﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-14092/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <kop>
      <titel>Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2026 nr. 2026-48474 over het verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen</titel>
    </kop>
    <circulaire>
      <circulaire-tekst>
        <tekst status="goed">
          <al>
            <nadruk type="cur">De Staatssecretaris van Financiën,</nadruk>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="cur">Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en afdeling 3.5 en 3.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T van de Invoeringswet Wet IB 2001;</nadruk>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="cur">Besluit:</nadruk>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="cur">Dit besluit vervangt het besluit van 21 januari 2025, nr. 2024-375909, </nadruk>
            <extref doc="stcrt-2025-3741" soort="document" status="actief">
              <nadruk type="cur">Stcrt. 2025, 3741</nadruk>
            </extref>
          </al>
          <al>
            <nadruk type="cur">De wijzigingen betreffen:</nadruk>
          </al>
          <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">De goedkeuringen in de onderdelen 2.4 (herstel (foutieve) overboeking naar lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht) en 2.5 (geruisloze terugstorting van te veel betaalde premie of te hoge inleg) zijn vervallen;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In onderdeel 4.4 is een goedkeuring opgenomen voor de toedeling lijfrenterekening in het kader van de verdeling huwelijksgemeenschap na overlijden;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In onderdeel 7.3 is een goedkeuring opgenomen voor Brede Herwaarderingslijfrenteverzekeringen over de ingangsdatum na overschrijding van de wettelijke termijn;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In onderdeel 8 is een goedkeuring opgenomen met betrekking tot de wettelijke termijn voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum na het jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">In onderdeel 10 is een standpunt opgenomen over lijfrente of arbeidsongeschiktheidsverzekering in het jaar van immigratie;</nadruk>
              </al>
            </li>
            <li>
              <li.nr>–</li.nr>
              <al>
                <nadruk type="cur">De goedkeuring in onderdeel 13 (verrekening van pensioenrechten door ex-samenwoners) is uitgebreid tot periodieke uitkeringen.</nadruk>
              </al>
            </li>
          </lijst>
        </tekst>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">1</nr>
            <titel>Inleiding</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, de lijfrenterekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenteverzekeringen en de aftrek van de inleg voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Daarnaast zijn beleidsstandpunten opgenomen over onderhoudsverplichtingen in de vorm van verrekening van pensioenrechten.</al>
          </tekst>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.1</nr>
              <titel>Gebruikte begrippen en afkortingen</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <table tabstyle="xml1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" colsep="1">
                <tgroup tgroupstyle="xml1" cols="2" char="" charoff="50" align="left">
                  <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="1*" />
                  <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="2*" />
                  <tbody valign="top">
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Afkortingen</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>AOW</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Algemene Ouderdomswet</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Anw</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Algemene nabestaandenwet</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>AWR</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Algemene wet inzake rijksbelastingen</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet IB 1964</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet op de inkomstenbelasting 1964</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet IB 2001</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet inkomstenbelasting 2001</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wft</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet op het financieel toezicht</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0" />
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>
                          <nadruk type="cur">Begrippen</nadruk>
