-185" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 2013, 185</extref>, blz.
                                 15–17.</noot.al></noot></al>
                    <al>Ter illustratie van de gevolgen die een lager SV-loon in het kader van
                           dit wetsvoorstel heeft, zijn hieronder twee rekenvoorbeelden
                           uitgewerkt.</al>
                    <al>
                      <nadruk type="cur">Voorbeeld </nadruk>
                    </al>
                    <al-groep>
                      <al>In een regulier jaar:</al>
                      <al>Iemand verdiende in het afgelopen jaar bruto € 30.000. Het dagloon
                              bedraagt dan (€ 30.000 / 261 =) € 114,94 bruto (€ 2.499,95 bruto per
                              maand).</al>
                      <al>De uitkeringsgerechtigde ontvangt 70% van dit bedrag, € 1.749,97
                              bruto per maand.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Als de verminderde loondoorbetaling in het kader van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis niet wordt gecompenseerd, leidt dat tot een
                           lager uitkeringsbedrag:</al>
                    <al>Door de inkomstenvermindering wegens het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                           bij crisis bedraagt het jaarinkomen € 28.500 (verminderde
                           loondoorbetaling van 10% over een half jaar gebruikmaking van het
                           instrument). Het dagloon wordt vastgesteld op (€ 28.500 / 261 =) € 109,20
                           bruto (€ 2.375 bruto per maand). De uitkeringsgerechtigde ontvangt 70%
                           van dit bedrag, € 1.662,50 bruto per maand. </al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Doorwerking verminderde loondoorbetaling</titel>
                    </kop>
                    <al>De verminderde loondoorbetaling in het kader van dit wetsvoorstel heeft
                           in beginsel een lager SV-loon tot gevolg. Voor WW-, ZW-, WAZO- en
                           arbeidsongeschikte WGA-uitkeringsgerechtigden geldt dat deze doorwerking
                           van beperkte duur is (tijdens de loongerelateerde uitkeringsduur
                           variërend van een aantal weken tot een aantal jaar). Voor langdurig en
                           volledig en duurzaam arbeidsongeschikte WIA-uitkeringsgerechtigden kan de
                           doorwerking tot maximaal de AOW-gerechtigde leeftijd voortduren.</al>
                    <al>In de huidige wet- en regelgeving is er binnen het Dagloonbesluit een
                           uitzondering voor inkomstenvermindering door verlof, ziekte en
                           werkstaking tijdens de dienstbetrekking. Indien er sprake is van een van
                           de voornoemde omstandigheden kan worden uitgegaan van een ander
                              aangiftetijdvak.<noot id="n86" type="voet"><noot.nr>86</noot.nr><noot.al>Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, Artikelen 6, 12f en
                                 17.</noot.al></noot> De regering is voornemens om de verminderde loondoorbetaling van
                           het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis als aanvullende uitzondering
                           op te nemen in de betreffende sociale zekerheidswet-en regelgeving. Twee
                           zwaarwegende redenen liggen hieraan ten grondslag.</al>
                    <al>Ten eerste past het niet binnen de uitgangspunten (zie paragraaf 2.6)
                           die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel om de werknemer na afloop
                           van de crisis nog negatieve inkomenseffecten te laten ondervinden. Het
                           Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is zo ingericht dat elke partij
                           bijdraagt tijdens crisis, ook de werknemer. Hiertegenover staat dat de
                           werknemer meer baanzekerheid wordt geboden (zie paragraaf 2.1 t/m 2.6).
                           De crisis is een onvoorzienbare en uitzonderlijke situatie voor zowel
                           werkgever als werknemer. Hoewel de verminderde loondoorbetaling tijdens
                           deze uitzonderlijke periode gerechtvaardigd is (zie paragraaf 3.3.2.3),
                           ontbreekt een rechtvaardiging voor verdergaande gevolgen zodra het
                           crisistijdvak (maximaal 6 maanden) is verstreken. Het wordt onwenselijk
                           geacht dat de negatieve inkomenseffecten na afloop van de crisis nog
                           merkbaar blijven.</al>
                    <al>De tweede reden is dat de werknemer op grond van de wettelijke
                           vastgelegde mogelijkheid tot verminderde loondoorbetaling geen invloed
                           heeft op het dagloonverlagende effect. In artikel 2 van dit wetsvoorstel
                           is bepaald welke situaties (kunnen) worden aangemerkt als crisis. Als een
                           werkgever de loonsubsidie van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                           crisis wil inzetten, dan moet hij tevens het instrument verminderde
                           loondoorbetaling inzetten, waarbij het loon van de werknemers voor wie de
                           werkgever loonsubsidie wil ontvangen, moet worden verminderd
                           overeenkomstig het voorgestelde artikel 7:660b BW. Dit betreft een
                           eenzijdig besluit van de werkgever, waarin werknemers op individueel
                           niveau geen zeggenschap hebben. De wettelijke basis van de verminderde
                           loondoorbetaling op basis van het wetsvoorstel onderscheidt zich hiermee
                           van andere loonoffers.</al>
                    <al>Het bijzondere karakter van dit wetsvoorstel, tijdelijke bescherming van
                           werkgelegenheid in tijden van crisis,<noot id="n87" type="voet"><noot.nr>87</noot.nr><noot.al>Zie uitgebreider paragraaf 2.3.</noot.al></noot> rechtvaardigt een uitzondering op het Dagloonbesluit. Dit
                           karakter maakt dat de precedentwerking naar andere onverwachte situaties
                           tijdens dienstverbanden, zoals verschillen in loonuitbetaling, wordt
                           beperkt, zelfs wanneer dergelijke situaties het dagloon ook zouden kunnen
                           beïnvloeden.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Afgeleide onderdelen tevens uitzonderen</titel>
                    </kop>
                    <al>Er zijn een aantal onderdelen van de werknemersregelingen, waar de
                           verminderde loondoorbetaling ook een licht effect kan hebben. Het lagere
                           SV-loon leidt tot een negatief effect voor maatmanloon en
                           inkomensverrekening bij uitkering. Negatieve effecten van een lagere
                           SV-loon, veroorzaakt door toepassing van de instrumenten uit dit
                           wetsvoorstel, zullen in de betreffende socialezekerheidswetgeving worden
                           gerepareerd. Voor het dagloon betekent reparatie het toevoegen van een
                           uitzondering aan het Dagloonbesluit ten behoeve van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis. Voor deze afgeleide onderdelen (maatmanloon
                           en inkomensverrekening bij uitkering) geldt dat er ook een uitzondering
                           wordt geregeld. Hier is voor gekozen, omdat dit leidt tot een uniforme
                           waardering van deze specifieke verminderde loondoorbetaling in de sociale
                           zekerheidsregelgeving. Het is namelijk niet gewenst om de uitzondering
                           wel te maken bij het Dagloonbesluit, maar niet bij de berekening van het
                           maatmanloon e.d. Op dit moment is er binnen deze onderdelen al een
                           bestaande uitzondering voor ziekte, verlof<noot id="n88" type="voet"><noot.nr>88</noot.nr><noot.al>Artikel 2 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en
                                 transitievergoeding. (Periodes van loonvermindering wegens
                                 ziekte/verlof hebben geen invloed op hoogte van de
                                 transitievergoeding. Zie blz. 7 van de bijbehorende toelichting,
                                    <extref doc="stb-2014-538" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 2014,
                                 538</extref>);</noot.al><noot.al>Artikel 19aa Ziektewet.</noot.al></noot> en in het Dagloonbesluit ook voor staking.<noot id="n89" type="voet"><noot.nr>89</noot.nr><noot.al>Artikel 6 Dagloonbesluit Werknemersverzekeringen.</noot.al></noot> De verminderde loondoorbetaling van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis wordt als uitzondering toegevoegd in de
                           betreffende sociale zekerheidswet- en regelgeving. Daarnaast gaan de
                           bovenstaande twee redenen m.b.t. dagloon ook op voor de afgeleide
                           onderdelen.</al>
                    <al>De verminderde loondoorbetaling kan daarnaast ook een kleine impact
                           hebben op de hoogte van de pensioenen. Hiervoor wordt geen wettelijke
                           uitzondering gemaakt. Werkgevers en werknemers kunnen onderling in
                           individuele afspraken, bij cao of in pensioenreglementen afspraken maken
                           over het doorbetalen van pensioenpremies over het deel van het loon dat
                           op grond van onderhavig wetsvoorstel is verminderd, om terugval in de
                           pensioenopbouw te voorkomen.</al>
                    <al>In de volgende alinea’s worden de specifieke doorwerkingen op het
                           maatmanloon, inkomensverrekening bij uitkering en de transitievergoeding
                           nader toegelicht.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Maatmanloon</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de WIA en
                           het tweede jaar van de Ziektewetuitkering (Eerstejaars
                           Ziektewetbeoordeling EZWB) vindt een vergelijking plaats tussen het
                           gemiddelde loon dat men verdiende voorafgaand aan het intreden van ziekte
                           of gebrek en het inkomen dat men nog kan verdienen, rekening houdend met
                           de arbeidsbeperkingen.</al>
                    <al>Het inkomen dat men verdiende voor intreden van ziekte of gebrek heet
                           het maatmanloon en wordt gebaseerd op het inkomen dat gemiddeld werd
                           verdiend in het voorgaande jaar bij de werkgever waar de ziekte of
                           beperking intreedt. Als in dat voorgaande jaar bij die werkgever zich een
                           crisissituatie heeft voorgedaan en er een inkomstenvermindering is
                           opgetreden als gevolg van toepassing van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis, heeft dat een verlagend effect op het
                           gemiddelde maatmanloon.</al>
                    <al>Wanneer er een lager maatmanloon wordt vastgesteld, kan dit ertoe leiden
                           dat het inkomensverlies als gevolg van ziekte of gebrek kleiner wordt.
                           Dit kan er vervolgens toe leiden dat er geen recht is op een
                           WIA-uitkering of recht is op een lagere WIA-uitkering. Om dit te
                           voorkomen wordt in de betreffende sociale zekerheidswet- en regelgeving
                           een uitzondering gemaakt voor de inkomstenvermindering als gevolg van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>Ter illustratie zijn hieronder twee rekenvoorbeelden uitgewerkt.</al>
                    <?xpp ep?>
                    <al-groep>
                      <al>
                        <nadruk type="cur">Voorbeeld</nadruk>
                      </al>
                      <al>Stel iemand verdiende een uurloon van bruto € 30,00. Vastgesteld
                              wordt dat deze persoon, rekening houdend met diens arbeidsbeperkingen,
                              nog bruto € 19,00 per uur kan verdienen. Het inkomensverlies bedraagt
                              dan 36,6%.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Indien het uurloon door toepassing van het Wetsvoorstel personeelsbehoud
                           bij crisis lager zou worden vastgesteld, namelijk op bruto € 28,50, dan
                           bedraagt het inkomensverlies 33,3%.</al>
                    <al>In de situatie zonder verminderde loondoorbetaling door het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis zou deze persoon een WIA-uitkering ontvangen.
                           Door de verminderde loondoorbetaling in het voorliggende jaar, bedraagt
                           het inkomensverlies echter minder dan 35%, hetgeen betekent dat er geen
                           recht op een WIA-uitkering ontstaat. Ten aanzien van de beoordeling in
                           het tweede ziektejaar van de Ziektewet zou dit betekenen dat de
                           Ziektewetuitkering zou worden beëindigd. De verzekerde zonder werkgever
                           is daardoor aangewezen op WW-uitkering of bijstandsuitkering. </al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Inkomstenverrekening</titel>
                    </kop>
                    <al>Een lager SV-loon als gevolg van een verminderde loondoorbetaling wegens
                           het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis heeft ook gevolgen voor
                           inkomstenverrekening bij uitkeringen van UWV. Dit effect is anders dan
                           bij dagloon, maatmanloon en de transitievergoeding. Door de methodiek van
                           de inkomstenverrekening wordt het lagere SV-loon als het ware
                           tenietgedaan door een verhoging van de uitkering. Een gerechtvaardigde
                           vermindering van loondoorbetaling die vervolgens wordt opgeheven door
                           inkomstenverrekening strookt niet met de doelstellingen van het
                           Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. De voorgestelde uitzondering op
                           dit punt ziet erop toe dat verminderde loondoorbetaling niet wordt
                           doorkruist door inkomstenverrekening. Er is geen sprake van een negatief
                           inkomsteneffect na afloop van de crisisperiode, omdat dit per
                           aangiftetijdvak berekend wordt.</al>
                    <al>De situatie kan zich voordoen dat een uitkeringsgerechtigde van
                           bijvoorbeeld de WW, ZW, WIA, WAO of Wajong arbeid in loondienst uitvoert.
                           De daaruit voortvloeiende inkomsten worden dan veelal verrekend met de
                           uitkering. Voor de inkomstenverrekening wordt eveneens gekeken naar het
                           SV-loon dat de uitkeringsgerechtigde heeft genoten. Wanneer er meer of
                           minder inkomen wordt genoten in een bepaald aangiftetijdvak, heeft dit
                           correctieve gevolgen voor de inkomstenverrekening en de vaststelling van
                           de hoogte van de uitkering. Als een uitkeringsgerechtigde werkzaam is bij
                           een werkgever die te maken krijgt met een crisis en gebruikmaakt van het
                           instrument verminderde loondoorbetaling van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis, is er sprake van een inkomstenvermindering.
                           Door de verrekening wordt de verminderde loondoorbetaling ten dele
                           gecompenseerd (zie onderstaand voorbeeld). Het financieel beoogde effect
                           van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis om ook de werknemer te
                           laten bijdragen aan het dragen van de lasten van de onvoorzienbare
                           crisissituatie (zie paragraaf 3.3.2.3) worden dan deels opgeheven door de
                           ophoging van de betreffende uitkering. Om dit te herstellen, is de
                           regering voornemens om een uitzondering te maken ten aanzien van het
                           Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis, waardoor er geen koppeling is
                           tussen de verminderde loondoorbetaling en het bedrag waarover de
                           uitkering wordt berekend (zie voorbeeld). Deze uitzondering zal worden
                           geregeld in de van toepassing zijnde sociale zekerheidswet- en
                           regelgeving. Ter illustratie is hieronder een voorbeeld uitgewerkt.</al>
                    <al>
                      <nadruk type="cur">Voorbeeld</nadruk>
                    </al>
                    <al>Indien een WW-uitkeringsgerechtigde een WW-maandloon heeft van bruto
                           € 2.000. Hij verdient uit arbeid in loondienst bruto € 1.000. De
                           WW-uitkering bedraagt dan 70% van (€ 2.000 – € 1.000) = € 700 bruto per
                           maand en het totale inkomen van deze persoon bruto € 1.700 per
                           maand.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Wanneer er sprake is van inkomstenvermindering als gevolg van het
                              Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis, wordt het inkomen uit arbeid
                              10% lager. Stel dat de betrokkene gedurende de periode van crisis
                              maximaal 6 maanden € 900 verdient. De WW-uitkering bedraagt dan 0,7 *
                              (€ 2.000 – € 900) = € 770 bruto per maand en het totale inkomen van
                              deze persoon bruto € 1.670 per maand. Hieruit volgt dat hoewel het
                              inkomen uit arbeid met € 100 bruto is gedaald, het totale inkomen
                              daalt met € 30 bruto.</al>
                      <al>Om dit te herstellen wordt voorgesteld dat UWV, op grond van de
                              voorgestelde uitzondering voor het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                              crisis, in de berekening het verdiende loon ophoogt naar het originele
                              bedrag. In dit voorbeeld geldt dan dat er € 900 arbeid in loondienst
                              is verdiend. De WW-uitkering bedraagt dan 70% van (€ 2.000 – € 1.000)
                              = € 700 bruto per maand. Het totale inkomen van deze persoon is dan
                              bruto € 900 + € 700 = € 1.600 per maand. Dit betekent dat het totale
                              inkomen met € 100 daalt.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Transitievergoeding (Regeling looncomponenten en
                              arbeidsduur)</titel>
                    </kop>
                    <al>De transitievergoeding is de vergoeding die een werknemer krijgt wanneer
                           de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd, of
                           niet wordt verlengd. De transitievergoeding wordt berekend op basis van
                           het maandsalaris en de duur van het dienstverband.</al>
                    <al>Indien er een vaste arbeidsduur is afgesproken, heeft de verminderde
                           loondoorbetaling geen effect. Dit komt omdat de hoogte van het op dat
                           moment geldende bruto uurloon, en de oorspronkelijk overeengekomen
                           arbeidsduur ongewijzigd blijven. Dit verandert niet als de werknemer
                           tijdelijk minder werkt. In dat geval heeft de verminderde
                           loondoorbetaling geen effect op de berekening. Hiermee wordt aansluiting
                           gevonden bij de huidige regeling waarin is bepaald dat een periode van
                           afwezigheid (wegens bijvoorbeeld ouderschapsverlof of ziekte) geen
                           gevolgen heeft voor de arbeidsduur als een vaste arbeidsduur is
                           overeengekomen.</al>
                    <al>Er is wel sprake van een specifieke situatie van de verminderde
                           loondoorbetaling van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis als er
                           sprake is van een wisselende arbeidsduur (bijvoorbeeld bij een
                           oproepcontract, zoals een min/max contract), of ingeval van variabel
                           loon, zoals provisie of stukloon. Dit komt omdat bij de berekening uit
                           wordt gegaan van de gemiddelde arbeidsuur en het gemiddelde loon. Wegens
                           de verminderde loondoorbetaling zullen beide gemiddeldes lager liggen,
                           wat leidt tot een lagere transitievergoeding.</al>
                    <al>Om dit te voorkomen zal de Regeling looncomponenten en arbeidsduur op
                           dit punt worden gewijzigd.<noot id="n90" type="voet"><noot.nr>90</noot.nr><noot.al>Regeling looncomponenten en arbeidsduur.</noot.al></noot> Dit sluit aan bij de huidige regeling waarin is bepaald dat bij
                           de berekening van de gemiddelde arbeidsduur perioden, waarin de werknemer
                           verlof genoot, wegens een staking geen arbeid verrichtte, of niet in
                           staat was arbeid te verrichten in verband met ongeschiktheid ten gevolge
                           van ziekte, niet in aanmerking worden genomen. Gevolg hiervan is dat de
                           werkgever de periode waarop hij gebruikmaakt van het instrument
                           verminderde loondoorbetaling, hij deze periode niet meeneemt in de
                           berekening van de transitievergoeding.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Caribisch Nederland</titel>
                    </kop>
                    <al>Op basis van het principe van <nadruk type="cur">comply or
                              explain</nadruk> zal voor nieuw beleid dat van toepassing gaat zijn in
                           Europees Nederland worden vastgesteld of dit kan worden vertaald naar
                           beleid voor Caribisch Nederland. Alleen in het geval van goed onderbouwde
                           redenen kan er afgeweken worden van het principe <nadruk type="cur">comply</nadruk>. Hierbij moet rekening gehouden worden met de context
                           van het huidige wetsvoorstel als de context van Caribisch Nederland.</al>
                    <al>Voorop staat dat het met dit wetsvoorstel beoogde doel ook voor
                           Caribisch Nederland van toepassing is. Voor de concretisering ervan wordt
                           echter een eigen route gekozen. De arbeidsmarkt in Caribisch Nederland
                           functioneert anders en kent andere uitdagingen dan de arbeidsmarkt in
                           Europees Nederland. Bovendien is de uitvoering van wetgeving afwijkend en
                           binnen andere randvoorwaarden georganiseerd. Het is voor de vertaling van
                           beleid naar Caribisch Nederland van groot belang de passendheid van
                           maatwerkmaatregelen in de lokale context te zien. Dit overstijgt het
                           belang van aansluiting bij de Europees Nederlandse regelingen of
                              stelsels.<noot id="n91" type="voet"><noot.nr>91</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 2022/23, <extref doc="kst-36200-IV-85" soort="document" status="actief">36 200 IV,
                                    nr. 85</extref>.</noot.al></noot></al>
                    <al>Overeenkomstig het door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
                           Koninkrijksrelaties gecoördineerde prioritair wetgevingsoverzicht wordt
                           momenteel gewerkt aan het uitwerken van een werkloosheidsvoorziening voor
                           Caribisch Nederland.<noot id="n92" type="voet"><noot.nr>92</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II,</nadruk> 2022/23, <extref doc="kst-36200-IV-44" soort="document" status="actief">36 200 IV,
                                    nr. 44</extref>.</noot.al></noot> Na het treffen van deze (tijdelijke) voorziening zal worden
                           nagedacht over een werkloosheidswet voor Caribisch Nederland. Bij de
                           vormgeving van een werkloosheidswet zal worden bezien of het mogelijk en
                           wenselijk is het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis ook geschikt te
                           maken voor crisissituaties in Caribisch Nederland. Inhoudelijk zal
                           hierover – te zijner tijd – afstemming plaatsvinden met de Centraal
                           Dialogen en bestuurscolleges van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.</al>
                    <al>Daarom is in dit wetsvoorstel de keuze gemaakt om dit stelsel (nog) niet
                           van toepassing te laten zijn op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
                           (Caribisch Nederland), maar enkel op het Europese deel van
                           Nederland.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Regeldruk en gevolgen</titel>
                </kop>
                <al>Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor werkgevers, werknemers en (budgettaire)
                     effecten voor de regering. In deze paragraaf wordt hier een overzicht van
                     gegeven.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.1</nr>
                    <titel>Inleiding</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Aantallen werkgevers</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit data van het CBS blijkt dat er op 1 januari 2024 circa 430.000
                           bedrijven in Nederland waren met meer dan één werkzame persoon.<noot id="n93" type="voet"><noot.nr>93</noot.nr><noot.al>Bron: CBS Statline data, bedrijven; bedrijfstak. Geraadpleegd
                                 op 1 maart 2024. Het betreft hier het aantal bedrijven met meer dan
                                 één werkzame persoon, bedrijven met slechts één werkzame persoon
                                 zijn daarin niet meegenomen. Hier is voor gekozen omdat de werkzame
                                 persoon in zo’n bedrijf in vrijwel alle gevallen geen werknemer is.
                                 Het begrip werkzame personen omvat namelijk zowel werknemers als
                                 zelfstandigen, maar ook meewerkende firmanten, eigenaren en
                                 familieleden. Bedrijven met maar één werkzame persoon kunnen daarom
                                 de instrumenten uit het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                                 niet inzetten.</noot.al></noot> Dit is de totale doelgroep van bedrijven die onder de reikwijdte
                           van dit wetsvoorstel valt.</al>
                    <al>Omstandigheden die in dit wetsvoorstel als crisis worden aangemerkt
                           zullen zich niet ieder jaar en bij ieder bedrijf voordoen. De verwachting
                           is dat cijfers van het gebruik van de bestaande WTV een goede indicatie
                           geven van het gebruik van de instrumenten herplaatsing, verminderde
                           loondoorbetaling en loonsubsidie in reguliere jaren (jaren waarin zich
                           geen grootschalige crisis voordoet). Jaarlijks maken gemiddeld grofweg 50
                           werkgevers gebruik van de WTV. Er zijn enkele inhoudelijke verschillen
                           tussen de WTV en onderhavig wetsvoorstel waarmee het verwachte gebruik
                           van de laatstgenoemde iets hoger zal liggen. Voor ramingsdoeleinden wordt
                           zodoende uitgegaan van een jaarlijks gebruik van circa 80
                           werkgevers.</al>
                    <al>Ten tijde van grootschalige crises, zoals bijvoorbeeld tijdens de
                           Covid-19 pandemie, zal het gebruik van de instrumenten herplaatsing en
                           verminderde loondoorbetaling en de loonsubsidie aanzienlijk hoger liggen.
                           Om een indicatie te geven van het verwachte gebruik is gebruikgemaakt van
                           realisatiecijfers van de NOW. Verwacht wordt dat het gebruik van de NOW
                           tranches vijf tot en met acht een redelijke indicatie geeft van het
                           gebruik van de instrumenten herplaatsing, verminderde loondoorbetaling en
                           loonsubsidie bij grotere crises.<noot id="n94" type="voet"><noot.nr>94</noot.nr><noot.al>Het gebruik van de eerdere NOW tranches 1 tot en met 4 wordt
                                 als minder representatief beschouwd voor een toekomstige crisis.
                                 Dit komt door het feit dat de economische schok door
                                 contactbeperkende maatregelen in 2020 historisch gezien
                                 uitzonderlijk was. Zo daalde bijvoorbeeld het bruto binnenlands
                                 product (BBP) in het tweede kwartaal van 2020 met circa 8,5%, wat
                                 sinds de Tweede Wereldoorlog niet is voorgekomen.</noot.al></noot> Tegelijkertijd zal dit wetsvoorstel gerichter zijn dan de NOW,
                           waardoor het gebruik naar verwachting iets lager zal uitkomen. Voor
                           ramingsdoeleinden wordt uitgegaan van een verwacht gebruik van circa
                           30.000 werkgevers ten tijde van grootschalige crises. Deze werkgevers
                           zullen een (combinatie van) instrument(en) uit het voorliggende
                           wetsvoorstel in kunnen zetten, zoals uitgelegd in paragraaf 3.3.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Aantallen werknemers</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit cijfers van UWV blijkt dat de verzekerde populatie werknemers in
                           2022 circa 8 miljoen personen betrof.<noot id="n95" type="voet"><noot.nr>95</noot.nr><noot.al>UWV, kwantitatieve informatie 2022, pagina 39.</noot.al></noot> Uit realisatiecijfers van de huidige WTV blijkt dat in reguliere
                           tijden per jaar gemiddeld voor circa 350 werknemers een beroep gedaan
                           wordt op de WTV. Omdat het verwachte gebruik van het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis in reguliere tijden iets hoger zal liggen dan
                           bij de WTV, wordt ervan uitgegaan dat in reguliere jaren jaarlijks circa
                           600 werknemers gevolgen zullen ondervinden van het inzetten van de
                           instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling.</al>
                    <al>De groep werknemers die te maken krijgt met de inzet van de instrumenten
                           zal groter worden ten tijde van grootschalige crises. Ook hier wordt
                           aangenomen dat het gebruik van de NOW ten tijde van de COVID-19 pandemie
                           aanknopingspunten biedt voor het verwachte aantal werknemers dat gevolgen
                           zal ondervinden van het inzetten van de instrumenten herplaatsing en
                           verminderde loondoorbetaling. Net als bij de verwachte aantallen
                           werkgevers wordt aangenomen dat het aantal werknemers dat gevolgen
                           ondervindt van de regeling bij grootschalige crises door de gerichtheid
                           van onderhavig wetsvoorstel iets lager zal liggen dan ten tijde van de
                           NOW. Zodoende wordt uitgegaan van ongeveer 400.000 werknemers waarvoor in
                           dergelijke tijden de instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling zullen worden ingezet.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.2</nr>
                    <titel>Effecten regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>De inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten vormen
                        gezamenlijk de kosten die samenhangen met regeldruk. Het onderhavige
                        wetsvoorstel heeft met name gevolgen voor de regeldruk bij
                        werkgevers/bedrijven en in beperkte mate voor burgers als werknemers.<noot id="n96" type="voet"><noot.nr>96</noot.nr><noot.al>Voor de benodigde tijd per handeling is uitgegaan van de
                              tijdsbestedingstabel voor burgers/bedrijven uit het Handboek Meting
                              Regeldrukkosten (2023).</noot.al></noot> In de twee volgende paragrafen worden de regeldrukkosten voor beide
                        groepen in beeld gebracht. Daarbij is het van belang dat dit wetsvoorstel de
                        bestaande WTV zal vervangen. De regeldrukkosten voor reguliere tijden die
                        hier zijn opgenomen komen dus niet bovenop maar in plaats van de
                        regeldrukkosten van de WTV. De regeldruk per aanvraag van de WTV zal in
                        dezelfde orde van grootte liggen als de regeldruk van dit wetsvoorstel.
                        Aangezien er met dit wetsvoorstel in reguliere tijden wel meer aanvragen
                        worden verwacht dan in de bestaande WTV zal de regeldruk in reguliere tijden
                        van dit wetsvoorstel hoger liggen dan in de WTV.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.2.1</nr>
                      <titel>Effecten regeldruk voor werkgevers</titel>
                    </kop>
                    <al>Het bij UWV indienen van aanvragen in het kader van dit wetsvoorstel
                           behelst verschillende fasen (zie verdere uitleg in hoofdstuk 3) en brengt
                           regeldruk met zich mee. Indien UWV een positieve beschikking afgeeft op
                           de initiële aanvraag of de aanvraag verlenging crisistijdvak, en de
                           werkgever aan de overige civielrechtelijke voorwaarden voldoet, kan
                           gebruik worden gemaakt van de instrumenten herplaatsing en/of verminderde
                           loondoorbetaling. Dit zorgt voor regeldruk, aangezien moet worden
                           nagedacht over nieuwe werkzaamheden of een nieuwe werkplek bij het
                           instrument herplaatsing. Bij gebruikmaken van het instrument verminderde
                           loondoorbetaling moet de werkgever voor elke werknemer die minder werkt
                           vervolgens ook een berekening maken met betrekking tot de verminderde
                           loondoorbetaling.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Kennisname</titel>
                      </kop>
                      <al>Het doel van dit wetsvoorstel is om bedrijven en hun werknemers te
                              ondersteunen in het behouden van zoveel mogelijk werknemers in een
                              crisis die buiten het ondernemersrisico ligt. Hiervoor zijn
                              doelgroepen (werkgevers en werknemers) gedefinieerd, is het begrip
                              crisis afgebakend, zijn voorwaarden opgenomen en zal een
                              aanvraagproces worden ingericht. Werkgevers zullen hiervan kennis
                              moeten nemen als zij de instrumenten uit dit wetsvoorstel (mogelijk)
                              willen inzetten. Deze kennisnemingskosten zijn eenmalig en hoeven bij
                              vaker gebruik niet opnieuw te worden gemaakt. Uitgaande van 430.000
                              werkgevers (alle bedrijven die potentieel met de wet te maken kunnen
                              krijgen) die ieder tien minuten tijd aan besteden aan de kennisname
                              tegen een uurtarief van een administratief medewerker van € 45 komen
                              de kosten van kennisname in totaal op € 3,2 miljoen.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Initiële aanvraag</titel>
                      </kop>
                      <al>Als een werkgever wordt getroffen door een crisis, en hij verwacht
                              aan de voorwaarden te voldoen, zal hij een initiële aanvraag indienen
                              bij UWV. De werkgever moet bij deze initiële aanvraag (extra)
                              informatie inzamelen over de inhoud van dit wetsvoorstel en bezien of
                              dit een voor hem toepasbare wet is. Indien de werkgever besluit om een
                              aanvraag te doen, zal hij vervolgens de benodigde documenten moeten
                              inzamelen. Op het moment dat alle bewijsstukken zijn verzameld, kan de
                              werkgever de aanvraag indienen. De ervaren regeldruk voor werkgevers
                              zal verschillen naar gelang de omvang van het bedrijf; het is
                              aannemelijk dat een aanvraag voor een groot bedrijf meer tijd in
                              beslag zal nemen dan voor een klein bedrijf. In onderstaande tabel is
                              uitgegaan van een gemiddeld aantal uren werkdruk bij een bedrijf van
                              14 werknemers.<noot id="n97" type="voet"><noot.nr>97</noot.nr><noot.al>Voor een (gemiddeld) bedrijf van 14 werknemers is een
                                    ondernemingsraad niet verplicht. 14 is het gemiddeld aantal
                                    werknemers onder bedrijven met meer dan één werkzame persoon,
                                    bron CBS-gegevens per 1-1-2024.</noot.al></noot></al>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Aantal uren regeldruk voor initiële aanvraag inzet instrumenten
                                 bij UWV</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="3" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="170*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="226*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="70*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Activiteit</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Toelichting</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Aantal uur regeldruk</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Informatie over onderhavig wetsvoorstel lezen</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Websites (bijvoorbeeld UWV, SZW, RVO,
                                             werkgeversorganisatie)</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>4</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Verzamelen bewijzen geraakt zijn door de crisis</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Bv. foto’s, facturen toeleveranciers,
                                             krantenbericht</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>4</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Inschatting en verantwoording maken percentage niet
                                             kunnen benutten van de arbeidscapaciteit</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Plan opstellen inzet instrumenten</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Per groep van uitwisselbare functies: herplaatsen of
                                             vermindering loondoorbetaling (over niet-gewerkte
                                             uren)</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>4</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Adviesaanvraag ondernemingsraad,
                                             personeelsvertegenwoordiging of de
                                             personeelsvergadering</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>3</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Invullen webformulier UWV</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Melding doen bij Onze Minister</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Totale regeldruk in uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>20</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>Zoals in paragraaf 6.1 beschreven, is de verwachting dat in reguliere
                              jaren ongeveer 80 werkgevers gebruik zullen maken van het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis. De regeldruk voor de initiële aanvraag in
                              reguliere jaren betreft dan € 96.000 per jaar. Dit is berekend door de
                              vermenigvuldiging van het aantal werkgevers (80), het aantal uren
                              extra regeldruk per bedrijf (20) en het uurtarief voor een
                              hoogopgeleide werknemer (€ 60).<noot id="n98" type="voet"><noot.nr>98</noot.nr><noot.al>Aangenomen wordt dat de aanvragen bij UWV worden gedaan
                                    door een hoogopgeleide medewerker. Conform het Handboek
                                    regeldruk (2023, pagina 14) bedraagt het uurtarief in 2020 € 54.
                                    In prijspeil 2023 wordt gerekend met een uurtarief van circa
                                    € 60.</noot.al></noot> De regeldruk voor de initiële aanvraag in crisisjaren voor
                              circa 30.000 werkgevers is op dezelfde wijze berekend en komt uit op
                              € 36 miljoen.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Aanvraag verlenging crisistijdvak</titel>
                      </kop>
                      <al>Als de werkgever langer dan twee maanden gevolgen ondervindt van de
                              crisis, dan kan de werkgever het crisistijdvak maximaal twee keer
                              verlengen (zie ook paragraaf 3.3.1). De werkgever moet voor een
                              verlenging aannemelijk maken dat hij nog steeds is geraakt door de
                              crisis. Ook moet de werkgever wederom advies vragen aan de
                              ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de
                              personeelsvergadering. De aanvraag voor de verlenging van het
                              crisistijdvak zal naar verwachting minder regeldruk opleveren dan de
                              initiële aanvraag. De werkgever is immers al bekend met de
                              aanvraagprocedure en de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging
                              of de personeelsvergadering ook. Zodoende leidt deze aanvraag naar
                              verwachting tot de volgende (gemiddelde) regeldruk:</al>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <title>Aantal uren regeldruk bij aanvraag verlenging crisistijdvak bij
                                 UWV</title>
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="3" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="177*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="205*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="65*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Activiteit</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Toelichting</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Aantal uur</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Informatie over de aanvraag lezen</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Websites (bijvoorbeeld UWV, SZW, RVO,
                                             wg-organisatie)</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Aanleveren bewijzen nog steeds geraakt te zijn door de
                                             crisis</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Bijvoorbeeld foto’s, facturen toeleveranciers,
                                             krantenbericht</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Inschatting en verantwoording maken percentage niet
                                             kunnen benutten van de arbeidscapaciteit</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Plan opstellen inzet instrumenten</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Per groep van uitwisselbare functies: herplaatsen of
                                             vermindering loondoorbetaling (over niet-gewerkte
                                             uren)</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Adviesaanvraag ondernemingsraad,
                                             personeelsvertegenwoordiging of
                                             personeelsvergadering</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Invullen webformulier UWV</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>2</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Melding doen bij Onze Minister</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1</al>
                              </entry>
                            </row>
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Totale regeldruk in uren</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>11</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                      <al>Voor het berekenen van de totale regeldruk van de
                              verlengingsaanvragen wordt ervan uitgegaan dat ieder bedrijf nog twee
                              verlengingsaanvragen indient.</al>
                      <al>Voor reguliere jaren komt de totale regeldruk voor de aanvraag voor
                              verlenging van het crisistijdvak op € 106.000 per jaar. Dit is de
                              uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal aanvragen (160,
                              zijnde tweemaal het aantal eerste aanvragen in een regulier jaar), 11
                              uur regeldruk en een uurtarief van € 60. In crisisjaren wordt
                              uitgegaan van 60.000 aanvragen (tweemaal het aantal initiële aanvragen
                              in een crisisjaar), met wederom 11 uur regeldruk per bedrijf en een
                              uurtarief van € 60. Dit resulteert in een totaalbedrag van € 40
                              miljoen per crisisjaar.</al>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Aanvraag loonsubsidie en aanvraag verlenging
                                    subsidietijdvak</titel>
                        </kop>
                        <al>Indien een werkgever ervoor kiest om een loonsubsidie aan te
                                 vragen, moet hiervoor na afloop van het crisistijdvak een aanvraag
                                 worden ingediend bij UWV. Dit leidt voor een bedrijf van 14
                                 werknemers tot onderstaande gemiddelde regeldruk:</al>
                        <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                          <title>Aantal uren regeldruk bij aanvraag loonsubsidie en aanvraag
                                    verlenging subsidietijdvak bij UWV</title>
                          <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="3" tgroupstyle="zebra1">
                            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="177*" />
                            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="205*" />
                            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="64*" />
                            <thead valign="bottom">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Activiteit</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Toelichting</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Aantal uur regeldruk</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </thead>
                            <tbody valign="top">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Invullen webformulier UWV</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>1</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Voor 14 werknemers: berekening aantal niet-gewerkte
                                                uren, berekening en toepassing vermindering
                                                loondoorbetaling</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>3,5</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Totale regeldruk in uren</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top" />
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>4,5</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </tbody>
                          </tgroup>
                        </table>
                        <al>Voor het berekenen van de regeldruk wordt weer uitgegaan van 80
                                 werkgevers in reguliere jaren, 30.000 werkgevers in crisisjaren en
                                 een uurtarief van € 60 voor een hoogopgeleide werknemer. Ervan
                                 uitgaande dat een werkgever drie keer de aanvraag voor loonsubsidie
                                 indient (steeds voor twee maanden) komt de regeldruk in reguliere
                                 jaren op circa € 65.000 en in crisisjaren op circa
                                    € 24 miljoen.<noot id="n99" type="voet"><noot.nr>99</noot.nr><noot.al>Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de werkgever ook twee
                                       verlengingsaanvragen indient.</noot.al></noot></al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Samenvatting verwachte regeldruk werkgevers</titel>
                        </kop>
                        <al>Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de totale verwachte
                                 regeldruk voor de verschillende aanvragen.</al>
                        <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                          <title>Totale verwachte regeldruk per aanvraag, uitgesplitst voor
                                    reguliere jaren en crisisjaren</title>
                          <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="3" tgroupstyle="zebra1">
                            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="194*" />
                            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="131*" />
                            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="142*" />
                            <thead valign="bottom">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Variant</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Regulier jaar</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Crisisjaar</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </thead>
                            <tbody valign="top">
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Initiële aanvraag bij UWV</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 96.000</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 36.000.000</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Aanvraag loonsubsidie (en verlenging
                                                subsidietijdvak) bij UWV</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 65.000</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 24.000.000</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Aanvraag verlenging crisistijdvak bij UWV</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 106.000</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 40.000.000</al>
                                </entry>
                              </row>
                              <row rowsep="1">
                                <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>Totaal</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 267.000</al>
                                </entry>
                                <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                  <al>€ 100.000.000</al>
                                </entry>
                              </row>
                            </tbody>
                          </tgroup>
                        </table>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.2.2</nr>
                      <titel>Effecten regeldruk voor werknemers/burgers</titel>
                    </kop>
                    <al>De individuele werknemer speelt geen rol bij de aanvragen, maar kan wel
                           te maken krijgen met de instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling. Dit betekent dat de werknemer zich in deze gevallen zal
                           willen informeren over de regels in dit wetsvoorstel en over zijn
                           rechten. Per werknemer zal dit naar verwachting één uur kosten per
                           initiële aanvraag. In crisisjaren gaat het dan naar verwachting om
                           400.000 werknemers met een uurtarief van € 20 in totaal om € 8 miljoen
                           per jaar.<noot id="n100" type="voet"><noot.nr>100</noot.nr><noot.al>Conform het Handboek regeldruk (2023, pagina 15) bedraagt het
                                 uurtarief in 2020 € 17. In prijspeil 2023 wordt gerekend met een
                                 uurtarief van circa € 20.</noot.al></noot> In reguliere jaren gaat het om circa 600 werknemers waardoor de
                           totale regeldruk op € 12.000 komt.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.3</nr>
                    <titel>Arbeidsmarkteffecten</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel beoogt levensvatbare bedrijven te ondersteunen in het
                        behouden van zoveel mogelijk werknemers door meer wendbaarheid en
                        flexibiliteit te geven tijdens crises buiten het reguliere
                        ondernemersrisico. Dit maakt het voor werkgevers aantrekkelijker om
                        werknemers in dienst te nemen, omdat zij weten dat indien zij worden
                        getroffen door een crisis zoals gedefinieerd in dit wetsvoorstel de
                        instrumenten uit dit wetsvoorstel hen helpen om gedurende de crisis de lonen
                        te kunnen blijven doorbetalen.</al>
                  <al>Naast de hierboven beschreven generieke arbeidsmarkteffecten heeft het
                        Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis ook tijdens een crisis effect op de
                        werking van de arbeidsmarkt. Dat is ook het doel van het wetsvoorstel: het
                        ondersteunen van werkgevers in het behouden van zoveel mogelijk werknemers
                        tijdens een crisis. De drie instrumenten dragen hier ieder aan bij. Het
                        wetsvoorstel zal daardoor een positief effect hebben op de werkgelegenheid
                        van de getroffen bedrijven tijdens en na een crisis.</al>
                  <al>Daartegenover staat dat door dit wetsvoorstel de loonkosten toenemen. De
                        uitgaven in het kader van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                        worden gefinancierd door een verhoging van de AWf-premie met 0,04%-punt
                        (voorlopige raming). De AWf-premie wordt geheven over het SV-loon van de
                        werknemer voor zover dit niet meer bedraagt dan het maximumpremieloon.
                        Verder wordt AWf-premie alleen geheven over het SV-loon en niet over de
                        overige werkgeverslasten (zoals pensioen, kosten werkplek, onkosten,
                        Aof-premie en werkgeversbijdragen kinderopvang en zorgverzekering). De
                        totale loonkosten zullen om deze twee reden met minder dan 0,04%-punt
                        stijgen. Deze stijging van de loonkosten zal theoretisch gezien de vraag
                        naar arbeid doen afnemen of anders een negatief effect hebben op het
                        arbeidsinkomen van werkenden (afhankelijk van de relatieve
                        onderhandelingsmacht van werknemers en werkgevers). De stijging is echter
                        dermate beperkt dat de regering verwacht dat deze effecten in de praktijk
                        verwaarloosbaar zullen zijn. In paragraaf 6.4 zal nader in worden gegaan op
                        de redenen waarom ervoor is gekozen om de bekostiging via de AWf-premie te
                        laten verlopen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.4</nr>
                    <titel>Financiële effecten</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.4.1</nr>
                      <titel>Budgettaire gevolgen voor regering (uitvoeringslasten)</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit wetsvoorstel is de uitwerking van de in het Coalitieakkoord van
                           kabinet Rutte-IV opgenomen deeltijd-WW en de in het regeerprogramma van
                           het kabinet Schoof vermelde regeling waarmee werkgevers hun werknemers
                           kunnen behouden. In het Coalitieakkoord was opgenomen dat de deeltijd-WW
                           budgetneutraal wordt vormgegeven. De regering heeft ervoor gekozen om
                           hierbij onderscheid te maken tussen de te verwachten uitgaven in
                           reguliere tijden en in crisistijden. De uitgaven in reguliere tijden
                           worden gedekt via de uitgavenkant van de begroting en de uitgaven in
                           crisistijden via de inkomstenkant. Dit wordt hieronder uiteengezet.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Reguliere tijden</titel>
                      </kop>
                      <al>Zoals ook beschreven in paragraaf 6.1 komen de doelgroep en het soort
                              crises van zowel de WTV als onderhavig wetsvoorstel grotendeels
                              overeen. Dit maakt dat de geschatte uitgaven aan het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis ook in de buurt liggen van de geraamde
                              uitgaven aan de WTV (circa € 1 mln. per jaar). Het (relatief kleine)
                              verschil met de WTV wordt verklaard door de verschillen tussen de WTV
                              en het wetsvoorstel. Zo vergoedt dit wetsvoorstel 65% van de
                              loonkosten (WTV 70%) en geeft dit wetsvoorstel (in tegenstelling tot
                              de WTV) de mogelijkheid tot herplaatsing, waar geen financiële
                              vergoeding aan verbonden zit. Tegelijkertijd komen indirect getroffen
                              werkgevers potentieel ook in aanmerking voor de instrumenten
                              herplaatsing, verminderde loondoorbetaling en loonsubsidie. Al deze
                              factoren meegenomen komt de raming voor het wetsvoorstel in reguliere
                              jaren uit op structureel circa € 1,6 miljoen. De afschaffing van de
                              WTV voorziet zodoende grotendeels in de dekking hiervan in reguliere
                              tijden, het restant aan uitgaven wordt eveneens gedekt op de
                              SZW-begroting. Doordat het laatste jaar voor de inwerkingtreding (t-1)
                              nog gebruik kan worden gemaakt van de WTV (zie hoofdstuk 11), is het
                              budgettaire beslag in het jaar van inwerkingtreding (t) iets
                              lager.</al>
                      <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                        <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="8" tgroupstyle="zebra1">
                          <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="120*" />
                          <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="43*" />
                          <colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="71*" />
                          <thead valign="bottom">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Bedragen x € miljoen</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t-3</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t-2</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t-1</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t+1</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col7" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>t+2</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col8" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Structureel</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </thead>
                          <tbody valign="top">
                            <row rowsep="1">
                              <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>Programmakosten Wpc</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>0</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1,5</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1,7</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col7" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1,7</al>
                              </entry>
                              <entry align="left" colname="col8" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                                <al>1,7</al>
                              </entry>
                            </row>
                          </tbody>
                        </tgroup>
                      </table>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Crisistijden</titel>
                      </kop>
                      <al>De uitgaven ten tijde van grote crises zullen naar verwachting
                              significant hoger uitvallen. De geraamde uitgaven voor dit
                              wetsvoorstel zijn enerzijds gebaseerd op de in coronatijd
                              gerealiseerde uitgaven aan de NOW. Anderzijds is deze raming gebaseerd
                              op een historische analyse van hoe vaak een recessieperiode (minimaal
                              twee kwartalen op rij economische krimp) voorkomt en hoeveel
                              werknemers potentieel worden geraakt.<noot id="n101" type="voet"><noot.nr>101</noot.nr><noot.al>Een economische recessie valt onder bedrijfseconomische
                                    risico’s en is derhalve geen grond voor de initiële aanvraag van
                                    onderhavig wetsvoorstel. Wel zijn deze recessieperiodes de enige
                                    periodes die vergelijkbaar zijn met dezelfde soort financiële
                                    effecten als de beoogde crises uit onderhavig wetsvoorstel.
                                    Daarom is er voor gekozen om de raming hier deels op te
                                    baseren.</noot.al></noot> Daarnaast zorgt het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                              voor een inverdieneffect op de WW: er wordt immers werkloosheid
                              voorkomen.</al>
                      <al>Zoals in paragraaf 6.3 aangegeven, zullen de geraamde kosten worden
                              gedekt via een verhoging van de AWf-premie. Zo dragen alle werkgevers
                              bij aan de financiering van de kosten van dit wetsvoorstel en de
                              bijbehorende instrumenten, waardoor zij potentieel gebruik kunnen
                              maken van deze instrumenten (wanneer in een specifieke crisis aan alle
                              voorwaarden wordt voldaan). Een grootschalige crisis zal zich niet
                              jaarlijks voordoen. Als de kosten van dit wetsvoorstel worden
                              omgeslagen naar een premieverhoging van het AWf, komt deze uit op
                              circa 0,04%-punt. Dit betreft zowel het hoge als het lage AWf-tarief,
                              het verschil verandert niet. Deze premieverhoging zal gelijktijdig met
                              de invoering van het wetsvoorstel ingaan. Op die manier wordt bij
                              werkgevers een beroep gedaan op de solidariteit: alle werkgevers
                              dragen jaarlijks bij middels de premies en in crisistijden kunnen de
                              getroffen werkgevers een beroep doen op een loonsubsidie middels dit
                              wetsvoorstel.</al>
                      <al>Er is gekozen voor een verhoging van de AWf-premie, omdat dit fonds
                              is gelinkt aan werkloosheid en het voorkomen hiervan (deels) in lijn
                              is met het doel van dit wetsvoorstel. Ook is de AWf-premie afhankelijk
                              van het aantal werknemers en (deels) van de hoogte van de lonen. Dit
                              sluit ook goed aan bij de gewenste wijze van premieheffing voor
                              onderhavig wetsvoorstel, omdat hiermee elke werkgever bijdraagt naar
                              rato van het aantal medewerkers waarvoor de loonsubsidie kan worden
                              ingezet en de hoogte van het loon (waarop die loonsubsidie is
                              gebaseerd). De keuze om aan te sluiten bij een bestaand fonds heeft
                              verder als voordeel dat er geen apart fonds bij UWV hoeft te worden
                              opgericht, wat anders gepaard zou gaan met administratieve lasten en
                              uitvoeringskosten.</al>
                      <al>Het karakter van onderhavig wetsvoorstel brengt met zich mee dat de
                              uitgaven per jaar sterk kunnen schommelen. Zo zullen in crisisjaren de
                              uitgaven aanzienlijk hoger zijn dan de extra inkomsten uit de
                              premieverhoging en in reguliere jaren omgekeerd. Zodoende zal het
                              vermogen van het AWf per jaar kunnen toenemen of afnemen, maar is dit
                              wetsvoorstel meerjarig bekeken budgetneutraal. Gezien de
                              onvoorspelbaarheid waarmee grotere crises zich voor kunnen doen,
                              worden er bij inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel in de
                              begroting geen verwachte uitgaven in verband met dergelijke grotere
                              crises opgenomen. De hierboven weergegeven budgettaire reeks bevat
                              zodoende slechts de verwachte uitgaven in reguliere tijden.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.4.2</nr>
                      <titel>Uitvoeringskosten</titel>
                    </kop>
                    <al>De Belastingdienst en UWV geven beide aan dat de uitvoeringskosten bij
                           een grootschalige crisis nader in kaart gebracht moeten worden. Daarvoor
                           kan op voorhand geen raming gemaakt worden. De regering vindt het logisch
                           dat het handhavingsproces afhankelijk is van de omvang van een crisis en
                           het aantal werkgevers dat een beroep doet op het wetsvoorstel. De
                           regering is voornemens vooruitlopend op inwerkingtreding van het
                           wetsvoorstel met de Belastingdienst en UWV afspraken te maken over hoe
                           het handhavingsproces en niveau van dienstverlening er op hoofdlijnen uit
                           zou kunnen zien tijdens een grootschalige crisis.</al>
                    <al>De Belastingdienst verwacht € 112.000 aan incidentele uitvoeringskosten
                           voor de implementatie. Deze zien op de automatisering en hangen samen met
                           het toevoegen van de nieuwe rubriek subsidiabele uren in de loonaangifte
                           en enkele andere aanpassingen. De Belastingdienst verwacht geen
                           structurele uitvoeringskosten.</al>
                    <al>UWV verwacht in totaal € 13,5 miljoen aan incidentele uitvoeringskosten
                           in de implementatiefase. Deze kosten betreffen de ontwikkeling van een
                           tweetal nieuwe ICT-systemen voor het registeren en afhandelen van
                           respectievelijk de initiële aanvragen en aanvragen loonsubsidie.
                           Daarnaast maakt UWV incidentele uitvoeringskosten voor de benodigde
                           wetstechnische handboeken, opleidingen en werkinstructies, brieven,
                           formulieren, en dergelijke. De structurele uitvoeringskosten van UWV zijn
                           in onderstaande tabel opgenomen. De structurele uitvoeringskosten die UWV
                           raamt bestaan uit enerzijds kosten voor het standaard in beheer en
                           onderhoud houden van de ontwikkelde systemen, handboeken, brieven,
                           formulieren en beleids- en verantwoordingsinformatie (€ 1,2 miljoen) en
                           anderzijds kosten voor de uitvoering. De structurele kosten voor de
                           uitvoering zijn verder uitgesplitst naar kosten voor het basisteam
                           (€ 0,3 miljoen) en de structurele kosten als er opgeschaald moet worden
                           voor een crisis van beperkte omvang (€ 1,5 miljoen). Hierbij geeft UWV de
                           kanttekening dat dit bedrag tijdens de uitvoering mogelijk hoger komt te
                           liggen, aangezien gelet op de onzekerheden nog niet alle
                           bedrijfsonderdelen nu in staat zijn om een raming af te geven.</al>
                    <table colsep="1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" tabstyle="zebra1">
                      <tgroup align="left" char="" charoff="50" cols="8" tgroupstyle="zebra1">
                        <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="120*" />
                        <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="43*" />
                        <colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="71*" />
                        <thead valign="bottom">
                          <row rowsep="1">
                            <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>Bedragen x € miljoen</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t-3</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t-2</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t-1</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t+1</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col7" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>t+2</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col8" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>Structureel</al>
                            </entry>
                          </row>
                        </thead>
                        <tbody valign="top">
                          <row rowsep="1">
                            <entry align="left" colname="col1" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>Structurele uitvoeringskosten UWV</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col2" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>0</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col3" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>0</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col4" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>0</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col5" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>4,0</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col6" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>3,3</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col7" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>3,0</al>
                            </entry>
                            <entry align="left" colname="col8" colsep="1" morerows="0" rotate="0" valign="top">
                              <al>3,0</al>
                            </entry>
                          </row>
                        </tbody>
                      </tgroup>
                    </table>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.5</nr>
                    <titel>Doeltreffendheid en doelmatigheid</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.5.1</nr>
                      <titel>Doeltreffendheid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het is belangrijk voor het ondernemersklimaat in Nederland dat
                           ondernemingen in tijden van onvoorzienbare crisis snel kunnen schakelen.
                           Zoals uiteengezet in paragraaf 2.6 beoogt dit wetsvoorstel bedrijven te
                           ondersteunen in het behouden van zoveel mogelijk werknemers in een crisis
                           die buiten het ondernemersrisico ligt. Zo kunnen levensvatbare bedrijven
                           zo’n moeilijke periode overbruggen en daarmee zo min mogelijk last hebben
                           van het verlies van kennis en expertise van werknemers. Het Wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis zal dit doel behalen door werkgevers in
                           tijden van crisis meer wendbaarheid te bieden door het mogelijk te maken
                           werknemers tijdelijk ander werk te laten verrichten, de
                           loondoorbetalingsplicht te verminderen, en het verstrekken van een
                           loonsubsidie.</al>
                    <al>Door dit wetsvoorstel kunnen werkgevers een bedrijf operationeel houden
                           in de niet getroffen onderdelen. Werknemers zijn onder voorwaarden
                           verplicht deze arbeid te verrichten. Het instrument herplaatsing is erop
                           gericht om werknemers zo veel mogelijk door te laten werken. Voor
                           werkgevers heeft herplaatsing het voordeel dat werknemers productief
                           blijven en ingezet kunnen worden op plekken waar mensen nodig zijn. De
                           verminderde loondoorbetaling en de loonsubsidie dragen er aan bij dat
                           werkgevers ten tijde van een crisis in ieder geval hun personeel zo veel
                           mogelijk door kunnen betalen. Daarmee kan aan werknemers waarvoor
                           tijdelijk geen werk is op dat moment zekerheid van inkomen worden
                           geboden.</al>
                    <al>De arbeidsrechtelijke instrumenten en de loonsubsidie tezamen zullen
                           ervoor zorgen dat ontslagen zoveel mogelijk worden voorkomen en bedrijven
                           na afloop van de crisis op (ongeveer) dezelfde voet verder kunnen. In het
                           algemeen geeft de regeling rust, stabiliteit en vertrouwen in tijden van
                           crises. Ondernemers weten dat als ze getroffen worden door een crisis, ze
                           tijdelijk ondersteuning kunnen krijgen.</al>
                    <al>Voor werknemers geldt dat het wetsvoorstel de kans vergroot dat zij
                           ondanks een crisis of calamiteit hun baan kunnen behouden. Dit kan tevens
                           bijdragen aan het welzijn van de werknemers en het verminderen van
                           potentiële maatschappelijke onrust als gevolg van een grote crisis.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">6.5.2</nr>
                      <titel>Doelmatigheid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij doelmatigheid staat de vraag centraal hoe de verhouding is tussen de
                           in te zetten (financiële) middelen en de mate waarin doel(en) worden
                           bereikt. Bij het herplaatsingsinstrument wordt het loon volledig
                           doorbetaald en wordt geen loonsubsidie verstrekt. Zodoende zijn er voor
                           de overheid geen kosten verbonden aan dit instrument en is deze vanuit
                           zijn aard doelmatig. Ook voor werkgevers en werknemers zijn er geen
                           kosten. Wel worden werknemers geconfronteerd met een verplichting om de
                           passende arbeid te verrichten. Daar staat echter tegenover dat zij
                           daarmee een grotere kans hebben om hun baan te kunnen behouden. Ook voor
                           werkgevers en werknemers wordt het instrument herplaatsing daarom
                           doelmatig geacht.</al>
                    <al>Aan de instrumenten verminderde loondoorbetaling en loonsubsidie zijn
                           wel kosten verbonden. De regering betaalt de loonsubsidie aan de
                           werkgever en de werknemer wordt geconfronteerd met een vermindering van
                           het loon van 10% over de niet-gewerkte uren. Om de doelmatigheid van deze
                           instrumenten te bevorderen, is een aantal elementen in dit wetsvoorstel
                           opgenomen. Allereerst worden beide instrumenten alleen ingezet ten
                           aanzien van uren waarop als gevolg van de crisis de bedongen arbeid niet
                           kan worden uitgevoerd. Ook zullen de kosten worden verdeeld over de
                           werkgever (25%), werknemer (10%) en de regering (65%). Hierdoor ontstaan
                           er prikkels om de instrumenten alleen in te zetten als het echt nodig is.
                           Verder mogen de instrumenten slechts tijdelijk (maximaal 6 maanden)
                           worden ingezet en wordt de loonsubsidie met 25% verlaagd als de werkgever
                           gedurende het crisistijdvak en tot en met vier maanden daarna toestemming
                           voor bedrijfseconomisch ontslag indient (bij UWV, een ontslagcommissie of
                           de kantonrechter) of over die toestemming beschikt.</al>
                    <al>Voor wat betreft het doel om banen te behouden moet de vraag beantwoord
                           worden of de verminderde loondoorbetaling en de loonsubsidie ertoe leiden
                           dat de baan behouden blijft. Daarvoor moet niet alleen de baan behouden
                           blijven, maar moet de baan ook behouden zijn <nadruk type="cur">als
                              gevolg van</nadruk> de inzet van deze instrumenten. Het is immers
                           denkbaar dat (een deel van) de behouden banen ook zonder de inzet van
                           deze instrumenten behouden zou zijn. Dit verschijnsel heet <nadruk type="cur">deadweight loss</nadruk>, doet zich voor bij alle vormen
                           van actief arbeidsmarktbeleid en verlaagt de doelmatigheid ervan.<noot id="n102" type="voet"><noot.nr>102</noot.nr><noot.al>Benda, L., Understanding Active Labour Market Policies, An
                                 institutional perspective on intended and unintended consequences,
                                 proefschrift (2019).</noot.al></noot> In welke mate dit effect zich voordoet is moeilijk te voorspellen
                           en ook moeilijk te meten. Dit wetsvoorstel geeft werkgevers alleen
                           ondersteuning bij omstandigheden buiten het ondernemersrisico waardoor de
                           doelmatigheid hoger zal uitvallen. Daarbovenop zal door het creëren van
                           prikkels voor werkgevers en werknemers de doelmatigheid van onderhavig
                           wetsvoorstel nog verder worden verhoogd. Wel is er nog een ander effect
                           dat de doelmatigheid kan verminderen, dat is het risico dat
                           'niet-levensvatbare’ banen of ondernemingen door de inzet van de
                           instrumenten tijdelijk behouden worden en na de crisis alsnog verloren
                           zullen gaan. Dit laatste effect is ook moeilijk te voorspellen maar zal
                           door de tijdelijkheid van de instrumenten, de financiële bijdragen van
                           werkgevers en werknemers en de verlaging van de loonsubsidie bij
                           bedrijfseconomisch ontslag erg klein zijn.</al>
                    <al>Dit alles geeft aanleiding om de instrumenten verminderde
                           loondoorbetaling en loonsubsidie als doelmatig te beoordelen ten aanzien
                           van het doel om bedrijven te ondersteunen in het behouden van zoveel
                           mogelijk werknemers in een crisis die buiten het ondernemersrisico ligt.
                           In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan op de doeltreffendheid en
                           doelmatigheid van dit wetsvoorstel bij grote crises. In hoeverre het
                           wetsvoorstel hierin slaagt, zal mogelijk duidelijker worden bij de
                           evaluatie (zie hoofdstuk 9).</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Uitvoering</titel>
                </kop>
                <al>UWV is beoogd uitvoerder van zowel het vaststellen van de initiële aanvraag,
                     de aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak, de aanvraag voor de
                     loonsubsidie als de aanvraag voor verlenging van het subsidietijdvak. Naast UWV
                     heeft ook de Belastingdienst een rol in de uitvoering van het wetsvoorstel. Het
                     gaat onder meer om het opnemen van het gegeven subsidiabele uren in de
                     loonaangifte. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op een aantal
                     uitvoeringsaspecten bij de initiële aanvraag (fase 1) en de aanvraag
                     loonsubsidie (fase 3) die voorafgaand aan de uitvoeringstoetsen zijn uitgewerkt
                     om de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel te verbeteren. Vervolgens worden ook
                     de uitkomst van de uitvoeringstoetsen van UWV en de Belastingdienst geschetst
                     met daarbij een reactie van de regering.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.1.</nr>
                    <titel>Uitvoeringsaspecten initiële aanvraag en aanvraag
                           loonsubsidie</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Initiële aanvraag (fase 1)</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij de initiële aanvraag dient de werkgever aan te tonen dat hij geraakt
                           is door een crisis. Ook dienen de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering om advies gevraagd
                           te worden en dient een belanghebbende vereniging van werknemers
                           geïnformeerd te worden. Door de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering te betrekken en
                           een belanghebbende vereniging van werknemers te informeren voordat er een
                           aanvraag wordt ingediend, worden de belangen van werknemers op voorhand
                           meegenomen in het proces rondom de aanvraag. Hierdoor is UWV in staat om
                           de inbreng van werknemers of hun vertegenwoordigers, die vaak meer
                           informatie over het bedrijf hebben, mee te laten wegen in de
                           vaststelling. Doordat het in eerste instantie om een kwalitatieve toets
                           van UWV gaat, waarbij er door werkgever een verband aantoonbaar moet
                           worden gemaakt tussen de crisis en de minder in te zetten
                           arbeidscapaciteit, is er gezocht naar een manier om genoeg informatie te
                           verkrijgen over het bedrijf en de crisis, waarbij die informatie niet
                           alleen afkomstig is van de aanvrager. Het advies van de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering en het informeren
                           van een belanghebbende vereniging van werknemers voorziet in deze manier.
                           Zodanig is er een balans gezocht tussen uitvoeringslasten voor UWV
                           enerzijds en de uitvoeringslasten/regeldruk van de werkgever.</al>
                    <al>De in dit wetsvoorstel opgenomen crises kunnen veel werkgevers
                           tegelijkertijd treffen. Als al deze werkgevers tegelijk een aanvraag
                           indienen, is een uitgebreide controle door UWV op de vraag of een
                           individuele werkgever geraakt is door de crisis niet mogelijk. Het is in
                           dergelijke tijden wel van belang dat er een vangnet is voor werkgevers,
                           dat heeft de Covid-19 periode laten zien. Om ervoor te zorgen dat het
                           wetsvoorstel ook uitvoerbaar is in het geval van grote crises, heeft Onze
                           Minister de mogelijkheid om in een ministeriële regeling criteria op te
                           nemen aan de hand waarvan aannemelijk wordt geacht dat de werkgever is
                           geraakt door een crisis. Daarbij kan gedacht worden aan een postcode
                           en/of SBI-code. Bij grote crises is namelijk goed voorstelbaar dat een
                           hele regio getroffen wordt door bijvoorbeeld een overstroming, of een
                           hele sector werktijdvermindering ervaart als gevolg van beperkingen ter
                           bestrijding van een pandemie. UWV hoeft in zo’n situatie bij werkgevers
                           die voldoen aan de criteria in de ministeriële regeling geen uitgebreide
                           beoordeling te doen. Bijvoorbeeld werkgevers die gevestigd zijn in een
                           aangewezen postcodegebied of die geregistreerd staan in het
                           Handelsregister van de Kamer van Koophandel met een aangewezen SBI-code.
                           UWV mag in dat geval aannemen dat de werkgever geraakt is door de crisis.
                           De werkgever hoeft dan ook geen documentatie meer aan te leveren waaruit
                           blijkt dat hij geraakt is. De werkgever moet uiteraard wel aan de overige
                           voorwaarden voldoen (informeren van belanghebbende vereniging van
                           werknemers en adviesaanvraag bij de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of personeelsvereniging).</al>
                    <al>Daarnaast zal – in combinatie met een ander criterium of andere criteria
                           – ook een positief OR-advies<sup /><noot id="n103" type="voet"><noot.nr>103</noot.nr><noot.al>Een positief OR-advies in de zin van het Wetsvoorstel
                                 personeelsbehoud bij crisis betreft een advies van de
                                 medezeggenschap
                                 (ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging/personeelsvergadering)
                                 zonder aanbevelingen voor de werkgever, dan wel een advies met
                                 aanbevelingen, maar waarvan de werkgever aangeeft dat deze
                                 aanbevelingen zijn opgevolgd voordat hij de initiële aanvraag
                                 indiende bij UWV.</noot.al></noot> als criterium opgenomen worden. Het is de verwachting dat
                           werknemers, georganiseerd in een ondernemingsraad of
                           personeelsvertegenwoordiging, of personeelsvergadering, zullen aangeven
                           dat er bezwaren zijn over het voorgenomen besluit van de werkgever tot
                           het doen van een aanvraag, voordat de werkgever een aanvraag indient. Als
                           deze bezwaren uitblijven, en de werkgever in een aangewezen
                           postcode/SBI-code valt, versterkt dit de aannemelijkheid dat deze
                           werkgever ook daadwerkelijk getroffen wordt door de crisis, en er naar
                           verwachting werktijdvermindering zal plaatsvinden. De criteria zullen op
                           een nog nader te bepalen website worden gepubliceerd. Afhankelijk van de
                           crisis, kan het voorkomen dat de criteria namens Onze Minister alvast op
                           een website worden geplaatst vooruitlopend op de ministeriële regeling
                           die nog gepubliceerd zal worden.</al>
                    <al>Niet iedere werkgever die getroffen is door de crisis zal aan de in de
                           ministeriële regeling aangewezen criteria voldoen. Voor deze werkgevers
                           geldt dat zij ook een aanvraag kunnen indienen, waarbij zij (zoals
                           beschreven in paragraaf 3.3.1) door middel van stukken aannemelijk maken
                           dat zij geraakt zijn door de crisis.</al>
                    <al>Het werken met een vereenvoudigde toetsing zoals met de te stellen
                           criteria beoogd wordt, heeft als nadeel dat de toetsing minder gericht is
                           dan een individuele beoordeling van door de werkgever aangeleverde
                           documentatie, wat de doelmatigheid van het wetsvoorstel bij grote crises
                           kan verlagen. De kans bestaat dat er werkgevers zijn die wél aan de
                           criteria voldoen, maar geen verminderde inzet van de arbeidscapaciteit
                           ervaren als gevolg van de crisis, bijvoorbeeld omdat er op afstand of
                           digitaal gewerkt kan worden. Omdat de geraaktheid door de crisis niet de
                           enige voorwaarde is voor de inzet van de arbeidsrechtelijke instrumenten,
                           is de verwachting dat deze werkgevers, áls zij al een aanvraag indienen,
                           niet tot het inzetten van de arbeidsrechtelijke instrumenten over zullen
                           kunnen gaan, omdat er geen daadwerkelijke verminderde inzet van de
                           arbeidscapaciteit in verband met de crisis plaatsvindt. Een ander
                           voorbeeld zijn werkgevers met meerdere vestigingen of activiteiten. Als
                           zij met een van hun vestigingen of activiteiten aan de criteria voldoen,
                           betekent dat verondersteld wordt dat ze door de crisis zijn geraakt. Dit
                           is ook het geval als zij onder de grens van ten minste 20% verminderde
                           arbeidscapaciteit blijven, wat bij grote werkgevers niet onvoorstelbaar
                           is. Deze mogelijkheid wordt onderkend en geaccepteerd vanwege een
                           uitvoerbare opschaalbare regeling. Ook in dit geval is de verwachting dat
                           werkgevers de arbeidsrechtelijke instrumenten niet zullen inzetten jegens
                           de werknemers die in de niet-getroffen vestigingen werkzaam zijn, omdat
                           aan de voorwaarde van daadwerkelijke verminderde inzet van de
                           arbeidscapaciteit niet is voldaan.</al>
                    <al>Zoals in paragraaf 3.3.2 nader beschreven heeft de beschikking op de
                           initiële aanvraag betrekking op een tijdvak van twee maanden en kan de
                           werkgever tweemaal achtereen twee maanden verlenging van het
                           crisistijdvak aanvragen. Voor een verlengingsaanvraag gelden dezelfde
                           voorwaarden als voor een initiële aanvraag. Naar verwachting zal de
                           aanvraag voor verlenging bij UWV minder tijd in beslag nemen omdat UWV
                           inmiddels bekend is met de situatie bij het bedrijf.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Aanvraag loonsubsidie (fase 3)</titel>
                    </kop>
                    <al>Voorgesteld wordt om bij de beoordeling van de aanspraak op de
                           loonsubsidie zoveel mogelijk aan te sluiten bij al beschikbare gegevens
                           in de polisadministratie, zodat UWV de loonsubsidies zoveel als mogelijk
                           geautomatiseerd kan laten verlopen. Gezien de vormgeving van het
                           wetsvoorstel, waarbij de werkgever de loonbetalingen dient voor te
                           schieten, is het belangrijk dat de uitbetaling van de loonsubsidie zo
                           snel als mogelijk wordt gedaan na het indienen van de aanvraag. Hierbij
                           geldt dat UWV de aanspraak op loonsubsidie binnen zes weken moet
                           beoordelen. Echter, doordat er gebruik gemaakt wordt van gegevens uit de
                           polisadministratie, kan UWV dit in de meeste gevallen al binnen enkele
                           dagen na het indienen van de aanvraag.</al>
                    <al>De loonsubsidie kan worden aangevraagd over een subsidietijdvak van
                           twee, vier of zes aaneengesloten maanden. Na een aanvraag over twee (of
                           vier) maanden kan de werkgever maximaal nog twee (of één) keer een
                           subsidieaanvraag indienen, waarmee het eerder vastgestelde
                           subsidietijdvak wordt verlengd. Deze aanvraag voor verlenging van het
                           subsidietijdvak heeft dezelfde voorwaarden en wordt hetzelfde afgehandeld
                           als de eerste aanvraag voor de loonsubsidie.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.2</nr>
                    <titel>Uitvoeringstoets UWV</titel>
                  </kop>
                  <al>UWV heeft op 8 juli 2025 de uitvoeringstoets op het Wetsvoorstel
                        personeelsbehoud bij crisis afgerond. In de uitvoeringstoets gaat UWV in op
                        enkele (uitvoerings)risico’s op het gebied van handhaafbaarheid,
                        rechtmatigheid en rechtsbescherming die UWV ziet</al>
                  <al>Binnen deze context luidt het oordeel van de uitvoeringstoets:
                        ‘Uitvoerbaar, mits’. De minister wordt gevraagd om alle door UWV in beeld
                        gebrachte uitvoeringsrisico’s te accepteren. Hierna zal worden ingegaan op
                        de door UWV geschetste risico’s.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>De initiële aanvraag en eventuele verlengingsaanvragen</titel>
                    </kop>
                    <al>UWV is van oordeel dat dit onderdeel van het wetsvoorstel moeilijk
                           uitvoerbaar en handhaafbaar is. UWV benoemt dat zij bij de initiële
                           aanvraag moet nagaan of de bewering van de werkgever aannemelijk is dat
                           zich een crisis volgens dit wetsvoorstel heeft voorgedaan en ten gevolge
                           van die crisis gedurende een tijdvak van twee maanden gemiddeld ten
                           minste 20% van de hem ter beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan
                           benutten op de wijze waarop hij deze zou hebben benut indien zich geen
                           crisis zou hebben voorgedaan. Volgens UWV is dit een (te) vage wettelijke
                           norm, waarbij UWV opmerkt dat het niet altijd de kennis heeft om
                           objectief te beoordelen of er sprake is van een crisis. Daarnaast wordt
                           door UWV de sterke afhankelijkheid aangehaald van de gegevens die een
                           belanghebbende werkgever aanlevert. UWV stelt de vraag hoe een werkgever
                           dit kan onderbouwen. Daarnaast kan UWV niet garanderen dat het zelf haar
                           oordelen inhoudelijk voldoende kan onderbouwen en stelt daardoor geen
                           zorgvuldig besluit te kunnen nemen. Bij grote of snel oplopende volumes
                           twijfelt UWV of het in staat is om alle aanvragen binnen de beslistermijn
                           af te handelen. UWV verwacht dat de zorgvuldigheid van de besluiten in
                           dit geval (verder) zal afnemen. Daarnaast geeft UWV mee dat het aanwijzen
                           van selectiecriteria geen wondermiddel is.</al>
                    <al>De toets op geraaktheid door een crisis is bewust ruim vormgegeven.
                           Werkgevers moeten voldoende ruimte krijgen om in verschillende situaties
                           een beroep te kunnen doen op de instrumenten uit dit wetsvoorstel. Het is
                           bovendien geen nieuwe toets. In de WTV die door de Directie
                           Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW) wordt uitgevoerd,
                           wordt de beoordeling of werkgevers een vergunning tot werktijdverkorting
                           wordt verleend op eenzelfde manier uitgevoerd [PM navragen UAW voor
                           toetsing]. UAW is in staat om op grond van de WTV de belangen van
                           werkgevers en werknemers goed af te wegen en zorgvuldige besluiten te
                           nemen. Het wetsvoorstel is weliswaar ruimer qua soorten crisis dan de
                           WTV, het betreft nieuwe wetgeving en is voor UWV een andere wijze van
                           toetsen dan zij bij andere aanvragen gewend is, maar UWV kan de belangen
                           van werknemers en werkgevers op goede wijze afwegen en zorgvuldige
                           besluiten nemen op grond van het wetsvoorstel. Hierbij mag UWV uitgaan
                           van de juistheid van door de werkgever verstrekte informatie, zoals UWV
                           dat bijvoorbeeld ook mag bij een verzoek om toestemming om
                           bedrijfseconomisch ontslag. Het uitgangspunt daarbij is dat een werkgever
                           een aanvraag doet omdat de werkgever ondersteuning nodig heeft in tijden
                           van crisis en niet om misbruik te maken van de mogelijkheden die dit
                           wetsvoorstel biedt. Daarnaast is op grond van artikel 9 van het
                           wetsvoorstel de werkgever verplicht om volledige en juiste gegevens te
                           verstrekken bij zijn aanvraag.<noot id="n104" type="voet"><noot.nr>104</noot.nr><noot.al>CRvB 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2434, ABRvS 1 juni 2016,
                                 ECLI:NL:RVS:2016:1482, ABRvS 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0487
                                 en CRvB 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8581.</noot.al></noot> Een werkgever die verzwijgt dat slechts één vestiging is geraakt
                           door de crisis (terwijl in de andere vestigingen wel doorgewerkt kan
                           worden) en daardoor niet aan de 20% verminderde inzet komt of een
                           werkgever die de schade aan een productiemiddel door brand overdrijft,
                           voldoet niet aan de inlichtingenplicht. Als de stukken van de werkgever
                           aanleiding tot twijfel geven, bijvoorbeeld als er via andere kanalen
                           signalen binnenkomen over misbruik, kan UWV nader onderzoek doen.</al>
                    <al>De crises die in artikel 2, tweede lid, van het wetsvoorstel zijn
                           opgenomen (categorie 1) zijn afgebakend. Bovendien sluiten de in dit lid
                           genoemde situaties aan bij de drie meest voorkomende redenen waarom thans
                           werktijdverkorting wordt aangevraagd. Er is dan ook (goede) ervaring met
                           de beoordeling van de vraag of een werkgever geraakt is door een crisis.
                           Het is vast te stellen wanneer er overheidsmaatregelen worden genomen ter
                           beperking van de gevolgen van uitzonderlijke weersomstandigheden of ter
                           beperking van de verspreiding van planten- of dierziekten. Een werkgever
                           zal gegevens en bescheiden moeten toesturen aan UWV, waaruit blijkt dat
                           zijn bedrijfsvoering wordt getroffen door deze overheidsmaatregelen en
                           daardoor minder werk heeft voor zijn werknemers. Daarmee kan de werkgever
                           aannemelijk maken dat hij is geraakt door een crisis. De werkgever kan
                           bijvoorbeeld in dat kader een overzicht van twee maanden meesturen van de
                           uren die werknemers hebben gewerkt kort voordat de overheidsmaatregelen
                           werden getroffen en een overzicht van de uren in twee aaneengesloten
                           maanden die werknemers hebben gewerkt of zouden werken nadat de
                           overheidsmaatregelen zijn getroffen. Bij de crisissituaties in artikel 2,
                           derde lid, van het wetsvoorstel (categorie 2) zal de minister bij
                           ministeriële regeling aanwijzen of er sprake is van een crisis. Ook in
                           die gevallen is dat dus duidelijk. Wanneer het gaat om de uitval van
                           vitale openbare infrastructuur, zal het UWV aan de hand van door de
                           werkgever verstrekte gegevens en bescheiden moeten beoordelen of de
                           werkgever in zijn bedrijfsvoering is geraakt door de uitval van de
                           openbare infrastructuur die in de ministeriële regeling wordt benoemd.
                           Een dreigingsinschatting of een vervolgaanslag op de vitale openbare
                           infrastructuur zal plaatsvinden of een epidemiologische beoordeling valt
                           niet onder het beoordelingskader van UWV. De epidemiologische beoordeling
                           hoort immers thuis bij de vraag of het een crisis conform dit
                           wetsvoorstel betreft en dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de
                           minister. Evenmin hoeft UWV te toetsen op grond van het wetsvoorstel of
                           de werkgever beheersmaatregelen heeft getroffen of kunnen treffen
                           waardoor het verlies aan arbeidscapaciteit onder de 20% kan blijven.</al>
                    <al>De benodigde informatie die de werkgever dient te verstrekken is
                           afhankelijk van de aard van de crisis. Hoe een werkgever aannemelijk kan
                           maken dat hij geraakt is door een crisis zal daarom per crisissituatie
                           verschillen. In een ministeriële regeling wordt in overleg met UWV
                           bepaald welke gegevens en bescheiden een werkgever moet meesturen bij
                           zijn aanvraag, waar mogelijk gedeeltelijk mee tegemoetgekomen kan worden
                           aan de geschetste bezwaren van UWV. Het ontbreken van een dichtgetimmerd
                           kader brengt met zich mee dat het voor UWV niet in alle gevallen op
                           voorhand zal kunnen beoordelen of het aangevoerde verhaal van de
                           werkgever om de geraaktheid door de crisis te onderbouwen juist is. Dit
                           risico wordt onderkend door de regering en is waar mogelijk gemitigeerd.
                           Zo moet de werkgever de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                           personeelsvergadering in de gelegenheid stellen om advies te geven en kan
                           dit advies ook onderdeel uitmaken van door de werkgever verstrekte
                           gegevens. Dit advies bevat een visie op de beweegredenen van het
                           voorgenomen besluit tot herplaatsing of verminderde loondoorbetaling,
                           anders dan die van de belanghebbende werkgever. Met de drempels en
                           prikkels die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, verwacht de regering dat
                           er voldoende mitigerende maatregelen zijn om misbruik en oneigenlijk
                           gebruik zoveel mogelijk te voorkomen.</al>
                    <al>Wanneer er sprake is van een grote crisis, bestaat bovendien de
                           mogelijkheid bij ministeriële regeling criteria aan te wijzen aan de hand
                           waarvan aannemelijk wordt geacht dat een werkgever door de crisis is
                           geraakt. Deze criteria kunnen vrij snel na de crisis op een website
                           worden gepubliceerd, voordat de ministeriële regeling wordt gepubliceerd.
                           UWV hoeft in dat geval niet te beoordelen of een werkgever door de crisis
                           is geraakt als de werkgever aan de criteria voldoet. UWV zal in dat geval
                           slechts beoordelen of de werkgever aan de criteria in de ministeriële
                           regeling voldoet. Hierbij zal een duidelijke afbakening en communicatie
                           centraal staan. Als de selectiecriteria niet ruim genoeg zijn, kan het zo
                           zijn dat de volumes die UWV inhoudelijk moet toetsen op geraaktheid aan
                           de hand van de door de werkgever verstrekte gegevens en bescheiden toch
                           nog te groot blijven voor de uitvoering. Als dit aan de orde is, zullen
                           het ministerie van SZW en UWV in onderling overleg bezien op welke wijze
                           de criteria aangepast kunnen worden zodat meer werkgevers daaronder
                           vallen. UWV hoeft dan in minder gevallen te toetsen dat de werkgever is
                           geraakt door een crisis, wat de snelheid en uitvoerbaarheid van het
                           wetsvoorstel ten goede komt. Hetzelfde geldt voor een grillig verloop van
                           de crisis, waar gekozen kan worden voor andere criteria zodat ook andere
                           situaties onder de criteria vallen. Bij een grote crisis zoals een
                           Covid-19 pandemie, waarbij veel werkgevers worden getroffen zullen veel
                           werkgevers naar verwachting aan de criteria voldoen.</al>
                    <al>Met het voorgaande is geborgd dat UWV op initiële aanvragen zorgvuldige
                           besluiten kan nemen. De regering is voornemens om nadat de instrumenten
                           in dit wetsvoorstel voor het eerst zijn ingezet te evalueren hoe de toets
                           op de geraaktheid door een crisis in de praktijk heeft uitgepakt om te
                           bezien of en zo ja op welke wijze bij toekomstige crises herziening
                           wenselijk is.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>De rechtsbescherming</titel>
                    </kop>
                    <al>UWV benoemt enkele risico’s als een rechter oordeelt dat werknemers
                           medebelanghebbende zijn bij de initiële aanvraag en de aanvraag tot
                           verlenging van het crisistijdvak.</al>
                    <al>UWV stelt terecht dat het aan de rechter is om te oordelen of een
                           werknemer al dan niet als medebelanghebbende wordt aangemerkt. Om als
                           belanghebbende te worden aangemerkt moet het belang van de betrokkene
                           rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken.<noot id="n105" type="voet"><noot.nr>105</noot.nr><noot.al>Artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene
                                 wet bestuursrecht.</noot.al></noot> Daarvan is volgens staande jurisprudentie van de Centrale Raad
                           van Beroep sprake als er een eigen, zelfstandig belang bij het besluit
                           is, los van een uit een contractuele relatie afgeleid belang.<noot id="n106" type="voet"><noot.nr>106</noot.nr><noot.al>CRvB 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:655, r.o. 5.1.2, CRvB
                                 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:660, r.o. 5.2.2, CRvB 13 december
                                 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2824, r.o. 4.4 tot en met 4.6 en CRvB
                                 10 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:267, r.o. 4.2 tot en met
                                 4.4.</noot.al></noot> Als gezegd is het aan de rechter om te oordelen of bij de
                           besluiten die op grond van dit wetsvoorstel worden genomen het belang van
                           de werknemer rechtstreeks betrokken is en daarmee of de werknemer
                           belanghebbende is. De regering kan niet vooruitlopen op oordelen van
                           rechters daaromtrent. Voor de rechtsbescherming van werkgevers en
                           werknemers wordt verder verwezen naar hoofdstuk 4
                           (Rechtsbescherming).</al>
                    <al>Mochten werknemers als belanghebbende worden aangemerkt en als gevolg
                           sprake is van grote aantallen beroepszaken dan hecht de regering er net
                           als UWV aan om te voorkomen dat de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel
                           onder druk komt te staan. Om die reden is met UWV afgesproken dat UWV en
                           SZW gezamenlijk al tijdens de implementatiefase in kaart brengen welke
                           implicaties dat met zich zou brengen en welke opties er hiervoor zijn om
                           de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel te kunnen blijven garanderen voor
                           het geval die situatie zich voordoet. Als de rechter oordeelt dat
                           werknemer medebelanghebbende is, dan zal de regering zich als
                           vanzelfsprekend daartoe verhouden.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>De berekening van de loonsubsidie</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>UWV geeft mee dat er een afhankelijkheid van de kwaliteit en
                              juistheid van registratie door de werkgever bestaat in de
                              loonadministratie. Voor UWV is het een noodzakelijke voorwaarde voor
                              het uitvoeren van dit onderdeel dat de gegevens uit de
                              polisadministratie die gebruikt worden voor de berekening van de
                              loonsubsidie kwalitatief correct zijn. UWV wenst enkel betrouwbare
                              gegevens te ontvangen van de Belastingdienst. Om deze reden stelt UWV
                              dat het Ministerie van SZW en het Ministerie van Financiën moeten
                              garanderen dat controle op de kwaliteit van de aanlevering van de
                              subsidiabele uren plaatsvindt door de Belastingdienst.</al>
                      <al>De gevraagde garantie kan niet worden gegeven, aangezien
                              geautomatiseerd toezicht en feitelijke controle in de praktijk niet
                              mogelijk zijn. Daarom voorziet dit wetsvoorstel in diverse andere
                              waarborgen en mitigerende maatregelen om de juistheid en
                              betrouwbaarheid van het nieuwe gegeven subsidiabele uren te
                              bevorderen. Deze staan beschreven in paragraaf 7.3 waarin de reactie
                              op de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is opgenomen. Met deze
                              mitigerende maatregelen acht de regering de gegevens in de
                              polisadministratie voldoende betrouwbaar om aan de hand daarvan de
                              loonsubsidie te berekenen. UWV mag hier ook van uitgaan. De
                              oplossingsrichtingen die UWV zelf voor ogen heeft om de kwetsbaarheden
                              op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik te mitigeren, kunnen
                              de reeds opgenomen mitigerende maatregelen complementeren. Dan gaat
                              het om:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>het versterken van het aanvraagproces met
                                    plausibiliteitschecks;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>gedragsbeïnvloeding en bewustwording bij werkgevers door hen
                                    actief te wijzen op hun verantwoordelijkheid en waarschuwen bij
                                    onlogische invoer; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>risico gestuurde controle achteraf met steekproeven en gerichte
                                    analyse van patronen.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>UWV geeft daarnaast mee dat ze in het primaire proces niet
                              controleren of een werkgever gebruik heeft gemaakt van de route via
                              Ontslagcommissie of kantonrechter.</al>
                      <al>Dat hier niet op gecontroleerd wordt door UWV in het primaire proces
                              is bekend en wordt geaccepteerd door het Ministerie van SZW. Een
                              werkgever moet ook na zijn aanvraag tot loonsubsidie uit eigen
                              beweging alle feiten en omstandigheden met UWV delen waarvan hem
                              redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                              het recht op loonsubsidie. Een ontslagaanvraag om bedrijfseconomische
                              reden bij de Ontslagcommissie of kantonrechter valt hier onder. UWV
                              mag ervan uitgaan dat een werkgever die hiervoor kiest, dit zelf meldt
                              bij UWV. Als een werkgever zich niet houdt aan de inlichtingenplicht
                              kan UWV – naast het terugvorderen van de loonsubsidie – een boete
                              opleggen.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>Tot slot geeft UWV mee dat er een aanzienlijke tijd voorbijgaat
                              voordat UWV een bedrag loonsubsidie kan betalen aan de werkgever. Dit
                              zou de effectiviteit van dit wetsvoorstel raken. Een van de doelen is
                              namelijk dat de werkgever een loonsubsidie kan ontvangen om loonkosten
                              te kunnen blijven financieren.</al>
                      <al>Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel is geprobeerd om de
                              termijnen zo kort mogelijk te houden en zo veel mogelijk aan te
                              sluiten bij bestaande gegevensstromen. Een werkgever heeft zelf in de
                              hand hoe snel hij na het voordoen van een crisis een initiële aanvraag
                              indient. Als hij een positieve beschikking krijgt, kan het inderdaad
                              nog enkele weken duren voordat hij loonsubsidie mag aanvragen. De
                              werkgever moet namelijk eerst loonaangifte hebben gedaan van de
                              verminderde loonbetaling en een positieve beschikking op zijn aanvraag
                              subsidieverlening hebben gekregen.<noot id="n107" type="voet"><noot.nr>107</noot.nr><noot.al>Met uitzondering in artikel 18 van het wetsvoorstel voor
                                    werkgevers die per half jaar of per jaar loonaangifte
                                    doen.</noot.al></noot> Aansluiten bij de loonaangifte heeft als voordeel dat een
                              werkgever niet apart nog gegevens door hoeft te geven die van belang
                              zijn voor de berekening van de loonsubsidie. Van de werkgever mag
                              verwacht worden dat hij enkele weken kan overbruggen bij het betalen
                              van de loonkosten. Als een bedrijf dit niet kan overbruggen, is de
                              vraag of het bedrijf wel levensvatbaar is. In tegenstelling tot de
                              NOW, is er bij dit wetsvoorstel voor gekozen om geen voorschot te
                              verstrekken op basis van een zelf ingeschat percentage. Zoals in
                              pararaaf 2.4 staat beschreven, bracht deze werkwijze significante
                              administratieve lasten met zich mee. Met de voorgestelde werkwijze is
                              er een balans gezocht tussen tijdigheid, aansluiten bij bestaande
                              gegevensstromen en deze administratieve lasten.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Uitzondering in het Dagloonbesluit</titel>
                    </kop>
                    <al>In de uitvoeringstoets staat UWV ook stil bij het voornemen om een
                           uitzonderingspositie voor de loonvermindering op grond van dit
                           wetsvoorstel in lagere regelgeving te gaan regelen dat aangiftetijdvakken
                           met de loonvermindering worden uitgezonderd bij het vaststellen van
                           dagloon, maatmanloon en bij inkomstenverrekening (samenloop inkomen en
                           uitkering). UWV ziet op juridisch vlak grote risico’s. Het voornemen om
                           een uitzonderingspositie te creëren wordt door de regering uitgewerkt in
                           lagere regelgeving in overleg met UWV. In de gesprekken hierover met UWV
                           worden de door UWV geschetste risico’s geadresseerd. Ook wordt het
                           voornemen om een uitzonderingspositie voor de loonvermindering op grond
                           van dit wetsvoorstel bezien in het kader van bredere ontwikkelingen rond
                           het Dagloonbesluit.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Doenvermogen werkgevers</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>UWV stelt dat het wetsvoorstel naar alle waarschijnlijkheid (te)
                              complex is voor veel werkgevers. De werkgever zal in een
                              crisissituatie waarschijnlijk voor het eerst complexe wetgeving moeten
                              uitvoeren. UWV verwacht dat dit zorgt voor een hogere
                              foutgevoeligheid, omdat UWV schat dat veel werkgevers niet in staat
                              zullen zijn om de noodzakelijke administratieve handelingen foutloos
                              te verrichten. En UWV verwacht een grotere druk op de dienstverlening
                              vanwege vragen, klachten en bezwaarschriften.</al>
                      <al>De regering erkent dat er inderdaad inzet gevraagd wordt van
                              werkgevers, zoals ook terugkomt in de doenvermogentoets in paragraaf
                              10.1. Er is geprobeerd de administratieve last voor werkgevers zoveel
                              mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door bij de aanvraag van de
                              loonsubsidie de registratie van de niet-gewerkte uren mee te laten
                              lopen in de reguliere loonaangifte. De werkgever zal ook tijdens een
                              crisis loonaangifte moeten doen, waardoor dit geen extra
                              handelingsmoment is. Deze wijze van gegevensuitvraag is zodoende
                              minder belastend dan het uitvragen van de benodigde (loon-)gegevens
                              via een afzonderlijk, nieuw op te zetten proces. De conclusie van de
                              doenvermogentoets is dat het aanspreken van het doenvermogen van
                              werkgevers in verhouding staat tot wat een werkgever ervoor
                              terugkrijgt. Het Adviescollege toetsing regeldruk onderschrijft deze
                              conclusie in haar advies met dictum 1. Uiteraard is een toegankelijke
                              handreiking voor werkgevers essentieel, wat ook bleek ook uit de
                              gesprekken die gevoerd zijn met werkgevers. Dit vermindert het aantal
                              vragen van werkgevers over loonsubsidiegegevens mogelijk significant.
                              UWV geeft aan dat dit om een goed doordachte ondersteuning en
                              communicatie vraagt vanuit UWV, maar UWV hoeft dit niet alleen te
                              doen. Deze zullen in nauwe samenwerking van UWV, de Belastingdienst en
                              het Ministerie van SZW gezamenlijk opgesteld worden. Hierbij heeft het
                              Ministerie van SZW een co-creatie met werkgevers voor ogen, zodat de
                              ondersteuning en communicatie aansluit bij hun behoeften en
                              wensen.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Overige aandachtspunten</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De vooraankondiging van de strekking van de (destijds nog uit te
                              brengen) uitvoeringstoets (kenmerk SBK/106179/LG) wordt door UWV kort
                              aangehaald. De punten van deze brief komen overeen met de inhoud van
                              de uitvoeringstoets. In deze brief gaf UWV aan dat het wetsvoorstel
                              technisch uitvoerbaar is, maar bezien vanuit het perspectief van de
                              uitvoerder ongewenst is. UWV gaf aan dat het wetsvoorstel geen
                              verbetering biedt op de aspecten eenvoud en uitvoerbaarheid ten
                              opzichte van de bestaande WTV en de NOW. UWV stelde voor om de WTV te
                              continueren en een subsidie conform de NOW-regeling uit te werken voor
                              crises van relatief grote omvang.</al>
                      <al>In hoofdstuk 2 is uitvoerig stilgestaan waarom niet voor het
                              doorontwikkelen van een structurele NOW gekozen is. De regering kiest
                              nadrukkelijk voor een opschaalbare regeling om zowel bij een kleine
                              als grote crisis werkgevers tijdelijk te kunnen ondersteunen in het
                              geval van een crisis. Tijdens de Covid-19 pandemie bleek de WTV
                              namelijk niet geschikt voor een crisis van grote omvang. De NOW, die
                              in reactie hierop werd ingevoerd, was een tijdelijke noodmaatregel die
                              een aantal nadelen kende die een structureel gebruik ervan in de weg
                              staan. Zo was de NOW ongericht, omdat er een verplicht causaal verband
                              tussen de bedrijfsmatige effecten en de crisis ontbrak. Ook werd de
                              loonsubsidie niet gebaseerd op de daadwerkelijke vermindering van de
                              hoeveelheid werk. Daarnaast nam naarmate de steunmaatregelen langer
                              duurde het risico toe dat bedrijven die onvoldoende levensvatbaar
                              waren ook ondersteund werden, waren er significante administratieve
                              lasten voor werkgevers en werd de steun gefinancierd uit de algemene
                              middelen. Met de opgedane ervaringen is dit wetsvoorstel vormgegeven
                              vanuit de uitgangspunten van budgetneutraliteit, opschaalbaarheid,
                              uitvoerbaarheid, betaalbaarheid en een betere gerichtheid.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>In de uitvoeringstoets geeft UWV aan dat wat betreft de bestuurlijke
                              boete UWV beleid zal moeten ontwikkelen over de inzet van dit
                              instrument, maar dat een berekening van de boete op basis van elk
                              gegeven per werknemer zoals werd voorgesteld niet uitvoerbaar is.