                        </al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Arbeidsongeschiktheidsverzekering</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Verzekering voor invaliditeit, ziekte of ongeval</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Brede Herwaardering</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet IB 1964; regime 1992 t/m 2000</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Brede Herwaarderingslijfrenten</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Lijfrenteverzekeringen afgesloten onder het regime Brede Herwaardering (1992 tot en met 2000)</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Financiële instelling/Aanbieder</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Verzekeraar, bank, beleggingsonderneming, beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Lijfrente, lijfrenteproduct</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Lijfrenteverzekering, lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Pre Brede Herwaardering</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Wet IB 1964; regime vóór 1992</al>
                      </entry>
                    </row>
                    <row rowsep="1">
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Pre Brede Herwaarderingslijfrenten</al>
                      </entry>
                      <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                        <al>Lijfrenteverzekeringen gesloten onder het regime Pre Brede Herwaardering (vóór 1992)</al>
                      </entry>
                    </row>
                  </tbody>
                </tgroup>
              </table>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.2</nr>
              <titel>Basis goedkeuringen</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op de hardheidsclausule van artikel 63 AWR, tenzij anders aangegeven.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">2</nr>
            <titel>Voorwaarden voor lijfrenten (artikel 1.7, eerste en derde lid, Wet IB 2001)</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.1</nr>
              <titel>Vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen</titel>
            </kop>
            <circulaire.divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.1.1</nr>
                <titel>Nagekomen bedragen bij omzetting lijfrente en restsaldo lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht na de laatste uitkering</titel>
              </kop>
              <tekst status="goed">
                <al>Van een lijfrente is alleen sprake als de aanspraak recht geeft op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen. Het komt voor dat de financiële instelling boven op deze uitkeringen een eenmalige (laatste) uitkering uitbetaalt. Dan kan sprake zijn van een gedeeltelijke afkoop waarover naast de inhouding van loonheffing ook revisierente is verschuldigd. Als het gaat om een bedrag van maximaal € 1.000 vind ik het berekenen van revisierente in de volgende situaties ongewenst.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Situatie 1</tussenkop>
                <al>Een bestaand lijfrenteproduct is omgezet in een (ander) lijfrenteproduct en de nieuwe aanbieder ontvangt na berekening van de uitkeringen nog een nagekomen bedrag aan rendement van de vorige aanbieder. Dit kan zich ook voordoen bij ter zake van de lijfrente door de verzekeraar toegekende schadevergoedingen. Een dergelijk nagekomen bedrag moet in beginsel leiden tot herrekening van de uitkeringen. Als het om een gering bedrag gaat, vindt een dergelijke herrekening niet altijd plaats en wordt het nagekomen bedrag in een keer uitbetaald.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Situatie 2</tussenkop>
                <al>Bij een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht moet het volledige lijfrentekapitaal in vaste en gelijkmatige uitkeringen worden uitgekeerd. Het komt echter voor dat een gering restsaldo van dat kapitaal overblijft en de financiële instelling dit uitkeert, bijvoorbeeld als gevolg van verschil in valutadata tussen de berekening en de daadwerkelijke overboeking van de uitkeringen.</al>
                <al>Bij de beschreven uitbetaling van nagekomen bedragen in situatie 1 en de uitkering van restsaldi in situatie 2 is in feite sprake van een (laatste) reguliere uitkering. Het berekenen van revisierente in deze situaties vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
                <al>Ik keur goed dat geen revisierente verschuldigd is als het nagekomen bedrag of het uitgekeerde restsaldo ten hoogste € 1.000 bedraagt. Het nagekomen bedrag of het restsaldo kan samen met de eerstvolgende uitkering(en), met de laatste uitkering(en), of separaat als extra uitkering worden uitbetaald. Hierbij moet de aanbieder loonheffing inhouden alsof sprake is van de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn.</al>
                <al>Als een nagekomen bedrag of een restsaldo hoger is dan € 1.000 en wordt uitbetaald, zijn de regels die gelden bij (gedeeltelijke) afkoop van toepassing en kan revisierente verschuldigd zijn.</al>
              </tekst>
            </circulaire.divisie>
            <circulaire.divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.1.2</nr>