                              Daarbij vraagt UWV hoe aan de (zware) bewijslast kan worden voldaan
                              dat er onrechtmatig en verwijtbaar is gehandeld.</al>
                      <al>Naar aanleiding van uitvoeringstoets is het opleggen van een
                              bestuurlijke boete anders vormgegeven. Aansluiting is gezocht bij het
                              Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. De toelichting in paragraaf
                              8.2 is hierop aangepast.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Tot slot zijn er naar aanleiding van het wetstechnische commentaar in de
                           bijlage van de uitvoeringstoets nog enkele verduidelijkingen en
                           wijzigingen doorgevoerd.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">7.3</nr>
                    <titel>Uitvoeringstoets Belastingdienst</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel is voor de Belastingdienst uitvoerbaar mits wordt
                        geaccepteerd dat de Belastingdienst de juistheid en volledigheid van de
                        aangifte loonheffingen ten aanzien van de subsidiabele uren niet kan
                        handhaven. Daarnaast heeft de Belastingdienst een aantal andere opmerkingen
                        gemaakt in de uitvoeringstoets. De regering reageert hierna achtereenvolgens
                        op de belangrijkste punten.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Handhaafbaarheid van het nieuwe gegeven subsidiabele uren</titel>
                    </kop>
                    <al>De Belastingdienst heeft in de uitvoeringstoets aandacht gevraagd voor
                           de handhaafbaarheid en betrouwbaarheid van het nieuwe gegeven
                           subsidiabele uren dat werkgevers gaan opgeven in de loonaangifte als
                           gevolg van dit wetsvoorstel. Geautomatiseerd toezicht kan niet worden
                           ingericht vanwege beperkte samenhang met andere gegevens in de
                           loonaangifte. Feitelijk controleren of werknemers het aantal opgegeven
                           subsidiabele uren daadwerkelijk niet gewerkt hebben, is alleen mogelijk
                           als ten tijde van de werktijdvermindering op de werkvloer controles
                           plaatsvinden of via bedrijfsgesprekken achteraf. Dergelijke controles
                           zijn zeer arbeidsintensief.</al>
                    <al>De regering erkent dat geautomatiseerd toezicht en feitelijke controle
                           in de praktijk niet mogelijk zijn en voorziet daarom in diverse andere
                           waarborgen en mitigerende maatregelen om de juistheid en betrouwbaarheid
                           van het nieuwe gegeven subsidiabele uren te bevorderen. Ten eerste is het
                           uitgangspunt dat de werkgever verplicht is om de juiste en volledige
                           gegevens te verstekken (zie ook paragraaf 8 Misbruik en oneigenlijk
                           gebruik). Dit is vastgelegd in de inlichtingenplicht, die voor alle
                           aanvragen in dit wetsvoorstel geldt en daarmee ook voor de aanvraag
                           loonsubsidie waarvoor het opgeven van subsidiabele uren van belang is.
                           Werkgevers kunnen alleen subsidiabele uren aangeven indien de verminderde
                           loondoorbetaling heeft plaatsgevonden. Op grond van de inlichtingenplicht
                           moet een werkgever desgevraagd informatie hierover kunnen verstrekken.
                           Bij de eventuele aanvraag voor loonsubsidie dient de werkgever namelijk
                           een zodanig controleerbare administratie te beheren dat (ook achteraf)
                           gecontroleerd kan worden of de vaststelling van UWV terecht was en of
                           terecht gebruik is gemaakt van de loonsubsidie.</al>
                    <al>Ten tweede geldt dat een werkgever alleen loonsubsidie kan aanvragen
                           wanneer UWV positief beschikt op de initiële aanvraag. Dit betekent dat
                           moet zijn aangetoond dat de werkgever wordt geraakt door de crisis. Ten
                           derde heeft de regering in kaart gebracht of softwareontwikkelaars in de
                           softwarepakketten ervoor kunnen zorgen dat het opgeven van subsidiabele
                           uren alleen kan als ook sprake is van verminderde loondoorbetaling. Dit
                           lijkt voor een deel van de softwareontwikkelaars mogelijk. Ondanks dat
                           het geen sluitende en volledig geautomatiseerde aanpak betreft, zet de
                           regering gesprekken met softwareontwikkelaars hierover in de aanloop
                           richting implementatie voort.</al>
                    <al>Ten vierde zijn werkgevers verplicht de ondernemingsraad, de
                           personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame personen,
                           per groep van uitwisselbare functies over de uren waarover verminderde
                           loondoorbetaling voor alle werknemers binnen die groep heeft
                           plaatsgevonden en waarvoor de werkgever een aanvraag loonsubsidie heeft
                           ingediend, te informeren. Door het ontvangen van deze informatie kunnen
                           de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de in de
                           onderneming werkzame personen de gevolgen voor werknemers op geaggregeerd
                           niveau monitoren. Hiermee is het ook een stimulans voor werkgevers om te
                           zorgen dat de betreffende informatie juist wordt opgegeven. Tot slot,
                           heeft een werknemer er persoonlijk belang bij dat de werkgever niet meer
                           subsidiabele uren rekent dan dat er niet gewerkt is vanwege de crisis
                           door de verminderde loondoorbetaling die hieraan gekoppeld is. Hierdoor
                           zal de werknemer er naar verwachting scherp op zijn dat de werkgever niet
                           meer subsidiabele uren rekent dan feitelijk juist is.</al>
                    <al>De regering komt met de genoemde maatregelen tegemoet aan de zorgen van
                           de Belastingdienst over de handhaafbaarheid van het beoogde gegeven
                           subsidiabele uren dat als gevolg van dit wetsvoorstel onderdeel wordt van
                           de loonaangifte. Indien nodig kan de Belastingdienst op basis van
                           signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik achteraf risicogericht
                           controleren.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Inzet tijdens grootschalige crisis</titel>
                    </kop>
                    <al>De Belastingdienst heeft in de uitvoeringstoets opgemerkt dat de
                           inrichting van het handhavingsproces en de inspanningen van de
                           Belastingdienst in het geval van een grootschalige crisis nader moeten
                           worden bezien. De regering vindt het logisch dat het handhavingsproces
                           afhankelijk is van de omvang van een crisis en het aantal werkgevers dat
                           een beroep doet op het wetsvoorstel. De regering is voornemens
                           vooruitlopend op inwerkingtreding van het wetsvoorstel met de
                           Belastingdienst afspraken te maken over hoe het handhavingsproces en
                           niveau van dienstverlening er op hoofdlijnen uit zou kunnen zien tijdens
                           een grootschalige crisis. Uiteindelijk is de inrichting afhankelijk van
                           de omvang en aard van een crisis. Als bij een grootschalige crisis op
                           grond van het wetsvoorstel of als er vanuit de uitvoering hier behoefte
                           aan is, zal het Ministerie van SZW het initiatief nemen om een
                           gezamenlijk team in te richten waarin de Belastingdienst, UWV en het
                           Ministerie van SZW vertegenwoordigd zijn. Op die manier is het mogelijk
                           om in crisistijd de beoogde schaalbaarheid te borgen door snel
                           beslissingen te nemen en concrete afspraken te maken over het
                           uitvoeringsproces, rekening houdend met de omvang en aard van de
                           betreffende crisis.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Complexiteit</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De Belastingdienst heeft benoemd dat het wetsvoorstel zorgt voor een
                              toename van de complexiteit voor werkgevers en de Belastingdienst.
                              Deze complexiteit ziet met name op het toepassen van de verminderde
                              loondoorbetaling in de aangifte loonheffingen en mogelijke correcties
                              die nodig zijn om deze verminderde loondoorbetaling toe te passen.
                              Door zo veel als mogelijk aan te sluiten bij de systematiek van de
                              loonaangifte probeert de regering de administratieve lasten te
                              beperken. Dat neemt niet weg dat het altijd tijd vraagt om te wennen
                              aan nieuwe regelgeving en dat ook dit wetsvoorstel een vorm van
                              complexiteit met zich meebrengt.</al>
                      <al>De regering is het met de Belastingdienst eens dat de toename van de
                              complexiteit met name ziet op het toepassen van de verminderde
                              loondoorbetaling in de aangifte loonheffingen en mogelijke correcties
                              die hiervoor nodig zijn. Het kabinet zal hieraan in de implementatie
                              van het wetsvoorstel en ten tijde van een crisis ruim aandacht aan
                              besteden en diverse middelen ter ondersteuning van werkgevers
                              beschikbaar stellen.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Communicatie</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Verder heeft de Belastingdienst, net als UWV, gewezen op het belang
                              van heldere en duidelijke communicatie richting werkgevers over de
                              stappen die werkgevers moeten zetten om in aanmerking te komen voor de
                              instrumenten uit het wetsvoorstel.</al>
                      <al>Net als de Belastingdienst en UWV hecht de regering zeer aan goede
                              communicatie richting werkgevers. De regering zal voorafgaand aan
                              inwerkingtreding van het wetsvoorstel in overleg met de
                              Belastingdienst en UWV onder meer handreikingen en instructies voor
                              werkgevers ontwikkelen. Ook kan gedacht worden aan instructies via het
                              handboek loonheffingen.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Misbruik en oneigenlijk gebruik, toezicht en handhaving</titel>
                </kop>
                <al>In deze paragraaf wordt ingegaan op waarborgen in het wetsvoorstel en in de
                     uitvoering waarmee misbruik en oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk wordt
                     voorkomen. Ook wordt toegelicht hoe toezicht en handhaving zijn geregeld.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">8.1</nr>
                    <titel>Misbruik, oneigenlijk gebruik en beheersmaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <al>Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis kent, net als andere wetten en
                        regelingen, risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik. Er is sprake van
                        gevoeligheid voor misbruik en oneigenlijk gebruik bij elke wet of regeling
                        waarbij er afhankelijkheid is van (door derden geleverde) gegevens. Deze
                        risico’s worden in onderhavig wetsvoorstel zoveel als mogelijk geadresseerd
                        met beheersmaatregelen. Tegelijkertijd is het realistisch te verwachten dat
                        er, net als bij andere regelingen, onvolkomenheden in de aanpak van deze
                        risico’s kunnen zijn waardoor deze risico’s niet volledig voorkomen kunnen
                        worden.</al>
                  <al>Voorziene risico’s zijn onder andere het bewust aanleveren van onjuiste
                        gegevens door de werkgever bij zowel de initiële aanvraag, de aanvraag
                        verlenging van het crisistijdvak, als de aanvraag voor de loonsubsidie. De
                        systematiek van onderhavig wetsvoorstel, zoals het advies van een
                        ondernemingsraad dat moet worden meegeleverd en het verplicht informeren van
                        een belanghebbende vereniging van werknemers, creëert een vier-ogen principe
                        wat het risico op dergelijke manipulatie kan verkleinen. Het staat een
                        belanghebbende vereniging van werknemers, ondernemingsraad,
                        personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame personen vrij
                        om meldingen te maken indien er een vermoeden is van misbruik. UWV heeft
                        mogelijkheden om te controleren, zowel voordat er wordt vastgesteld, of
                        erna. Dit geldt zowel voor de initiële aanvraag en de aanvraag voor
                        verlenging van het crisistijdvak als voor de aanvraag voor de loonsubsidie
                        en de aanvraag voor verlenging van het subsidietijdvak. Een voorbeeld van
                        zo’n controle is het controleren of de loonsom daadwerkelijk is
                        gedaald.</al>
                  <al>Uitgangspunt bij de beheersmaatregelen is dat de werkgever verplicht is om
                        de juiste en volledige gegevens te verstekken. Dit is vastgelegd in de
                        inlichtingenplicht, die voor alle aanvragen in dit wetsvoorstel geldt. Dit
                        uitgangspunt komt ook tot uiting in het vereiste dat de werkgever met
                        betrekking tot de initiële aanvraag en de aanvraag verlenging van het
                        crisistijdvak in het kader van toezicht gehouden kan zijn om inzage te geven
                        in zijn administratie. Dit vloeit voort uit artikel 5:16 van de Awb. Bij de
                        eventuele aanvraag voor loonsubsidie dient de werkgever een zodanig
                        controleerbare administratie te beheren dat (ook achteraf) gecontroleerd kan
                        worden of de vaststelling van UWV terecht was en of terecht gebruik is
                        gemaakt van de loonsubsidie. Bij de loonsubsidie zal de werkgever op basis
                        van dit wetsvoorstel desgevraagd inzage in deze administratie verlenen. Ook
                        zal de werkgever bij aanvragen de verplichting hebben nadien onverwijld uit
                        eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen die van invloed
                        kunnen zijn op de beschikkingen van de aanvragen. De werkgever zal bij
                        aanvragen op het aanvraagformulier dienen te bevestigen dat hij deze naar
                        waarheid heeft ingevuld en geen misbruik of oneigenlijk gebruik zal maken
                        van subsidiegelden. De werkgever zal bij aanvragen tevens bevestigen dat hij
                        zich ervan bewust is dat er in het kader van toezicht verder onderzoek
                        gedaan kan worden. Het opnemen van een inlichtingenplicht rondom een
                        financiële tegemoetkoming is gebruikelijk in wetgeving, zoals de
                        Participatiewet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Dit
                        zijn wetten voor individuele burgers. Onderhavig wetsvoorstel is bedoeld
                        voor werkgevers, waarvan, door uitgebreidere kennis en meer capaciteit, nog
                        sterker kan worden verwacht dat vertrouwd mag worden op de aangeleverde
                        gegevens. Waar mogelijk zullen werkgevers ondersteund worden met duidelijke
                        informatievoorzieningen, onder andere via de website van UWV. In de gevallen
                        dat de werkgever onverhoopt een fout maakt, zal de werkgever de gelegenheid
                        worden gegeven om dit te herstellen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">8.2</nr>
                    <titel>Intrekken, herzien en handhaving</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Handhaving wordt in de socialezekerheidswetten veelal langs drie
                           methodieken vormgegeven. Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                           vult handhaving eveneens in volgens deze methodieken, te weten:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>Intrekken en herzien van besluiten die onjuist of onvolledig
                                 blijken te zijn of op onjuiste of onvolledige gegevens blijken te
                                 berusten, waardoor bij bekendheid van deze gegevens een andere
                                 beslissing zou zijn genomen.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>Het opleggen van maatregelen wegens het niet nakomen van bepaalde
                                 verplichtingen. Dat krijgt vorm door middel van een verlaging van
                                 de loonsubsidie.</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>Een boete. Bijvoorbeeld in verband met het (verwijtbaar) niet
                                 nakomen van de inlichtingenverplichting.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Bij het bepalen van deze methodieken is de samenhang met het Wetsvoorstel
                        handhaving sociale zekerheid bezien. Hierna wordt ingegaan op hoe de
                        genoemde methodieken in het onderhavige wetsvoorstel worden toegepast en
                        waar sprake is van aansluiting bij het Wetsvoorstel handhaving sociale
                        zekerheid.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">1.</nr>
                      <titel>Intrekken of herzien van een besluit op de aanvragen</titel>
                    </kop>
                    <al>In het kader van toezicht en handhaving kan het voorkomen dat UWV
                           misbruikmeldingen krijgt, of dat de toezichthouder, zijnde UWV, in het
                           kader van handhaving controles uitvoert, waarbij de werkgever verplicht
                           is mee te werken aan het onderzoek dat de toezichthouder uitvoert. Als
                           uit het nadere onderzoek blijkt dat de werkgever zich niet aan zijn
                           verplichtingen heeft gehouden, bijvoorbeeld omdat onjuiste of onvolledige
                           informatie is verstrekt, of andere relevante ontwikkelingen niet zijn
                           meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de beschikking van UWV, kan UWV
                           het besluit herzien. Dit kan leiden tot een herziening of intrekking van
                           het besluit op een aanvraag. UWV is daar overigens niet toe verplicht als
                           het redenen ziet om het besluit toch te handhaven.</al>
                    <al>De consequentie van de intrekking van het besluit is afhankelijk van de
                           instrumenten waarvan de werkgever gebruik heeft gemaakt. Wordt het
                           besluit op de initiële aanvraag (of de aanvraag voor verlenging van het
                           crisistijdvak) herzien of ingetrokken, dan zal er geen recht op het
                           toepassen van herplaatsing en het toepassen van verminderde
                           loondoorbetaling bestaan. De gebruikmaking van het instrument
                           herplaatsing dient dan onmiddellijk te worden beëindigd. Is de
                           herplaatsing buiten de mogelijkheden van onderhavig wetsvoorstel om tot
                           stand gekomen met instemming van de werknemer, dan hangt de consequentie
                           af van wat er precies is afgesproken. Heeft de werkgever ten onrechte de
                           verminderde loondoorbetaling toegepast, dan kunnen de werknemers met
                           terugwerkende kracht het resterende loon vorderen. In het kader van goed
                           werkgeverschap wordt van de werkgever verwacht dat de werkgever de
                           werknemer op de hoogte stelt dat hij de verminderde loondoorbetaling ten
                           onrechte heeft toegepast, zodat de werknemer stappen kan ondernemen om
                           het resterende loon te vorderen. Als het besluit op de aanvraag
                           loonsubsidie of de aanvraag verlenging subsidietijdvak herzien of
                           ingetrokken wordt, heeft dit tot gevolg dat de hoogte van de subsidie zal
                           wijzigen. Als de herziening leidt tot het lager vaststellen van de
                           subsidie, zal UWV het te veel uitgekeerde bedrag terugvorderen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">2.</nr>
                      <titel>Lagere loonsubsidie bij bedrijfseconomisch ontslag binnen vier
                              maanden na ontvangst loonsubsidie</titel>
                    </kop>
                    <al>Zoals beschreven in paragraaf 3.3.2.1 mogen de instrumenten niet meer
                           worden ingezet vanaf de datum waarop de werkgever een verzoek om
                           toestemming voor bedrijfseconomisch ontslag voor een bepaalde werknemer
                           heeft ingediend. De loonsubsidie over de periode voorafgaand aan die
                           datum wordt met 25% verlaagd.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.</nr>
                      <titel>Boete</titel>
                    </kop>
                    <al>Tot slot is het mogelijk dat een werkgever niet voldoet aan de
                           inlichtingenplicht en daarbij verwijtbaar handelt of nalaat, bijvoorbeeld
                           omdat hij informatie vervalst of achterhoudt om zo zijn recht op de inzet
                           van de instrumenten, of de hoogte van de loonsubsidie uit onderhavig
                           wetsvoorstel te beïnvloeden. In die gevallen kan UWV – naast het
                           terugvorderen van de loonsubsidie – een boete opleggen. De
                           inlichtingenplicht is aan de orde in geval van de initiële aanvraag, de
                           aanvraag verlenging crisistijdvak, als de aanvraag tot
                           loonsubsidieverlening. Op grond van deze plicht is de werkgever verplicht
                           om bij zijn aanvraag en nadien alle zaken te melden die van invloed zijn
                           op de beschikking door het UWV.</al>
                    <al>Het opleggen van een boete is aan het UWV. Aangesloten is bij het
                           wettelijke handhavingskader uit het Wetsvoorstel handhaving sociale
                              zekerheid.<noot id="n108" type="voet"><noot.nr>108</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2024/25, <extref doc="kst-36785-2" soort="document" status="actief">36 785,
                                    nr. 2–3</extref>.</noot.al></noot> Het uitgangspunt hierbij is het vertrouwen dat de meeste mensen
                           geen misbruik maken van het systeem. Waar er wel sprake is van misbruik
                           moeten er effectieve instrumenten beschikbaar zijn voor de handhaving. De
                           sancties moeten in verhouding staan tot de overtreding. Daarvoor moeten
                           dezelfde factoren meegewogen worden als bij het Wetsvoorstel handhaving
                           sociale zekerheid: de aard en ernst van de overtreding van de
                           inlichtingenplicht, de mate waarin de overtreding aan de betrokkene
                           verweten kan worden en de mate waarin de overtreding een gevolg is van
                           het handelen of nalaten van het bestuursorgaan.<noot id="n109" type="voet"><noot.nr>109</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2024/25, <extref doc="kst-36785-3" soort="document" status="actief">36 785,
                                    nr. 3</extref>, pg. 41–43.</noot.al></noot></al>
                    <al>UWV heeft als bestuursorgaan beoordelingsruimte om te bezien of een
                           boete aan de orde is. Het is aan UWV om te beoordelen of in voorkomende
                           gevallen een boete passend is. Het is belangrijk dat UWV de ruimte heeft
                           om geen boete op te leggen of de hoogte van de boete aan te passen aan de
                           omstandigheden. In veel gevallen kan daarom worden volstaan met het
                           intrekken of herzien van de beschikking op de initiële aanvraag en de
                           eventuele aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak, of
                           (vaststellings)beschikking op de loonsubsidieaanvraag. Als evenwel sprake
                           is van strafverzwarende omstandigheden, dan zal UWV moeten handhaven. Uit
                           het wettelijk kader volgen de strafverzwarende omstandigheden waarin
                           wordt aangenomen dat er misbruik wordt gemaakt en een boete dus de
                           aangewezen reactie is. Hiervan is sprake bij aanvragen met gebruikmaking
                           van vervalste documenten, samenloop met het strafrecht en bij een
                           opzettelijke overtreding en grove schuld. Omdat voor de boetebepaling
                           wordt aangesploten bij het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid,
                           zijn de begrippen ‘opzettelijke overtreding en grove schuld’ ook naar
                           analogie van dat wetsvoorstel. In dat kader krijgt UWV bij recidive
                           tevens de mogelijkheid een verhoogde bestuurlijke boete op te
                           leggen.</al>
                    <al>Voor het opleggen en het bepalen van de hoogte van een bestuurlijke
                           boete is de vraag of sprake is van verwijtbaarheid belangrijk. Gelet op
                           artikel 5:41 van de Awb wordt geen bestuurlijke boete opgelegd als
                           verwijtbaarheid van de betrokkene in het geheel ontbreekt. Het ontbreken
                           van verwijtbaarheid is bijvoorbeeld aan de orde als iemand zelf geen
                           invloed heeft gehad in het ontstaan van de onrechtmatigheid, zoals een
                           fout van de overheid waar een betrokkene geen weet van heeft en kan
                           hebben. Ter illustratie, wanneer een werkgever bewijsstukken van een
                           brand van een jaar geleden voordoet als een recente crisis dan doet hij
                           dit willens en wetens en kan uitgegaan worden van verwijtbaar handelen.
                           De in dit wetsvoorstel opgenomen sancties worden niet toegepast op
                           onjuiste gegevens waarvoor in het gebruikelijke proces van loonheffingen
                           al een sanctie is toegepast. Tegelijkertijd kan het natuurlijk voorkomen
                           dat een werkgever een vergissing maakt bij de loonaangifte, bijvoorbeeld
                           bij het opgeven van de subsidiabele uren. Dit is een overtreding van de
                           inlichtingenplicht, maar kan niet per definitie worden aangemerkt als
                           misbruik waar een boete passend is. Ook kunnen er persoonlijke
                           omstandigheden zijn die dermate zwaar wegen dat het opleggen van een
                           sanctie in een concreet geval onevenredig kan uitpakken. In die gevallen
                           kan van oplegging van een sanctie worden afgezien wegens een dringende
                           reden.</al>
                    <al>Er is afgezien van het introduceren van de mogelijkheid om een
                           waarschuwing op te leggen zoals dat in het Wetsvoorstel handhaving
                           sociale zekerheid is gedaan. Het opleggen van een bestuurlijke boete is
                           een discretionaire bevoegdheid van UWV en voorzien voor de uitzonderlijke
                           fraudegevallen. Een waarschuwing dient daarmee geen doel meer in dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>Voor het niet voldoen aan de inlichtingenplicht bij zowel de initiële
                           aanvraag en de aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak als de
                           aanvraag voor de loonsubsidie of verlenging van het subsidietijdvak gaat
                           het om een boete die maximaal de hoogte kent van het in de derde
                           categorie genoemde bedrag in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht,
                           zijnde maximaal € 10.300. Bij recidive is dit hoger en gaat het om een
                           boete die maximaal de hoogte kent van het in de vierde categorie genoemde
                           bedrag in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, zijnde maximaal
                              € 25.750.<noot id="n110" type="voet"><noot.nr>110</noot.nr><noot.al>Deze bedragen worden periodiek geïndexeerd.</noot.al></noot> Deze maximale boetebedragen liggen hoger dan in het Wetsvoorstel
                           handhaving sociale zekerheid. Dat wetsvoorstel ziet namelijk met name op
                           werknemers, in plaats van werkgevers. Daarnaast ziet de initiële aanvraag
                           en de aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak binnen het
                           onderhavige wetsvoorstel, op het wel of niet aanwezig zijn van een
                           crisissituatie. Een beschikking op deze aanvragen vormt een voorwaarde
                           voor de werkgever om de instrumenten te kunnen inzetten én daarmee voor
                           het recht om een loonsubsidie aan te vragen. De juistheid van de in het
                           kader van deze aanvragen aangeleverde gegevens is daarom van groot belang
                           en rechtvaardigt deze voorgestelde maximale boete. UWV hoeft de maximale
                           bedragen niet op te leggen, maar kan ook lagere bedragen gebruiken als
                           dat passender wordt geacht. Bij de aanvraag voor de loonsubsidie of de
                           aanvraag voor verlenging van het subsidietijdvak is gekozen voor een
                           gelijk maximum aan de boete, zodat UWV tot een zekere mate de ruimte
                           heeft gebruik te maken van de gewenste rekenmethode voor de hoogte van de
                           boete. Voor deze berekening wordt aansluiting gezocht bij een percentage
                           van het benadelingsbedrag, zoals het Wetsvoorstel handhaving sociale
                           zekerheid dat ook hanteert. Overeenkomstig het Boetebesluit
                              socialezekerheidswetten<noot id="n111" type="voet"><noot.nr>111</noot.nr><noot.al>De percentages in dit besluit zijn ten tijde van dit
                                 schrijven nog niet in werking getreden. De Aanpassing Boetebesluit
                                 socialezekerheidswetten heeft tot 23 mei 2025 uitgestaan voor
                                 internetconsultatie.</noot.al></noot> zullen de hoogte van de standaardboetes 5% van het
                           benadelingsbedrag bedragen of, als sprake is van een strafverzwarende
                           omstandigheid, 15% van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is
                           het bedrag aan loonsubsidie dat de werkgever door het overtreden van de
                           inlichtingenverplichting onterecht heeft ontvangen. Dit kan de hele
                           loonsubsidie zijn, of het verschil met de lagere loonsubsidie die zou
                           zijn uitbetaald als wel de juiste gegevens beschikbaar waren geweest. De
                           boete wordt aan het benadelingsbedrag gekoppeld vanwege de
                           proportionaliteit. Het benadelingsbedrag zegt iets over de ernst van de
                           overtreding. Dit sluit ook aan bij de Boetewijzer<noot id="n112" type="voet"><noot.nr>112</noot.nr><noot.al>Boetewijzer voor het bepalen van de maximumboete in
                                 wetgeving, ministerie JenV. 2014.</noot.al></noot>, waarin wordt voorgeschreven om de boete te baseren op het
                           financiële gewin: het benadelingsbedrag. Om aan te sluiten bij aanwijzing
                           5.43 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is de maximale boete gelijk
                           aan die bij de initiële aanvraag en de aanvraag voor verlenging van het
                           crisistijdvak.</al>
                    <al>Als de maximale boetehoogtes ontoereikend worden geacht in een
                           uitzonderlijke casus, heeft UWV altijd de mogelijkheid om aangifte te
                           doen bij het Openbaar Ministerie (hierna: OM). Het OM kan vervolgens een
                           strafrechtelijk onderzoek instellen en overgaan tot strafrechtelijke
                           vervolging. Op grond van informatie van UWV en/of op grond van signalen
                           en meldingen kan de Nederlandse Arbeidsinspectie onder gezag van het OM
                           een opsporingsonderzoek instellen. Hierbij weegt mee wat zich heeft
                           voorgedaan, maar ook afwegingen zoals capaciteit en effectiviteit van de
                           vervolging. Als van strafrechtelijke vervolging wordt afgezien kan alsnog
                           een bestuurlijke boete worden opgelegd.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">9.</nr>
                  <titel>Evaluatie</titel>
                </kop>
                <al>Indien dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, zal
                     de uitwerking van de wet worden gemonitord om te bezien of de wet zoals beoogd
                     ook uitvoerbaar blijkt in de praktijk. Na vijf jaar, of eerder als sprake is
                     geweest van een crisis van de tweede of derde categorie, zal de wet geëvalueerd
                        worden.<noot id="n113" type="voet"><noot.nr>113</noot.nr><noot.al>Zoals ook opgenomen in artikel 4:20 tweede lid onder f van de
                           Comptabiliteitswet 2016 en artikel 4:24 van de Algemene wet
                           bestuursrecht.</noot.al></noot></al>
                <al>De evaluatie van dit wetsvoorstel kan zowel een kwalitatieve als een
                     kwantitatieve component hebben. Het kwalitatief onderzoek kan zich richten op
                     hoe werkgevers en werknemers van werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het
                     Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis dit hebben ervaren. Daarbij kan zowel
                     gekeken worden naar de vraag of beide groepen de regelgeving als doenlijk
                     hebben ervaren als naar de vraag in hoeverre zij van mening zijn dat de
                     arbeidsrechtelijke instrumenten en/of de loonsubsidie hebben bijgedragen aan
                     het beoogde doel van dit wetsvoorstel: werkgevers ondersteunen in het behouden
                     van werkgelegenheid tijdens een crisisperiode. Een kwantitatief deel van de
                     evaluatie kan zich richten op de mate waarin werkgevers die de instrumenten
                     en/of de loonsubsidie in dit wetsvoorstel hebben ingezet hun werkgelegenheid
                     hebben kunnen behouden. Zowel de kwalitatieve als kwantitatieve benadering
                     kunnen relevant zijn voor de evaluatie van dit wetsvoorstel. De precieze
                     vormgeving zal bij aanvang van de evaluatie bezien worden. Dat kan onder andere
                     afhangen van de op dat moment beschikbare gegevens. Indien nodig zal daarbij
                     advies ingewonnen worden van wetenschappers of andere experts over de
                     onderzoeksmethodiek.</al>
                <al>Relevant is verder dat dit wetsvoorstel onderdeel is van een groter geheel:
                     het op 3 april 2023 aangekondigde pakket aan arbeidsmarktmaatregelen.<noot id="n114" type="voet"><noot.nr>114</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2022/23, <extref doc="kst-29544-1176" soort="document" status="actief">29 544,
                              nr. 1176</extref>.</noot.al></noot> De regering is voornemens om de doelen van de verschillende
                     wetsvoorstellen uit het pakket te evalueren. Bij de evaluatie zal ook de
                     samenhang/samenloop met de andere onderdelen van het arbeidsmarktpakket bezien
                     worden, zoals de veranderingen ten aanzien van de regulering van flexibele
                     contracten en het voorkomen van schijnzelfstandigheid. Waar mogelijk en waar
                     nodig wordt deze samenhang expliciet beschreven en meegenomen met het
                     onderzoek. Indien nodig worden onderdelen in samenhang geëvalueerd.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">10.</nr>
                  <titel>Advies en consultatie</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.1</nr>
                    <titel>Doenvermogen en handelingsperspectief</titel>
                  </kop>
                  <al>De term ‘doenvermogen’ komt voort uit het rapport van de Wetenschappelijke
                        Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) ‘weten is nog geen doen’.<noot id="n115" type="voet"><noot.nr>115</noot.nr><noot.al>WRR (2017) Weten is nog geen doen: Een realistisch perspectief
                              op redzaamheid, rapport nr. 97.</noot.al></noot> Hierin staat dat beleidsmakers realistisch moeten zijn over de
                        zelfredzaamheid van burgers en hun vermogen om in actie te komen. Het
                        rapport constateert dat de overheid in toenemende mate een beroep doet op de
                        zelfredzaamheid van de burger. De burger is hier echter, onder alle
                        omstandigheden, niet altijd toe in staat. Hierbij is niet alleen het
                        denkvermogen van de burger van belang maar ook het doenvermogen. In het
                        geval van stressvolle situaties wordt het denk- en doenvermogen van de
                        burger onder druk gezet. Daarom beveelt het rapport van de WRR aan om bij
                        nieuwe wet- en regelgeving te toetsen of de voorgenomen regeling ‘doenlijk’
                        is voor de burger. Zeker indien een werkgever en werknemer bij gebruikmaking
                        van de ondersteuning uit onderhavig wetsvoorstel te maken zullen hebben met
                        een crisissituatie, is het doen van onderzoek naar het doenvermogen en
                        handelingsperspectief van zowel werkgever als werknemer van groot
                        belang.</al>
                  <al>In de paragrafen hieronder wordt een inschatting gemaakt van hoe doenbaar
                        dit wetsvoorstel is voor de verschillende doelgroepen. Bovendien wordt in
                        deze paragrafen ingegaan op hoe met de belasting van deze doelgroepen
                        rekening wordt gehouden. De verschillende groepen die te maken krijgen met
                        dit wetsvoorstel en die ook handelingen moeten uitvoeren zijn: werkgevers,
                        werknemers, en leden van ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordigingen
                        of de personeelsvergadering. De conclusie is dat dit wetsvoorstel doenbaar
                        is voor werkgevers zolang ze per aanvraagmoment informatie kunnen vinden
                        over wat er precies nodig is en van hen verwacht wordt. Voor werknemers en
                        leden van ondernemingsraden geldt ook dat het wetsvoorstel doenbaar wordt
                        geacht, mits zij voldoende van informatie worden voorzien over wat hun
                        rechten en plichten zijn en hoe ze daarnaar kunnen en moeten handelen.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Doelstelling en doelgroepen</titel>
                    </kop>
                    <al>Om na te gaan of onderhavig wetsvoorstel en de uitwerking van het
                           aanvraagproces voor werkgevers werkbaar is in het kader van doenvermogen,
                           is een tiental gesprekken gevoerd met werkgevers waarin een zogenoemde
                           ‘klantreis’ is doorlopen. Dit betekent dat met hen de hoofdlijnen van het
                           wetsvoorstel zijn besproken, het aanvraagproces is doorlopen en de
                           bijbehorende formulieren die nodig zijn voor het doen van de initiële
                           aanvraag zijn bekeken. Daarbij is werkgevers gevraagd om in hun
                           beoordeling rekening te houden met de druk die een crisis met zich
                           meebrengt. De werkgevers kwamen uit diverse ondernemingen, zowel qua
                           grootte als qua sector.<noot id="n116" type="voet"><noot.nr>116</noot.nr><noot.al>Er zijn werkgevers gesproken uit de volgende sectoren:
                                 zakelijke dienstverlening, uitzendbedrijven, agrarische bedrijven,
                                 elektrotechnische industrie en de zorgsector.</noot.al></noot> Deze gesprekken bieden geen kwantitatieve data op basis waarvan
                           statistische conclusies kunnen worden getrokken, maar geven wel op
                           kwalitatieve basis een algemeen beeld van hoe de werkgever tegen de
                           uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel qua doenvermogen aankijkt.</al>
                    <al>Ook met werknemers zijn op verschillende momenten en op verschillende
                           locaties gesprekken gevoerd over het wetsvoorstel. In dit kader zijn
                           onder begeleiding van een onderzoeksbureau 55 werknemers gesproken. In
                           deze gesprekken kwam als onderwerp steeds aan de orde wat de inzet van de
                           instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling zouden
                           betekenen voor de werknemer, wat nodig is aan communicatie daarover en de
                           stappen die een werknemer kan zetten indien hij het niet eens is met de
                           toepassing van dit wetsvoorstel door de werkgever. Daarnaast zijn er op
                           twee locaties door medewerkers van het Ministerie van SZW aanvullende
                           gesprekken gevoerd met ongeveer twintig werknemers.</al>
                    <al>De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de
                           personeelsvergadering hebben een adviesrol bij de initiële aanvraag en de
                           aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak zoals de werkgever die
                           doet bij UWV (zie paragraaf 3.3.1). Ook met leden van ondernemingsraden
                           is daarom gesproken over onderhavig wetsvoorstel, met als specifieke
                           aandachtspunten de vragen wat nodig is voor een ondernemingsraad om de
                           adviestaak goed uit te kunnen oefenen, en wat daarbij in het kader van
                           doenvermogen gevraagd kan worden. In totaal zijn elf gesprekken gevoerd
                           met leden van ondernemingsraden en ondernemingsraad-experts.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Werkgevers</titel>
                      </kop>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Kennen en kunnen</titel>
                        </kop>
                        <al>Het doen van een aanvraag in het kader van dit wetsvoorstel vraagt
                                 iets van een werkgever. De werkgever moet bekend zijn met de regels
                                 rondom het gebruik van de instrumenten en moet bij het doen van de
                                 aanvragen diverse documenten aanleveren en gegevens verstrekken.
                                 Hierbij is het van belang dat een werkgever zorgvuldig en voldoende
                                 wordt geïnformeerd over het wetsvoorstel, de instrumenten en de
                                 aanvraagproces(sen). In de implementatiefase van dit wetsvoorstel
                                 zal ingezet worden op het ontwikkelen van een website waarin de
                                 voorwaarden en uitgangspunten van dit wetsvoorstel helder
                                 uiteengezet worden, specifiek vanuit het
                                 werkgeversperspectief.</al>
                        <al>Bij de vormgeving van het aanvraagproces, is nadrukkelijk stil
                                 gestaan bij de vermoedelijke complexiteiten. Samen met UWV en
                                 softwareontwikkelaars is gekeken naar hoe het aanvraagproces zo
                                 doenlijk mogelijk kan worden vormgegeven. Met UWV zijn extensieve
                                 gesprekken gevoerd over de mate van automatisch verwerken van
                                 (zoveel mogelijk al bij UWV bekende) gegevens, waarbij wordt
                                 ingezet op het voorkomen van onnodige gegevens uitvraag (zie
                                 paragraaf 3.3.3). Met softwareontwikkelaars is bezien in hoeverre
                                 de al bekende loonaangifteketen via de polisadministratie gebruikt
                                 kan worden voor het doen van een loonsubsidieaanvraag.</al>
                        <al>Hoewel er in het huidige aanvraagproces qua doenvermogen het een
                                 en ander verwacht wordt van de werkgever, is de verwachting dat het
                                 in verhouding is tot wat er tegenover staat: het gebruik van
                                 instrumenten om zoveel mogelijk behoud van werknemers te kunnen
                                 realiseren. Uit de gevoerde gesprekken bleek dat werkgevers in
                                 algemene zin positief zijn over het aanvraagproces, waarbij zij
                                 aangaven dat de (voorlopige) formulieren duidelijk en doenlijk
                                 zijn. Meer technische terminologie zoals de in het wetsvoorstel
                                 gehanteerde (loon)begrippen vragen echter wel om nadere uitleg.
                                 Werkgevers gaven daarom aan dat een toereikende toelichting bij de
                                 formulieren van belang is, zodat voor werkgevers duidelijk is wat
                                 er van hen verlangd wordt. Bovendien werd aangegeven dat
                                 automatisering de voorkeur heeft boven het handmatig invullen van
                                 de formulieren. Deze suggesties zullen in de implementatiefase
                                 worden meegenomen bij de ontwikkeling van de formulieren en de
                                 ICT.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Cumulatie van regelingen</titel>
                        </kop>
                        <al>Het kabinet heeft in haar brief van 3 april 2023 verschillende
                                 maatregelen aangekondigd om de arbeidsmarkt te hervormen.<noot id="n117" type="voet"><noot.nr>117</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2022/23,
                                          <extref doc="kst-29544-1176" soort="document" status="actief">29 544, nr. 1176</extref>.</noot.al></noot> Zo is bijvoorbeeld aangekondigd om de lasten rond
                                 loondoorbetaling bij ziekte voor MKB-werkgevers te verlichten, de
                                 zekerheid van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie te
                                 vergroten, te komen met een verduidelijking van de gezagsrelatie om
                                 schijnzelfstandigheid te voorkomen en een verplichte
                                 arbeidsongeschiktheidsverzekering in te voeren voor zelfstandigen.
                                 Dit raakt ook de werkgevers die wellicht gebruik gaan maken van de
                                 instrumenten in dit wetsvoorstel. Echter, omdat de maatregelen
                                 deels doelen op het vergroten van wendbaarheid bij bedrijven zal
                                 het kennisnemen van de diverse regelingen niet tot onevenredig veel
                                 belasting voor de werkgever zorgen.</al>
                      </divisie>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Gevolgen van onoplettendheid</titel>
                        </kop>
                        <al>Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat werkgevers bij het maken
                                 van een fout in de aanvraag permanent het recht op het inzetten van
                                 instrumenten verliezen. De werkgever wordt daarom bij het doen van
                                 zijn aanvraag zo goed als mogelijk geholpen door duidelijke uitleg
                                 over wat de informatie is die wordt gevraagd. Mocht het onverhoopt
                                 voorkomen, bijvoorbeeld bij extreem grote crises, dat een fout bij
                                 de aanvraag niet direct wordt geregistreerd en de aanvraag wordt
                                 afgewezen, staat de beroepsprocedure open voor werkgevers om langs
                                 die weg een juiste beschikking van UWV te ontvangen.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Werknemers</titel>
                      </kop>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Kennen en kunnen</titel>
                        </kop>
                        <al>Indien de werkgever ervoor kiest om een of beide instrumenten van
                                 dit wetsvoorstel voor de betreffende werknemer in te zetten, kan de
                                 werknemer te maken krijgen met een verminderde loondoorbetaling
                                 en/of herplaatsing. Voor werknemers is het in het kader van
                                 doenvermogen met name van belang dat zij begrijpen wat de
                                 voorwaarden zijn waaronder de instrumenten mogen worden ingezet, en
                                 wat hun rechten en plichten zijn in het kader van de inzet van deze
                                 instrumenten. Dit zodat zij actie kunnen ondernemen door in gesprek
                                 te gaan met hun werkgever, of (eventueel samen met een
                                 belanghebbende vereniging van werknemers) naar de civiele rechter
                                 te kunnen gaan als blijkt dat de instrumenten niet juist worden
                                 ingezet.</al>
                        <al>In de gesprekken met werknemers is gevraagd wat ze zouden doen
                                 indien ze het niet eens zijn met het besluit van de werkgever, of
                                 als de werkgever de instrumenten onrechtmatig inzet (bijvoorbeeld
                                 een te lage loondoorbetaling toepast). Het is in het kader van
                                 doenvermogen voorstelbaar dat het gesprek daarover starten heel
                                 lastig kan zijn, zeker gezien de machtsverhouding tussen werkgevers
                                 en werknemers. Werknemers gaven echter aan dat zij in de genoemde
                                 situaties eerst naar de werkgever zouden stappen om over de inzet
                                 van de instrumenten uit dit wetsvoorstel in gesprek te gaan. Indien
                                 ze er met de werkgever zelf niet uitkomen, gaven ze aan de weg te
                                 kennen naar de vakbond of naar juridisch advies. Een stap naar de
                                 civiele rechter om uitsluitsel te krijgen over de juiste inzet van
                                 de instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling wordt
                                 als een grote stap gezien. De argumentatie die werknemers hiervoor
                                 gaven is dat dit vaak veel geld kost, het een (te) lang traject is
                                 en er weinig kennis is over hoe dit aan te pakken. Werknemers
                                 lieten weten in dit geval te overwegen een andere baan te
                                 zoeken.</al>
                        <al>Uit de gesprekken met werknemers blijkt dat met name behoefte is
                                 aan duidelijke en laagdrempelige informatie over de rechten en
                                 plichten die werknemers hebben bij de inzet van de instrumenten uit
                                 onderhavig wetsvoorstel. De werknemer moet toegang hebben tot
                                 informatie indien de werkgever besluit een aanvraag in te dienen
                                 voor de instrumenten in dit wetsvoorstel. In de implementatiefase
                                 van dit wetsvoorstel zal daarom ook ingezet worden op het
                                 ontwikkelen van een website waarin de voorwaarden en uitgangspunten
                                 van dit wetsvoorstel helder uiteengezet worden, specifiek vanuit
                                 het werknemersperspectief. Daarnaast zal expliciet ook worden
                                 ingezet op het bereiken van doelgroepen die niet automatisch zelf
                                 deze informatie zullen opzoeken, zoals jongeren, ouderen, praktisch
                                 opgeleiden en arbeidsmigranten. Op deze website zal ook informatie
                                 komen te staan over de mogelijkheden voor de werknemer om contact
                                 op te nemen met een belanghebbende vereniging van werknemers, UWV
                                 en/of een juridisch loket. Ook de informatieplicht van de werkgever
                                 om een belanghebbende vereniging van werknemers te informeren voor
                                 het doen van de initiële aanvraag of de aanvraag voor verlenging
                                 van het crisistijdvak kan ondersteunend zijn voor werknemers in het
                                 kader van doenvermogen, ofwel omdat een belanghebbende vereniging
                                 van werknemers actief uitvraagt bij leden hoe de inzet van de
                                 instrumenten verloopt, dan wel omdat een belanghebbende vereniging
                                 van werknemers bekend is met het feit dat een aanvraag is gedaan in
                                 het kader van onderhavig wetsvoorstel als de werknemer zich tot hen
                                 wendt.</al>
                        <al>De instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling zijn
                                 arbeidsrechtelijke instrumenten en zullen om die reden worden
                                 opgenomen in titel 10 van Boek 7 BW, over de arbeidsovereenkomst.
                                 In arbeidsgeschillen is de kantonrechter de bevoegde rechter. Dit
                                 maakt dat de drempel om naar de civiele rechter te stappen zo laag
                                 mogelijk is, nu de werknemer zich kan wenden tot de kantonrechter,
                                 waar de griffiekosten in de laagste categorie vallen en geen
                                 verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Ook wordt er op dit
                                 moment een experiment met de regelrechter ontwikkeld. Dit
                                 experiment houdt in dat er vanaf 2025 bij vier rechtbanken in
                                 Nederland wordt geëxperimenteerd met een snellere en
                                 laagdrempeligere procedure bij de kantonrechter. Deze procedure zal
                                 in beginsel open staan voor alle vorderingen van werknemers uit
                                 hoofde van een arbeidsovereenkomst die normaal gesproken met een
                                 dagvaarding moeten worden ingeleid.<noot id="n118" type="voet"><noot.nr>118</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>, 2022/23,
                                          <extref doc="kst-29544-1223" soort="document" status="actief">29 544, nr. 1223</extref>.</noot.al></noot></al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Werknemers en hun vertegenwoordigers</titel>
                      </kop>
                      <divisie opmaak="default">
                        <kop kopopmaak="rom">
                          <titel>Kennen en kunnen</titel>
                        </kop>
                        <al>Voordat de werkgever een initiële aanvraag of een aanvraag voor
                                 verlenging van het crisistijdvak bij UWV kan indienen, moet de
                                 werkgever advies vragen aan de ondernemingsraad,
                                 personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering. Deze
                                 adviesbevoegdheid is voor de ondernemingsraad conform de
                                 bevoegdheden die zijn opgenomen in de WOR. Voor de
                                 personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering, die een
                                 beperktere adviesbevoegdheid hebben, is op grond van onderhavig
                                 wetsvoorstel geregeld dat deze zich uitstrekt tot een aanvraag. De
                                 personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering hebben
                                 minder ervaring met het uitbrengen van adviezen. Hiermee is naar
                                 verwachting de belasting op het doenvermogen iets groter dan bij de
                                 ondernemingsraad. Dit ligt iets anders indien de in de onderneming
                                 werkzame personen, bijeengekomen in een personeelsvergadering,
                                 wordt gevraagd om advies. De in de onderneming werkzame personen,
                                 bijeengekomen in een personeelsvergadering heeft op grond van de
                                 WOR een beperkte adviesbevoegdheid, maar zal dit op grond van
                                 onderhavig wetsvoorstel wel krijgen voor het door de werkgever
                                 voorgenomen besluit tot herplaatsing of verminderde
                                 loondoorbetaling. Uit de gesprekken met leden van ondernemingsraden
                                 blijkt dat ondernemingsraden binnen een spanningsveld tussen de
                                 werkgever en de werknemer opereren. Zij geven aan dat in
                                 crisistijden het balanceren van de belangen van de werknemer en
                                 werkgever vaak nog complexer is. Er is een behoefte aan duidelijke
                                 kaders voor zowel het begrijpen van (de implicaties van) de
                                 conceptregeling, als de verwachting van een ondernemingsraad in het
                                 adviesproces. De meeste leden van ondernemingsraden zien het
                                 wetsvoorstel in grote lijnen als logisch en werkbaar. Het ontvangen
                                 van complete en precieze informatie vanuit de werkgever is daarbij
                                 essentieel. Daarnaast geven veel leden van ondernemingsraden en
                                 ondernemingsraadsexperts aan dat het behulpzaam zou zijn als er een
                                 handleiding komt waarin uiteengezet wordt wat precies van een
                                 ondernemingsraad gevraagd wordt als de werkgever een adviesaanvraag
                                 indient in verband met het voornemen om een aanvraag bij UWV in te
                                 dienen. Een dergelijke handleiding zal ook het geven van advies
                                 voor de personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering
                                 doenbaarder maken. Bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal
                                 informatie die specifiek gericht is op het door de
                                 ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de
                                 personeelsvergadering te geven advies, beschikbaar gemaakt worden.
                                 Ten slotte geven de meeste leden van ondernemingsraden aan dat de
                                 optie die de ondernemingsraad heeft om naar de Ondernemingskamer te
                                 stappen als de werkgever het advies van de ondernemingsraad niet
                                 overneemt, gezien wordt als laatste redmiddel. De leden gaven aan
                                 dat dit in de praktijk niet vaak gebeurt en dat er, ook vanuit
                                 werkgever, alles aan wordt gedaan om er samen uit te komen.</al>
                      </divisie>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.2</nr>
                    <titel>MKB-toets</titel>
                  </kop>
                  <al>Het is essentieel om de doelgroep te betrekken om tot een effectieve
                        uitvoerbare regeling te komen. Voor onderhavig wetsvoorstel zijn dit
                        werkgevers en werknemers. MKB-ondernemers vormen een groot deel van de
                        werkgevers in Nederland en daarom wordt bij nieuwe wet- en regelgeving een
                        MKB-toets uitgevoerd om inzicht te krijgen in de gevolgen van nieuwe wet- en
                        regelgeving voor deze groep ondernemers. De MKB-toets helpt om de
                        werkbaarheid en uitvoerbaarheid van nieuwe wetten en regels te beoordelen.
                        Een dergelijke toets wordt in samenspraak met het Ministerie van Economische
                        Zaken uitgevoerd. De MKB-toets van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                        crisis was gepland op 29 juni 2023. Enkele dagen voor aanvang van de
                        MKB-toets bleek dat er vanuit MKB-ondernemers geen aanmeldingen voor de
                        MKB-toets waren ontvangen. Derhalve is er geen MKB-toets uitgevoerd. Dit
                        neemt niet weg dat veel waarde wordt gehecht aan het betrekken van
                        doelgroepen bij nieuwe wet- en regelgeving, zo ook bij onderhavig
                        wetsvoorstel. In verschillende fases van het wetstraject zijn werkgevers,
                        waaronder MKB-werkgevers, betrokken bij de vormgeving van het wetsvoorstel.
                        Zo zijn er in 2022 gespreksronden geweest met werkgevers om voorgenomen
                        beleidskeuzes aan de praktijk te toetsen, en zijn in 2023 in het kader van
                        de doenvermogentoets gesprekken gevoerd met werkgevers (zie paragraaf
                        10.1).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.3</nr>
                    <titel>Advies Adviescollege toetsing regeldruk</titel>
                  </kop>
                  <al>Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis is op 14 mei 2024, tegelijk
                        met de publicatie voor internetconsultatie, voor advies voorgelegd aan het
                        Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het adviescollege heeft daarop zijn
                        advies op 29 mei uitgebracht.</al>
                  <al>De ATR is gekomen tot een dictum 1: Het wetsvoorstel indienen. De
                        toelichting geeft aldus de ATR een toereikende onderbouwing van nut en
                        noodzaak van alle specifieke onderdelen van het wetsvoorstel en geeft geen
                        aanleiding tot opmerkingen. De toelichting geeft inzicht in overwogen
                        alternatieven en onderbouwt waarom daar niet voor is gekozen en geeft de ATR
                        geen aanleiding tot opmerkingen.</al>
                  <al>Als aan al de suggesties en adviezen van werkgevers, ondernemingsraden en
                        werknemers gevolg wordt gegeven, is voor de ATR voldoende aannemelijk dat de
                        wet voor hen werkbaar en doenbaar is. De werkbaarheid en doenbaarheid van
                        het wetsvoorstel is door de ATR verder als toereikend beoordeeld en heeft
                        geen aanleiding gegeven tot opmerkingen. Ook de paragraaf in de toelichting
                        met een beschrijving op handelingsniveau van de gevolgen voor de regeldruk
                        voor werkgevers, ondernemingsraden en werknemers geeft geen aanleiding tot
                        opmerkingen.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.4</nr>
                    <titel>Autoriteit Persoonsgegevens</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel is voor advies aan de Autoriteit Persoonsgegevens
                        voorgelegd. Bij de adviesaanvraag is voor de volledigheid het door de
                        regering opstelde Privacy Impact Assessment waarin de benodigde
                        gegevensverwerkingen zijn uitgewerkt verstrekt. De Autoriteit
                        Persoonsgegevens heeft geen aanmerkingen bij het wetsvoorstel.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.5</nr>
                    <titel>Internetconsultatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Op 14 mei 2024 is het wetsvoorstel gepubliceerd voor internetconsultatie.
                        Van 14 mei tot en met 25 juni 2024 kon worden gereageerd op het
                        wetsvoorstel. Er zijn in totaal 21 reacties ontvangen, van individuen en
                        brancheorganisaties. In deze paragraaf worden de ontvangen reacties
                        samengevat en wordt aangegeven wat er met deze reacties is gedaan. In veel
                        gevallen is het wetsvoorstel aangevuld met nadere toelichting. Enkele
                        reacties zagen op politieke afwegingen. Deze reacties hebben niet geleid tot
                        aanpassingen van het wetsvoorstel, maar in de paragraaf wordt wel ingegaan
                        op de afwegingen die aan de gemaakte keuzes ten grondslag liggen.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Maximale duur van 6 maanden</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In de internetconsultatie zijn diverse vragen opgekomen waarom het
                              wetsvoorstel slechts een beperkte duur heeft van drie maal 2 maanden.
                              Daarnaast zijn er vragen gesteld, waaronder door de Nederlandse orde
                              van advocaten, waarom een crisis die langer dan 6 maanden duurt tot
                              het ondernemersrisico behoort en een korte juist niet. De Nederlandse
                              orde van advocaten geeft in overweging mee een langere periode als
                              uitgangspunt te nemen. Koninklijke Horeca Nederland mist de ruimte
                              voor maatwerk om de maximale duur te kunnen verlengen en het mogelijk
                              te maken om in bepaalde periodes wel gebruik van de instrumenten en in
                              andere periodes niet.</al>
                      <al>Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel om werkgevers bij crises
                              buiten het ondernemersrisico tijdelijk te ondersteunen. Als een crisis
                              blijvende gevolgen heeft, is het vanuit economisch perspectief
                              verstandiger om de bedrijfsvoering permanent aan te passen naar de
                              nieuwe situatie, zie ook de uitleg in paragraaf 2.4. Om deze reden is
                              in het onderhavige wetsvoorstel een tijdelijke regeling voorzien, die
                              maximaal voor een periode van zes maanden kan worden aangevraagd.
                              Omdat deze maximale tijdsduur ook vooraf al bekend is, kunnen
                              werkgevers zich hierop instellen en in het geval van een crisis zich
                              voorbereiden op de fase na deze zes maanden. In paragraaf 3.3.1 is een
                              verduidelijking opgenomen.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Norton Rose Fulbright stelt de vraag of werkgevers meermaals een
                           subsidie kunnen aanvragen voor verscheidene aangewezen crises en merkt op
                           dat, indien deze mogelijkheid ontbreekt, valt te beargumenteren dat een
                           crisistijdvak van maximaal 6 maanden mogelijk wat kort is. Zoals in de
                           vorige alinea vermeld, is bewust gekozen voor een maximale duur van zes
                           maanden per crisis. De beschikking op de initiële aanvraag wordt per
                           crisis daarom slechts eenmaal gegeven. Voor werkgevers die
                           achtereenvolgens door twee of meer verschillende crises geraakt worden,
                           is er geen beletsel om voor elke crisis afzonderlijk een initiële
                           aanvraag in te dienen.</al>
                    <al>Ook de noodzakelijkheid van aaneen geslotenheid wordt als beperkend
                           ervaren, onder andere door de Koninklijke Horeca Nederland. Maatwerk
                           leveren op het gebied van toepassingsduur is echter onhoudbaar gezien de
                           opschaalbaarheid van de regeling. Maatwerk is handmatig werk, en dat is
                           onmogelijk bij een crisisregeling van deze omvang.</al>
                    <al>Daarnaast merkt de Nederlandse orde van advocaten op dat in de memorie
                           van toelichting niet is uitgelegd waarom het aanvragen van twee
                           afzonderlijke, niet aaneengesloten vaststellingen niet de bedoeling is.
                           Deze onderbouwing staat onder paragraaf 3.3.1.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Afbakening</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De Taskforce Culturele en Creatieve Sector merkt op dat dit
                              wetsvoorstel sterk focust op werknemers met een arbeidsovereenkomst en
                              verzoekt om een inclusievere definitie van arbeidscapaciteit die ook
                              ZZP’ers en freelancers omvat. De Taskforce Culturele en Creatieve
                              Sector stelt daarnaast voor om specifieke steunmaatregelen voor
                              zelfstandigen te ontwikkelen.</al>
                      <al>Het wetsvoorstel is bedoeld om levensvatbare bedrijven te
                              ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers in een
                              crisis die buiten het ondernemersrisico ligt. De inzet van de
                              instrumenten is daarmee voorbehouden aan de rol van werkgever.
                              Zelfstandigen kunnen, voor zover zij werkgevers zijn, van de
                              instrumenten uit onderhavig wetsvoorstel gebruikmaken voor hun
                              personeel. Omdat zelfstandigen niet ingebed zijn in het sociale
                              zekerheidsstelsel van de WW, ligt het niet in de rede deze regeling
                              ook in te zetten voor zelfstandigen zonder personeel.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>In een aantal reacties in de internetconsultatie, waaronder die van
                              Techniek Nederland, zijn vragen gesteld over verzekerbare risico’s die
                              zijn opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij wordt
                              aangegeven dat het aan individuele bedrijven zelf is om al dan niet te
                              kiezen voor verzekering van deze risico’s.</al>
                      <al>In principe vallen verzekerbare risico’s buiten de scope van dit
                              wetsvoorstel (zie ook de artikelsgewijze toelichting van artikel 2,
                              waar de lijst met ondernemersrisico’s zijn opgenomen). De enige
                              uitzondering zijn de op dit moment in de Wtv opgenomen risico’s die
                              technisch gezien wellicht te verzekeren zijn. Deze vorm van
                              collectieve verzekering van de loonkosten bij het intreden van deze
                              risico’s bestaat echter al jaren, het is niet wenselijk deze praktijk
                              voor bestaande risico’s te veranderen. Daarnaast is het goed om op te
                              merken dat gevolgschade of omzetverlies niet hetzelfde is als een
                              vergoeding voor de loonkosten. Ook levert het onderhavige wetsvoorstel
                              werkgevers met de herplaatsing meer mogelijkheden dan alleen een
                              loonsubsidie. Als de bekende risico’s zoals brand of overstroming uit
                              het wetsvoorstel gehaald worden, beperkt dit de werkgever qua inzet
                              van de instrumenten.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>In haar reactie heeft de Nederlandse orde van advocaten geadviseerd
                              om de omstandigheden van artikel 2, lid 3 niet afhankelijk te maken
                              van besluitvorming (bij ministeriële regeling tot crisis aanwijzen),
                              zoals dat ook voor de omstandigheden in lid 2 niet het geval is. De
                              Nederlandse orde van advocaten wijst er daarbij op dat zowel sub c en
                              d van lid 2, als sub e van lid 3, omstandigheden betreffen waarin
                              overheidsmaatregelen de crisis vormen en acht het onderscheid tussen
                              deze omstandigheden onduidelijk.</al>
                      <al>De regering acht het onderscheid tussen beide categorieën wenselijk
                              vanuit de gedachte dat er enerzijds omstandigheden zijn die naar hun
                              aard onvoorzienbaar zijn en die buiten het reguliere
                              ondernemingsrisico vallen en anderzijds omstandigheden waarvan dat
                              niet altijd zal gelden. Voor de eerste categorie (artikel 2, lid 2) is
                              nadere besluitvorming niet nodig en kan UWV bij de aanvraag ervan
                              uitgaan dat deze omstandigheden een crisis vormen in de zin van dit
                              wetsvoorstel. Bij de tweede categorie (artikel 2 lid 3) is het van
                              belang dat eerst wordt vastgesteld of er sprake is van
                              onvoorzienbaarheid en of het niet onaannemelijk is dat de
                              omstandigheid verminderde inzet van arbeidscapaciteit tot gevolg zal
                              hebben. Zo zal bijvoorbeeld niet elke overheidsmaatregel ter
                              bestrijding van een epidemie van een infectieziekte onvoorzienbaar
                              zijn (bijvoorbeeld bij een al lang durende epidemie) en zal dit niet
                              altijd tot verminderde inzet van arbeidscapaciteit leiden. Als een
                              bepaalde crisis uit artikel 2, lid 3 inderdaad als onvoorzienbaar
                              wordt beoordeeld, en het niet onaannemelijk is dat deze omstandigheid
                              verminderde inzet van arbeidscapaciteit tot gevolg zal hebben, zal er
                              een ministeriële regeling getroffen worden.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>Koninklijke INretail vraagt in haar internetconsultatiereactie of de
                              generieke regeling voldoende duidelijkheid en zekerheid kan bieden
                              gezien de complexiteit rondom een grote crisis en of maatwerk via een
                              aparte regeling in zo’n geval vereist lijkt.</al>
                      <al>In het wetsvoorstel is voorzien in een meer geautomatiseerde toetsing
                              op de vraag of een werkgever geraakt is door een crisis. Dit biedt
                              werkgevers die in een bepaalde postcodegebied en/of SBI-code vallen,
                              en waarbij de medezeggenschap positief adviseert, veel duidelijkheid
                              en zekerheid voordat zij de aanvraag indienen, juist bij een grote
                              crisis (zie ook hoofdstuk 7).</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>Koninklijke INretail roept op om samen met ondernemersorganisaties
                              bedrijfstak specifieke omstandigheden te omschrijven die als crisis
                              kunnen worden aangemerkt.</al>
                      <al>Het wetsvoorstel gaat uit van een generieke financiering van
                              risico’s, waarbij solidariteit gevraagd wordt van werkgevers. Het past
                              niet in de aard van een dergelijke collectieve regeling om
                              sectorspecifieke crises toe te voegen aan de lijst met crises. Voor
                              zover een bepaalde sector wordt geraakt door een algemeen beschreven
                              risico zoals een sluiting ter voorkoming van verspreiding van een
                              epidemie of internationale sancties tegen een specifieke sector, kan
                              het natuurlijk wel zo zijn dat specifieke sectoren meer gebruik zullen
                              maken van de regeling dan andere sectoren.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>In een niet openbare internetconsultatiereactie wordt de wens geuit
                              de instrumenten uit onderhavig wetsvoorstel ook te kunnen inzetten bij
                              tijdelijke verstoringen van internationale handelsketens door
                              economische omstandigheden zoals handelsboycots, belemmeringen van
                              logistieke knelpunten (Suez-kanaal) of door tekorten aan grondstoffen,
                              halffabricaten en chips. In deze reactie wordt aangegeven dat het niet
                              duidelijk is of ten aanzien van deze omstandigheden de uitval van
                              infrastructuur genoemd onder categorie 2 crises, ook geldt voor
                              omstandigheden buiten Nederland, of dat deze omstandigheden onder
                              categorie 3 vallen.</al>
                      <al>Zoals in paragraaf 2.8 uiteengezet is dit wetsvoorstel niet bedoeld
                              voor fluctuaties in de hoeveelheid werk die door economische
                              omstandigheden worden veroorzaakt. Deze behoren tot het reguliere
                              ondernemersrisico, het is onwenselijk dat de overheid deze risico’s
                              gaat overnemen. Voor zover de tekorten voortkomen uit crises in de zin
                              van dit wetsvoorstel, (bijvoorbeeld bij door buitenlandse overheden
                              opgelegde sancties) kan, als Onze Minister de omstandigheid als crisis
                              heeft aangewezen, uiteraard wel gebruik gemaakt worden van de
                              instrumenten uit dit wetsvoorstel.</al>
                    </al-groep>
                    <al>De Nederlandse Veiligheidsbranche vraagt om het bereik van dit
                           wetsvoorstel uit te breiden met risico’s waar bijvoorbeeld evenementen-
                           en horecabeveiliging ondernemers mee te maken kunnen krijgen, zoals
                           terreurdreiging en de maatregelen die de overheid dan neemt om
                           bijvoorbeeld evenementen af te gelasten. Op grond van artikel 2 lid 3 sub
                           d kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat een ramp in de
                           zin van artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s als crisis aangemerkt
                           wordt. In artikel 1 van de Wet Veiligheidsregio’s staat dat een zwaar
                           ongeval of een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van
                           veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate
                           zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van
                           diensten of organisaties van verschillende disciplines is vereist om de
                           dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken,
                           kwalificeert als ramp. Een terroristische aanslag of de maatregelen die
                           bij dreiging daarvan genomen worden, kwalificeren als ramp in de zin van
                           artikel 1 Wet Veiligheidsregio’s, en kunnen als er sprake is van
                           onvoorzienbaarheid en te verwachten verminderde inzet van
                           arbeidscapaciteit op grond van artikel 2 lid 3 sub d worden aangewezen
                           als crisis in de zin van dit wetsvoorstel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Bepaling percentage verminderde inzet van
                              arbeidscapaciteit</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In reactie op de internetconsultatie gaat Koninklijke INretail nader
                              in op de keuze om het percentage dat niet kan worden gewerkt als
                              gevolg van de crisis vast te stellen op het niveau van de formele
                              werkgever. Koninklijke INretail wijst erop dat door deze keuze
                              grootwinkelbedrijven waarbij alle werknemers werkzaam zijn op basis
                              van een personeels-bv (formele werkgever) mogelijk de 20% verminderde
                              inzet van arbeidscapaciteit niet halen als één filiaal wordt getroffen
                              door een crisis. Ook de Raad Nederlandse Detailhandel haalt dit aan en
                              stelt daarmee dat niet aan het proportionaliteitsbeginsel wordt
                              voldaan.</al>
                      <al>De regering onderkent dat grote werkgevers de voorwaarde van 20%
                              minder snel zullen halen dan kleine werkgevers, zeker als een grote
                              werkgever veel verschillende soorten werkzaamheden en/of vestigingen
                              heeft, waarbij ervoor gekozen is om al het personeel in één
                              personeels-bv onder te brengen. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen
                              om de afbakening van de werkgever niet op concernniveau te doen, maar
                              op het laagste niveau dat een formele basis kent: de formele
                              werkgever. Lagere niveaus (zoals bijvoorbeeld werkmaatschappijen)
                              missen een formele basis, en zijn daardoor mogelijk moeilijk te
                              controleren. Het is van belang dat werkgevers zich bewust zijn van de
                              gevolgen als alle werknemers onder dezelfde personeels-bv worden
                              ondergebracht.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Financiering via AWf-premie</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Een aantal werkgever en brancheorganisaties, waaronder de Nederlandse
                              Veiligheidsbranche, Techniek Nederland en Koninklijke INretail,
                              benoemen dat het niet wenselijk is dat de financiering van het
                              wetsvoorstel door een verhoging van de AWf premie verloopt vanwege de
                              hogere werkgeverslasten. Techniek Nederland merkt daarbij op dat het
                              een collectieve heffing niet logisch is voor sectorspecifieke
                              risico’s. Koninklijke INretail en Raad Nederlandse Detailhandel maken
                              een soortgelijk punt.</al>
                      <al>Er is gekozen voor financiering via een verhoging van de AWf-premie
                              om aan de eis van budgetneutraliteit tegemoet te komen. Deze eis was
                              opgenomen in het Coalitieakkoord van kabinet Rutte en het huidige
                              kabinet heeft gekozen om hieraan vast te houden. Bovendien vindt het
                              kabinet het wenselijk dat de lasten worden neergelegd bij de groep die
                              de loonsubsidies ontvangt: de werkgevers. De insteek van dit
                              wetsvoorstel is niet om sectorspecifieke risico’s af te wenden op het
                              collectief. De risico’s waar de AWf-premiestijging op ziet (artikel 2
                              lid 3), zijn generiek van aard, en kunnen in vrijwel iedere sector
                              zich voordoen.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>De Raad Nederlandse Detailhandel vraagt of de loonsubsidie niet uit
                              het Aof betaald kan worden, nu hier een overschot is. Ook Techniek
                              Nederland en Koninklijke INretail halen deze optie aan.</al>
                      <al>De uitgaven en inkomsten van de rijksoverheid zijn gescheiden. Dit
                              betekent dat de extra uitgaven die voortkomen uit het wetsvoorstel
                              voorzien moeten worden van structurele dekking. Het saldo van het
                              Aof-fonds is daarbij niet relevant. Er is voor gekozen om de dekking
                              te halen uit een premiestijging, middels een plafondcorrectie. Er is
                              voor gekozen om de AWf-premie te verhogen en niet de Aof-premie, omdat
                              het doel van het wetsvoorstel is om zoveel mogelijk werknemers te
                              behouden. Naar zijn aard past dat beter bij het algemeen
                              werkloosheidsfonds dan bij het arbeidsongeschiktheidsfonds.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Koninklijke INretail vraagt of een splitsing gemaakt kan worden in
                           collectieve en individuele risico’s, en of deze splitsing ook in de
                           financiering gemaakt kan worden. Dit is niet wenselijk, bij een
                           crisisregeling is enige mate van solidariteit vereist.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Wendbaarheid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In een anonieme reactie werden twijfels uitgesproken of onderhavig
                              wetsvoorstel daadwerkelijk voor een betere balans gaat zorgen tussen
                              werkenden en wendbaarheid. Ook wordt de huidige krapte op de
                              arbeidsmarkt aangehaald; op dit moment is er veel werk en kunnen
                              werknemers vrij snel aan een andere baan komen.</al>
                      <al>Het wetsvoorstel zorgt voor meer zekerheid voor werknemers, want in
                              tijden van crises hebben werknemers door dit wetsvoorstel meer
                              zekerheid dat zij hun baan kunnen behouden. In tijden van krapte is
                              die zekerheid wellicht minder nodig, maar zoals de geschiedenis leert
                              zijn er niet altijd tijden van krapte. Toch kan het ook in tijden van
                              krapte vanuit economisch perspectief nuttig zijn om de door de
                              werknemer opgebouwde kennis en ervaring te behouden, zodat een bedrijf
                              na een korte – noodzakelijke – overbrugging zo snel als mogelijk is
                              weer op kan starten, zonder dat nieuw personeel geworven en ingewerkt
                              hoeft te worden. Daarnaast zorgt het wetsvoorstel voor meer
                              wendbaarheid bij werkgevers. De herplaatsingsmogelijkheid en de
                              mogelijkheid om werknemers tijdelijk minder loon te betalen (in
                              combinatie met een subsidie voor de loonkosten) bieden werkgevers
                              wendbaarheid om een tijdelijke crisis op te kunnen vangen, en zo ofwel
                              na de crisis weer op te kunnen starten, dan wel de onderneming aan te
                              passen aan de nieuwe realiteit.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Advies
                              Ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging/personeelsvergadering</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Norton Rose Fulbright geeft aan dat de memorie van toelichting niet
                              vermeldt op welke van de in artikel 25, lid 1 WOR genoemde gronden het
                              in het Wetsvoorstel bedoelde advies van de ondernemingsraad is
                              gebaseerd. De grondslag voor het OR-adviesrecht uit het Wetsvoorstel
                              personeelsbehoud bij crisis ligt in de huidige opsomming van artikel
                              25, lid 1, sub d, e en f WOR worden gezocht. Norton Rose Fulbright
                              ziet graag dat de wetgever hierover meer duidelijkheid verschaft.
                              Artikel 25, lid 1, kent een adviesrecht toe aan de ondernemingsraad
                              voor een limitatieve opsomming van voorgenomen besluiten. Omdat er
                              gevallen denkbaar zijn waarbij een voorgenomen besluit om gebruik te
                              maken van de regeling niet kwalificeert als een adviesplichtig besluit
                              onder artikel 25, lid 1, onder d, e, en f, WOR, of gevallen waarbij de
                              kwalificatie tot twijfels kan leiden, is ervoor gekozen om in de Wpc
                              te regelen dat de ondernemer advies aan de ondernemingsraad vraagt,
                              voordat hij een aanvraag bij UWV indient. De verplichting om de
                              ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging en de
                              personeelsvergadering om advies te vragen voorafgaand aan zijn
                              aanvraag bij het UWV, vloeit in dezelfde lijn ook niet voort uit de
                              WOR, maar uit de Wpc.</al>
                      <al>Daarnaast stellen Norton Rose Fulbright en de Nederlandse orde van
                              advocaten voor om een lichter regime van het adviesrecht toe te passen
                              door de opschortings- en beroepstermijn te laten vervallen,
                              vergelijkbaar met het adviesrecht van artikel 30 WOR. De Koninklijke
                              Horeca Nederland pleit voor een eenvoudiger en korter aanvraagproces,
                              door het adviesrecht van de ondernemingsraad, de
                              personeelsvertegenwoordiging of de personeelsvergadering te vervangen
                              voor een informatierecht, waarbij het niet nodig is hetzelfde proces
                              als bij de initiële aanvraag te doorlopen.</al>
                      <al>Op grond van artikel 25, lid 1 WOR heeft de ondernemingsraad een
                              adviesrecht. Het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis regelt dat
                              dit adviesrecht van toepassing is voorafgaand aan een initiële
                              aanvraag en aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak bij het UWV
                              en schept vergelijkbare verplichtingen voor de ondernemer ten aanzien
                              van de personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering. De
                              regering is van mening dat dit een passende vorm is van het betrekken
                              van de medezeggenschap, waarbij enerzijds rekening is gehouden met de
                              wens om zo snel mogelijk tot duidelijkheid te komen over de mogelijke
                              inzet van de instrumenten, en waarbij anderzijds de stem van de
                              werknemer middels de medezeggenschap wel voldoende meegenomen kan
                              worden, onder andere bij de beoordeling van de initiële aanvraag door
                              UWV. Als de beroepsmogelijkheid voor ondernemingsraden zou komen te
                              vervallen, dan verzwakt dit het adviesrecht van de ondernemingsraad.
                              Het vervangen van het adviesrecht door het informatierecht zorgt ook
                              voor een vermindering van de invloed van de medezeggenschap op de
                              initiële aanvraag. De medezeggenschap hoeft dan namelijk alleen
                              geïnformeerd te worden. Een (schriftelijk) advies, waarin de
                              standpunten van de medezeggenschap verwoord staan, en wat door UWV
                              gecontroleerd kan worden, is dan niet langer aanwezig. Wel is ervoor
                              gezorgd dat de reguliere opschortings- en beroepstermijnen uit de WOR
                              zijn ingekort om de snelheid te bevorderen. Daarnaast geldt dat indien
                              de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                              personeelsvergadering afziet van het adviesrecht of als er geen beroep
                              wordt ingediend bij de Ondernemingskamer, de werkgever meteen een
                              aanvraag op grond van dit wetsvoorstel kan indienen bij UWV.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>Koninklijke INretail, Techniek Nederland en de Nederlandse orde van
                              advocaten geven aan dat de twee weken, die de ondernemingsraad en de
                              personeelsvertegenwoordiging hebben om tot een advies te komen, in
                              tijden van crisis te lang is. Het kan de aanvraag onnodig vertragen.
                              Koninklijke INretail stelt voor om de termijn van twee weken daarom
                              terug te brengen naar hoogstens enkele dagen.</al>
                      <al>Deze aanbeveling kan niet worden overgenomen, aangezien de
                              ondernemingsraad en de personeelsvertegenwoordiging voldoende tijd
                              moet krijgen om tot een goed advies te komen. Ook hebben de
                              ondernemingsraad en de personeelsvertegenwoordiging het recht om zich
                              te laten bijstaan door deskundigen. Dit kan niet altijd binnen enkele
                              dagen.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>SBI Formaat stelt voor om aan artikel 3, eerste lid, sub c toe te
                              voegen dat de werkgever een afschrift van het advies of schriftelijke
                              verklaring dat is afgezien van het uitbrengen van het advies
                              verstrekt.</al>
                      <al>Deze suggestie is niet overgenomen, omdat bij ministeriële regeling
                              wordt bepaald welke gegevens en beschreiden de werkgever moet
                              verschaffen bij een aanvraag. Uit de memorie van toelichting volgt dat
                              het wel het voornemen is om de werkgever een dergelijk afschrift te
                              laten aanleveren bij een aanvraag.</al>
                    </al-groep>
                    <al>SBI Formaat stelt ook voor om in de wetstekst te verduidelijken dat de
                           werkgever de ondernemingsraad voorziet van een volledig overzicht van de
                           basisinformatie die de werkgeer bij zijn verzoek tot herplaatsing dan wel
                           loonsubsidie aan het UWV moet indienen. Dit is ook niet overgenomen,
                           omdat op basis van de WOR de werkgever reeds gehouden is om de
                           ondernemingsraad en de personeelsvertegenwoordiging desgevraagd alle
                           inlichtingen en gegevens te verstrekken die deze voor de vervulling van
                           hun taak redelijkerwijze nodig hebben. Wel zal in het kader van
                           voorlichting een handreiking voor ondernemingsraden geschreven worden, om
                           de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging/personeelsvergadering zo
                           goed mogelijk te ondersteunen bij de adviesaanvraag.</al>
                    <al>Tot slot doet SBI-formaat enkele suggesties om de WOR parallel te
                           wijzigen, zodat de verkorte termijn ook daar opgenomen worden. Daarvoor
                           is niet gekozen, om de continuïteit van de WOR te waarborgen. De
                           verplichting voor de ondernemer om de ondernemingsraad, de
                           personeelsvertegenwoordiging en de personeelsvergadering, opgenomen in
                           artikel 3, leden 1 en 2. Dit zorgt voor voldoende kenbaarheid. Wanneer
                           een ondernemer gebruik wil maken van de instrumenten uit dit
                           wetsvoorstel, zal hij immers het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                           ter hand nemen waaruit de afwijkende termijnen voor het adviesrecht
                           volgen.</al>
                    <al>Techniek Nederland vraagt in haar reactie hoe de informatieverplichting
                           richting vakbonden (via het meldpunt) zich verhoudt tot het advies van de
                           medezeggenschap. Het adviesrecht van de medezeggenschap reikt verder dan
                           het recht van een vereniging van werknemers om geïnformeerd te worden dat
                           de werkgever het voornemen heeft om arbeidsrechtelijke instrumenten in te
                           gaan zetten. Dit zodat de vereniging van werknemers de werknemer indien
                           nodig bij kunnen staan bij de eventuele inzet van de arbeidsrechtelijke
                           instrumenten.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Melding aan vakbond</titel>
                    </kop>
                    <al>De Raad Nederlandse Detailhandel benoemt dat de verplichting tot melding
                           bij het nieuw in te richten vakbondsmeldpunt niet moet leiden tot nieuwe
                           ‘rechten’ van inspraak van vakbonden, daar waar die zich nu in de
                           praktijk niet voordoen. Voor onderhavig wetsvoorstel geldt alleen een
                           meldingsplicht. Dat betekent dat de vakbond geen nieuwe rechten van
                           inspraak zal hebben naar aanleiding van een aanvraag op grond van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>In een anonieme reactie werd gevraagd of vakbonden minstens adviesrecht
                           zouden kunnen krijgen alvorens UWV een werkgever toestemming geeft om de
                           instrumenten uit het wetsvoorstel in te zetten. Dat is echter niet
                           wenselijk. Er geldt op grond van de WOR een adviesrecht voor de
                           ondernemingsraad, en twee keer adviesrecht is niet wenselijk. Daarnaast
                           is het expertiseterrein van vakbonden de arbeidsrechtelijke relatie
                           tussen werkgever en werknemer. Bij de initiële aanvraag staat de vraag
                           centraal of de werkgever geraakt wordt door een crisis. Vakbonden hebben
                           hier over het algemeen geen of onvoldoende zicht op. Bij de inzet van de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten kunnen zij echter een belangrijke rol
                           spelen in het bijstaan van werknemers bij de vraag of de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten juist worden toegepast. Daarom is het wel
                           van belang dat zij geïnformeerd worden dat de werkgever het voornemen
                           heeft om de arbeidsrechtelijke instrumenten in te zetten, zodat zij
                           werknemers kunnen bijstaan in de periode dat de arbeidsrechtelijke
                           instrumenten daadwerkelijk worden ingezet.</al>
                    <al>De Nederlandse orde van advocaten had de suggestie om, mede in acht
                           nemende het TUI-arrest, te verduidelijken of de plicht om een
                           belanghebbende vereniging van werknemers te informeren ‘slechts’ een
                           meldingsplicht betreft, of ook een overleg- of zelfs
                           onderhandelingsplicht. In de memorie van toelichting is verduidelijkt dat
                           het slechts om een meldingsplicht gaat, en niet om een overleg- of
                           onderhandelingsplicht.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Rechtsbescherming bij initiële aanvraag</titel>
                    </kop>
                    <al>In een anonieme reactie is gevraagd of de werknemer betrokken kan worden
                           bij de procedures bij het UWV en de mogelijkheid heeft om verweer te
                           voeren als hij het niet eens is met de aanvraag van zijn werkgever.
                           Aangezien bij de aanvraag nog niet duidelijk is of de werkgever de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten mag inzetten en voor welke werknemers de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten worden ingezet als de werkgever een
                           positieve beschikking van UWV ontvangt, wordt een werknemer niet
                           betrokken bij de aanvraag. Bovendien kunnen werknemers invloed uitoefenen
                           bij de aanvraag middels het advies van de ondernemingsraad, de
                           personeelsvergadering of de personeelsvertegenwoordiging.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Bedrijfseconomisch ontslag</titel>
                    </kop>
                    <al>Koninklijke INretail merkt in het kader van draagvlak op dat het
                           ontslagverbod werkgevers verplicht vooruit te zien, wat juist lastig is
                           in tijden van crisis. Koninklijke Horeca Nederland en de Nederlandse orde
                           van advocaten pleiten ervoor om het ontslagverbod na afloop van het
                           subsidietijdvak om bedrijfseconomische redenen achterwege te laten. Het
                           wetsvoorstel is gericht op behoud van zoveel mogelijk werknemers. Vanuit
                           dit doel wordt van werkgevers gevraagd om goed na te denken of het
                           inzetten van arbeidsrechtelijke instrumenten (die impact hebben op
                           werknemers), op de langere termijn tot zoveel mogelijk behoud van
                           werknemers zal leiden, of dat de conclusie getrokken moet worden dat
                           structurele herziening onvermijdelijk is. In dat geval is het vanuit
                           economisch perspectief verstandiger om niet eerst een aantal maanden de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten uit het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                           crisis in te zetten, maar meteen in te zetten op herallocatie. Van een
                           ontslagverbod is overigens geen sprake, want de werkgever heeft altijd de
                           mogelijkheid om een verzoek in te dienen voor toestemming van UWV, een
                           ontslagcommissie of de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst van de
                           werknemer op te zeggen. De werkgever kan vanaf het moment van indienen
                           dan alleen geen arbeidsrechtelijke instrumenten meer inzetten voor
                           desbetreffende werknemer en ook niet meer in aanmerking komen voor
                           loonsubsidie. Daarnaast wordt de loonsubsidie over de periode voorafgaand
                           aan het verzoek om toestemming met 25% worden verlaagd. Daarbij is een
                           evenwicht gezocht tussen een drempel die wel degelijk impact heeft voor
                           de werkgever, zonder dat de werkgever tot faillissement wordt gedwongen
                           op het moment dat hij toch om bedrijfseconomische redenen moet aanvragen
                           voor een werknemer gedurende of tot en met vier maanden na afloop van het
                           crisistijdvak.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Koninklijke INretail heeft aangegeven dat vakbonden en medewerkers
                              bedrijven kunnen gaan bevragen over waarom zij hebben gekozen voor
                              ontslag wegens bedrijfseconomische redenen, terwijl ze deze regeling
                              ook hadden kunnen gebruiken en daarmee het wetsvoorstel een nieuwe
                              norm kan stellen.</al>
                      <al>Het is de vraag of het erg is dat deze norm ontstaat. Deze norm
                              strookt namelijk juist met het doel van het wetsvoorstel, namelijk het
                              behouden van zoveel mogelijk werknemers.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Instrumenten</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In een anonieme reactie wordt gevraagd of UWV ook oordeelt over de
                              inzet van de instrumenten herplaatsing en verminderde
                              loondoorbetaling.</al>
                      <al>Dit is niet mogelijk, omdat het wetsvoorstel zo is vormgegeven dat de
                              inzet van de instrumenten louter civielrechtelijk van aard is. Deze
                              vormgeving van het wetsvoorstel vloeit voort uit het feit dat de
                              arbeidsrechtelijke instrumenten ingrijpen op de individuele
                              civielrechtelijke afspraken tussen werkgever en werknemer. De met het
                              onderhavige wetsvoorstel voorgestelde uitzonderingen op de
                              civielrechtelijk geldende uitgangspunten met betrekking tot de
                              arbeidsovereenkomst dienen daarom ook in titel 10 van Boek 7 BW te
                              worden opgenomen, zie hiervoor ook de uitleg in paragraaf 3.1.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>De FME heeft gereageerd op het moeten inzetten van de instrumenten
                              per groep van uitwisselbare functies, voor een gelijk percentage. De
                              FME is van mening dat het herplaatsen van personeel maatwerk vergt,
                              waarbij het minder haalbaar lijkt om meerdere werknemers gedeeltelijk
                              te herplaatsen, dan één werknemer volledig. De voorwaarde dat de
                              instrumenten voor een gelijk percentage moeten worden ingezet,
                              belemmert volgens de FME de flexibiliteit van de werkgever in een
                              crisissituatie.</al>
                      <al>Er is voor deze voorwaarde gekozen zodat willekeur van de werkgever
                              jegens werknemers wordt voorkomen. De werkgever behoudt echter wel
                              enige mate van vrijheid met het bepalen van de functiegroepen. Die
                              indeling kan namelijk worden bepaald door de werkgever zelf.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Herplaatsing</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In de internetconsultatie zijn diverse reacties binnengekomen op het
                              gestelde kader bij de herplaatsing van werknemers: de reistijd geldt
                              als werktijd, en de werkgever moet de extra reiskosten vergoeden.
                              Koninklijke INretail, Techniek Nederland, Raad Nederlandse
                              Detailhandel en FME stellen dat de overheid geen secundaire
                              arbeidsvoorwaarden bij wet dient te bepalen, omdat de wetgever zich
                              hiermee begeeft op het domein van arbeidsvoorwaarden wat aan de
                              sociale partners is voorbehouden.</al>
                      <al>Bij het tot stand komen van dit kader stond voorop dat de werkgever
                              in crisistijd snel moet kunnen handelen. Onderhandelingen tussen de
                              werkgever en individuele werknemers over wat gezien wordt als passende
                              reistijd en reiskosten, werken vertragend. Ook staan onderhandelingen
                              over wat als passende arbeid wordt gezien op gespannen voet met de
                              aard van het wetsvoorstel waarbij werkgevers juist tijdelijk eenzijdig
                              wijzigingen mogen aanbrengen in de overeengekomen civielrechtelijke
                              afspraken om in een tijd van crisis werknemers te kunnen behouden. Om
                              alle partijen maximale duidelijkheid te geven en daarmee de gewenste
                              snelheid van handelen te kunnen garanderen, is het huidige kader
                              opgenomen. Hierbij wordt niet ingegrepen in de secundaire
                              arbeidsvoorwaarden door te bepalen tot welke maximale reistijd de
                              werkgever mag herplaatsen, maar wordt flexibiliteit geboden aan de
                              werkgever, waar de werknemer niet onevenredig nadelig door getroffen
                              wordt.</al>
                    </al-groep>
                    <al-groep>
                      <al>Koninklijke INretail vraagt zich af of de wettekst voldoende houvast
                              biedt met betrekking tot het instrument herplaatsing, aangezien het
                              arbeidsrecht volgens Koninklijke INretail deels aan de kant wordt
                              geschoven. Koninklijke INretail wijst voornamelijk op de loonwaarde,
                              waarbij het in het arbeidsrecht onder andere mogelijk is om
                              medewerkers werk te laten verrichten met een hogere loonwaarde en in
                              het wetsvoorstel niet. Het vereiste maatwerk dat in bepaalde gevallen
                              nodig zal zijn lijkt gezien de strikte voorwaarden uitgesloten te
                              zijn. Koninklijke INretail vraagt op dit punt nadere
                              verduidelijking.</al>
                      <al>In het wetsvoorstel is gekozen voor een gelijkwaardige of lagere
                              loonwaarde, omdat er middels dit wetsvoorstel herplaatst kan worden
                              zonder overleg met of instemming van de werknemer. Het is in die zin
                              belangrijk dat wordt voorkomen dat een (veel) lager betaalde werknemer
                              zonder overleg én zonder het salaris aan te passen, werk gaat doen dat
                              ver boven zijn of haar niveau ligt. Uiteraard staat het de werkgever
                              vrij om gebruik te maken van de mogelijkheden tot herplaatsing binnen
                              het arbeidsrecht, in plaats van gebruik te maken van het wetsvoorstel.
                              Zo kan de werkgever op grond van een eenzijdig wijzigingsbeding of op
                              grond van goed werknemerschap onder voorwaarden de werknemer al dan
                              niet tijdelijk vervangende werkzaamheden laten uitvoeren.</al>
                    </al-groep>
                    <al>De Nederlandse orde van advocaten geeft aan dat als een aanvraag veel
                           vertraging oploopt (door bijvoorbeeld een procedure bij de
                           Ondernemingskamer), de mogelijkheid tot herplaatsen al snel vervalt. Dat
                           acht de Nederlandse orde van advocaten onwenselijk. Het klopt dat de
                           mogelijkheid tot herplaatsen bij een procedure bij de Ondernemingskamer
                           lastiger wordt. Het staat de werkgever echter vrij om met de werknemer in
                           gesprek te gaan en via de mogelijkheden in het reguliere arbeidsrecht te
                           herplaatsen (op grond van een eenzijdig wijzigingbeding of goed
                           werknemerschap).</al>
                    <al>Norton Rose Fulbright merkt op dat dit wetsvoorstel niet rept over het
                           instructierecht van de werkgever en de gehoorzaamheidsplicht van de
                           werknemer dat het instructierecht met zich mee zou brengen. Norton Rose
                           Fulbright adviseert om een herplaatsing op basis van het instructierecht
                           te onderzoeken, omdat de organisatie twijfelt of de huidige invulling van
                           het instrument herplaatsing binnen het wetsvoorstel voldoende snelheid
                           biedt. Zoals ook hierboven aangegeven, kan de werkgever ook al eerder met
                           de werknemer in gesprek over herplaatsingsmogelijkheden. Daar heeft de
                           werkgever geen positieve beschikking van UWV voor nodig. Daarbij is het
                           instructierecht onderzocht, waaruit blijkt dat het niet zonder meer
                           mogelijk is om via het instructierecht de werknemer (eenzijdig) te
                           verplichten om ander werk te doen aangezien de instructies geen algemeen
                           bindende voorschriften mogen tegenspreken afspraken weerleggen die
                           gemaakt zijn in het kader van de arbeidsovereenkomst. Derhalve wordt
                           vastgehouden aan de huidige vormgeving van het instrument
                           herplaatsing.</al>
                    <al>De Raad Nederlandse Detailhandel geeft aan dat de voorwaarden voor wat
                           een passende functie zou zijn, een andere definitie kent dan het
                           arbeidsrecht. Dat geeft naar de mening van de Raad Nederlandse
                           Detailhandel onzekerheid. Voor onderhavig wetsvoorstel is aangesloten bij
                           het begrip van passende arbeid zoals dit in de WW na verloop van zes
                           maanden geldt. Dat is een breder begrip dan in het arbeidsrecht. Het
                           biedt de werkgever meer flexibiliteit. In paragraaf 3.3.2.2 van de
                           memorie van toelichting is een verduidelijking opgenomen dat het gaat om
                           passende arbeid, bedoeld zoals in de WW na verloop van zes maanden.</al>
                    <al>Ook geeft de Raad Nederlandse Detailhandel aan dat de bepalingen die
                           toezien op herplaatsing van werknemers in tijden van crisis erg beperkt
                           zijn wanneer herplaatsing alleen kan bij dezelfde werkgever of een
                           werkgever die tot dezelfde groep behoort. De Raad Nederlandse
                           Detailhandel pleit er voor om ook te kunnen herplaatsen bij een externe
                           werkgever en roept op deze optie te onderzoeken. Binnen het wetsvoorstel
                           is dit inderdaad niet mogelijk. In individuele afspraken met de werknemer
                           is er echter meer mogelijk. Het staat iedere werkgever vrij om hier
                           buiten het wetsvoorstel om afspraken over te maken met individuele
                           werknemers.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Doorwerking verminderde loondoorbetaling bij faillissement</titel>
                    </kop>
                    <al>Corporatum Debitum Consilium vraagt naar de doorwerking van de
                           verminderde loondoorbetaling op de WW bij faillissement. In het
                           wetsvoorstel is de periode van verminderde loondoorbetaling uitgezonderd
                           voor de berekening van het dagloon, wat als grondslag wordt gebruikt voor
                           het berekenen van de hoogte van de WW-uitkering.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Loonsubsidie</titel>
                    </kop>
                    <al>De Nederlandse orde van advocaten constateert in haar reactie op de
                           internetconsultatie dat nergens in het wetsvoorstel (of de toelichting
                           daarop) uitvoering wordt gegeven aan enige vermindering van
                           subsidieverlening in het geval de werkgever gebruik kan maken van andere
                           overheidsregelingen. Het wetsvoorstel bevat geen expliciete bepalingen
                           die samenloop met andere subsidieregelingen voor werkgevers tegengaat.
                           Wel is in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13, vierde lid
                           (vernummerd naar artikel 14, vierde lid) opgemerkt dat uitkeringen, voor
                           zover het loon uit vroegere dienstbetrekking betreft, niet onder het
                           loonbegrip vallen en er derhalve geen loonsubsidie over mag worden
                           verstrekt. Voor uitkeringen die onder loon uit tegenwoordige
                           dienstbetrekking vallen, zoals ziektewetuitkeringen tijdens de duur van
                           de dienstbetrekking en uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg,
                           zullen nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat hierover
                           loonsubsidie mag worden verstrekt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Termijnen</titel>
                    </kop>
                    <al>Diverse brancheverenigingen, zoals Koninklijke INretail, Techniek
                           Nederland en de Raad Nederlandse Detailhandel hebben in hun
                           internetconsultatiereactie aandacht gevraagd voor de termijnen in het
                           wetsvoorstel. Daarbij stellen zij dat in crisistijd onverwijlde actie
                           nodig is om faillissementen te voorkomen. Een adviesronde met de
                           medezeggenschap, en daarna een aanvraag bij UWV waar een beslistermijn
                           van zes weken geldt, is te lang volgens deze organisaties, waardoor de
                           regeling niet effectief zou zijn.</al>
                    <al-groep>
                      <al>De brancheverenigingen stellen terecht dat in tijden van crisis
                              snelheid geboden is. Dat is waarom bij de totstandkoming van dit
                              wetsvoorstel is geprobeerd om de termijnen zo kort mogelijk te houden.