                <titel>Restsaldo lijfrente uitkerend in beleggingseenheden</titel>
              </kop>
              <tekst status="goed">
                <al>Voor lijfrenten waarbij de uitkeringen worden gedaan in de vorm van beleggingseenheden, is het fiscaal toegestaan dat de hoogte van de termijnen gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden wordt vastgesteld op een bepaald bedrag in euro’s per termijn (artikel 2a, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 2b, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Als een financiële instelling deze regel uitvoert, kan een restsaldo ontstaan als gevolg van hogere beleggingsresultaten in het laatste uitkeringsjaar van de lijfrente.</al>
                <al>Wanneer de financiële instelling dit restsaldo uitbetaalt, kan fiscaal gezien sprake zijn van gedeeltelijke afkoop. Naast inhouding van loonheffing is over dit bedrag revisierente verschuldigd. Omdat het restsaldo ontstaat door de wettelijk toegestane berekening van de hoogte van de termijnen, vind ik de berekening van revisierente bij het uitkeren van het restsaldo ongewenst. Daarom keur ik in deze situatie het volgende goed.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
                <al>Ik keur goed dat de financiële instelling het restsaldo dat in de hiervoor beschreven situatie ontstaat in het laatste uitkeringsjaar mag uitbetalen alsof sprake is van de uitkering van een reguliere termijn. Het restsaldo kan samen met de laatste uitkering of separaat worden uitbetaald.</al>
              </tekst>
            </circulaire.divisie>
            <circulaire.divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">2.1.3</nr>
                <titel>Gevolgen van door toezichthouders getroffen maatregelen</titel>
              </kop>
              <tekst status="goed">
                <al>De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kunnen maatregelen treffen waardoor het kan voorkomen dat al lopende lijfrente-uitkeringen niet meer voldoen aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Zo kan de AFM een lijfrentebeleggingsfonds op slot zetten en kan de DNB een levensverzekeraar failliet verklaren. In beide gevallen kan vanaf het moment dat de maatregel ingaat niet langer (volledig) worden uitgekeerd en zal worden gezocht naar een overnemende partij van de lijfrenteportefeuille. Totdat een overnemende partij is gevonden, kan een curator de uitkeringen verrichten.</al>
                <al>Als de curator en/of de overnemende partij tot uitkeringen overgaat, zullen deze in het algemeen op een lager niveau liggen dan oorspronkelijk is overeengekomen. Uit een liquidatie en/of faillissement nagekomen betalingen kunnen echter (weer) leiden tot hogere lijfrente-uitkeringen.</al>
                <al>Als door de getroffen maatregelen niet meer wordt voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’, wordt de waarde van de lijfrente bij de houder van een lijfrente in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en is in beginsel revisierente verschuldigd. Aangezien de houders van een lijfrente geen invloed hebben op de door de toezichthouders genomen maatregelen, acht ik deze fiscale gevolgen niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring 1</tussenkop>
                <al>Voor situaties waarin als gevolg van door DNB of de AFM opgelegde maatregelen een financiële instelling niet of voor een lager bedrag de lijfrente-uitkeringen uitbetaalt aan de houders van de lijfrente, keur ik onder voorwaarden goed dat zowel bij het tijdelijk niet uitkeren als bij het tijdelijk uitkeren van een lager bedrag aan uitkeringen, maar ook bij het herstel van de uitkeringen naar de oorspronkelijke omvang, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Ook mag in die situatie op een later moment de gemiste of lagere uitkering worden ingehaald. Deze situaties zullen niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden</tussenkop>
                <al>Ik stel bij goedkeuring 1 de volgende drie voorwaarden:</al>
                <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                  <li>
                    <li.nr>–</li.nr>
                    <al>De lijfrente-uitkeringen worden zo spoedig mogelijk hervat conform de oorspronkelijke lijfrenteovereenkomsten;</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>–</li.nr>
                    <al>De inhaal van gemiste en lagere uitkeringen vindt zo spoedig mogelijk plaats; en</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>–</li.nr>
                    <al>De houders van de lijfrente hebben geen invloed gehad op de financiële situatie van de financiële instelling.</al>
                  </li>
                </lijst>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring 2</tussenkop>
                <al>Voor situaties waarin een financiële instelling door ingrijpen van DNB of de AFM is geliquideerd of failliet is verklaard en de portefeuille is overgenomen door een andere financiële instelling, keur ik onder voorwaarden goed dat wanneer een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling aan de houder van de lijfrente toekomt, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Deze nabetaling zal dan ook niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.</al>
                <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden</tussenkop>
                <al>Ik stel bij goedkeuring 2 de volgende twee voorwaarden:</al>
                <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                  <li>
                    <li.nr>–</li.nr>
                    <al>Het nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling wordt toegevoegd aan een lijfrente-aanspraak als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, Wet IB 2001; en</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>–</li.nr>
                    <al>Als het nagekomen bedrag bij een reeds ingegane lijfrente leidt tot lijfrente-uitkeringen, moet dit bedrag worden uitgesmeerd over de resterende uitkeringen.</al>
                  </li>
                </lijst>
                <al>Om in aanmerking te komen voor een van de hiervóór opgenomen goedkeuringen meldt de uitkerende partij aan de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Emailadres kennisgroep: kg.verzekeringsproducten.assbel@belastingdienst.nl</noot.al></noot> dat het hier een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van een liquidatie of faillissement betreft.</al>
              </tekst>
            </circulaire.divisie>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.2</nr>
              <titel>Afkoopverbod en opzegging of ontbinding</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Voor lijfrenteverzekeringen is in artikel 4:63 Wft een opzegmogelijkheid opgenomen die de verzekeringnemer de mogelijkheid biedt de overeenkomst binnen een periode van 30 kalenderdagen met onmiddellijke ingang op te zeggen (wettelijke bedenktijd). Voor lijfrenterekeningen die ‘op afstand worden afgesloten’ (via direct writer), is een vergelijkbare opzegmogelijkheid opgenomen in artikel 6:230x Burgerlijk Wetboek. Op grond van die bepaling kan een lijfrenterekening door een rekeninghouder worden ontbonden binnen 14 dagen.</al>
              <al>Het opnemen van deze mogelijkheden tot opzegging of ontbinding in een overeenkomst is niet in strijd met het voor lijfrenten geldende afkoopverbod omdat ze wettelijk verplicht zijn. Voor lijfrenten waarbij niet zo’n wettelijke verplichting geldt, zou een dergelijke clausule wel in strijd komen met een afkoopverbod. Dit vind ik ongewenst omdat de fiscale regel dan een drempel opwerpt tegen (vrijwillige) consumentenbescherming én omdat het een gelijk speelveld tussen lijfrenteproducten belemmert.</al>
              <al>Als een belastingplichtige gebruik maakt van een opzeg- of ontbindingsmogelijkheid (wettelijk verplicht of niet), is fiscaal gezien sprake van afkoop. Als de belastingplichtige de premiestorting of inleg heeft gedaan, moet hij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking nemen. Daarbij is in beginsel revisierente verschuldigd. Het berekenen van revisierente vind ik in de geschetste situatie niet gewenst, omdat er slechts een korte tijdspanne zit tussen het sluiten van de overeenkomst en de opzegging daarvan op grond van een wettelijke regeling. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder voorwaarden goed dat een mogelijkheid tot opzegging of ontbinding niet in strijd is met het afkoopverbod én dat geen revisierente wordt berekend als van deze clausule gebruik wordt gemaakt.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden</tussenkop>
              <al>Ik stel daarbij de volgende vier voorwaarden:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>De mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen én duurt maximaal 30 dagen vanaf het moment dat de overeenkomst tot stand komt;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>De mogelijkheid tot opzegging of ontbinding geldt voor de gehele overeenkomst en premiestorting of inleg;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>De betreffende lijfrenteovereenkomst is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst; en</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>De premiestorting of inleg wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden, wat van belang kan zijn voor de rendementsgrondslag van box 3.</al>
                </li>
              </lijst>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.3</nr>
              <titel>Herstel onjuiste verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Herstel van de verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is mogelijk als op grond van een aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies of de overgemaakte bedragen, enzovoort, aannemelijk is dat een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst niet de juiste weergave is van wat partijen beoogden overeen te komen. De tussenpersoon of de financiële instelling heeft dan een administratieve fout gemaakt. Na het herstel wordt de polis of overeenkomst geacht met inachtneming van de correctie te zijn opgemaakt vanaf het tijdstip van sluiten van de overeenkomst. Met andere woorden, het herstel heeft fiscaal terugwerkende kracht.</al>