                              Zo is de ‘redelijke termijn’ voor het uitbrengen van advies door de
                              medezeggenschap voor dit wetsvoorstel ingevuld als twee weken, wat
                              korter is dan normaal. Ook de opschortingstermijn voor het geval de
                              werkgever en de medezeggenschap het niet eens worden, is ingekort tot
                              twee weken. De termijn van zes weken voor UWV om een beschikking te
                              geven op de initiële aanvraag van de werkgever is de gebruikelijke
                              termijn die opgenomen is in de Awb, en dit betreft een uiterste
                              termijn. UWV zal in crisistijd er alles aan doen om zo snel als
                              mogelijk na de ontvangst van de aanvraag van de werkgever een
                              beschikking af te geven.</al>
                      <al>Al met al duurt het enkele weken voordat de werkgever de instrumenten
                              uit het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis kan inzetten. Zoals
                              ook in reactie op de uitvoeringstoets van UWV in paragraaf 7.2.3 is
                              aangegeven, mag van de werkgever verwacht worden dat hij enkele weken
                              kan overbruggen bij het betalen van de loonkosten. Als een bedrijf dit
                              niet kan overbruggen, is de vraag of het bedrijf wel levensvatbaar is.
                              Zoals uitgewerkt in hoofdstuk 2 is het in dat geval economisch
                              verstandiger om het bedrijf niet met een tijdelijke steunmaatregel in
                              leven te houden, maar in te zetten op ingrijpende herstructurering of
                              faillissement.</al>
                    </al-groep>
                    <al>De Nederlandse orde van advocaten geeft ter overweging mee om de
                           termijnen van artikel 16 lid 1 (verlenen en verlengen
                           loonsubsidieaanvraag) en artikel 17 lid 3 (betaling van het voorschot
                           loonsubsidie) (vernummerd naar respectievelijk artikel 17 lid 1 en
                           artikel 19 lid 3) in te korten, mede gelet op het feit dat bij de
                           initiële aanvraag al een inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden of de
                           werkgever geraakt is door de crisis. Artikel 17 geeft de beslistermijn
                           weer die UWV heeft op de loonsubsidieaanvraag van de werkgever. Ook hier
                           is, net als bij de beslistermijn op de initiële aanvraag, gekozen voor de
                           Awb-beslistermijn. Ook hier geldt dat dit een uiterste termijn betreft.
                           UWV zal alles in het werk stellen om de aanvragen die binnenkomen zo snel
                           als mogelijk af te handelen. De verwachting is dat UWV bij gevallen die
                           geen aanleiding geven tot nader onderzoek, binnen enkele dagen na de
                           aanvraag een beschikking op de loonsubsidieaanvraag kan afgeven. De
                           termijn voor het betalen van het voorschot na een positieve beschikking
                           is vastgesteld op twee weken. Ook dit is een uiterste termijn.</al>
                    <al>De Taskforce Culturele en Creatieve sector heeft aangegeven dat de
                           voorgestelde tijdvakken mogelijk te rigide zijn voor de dynamische aard
                           van de culturele en creatieve sector. Een flexibeler benadering van de
                           crisis- en subsidietijdvakken zijn volgens de Taskforce noodzakelijk om
                           effectieve ondersteuning te bieden. Er is in het wetsvoorstel veel
                           flexibiliteit opgenomen; de initiële aanvraag kan met terugwerkende
                           kracht worden gedaan en de tijdvakken kunnen worden gekozen binnen de
                           26 weken vanaf de eerste dag van de crisis.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Doorbetalen pensioenpremies bij verminderde
                              loondoorbetaling</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De Pensioenfederatie vraagt om bevestiging of de aanname klopt dat op
                              decentraal niveau, per onderneming en per pensioenfonds afspraken
                              gemaakt kunnen worden over de precieze invulling met betrekking tot
                              het doorbetalen van pensioenpremies bij loonvermindering, die voor een
                              sector of onderneming nodig zijn (maatwerk).</al>
                      <al>Deze interpretatie van de Pensioenfederatie wordt onderschreven en
                              bevestigd (zie ook paragraaf 5.2). Pensioenfondsen kunnen een
                              uitwerking kiezen die het beste bij hen past, zo lang er geen afbreuk
                              wordt gedaan aan het doel van de afspraak: terugval in de
                              pensioenopbouw van werknemers te voorkomen. De memorie van toelichting
                              behoeft geen nadere aanpassing op dit punt.</al>
                    </al-groep>
                    <al>De Pensioenfederatie verzoekt om bevestiging dat de bestaande
                           loonaangifteketen een extra code of rubriek krijgt voor ‘soort verminderd
                           loon’ (incidentele verminderde loondoorbetaling vanwege crisis) en een
                           bijbehorend ‘percentage verminderd loon’. Het kan worden bevestigd dat er
                           voor het wetsvoorstel een code of rubriek wordt gecreëerd binnen de
                           bestaande loonaangifteketen. Deze technische uitvoeringsdetails lenen
                           zich niet voor de memorie van toelichting. Deze informatie is wel gericht
                           aan de Pensioenfederatie teruggekoppeld.</al>
                    <al-groep>
                      <al>De Wet loonbelasting en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit
                              benoemen de fiscale ruimte om vanuit het brutoloon pensioen op te
                              bouwen. De artikelen 10a en 10b van het Uitvoeringsbesluit
                              Loonbelasting (UBLB) noemen de voorwaarden daarvoor. De
                              Pensioenfederatie meent dat een enge uitleg van het besluit, zoals dat
                              in de praktijk gebruikelijk is, pleit voor uitbreiding in het UBLB, en
                              om 'verminderde loondoorbetaling vanwege crisis' ook op te nemen in
                              het UBLB.</al>
                      <al>De voorwaarden in artikelen 10a en 10b UBLB sluiten een afspraak om
                              een terugval in pensioenopbouw van werknemers te voorkomen niet uit.
                              Er is geen wettelijke bepaling die dergelijke afspraken in de weg
                              staat. In de praktijk worden afspraken om een terugval in
                              pensioenopbouw van werknemers te voorkomen ook gemaakt wanneer een
                              werknemer voor langere tijd met (onbetaald) verlof gaat en toch
                              pensioen wil blijven opbouwen. Deze situatie wordt ook niet expliciet
                              genoemd in artikelen 10a en 10b UBLB, en de wet staat dit niet in de
                              weg. Aan het verzoek om het UBLB uit te breiden wordt geen uitvoering
                              gegeven. Het voorgaande geldt met inachtneming van de Wet fiscale
                              behandeling van pensioenen.<noot id="n119" type="voet"><noot.nr>119</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-1999-211" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 1999,
                                    211</extref>.</noot.al></noot></al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">10.6</nr>
                    <titel>Advies Raad voor de Rechtspraak</titel>
                  </kop>
                  <al>De Raad voor de rechtspraak (Raad) is gevraagd het conceptwetsvoorstel te
                        beoordelen op de gevolgen voor de rechtspleging en de werklast van de
                        gerechten en hierover advies uit te brengen. De Raad heeft het gevraagde
                        advies in juli 2024 uitgebracht (2024/23). In deze paragraaf wordt op dit
                        advies nader ingegaan en wordt het voorzien van een inhoudelijke
                        reactie.</al>
                  <al-groep>
                    <al>In haar algemene opmerkingen geeft de Raad mee dat het tot stand brengen
                           van een regeling die de interne wendbaarheid van werkgevers vergroot in
                           tijden van crisis tot gevolg kan hebben dat, gelet op het advies van de
                           Commissie Borstlap, een dergelijke flexibiliteit op een later moment ook
                           zal worden toegepast in andere situaties dan de thans omschreven
                           situaties.</al>
                    <al>Dit risico acht de regering beperkt door de duidelijke afbakening van
                           het wetsvoorstel, inclusief de onderbouwing hiervan. Daarnaast is het
                           wetsvoorstel onderdeel van een breder arbeidsmarktpakket dat meer bevat
                           dan de beleidsvoornemens uit onderhavig wetsvoorstel. Vanzelfsprekend
                           hangen de maatregelen met elkaar samen, en werken ze onderling op elkaar
                           in om tot een arbeidsmarkt te komen die beter in balans komt. Dit kan de
                           druk wegnemen waarnaar wordt gerefereerd in het advies van de Raad.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad merkt op dat vanuit het oogpunt van een eenvoudige rechtsingang
                           de structuur van het wetsvoorstel gecompliceerd kan zijn, als de
                           bestuursrechter en de civiele rechter zich over dezelfde materie moeten
                           buigen.</al>
                    <al>Bij de vormgeving is bewust gekozen voor deze dualiteit in het
                           wetsvoorstel. Dit betekent dat er verschillende rechtsingangen zijn. Deze
                           zien echter op andere vraagstukken, waarmee geen risico bestaat dat
                           verschillende rechters over hetzelfde vraagstuk uitspraak doen. Als er
                           een geschil ontstaat over de beschikking van UWV op de initiële aanvraag,
                           zal de bestuursrechter zich buigen over de vraag of de werkgever geraakt
                           is door de crisis in de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                           crisis en aan de in het wetsvoorstel opgenomen criteria toetsen. Als de
                           werknemer het niet eens is met de inzet van de arbeidsrechtelijke
                           instrumenten (nadat de werkgever een positieve beschikking heeft gekregen
                           op de initiële aanvraag) kan de civiele rechter zich buigen over de inzet
                           van de arbeidsrechtelijke instrumenten. De civiele rechter dient uit te
                           gaan van de beschikking van UWV of uitspraak van de bestuursrechter die
                           formele rechtskracht heeft.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad vraagt zich af op welke werknemers het wetsvoorstel betrekking
                           heeft en meent een tegenstrijdigheid te zien in het al dan niet
                           uitsluiten van AOW-gerechtigde werknemers. De Raad vraagt aanvullend wat
                           de rechtspositie is van AOW-gerechtigde werknemers bij het inzetten van
                           het instrument herplaatsing en wat deze werknemers dan ontvangen.</al>
                    <al>De regering wil dit graag verduidelijken. Voor de toepassing van de
                           instrumenten verminderde loondoorbetaling en herplaatsing, beiden op te
                           nemen in een nieuw artikel in Boek 7 van het BW, geldt het brede
                           werknemersbegrip uit het BW, waar ook AOW-gerechtigden onder vallen. Zij
                           tellen dus mee bij het bepalen van de groep uitwisselbare functies en
                           kunnen met andere werknemers binnen die groep herplaatst worden. In dat
                           geval krijgen zij voor deze gewerkte uren 100% doorbetaald. Er is voor
                           dit brede werknemersbegrip gekozen, omdat het wenselijk is dat de
                           werkgever de arbeidsrechtelijke instrumenten zo breed mogelijk kan
                           inzetten. Voor de loonsubsidie geldt echter het in artikel 1 van dit
                           wetsvoorstel opgenomen werknemersbegrip: de werknemer in de zin van de
                           Werkloosheidswet. Dit betekent onder andere dat de AOW-gerechtigde
                           werknemer daar buiten valt (zij kunnen ook geen aanspraak maken op een
                           WW-uitkering). Werkgevers kunnen derhalve voor deze groep geen
                           loonsubsidie ontvangen. De regering heeft er voor gekozen om
                           AOW-gerechtigde werknemers uit te sluiten van de loonsubsidie aangezien
                           dit in overeenstemming is met veel andere sociale regelingen die de
                           loonkosten voor werkgevers verlagen (zie ook paragraaf 3.3.3 onder
                              <nadruk type="cur">Uitzonderingen bij de loonsubsidie</nadruk>). Door
                           de gekozen financiering voor dit wetsvoorstel via de AWf-premie te laten
                           lopen, hoeven werkgevers voor AOW-gerechtigden (waarvoor zij geen
                           AW-premie hoeven af te dragen) ook niet mee te betalen aan de
                           financiering van de loonsubsidie.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad constateert dat in het wetsvoorstel overheidswerknemers anders –
                           en beter – worden behandeld dan overige werknemers als gevolg van de
                           uitsluiting van overheidswerkgevers en overheidswerknemers. De Raad
                           oordeelt dat dit niet strookt met de normalisering van de rechtspositie
                           van overheidswerknemers sinds 1 januari 2020.</al>
                    <al>De regering onderkent dat in dit wetsvoorstel overheidswerknemers anders
                           worden behandeld dan andere werknemers. De reden hiervoor is dat er geen
                           sprake is van gelijke gevallen. De overheidswerkgever die tijdens een
                           crisis waarin werknemers tijdelijk hun werkzaamheden niet kunnen
                           uitvoeren zal geen problemen ondervinden in de (uit publieke middelen
                           afkomstige) financiering van zijn organisatie en zal derhalve de lonen
                           gewoon kunnen blijven doorbetalen. Het zou daarom onnodig en zelfs
                           ongewenst zijn als de overheidswerkgever de instrumenten in dit
                           wetsvoorstel, die de werkgever ondersteunen in het kunnen doorbetalen van
                           de lonen, zou kunnen inzetten. Zelfs als de overheidswerkgever, al dan
                           niet als gevolg van een crisis, moet bezuinigen en/of reorganiseren, dan
                           passen daarbij geen tijdelijke instrumenten die personeelsbehoud als doel
                           hebben.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad merkt op dat de begrippen ‘loon’ en ‘subsidiabele uren’
                           ontbreken in de begrippenlijst en adviseert deze begrippen te
                           definiëren.</al>
                    <al>Hiervoor is niet gekozen. De inkadering van ‘subsidiabele uren’ staat in
                           artikel 12 van het conceptwetsvoorstel. De beschrijving leent zich beter
                           voor opname in een separaat, normstellend artikel, omdat de definitie
                           niet te vatten is één zin. Daarnaast komt het de leesbaarheid ten goede.
                           Ook ‘loon’ leent zich niet voor een definiëring in de begrippenlijst. In
                           artikel 14 van het conceptwetsvoorstel staat dat bij de berekening van
                           het geconstrueerde loon uitgegaan wordt van het loon, bedoeld in artikel
                           16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft
                           loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en dat er per ministeriële
                           regeling nadere regels worden gesteld over wat er wordt verstaan onder
                           dit loon.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Verder overweegt de Raad dat ten aanzien van de mogelijkheid een
                           situatie bij ministeriële regeling als crisis aan te wijzen zoals bedoeld
                           in het derde en vijfde lid van artikel 2, het niet uitgesloten is dat een
                           dergelijke regeling een concretiserend besluit van algemene strekking is.
                           De Raad adviseert om hieraan aandacht te besteden in de memorie van
                           toelichting.</al>
                    <al>Een concretiserend besluit van algemene strekking betreft een
                           afzonderlijk besluit dat geen zelfstandige normstelling bevat en waarin
                           slechts de werkingssfeer van een norm van een algemeen verbindend
                           voorschrift wordt geconcretiseerd naar plaats, tijd of object.<noot id="n120" type="voet"><noot.nr>120</noot.nr><noot.al>ECLI:NL:RVS:2025:764 (concl. A-G mr. G. Snijders en mr.
                                 R.J.G.M. Widdershoven).</noot.al></noot> Uit de jurisprudentie (onder meer in uitspraken van 11 juni
                              2014<noot id="n121" type="voet"><noot.nr>121</noot.nr><noot.al>ABRvS 11 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2014:2060.</noot.al></noot>, en 27 februari 2019<noot id="n122" type="voet"><noot.nr>122</noot.nr><noot.al>ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:595.</noot.al></noot>) volgt dat een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten
                           werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel betreft, uitgegaan
                           van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent.
                           Daarvan is hier sprake. De aanwijzing van een crisis, zoals die volgt uit
                           zowel het derde en vijfde lid van artikel 2, is een algemene aanwijzing
                           in welke omstandigheid er sprake is van een crisis in de zin van het
                           wetsvoorstel. Deze aanwijzing geldt niet specifiek voor één werkgever,
                           maar zal een onbepaald aantal werkgevers betreffen omdat vooraf niet
                           bekend is welke werkgevers geraakt zijn door de aangewezen crisis.
                           Eventuele toekomstige werkgevers kunnen er ook onder vallen. Daarnaast
                           maakt de aanwijzing onderdeel uit van een keten van wetgeving met
                           betrekking tot personeelsbehoud tijdens een crisis en heeft daarbinnen
                           een zelfstandig normstellend karakter.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad vraagt zich af of het mogelijk is om het gemiddelde van 20% over
                           een langere periode te nemen, omdat een crisis zich tevens kan afspelen
                           in een periode die langer dan twee maanden duurt. In dit kader vraagt de
                           Raad zich verder af of daarvoor een hardheidsclausule uitsluitsel zou
                           kunnen bieden.</al>
                    <al>Het is binnen het wetsvoorstel al mogelijk om te middelen binnen de twee
                           maanden waarop de aanvraag ziet. Dit geldt ook voor verlengingsaanvragen.
                           Er is gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen in het
                           wetsvoorstel.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Het is de Raad niet duidelijk wat de reden is voor het inkorten van de
                           opschortingstermijn, waarin de Ondernemingsraad de kans heeft om naar de
                           Ondernemingskamer te stappen, naar twee weken. De Raad verzoekt om een
                           nadere verduidelijking en uitleg van deze specifiek gekozen verkorte
                           termijnen.</al>
                    <al>Dit is inmiddels verduidelijkt in de memorie van toelichting. Het
                           inkorten van de termijn zorgt er voor dat de in crisis verkerende
                           werkgever sneller duidelijkheid krijgt of hij de instrumenten kan
                           inzetten.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad heeft in haar advies opgemerkt dat in artikel 2 de verhouding
                           tussen het eerste lid en de navolgende leden enigszins verwarrend
                           is.</al>
                    <al>Conform haar advies is dit artikel nu aangepast. Het eerste lid is nu zo
                           verwoord dat alleen onvoorzienbare omstandigheden, die buiten het
                           reguliere ondernemingsrisico vallen, bedoeld in het tweede, derde en
                           vijfde lid een crisis kunnen vormen.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad vraagt zich ten aanzien van het begrip ‘onvoorzienbare
                           omstandigheden’ af of niet veel situaties tot op zekere hoogte
                           voorzienbaar zijn en adviseert om ter verduidelijking een nadere
                           toelichting op te nemen.</al>
                    <al>Volgens Van Dale betekent voorzien ‘van tevoren zien’ en ‘zien
                           aankomen’. Onvoorzienbare omstandigheden zijn daarmee omstandigheden die
                           men niet van tevoren kan zien aankomen. Het feit dat een omstandigheid
                           zich kan voordoen maakt die omstandigheid nog niet voorzienbaar. Voor de
                           in artikel 2 tweede lid genoemde omstandigheden (brand, explosie,
                           uitzonderlijke weersomstandigheden, planten- of dierziekten) geldt naar
                           hun aard dat de werkgever ze niet van tevoren kan zien aankomen. Hoewel
                           de werkgever op de hoogte is van de mogelijkheid dat deze situaties
                           kunnen voorkomen, dienen ze zich onaangekondigd en plotseling aan. Deze
                           omstandigheden worden in dit wetsvoorstel daarom als onvoorzienbaar
                           beschouwd. Voor de in artikel 2 derde lid genoemde omstandigheden (uitval
                           infrastructuur, gewapend conflict, sanctie, ramp of epidemie) zal dit
                           niet altijd het geval zijn. Zo zal bijvoorbeeld een aangekondigde uitval
                           van infrastructuur of een sanctie vanuit een land dat al langer in
                           conflict is met Nederland of haar bondgenoten niet zonder meer als
                           onvoorzienbaar kunnen worden beschouwd. Als de specifieke situatie
                           onvoorzienbaar is, en het tevens niet onaannemelijk is dat de
                           omstandigheid gedurende ten minste één maand zal leiden tot ten minste
                           20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit binnen de onderneming van één
                           of meerdere werkgevers, kan de omstandigheid bij ministeriële regeling
                           als crisis worden aangewezen.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad adviseert de open norm van artikel 2 lid 5 wetsvoorstel
                           personeelsbehoud bij crisis nader te concretiseren.</al>
                    <al>Dit is niet mogelijk, omdat het gaat om crises die op dit moment nog
                           niet kunnen worden voorzien, bijvoorbeeld een crisis die zich nog nooit
                           eerder heeft voorgedaan. De toelichting is wel aangevuld met een
                           toelichting aan de hand van welk kader getoetst zal worden of het een
                           crisis volgens categorie drie betreft.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Verder merkt de Raad op dat in het wetsvoorstel payrollwerknemers niet
                           meetellen voor de bepaling van het percentage vermindering van de inzet
                           van de arbeidscapaciteit, en stelt daarop de vraag of ondernemingen die
                           hun werknemers hebben ondergebracht in een personeels-bv wel in
                           aanmerking kunnen komen voor het wetsvoorstel.</al>
                    <al>Voor de bepaling van de verminderde inzet van arbeidscapaciteit wordt
                           gekeken naar de werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben met de
                           werkgever die de aanvraag indient. De werkgever die ZZP-ers,
                           uitzendkrachten of payroll-medewerkers inleent heeft met hen geen
                           arbeidsovereenkomst en zij tellen daarom niet mee. Het uitzendbureau of
                           de payroll-organisatie kan overigens wel een eigen aanvraag indienen op
                           grond van dit wetsvoorstel voor zover zij werknemers in dienst hebben die
                           getroffen worden voor een crisis bij een inlenende werkgever, als zij aan
                           de overige voorwaarden voldoen (het moet aannemelijk zijn dat er
                           gemiddeld 20% van de arbeidscapaciteit niet kan worden benut als gevolg
                           van de crisis bij de inlenende werkgever). De vraag of ondernemingen met
                           een personeels-bv in aanmerking kunnen komen voor dit wetsvoorstel kan
                           bevestigend worden beantwoord. De personeels-bv kan als formele werkgever
                           de aanvraag indienen en kan, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten en de loonsubsidie toepassen ten aanzien
                           van de werknemers. Zie voor nadere toelichting paragraaf 10.4.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad vraagt zich af wat er geldt na het aflopen van een
                           oorspronkelijke cao, zonder dat er een nieuwe cao is afgesloten. De vraag
                           is of de oorspronkelijke cao in dat geval nawerking heeft voor de
                           herplaatste werknemer.</al>
                    <al>Het antwoord luidt dat hier de gewoonlijke regels van nawerking gelden.
                           Het is afhankelijk van de gebondenheid van de werkgever en de werknemer
                           met de cao.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad adviseert om ook het begrip passende arbeid te omschrijven in de
                           begrippenlijst en beveelt aan om in de memorie van toelichting enkele
                           voorbeelden te geven van situaties die in een periode van crisis wél en
                           niet als passende arbeid worden geacht.</al>
                    <al>De memorie van toelichting is aangevuld met enkele voorbeelden. Het
                           begrip passende arbeid is omschreven in het BW, waar de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten onder vallen.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad heeft aangegeven dat een lager SV-loon niet tot een lagere
                           transitievergoeding leidt, terwijl dit in de memorie van toelichting wel
                           zo beschreven stond.</al>
                    <al>Dit is aangepast.</al>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>De Raad constateert dat pagina 61 (noot 52) stelt dat als voorwaarde
                           voor het verkrijgen van een WW-uitkering ‘verlies van baan’ geldt, doch
                           dat is, gelet op artikel 1a WW, niet juist. Voorwaarde voor een
                           WW-uitkering is het verlies aan arbeidsuren, en van verlies aan
                           arbeidsuren is sprake bij het verlies van loonaanspraak.</al>
                    <al>De tekst van de memorie van toelichting is hierop aangepast.</al>
                  </al-groep>
                  <al>Naar aanleiding van onder andere het door de Raad uitgebrachte advies van
                        juli 2024, gesprekken met UWV over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel
                        en de inbreng van de internetconsultatie is in het wetsvoorstel onder andere
                        een wijziging doorgevoerd die ziet op de rechtsbescherming. In het
                        aangepaste wetsvoorstel wordt bezwaar bij de initiële aanvraag uitgesloten
                        en wordt rechtstreeks beroep op grond van artikel 10 in bijlage 2 bij de Awb
                        mogelijk gemaakt. Daarom is de Raad in april 2025 om aanvullend advies
                        gevraagd. In het aanvullend advies schrijft de Raad zich te kunnen vinden in
                        de wijziging. De Raad benadrukt dat het hier gaat om uitzonderlijke
                        regelgeving die alleen in crisissituaties geldt waarin snelheid van groot
                        belang is. Dit is de reden dat de Raad zich kan vinden in de wijziging. De
                        Raad verwacht dat er, steeds op tijdelijke basis, een verhoging van de
                        werklast van de Rechtspraak kan ontstaan, omdat het aantal beroepen
                        incidenteel kan toenemen door crises. De Raad verwacht niet dat dit aantal
                        (en het daaropvolgende hoger beroep) een grote vlucht zal nemen. Verder
                        verwacht de Raad niet dat deze zaken, indien zij behandeld worden, een
                        zodanige complexiteit zullen hebben dat extra behandeltijd nodig is. Tevens
                        schrijft de Raad, in lijn met het eerder uitgebrachte advies, dat door het
                        onvoorzienbare karakter van crises werklastgevolgen zich op voorhand
                        moeilijk laten voorspellen en kwantificeren.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">11.</nr>
                  <titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel>
                </kop>
                <al>In de Wet Werk en Zekerheid is geregeld dat het Buitengewoon Besluit
                     Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) wordt ingetrokken. Daarbij is geregeld dat voor
                     de verschillende artikelen of onderdelen van de artikelen van het BBA bij
                     koninklijk besluit het tijdstip waarop deze vervallen verschillend kan worden
                     gesteld. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen de
                     nog van kracht zijnde artikelen uit het BBA – de artikel 1, 2 en 8 – bij
                     koninklijk besluit komen te vervallen en zal ook komen te vervallen de op het
                     BBA gebaseerde Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004. Het
                     wetsvoorstel voorziet immers in een vergelijkbare regeling voor werkgevers die
                     getroffen worden door de calamiteiten waar de WTV voor was bedoeld (zie ook
                     paragraaf 3.2). Met betrekking tot de WTV voorziet artikel XXII, tweede lid,
                     van de Wet Werk en Zekerheid in overgangsrecht. Dit overgangsrecht regelt dat
                     werkgevers tot en met het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een
                     WTV-aanvraag kunnen indienen en daaropvolgend nog maximaal drie aanvragen
                     kunnen indienen tot verlenging van een ontheffing op grond van artikel 8 BBA.
                     Dit overgangsrecht zal bij koninklijk besluit in werking treden zodra dit
                     wetsvoorstel in werking treedt.</al>
                <al>De voorwaarden van de WTV en het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis
                     verschillen op onderdelen van elkaar, zoals nader toegelicht in paragraaf 2.2
                     en 3.2. Dit kan ertoe leiden dat het voor werkgevers die een crisis ervaren
                     rondom de datum van inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel onder
                     omstandigheden aantrekkelijker is om te wachten met het indienen van een
                     aanvraag. De verwachting is dat dit niet op grote schaal zal gebeuren.</al>
                <al>Het tijdstip van inwerkingtreding van de voorgestelde wet zal bij Koninklijk
                     besluit worden bepaald. Hierbij zal rekening worden gehouden met de benodigde
                     implementatietermijn voor UWV om de systemen in orde te maken nadat het
                     wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">II.</nr>
                <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 1. Algemene bepalingen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 1. Begrippen</titel>
                  </kop>
                  <al>Het voorgestelde artikel 1 bevat de begripsbepalingen die voor de
                        voorgestelde Wet personeelsbehoud bij crisis van belang zullen zijn. De
                        begripsbepalingen hebben geen betrekking op de met dit wetsvoorstel te
                        wijzigen andere wetten zoals bijvoorbeeld het voorgestelde artikel 7:660b
                        BW; daarvoor geldt uiteraard het begrippenkader van de desbetreffende wet.
                        De begrippen worden hier onder artikel 1 toegelicht, tenzij de
                        begripsbepaling een verwijzing betreft naar een ander artikel in dit
                        wetsvoorstel. In die gevallen is de toelichting opgenomen bij het artikel
                        waarnaar wordt verwezen. De begrippen overheidswerkgever en – werknemer
                        komen aan de orde bij het werkgevers- en werknemersbegrip.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Arbeidscapaciteit:</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit betreft de werkzaamheden die op basis van een arbeidsovereenkomst
                           tussen de werkgever en zijn werknemers zijn bedongen. Werkzaamheden op
                           basis van een uitzendovereenkomst zullen hier dus voor de inlenende
                           werkgever niet onder vallen. Er is namelijk geen sprake van een
                           arbeidsovereenkomst tussen de inlenende werkgever en de uitzendkracht.
                           Ook bijvoorbeeld werkzaamheden op basis van een overeenkomst van opdracht
                           zullen evenmin onder deze definitie vallen; daar wordt niet voldaan aan
                           het vereiste van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610
                           BW.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vereniging van werknemers:</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor dit begrip gelden drie cumulatieve vereisten:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>de vereniging moet volgens haar statuten de belangen behartigen
                                 van leden die werknemers zijn. Geen vereiste is dat er werknemers
                                 lid zijn van een vakbond;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>de vereniging moet werkzaam zijn als een vakbond;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>de vereniging moet tenminste twee jaar rechtspersoonlijkheid
                                 bezitten.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Loonaangifte:</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor het begrip loonaangifte wordt verwezen naar artikel 28, eerste lid,
                           onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964. Uit dat artikel volgt
                           dat hieronder wordt verstaan de opgave die de werkgever aan de inspecteur
                           dient te verstrekken van de bij ministeriële regeling, in overeenstemming
                           met Onze Minister, en na overleg met het Centraal Bureau voor de
                           Statistiek, te bepalen gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                           Algemene wet inzake rijksbelastingen, waaronder gegevens ten behoeve van
                           de doelen van de polisadministratie, bedoeld in artikel 33, tweede lid,
                           onderdelen a, d en e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                           inkomen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Loonheffingennummer:</titel>
                    </kop>
                    <al>Het loonheffingennummer is een door de Belastingdienst toegekende
                           identificatie waaronder de werkgever bekend is bij de Belastingdienst en
                           het UWV. Het loonheffingennummer bestaat uit het BSN/RSIN of
                           fiscaalnummer van de werkgever gevolgd door de hoofdletter L en een
                           subnummer. Het loonheffingennummer is het nummer waarmee de werkgever
                           loonaangifte doet van de werknemers die onder die administratieve eenheid
                           werkzaam zijn. Onder dit nummer zijn die werknemers ook opgenomen in de
                           polisadministratie. Omdat het UWV de berekening van de loonsubsidie
                           baseert op de gegevens die zijn opgenomen in de polisadministratie is het
                           loonheffingennummer relevant voor de loonsubsidie.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Overheidswerkgever:</titel>
                    </kop>
                    <al>Overheidswerkgevers zijn de overheidswerkgevers als bedoeld in artikel
                           1, onderdeel i, van de WW. Het gaat dan om publiekrechtelijke lichamen
                           (rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, maar ook
                           bijvoorbeeld Rijkswaterstaat, Politie, Defensie, Belastingdienst, of de
                           Sociale Verzekeringsbank) en de onderwijssectoren. Ook zijn een aantal
                           privaatrechtelijke lichamen met een directe link met de overheid
                           aangemerkt als overheidswerkgever. Overheidswerkgeversvallen op grond van
                           de definitie van ‘werkgever’ niet onder de reikwijdte van dit
                           wetsvoorstel. Deze werkgevers worden gefinancierd vanuit publieke
                           middelen. Ook tijdens een crisis zal deze bekostiging gecontinueerd
                           blijven. Het is daarom onnodig en beleidsmatig onwenselijk
                           overheidswerkgevers additionele ondersteuning te geven tijdens crisis,
                           zoals beoogd met dit wetsvoorstel. De voorgestelde
                           ondersteuningsmaatregelen voor ondernemers ten behoeve van wendbaarheid
                           en baanbehoud, zullen om die reden voor deze categorie werkgevers niet
                           gelden.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Overheidswerknemer:</titel>
                    </kop>
                    <al>Overheidswerknemers zijn de personen die vallen onder het overgangsrecht
                           van artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
                           werknemersverzekeringen, de beroepsmilitairen en het personeel van de
                           Koninklijke Hofhouding allen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd,
                           bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de WW, en vallen niet onder de
                           reikwijdte van dit wetsvoorstel. De reden daarvoor is dezelfde als de
                           uitzondering van de overheidswerkgever.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Polisadministratie:</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor het begrip polisadministratie wordt verwezen naar artikel 33 van de
                           Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het begrip is
                           relevant voor de paragraaf over loonsubsidie. De hoogte van de
                           loonsubsidie zal namelijk worden berekend op basis van gegevens die
                           volgen uit de polisadministratie.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Verloonde uren:</titel>
                    </kop>
                    <al>De verloonde uren zien op de uren waarover loon is betaald en waarvan
                           door de werkgever ingevolge artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van de
                           Wet op de loonbelasting 1964 opgave aan de inspecteur is gedaan.
                           Hieronder vallen ook uren waarin de werknemer vanwege crisis niet heeft
                           kunnen werken. Deze uren moeten immers ook worden uitbetaald, met dien
                           verstande dat hiervoor een verminderde loondoorbetaling geldt, mits aan
                           de voorwaarden van artikel 3, eerste lid, wordt voldaan. De verloonde
                           uren zijn relevant voor de berekening van het percentage
                           werktijdvermindering in artikel 14, tweede en vierde lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Werkgever:</titel>
                    </kop>
                    <al>Werkgever in de zin van dit wetsvoorstel is de werkgever in de zin van
                           de WW, niet zijnde een overheidswerkgever. Het gaat dan op grond van
                           artikel 9 WW om natuurlijke personen of lichamen als bedoeld in de WW tot
                           welk een of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan. Uit het
                           begrip lichaam volgt dat het steeds gaat om het niveau (gelijk aan dat)
                           van de rechtspersoon. Dus niet op vestigingsniveau of concernniveau.</al>
                    <al>Een werkgever die aan deze definitie voldoet heeft op grond van dit
                           wetsvoorstel een aantal rechten en bevoegdheden. Zo kan hij het UWV
                           vragen vast te stellen of hij voldoet aan de in artikel 3 van dit
                           wetsvoorstel genoemde voorwaarden, te weten: is de werkgever geraakt door
                           een crisis, heeft de werkgever de vakbond geïnformeerd en heeft hij
                           advies gevraagd aan de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging
                           of de in een onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een
                           personeelsvergadering. Als het UWV vaststelt dat hij inderdaad voldoet
                           aan deze voorwaarden, dan zal de werkgever vervolgens op grond van het BW
                           – op grond van in het BW op te nemen nadere voorwaarden – ten aanzien van
                           werknemers waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft, gebruik kunnen
                           maken van de arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling (zie ook de toelichting op de voorgestelde artikelen 3
                           en 7:660b BW). Deze zelfde werkgever maakt, indien hij daadwerkelijk
                           gebruik heeft gemaakt van de verminderde loondoorbetaling, vervolgens
                           aanspraak op een loonsubsidie als bedoeld in de voorgestelde paragraaf 3
                           van dit wetsvoorstel.</al>
                    <al>De werkgevers die op grond van de artikelen 10 tot en met 12 WW als
                           werkgever worden beschouwd, vallen strikt genomen onder de reikwijdte van
                           deze definitie. Echter zij kunnen de in titel 10 van Boek 7 BW op te
                           nemen arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling, en daarmee ook de loonsubsidie, alleen benutten indien
                           zij met de werknemer een arbeidsovereenkomst hebben als bedoeld in
                           artikel 7:610 BW. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst – en daarmee de
                           verplichting tot loondoorbetaling op grond van de artikelen 7:628 en
                           7:629 BW – is immers voorwaarde voor het inzetten van deze
                           instrumenten.</al>
                    <al>Voor de uitzendovereenkomst geldt overigens dat dit, gelet op de
                           definitie in artikel 7:690 BW, en de plaatsing in titel 10 van Boek 7,
                           een bijzondere vorm is van de arbeidsovereenkomst. De werkgever van de
                           uitzendkracht is de uitzendonderneming. Op die relatie zijn de bepalingen
                           van titel 10 van toepassing, tenzij daarvoor op grond van artikel 691
                           bijzondere regels gelden. De instrumenten herplaatsing en de verminderde
                           loondoorbetaling, die beide zullen worden opgenomen in titel 10 van boek
                           7 BW, zullen dus ook gelden voor de uitzendovereenkomst, en wel in de
                           relatie tussen de uitzendonderneming als formele werkgever en de
                           uitzendkracht. Ook voor payrollers zal gelden dat de payroll-organisatie
                           geldt als de formele werkgever, en dat de instrumenten ten aanzien van
                           deze werknemers dus alleen door de payroll-organisatie zullen kunnen
                           worden ingezet.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Werknemer:</titel>
                    </kop>
                    <al>Deze definitie bepaalt wie werknemer is in de zin van het onderhavige
                           wetsvoorstel. Deze begripsomschrijving is gelijk aan de definitie van
                           werknemer, bedoeld in hoofdstuk I, paragraaf 2, en hoofdstuk III van de
                           WW, met dien verstande dat de overheidswerknemer zal worden
                           uitgezonderd.</al>
                    <al>De reikwijdte van dit werknemersbegrip zal overigens alleen relevant
                           zijn voor de aanspraak op loonsubsidie van de werkgever. De voorwaarden
                           waaraan het UWV op grond van paragraaf 2 zal toetsen, zullen namelijk
                           alleen gelden in de verhouding tussen het UWV en de werkgever. Het
                           werknemersbegrip zal in die rechtsverhouding geen rol spelen. De
                           werkgever zal voorts op grond van de voorgestelde paragraaf 3 alleen voor
                           werknemers in de zin van dit wetsvoorstel loonsubsidie kunnen ontvangen.
                           De bevoegdheid van de werkgever tot inzet van de arbeidsrechtelijke
                           instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling zal worden
                           geregeld in titel 10 van Boek 7 BW, en zal daarmee alleen gelden ten
                           aanzien van werknemers met wie hij een arbeidsovereenkomst heeft. Het
                           werknemersbegrip in de zin van dit wetsvoorstel speelt in Boek 7 BW geen
                           rol.</al>
                    <al>Het gevolg van deze systematiek is dat de werkgever loonsubsidie kan
                           aanvragen voor werknemers die: a) werknemer zijn in de zin van hoofdstuk
                           I, paragraaf 2, en hoofdstuk III van de WW, niet zijnde een
                           overheidswerknemer en b) met wie hij tevens een arbeidsovereenkomst heeft
                           in de zin van artikel 7:610 BW. Immers, om aanspraak te maken op
                           loonsubsidie is een vereiste dat binnen de arbeidsrechtelijke verhouding
                           tussen de werkgever en de werknemer daadwerkelijk het instrument
                           verminderde loondoorbetaling is toegepast (zie hiervoor verder paragraaf
                           3).</al>
                    <al>Als hoofdregel geldt dat het bij werknemers in de zin van dit
                           wetsvoorstel – net als bij werknemers in de zin van de WW – dient te gaan
                           om de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
                           dienstbetrekking staat tot de werkgever in de zin van dit wetsvoorstel.
                           En die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a
                           van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt (artikel 67 onder c WW valt
                           buiten het bereik van het werknemersbegrip in de zin van dit
                           wetsvoorstel).</al>
                    <al>Daarnaast zal via het toepasselijke werknemersbegrip van de WW ook het
                           territorialiteitsbeginsel gelden op grond waarvan de dienstbetrekking
                           binnen Nederland of het Nederlands continentaal plat dient te worden
                           vervuld, dan wel werkgever en werknemer in Nederland woonachtig of
                           gevestigd dienen te zijn (artikel 3 WW). Daar gelden ook weer
                           uitzonderingen en beperkingen voor op basis van artikel 3 en 3a WW en de
                           daarop gebaseerde lagere regelgeving, te weten op grond van de Aanwijzing
                           van in buitenland gevestigde werkgever en het Besluit uitbreiding en
                           beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Werknemers die
                           op basis van deze territoriale bepalingen geen werknemer zijn in de zin
                           van hoofdstuk I, paragraaf 2, en hoofdstuk III van de WW vallen dus
                           buiten het werknemersbegrip dat relevant is voor de loonsubsidie;
                           werkgevers kunnen voor hen daarom geen aanspraak maken op
                           loonsubsidie.</al>
                    <al>Ook zullen, net als voor de WW, uitgesloten zijn werknemers die arbeid
                           verrichten die niet in overeenstemming is met de Wet arbeid
                           vreemdelingen. Voorts betekent de keuze voor het begrip werknemer in de
                           zin van de WW dat ook de uitbreidingen en beperkingen op grond van de
                           artikelen 4 tot en met 6 WW gelden. Als gevolg van deze keuze vallen
                           bijvoorbeeld de directeur-grootaandeelhouder en een meewerkend kind niet
                           onder het bereik van dit wetsvoorstel omdat er geen sprake is van een
                           dienstbetrekking en dus ook geen sprake van een werknemer in de zin van
                           hoofdstuk I, paragraaf 2, van de WW.</al>
                    <al>Ook zieke werknemers vallen onder het werknemersbegrip, ten aanzien van
                           hen zullen de instrumenten herplaatsing, verminderde loondoorbetaling en
                           loonsubsidie ook kunnen worden ingezet. Zij het onder specifieke
                           randvoorwaarden, die worden toegelicht bij het voorgestelde artikel
                           7:660b BW.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Wettelijk minimumloon:</titel>
                    </kop>
                    <al>De definitie van wettelijk minimumloon is relevant voor de berekening
                           van de hoogte van de loonsubsidie. Aangesloten wordt hiervoor bij het
                           minimumuurloon zoals dat geldt op grond van de Wet minimumloon en
                           minimumvakantiebijslag. Uit de definitie volgt voorts dat de hoogte van
                           het minimuurloon afhankelijk is van de leeftijd van de werknemer.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 2. Crisis</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het voorgestelde eerste lid betreft een inleidende bepaling die het
                           begrip crisis aanduidt. Van een crisis is sprake bij een onvoorzienbare
                           omstandigheid, die in redelijkheid niet tot het reguliere
                           ondernemingsrisico kan worden gerekend. Deze twee voorwaarden zijn van
                           toepassing op alle situaties van crisis. In het tweede, derde en vijfde
                           lid van dit artikel wordt meer duiding gegeven aan welke omstandigheden
                           onder het crisisbegrip vallen.</al>
                    <al>Het tweede lid omvat omstandigheden die onvoorzien zijn én niet tot het
                           ondernemingsrisico kunnen worden gerekend en daarmee in deze wet zijn
                           aangemerkt als crisis.</al>
                    <al>Het derde lid omvat onder a tot en met e andere omstandigheden dan het
                           tweede lid. Hiervan is reeds vastgesteld dat deze omstandigheden niet
                           onder het reguliere ondernemingsrisico vallen. Beoordeeld moet echter nog
                           worden of de genoemde omstandigheden zelf onvoorzienbaar zijn, omdat de
                           in dit lid genoemde omstandigheden in sommige gevallen ook voorzienbaar
                           zijn. Naast de voorwaarde in het eerste lid moeten deze omstandigheden
                           gedurende ten minste één maand tot ten minste 20% verminderde inzet van
                           arbeidscapaciteit leiden binnen de onderneming van één of meerdere
                           werkgevers.</al>
                    <al>Bij het vijfde lid, de open categorie, zal per geval moeten worden
                           getoetst of de omstandigheid voldoet aan de voorwaarden van een crisis,
                           als bedoeld in het eerste lid. Dit betekent dat steeds bezien moet worden
                           of de omstandigheid onvoorzienbaar is en deze buiten het reguliere
                           ondernemersrisico valt. Naast de voorwaarde in het eerste lid moeten deze
                           omstandigheden gedurende ten minste één maand tot ten minste 20%
                           verminderde inzet van arbeidscapaciteit leiden binnen de onderneming van
                           één of meerdere werkgevers.</al>
                    <al>Aangezien er ten aanzien van de situaties onder het derde en vijfde lid
                           nog een beoordeling dient plaats te vinden, worden omstandigheden die als
                           crisis worden aangemerkt, aangewezen bij ministeriële regeling. Voor
                           omstandigheden ten aanzien van het vijfde lid geldt daarbovenop dat de
                           ministeriële regeling waarbij de crisis wordt aangewezen, wordt getroffen
                           in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad. De grondslag
                           voor de aanwijzing en de procedurele waarborgen voor de open categorie
                           zijn geregeld in het zesde lid.</al>
                    <al>Ten aanzien van de voorwaarde dat een situatie niet tot het reguliere
                           ondernemersrisico kan worden gerekend is het belangrijk te benadrukken
                           dat ondernemen gepaard gaat met risico’s. Zo zijn bijvoorbeeld
                           schommelingen in de hoeveelheid werk, order- of omzetverlies, of het niet
                           kunnen gebruiken van productiemiddelen onderdeel van dit
                           ondernemersrisico. Voor zover deze risico’s niet veroorzaakt zijn door
                           omstandigheden die in dit wetsvoorstel als crisis worden aangemerkt of
                           aangewezen, is het ongewenst dat werkgevers de instrumenten uit dit
                           wetsvoorstel mogen inzetten.</al>
                    <al>Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de voorwaarde dat er
                           ‘gedurende ten minste één maand ten minste 20% verminderde inzet van
                           arbeidscapaciteit zal zijn binnen de onderneming van één of meerdere
                           werkgevers’ in artikel 2, derde en vijfde lid, van het wetsvoorstel en de
                           vraag of de individuele werkgever is geraakt door een crisis als bedoeld
                           in artikel 3 jo. artikel 5 van het wetsvoorstel. In het geval van artikel
                           2, lid 3 en lid 5 wordt globaal getoetst door Onze Minister of het
                           voorstelbaar is dat een situatie voor 1 of meerdere werkgevers gedurende
                           ten minste één maand zal leiden tot een verminderde inzet van ten minste
                           20% arbeidscapaciteit. Dat hoeft dus niet te betekenen dat iedere
                           werkgever door een crisis wordt geraakt. Bij de vaststelling of sprake is
                           van een crisis is dit dus een globale toets. In het geval van artikel 3
                           jo. 5 van het wetsvoorstel moet de individuele werkgever aan de hand van
                           concrete gegevens aannemelijk maken dat hijzelf door de crisis wordt
                           geraakt. Alleen dan kan deze werkgever de arbeidsrechtelijke instrumenten
                           inzetten. Dit betekent dat de werkgevers gedurende ten minste twee
                           aaneengesloten maanden gemiddeld ten minste 20% van de hem ter
                           beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan benutten op de wijze
                           waarop hij deze zou hebben benut indien zich geen crisis zou hebben
                           voorgedaan.</al>
                    <al>Van één en dezelfde crisis is sprake zolang de omstandigheid voortduurt.
                           Een werkgever kan per crisis slechts eenmaal een aanvraag, plus twee
                           verlengingen, indienen. Een duidelijke escalatie of wijziging in die
                           omstandigheid kan aanleiding vormen om een nieuwe crisis aan te nemen.
                           Bij de omstandigheden, genoemd in het derde lid, zal uit de door Onze
                           Minister te treffen regeling volgen wanneer al dan niet sprake is van een
                           nieuwe crisis. Immers, in de ministeriële regeling zal een omstandigheid
                           worden aangewezen als crisis en op grond van het voorgestelde artikel 7
                           zal daarbij het tijdvak van 26 weken worden vastgesteld gedurende welke
                           werkgevers voor die crisis een aanvraag kunnen doen. Indien Onze Minister
                           van oordeel is dat sprake is van een nieuwe crisis, dan zal hij in een
                           nieuwe ministeriële regeling een volgend tijdvak openstellen. Hetzelfde
                           geldt voor de in het vijfde lid bedoelde categorie crises, welke in het
                           wetsvoorstel niet zijn geduid. Bij omstandigheden genoemd in het tweede
                           lid zal gelet op de aard van die omstandigheden in beginsel duidelijk
                           zijn af te bakenen wanneer sprake is van één crisis, en wanneer zich een
                           nieuwe crisis voordoet. Ook daar geldt dat bij duidelijke escalatie of
                           wijziging in de omstandigheden sprake kan zijn van een nieuwe crisis.
                           Voor de omstandigheden, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdelen c en
                           d, geldt daarbij overigens dat de te treffen overheidsmaatregel ter
                           beperking van de gevolgen, en dus niet de weersomstandigheid, planten- of
                           dierziekte zelf, de omstandigheid vormt die geldt als aanknopingspunt
                           voor het moment waarop de crisis of nieuwe crisis zich voordoet.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het tweede lid betreft de categorie crises die voortvloeien uit de in de
                           wet genoemde, naar hun aard onvoorzienbare en niet tot het reguliere
                           ondernemersrisico behorende situaties. Hierbij wordt niet de aanvullende
                           eis gesteld dat het niet onaannemelijk is dat één of meer werkgevers
                           gedurende ten minste één maand ten minste 20% van hun arbeidscapaciteit
                           niet kunnen benutten, zoals bij het derde en vijfde lid wel het geval is.
                           De reden hiervoor is dat de aard van de hier genoemde omstandigheden met
                           zich brengt dat dit niet onaannemelijk zal zijn. Mocht de omstandigheid
                           voor een individuele werkgever in werkelijkheid een geringere impact
                           hebben op de inzet van arbeidscapaciteit, dan is desondanks sprake van
                           een crisis in de zin van dit wetsvoorstel, maar zal het UWV vervolgens op
                           grond van artikel 3 vaststellen dat de werkgever niet voldoet aan de
                           voorwaarde ‘geraakt door een crisis’. Er zal voor deze categorie geen
                           tussenkomst nodig zijn van Onze Minister om te kunnen spreken van een
                           crisis.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Een crisis in de zin van dit lid wordt dus geacht te bestaan indien
                              sprake is van een van de volgende omstandigheden:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Een niet aan opzet of grove schuld van de eigenaar van het
                                    productiemiddel of van de werkgever te wijten brand of explosie,
                                    waardoor schade is ontstaan aan een productiemiddel. Een
                                    productiemiddel is een niet-menselijk fysiek object dat gebruikt
                                    wordt in het productieproces. Voorbeelden van productiemiddelen
                                    zijn land, grondstoffen, machines, werktuigen en gebouwen die
                                    gebruikt worden om goederen of diensten te produceren. Het hoeft
                                    hierbij niet noodzakelijkerwijs te gaan om het eigendom van de
                                    werkgever of eigen gebruik door de werkgever. Ook brandschade
                                    aan een productiemiddel van een toeleverancier kan onder de
                                    reikwijdte van dit onderdeel vallen, mits dit leidt tot verlies
                                    van arbeidscapaciteit bij de werkgever.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Schade aan een productiemiddel ten gevolge van uitzonderlijke
                                    weersomstandigheden. Ook hier geldt dat het niet
                                    noodzakelijkerwijs hoeft te gaan om het eigendom van de
                                    werkgever zelf of eigen gebruik door de werkgever zelf.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Overheidsmaatregelen die worden getroffen ter beperking van de
                                    gevolgen van uitzonderlijke weersomstandigheden of ter beperking
                                    van de verspreiding van planten- of dierziekten. Hier kan
                                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het voor alle verkeer afsluiten
                                    van wegen vanwege een overstroming of natuurbrand.
                                    Weersomstandigheden die als uitzonderlijk kunnen worden
                                    beschouwd kunnen bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering
                                    overigens vaker gaan voorkomen. Zij zullen daarmee dan wellicht
                                    niet langer uitzonderlijk zijn en op grond van het voorgestelde
                                    vierde lid kan dan een amvb worden getroffen, waarmee een
                                    dergelijke crisis buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel gaat
                                    vallen. De overheidsmaatregelen ter beperking van planten- of
                                    dierziekten vormen een crisis wanneer de maatregelen noodzaken
                                    tot geheel of gedeeltelijke stillegging van de bedrijfsvoering,
                                    van de verwerking van de dieren of planten of tot een verbod op
                                    vervoer van planten of dieren.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>De omvang van de in het tweede lid genoemde crisissituaties is relatief
                           beperkt. De situaties zijn goed te definiëren en de maatregelen zijn
                           begrensd. Daarmee onderscheiden zij zich van de in het derde lid
                           opgenomen categorie crises en waardoor zij, anders dan de situaties in
                           het derde lid, zonder voorafgaand te treffen ministeriële regeling
                           toegang geven tot de steunmaatregelen op grond van dit wetsvoorstel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het derde lid betreft situaties (weergegeven onder a tot en met e) die
                           bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen als crisis. Het gaat
                           hier om situaties die naar hun aard buiten het reguliere
                           ondernemingsrisico vallen, maar waarvoor nog moet worden beoordeeld of de
                           situatie onvoorzienbaar is. Dit dient dan ook per geval te worden
                           getoetst. Als hiervoor besproken geldt de aanvullende voorwaarde dat het
                           niet onaannemelijk is dat de omstandigheid gedurende ten minste één maand
                           leidt tot ten minste 20% verminderde inzet van arbeidscapaciteit.</al>
                    <al>De omstandigheid wordt bij ministeriële regeling als crisis aangewezen,
                           indien deze naar het oordeel van Onze Minister inderdaad onvoorzienbaar
                           is en aan de voorwaarde is voldaan dat het niet onaannemelijk is dat deze
                           gedurende ten minste één maand zal leiden tot ten minste 20% verminderde
                           inzet van arbeidscapaciteit. Voor een nadere toelichting op het begrip
                           ‘onvoorzienbaar’ wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen deel.
                           In die betreffende ministeriële regeling wordt dan tevens het tijdvak van
                           26 weken vastgesteld gedurende welke een aanvraag kan worden ingediend
                           (artikel 7, eerste lid).</al>
                    <al-groep>
                      <al>Het betreft de volgende omstandigheden:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Uitval van vitale openbare infrastructuur (onderdeel a),
                                    waarbij onder vitale openbare infrastructuur wordt verstaan:
                                    wegverkeer, spoorwegverkeer, scheepvaart, luchtvaart, leidingen
                                    voor vloeistoffen en gassen (olie, aardgas, drinkwater,
                                    riolering), open afwateringen en opslag voor hemelwater (zoals
                                    meren, rivieren, kanalen, grachten, watergangen, en sloten),
                                    elektriciteitsleidingen, digitale verbindingen. Daaronder valt
                                    ook uitval van essentiële financiële infrastructuur, waarbij
                                    onder essentiële financiële infrastructuur wordt verstaan,
                                    conform het overzicht dat de Nationaal Coördinator
                                    Terrorismebestrijding en Veiligheid hanteert (categorie B,
                                    sector financieel): toonbankbetalingsverkeer, massaal giraal
                                    betalingsverkeer, hoogwaardig betalingsverkeer tussen banken en
                                       effectenverkeer.<noot id="n123" type="voet"><noot.nr>123</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.nctv.nl/onderwerpen/vitale-infrastructuur/overzicht-vitale-processen" soort="URL" status="actief">Overzicht vitale processen |
                                             Vitale infrastructuur | Nationaal Coördinator
                                             Terrorismebestrijding en Veiligheid
                                          (nctv.nl)</extref></noot.al></noot></al>
                          <al>Van ’onvoorzienbaar’ is in dit kader in ieder geval sprake als
                                    de uitval niet via officiële kanalen tijdig is aangekondigd. Als
                                    de uitval steeds terugkeert, en daarmee op termijn als
                                    voorzienbaar kan worden gedefinieerd, is niet langer sprake van
                                    ‘onvoorzienbaar’.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Bij gewapende conflicten (onderdeel b) gaat het zowel om
                                    gewapende conflicten die in Nederland tot schade leiden, als die
                                    in andere landen spelen, waardoor Nederlandse bedrijven
                                    problemen krijgen in de aanvoer of afzet van producten.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Door buitenlandse overheden opgelegde sancties (onderdeel c)
                                    waardoor Nederland of Nederlandse bedrijven worden geraakt. Het
                                    kan daarbij gaan om financiële sancties, handelsbeperkingen,
                                    reis- en visumbeperkingen en wapenembargo’s. Een sanctie wordt
                                    niet als crisis aangemerkt indien dat niet verenigbaar is met
                                    het beleid ten aanzien van de buitenlandse betrekkingen, de
                                    buitenlandse handel en de ontwikkelingshulp, zoals onder andere
                                    kenbaar uit de memories van toelichting bij de begrotingen van
                                    de Minister van Buitenlandse Zaken, uit het verkeer met de
                                    Staten-Generaal, uit de bekendmaking van beleidsregels of uit
                                    andere geschikte vormen van bekendmaking of mededeling. Om die
                                    reden zal als voorwaarde gelden dat het aanwijzen van de sanctie
                                    als crisis in overeenstemming dient te zijn met het Nederlandse
                                    buitenlandbeleid en dat Onze Minister bij het treffen van de
                                    ministeriële regeling waarbij de aanwijzing plaatsvindt, dient
                                    te handelen in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse
                                    Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en
                                    Ontwikkelingshulp.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Een ramp (onderdeel d). Waaronder, conform artikel 1 van de Wet
                                    op de veiligheidsregio’s wordt verstaan: ‘een zwaar ongeval of
                                    een andere gebeurtenis waarbij het leven en de gezondheid van
                                    veel personen, het milieu of grote materiële belangen in
                                    ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd en waarbij een
                                    gecoördineerde inzet van diensten of organisaties van
                                    verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen
                                    of de schadelijke gevolgen te beperken’. Zowel rampen in binnen-
                                    als buitenland vallen onder deze definitie. Een terroristische
                                    aanslag kan ook vallen onder de reikwijdte van deze definitie.
                                    Voorts wordt bepaald dat een crisis als gevolg van extreme
                                    weersomstandigheden, voor zover deze valt onder de reikwijdte
                                    van deze definitie, valt onder de toepassing van het tweede
                                    lid.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Door een overheidsorgaan getroffen maatregelen ter bestrijding
                                    van infectieziekten of directe dreiging daarvan (onderdeel e).
                                    De epidemie van een infectieziekte kan geen crisis vormen, een
                                    werkgever kan pas een beroep doen op de maatregelen op grond van
                                    dit wetsvoorstel als ook overheidsmaatregelen ter bestrijding
                                    van de epidemie of dreiging daarvan worden genomen. De
                                    overheidsmaatregelen ter bestrijding van een epidemie of
                                    dreiging daarvan worden geregeld in de Wet publieke gezondheid
                                    (Wpg), derhalve wordt verwezen naar de in die wet opgenomen
                                    maatregelen.</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>door het college van burgemeester en wethouders dan wel
                                          de voorzitter van de veiligheidsregio op basis van
                                          hoofdstuk V, paragraaf 3, artikelen 31, 35 en 38 Wpg
                                          genomen maatregelen (maatregelen gericht op het
                                          individu);</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>door het college van burgemeester en wethouders dan wel
                                          de voorzitter van de veiligheidsregio op basis van
                                          hoofdstuk V, paragraaf 5, artikelen 47 en 54, onderdelen
                                          b, c en d, Wpg genomen maatregelen (maatregelen gericht op
                                          gebouwen, goederen en vervoermiddelen; en</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>in het kader van toepassing van een bij of krachtens
                                          hoofdstuk V, paragraaf 8, artikelen 58d, 58f tot en met k
                                          en 58o Wpg toegekende bevoegdheid (collectieve
                                          maatregelen).</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Op grond van het voorgestelde vierde lid kan bij ministeriële
                              regeling worden aangewezen:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>welke weersomstandigheden niet worden aangemerkt als
                                    uitzonderlijk als bedoeld in het tweede lid;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>welke omstandigheden voorzienbaar worden bevonden en dus niet
                                    als onvoorzienbaar worden aangemerkt als bedoeld in het derde
                                    lid.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <al>Hiermee kan – indien toekomstige ontwikkelingen daartoe aanleiding
                              geven – bijvoorbeeld worden verduidelijkt dat bij terugkerend
                              natuurgeweld in een bepaald gebied, deze omstandigheid niet (meer) als
                              uitzonderlijke weersomstandigheid wordt gezien. Eventuele aan te
                              wijzen (weers)omstandigheden zijn niet limitatief. Als een specifieke
                              omstandigheid niet op grond van dit lid is aangewezen, kan daaruit dus
                              niet <nadruk type="cur">a contrario</nadruk> worden afgeleid dat de
                              (weers)omstandigheid uitzonderlijk is (tweede lid), of onvoorzien
                              (derde lid).</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vijfde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het vijfde lid introduceert een laatste categorie crisissituaties. Dit
                           betreft crises waarvan de oorzaak op voorhand niet is of kan worden
                           voorzien, en die niet zijn genoemd in het tweede of derde lid. Hierbij
                           dient dus per geval te worden getoetst of het gaat om onvoorzienbare
                           omstandigheden die niet onder het reguliere ondernemingsrisico vallen.
                           Met andere woorden: of de situatie kwalificeert als crisis in de zin van
                           het eerste lid. Daarnaast geldt ook hier de aanvullende voorwaarde dat
                           het niet onaannemelijk is dat de omstandigheid gedurende ten minste één
                           maand zal leiden tot ten minste 20% verminderde inzet van
                           arbeidscapaciteit. In die gevallen heeft Onze Minister, in
                           overeenstemming met de ministerraad, de bevoegdheid die omstandigheid aan
                           te wijzen als crisis.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Omstandigheden die in elk geval dienen te worden beschouwd als
                              regulier ondernemersrisico (en die dus geen crisis vormen in de zin
                              van dit wetsvoorstel) zijn:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Compliance risico, waaronder:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Beleidsontwikkeling door de overheid (afgezien van
                                          crisisingrijpen door de overheid zoals opgenomen in het
                                          tweede en derde lid – tenzij gebruik gemaakt kan worden
                                          van andere overheidsregelingen)</al>
                              <al>Hierbij kan onder andere worden gedacht aan:</al>
                              <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                                <li>
                                  <li.nr>•</li.nr>
                                  <al>Accijnsverhogingen</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>•</li.nr>
                                  <al>Quoteringsmaatregelen</al>
                                </li>
                              </lijst>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Risico’s waarvoor algemeen toegankelijke verzekeringen bestaan,
                                    zoals:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Schade aan productiemiddelen (met uitzondering van de het
                                          tweede lid, onderdelen c en d en derde lid, onderdeel e,
                                          genoemde omstandigheden)</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Ziekteverzuim van werknemers</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Ongevallen op het werk</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Aansprakelijkheid</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Cybercriminaliteit</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Schade aan voorraden</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Expatrisico’s</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Markt risico, waaronder:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Gebruikelijke fluctuaties in bedrijvigheid</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Gewijzigde marktsituaties</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Valutaschommelingen</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Prijsstijging grondstoffen of halffabricaten</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Laagconjunctuur</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>○</li.nr>
                              <al>Gewijzigde concurrentieverhoudingen</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zesde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het zesde lid is geregeld dat situaties die als crisis worden
                           aangemerkt onder het derde of vijfde lid worden aangewezen bij
                           ministeriële regeling. In de ministeriële regeling wordt ook de
                           begindatum van de crisis vastgesteld. Als extra procedurele waarborg
                           geldt daarbij voor omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid, dat de
                           ministeriële regeling waarbij de crisis wordt aangewezen, wordt getroffen
                           in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 2. De initiële aanvraag</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 3. Aanvraag werkgever</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Een werkgever die voornemens is op grond van titel 10 van Boek 7, BW,
                           gebruik te maken van herplaatsing van zijn werknemers of verminderde
                           loondoorbetaling aan zijn werknemers, zal op grond van het voorgestelde
                           eerste lid bij het UWV een aanvraag kunnen indienen. Met die aanvraag
                           verzoekt de werkgever het UWV vast te stellen of voldaan is aan de drie
                           voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. Het besluit van het UWV zal een
                           rechtsvaststellend besluit zijn, waartegen voor de werkgever beroep bij
                           de bestuursrechter openstaat. Nadere achtergrond over de
                           rechtsbescherming is opgenomen bij artikel 26 en in hoofdstuk 4 van het
                           algemeen deel.</al>
                    <al>De werkgever moet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid,
                           om op grond van het BW te kunnen overgaan tot inzet van de
                           arbeidsrechtelijke instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling. In aansluiting op deze bestuursrechtelijke vaststelling
                           zullen op grond van het BW in de relatie tussen werkgever en werknemer
                           nog voorwaarden gaan gelden waaraan de werkgever dient te voldoen voordat
                           de werkgever de instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling
                           daadwerkelijk kan inzetten, en zullen ook voor de toepassing van de
                           instrumenten nadere criteria gaan gelden. Deze arbeidsrechtelijke
                           voorwaarden worden nader toegelicht bij het voorgestelde artikel 7:660b
                           BW.</al>
                    <al-groep>
                      <al>De vaststelling van het UWV op aanvraag van de werkgever zal
                              betrekking hebben op het volgende:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>Is de werkgever geraakt door een crisis? Deze vraag valt uiteen
                                    in twee subvragen. In de eerste plaats: kwalificeert de crisis
                                    waarop de werkgever zich beroept als een crisis in de zin van
                                    dit wetsvoorstel? In de tweede plaats: maakt de werkgever
                                    aannemelijk dat hij ten gevolge van die crisis naar verwachting
                                    gedurende twee maanden gemiddeld ten minste 20% verlies aan
                                    arbeidscapaciteit zal hebben? Wanneer daarvan sprake is zal
                                    worden geregeld in artikel 5. Voor een verdere toelichting wordt
                                    dan ook verwezen naar de toelichting op die artikelen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>Heeft de werkgever voorafgaande aan zijn aanvraag bij het UWV
                                    een melding van zijn voornemen tot herplaatsing of verminderde
                                    loondoorbetaling gedaan bij Onze Minister? Deze melding zal
                                    worden gebruikt om verenigingen van werknemers te informeren
                                    over het voornemen van de werkgever. Bij de aanvraag voegt de
                                    werkgever een afschrift van deze melding toe.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>Daarnaast zal de werkgever voorafgaand aan zijn aanvraag bij
                                    het UWV, advies dienen te hebben gevraagd aan de
                                    ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de
                                    onderneming werkzame personen, bijeengekomen in een vergadering
                                    (hierna personeelsvergadering). De werkgever zal de
                                    ondernemingsraad dienen te vragen advies uit te brengen over het
                                    voorgenomen besluit tot herplaatsing, verminderde
                                    loondoorbetaling of de combinatie daarvan. Daarbij zal de
                                    werkgever voor het adviserend orgaan ook inzichtelijk dienen te
                                    maken op welke periode dat voorgenomen besluit betrekking zal
                                    hebben (zie verder artikel 4 voor het tijdvak waarop de aanvraag
                                    betrekking heeft). De wijze waarop dit proces van advisering
                                    vorm en invulling krijgt wordt beheerst door de WOR<noot id="n124" type="voet"><noot.nr>124</noot.nr><noot.al>In de WOR is onder meer geregeld wanneer een
                                          werkgever een ondernemingsraad,
                                          personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering moet
                                          instellen en aan wie zodoende advies moet worden gevraagd.
                                          Een aanvraag wordt gezien als adviesplichtig onder artikel
                                          25, eerste lid, WOR (ondernemingsraad), dan wel onder
                                          artikel 35c, derde lid, jo art. 35b, vijfde lid, WOR
                                          (personeelsvertegenwoordiging), respectievelijk artikel
                                          35b, vijfde lid, WOR (personeelsvergadering).</noot.al></noot> en het voorgestelde artikel 6 en is dus een zaak tussen
                                    de werkgever en zijn werknemers. Het UWV beoordeelt daarom niet
                                    op welke wijze invulling is gegeven aan de WOR, maar stelt enkel
                                    vast óf de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                                    personeelsvergadering in de gelegenheid is gesteld advies uit te
                                    brengen. De werkgever dient in dat kader een kopie van het
                                    advies, of een stuk waaruit volgt dat is afgezien van advies, te
                                    overleggen bij de aanvraag. Het UWV kan het advies gebruiken bij
                                    de vaststelling of de werkgever is geraakt door een crisis,
                                    zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en artikel
                                    5.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>De werkgever zal bij zijn aanvraag dienen aan te tonen dat hij aan deze
                           voorwaarden voldoet, zie hiertoe ook de toelichting bij het voorgestelde
                           artikel 8. De vaststelling door het UWV zal deels plaatsvinden op basis
                           van voorwaarden waaraan op het moment van de aanvraag door de werkgever
                           dient te zijn voldaan, en deels op basis van een verwachting voor de
                           toekomst.</al>
                    <al>Aangezien het gaat om een werkgever (persoons)gebonden beschikking die
                           specifiek is afgegeven voor de situatie van de werkgever, is de
                           beschikking niet overdraagbaar (bij een overname). Uit de uitspraak van
                           de Afdeling van de Raad van State op 21 maart 2012 volgt dat vergunningen
                           vallen onder ‘alle andere rechten’ in de zin van artikel 3:83, lid 5, BW
                           (voorheen artikel 3:83, lid 3, BW).<noot id="n125" type="voet"><noot.nr>125</noot.nr><noot.al>ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9525, r.o.
                                 2.6.</noot.al></noot> In artikel 3:83, lid 5, BW is bepaald dat ‘alle andere rechten
                           slechts overdraagbaar zijn, wanneer de wet dit bepaalt’. De beschikking
                           op de initiële aanvraag valt net als een vergunning onder ‘alle andere
                           rechten’ als bedoeld in artikel 3:83, lid 5, BW, die slechts
                           overdraagbaar zijn, wanneer de wet dit bepaalt. In het wetsvoorstel is
                           niet bepaald dat de beschikking op de initiële aanvraag overdraagbaar
                           is.</al>
                    <al>In hoeverre de werkgever geraakt zal zijn door de crisis betreft een
                           inschatting vooraf met betrekking tot de periode van twee maanden waarin
                           de werkgever voornemens is de herplaatsing, de verminderde
                           loondoorbetaling of de combinatie daarvan in te zetten. De werkgever zal
                           bij zijn aanvraag, om voor een positieve beschikking in aanmerking te
                           komen, aannemelijk dienen te maken dat hij gedurende deze periode geraakt
                           zal zijn door een crisis. De criteria die bepalend zijn voor de vraag
                           wanneer een werkgever is ‘geraakt door een crisis’, zullen worden
                           opgenomen in artikel 5. Het gaat dus niet om het daadwerkelijk
                           gerealiseerde verlies aan arbeidscapaciteit. Het daadwerkelijk
                           gerealiseerde verlies aan arbeidscapaciteit zal wel een rol gaan spelen
                           voor de toepassing van de instrumenten herplaatsing en verminderde
                           loondoorbetaling. Deze instrumenten zullen alleen kunnen worden toegepast
                           op de uren waarover de werknemer de bedongen arbeid niet kan verrichten
                           op de wijze waarop hij deze zou hebben verricht indien zich geen crisis
                           zou hebben voorgedaan. Zie daartoe het voorgestelde artikel 7:660b,
                           eerste lid, BW.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het tweede lid wordt geregeld dat de verplichting van de werkgever om
                           advies te vragen over zijn voorgenomen besluit tot herplaatsing of
                           verminderde loondoorbetaling ook als voorwaarde voor een positieve
                           beschikking van het UWV gaat gelden voor ondernemingen met minder dan 10
                           werknemers, en zodoende verder strekt dan de WOR als uitgangspunt heeft.
                           Bij minder dan 10 werknemers geldt als voorwaarde dat de werkgever advies
                           zal dienen te vragen aan een personeelsvergadering. Als een werkgever
                           onverplicht een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging heeft
                           ingesteld, zal uiteraard gelden dat dat onverplicht ingestelde
                           medezeggenschapsorgaan om advies gevraagd wordt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het derde lid zal voor het UWV een beslistermijn gelden van
                           ten hoogste zes weken na ontvangst van de aanvraag van de werkgever.
                           Mocht de aanvraag niet compleet zijn, dan kan het UWV de werkgever een
                           termijn geven de aanvraag aan te vullen. De beslistermijn zal in dat
                           geval pas gaan lopen na ontvangst van de complete aanvraag. Binnen die
                           maximale termijn zal het UWV zich inspannen de beschikking zo spoedig
                           mogelijk te geven, zodat de werkgever die voldoet aan de nadere
                           arbeidsrechtelijke voorwaarden op zo kort mogelijke termijn kan overgaan
                           tot het inzetten van de herplaatsing of verminderde
                           loondoorbetaling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van dit lid kunnen bij ministeriële regeling regels worden
                           gesteld over de melding van de werkgever bij Onze Minister. Er zal
                           daarvoor een meldpunt via de website van de Rijksoverheid worden
                           ingesteld. Bij ministeriële regeling kunnen bijvoorbeeld regels worden
                           gesteld over de wijze waarop de melding moet worden gedaan en over de
                           vorm van de melding. Verder kunnen bij ministeriële regeling regels
                           gesteld over de wijze waarop een vereniging van werknemers inzage kan
                           krijgen in de melding van de werkgever. Voor de achtergrond van deze
                           voorwaarde wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1 van het algemeen
                           deel.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 4. Crisistijdvak</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>De beschikking waarin het UWV vaststelt dat de werkgever voldoet aan de
                           in artikel 3, eerste lid, genoemde voorwaarden zal steeds betrekking
                           hebben op een periode van twee maanden. Bij zijn aanvraag (artikel 7) zal
                           de werkgever dienen te vermelden op welke periode de vaststelling door
                           het UWV betrekking dient te hebben.</al>
                    <al>Teneinde hierover geen twijfel te laten bestaan wordt tevens expliciet
                           bepaald dat per crisis slechts één tijdvak van twee maanden wordt
                           vastgesteld. Bij het ontbreken van een dergelijke bepaling zou een
                           werkgever achtereenvolgens twee afzonderlijke, niet aaneengesloten
                           vaststellingen kunnen aanvragen. Dat is niet de bedoeling. Wel kan het
                           tijdvak van twee maanden aansluitend worden verlengd, dat wordt geregeld
                           in het tweede lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het crisistijdvak kan ten hoogste tweemaal worden verlengd, tot een
                           maximale periode van zes maanden. Als voorwaarde daarbij zal gelden dat
                           de verlenging aansluitend plaatsvindt aan het voorafgaande tijdvak, zodat
                           sprake is van een aaneengesloten periode. Voor iedere verlenging dient de
                           werkgever een nieuwe aanvraag in te dienen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de aanvraag tot verlenging gelden dezelfde beoordelingscriteria als
                           voor de eerste aanvraag.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van dit lid zal de vaststelling gelden vanaf de eerste dag na
                           bekendmaking door het UWV van de daartoe strekkende beschikking aan de
                           werkgever. Indien de werkgever dat bij zijn aanvraag heeft vermeld, kan
                           het crisistijdvak met terugwerkende kracht worden vastgesteld. De periode
                           van terugwerkende kracht kan niet verder teruggaan dan de dag waarop
                           precies tien weken is verstreken, te rekenen vanaf het moment dat de
                           werkgever de aanvraag bij het UWV heeft ingediend. Als een werkgever
                           bijvoorbeeld op 18 mei een aanvraag doet, dan kan het crisistijdvak op
                           zijn vroegst ingaan vanaf 10 maart, ervan uitgaande dat de crisis zich
                           dan al voordoet. De eerstvolgende dag in de elfde week valt zodoende
                           buiten de maximale termijn. Bovendien kan het crisistijdvak maximaal
                           terugwerken tot en met de eerste dag van de crisis, of in geval van een
                           aanvraag tot verlenging maximaal tot aan het voorafgaande crisistijdvak.
                           De reden van de beperking van de terugwerkende kracht tot de duur van één
                           crisistijdvak, plus een periode van ongeveer 10 dagen voor het
                           gereedmaken van de aanvraag door de werkgever, is gelegen in de
                           bescherming van de werknemer.</al>
                    <al>Het vaststellen van een crisistijdvak heeft tot gevolg dat de werkgever,
                           die voldoet aan nadere voorwaarden, op grond van titel 10 van Boek 7 van
                           het BW gedurende dat tijdvak de mogelijkheid zal hebben tot inzet van de
                           instrumenten herplaatsing en verminderde loondoorbetaling. Voor
                           werknemers die als gevolg van de crisis direct geheel of gedeeltelijk
                           niet hebben kunnen werken, kan de werkgever dus met terugwerkende kracht
                           tot aan de eerste dag van de crisis – maar met een maximum van 10 weken
                           te rekenen vanaf het moment van de aanvraag door de werkgever – het
                           instrument verminderde loondoorbetaling toepassen. En vervolgens voor dat
                           tijdvak op grond van paragraaf 3 een loonsubsidie aanvragen. Voor de
                           herplaatsing geldt dat deze naar zijn aard niet kan terugwerken. Indien
                           een werkgever het tijdvak van vaststelling laat terugwerken, betekent dat
                           dat hij het instrument herplaatsing niet voor de volledige duur van het
                           crisistijdvak zal kunnen inzetten. Dit gevolg is voor een werkgever die
                           gebruik wil maken van de herplaatsing te ondervangen door het bij de
                           aanvraag te vermelden tijdvak betrekking te laten hebben op de
                           toekomst.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5. Geraakt door een crisis</titel>
                  </kop>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Eerste lid</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit lid definieert in welke gevallen een werkgever geraakt is door een
                        crisis. Aannemelijk moet zijn dat de werkgever gedurende ten minste twee
                        aaneengesloten maanden gemiddeld ten minste 20% van de hem ter beschikking
                        staande arbeidscapaciteit niet kan benutten op de wijze waarop hij deze zou
                        hebben benut indien zich geen crisis zou hebben voorgedaan. Daarbij gaat het
                        om een inschatting door de werkgever vooraf.</al>
                  <al>Het begrip arbeidscapaciteit is beperkt tot arbeid die is bedongen op basis
                        van een tussen de werkgever en zijn werknemers gesloten
                        arbeidsovereenkomst.</al>
                  <al>De verminderde inzet van arbeidscapaciteit dient het gevolg te zijn van een
                        van de omstandigheden, genoemd in artikel 2, tweede, derde of vijfde lid. En
                        dient te worden afgezet tegen de inzet die zou zijn gedaan indien zich geen
                        crisis zou hebben voorgedaan. Ook hierbij gaat het om een inschatting van de
                        werkgever.</al>
                  <al>Het is aan de werkgever om het voorgaande bij zijn aanvraag bij het UWV
                        aannemelijk te maken. In de toelichting op het voorgestelde artikel 8
                        (gegevens en bescheiden bij de aanvraag) wordt hierop nader ingegaan.</al>
                  <al>De werkgever is op grond van de definitiebepaling, die verwijst naar het
                        werkgeversbegrip in de WW, een natuurlijke persoon of een lichaam (zie ook
                        artikel 9 WW). Het begrip lichaam is gedefinieerd in artikel 1, onderdeel e,
                        WW. Het gaat daarbij om rechtspersonen of daaraan gelijkgestelde
                        organisatorische verbanden. Het verlies aan arbeidscapaciteit moet zich dus
                        voordoen binnen de rechtspersoon, of het daaraan gelijkgestelde verband, of
                        het organisatorisch verband waarin de natuurlijke persoon zijn
                        arbeidscapaciteit organiseert.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Tweede lid</titel>
                  </kop>
                  <al>In het tweede lid wordt geregeld dat Onze Minister criteria in een
                        ministeriële regeling kan opnemen op basis waarvan in ieder geval
                        aannemelijk wordt geacht dat de werkgever is geraakt door een crisis als
                        bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van dit
                        wetsvoorstel. Deze criteria kunnen bijvoorbeeld een postcode en/of een
                        SBI-code zijn, maar kunnen ook andere criteria zijn.</al>
                  <al>Ter illustratie, als binnen een bepaald gebied voornamelijk restaurants
                        worden getroffen door een crisis, kan worden besloten in een ministeriële
                        regeling een combinatie van postcode en SBI-code als criteria aan te wijzen.
                        Als een werkgever die een restaurant heeft, binnen het aangewezen
                        postcodegebied is gevestigd en met het aangewezen SBI-code staat
                        geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, dan wordt
                        hij geacht te zijn geraakt door de crisis. Deze werkgever hoeft dan geen
                        stukken aan te leveren om aannemelijk te maken dat hij is geraakt door een
                        crisis. Het UWV toetst slechts of deze werkgever heeft voldaan aan de
                        criteria in de ministeriële regeling en aan de voorwaarden van artikel 3,
                        eerste lid, onderdeel b en c. De werkgever die niet aan de criteria voldoet,
                        maar wel door de crisis wordt geraakt kan gegevens en bescheiden toezenden
                        aan UWV aan de hand waarvan UWV zal toetsen of de werkgever voldoet aan de
                        voorwaarden in artikel 3, eerste lid en artikel 5, eerste lid.</al>
                  <al>Op deze wijze kan het UWV bij een groot aantal aanvragen, wat met name het
                        geval is bij grote crises, gerichter en binnen de gestelde termijn
                        vaststellen of een werkgever is geraakt door een crisis. Voor een nadere
                        toelichting op het aanwijzen van criteria wordt verwezen naar hoofdstuk 7
                        van de algemene toelichting.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 6. Advies op grond van de WOR</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In de verhouding tussen de werkgever en zijn ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering zullen in relatie
                           tot de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en
                           tweede lid, van dit wetsvoorstel in aanvulling op en in afwijking van de
                           WOR nog nadere regels gelden. Deze nadere regels worden genoemd in het
                           tweede tot en met vierde lid van artikel 6.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>De ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of
                           personeelsvergadering zal het advies binnen een redelijke termijn moeten
                           uitbrengen. Vanwege de crisissituatie wordt hier voorgesteld de redelijke
                           termijn in de regel maximaal twee weken te laten zijn. Deze termijn zal
                           ook gelden voor een mededeling van de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering dat geen advies zal
                           worden uitgebracht.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Tenzij het besluit van de werkgever overeenstemt met het advies van de
                           ondernemingsraad, is de ondernemer, op grond van artikel 25, zesde lid,
                           WOR verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand
                           na de dag waarop de ondernemingsraad van het besluit in kennis is
                           gesteld. Vanwege de crisissituatie wordt voorgesteld deze wachttijd te
                           verkorten naar twee weken.</al>
                    <al>In lijn met bovengenoemde opschortingstermijn, wordt ook de termijn van
                           artikel 26, tweede lid, WOR verkort. Uit artikel 26, tweede lid, WOR
                           volgt dat beroep kan worden ingesteld bij de Ondernemingskamer binnen een
                           maand nadat de ondernemingsraad van het in het betreffende besluit in
                           kennis is gesteld. In tijden van crisis gaat een beroepstermijn gelden
                           van twee weken in plaats van een maand.</al>
                    <al>De opschortingstermijn en beroepstermijn van twee weken zijn alleen aan
                           de orde voor het adviesrecht van de ondernemingsraad en niet voor het
                           adviesrecht van de personeelsvertegenwoordiging of
                           personeelsvergadering.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij een adviesaanvraag aan een personeelsvertegenwoordiging zal de
                           werkgever jegens die personeelsvertegenwoordiging dienen te voldoen aan
                           het bepaalde in artikel 35b, derde en vijfde lid, WOR. Dat houdt – in
                           aanvulling op hetgeen reeds uit het onderhavige wetsvoorstel voortvloeit
                           – in dat het advies op een zodanig tijdstip wordt gevraagd dat het van
                           wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Voorts zal gelden
                           dat indien de ondernemer de onderneming niet zelf bestuurt, het overleg
                           voor hem gevoerd wordt door de bestuurder van de onderneming. Zij kunnen
                           zich beiden bij verhindering laten vervangen door een werknemer die
                           bevoegd is namens hen het overleg te voeren.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 7. Moment en wijze van aanvraag</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het eerste lid regelt het aanvraagtijdvak; het tijdvak gedurende welke
                           de eerste aanvraag kan worden ingediend. Dat tijdvak gaat in op de dag
                           dat de crisis zich voordoet, of in de crisissituaties bedoeld in artikel
                           2, derde en vijfde lid, op de dag bepaald in de in die gevallen te
                           treffen ministeriële regeling. Het tijdvak zal 26 weken nadien eindigen.
                           De effecten van een crisis kunnen na-ijlen. Om die reden wordt ervoor
                           gekozen een eerste aanvraag nog tot 26 weken na het ontstaansmoment van
                           de crisis te kunnen indienen.</al>
                    <al>Verlengingsaanvragen kunnen wel buiten het aanvraagtijdvak van 26 weken
                           worden ingediend. In combinatie met artikel 4 zal echter ook voor de
                           verlengingsaanvraag een beperking in tijd gelden. Zie hierover de
                           toelichting op het derde lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het tweede lid wordt bepaald dat als de opschorttermijn van twee
                           weken nog loopt omdat het advies van de ondernemingsraad niet (geheel)
                           overeenstemt met het voorgenomen besluit van de werkgever, de aanvraag
                           nog niet kan worden ingediend. In deze opschorttermijn kan de
                           ondernemingsraad namelijk afwegen of hij het wenselijk acht beroep in te
                           stellen bij de Ondernemingskamer. Als de ondernemingsraad daartoe binnen
                           die twee weken overgaat, kan de werkgever ook hangende de procedure bij
                           de Ondernemingskamer niet overgaan tot het indienen van een aanvraag.
                           Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1 van het
                           algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het derde lid wordt voor alle volledigheid expliciet bepaald tot
                           wanneer een aanvraag tot verlenging kan plaatsvinden, te weten tot en met
                           tien weken na de laatste dag van het crisistijdvak waarop de voorafgaande
                           beschikking betrekking had. Als de werkgever bijvoorbeeld een initiële
                           aanvraag heeft ingediend voor het crisistijdvak 1 maart tot en met
                           30 april, dan kan hij uiterlijk tot en met 9 juli een verlengingsaanvraag
                           indienen. Impliciet volgt deze uiterste datum ook uit artikel 4, tweede
                           lid, waarin is geregeld dat een verlenging aan dient te sluiten op het
                           voorafgaande tijdvak, in samenhang gelezen met het vierde lid van artikel
                           4, dat regelt dat een (verlengings)beschikking kan terugwerken tot en met
                           tien weken te rekenen vanaf de dag waarop de werkgever zijn initiële
                           aanvraag of de aanvraag tot verlenging heeft ingediend. Om misverstanden
                           te voorkomen regelt het voorgestelde derde lid expliciet tot wanneer een
                           verlenging kan worden aangevraagd.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de beschikking waarin het UWV vaststelt of de werkgever voldoet aan
                           de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de eventuele
                           verlenging daarvan, zal de werkgever een aanvraag moeten indienen bij het
                           UWV. De werkgever is verplicht die aanvraag in te dienen via de
                           elektronische weg. Dit is in overeenstemming met artikel 32e Wet Suwi,
                           dat regelt dat het verkeer tussen het UWV en burgers uitsluitend via de
                           elektronische weg loopt. Het UWV kan op grond van artikel 2:15, eerste
                           lid, van de Algemene wet bestuursrecht nadere eisen stellen aan het
                           gebruik van de elektronische weg. Het UWV kan op grond van artikel 4:5
                           Awb besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als de werkgever
                           geen gebruik maakt van de elektronische weg.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 8. Gegevens en bescheiden bij aanvraag</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 4:2, eerste lid, Awb bepaalt dat de aanvraag dient te worden
                           ondertekend en ten minste dient te bevatten: de naam en het adres van de
                           aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                           gevraagd. In artikel 4:2, tweede lid, Awb, is bepaald dat de aanvrager de
                           gegevens en bescheiden verstrekt die voor de beslissing op de aanvraag
                           nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op
                           grond van het eerste lid van het voorgestelde artikel 8 wordt bij
                           ministeriële regeling gespecificeerd welke gegevens het UWV in ieder
                           geval nodig heeft voor de beschikking op de aanvraag of aanvraag tot
                           verlenging, en dus ten minste door de werkgever aan het UWV zullen moeten
                           worden verschaft.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Het voornemen is om in deze ministeriële regeling te bepalen dat de
                              werkgever de volgende gegevens en bescheiden overlegt bij zijn
                              aanvraag:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De contactgegevens van een contactpersoon van de werkgever en
                                    de algemene gegevens van het bedrijf: KvK-nummer, adres
                                    hoofdvestiging en eventueel nevenvestigingen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Bewijsstukken waaruit het bestaan van een crisis blijkt. Er
                                    valt bijvoorbeeld te denken aan foto’s van een ondergelopen
                                    bedrijfsruimte, als gevolg van een overstroming. Tegelijkertijd
                                    zal naar verwachting niet bij iedere crisis het bestaan
                                    aannemelijk kunnen worden gemaakt door middel van het maken van
                                    foto’s. De werkgever kan ook andere bewijsstukken meesturen,
                                    bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt welke goederen verhandeld
                                    worden, wie afnemers zijn, in welk gebied geopereerd wordt, etc.
                                    Dit is geen limitatieve lijst, het is afhankelijk van de aard
                                    van de crisis en de aard van de werkzaamheden van het bedrijf
                                    hoe de werkgever aannemelijk kan maken dat hij getroffen is door
                                    een crisis. Als de crisis wordt veroorzaakt door
                                    overheidsmaatregelen (bijvoorbeeld ter bestrijding van planten-
                                    of dierziekten of een epidemie) kan de werkgever een verwijzing
                                    aanleveren naar het overheidsbesluit. Bij een aanvraag tot
                                    verlenging kan worden volstaan met verwijzing naar de eerdere
                                    toekenningsbeschikking.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Een onderbouwing op grond waarvan het aannemelijk is dat de
                                    werkgever ten gevolge van die crisis gedurende ten minste twee
                                    aaneengesloten maanden gemiddeld ten minste 20% van de hem ter
                                    beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan benutten. Dit kan
                                    hij eventueel ondersteunen met documenten waaruit blijkt hoeveel
                                    mensen hij in dienst heeft, en in welke functies. Dit is echter
                                    niet verplicht (als er een volledige sluiting van een sector
                                    plaatsvindt, is het niet nodig om dit soort gegevens aan te
                                    leveren, het feit dat deze werkgever in de bewuste sector
                                    opereert is dan al voldoende voor de aannemelijkheid.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De ingangsdatum en einddatum van het gewenste tijdvak van
                                    toepassing (twee maanden).</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Een advies, of als dat er niet is een mededeling dat van het
                                    advies wordt afgezien, van de ondernemingsraad, de
                                    personeelsvertegenwoordiging of in de onderneming werkzame
                                    personen, bijeengekomen in de vergadering. De wijze waarop het
                                    advies wordt verstrekt of wordt medegedeeld van een advies af te
                                    zien, is op grond van de WOR vormvrij. Voor zover het advies of
                                    de mededeling niet schriftelijk is gegeven, zullen notulen van
                                    de vergadering waarin het advies is uitgebracht, of waarin is
                                    besloten van adviesrecht af te zien, kunnen volstaan. Het UWV
                                    kan deze gegevens gebruiken bij de vaststelling of de werkgever
                                    inderdaad is geraakt door een crisis, zoals bedoeld in artikel
                                    3, eerste lid, onderdeel a en artikel 5.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Als een advies is gegeven en er kanttekeningen zijn geplaatst
                                    bij de beweegredenen van het voorgenomen besluit tot
                                    herplaatsing of verminderde loondoorbetaling, de betreffende
                                    kanttekeningen. Voor zover het een advies van de
                                    ondernemingsraad betreft, wordt tevens overlegd de reactie van
                                    de werkgever op het advies. Ook deze gegevens kunnen relevant
                                    zijn voor het UWV om vast te stellen of de werkgever inderdaad
                                    is geraakt door een crisis.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Een afschrift van de melding van de werkgever over zijn
                                    voornemen tot herplaatsing of verminderde loondoorbetaling aan
                                    Onze Minister.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In aanvulling op de bevoegdheid tot het niet behandelen van de aanvraag
                           in de gevallen genoemd in artikel 4:5 Awb, zal gelden dat het UWV
                           gehouden is de aanvraag niet te behandelen indien de werkgever bij zijn
                           aanvraag niet de op grond van artikel 8, eerste lid, vereiste gegevens
                           overlegt. In voornoemde gevallen kan het UWV het besluit de aanvraag niet
                           te behandelen overigens alleen nemen indien de werkgever de gelegenheid
                           heeft gehad de aanvraag binnen een door het UWV gestelde redelijke
                           termijn aan te vullen (artikel 4:5, eerste lid, Awb).</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 9. Inlichtingenplicht werkgever</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 9 zal de werkgever verplichten om inlichtingen te verschaffen over
                        feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                        deze van invloed zijn op zijn op de beschikking waarin het UWV vaststelt of
                        hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Dit kan
                        betrekking hebben op alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor
                        het vaststellen of de werkgever voldoet aan deze voorwaarden, zoals het
                        bestaan van een crisis, de mate waarin de werkgever is geraakt door een
                        crisis, advisering door de ondernemingsraad en de melding bij de vakbond. De
                        werkgever heeft de inlichtingenplicht desgevraagd, maar ook ongevraagd. Niet
                        voldoen aan deze verplichting zal, voor zover wordt voldaan aan de in
                        artikel 10 genoemde voorwaarden, grond zijn voor het intrekken of wijzigen
                        van de vaststelling door het UWV. Het niet- of onjuiste gegevens verstrekken
                        is bovendien ook een grond voor het door het UWV opleggen van een
                        bestuurlijke boete, zie daartoe paragraaf 4.</al>
                  <al>Eenzelfde bepaling over de inlichtingenplicht zal worden opgenomen in
                        paragraaf 3 met betrekking tot de loonsubsidie.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10. Intrekken en wijzigen</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het voorgestelde artikel 10, eerste lid, ziet op het intrekken en
                           wijzigen van de beschikking waarbij het UWV vaststelt of de werkgever
                           voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste lid, en op de
                           beschikking tot verlenging daarvan. De intrekking en wijziging vormen
                           beide een discretionaire bevoegdheid van het UWV. Dit zal het UWV in de
                           gelegenheid stellen te beoordelen of intrekking of wijziging in een
                           bepaald geval, mede gelet op het evenredigheidsbeginsel, de juiste
                           maatregel is.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Intrekken en wijzigen van de beschikking tot vaststelling is mogelijk
                              in de in artikel 10, eerste lid, genoemde gevallen waarin de werkgever
                              niet voldoet aan de inlichtingenplicht en:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>daardoor de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist
                                    of onvolledig blijken dat zij, bij een beoordeling van juiste
                                    gegevens, tot een andere beslissing zouden hebben geleid. Het
                                    gaat daarbij ook om gegevens die pas na het moment van de
                                    aanvraag onjuist blijken te zijn. De werkgever is op grond van
                                    artikel 10 verplicht die gegevens onverwijld aan het UWV mede te
                                    delen als zij van invloed kunnen zijn op de vaststelling.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>het UWV daardoor een onjuiste vaststelling deed, en de
                                    werkgever dat wist of behoorde te weten.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Het effect van het intrekken of wijzigen van de vaststelling is het
                           volgende.</al>
                    <al>De vaststelling dat de werkgever voldoet aan de voorwaarden, genoemd in
                           artikel 3, eerste lid, zal een voorwaarde vormen voor het voor de
                           werkgever op grond van het BW ontstaan van het recht op herplaatsing en
                           verminderde loondoorbetaling. En gekoppeld aan het recht op verminderde
                           loondoorbetaling ook weer voor de aanspraak op loonsubsidie, waarop de
                           werkgever op grond van paragraaf 3 aanspraak zal kunnen maken onder de
                           voorwaarde dat hij de verminderde loondoorbetaling daadwerkelijk heeft
                           ingezet. Indien het UWV de vaststelling intrekt of herziet zal dat dus
                           ook kunnen leiden tot intrekking of wijziging van de loonsubsidie.</al>
                    <al>Voorts zal het intrekken of wijzigen van de vaststelling, bedoeld in
                           artikel 3, eerste lid, gevolgen hebben voor de arbeidsrechtelijke relatie
                           tussen werkgever en werknemer. Immers, de werkgever kan de mogelijkheid
                           tot verminderde loondoorbetaling op grond van artikel 7:660b, eerste lid,
                           onderdeel b, of vierde lid, BW, jegens de werknemer alleen krijgen indien
                           het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever voldoet aan de
                           publiekrechtelijke voorwaarden zoals gesteld in dit wetsvoorstel. Het
                           vervallen of wijzigen van die vaststelling zal in de relatie tussen
                           werkgever en werknemer kunnen leiden tot een loonvordering van de
                           werknemer op de werkgever wegens het ten onrechte, of over een verkeerde
                           periode, in mindering brengen van loon, te weten voor het aanvullende
                           bedrag tot aan zijn oorspronkelijke loon.</al>
                    <al>Een intrekking of wijziging van de vaststelling zal eveneens gevolgen
                           hebben voor de herplaatsing. Op grond van artikel 7:660b BW, zal voor de
                           werkgever daarmee de bevoegdheid tot herplaatsing vervallen. Als dat
                           gebeurt terwijl de herplaatsing al is gerealiseerd, kan de periode van
                           herplaatsing niet meer ongedaan worden gemaakt. Het vervallen van de
                           grondslag heeft wel tot gevolg dat de werkgever tekort is geschoten
                           jegens de werknemer in het nakomen van de verplichting de eigen arbeid
                           van werknemer aan te bieden. De gedraging van de werkgever kwalificeert
                           daarmee als wanprestatie.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het voorgestelde tweede lid volgt dat intrekking of wijziging niet
                           meer mogelijk zal zijn als vijf jaren zijn verstreken sinds de
                           bekendmaking van de beschikking waarin het UWV vaststelde dat de
                           werkgever voldeed aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste
                           lid.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 3. Loonsubsidie</titel>
                </kop>
                <al>De voorgestelde loonsubsidie vormt een subsidie in de zin van artikel 4:21
                     Awb. De loonsubsidie bestaat uit een vergoeding aan de werkgever van 65% van de
                     loonsom over de door een werknemer als gevolg van de crisis niet gewerkte uren.
                     Het UWV zal die vergoeding verstrekken aan de werkgever. Dat betekent dat ook
                     titel 4.2 Awb van toepassing is op de vergoeding. Hieronder wordt bij de
                     verschillende artikelen nader ingegaan op de consequenties daarvan.</al>
                <al>De loonsubsidie wordt niet aangemerkt als een subsidie in de Rijksbegroting,
                     omdat het gaat om een premie-gefinancierde tegemoetkoming. De voorwaarden van
                     artikel 4.10 van de Comptabiliteitswet zijn dan ook niet van toepassing op de
                     tegemoetkoming.</al>
                <al>De Aanwijzingen voor subsidieverstrekking en de Kaderwet SZW zijn eveneens
                     niet van toepassing op de tegemoetkoming. Deze kaders gelden namelijk alleen
                     voor subsidies die onder ministeriële verantwoordelijkheid worden verstrekt.
                     Zij zijn daarmee niet van toepassing op subsidies verstrekt door een
                     zelfstandig bestuursorgaan, zoals het UWV.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 11. Aanspraak loonsubsidie</titel>
                  </kop>
                  <al>Uit artikel 11 volgt dat het UWV loonsubsidie verleent op aanvraag. Een
                        aanvraag gaat per loonheffingennummer en de subsidie wordt verleend over het
                        loon over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak. Wat subsidiabele uren
                        zijn en wat onder het subsidietijdvak wordt verstaan volgt uit de artikelen
                        12, respectievelijk artikel 13.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 12 Subsidiabele uren</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Onder subsidiabele uren wordt volgens het eerste lid verstaan de uren
                           waarin een werknemer zijn arbeid vanwege de crisis niet heeft kunnen
                           verrichten en het loon over die uren – voor zover mogelijk op grond van
                           7:660b, eerste lid, onder b, en het vierde lid, BW – is verminderd met
                           10%. Met het loon wordt het naar tijdruimte vastgestelde loon bedoeld,
                           maar ook loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld,
                           zoals stukloon. Artikel 660b, eerste lid, onder b, verwijst immers naar
                           artikel 7:628, eerste lid, BW, maar is daarmee ook van toepassing op
                           artikel 7:628, derde lid, BW.</al>
                    <al>Hieruit volgt dat een werkgever alleen loonsubsidie kan aanvragen voor
                           werknemers die vallen onder het werknemersbegrip van artikel 1 én ten
                           aanzien van wie de werkgever het instrument verminderde loondoorbetaling
                           kan toepassen. Dat instrument kan alleen worden toegepast als er voor de
                           werkgever sprake is van een loondoorbetalingsverplichting in de zin van
                           artikel 7:628 BW of 7:629 BW. Dit betekent dat er werknemers kunnen zijn
                           die wel onder het werknemersbegrip van dit wetsvoorstel vallen (omdat
                           deze werknemers onder de WW vallen en geen overheidswerknemers zijn),
                           maar waarvoor aan de werkgever geen loonsubsidie zal worden verstrekt
                           omdat er ten aanzien van deze werknemers geen
                           loondoorbetalingsverplichting geldt. De werkgever heeft ten aanzien van
                           deze werknemers daardoor geen verminderde loondoorbetaling kunnen
                           toepassen, wat in beginsel wel een vereiste is om aanspraak te maken op
                           loonsubsidie.</al>
                    <al>Een loondoorbetalingsverplichting ontbreekt bijvoorbeeld ten aanzien van
                           werknemers met een arbeidsovereenkomst zonder vast aantal uren en een
                           arbeidsverleden van minder dan drie maanden. Ook ten aanzien van
                           uitzendkrachten in fase A van hun uitzendcontract (die minder dan een
                           jaar in dienst zijn), geldt geen loondoorbetalingsverplichting. Voorts
                           zijn er de zogenaamde fictieve dienstbetrekkingen; arbeidsverhoudingen
                           van personen die op grond van artikel 4 en 5 WW als dienbetrekkingen
                           worden beschouwd. <nadruk type="ondlijn">Deze werknemers met fictieve dienstbetrekkingen worden
                           aangemerkt als werknemers in de zin van de WW en vallen daarmee in
                           beginsel onder dit wetsvoorstel, echter geldt voor hen geen
                           loondoorbetalingsverplichting.</nadruk> De werkgever maakt dan ook geen aanspraak
                           op loonsubsidie voor deze werknemers.</al>
                    <al>De werkgever maakt alleen aanspraak op loonsubsidie als hij het
                           instrument verminderde loondoorbetaling ook daadwerkelijk, volledig,
                           heeft ingezet. Met het volledig inzetten wordt bedoeld dat de werknemer
                           over de niet gewerkte uren 90% van zijn loon ontvangt en niet meer dan
                           90%. Voor zover de werkgever over de niet-gewerkte uren meer betaalt aan
                           de werknemer – bijvoorbeeld vanwege cao-afspraken, zal er voor de
                           werkgever geen aanspraak bestaan op loonsubsidie.</al>
                    <al>Er zijn echter ook situaties dat de werkgever geen of geen volledige
                           verminderde loondoorbetaling heeft kunnen doorvoeren over de uren dat
                           vanwege crisis niet kan worden gewerkt, omdat het loon van de werknemer
                           daarmee onder het wettelijk minimumloon zou uitkomen (onderdeel b), of
                           omdat een werknemer wegens ziekte een loon ontvangt dat gelijk is aan of
                           minder is dan 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon (onderdeel
                           c), of omdat loonbeslag is gelegd (onderdeel d). Als zich één van deze
                           situaties voordoet, dan geldt dat deze uren ook worden aangemerkt als
                           subsidiabele uren en de werkgever hierover zodoende aanspraak maakt op
                           loonsubsidie, ondanks dat geen (volledige) verminderde loondoorbetaling
                           heeft plaatsgevonden.</al>
                    <al>Met de situatie onder onderdeel b wordt bedoeld dat de werkgever geen
                           (volledige) verminderde loondoorbetaling kan doorvoeren omdat bij
                           hantering van de 10% loonsvermindering over de niet-gewerkte uren, de
                           werknemer onder het wettelijk minimumloon zou uitkomen of onder de
                           beslagvrije voet. Van een werknemer die precies het wettelijk minimumloon
                           verdient, zal de werkgever het loon over de niet-gewerkte uren in
                           crisistijd zodoende niet kunnen verlagen. Van een werknemer die net boven
                           het wettelijk minimumloon verdient, zal de werkgever over de uren dat de
                           werknemer vanwege de crisis niet werkt, een vermindering van
                           loondoorbetaling kunnen doorvoeren tot de grens van het wettelijk
                           minimumloon.</al>
                    <al>Met de situatie onder onderdeel c wordt bedoeld dat er geen (volledige)
                           verminderde loondoorbetaling kan plaatsvinden omdat de werknemer vanwege
                           ziekte, zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 7:629 BW, al
                           minder verdient dan 90% van zijn loon over de niet-gewerkte uren. Dit
                           betreft de situatie dat een werknemer over de uren dat hij niet kan
                           werken vanwege crisis, ook al niet kon werken vanwege ziekte. Voor een
                           nadere toelichting hierop wordt verwezen naar artikel 25.</al>
                    <al>Onderdeel d ziet op de situatie dat op het loon van een werknemer beslag
                           is gelegd. Als een werkgever de verminderde loondoorbetaling middels
                           verrekening gerealiseerd wenst te krijgen, gaat het loonbeslag voor (zie
                           artikel 7:632, derde lid, BW). Dat kan met zich brengen dat verrekening
                           niet kan plaatsvinden zolang sprake is van loonbeslag, omdat rekening
                           moet worden gehouden met de beslagvrije voet. Geen verrekening mag
                           plaatsvinden op dat deel van het loon waarop beslag niet geldig zou zijn.
                           De hoogte van de beslagvrije voet wordt berekend aan de hand van artikel
                           475d lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en is afhankelijk van
                           de gezinssituatie van de werknemer. Voor de situatie dat de verminderde
                           loondoorbetaling nog niet (volledig) kan plaatsvinden vanwege loonbeslag,
                           geldt dat de werkgever wel loonsubsidie kan aanvragen over de niet
                           gewerkte uren. Als er geen beslag meer op het loon rust, zal de werkgever
                           uiteraard wel alsnog de verminderde loondoorbetaling dienen te
                           verrekenen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het tweede lid volgt dat voor het vaststellen van de subsidiabele
                           uren wordt gekeken naar de uren zoals deze door de werkgever zijn
                           opgegeven in de polisadministratie. Een werkgever kan de loonaangifte met
                           terugwerkende kracht echter corrigeren door middel van
                           correctieberichten. Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie
                           is noodzakelijk dat kan worden uitgegaan van de loongegevens zoals deze
                           gelden op een bepaald tijdstip. Daarom is een peildatum noodzakelijk.
                           Artikel 17, tweede lid, voorziet in een peilmoment voor de
                           subsidieverlening. Artikel 21, tweede lid, geeft het peilmoment weer voor
                           de subsidievaststelling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van dit voorgestelde lid zullen bij ministeriële regeling
                           nadere regels worden gesteld over welke uren niet tot subsidiabele uren
                           kunnen worden gerekend. Uitgesloten van subsidiabele uren worden onder
                           andere uren waarover de werknemer een uitkering heeft ontvangen die de
                           werknemer toekomt op grond van de Wet arbeid en zorg, of uren waarvoor de
                           werkgever een financiële compensatie ontvangt op grond van een no risk
                           polis. De werkgever zal deze uitgesloten uren zodoende niet mogen opgeven
                           als subsidiabele uren in de polisadministratie. Voor een nadere
                           toelichting hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.3.3 van het algemeen
                           deel.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 13. Subsidietijdvak</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het eerste lid volgt wat wordt verstaan onder het subsidietijdvak;
                           dat is de periode waarover de werkgever zijn aanvraag loonsubsidie
                           indient en waarover de subsidie wordt verstrekt. Dat betreft een periode
                           die binnen het crisistijdvak valt en twee, vier of zes maanden beslaat.
                           Daarnaast moet de loonsubsidieperiode altijd aanvangen op de dag waarop
                           het crisistijdvak start.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het tweede lid maakt duidelijk dat het subsidietijdvak kan worden
                           verlengd; de werkgever kan na een eerdere aanvraag tot verlening van
                           loonsubsidie om een verlenging van het subsidietijdvak vragen waarbij de
                           eerdere periode waarover subsidie is aangevraagd aansluitend wordt
                           verlengd tot een totale duur van vier of zes maanden. In totaal kan een
                           werkgever maximaal twee keer vragen om een verlenging met twee maanden
                           tot een totale periode van zes maanden. De maximale periode van zes
                           maanden houdt verband met het crisistijdvak, dat op grond van artikel 4,
                           tweede lid, ook ten hoogste een periode van zes maanden kan beslaan.
                           Uiteraard moeten alle maanden waarover verlening wordt aangevraagd binnen
                           het crisistijdvak liggen.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Verschillende varianten van verlenging zijn mogelijk, denk aan:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>twee keer verlengen met twee maanden na een eerdere verlening
                                    van twee maanden;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>een verlenging van twee maanden na een subsidieverlening van
                                    vier maanden;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>een verlenging van vier maanden na een subsidieverlenging van
                                    twee maanden;</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Stel een werkgever heeft tijdens een crisistijdvak van zes maanden
                           alleen de laatste vier maanden verminderde loondoorbetaling toegepast en
                           wenst over deze uren loonsubsidie te ontvangen. De werkgever vraagt in
                           dit voorbeeld loonsubsidie aan over een subsidietijdvak van zes maanden,
                           met als startdatum de eerste dag van het crisistijdvak. Over de eerste
                           twee maanden van het subsidietijdvak zullen geen subsidiabele uren
                           opgegeven kunnen worden. Effectief ontvangt de werkgever zodoende
                           loonsubsidie over de vier maanden waarover de verminderde
                           loondoorbetaling heeft plaatsgevonden, maar de aanvraag ziet op een
                           subsidietijdvak van zes maanden en dus inclusief de eerste twee
                           maanden.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 14. Hoogte loonsubsidie</titel>
                  </kop>
                  <al>In dit artikel wordt uiteengezet hoe de hoogte van de loonsubsidie wordt
                        berekend. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de loonsubsidie 65% bedraagt
                        van het loon over de subsidiabele uren van werknemers die onder een
                        loonheffingennummer vallen.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie zal gekeken moeten
                           worden naar de werknemers die vallen onder het loonheffingennummer en
                           waarvoor de werkgever het instrument verminderde loondoorbetaling
                           overeenkomstig artikel 7:660b, eerste lid onder b, BW, heeft toegepast.
                           Hoewel de werkgever voor al deze werknemers in één keer een aanvraag
                           indient, wordt de hoogte van de loonsubsidie in eerste instantie berekend
                           op werknemersniveau. Vervolgens worden alle uitkomsten van deze
                           afzonderlijke berekeningen per werknemer bij elkaar opgeteld om zo tot
                           het totale subsidiebedrag van de werkgever voor dat loonheffingennummer
                           te komen. Deze berekeningswijze komt tot uitdrukking in het eerste
                           lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het tweede lid volgt hoe de hoogte van de loonsubsidie wordt
                           berekend op werknemersniveau; het subsidiabele loon wordt vermenigvuldigd
                           met het percentage werktijdvermindering en de uitkomst daarvan wordt
                           vermenigvuldigd met het loonsubsidiepercentage van 65% en met de factor
                           werkgeverslasten. Hieronder worden de verschillende onderdelen van de
                           berekening uitgelegd.</al>
                    <al>Letter A staat voor het subsidiabele loon van de werknemer over de
                           periode waarvoor de werkgever loonsubsidie heeft aangevraagd. Een
                           werkgever kan een aanvraag indienen voor een periode van twee, vier of
                           zes maanden, gelegen binnen het crisistijdvak. Dat is het
                           subsidietijdvak. Zie hierover meer in de toelichting op artikel 13. Omdat
                           de berekening van de hoogte van de loonsubsidie wordt gebaseerd op
                           gegevens uit de polisadministratie zal gekeken moeten worden naar alle
                           aangiftetijdvakken waarin het loon over de periode waarover loonsubsidie
                           wordt aangevraagd is verantwoord.</al>
                    <al>Het subsidiabele loon is het geconstrueerde loon van alle
                           aangiftetijdvakken waarin het loon over het subsidietijdvak is
                           verantwoord. Onder de toelichting op het vierde lid is uitgewerkt hoe het
                           geconstrueerde loon wordt berekend.</al>
                    <al>De letter A wordt vermenigvuldigd met het percentage
                           werktijdvermindering. Dat percentage wordt verkregen door letter B te
                           delen door letter C.</al>
                    <al>Letter B ziet op de subsidiabele uren die betrekking hebben op het
                           subsidietijdvak. De werkgever zal de subsidiabele uren moeten vermelden
                           in de polisadministratie en bij de aanvraag voor loonsubsidie moeten
                           vermelden in welke aangiftetijdvakken hij het loon over het
                           subsidietijdvak heeft opgegeven, zodat UWV kan vaststellen welke
                           aangiftetijdvakken in de berekening moeten worden betrokken. Is sprake
                           van verlenging van het crisistijdvak, dan kan zich voordoen dat in een
                           aangiftetijdvak ook subsidiabele uren zijn vermeld die zien op een latere
                           periode dan waarop de subsidieaanvraag ziet. Onder 3.3.3 van het algemeen
                           deel is uitgewerkt hoe daarmee wordt omgegaan.</al>
                    <al>Letter C ziet op de verloonde uren in het subsidietijdvak. Dat zijn de
                           uren waarover loon is betaald en waarvan door de werkgever loonaangifte
                           is gedaan. Hieronder vallen ook de uren dat een werknemer niet heeft
                           kunnen werken en waarover verminderde loondoorbetaling heeft
                           plaatsgevonden.</al>
                    <al>Vervolgens wordt er nog vermenigvuldigd met 0,65. Deze factor staat voor
                           het percentage loonsubsidie van 65% waarmee de overheid de werkgever in
                           crisistijd tegemoetkomt.</al>
                    <al>Tot slot wordt er vermenigvuldigd met de factor werkgeverslasten. De
                           factor werkgeverslasten vormt een forfaitaire opslag om de loonsom te
                           corrigeren voor de verschillende kosten die de werkgever heeft. De
                           loonsom bestaat immers uit loon waarover loonbelasting en premies
                           volksverzekering wordt afgedragen. De werkgever heeft daarnaast te maken
                           met andere lasten, zoals bijvoorbeeld premies voor
                           werknemersverzekeringen en pensioenpremies. Op grond van het voorgestelde
                           achtste lid zal de factor werkgeverslasten worden vastgesteld bij
                           ministeriële regeling. Het peilmoment voor de factor werkgeverslasten is
                           de laatste dag van het subsidietijdvak. Voor een nadere toelichting wordt
                           verwezen naar paragraaf 3.3.3 van de algemene toelichting.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het derde lid volgt dat voor het begrip aangiftetijdvak wordt
                           aangesloten bij de belastingwetgeving. Het gaat om het tijdvak waarover
                           loonbelasting wordt betaald. Op basis van artikel 28 en 29
                           Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, kan dat op
                           basis van een periode van vier weken, een maand, een half jaar of een
                           jaar. Meestal wordt gebruik gemaakt van het tijdvak van vier weken of een
                           maand. Een kleine groep werkgevers (denk aan zelfstandige
                           binnenvaartschippers met personeel) hanteert een aangiftetijdvak van een
                           halfjaar of jaar. Omdat voor de berekening van de hoogte van de
                           loonsubsidie het loon in het subsidietijdvak relevant is, is de duur van
                           het aangiftetijdvak in beginsel niet van belang. Telkens zal moeten
                           worden bezien welke aangiftetijdvakken het subsidietijdvak beslaat.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het vierde lid volgt hoe het geconstrueerde loon wordt berekend.
                           Uitgangspunt voor het geconstrueerde loon is het loon onder letter D.
                           Daarmee wordt gedoeld op het loon voor de sociale verzekeringen op grond
                           van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna:
                           SV-loon), en wel alleen voor zover het gaat om loon uit tegenwoordige
                           dienstbetrekking. Het SV-loon is behoudens enkele uitzonderingen gelijk
                           aan het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Doordat met
                           deze omschrijving loon uit vroegere dienstbetrekkingen is uitgesloten,
                           geldt dat uitkeringen – op een tweetal uitzonderingen na – in principe
                           ook niet worden meegenomen in de berekening van de loonsom. De twee
                           uitzonderingen hierop zijn: ziektewetuitkeringen tijdens de duur van de
                           dienstbetrekking en uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg. Deze
                           uitkeringen worden op grond van artikel 22a Wet op de loonbelasting 1964
                           namelijk aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en vallen
                           daarmee wel onder het begrip ‘loon’. Bij ministeriële regeling zullen op
                           grond van het negende lid nadere regels worden gesteld over de invulling
                           van letter D. Zo zal letter D in ieder geval worden verminderd met
                           bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de
                           loonbelasting 1964 en worden vermeerderd met de periodieke opbouw van
                           vakantiebijslag en arbeidsvoorwaardenbedrag.</al>
                    <al>Letter D wordt gedeeld door 1 – het percentage werktijdvermindering maal
                           0,1. Het percentage werktijdvermindering wordt gevormd door letter E te
                           delen door letter F. De letters E en F zijn telkens subsidiabele uren,
                           respectievelijk verloonde uren, die daadwerkelijk zien op het
                           aangiftetijdvak waarover subsidie is aangevraagd. Anders dan de letter B
                           waar de subsidiabele uren ook buiten de aangiftetijdvakken kunnen vallen
                           waarover subsidie is aangevraagd, omdat deze uren in een ander
                           aangiftetijdvak zijn verantwoord.</al>
                    <al>De formule is de inverse relatie van de berekening die de werkgever doet
                           om aan de hand van het aantal subsidiabele uren het loon na verwerking
                           van de verminderde loondoorbetaling te bepalen. Met deze forfaitaire
                           berekening wordt het loonverlagend effect van de werknemersbijdrage op
                           het subsidiabel loon zoveel mogelijk geneutraliseerd. Zo zal het
                           subsidiabel loon bijvoorbeeld gedeeld worden door 0,9 indien er evenveel
                           subsidiabele uren als verloonde uren worden aangegeven, wat overeenkomt
                           met de verplichting van de werkgever om in deze situatie 90% van het loon
                           door te betalen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vijfde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het vijfde lid wordt geregeld dat het geconstrueerde loon en daarmee
                           het subsidiebedrag is gemaximeerd. Als geconstrueerd loon wordt maximaal
                           het dagloon genomen, maal het aantal werkbare dagen binnen de betreffende
                           aangiftetijdvakken. Voor een aangiftetijdvak van een maand zijn dat
                           21,75 dagen en voor een aangiftetijdvak van vier weken zijn dat
                           20 dagen.</al>
                    <al>Het maximale dagloon volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Wet
                           financiering sociale verzekeringen. Voor de berekening van het
                           geconstrueerde loon wordt het maximale dagloon in acht genomen zoals dat
                           geldt aan het einde van het aangiftetijdvak waarover de berekening
                           plaatsvindt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zesde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het zesde lid voorziet in een minimale loonsubsidie per subsidiabel uur.
                           Dit ter voorkoming van onredelijke uitkomsten bij situaties waarin het
                           loon niet met 10% verminderd kan worden. Het gaat dan om de situaties
                           zoals omschreven in artikel 12, eerste lid, onderdeel b en c; in die
                           situaties kan de volledige loonvermindering niet plaatsvinden, omdat een
                           werknemer hierdoor anders minder dan het minimumloon zou verdienen,
                           respectievelijk omdat dat een werknemer vanwege ziekte, zwangerschap of
                           bevalling als bedoeld in artikel 7:629 BW, reeds een loon ontvangt dat
                           gelijk is aan of minder is dan 90% van het naar tijdruimte vastgestelde
                           loon.</al>
                    <al>De minimale loonsubsidie per subsidiabel uur bedraagt 75% van het
                           minimumloon per uur, inclusief vakantiegeld en werkgeverslasten. De
                           formule hiervoor zal als volgt komen te luiden: B x 0,75 x het wettelijk
                           minimumloon x 1,08 x de factor werkgeverslasten. B staat voor de
                           subsidiabele uren die betrekking hebben op het subsidietijdvak, bedoeld
                           in artikel 13. Met de vermenigvuldiging met 0,75 wordt het percentage
                           minimale loonsubsidie aangegeven en met de vermenigvuldiging met 1,08
                           wordt vakantiegeld meegenomen. De factor werkgeverslasten wordt
                           vastgesteld bij ministeriële regeling.</al>
                    <al>In het zesde lid is een peilmoment opgenomen voor het wettelijk
                           minimumloon en de factor werkgeverslasten. Het wettelijk minimumloon
                           wordt twee keer per jaar vastgesteld. De factor werkgeverslasten wordt
                           vastgesteld bij ministeriële regeling. De peildatum is de laatste dag van
                           het subsidietijdvak. Dit kan met zich brengen dat voor de berekening van
                           de hoogte van de loonsubsidie bij een verlenging van het subsidietijdvak,
                           gerekend moet worden met een andere hoogte van het wettelijk minimumloon,
                           of andere factor werkgeverslasten, dan ten tijde van de voorafgaande
                           verlening.</al>
                    <al>Voor een nadere toelichting op de minimale loonsubsidie wordt verwezen
                           naar paragraaf 3.3.3 van het algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zevende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het zevende lid wordt geregeld dat als de werknemer geen of minder
                           loon heeft genoten in een aangiftetijdvak in verband met ongeschiktheid
                           ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling, als bedoeld in artikel
                           7:629 BW, de subsidiabele uren onder E worden gesteld op nihil. Aangezien
                           er in deze situatie geen (volledige) ruimte bestaat voor het toepassen
                           van de verminderde loondoorbetaling, hoeft het loon in het betreffende
                           aangiftetijdvak ook niet (volledig) geconstrueerd te worden. Dit wordt in
                           de formule benaderd door de subsidiabele uren onder E in dit
                           aangiftetijdvak gelijk te stellen aan nihil. Voor de berekening van de
                           loonsubsidie in het tweede lid worden de subsidiabele uren onder B niet
                           gelijkgesteld aan nihil. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de
                           berekening van het geconstrueerde loon en de hoogte van de loonsubsidie,
                           zodat ook voor de zieke werknemer loonsubsidie over de subsidiabele uren
                           berekend kan worden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar
                           paragraaf 3.3.3 van het algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Achtste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit lid wordt bepaald dat bij ministeriële regeling de factor
                           werkgeverslasten, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld. Beoogd is
                           om bij inwerkingtreding van de voorgestelde wet de factor
                           werkgeverslasten 1,235 te laten zijn, gebaseerd op een percentage
                           werkgeverslaten van 23,5%. Omdat deze factor moet worden bezien binnen
                           het economische en politieke speelveld dat aan veranderingen onderhevig
                           is, wordt de factor werkgeverslasten bij ministeriële regeling
                           bepaald.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Negende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over wat voor de
                           toepassing van het vierde lid wordt verstaan onder letter D. Uit het
                           vierde lid volgt hoe het geconstrueerde loon wordt berekend. Uitgangspunt
                           voor het geconstrueerde loon is het loon onder letter D, waarmee wordt
                           gedoeld op het SV-loon. Het SV-loon wordt op bepaalde loonbestanddelen
                           gecorrigeerd om tot een subsidiabel loon te komen dat het loon over de
                           niet-gewerkte uren goed representeert. Het SV-loon zal in ieder geval
                           worden vermeerderd met de periodieke opbouw van vakantiebijslag en
                           arbeidsvoorwaardenbedrag en worden verminderd met het loon dat belast
                           wordt volgens de loonbelastingtabel voor bijzondere beloningen. Deze
                           correcties worden bij ministeriële regeling geregeld. Voor een nadere
                           toelichting over het corrigeren van het SV-loon wordt verwezen naar
                           paragraaf 3.3.3 van het algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tiende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit lid wordt bepaald dat aanvullende regels gesteld kunnen worden
                           bij ministeriële regeling over de hoogte van de loonsubsidie. Deze
                           bepaling is opgenomen met het oog op toekomstige ontwikkelingen en
                           inzichten als het gaat om de berekening van de loonsubsidie en
                           looncomponenten die hiervan onderdeel zijn.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 15. De aanvraag verlening loonsubsidie</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 15 ziet op de aanvraag tot verlening van de loonsubsidie. Het
                           eerste lid maakt duidelijk vanaf welk moment de werkgever een aanvraag
                           kan indienen. Dat zal zijn nadat van de subsidiabele uren en het loon
                           over de subsidiabele uren in het subsidietijdvak dat wordt aangevraagd
                           loonaangifte is gedaan. Dit brengt met zich dat over het subsidietijdvak
                           de verminderde loondoorbetaling volledig heeft plaatsgevonden of er
                           sprake is van de situatie vermeld onder artikel 12, tweede lid, onderdeel
                           b, c, of d; er heeft geen of geen volledige verminderde loondoorbetaling
                           kunnen plaatsvinden omdat het loon daarmee onder het wettelijk
                           minimumloon zou uitkomen, of omdat de werknemer wegens ziekte,
                           zwangerschap of bevalling als bedoeld in artikel 629, van Boek 7, BW, een
                           loon ontvangt dat gelijk is aan of minder is dan 90% van het naar
                           tijdruimte vastgestelde loon, dan wel de verminderde loondoorbetaling
                           heeft nog niet volledig plaatsgevonden omdat beslag op het loon is
                           gelegd.</al>
                    <al>Ter illustratie, als de aanvraag bijvoorbeeld betrekking heeft op een
                           periode van twee maanden, van 15 april tot en met 14 juni, dan kan de
                           werkgever loonsubsidie over deze periode aanvragen als hij de
                           loonaangifte van de betreffende werknemers over de maanden april, mei en
                           juni heeft gedaan waarbij hij ook loonaangifte heeft gedaan van de
                           subsidiabele uren en het verminderde loon.</al>
                    <al>Het eerste lid geeft vervolgens ook weer wat het uiterste moment is
                           waarop een werkgever een aanvraag kan indienen. Dat zal zijn tot en met
                           26 weken na het subsidietijdvak. Na afloop van het voor de werkgever
                           geldende crisistijdvak kan de werkgever zodoende nog precies tot en met
                           de laatste dag van de 26<sup>ste</sup> week een aanvraag voor
                           loonsubsidie indienen. Deze uiterste termijn geldt ook voor verlenging
                           van het subsidietijdvak.</al>
                    <al>Ter illustratie; loopt het crisistijdvak van 15 april tot en met
                           14 juni, dan kan de werkgever nog tot en met 13 december een aanvraag
                           indienen. Op 14 december is de werkgever te laat. Als vervolgens het
                           crisistijdvak wordt verlengd met twee maanden en de werkgever tevens het
                           subsidietijdvak wenst te verlengen met twee maanden, dus tot en met
                           14 augustus, dan gaat na voornoemde datum weer opnieuw de termijn tot 26
                           weken lopen om deze verlengingsaanvraag voor loonsubsidie in te dienen.
                           Heeft de werkgever op 13 februari het volgende jaar nog geen
                           verleningsverzoek gedaan, is verlenging niet meer mogelijk wordt de
                           eerdere subsidieverlening ambtshalve vastgesteld. Zie hierover meer onder
                           de toelichting op artikel 21, eerste lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Om in aanmerking te komen voor de loonsubsidie dient de werkgever een
                           aanvraag in bij het UWV. De werkgever is verplicht die aanvraag in te
                           dienen via de elektronische weg. Het UWV kan op grond van artikel 2:15,
                           eerste lid, nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische
                           weg. Het UWV kan op grond van artikel 4:5 Awb besluiten de aanvraag niet
                           in behandeling te nemen als de werkgever geen gebruik maakt van de
                           elektronische weg.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 16. Gegevens en bescheiden bij aanvraag</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Tijdens de aanvraag tot verlening van loonsubsidie, toont het UWV de
                           werkgever op basis van het loonheffingennummer een overzicht van de
                           werknemers waarvoor de werkgever in de polisadministratie subsidiabele
                           uren heeft opgegeven. Daarnaast worden gegevens uit de polisadministratie
                           weergegeven die de grondslag vormen voor de berekening van de
                           loonsubsidie. Als het gaat om een grote aanvraag waarvoor de
                           polisgegevens van vele werknemers benodigd zijn, dan kan het tonen van
                           deze gegevens langer in beslag nemen. De werkgever zal dan de keuze
                           hebben om ofwel een aanvraag in te dienen zonder de poslisgegevens in te
                           zien, ofwel te wachten met het indienen van de aanvraag tot het moment
                           dat deze poslisgegevens inzichtelijk zijn.</al>
                    <al>Bij de aanvraag zal het bsn worden verwerkt van de werknemers waarop de
                           loonsubsidie betrekking heeft. Het UWV zal het bsn benutten om vast te
                           stellen voor welke werknemers binnen het loonheffingennummer loonsubsidie
                           wordt aangevraagd en, indien nodig, in de communicatie over de
                           loonsubsidie tussen het UWV en de werkgever.</al>
                    <al>Om te komen tot effectieve verlening van loonsubsidie is het van belang
                           dat er een goede uitwisseling is van informatie en (bijzondere)
                           persoonsgegevens tussen de werkgever en het UWV. Voor het UWV is het
                           noodzakelijk te weten voor welke werknemers loonsubsidie wordt
                           aangevraagd, omdat de lonen van deze werknemers de hoogte van de
                           loonsubsidie bepalen. Het uniforme gebruik van een uniek en
                           persoonsgebonden nummer is daartoe de aangewezen methode en het bsn het
                           aangewezen instrument. Door gebruik van het bsn zal het UWV eenvoudig en
                           met grote mate van betrouwbaarheid kunnen vaststellen om welke werknemers
                           het gaat en voor deze werknemers de juiste loongegevens kunnen
                           terugvinden. Voor een nadere onderbouwing over gegevensverwerking wordt
                           verwezen naar paragraaf 5.1 van de algemene toelichting.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In het tweede lid wordt geregeld dat bij ministeriële regeling wordt
                              aangegeven welke nadere gegevens de werkgever bij de aanvraag tot
                              verlening van loonsubsidie dient te verstrekken. Daarbij zal in ieder
                              geval gedacht moeten worden aan:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>De werkgever levert bij de aanvraag loonsubsidie
                                    contactgegevens, het loonheffingennummer, informatie over
                                    subsidiabele tijdvakken en een SEPA-rekeningnummer aan bij
                                    UWV.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Voor de berekening van de loonsubsidie gebruikt UWV uit de
                                    polisadministratie de volgende gegevens: burgerservicenummer per
                                    loonheffingennummer, SV-loon, subsidiabele uren, verloonde uren,
                                    code incidentele inkomstenvermindering (vanwege ziekte,
                                    zwangerschap of bevalling). Aanvullend zal in een ministeriële
                                    regeling worden uitgewerkt welke gegevens aanvullend nodig zijn.
                                    Het gaat naar verwachting om loon belast volgens tabel
                                    bijzondere beloningen, vakantiebijslag, opgebouwde recht
                                    vakantiebijslag, opname arbeidsvoorwaardenbedrag en opbouw
                                    arbeidsvoorwaardenbedrag.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>Indien van toepassing, de vermelding dat voor een werknemer
                                    waarvan het loon is meegenomen in de berekening van de
                                    loonsubsidie, de werkgever heeft verzocht om toestemming van het
                                    UWV of een ontslagcommissie om de arbeidsovereenkomst wegens
                                    bedrijfseconomische redenen op te zeggen, of heeft verzocht om
                                    vervangende toestemming bij de kantonrechter, in de periode
                                    vanaf de aanvang van een crisistijdvak tot en met vier maanden
                                    na afloop van het crisistijdvak als bedoeld in artikel 4, eerste
                                    lid en tweede lid.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <al>De informatie waarop UWV de hoogte van de loonsubsidie baseert, wordt
                              door UWV voorgelegd aan de werkgever, om te verifiëren of de gegevens
                              kloppen. Indien dit het geval is, zal op basis van die gegevens de
                              loonsubsidie worden berekend. Als dit niet het geval is, is het de
                              verantwoordelijkheid van de werkgever om de loonaangifte bij de
                              Belastingdienst te corrigeren.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 17. Subsidieverlening</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 17 stelt regels ten aanzien van de subsidieverlening. Een aanvraag
                        loonsubsidie is altijd een aanvraag tot verlening. De vaststelling geschiedt
                        ambtshalve en is geregeld in artikel 21.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het eerste lid geldt voor het UWV een beslistermijn van ten
                           hoogste zes weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening. Dat
                           geldt ook als het een verzoek om verlenging van het subsidietijdvak
                           betreft. Mocht de aanvraag niet compleet zijn, dan kan het UWV de
                           werkgever een termijn geven de aanvraag aan te vullen. De beslistermijn
                           zal in dat geval pas gaan lopen na ontvangst van de complete aanvraag.
                           Binnen die maximale termijn zal het UWV zich inspannen de beschikking tot
                           subsidieverlening zo spoedig mogelijk te geven, zodat de werkgever die
                           aanspraak maakt op loonsubsidie deze zo spoedig mogelijk uitgekeerd
                           krijgt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie is noodzakelijk dat
                           kan worden uitgegaan van de loongegevens zoals deze gelden op een bepaald
                           tijdstip. Deze datum is vastgesteld op de dag waarop de aanvraag tot
                           subsidieverlening wordt ingediend. De subsidiabele uren zoals die op dat
                           moment in de polisadministratie staan worden gebruikt ten behoeve van de
                           berekening van de loonsubsidie. Het peilmoment voor de
                           subsidievaststelling is gelegen op een later moment en geregeld in
                           artikel 21, tweede lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij de verlening wordt de loonsubsidie gecorrigeerd voor
                           ontslagaanvragen vanwege bedrijfseconomische redenen. In artikel 23 is
                           geregeld dat de werkgever zich committeert om geen ontslagaanvragen
                           wegens bedrijfseconomische redenen in te dienen. Indien de werkgever voor
                           een werknemer waarvan het loon is meegenomen in de berekening van de
                           loonsubsidie, in de periode vanaf de aanvang van een crisistijdvak tot en
                           met vier maanden na afloop van het crisistijdvak als bedoeld in artikel
                           4, eerste lid en tweede lid, toch een verzoek indient om wegens
                           bedrijfseconomische redenen de arbeidsovereenkomst te beëindigen, heeft
                           dat gevolgen voor de hoogte van de loonsubsidie. Het gaat dan om een
                           verzoek om toestemming van het UWV of een ontslagcommissie om de
                           arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen op te zeggen, of
                           om een verzoek om vervangende toestemming bij de kantonrechter. De
                           loonsubsidie die is toegekend tot de ontslagaanvraag wordt dan opnieuw
                           berekend, inhoudende dat de uitkomst van de berekening van de hoogte ex
                           artikel 14, tweede lid, ten aanzien van de werknemer waarvoor toestemming
                           om bedrijfseconomisch ontslag is aangevraagd, wordt bijgesteld naar 75%
                           van deze uitkomst.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het vierde lid maakt duidelijk dat de voorafgaande beschikking tot
                           subsidieverlening wordt gewijzigd als de werkgever om een verlenging
                           verzoekt. Met de verleningsaanvraag wordt de periode waarover
                           loonsubsidie wordt aangevraagd verlengd en zal de berekening voor de
                           hoogte van de loonsubsidie over alle maanden van de aanvraag
                           plaatsvinden. Ter illustratie; stel een werkgever heeft een beschikking
                           tot subsidieverlening ontvangen over twee maanden gelegen in de maanden
                           januari, februari, maart. De werkgever vraagt een aansluitende verlenging
                           aan van twee maanden over de maanden maart, april, mei. Er volgt dan een
                           beschikking tot subsidieverlening over de vier maanden, gelegen in de
                           periode januari tot en met mei en de berekening zal over die gehele
                           periode plaatsvinden.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 18. Subsidieverlening werkgevers met aangiftetijdvak halfjaar
                           of jaar</titel>
                  </kop>
                  <al>De systematiek van de verlening van loonsubsidie binnen dit wetsvoorstel is
                        aldus vormgegeven dat de aanvraag kan worden ingediend nadat loonaangifte is
                        gedaan. Deze systematiek zou voor een kleine groep werkgevers, namelijk
                        werkgevers die een aangiftetijdvak van een halfjaar of jaar hanteren, ertoe
                        leiden dat zij mogelijk erg lang moeten wachten om een aanvraag te kunnen
                        indienen. Daarnaast hebben deze werkgevers mogelijk nog geen loonaangifte
                        gedaan voordat de aanvraagtermijn voor de loonsubsidie is verstreken. In
                        tijden van crisis is dat onwenselijk. Daarom worden middels dit artikel
                        verschillende uitzonderingen op de systematiek van subsidieverlening gemaakt
                        die ertoe leiden dat deze groep werkgevers ook vóór de loonaangifte een
                        aanvraag tot verlening van loonsubsidie kunnen doen.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Onder a is geregeld dat artikel 12, tweede lid, voor de
                           subsidieverlening niet van toepassing is op de groep werkgevers die een
                           aangiftetijdvak van een halfjaar of jaar hanteert. Hierdoor kan de
                           werkgever subsidiabele uren opgeven die nog niet zijn opgenomen in de
                           polisadministratie.</al>
                    <al>Onder b wordt geregeld dat de hoogte van de subsidieverlening voor deze
                           werkgevers ook kan worden berekend op basis van gegevens die de werkgever
                           aanlevert. Het gaat om gegevens die UWV anders uit de polisadministratie
                           verkrijgt, te weten burgerservicenummer per loonheffingennummer, SV-loon,
                           subsidiabele uren, verloonde uren, code incidentele inkomstenvermindering
                           (vanwege ziekte, zwangerschap of bevalling). Zoals geregeld in artikel
                           16, tweede lid, zal in een ministeriële regeling worden uitgewerkt welke
                           gegevens aanvullend nodig zijn. Te denken valt aan het loon belast
                           volgens de tabel bijzondere beloningen, vakantiebijslag, opgebouwde recht
                           vakantiebijslag, opname arbeidsvoorwaardenbedrag en opbouw
                           arbeidsvoorwaardenbedrag. De werkgever die een aangiftetijdvak van een
                           halfjaar of jaar aanhoudt en gebruik wenst te maken van de mogelijkheid
                           om een loonsubsidie aan te vragen voordat loonaangifte is gedaan, zal
                           zodoende dezelfde gegevens moeten verstrekken als alle andere werkgevers
                           die een aanvraag doen.</al>
                  </al-groep>
                  <al>In onderdeel c wordt voorzien in een alternatieve definitie van het
                        aangiftetijdvak. Naast de beschrijving die in artikel 14, derde lid wordt
                        gegeven, wordt onder aangiftetijdvak mede verstaan het tijdvak waarover de
                        werkgever het loon uitbetaalt. Zodra betaling van het loon heeft
                        plaatsgevonden over het gehele subsidietijdvak, kunnen werkgevers met een
                        aangiftetijdvak van een halfjaar of jaar, overgaan tot het indienen van een
                        aanvraag tot subsidieverlening.</al>
                  <al>In onderdeel d wordt geregeld dat de formule voor het gemaximeerde
                        geconstrueerde loon toepasbaar blijft bij gebruik van een afwijkend
                        aangiftetijdvak. Als een werkgever gebruik maakt van een aangiftetijdvak van
                        een halfjaar of jaar en een aanvraag tot subsidieverlening indient voordat
                        aangifte is gedaan, dan ziet het aangiftetijdvak op de periode waarover de
                        werknemer zijn loon geniet. Dat kan vier weken, of een maand zijn, maar ook
                        een periode van een dag of een week. In geval van een week wordt het
                        maximale dagloon maal vijf gedaan. Afhankelijk van welke periode de
                        werkgever hanteert, zal de formule door UWV worden aangepast. Deze
                        handmatige aanpassing is ook aan de orde als de werkgever de aanvraag tot
                        subsidieverlening indient nadat hij loonaangifte over een halfjaar of jaar
                        heeft gedaan. In dat geval wordt het maximale dagloon maal 130,5 gedaan voor
                        een aangiftetijdvak van een halfjaar en maal 261 voor een aangiftetijdvak
                        van een jaar.</al>
                  <al>Dat de aanvraag tot subsidieverlening kan worden ingediend nadat
                        loonaangifte is gedaan, komt expliciet tot uitdrukking in artikel 15, eerste
                        lid. Hierop is in onderdeel e een uitzondering gemaakt.</al>
                  <al>In onderdeel f, wordt in lijn met onderdeel b, geregeld dat voor de
                        berekening van de loonsubsidie voor de beschikking tot subsidieverlening
                        niet alleen de gegevens uit de polisadministratie kunnen worden gebruikt,
                        maar ook gegevens die door de werkgever zelf worden aangeleverd.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 19. Voorschot</titel>
                  </kop>
                  <al>In dit artikel wordt geregeld dat als het UWV een beschikking tot
                        subsidieverlening geeft, het UWV binnen twee weken na de subsidieverlening
                        een voorschot betaalt. Als de werkgever verzoekt om een verlenging, volgt
                        een subsidieverlening en zodoende ook een voorschot. Het voorschot zal
                        gelijk zijn aan het bedrag van de subsidieverlening.</al>
                  <al>Voor betaling van het subsidiebedrag bij vaststelling geldt de algemene
                        betalingstermijn van zes weken (artikel 4:87, eerste lid, Awb). Een betaald
                        voorschot wordt bij de vaststelling verrekend met het subsidiebedrag en een
                        onverschuldigd betaald voorschot wordt teruggevorderd (artikel 4:95, vierde
                        lid Awb).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 20. Opschorting van de betaling</titel>
                  </kop>
                  <al>In artikel 19 wordt voorzien in de mogelijkheid de betaling van het
                        voorschot op de loonsubsidie na de verlening op te schorten bij een ernstig
                        vermoeden dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden of de verplichtingen die
                        zijn verbonden aan de loonsubsidie op grond van dit wetsvoorstel. Daarbij is
                        artikel 4:56 Awb van toepassing. Deze bepaling ziet niet op de verplichting,
                        bedoeld in artikel 23, onderdeel d. Het niet naleven van die verplichting
                        kan niet leiden tot het opschorten van de betaling; wel heeft dit gevolgen
                        voor de uiteindelijke hoogte van de loonsubsidie.</al>
                  <al>De mogelijkheid tot opschorting van de betaling is ook aan de orde indien
                        een melding van de werkgever daartoe aanleiding geeft. Deze
                        opschortingsbevoegdheid hangt samen met de meldingsplicht zoals neergelegd
                        in artikel 23, onderdeel a.</al>
                  <al>Naast de specifieke in de regeling opgenomen gronden tot opschorting kan
                        een beschikking ook worden opgeschort op grond van artikel 4:15 Awb. Als
                        bijvoorbeeld de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag tot verstrekking van loonsubsidie, dan wordt de
                        termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag
                        na die waarop het UWV de werkgever verzoekt de aanvraag aan te vullen, tot
                        de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
                        ongebruikt is verstreken.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 21. Subsidievaststelling</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Het eerste lid regelt de ambtshalve vaststelling. Deze volgt altijd na
                           een subsidieverlening. Als het subsidietijdvak voor de subsidieverlening
                           niet meer kan worden verlengd, volgt ambtshalve vaststelling. Dat is in
                           ieder geval aan de orde als 26 weken na het crisistijdvak zijn
                           verstreken. Een werkgever kan namelijk op grond van artikel 15, eerste
                           lid, tot en met 26 weken na een crisistijdvak een aanvraag tot
                           subsidieverlening doen en een subsidietijdvak kan uiterlijk lopen tot
                           einde crisistijdvak. Zodra subsidieverlening niet meer kan, zal UWV
                           overgaan tot ambtshalve vaststelling. Ambtshalve vaststelling vindt
                           uiterlijk plaats binnen tien maanden na afloop van het
                           crisistijdvak.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Voor de berekening van de hoogte van de loonsubsidie voor de
                           vaststelling is noodzakelijk dat kan worden uitgegaan van de loongegevens
                           zoals deze gelden op een bepaald tijdstip. Deze datum is vastgesteld op
                           de dag waarop UWV kan overgaan tot ambtshalve vaststelling: De eerste dag
                           van de 27<sup>ste</sup> week na afloop van het crisistijdvak. De
                           subsidiabele uren zoals die op dat moment in de polisadministratie staan
                           worden gebruikt ten behoeve van de berekening van de loonsubsidie. Dit
                           betreft een ander peilmoment dan dat voor de subsidieverlening. Het
                           peilmoment voor de subsidieverlening is geregeld in artikel 17, tweede
                           lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Uit het derde lid volgt dat als na de peildatum in een loonaangifte
                           nieuwe of gewijzigde gegevens zijn opgenomen die zouden leiden tot een
                           lagere loonsubsidie, UWV de bijgestelde polisadministratie kan benutten
                           voor de vaststelling van de hoogte van de loonsubsidie. Deze uitzondering
                           op het peilmoment geldt enkel voor aanpassingen die leiden tot een lagere
                           loonsubsidie en niet voor bijstellingen die leiden tot een hogere
                           loonsubsidie. UWV heeft deze mogelijkheid tot neerwaartse bijstelling van
                           de loonsubsidie ook wanneer werkgevers met een aangiftetijdvak van een
                           half jaar of jaar, na het peilmoment ex artikel 22, onderdeel d, hun
                           loonaangifte wijzingen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Evenals bij de verlening wordt bij de vaststelling van de loonsubsidie
                           gecorrigeerd voor ontslagaanvragen vanwege bedrijfseconomische redenen.
                           In artikel 23 is geregeld dat de werkgever zich committeert om geen
                           ontslagaanvragen wegens bedrijfseconomische redenen in te dienen. Indien
                           de werkgever voor een werknemer waarvan het loon is meegenomen in de
                           berekening van de loonsubsidie en in de periode vanaf de aanvang van een
                           crisistijdvak tot en met vier maanden na afloop van het crisistijdvak als
                           bedoeld in artikel 4, eerste lid en tweede lid, zich hieraan niet houdt,
                           heeft dat gevolgen voor de hoogte van de loonsubsidie. De loonsubsidie
                           die is toegekend tot de ontslagaanvraag wordt dan opnieuw berekend,
                           inhoudende dat de uitkomst van de berekening van de hoogte ex artikel 14,
                           tweede lid, ten aanzien van de werknemer waarvoor toestemming om
                           bedrijfseconomisch ontslag is aangevraagd, wordt bijgesteld naar 75% van
                           deze uitkomst.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 22. Subsidievaststelling werkgevers met aangiftetijdvak
                           halfjaar of jaar</titel>
                  </kop>
                  <al>In dit artikel worden verschillende uitzonderingen op de systematiek van
                        subsidievaststelling gemaakt voor werkgevers die loonaangifte doen per
                        halfjaar of jaar.</al>
                  <al>Onder a wordt geregeld dat de formule van het geconstrueerde loon rekening
                        houdt met een aangiftetijdvak van een halfjaar of jaar. Als de werkgever een
                        aangiftetijdvak hanteert van een half jaar wordt het gemaximeerde
                        geconstrueerde loon berekend door het maximale dagloon zoals dat gold aan
                        het einde van het aangiftetijdvak te vermenigvuldigen met 130,5. Hanteert de
                        werkgever een aangiftetijdvak van een jaar dan wordt er vermenigvuldigd met
                        261.</al>
                  <al>Onder b en c wordt een uitzondering geregeld voor de termijn waarbinnen UWV
                        de loonsubsidie vaststelt. Als een werkgever een aangiftetijdvak hanteert
                        van een halfjaar of jaar kan het bij de gestelde termijn in artikel 20,
                        eerste lid, zo zijn dat de ambtshalve vaststelling eerder plaatsvindt dan
                        dat loonaangifte is gedaan. Daarom is onder b bepaald dat niet alleen ten
                        minste 26 weken na het crisistijdvak moeten zijn verstreken, maar dat ook de
                        loonaangifte over de subsidiabele uren moet zijn gedaan. Onder c is bepaald
                        dat als binnen 26 weken na afloop van het crisistijdvak nog geen
                        loonaangifte heeft plaatsgevonden, UWV vier maanden vanaf het moment van
                        loonaangifte de tijd heeft om tot de ambtshalve vaststelling over te gaan.
                        Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.3.3 van de
                        algemene toelichting.</al>
                  <al>Onder d wordt voorzien in een alternatief peilmoment waarop ten behoeve van
                        de berekening van de hoogte van de loonsubsidie voor de
                        subsidievaststelling, naar de gegevens uit de polisadministratie wordt
                        gekeken. Als op het moment van de genoemde peildatum in artikel 21, tweede
                        lid, nog geen loonaangifte is gedaan, dan wordt voor de berekening van de
                        subsidievaststelling gekeken naar de ten tijde van vaststelling over de
                        aangiftetijdvakken meest recent ingediende loonaangifte waarin het loon over
                        de subsidiabele uren in het subsidietijdvak is verantwoord.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 23. Verplichting bij subsidieverstrekking</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Uit dit artikel volgt aan welke verplichtingen de werkgever zich dient
                           te houden als aan hem subsidie wordt verstrekt. Deze verplichtingen
                           hebben zowel betrekking op de subsidieverlening als op de
                           subsidievaststelling. De verplichtingen houden in dat:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>de werkgever bij de aanvraag de juiste en volledige gegevens
                                 verstrekt en ook nadien onverwijld melding doet aan het UWV als
                                 zich omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een
                                 beslissing tot subsidieverstrekking. Dat kan bijvoorbeeld
                                 betrekking hebben op de gegevens die ten grondslag liggen aan de
                                 berekening van de loonsubsidie. Denk aan de situatie dat de
                                 werkgever na afloop van een aanvraag tot subsidieverlening, maar
                                 binnen vier maanden na het crisistijdvak alsnog overgaat tot het
                                 indienen van een verzoek voor bedrijfseconomisch ontslag, als
                                 bedoeld in artikel 7:671a, lid 1 of 2, of artikel 7:671b, lid 1,
                                 onderdeel b, BW. Het niet voldoen aan de verplichting onder
                                 onderdeel a zal voor het UWV, op grond van artikel 4:48, eerste
                                 lid, onderdeel b, Awb, reden kunnen zijn de subsidieverlening te
                                 wijzigen of in te trekken. Het onjuist of onvolledig verstrekken
                                 van gegevens kan ook leiden tot intrekking of wijziging op grond
                                 van artikel 4:48, eerste lid, onderdeel c, Awb. De
                                 inlichtingenplicht die in artikel 4:48, eerste lid, onderdeel c,
                                 Awb, besloten ligt is evenwel beperkter dan de inlichtingenplicht
                                 zoals deze volgt uit het onderhavige onderdeel a. De verplichting
                                 uit artikel 23, onderdeel a, houdt immers niet alleen in dat juiste
                                 en volledige gegevens bij de aanvraag moeten worden ingediend, maar
                                 ook dat de werkgever nádien desgevraagd of ongevraagd melding doet
                                 van gewijzigde of nieuwe feiten en omstandigheden die voor de
                                 subsidieverstrekking van belang kunnen zijn.Het niet voldoen aan de
                                 verplichting onder artikel 23, onderdeel a, kan voorts leiden tot
                                 wijziging of intrekking van de subsidievaststelling als zich
                                 hierdoor een situatie voordoet als weergegeven in artikel 4:49,
                                 eerste lid, Awb. Eenzelfde bepaling over de inlichtingenplicht zal
                                 worden opgenomen in paragraaf 2 met betrekking tot de beschikking
                                 waarin het UWV vaststelt of de werkgever voldoet aan de
                                 voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de werkgever een zodanig controleerbare administratie voert dat de
                                 voor de verstrekking van de subsidie van belang zijnde rechten en
                                 verplichtingen, betalingen en ontvangsten, met betrekking tot de
                                 werknemers waarvoor subsidie wordt verstrekt, kunnen worden
                                 nagegaan en verleent desgevraagd inzage in deze administratie tot
                                 vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de werkgever de loonaangifte doet op grond van de Wet op de
                                 loonbelasting 1964 op de voorgeschreven wijze. Deze regels zijn
                                 gebaseerd op fiscale wetgeving, zoals de Algemene wet inzake
                                 rijksbelastingen (AWR) en de Wet op loonbelasting 1964. Op grond
                                 van deze regels is de werkgever onder meer verplicht om tijdig en
                                 juist loonaangifte te doen. Die verplichtingen gelden ook ten
                                 aanzien van gegevens die UWV nodig heeft voor de uitvoering van
                                 haar taken, waaronder de uitvoering van dit wetsvoorstel;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>de werkgever in het crisistijdvak en tot en met vier maanden na
                                 afloop van die periode geen verzoek bij UWV of een ontslagcommissie
                                 indient om de arbeidsovereenkomst van een werknemer met toestemming
                                 van UWV of een ontslagcommissie wegens bedrijfseconomische redenen
                                 op te zeggen. De werkgever mag ook niet na een afwijzing op het
                                 verzoek om toestemming, de kantonrechter verzoeken de
                                 arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische gronden te
                                 ontbinden. Als de werkgever dit toch doet, dan moet de werkgever
                                 dat op grond van onderdeel a melden aan UWV, voor zover dat niet
                                 bij UWV bekend is. Dat speelt bijvoorbeeld bij een verzoek aan een
                                 ontslagcommissie of aan de kantonrechter.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Het niet voldoen aan deze verplichtingen kan gevolgen hebben. Op grond
                           van de artikelen 4:48, 4:49, en 4:50, Awb gelden grondslagen om een
                           beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling, in te trekken
                           of te wijzingen. Intrekking of wijziging van een subsidieverlening kan op
                           grond van artikel 4:48, eerste lid, Awb, als:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                 hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de werkgever niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                                 verplichtingen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de werkgever onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                                 de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                 beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben
                                 geleid;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de werkgever dit
                                 wist of behoorde te weten, of</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt
                                 gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden
                                 gesteld.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Intrekking of wijziging van een subsidievaststelling kan op grond van
                           artikel 4:49, eerste lid, Awb:</al>
                    <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>op grond van feiten of omstandigheden waarvan UWV bij de
                                 subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en
                                 op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
                                 subsidieverlening zou zijn vastgesteld;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>als de subsidievaststelling onjuist was en de werkgever dit wist
                                 of behoorde te weten, of</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>als de werkgever na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan
                                 de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Uit artikel 23 volgen de verplichtingen waaraan de werkgever zich dient te
                        houden. Het niet naleven van de verplichtingen in artikel 23, onderdelen a,
                        b, en c, kan ertoe leiden dat het UWV op grond voornoemde artikelen uit de
                        Awb de subsidieverlening of subsidievaststelling intrekt of wijzigt.</al>
                  <al>Het niet naleven van de verplichting in artikel 23, onderdeel d, heeft
                        gevolgen voor de hoogte van de subsidie. Hiervoor wordt verwezen naar de
                        toelichting op artikel 21, lid 4.</al>
                  <al>In het tweede lid is geregeld dat zowel de verleende als vastgestelde
                        subsidie niet overdraagbaar is, om gerechtelijke procedures hierover te
                        voorkomen. In artikel 3:83, lid 1, is bepaald dat ‘eigendom, beperkte
                        rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard
                        van het recht zich tegen een overdracht verzet’. Een verleende of
                        vastgestelde subsidie valt onder ‘vorderingsrechten’ als bedoeld in artikel
                        3:83, lid 1, BW.<noot id="n126" type="voet"><noot.nr>126</noot.nr><noot.al>Rb. Midden-Nederland, 30 maart 2022,
                              ECLI:NL:RBMNE:2022:1261.</noot.al></noot> Hoewel uit de aard van de loonsubsidie mogelijk al volgt dat deze
                        zich tegen overdracht verzet, wordt voor de duidelijkheid in het
                        wetsvoorstel expliciet geregeld dat de subsidie niet overdraagbaar is.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 4. Bestuurlijke boete</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 24. Bestuurlijke boete inlichtingenplicht</titel>
                  </kop>
                  <al>Voor de bestuurlijke boete is aangesloten bij het Wetsvoorstel handhaving
                        sociale zekerheid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf
                        8.2 van het algemeen deel.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij het niet voldoen door de werkgever aan de voor hem op grond van de
                           artikelen 9 en 23, eerste lid, onderdeel a, geldende inlichtingenplicht
                           krijgt het UWV – naast de bevoegdheid tot intrekken of wijzigen van de
                           vaststelling en de loonsubsidie – de bevoegdheid aan de werkgever een
                           boete op te leggen als op de aanvraag tot verstrekking van loonsubsidie
                           anders zou zijn beslist of indien de beschikking op de aanvraag zou zijn
                           ingetrokken of gewijzigd indien de juiste of volledige gegevens bij het
                           UWV bekend zouden zijn geweest.</al>
                    <al>De inlichtingenplicht voor de werkgever houdt kortgezegd in dat hij alle
                           informatie zal moeten verschaffen die relevant is voor een rechtmatige
                           vaststelling, bedoeld in artikel 3, en voor de hoogte, duur of
                           rechtmatigheid van de loonsubsidie, bedoeld in paragraaf 3, van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    <al>Voor de beoordeling van de aanvragen in het kader van dit wetsvoorstel
                           is het noodzakelijk dat de werkgever informatie aanlevert aan het UWV, en
                           dat het UWV erop kan vertrouwen dat deze informatie juist is. Een boete
                           is een financiële prikkel om overtredingen te voorkomen; er gaat een
                           afschrikkende werking vanuit. Deze zal kunnen bijdragen aan een verhoogde
                           naleving. Daarnaast heeft de boete een punitief karakter, waarmee eenmaal
                           begane overtredingen kunnen worden bestraft. De handhaving kent daarmee
                           een tweeledig doel: een nalevingsdoel en een bestraffend doel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het tweede lid bedraagt de boete ten hoogste het bedrag van
                           de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
                           van Strafrecht. Dit bedrag is per 1 januari 2024 € 10.300,00. Bij een
                           herhaalde overtreding van de inlichtingenverplichting bedraagt de boete
                           ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23,
                           vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit bedrag is per 1 januari
                           2024 € 25.750,00. Wanneer de bevoegdheid tot verhoging van de boete aan
                           de orde is staat verderop in het artikel over de boeteoplegging (in het
                           zesde lid).</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het derde lid is het afwegingskader opgenomen dat UWV hanteert bij
                           het beslissen over de oplegging van een boete. De volgende criteria zijn
                           van belang: aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid
                           van de betrokkene en de mate waarin de overtreding het gevolg is van een
                           handelen of nalaten van het bestuursorgaan.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het vierde lid wordt in een aantal situaties steeds een
                           boete opgelegd. Dit betreffen de strafverzwarende omstandigheden. Daarbij
                           gaat het om: situaties waarbij vervalste documenten gebruikt zijn om een
                           (onterecht) positieve beschikking op de initiële aanvraag en de eventuele
                           aanvraag voor verlenging van het crisistijdvak of (meer) loonsubsidie te
                           krijgen; er is sprake van opzet of grove schuld ten aanzien van de
                           overtreding van de inlichtingenplicht met als doel bevoordeling; of er is
                           sprake van een overtreding waarbij strafrechtelijke vervolging is
                           aangewezen en die uitblijft, bijvoorbeeld vanwege capaciteitsproblemen
                           bij het openbaar ministerie.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vijfde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het vijfde lid zijn twee situaties genoemd waarbij het bestuursorgaan
                           in de gevallen, bedoeld in het vierde lid, kan afzien van het opleggen
                           van een boete. Daarbij gaat het om de situatie dat de betrokkene uit
                           eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen aan het bestuursorgaan geeft
                           voordat het bestuursorgaan de overtreding heeft geconstateerd. Ook kan
                           het zo zijn dat UWV anderszins meent dat een boete in het concrete geval
                           niet bijdraagt aan wat ermee bereikt zou moeten worden. Hiervan zal in de
                           situaties beschreven in het vierde lid niet snel sprake kunnen zijn.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zesde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het zesde lid is geregeld dat de bestuurlijke boete verhoogd kan
                           worden bij een herhaalde overtreding van de inlichtingenplicht, binnen
                           vijf jaar nadat een eerdere boeteoplegging of strafrechtelijke sanctie
                           voor overtreding van de inlichtingenplicht onherroepelijk is geworden.
                           Een verhoging betekent dat de bestuurlijke boete die op grond van de
                           overtreding zou worden opgelegd zonder dat rekening gehouden wordt met
                           het gegeven dat sprake is van een herhaalde overtreding verhoogd wordt.
                           In het tweede lid is geregeld dat als het bestuursorgaan besluit de boete
                           te verhogen vanwege een herhaalde overtreding ook een hoger maximum voor
                           de hoogte van de boete geldt. Boeteverhoging bij recidive is een
                           bevoegdheid van het bestuursorgaan.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zevende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het zevende lid wordt geregeld dat UWV bevoegd is om, op verzoek van
                           de betrokkene, de boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden indien
                           de betrokkene meewerkt aan een schuldregeling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Achtste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Hierin wordt geregeld dat een inlichtingenplicht geldt voor degene aan
                           wie een bestuurlijke boete is opgelegd.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Negende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het negende lid is de bevoegdheid voor UWV geregeld om af te zien van
                           het opleggen van een boete op grond van een dringende reden. Ook hierbij
                           is aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid
                           waarin codificatie heeft plaatsgevonden van de uitspraak van 18 april
                              2024.<noot id="n127" type="voet"><noot.nr>127</noot.nr><noot.al>ECLI:NL:CRVB:2024:726.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tiende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
                           tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is
                           opgelegd. Te denken valt daarbij aan regels over de bevoegdheid tot
                           verrekening door het UWV van een door de werkgever verschuldigde boete
                           met door hem te ontvangen subsidiebetalingen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Elfde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>In het elfde lid is geregeld dat met betrekking de hoogte van de boetes
                           wanneer de werkgever niet voldoet aan de inlichtingenplicht in artikel
                           23, eerste lid, onderdeel a, nadere regels worden gesteld bij algemene
                           maatregel van bestuur. Hier zal aansluiting worden gezocht met het
                           Boetebesluit socialezekerheidswetten, waarin een percentage wordt benut
                           van het benadelingsbedrag. Dat betreft het bedrag dat de werkgever door
                           verwijtbaar te handelen onterecht aan loonsubsidie heeft gekregen.
                           Aangezien bij overtreding van de inlichtingenplicht in artikel 9 geen
                           benadelingsbedrag aan de orde is, ziet dit lid enkel op overtreding van
                           de inlichtingenplicht in artikel 23, eerste lid, onderdeel a.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 5. Wijziging andere wetten</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 25. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht</titel>
                  </kop>
                  <al>Deze voorgestelde wijzigingen regelen het stelsel van rechtsbescherming in
                        geval van een beschikking op grond van artikel 3, eerste lid en artikel 4,
                        tweede lid, van dit wetsvoorstel. Dit voorziet in de mogelijkheid van
                        rechtstreeks beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad
                        van Beroep (artikel 10 bijlage 2 bij de Awb). Toetsing door een
                        onafhankelijke en onpartijdige rechter is derhalve gewaarborgd. Afdeling 7.1
                        van de Algemene wet bestuursrecht, waarin onder meer wordt bepaald dat geen
                        beroep tegen een besluit bij de bestuursrechter mogelijk is, dan nadat tegen
                        dat besluit bezwaar is gemaakt, is niet van toepassing op een beschikking
                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid en artikel 4, tweede lid. Er wordt geen
                        uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat beroep de werking van het besluit
                        waartegen het is ingesteld niet schorst. Wel kan bij de voorzieningenrechter
                        van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening worden gedaan,
                        strekkende tot schorsing van de bestreden beschikking (artikel 8:81 Awb). De
                        voorzieningenrechter zal dat verzoek inwilligen indien onverwijlde spoed,
                        gelet op de betrokken belangen (zoals het belang van de werkgever om
                        arbeidsrechtelijke instrumenten in te zetten tijdens een crisis), een
                        dergelijke voorlopige voorziening vereist.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 26. Wijziging van het Burgerlijk Wetboek</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit artikel wordt voorgesteld een nieuw artikel 660b in te voegen dat
                        een tweetal arbeidsrechtelijke instrumenten regelt die de werkgever kan
                        inzetten ten tijde van een crisis in de zin van dit wetsvoorstel: te weten
                        herplaatsing en verminderde loondoorbetaling. Ook de combinatie van beide
                        instrumenten, zowel gelijktijdig als opeenvolgend binnen een crisistijdvak,
                        is mogelijk. Deze combinatie kan betrekking hebben op dezelfde werknemer,
                        maar niet op dezelfde uren. Vandaar dat het eerste lid, onderdeel a is
                        afgesloten met ‘of’. Voor de uren waarin de werknemer de bedongen arbeid
                        niet kan verrichten zal namelijk een keuze gemaakt moeten worden tussen
                        ofwel herplaatsing, ofwel verminderde loondoorbetaling.</al>
                  <al>De herplaatsing en verminderde loondoorbetaling worden vormgegeven als
                        arbeidsrechtelijke instrumenten, en kunnen daarmee worden toegepast indien
                        sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW.
                        Daarmee zullen de begrippen werkgever en werknemer voor de toepassing van
                        deze instrumenten een enigszins andere reikwijdte hebben dan voor de
                        toepassing van de loonsubsidie. De loonsubsidie zal immers een
                        bestuursrechtelijk instrument zijn, verstrekt door het UWV aan de werkgever,
                        en waarvoor het werkgevers- en werknemersbegrip van de WW uitgangspunt
                        vormen. Voor het BW geldt geen definitie van deze begrippen, maar is
                        relevant of tussen deze partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst als
                        bedoeld in artikel 7:610 BW. Zie hierover ook de toelichting op artikel 1
                        onder het werknemers- en werkgeversbegrip, en paragraaf 2.7 van het algemeen
                        deel.</al>
                  <al>Concreet zal dat betekenen dat de arbeidsrechtelijke instrumenten
                        herplaatsing, verminderde loondoorbetaling of de combinatie daarvan ook
                        kunnen worden ingezet voor werknemers boven de pensioengerechtigde leeftijd,
                        terwijl de werkgever voor deze groep werknemers geen aanspraak kan maken op
                        de bestuursrechtelijk vormgegeven loonsubsidie. Evenmin geldt voor de inzet
                        van deze instrumenten de territoriale beperking die de WW kent. Deze
                        beperking zal wel gaan gelden voor de loonsubsidie. Werkgevers kunnen deze
                        instrumenten dus ook toepassen voor werknemers die op basis van artikel 3 en
                        de daarop gebaseerde lagere regelgeving buiten de WW vallen. De op grond van
                        de WW geldende beperking dat de dienstbetrekking binnen Nederland of het
                        continentaal plat moet worden vervuld, geldt dus niet voor herplaatsing en
                        vermindering loondoorbetaling zolang sprake is van een arbeidsovereenkomst
                        als bedoeld in artikel 7:610 BW en waarvoor een
                        loondoorbetalingsverplichting geldt. Andersom geldt dat de instrumenten niet
                        kunnen worden ingezet binnen de zogenaamde fictieve dienstbetrekkingen op
                        grond van de WW. Immers, in die gevallen is geen sprake van een
                        arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Eerste lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van het eerste lid krijgt een werkgever ten tijde van een
                           crisis de mogelijkheid een tweetal instrumenten, of de combinatie
                           daarvan, in te zetten ten aanzien van werknemers die geheel of
                           gedeeltelijk de bedongen arbeid niet kunnen verrichten. Deze mogelijkheid
                           zal gelden voor de uren dat de bedongen arbeid niet kan worden verricht
                           en gedurende het door het UWV op verzoek van de werkgever vast te stellen
                           tijdvak van twee maanden, dat aansluitend twee maal met twee maanden zal
                           kunnen worden verlengd tot een maximum van zes maanden. Het betreft de
                           volgende instrumenten, die ook in combinatie met elkaar kunnen worden
                           ingezet:</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>a. de mogelijkheid een werknemer andere passende arbeid te
                                 laten verrichten</titel>
                      </kop>
                      <al>Met deze wettelijke mogelijkheid tot herplaatsing geeft de wetgever
                              de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang dat hij kan overgaan tot
                              herplaatsing van de werknemer.</al>
                      <al>De werknemer zal jegens zijn werkgever verplicht zijn de andere
                              arbeid te verrichten indien deze passend is. Wat wordt verstaan onder
                              ‘passende arbeid’ wordt uiteengezet bij de toelichting op het derde
                              lid. Voorts geldt deze verplichting jegens de werkgever voor de
                              werknemer alleen onder de voorwaarden, genoemd in het eerste lid,
                              onderdeel a. De arbeid zal een gelijkwaardig of lager loonwaarde
                              moeten hebben, waarmee de loonwaarde van de functie wordt bedoeld. Een
                              functie met een hogere loonwaarde is zodoende niet toegestaan.
                              Daarnaast moet de arbeid worden verricht bij dezelfde werkgever, dan
                              wel een werkgever die binnen dezelfde groep valt, bedoeld in artikel
                              2:24b BW. Voor een nadere toelichting op dit punt wordt verwezen naar
                              paragraaf 3.3.2.2 van het algemeen deel. Tot slot wordt de voorwaarde
                              gesteld dat als sprake is van extra reistijd door een verandering van
                              locatie, de extra reistijd aangemerkt moet worden als werktijd en de
                              extra reistijd wordt vergoed. Dit kan zich voordoen als een werkgever
                              bijvoorbeeld nog een vestiging elders heeft waarnaar de werknemers
                              worden herplaatst.</al>
                      <al>Bij herplaatsing gaat het om verrichten van ander werk tegen dezelfde
                              arbeidsvoorwaarden. Denk daarbij aan bijvoorbeeld loon en
                              vakantiedagen. Zou door een wijziging van werkzaamheden een andere cao
                              van toepassing zijn, dan blijven toch de oorspronkelijke collectieve
                              arbeidsvoorwaarden gelden, als ware de werknemer zijn eigen arbeid
                              verricht. Indien de oorspronkelijke cao tijdens de herplaatsing
                              gewijzigd wordt, geldt de wijziging ook voor de herplaatste werknemer
                              als deze nieuwe versie van de cao los van de herplaatsing ook voor de
                              werknemer was gaan gelden.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>b. de mogelijkheid het loon verminderd door te betalen</titel>
                      </kop>
                      <al>Indien de werkgever gebruik maakt van deze mogelijkheid, dan zal voor
                              hem een uitzondering gelden op zijn, op grond van artikel 7:628,
                              eerste lid, BW geldende verplichting die inhoudt dat hij het naar
                              tijdruimte vastgestelde loon volledig dient te voldoen indien de
                              werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft
                              verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de
                              overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer
                              behoort te komen.</al>
                      <al>Dit voorgestelde instrument geeft de werkgever de mogelijkheid om in
                              afwijking van deze hoofdregel het loon niet volledig, maar verminderd
                              door te betalen over de uren die de werknemer de bedongen arbeid ten
                              gevolge van een crisis niet kan verrichten. De werkgever zal het loon
                              over die uren kunnen verminderen tot 90% van het oorspronkelijke
                              uurloon. Daarbij geldt de beperking dat de werkgever over die uren ten
                              minste het minimumloon per uur dient te betalen.</al>
                      <al>Het gaat hierbij om ‘loon’ in de zin van artikel 7:628, eerste lid,
                              BW; het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ook om loon in geld op
                              andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld (ex artikel 7:628, derde
                              lid, BW). Het naar tijdruimte vastgestelde loon omvat geldloon waarop
                              een werknemer recht heeft na het verstrijken van een bepaalde periode,
                              onverschillig wat het resultaat van die arbeid is geweest.
                              Uitgangspunt daarbij is het brutoloon dat wordt vermeerderd met
                              toeslagen voor bijvoorbeeld een onregelmatigheidstoeslag (voor zover
                              deze toeslag niet afhankelijk is van de inzet van de werknemer, maar
                              louter van het verstrijken van een bepaalde periode, bijvoorbeeld een
                              uur) en ook de vakantietoeslag behoort tot het naar tijdruimte
                              vastgestelde loon. Voor de berekening van de vermindering tot 90% over
                              de niet gewerkte uren, zal de werkgever over die uren het naar
                              tijdruimte vastgestelde loon naar rato dienen vast te stellen.</al>
                      <al>Indien het loon op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld,
                              moet als loon in dat geval worden beschouwd het gemiddelde loon dat de
                              werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd
                              had kunnen verdienen. Te denken valt hierbij aan loonvormen als
                              provisie, bonus en stukloon. Winstdelingen en beloningen waarvan de
                              hoogte enkel ter discretie van de werkgever staat, vallen niet onder
                              artikel 7:628 BW.</al>
                      <al>De verminderde doorbetaling van loon ziet niet op loondoorbetaling
                              tijdens vakantie, ex artikel 7:639 BW en andere vormen van
                              doorbetaling van loon die voortkomen uit Europees recht, op grond
                              waarvan afwijking niet mogelijk is. Geldelijke uitkeringen uit hoofde
                              van een (wettelijke) verzekering of fonds (artikel 7:628, tweede lid
                              BW), zoals een uitkering op grond van de werkloosheidswet, ziektewet
                              of Wet arbeid en zorg, worden van het loon afgetrokken.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Tweede lid</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>De werkgever zal de instrumenten herplaatsing en verminderde
                              loondoorbetaling, of de combinatie daarvan, slechts kunnen inzetten
                              indien hij voldoet aan een viertal voorwaarden:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>De werkgever heeft van het UWV een beschikking ontvangen waarin
                                    op grond van artikel 3 van het wetsvoorstel is vastgesteld dat
                                    de werkgever is geraakt door een crisis, dat hij de vakbond
                                    heeft geïnformeerd en dat hij de ondernemingsraad,
                                    personeelsvertegenwoordiging of personeelsvergadering in de
                                    gelegenheid heeft gesteld om advies uit te brengen.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>De werkgever zal per groep van uitwisselbare functies per
                                    bedrijfsvestiging de herplaatsing, de verminderde
                                    loondoorbetaling of de combinatie daarvan dienen in te zetten.
                                    Hij zal dat instrument of de combinatie dienen in te zetten voor
                                    alle werknemers binnen die gehele groep aan uitwisselbare
                                    functies op de betreffende bedrijfsvestiging, en wel voor een
                                    gelijk percentage van de voor de betreffende werknemers geldende
                                    arbeidsomvang. De inzet vindt dus plaats naar rato van de
                                    arbeidsomvang teneinde de werknemers naar evenredigheid te
                                    belasten. De inzet van deze instrumenten zal voor een parttimer
                                    dus op minder uren betrekking hebben dan voor een fulltimer. Het
                                    rekenen met een percentage van de arbeidsomvang kan leiden tot
                                    gebroken uren, hetgeen voor de herplaatsing niet praktisch is.
                                    Om die reden worden voor de herplaatsing de gebroken uren
                                    afgerond naar hele uren.</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>De werkgever kan op grond van het voorgestelde onderdeel c
                                    slechts de arbeidsrechtelijke instrumenten inzetten zolang hij,
                                    kort gezegd, geen stappen zet om op bedrijfseconomische gronden
                                    de arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. De instrumenten
                                    kunnen worden ingezet:</al>
                          <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>indien voorafgaand aan het crisistijdvak de
                                          arbeidsovereenkomst niet op bedrijfseconomische gronden is
                                          opgezegd of de arbeidsovereenkomst op die grond door de
                                          kantonrechter is ontbonden. In het eerste geval kan de
                                          werkgever gebonden zijn aan een opzegtermijn van
                                          bijvoorbeeld vier maanden die doorloopt in het
                                          crisistijdvak. Het is dan niet de bedoeling dat de
                                          werkgever tijdens de opzegtermijn arbeidsrechtelijke
                                          instrumenten gaat inzetten. Hetzelfde geldt bij de
                                          ontbinding door de kantonrechter. Wanneer de kantonrechter
                                          vóór de aanvang van het crisistijdvak de
                                          arbeidsovereenkomst heeft ontbonden en er een periode ligt
                                          tussen de uitspraak van de kantonrechter en de
                                          daadwerkelijke ontbindingsdatum, dan mag de werkgever over
                                          deze tussenliggende periode geen arbeidsrechtelijke
                                          instrumenten inzetten.</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>indien de werkgever tijdens het crisistijdvak toestemming
                                          heeft om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het gaat
                                          hier om toestemming die voorafgaand het crisistijdvak is
                                          verleend, en die op grond van artikel 7:671a, zesde lid,
                                          BW in het crisistijdvak geldig is. Het maakt daarbij niet
                                          uit of de werkgever in het crisistijdvak de toestemming
                                          laat verlopen (oftewel: hij zegt de arbeidsovereenkomst
                                          niet op). Ook in dat geval mag de werkgever de
                                          arbeidsrechtelijke instrumenten niet inzetten. Het is de
                                          verantwoordelijkheid van een werkgever om, als er een
                                          ontslagaanvraag loopt en de werkgever wil gebruik maken
                                          van de arbeidsrechtelijke instrumenten, de ontslagaanvraag
                                          tijdig in te trekken;</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>totdat de werkgever tijdens het crisistijdvak een verzoek
                                          bij UWV of een CAO-ontslagcommissie indient om de
                                          arbeidsovereenkomst van een werknemer met toestemming van
                                          het UWV of een ontslagcommissie wegens bedrijfseconomische
                                          redenen op te zeggen. Voor de datum van indiening van het
                                          verzoek wordt uitgegaan van de datum van het (1e) verzoek
                                          van de werkgever, ook al is het verzoek nog niet compleet.
                                          De werkgever mag een dergelijk verzoek niet al hebben
                                          lopen op het moment dat het crisistijdvak aanvangt. Dit
                                          wordt tot uitdrukking gebracht door de woorden ‘is
                                          ingediend’. Dit impliceert dat de indiening reeds vóór het
                                          crisistijdvak kan hebben plaatsgevonden. Met de
                                          formulering ‘voor zolang’ wordt tot uitdrukking gebracht
                                          dat als tijdens het crisistijdvak de ontslagaanvraag wordt
                                          ingediend, de werkgever tot het tijdstip van indiening van
                                          de ontslagaanvraag wel gebruik mag maken van de
                                          arbeidsrechtelijke instrumenten. Het maakt niet uit hoe op
                                          die aanvraag wordt beslist; het gaat erom of de werkgever
                                          een verzoek daartoe indient of heeft lopen. Als vóór
                                          aanvang van het crisistijdvak het verzoek wordt
                                          ingetrokken, dan wel de toestemming wordt geweigerd kunnen
                                          de instrumenten wel worden ingezet. Er is dan immers geen
                                          sprake van een verzoek dat tijdens het crisistijdvak is
                                          ingediend. De situatie waarin voor aanvang van het
                                          crisistijdvak reeds toestemming is verleend voor
                                          beëindiging op bedrijfseconomische gronden wordt geregeld
                                          door subonderdeel 2.</al>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>–</li.nr>
                              <al>totdat de werkgever na een afwijzende beslissing van UWV
                                          of een ontslagcommissie een procedure aanhangig maakt bij
                                          de kantonrechter of als er tijdens het crisistijdvak een
                                          dergelijk verzoek aanhangig is. Ook hier geldt dat het
                                          niet meer kunnen inzetten van de arbeidsrechtelijke
                                          instrumenten niet afhankelijk is van de uitkomst van de
                                          procedure. Wordt het verzoek vóór de aanvang van het
                                          crisistijdvak ingetrokken of afgewezen, dan kunnen de
                                          arbeidsrechtelijke instrumenten wel worden ingezet. De
                                          situatie waarin voorafgaand aan het crisistijdvak de
                                          ontbinding wordt uitgesproken wordt geregeld door
                                          subonderdeel 1;</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>In bovengenoemde gevallen mag de werkgever geen arbeidsrechtelijke
                           instrumenten meer inzetten en moet hij de werknemer (weer) 100% van zijn
                           salaris doorbetalen of aan het werk laten in zijn eigen functie,
                           afhankelijk van het arbeidsrechtelijke instrument dat de werkgever had
                           ingezet. Verder heeft het voorgaande consequenties voor de loonsubsidie,
                           omdat de werkgever niet (meer) in aanmerking komt voor loonsubsidie als
                           hij geen verminderde loondoorbetaling meer kan toepassen. En op grond van
                           artikel 21, lid 4, en artikel 17, lid 3, zal de loonsubsidie worden
                           verlaagd met 25% tot 75% loonsubsidie voor de gehele periode dat de
                           loonsubsidie is toegekend tijdens het crisistijdvak voorafgaand het
                           ontslagverzoek bij het UWV, de ontslagcommissie of voorafgaand de
                           ontbinding door de kantonrechter. De werkgever heeft dan ook de plicht om
                           op grond van artikel 23, onderdeel a, van het wetsvoorstel het UWV te
                           informeren als hij een verzoek indient bij het UWV, een ontslagcommissie
                           of de kantonrechter als hiervoor is vermeld.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Derde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>De werkgever is verplicht om de ondernemingsraad,
                           personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming werkzame personen te
                           informeren over de uren waarover verminderde loondoorbetaling heeft
                           plaatsgevonden en waarvoor de werkgever de aanvraag loonsubsidie heeft
                           ingediend. Het gaat hierbij zodoende om een verplichting ná inzet van het
                           instrument verminderde loondoorbetaling, en ná de aanvraag tot verlening
                           loonsubsidie als bedoeld in artikel 15, eerste lid Het is de bedoeling
                           dat de werkgever na indiening van de aanvraag loonsubsidie onverwijld de
                           ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming
                           werkzame personen inlicht. Het verstrekken van deze uren aan de
                           ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de in de onderneming
                           werkzame personen geschiedt per groep van uitwisselbare functies. De
                           informatie moet worden verstrekt aan de ondernemingsraad of
                           personeelsvertegenwoordiging. Als een onderneming geen ondernemingsraad
                           of personeelsvertegenwoordiging heeft, kan de werkgever ten aanzien van
                           deze verplichting tot informatieverstrekking volstaan met het inlichten
                           van de in de onderneming werkzame personen. Het is niet noodzakelijk dat
                           deze personen bijeenkomen in een vergadering. Voor een nadere toelichting
                           wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting, paragraaf
                           3.3.2.1 Arbeidsrechtelijke voorwaarden bij inzetten instrumenten
                           herplaatsing en verminderde loondoorbetaling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vierde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Onder passende arbeid zal op grond van het vierde lid worden verstaan
                           alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is
                           berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                           sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Deze definitie is
                           gelijkluidend aan de definitie die op grond van artikel 7:658a, vierde
                           lid, BW geldt voor passende arbeid in het kader van re-integratie. Wat
                           geldt als passende arbeid gedurende het crisistijdvak dient echter ruimer
                           te worden opgevat dan wat geldt als passende arbeid in het kader van
                           re-integratie. Bij re-integratie is uitgangspunt dat naarmate de
                           arbeidsongeschiktheid langer duurt of terugkeer in de eigen arbeid minder
                           waarschijnlijk is, van de werknemer ten aanzien van de passendheid van
                           het werk meer concessies mogen worden verlangd. Gedurende het
                           crisistijdvak zullen van de werknemer daarentegen direct al deze
                           concessies kunnen worden verwacht. Daarmee wordt aangesloten bij hetgeen
                           in de socialezekerheidswetten (bijvoorbeeld artikel 24, derde lid, WW) na
                           verloop van zes maanden als passende arbeid kwalificeert. Alle andere
                           arbeid zal daarmee direct passend zijn, tenzij van de werknemer om
                           redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden
                           verlangd de arbeid te verrichten. In die gevallen wegen de belangen van
                           de werknemer zwaarder dan het door de wetgever gegeven zwaarwichtig
                           belang van de werkgever.</al>
                    <al>Voor een zieke werknemer betekent dit dat zijn beperkingen dienen te
                           worden meegenomen bij het bepalen van welke arbeid passend is. Voor
                           werknemers die vanwege hun ziekte helemaal niet meer kunnen werken, kan
                           dan uiteraard geen gebruik worden gemaakt van het instrument
                           herplaatsing. Werknemers die gedeeltelijk werken en gedeeltelijk ziek
                           zijn, kunnen ook herplaatst worden en dezelfde vervangende werkzaamheden
                           uitvoeren als de andere werknemers, mits het re-integratietraject van de
                           zieke werknemer niet wordt verstoord en de werknemer gelet op zijn
                           beperkingen in staat is tot het verrichten van die andere
                           werkzaamheden.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Vijfde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 7:628 BW is niet van toepassing op werknemers die in verband met
                           ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling
                           verhinderd zijn de bedongen arbeid te verrichten. Voor deze werknemers
                           geldt in beginsel een loondoorbetalingsverplichting op grond van 7:629
                           BW.</al>
                    <al>Met het vijfde lid wordt de verminderde loondoorbetaling op grond van
                           het eerste lid, onderdeel b, en tweede lid van overeenkomstige toepassing
                           verklaard op werknemers die de bedongen arbeid niet verrichten omdat zij
                           in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of
                           bevalling daartoe verhinderd zijn (hierna; zieke werknemers) Voor de
                           zieke werknemers zal de verminderde loondoorbetaling daarmee in beginsel
                           over hetzelfde aantal uren plaatsvinden als het aantal uren waarover het
                           loon voor niet zieke werknemers uit dezelfde groep met uitwisselbare
                           functies wordt verminderd.</al>
                    <al>Dat geldt niet voor een werkneemster die zwangerschaps- of
                           bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid,
                           van de Wet arbeid en zorg. Deze werknemers zijn namelijk op grond van
                           artikel 7:629, vierde lid, BW, uitgesloten van het recht op doorbetaling
                           van loon onder artikel 7:629, eerste lid, BW.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Het loon onder artikel 7:629, eerste lid, BW wordt op grond van het
                              vijfde lid, verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering
                              die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven
                              verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de
                              werknemer niet deelneemt, voor zover deze uitkering betrekking heeft
                              op de bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten. Denk daarbij aan
                              een uitkering die de werknemer toekomt op grond van de Wet arbeid
                              zorg.</al>
                      <al>Zieke werknemers hebben op grond van artikel 7:629, eerste lid, BW,
                              recht op doorbetaling van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde
                              loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende
                              wettelijke minimumloon. Op grond van het 7:629, achtste lid, BW, geldt
                              dat indien het loon op andere wijze dan naar tijdruimte is
                              vastgesteld, als loon in dat geval moet worden beschouwd het
                              gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was
                              geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. Bij individuele of
                              collectieve afspraken kunnen afspraken worden gemaakt over het
                              bovenwettelijk aanvullen van het loon. De verminderde loondoorbetaling
                              voor de zieke werknemer zal alleen aan de orde zijn indien sprake is
                              van bovenwettelijke afspraken (in het kader van ongeschiktheid ten
                              gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling) die ruimte bieden voor
                              toepassing van de verminderde loondoorbetaling. De ondergrens voor de
                              verminderde loondoorbetaling wordt per uur immers 90% van het uurloon
                              en ten minste het minimumloon. Ontvangt een zieke werknemer
                              overeenkomstig artikel 7:629, eerste lid, BW 70% van het naar
                              tijdruimte vastgestelde loon, dan zal er dus geen ruimte zijn voor de
                              toepassing van verminderde loondoorbetaling. Hiermee zal worden
                              gewaarborgd dat de zieke werknemer in tijden van crisis als gevolg van
                              dit wetsvoorstel niet slechter af is dan de niet-zieke werknemer.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zesde lid</titel>
                    </kop>
                    <al>De wijze waarop de werkgever de indeling in groepen uitwisselbare
                           functies bepaalt zal gelijk zijn aan de wijze waarop die indeling
                           plaatsvindt bij bedrijfseconomisch ontslag, en dus conform de artikelen
                           13 en 14 van de Ontslagregeling. De groep uitwisselbare functies zal dan
                           ook per bedrijfsvestiging worden bepaald. Bij ministeriële regeling
                           zullen voornoemd artikelen van toepassing worden verklaard op de
                           onderhavige regeling.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Zevende lid</titel>
                    </kop>
                    <al>Met het zevende lid wordt duidelijk dat van het eerste lid, onderdeel b,
                           ten gunste van de werknemer kan worden afgeweken. Als bij
                           (collectieve)arbeidsovereenkomst het loon wordt aangevuld, is het gevolg
                           echter dat de werkgever geen loonsubsidie kan aanvragen als bedoeld in
                           artikel 11 van het onderhavige wetsvoorstel.</al>
                    <al>Dit voorgestelde lid zal ook onverlet laten dat bij (collectieve)
                           arbeidsovereenkomst expliciet afspraken gemaakt kunnen worden over het
                           aanvullen van loon van de zieke werknemer <nadruk type="cur">tijdens
                              crisis</nadruk>. Het gevolg daarvan is echter eveneens dat de
                           werkgever voor zieke werknemers dan geen aanspraak meer kan maken op een
                           loonsubsidie als bedoeld in artikel 11 van dit wetsvoorstel.</al>
                    <al>Voor een nadere toelichting op dit punt wordt verwezen naar paragraaf
                           3.3.2.3 van het algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 27. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen
                           (Wfsv)</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel A</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Dit onderdeel vervangt artikel 99, onderdeel e, Wfsv als gevolg
                              waarvan ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zullen komen de
                              bedragen die het UWV ontvangt door:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>terugvordering op grond van artikel 4:57 Awb van onverschuldigd
                                    betaalde loonsubsidie ten gevolge van intrekking of wijziging
                                    van die loonsubsidie op grond van de artikelen 4:48, 4: 49 of
                                    4:50 Awb;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>terugvordering van lager vastgestelde loonsubsidie in verband
                                    met het door een werkgever niet nakomen van de verplichting om
                                    geen bedrijfseconomisch ontslag aan te vragen gedurende het
                                    crisistijdvak en tot en met vier maanden erna (zie verder de
                                    toelichting bij artikel 23);</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>op grond van artikel 24 aan werkgevers opgelegde en
                                    ingevorderde boetes.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Met het vervangen van onderdeel e komt het huidige onderdeel e in
                           artikel 99 te vervallen, dat betrekking heeft op de bedragen die het UWV
                           ontvangt van de werkgever in het kader van de toepassing van artikel 8,
                           derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
                           Tegelijk met de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal bij
                           Koninklijk Besluit namelijk ook de inwerkingtreding van de intrekking van
                           deze laatste nog geldende artikelen 1, 2 en 8 uit het Buitengewoon
                           Besluit Arbeidsverhoudingen (en artikelen die verwijzen naar voornoemd
                           artikel) plaatsvinden. Immers, het onderhavige wetsvoorstel zal in de
                           plaats komen van de regeling werktijdverkorting, welke regeling is
                           gebaseerd op voornoemd artikel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel B</titel>
                    </kop>
                    <al>Met dit onderdeel wordt voorgesteld artikel 100 Wfsv te wijzigen. In de
                           eerste plaats door in onderdeel c toe te voegen dat ook de
                           uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitvoering van dit
                           wetsvoorstel ten laste zullen komen van het Awf. En in de tweede plaats
                           door een nieuw onderdeel e (onderdeel e is reeds vervallen) in te voegen.
                           Als gevolg waarvan ook de door het UWV aan werkgevers te betalen
                           loonsubsidies ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zullen
                           komen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Paragraaf 6. Slotbepalingen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 28. Evaluatiebepaling</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit artikel wordt de gebruikelijke evaluatiebepaling opgenomen. Daarin
                        is bepaald dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen vijf
                        jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag
                        zendt over de doeltreffendheid van de instrumenten herplaatsing, verminderde
                        loondoorbetaling en loonsubsidie op de wendbaarheid van bedrijven ten tijde
                        van crises. Overigens zal ten aanzien van de loonsubsidie op grond van
                        artikel 4:24 Awb aanvullend nog de verplichting gelden tenminste eenmaal in
                        de vijf jaren een verslag te publiceren over de doeltreffendheid en de
                        effecten van deze subsidie in de praktijk.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 29. Inwerkingtreding</titel>
                  </kop>
                  <al>Bij koninklijk besluit zal de inwerkingtredingsdatum voor dit wetsvoorstel
                        bekend worden gemaakt. Voor een nadere toelichting over de inwerkingtreding
                        wordt verwezen naar paragraaf 11 van het algemeen deel.</al>
                </divisie>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>