              <al>Herstel kan ook plaatsvinden als aannemelijk is dat bij de omzetting van een verzekering of lijfrenteovereenkomst in een ander zodanig product een administratieve fout is gemaakt. Dit herstel kan ook plaatsvinden door de aanbieder die de fout zelf niet heeft gemaakt.</al>
              <al>Van een administratieve fout als zodanig is geen sprake als een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is opgemaakt conform de bedoeling van partijen maar berust op een foutief fiscaal inzicht bij de verzekeringnemer of de rekeninghouder, de tussenpersoon of de financiële instelling.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">3</nr>
            <titel>Tussentijdse beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente waarvan de premies zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen kan vóór het einde van de overeengekomen looptijd worden beëindigd. Hierbij kunnen zich twee situaties voordoen.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Beëindiging zonder uitkering door de verzekeraar</tussenkop>
            <al>Als de verzekeraar bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de zuivere nabestaandenlijfrente geen uitkering doet, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen. In deze situatie zijn geen verzekerde rechten van betekenis meer aanwezig waarop artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing kan zijn.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Beëindiging met uitkering door de verzekeraar</tussenkop>
            <al>Als de verzekeraar wel een uitkering doet bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente zonder dat het verzekerde risico zich heeft voorgedaan, is sprake van een reguliere afkoop. Op grond van artikel 3.133 Wet IB 2001 worden dan negatieve uitgaven in aanmerking genomen (met uitzondering van de situatie waarin de regeling voor afkoop kleine lijfrente van toepassing is (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Deze negatieve uitgaven worden gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering ten tijde van de beëindiging (artikel 3.137 Wet IB 2001). Hierover is revisierente verschuldigd (artikel 30i, eerste lid, onderdeel b, AWR).</al>
            <al>Bij beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente is het mogelijk dat de verzekeraar niet meer uitkeert dan het bedrag van de op het tijdstip van beëindiging nog onverdiende premies. Onverdiende premies zijn premies over een periode gedurende welke de verzekeraar (nog) geen risico heeft gelopen. In deze situatie vind ik het ongewenst dat over deze uitkering revisierente verschuldigd is. Ik keur het volgende goed.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
            <al>Ik keur goed dat een uitkering van de nog onverdiende premies gedaan door de verzekeraar in verband met die beëindiging wordt aangemerkt als een restitutie van premie (artikel 3.132 Wet IB 2001). Het bedrag van de uitkering wordt in aanmerking genomen als een teruggave van een uitgave voor inkomensvoorziening. Over een dergelijke teruggave is tot het bedrag van de onverdiende premies geen revisierente verschuldigd.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">4</nr>
            <titel>Nabestaandenlijfrente</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.1</nr>
              <titel>Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten; niet-natuurlijk persoon</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Gerechtigden tot een nabestaandenlijfrenteverzekering kunnen alleen natuurlijke personen zijn. Het kan voorkomen dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld en dat uit het testament blijkt dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling.</al>
              <al>Op het ondeelbare tijdstip van overlijden voldoet deze nabestaandenlijfrenteverzekering niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Bij de overledene worden daarom negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrenteverzekering (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Bovendien is de overledene in zoverre revisierente verschuldigd.</al>
              <al>Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht waarvan de uitkeringen op het tijdstip van overlijden nog niet zijn ingegaan. Gerechtigden tot een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht kunnen in dat geval net als bij een nabestaandenlijfrenteverzekering alleen natuurlijke personen zijn. Het verschil met de nabestaandenlijfrenteverzekering is dat als de uitkeringen uit een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht op het tijdstip van overlijden echter al waren ingegaan (uitkeringsfase), de gerechtigden tot dergelijke nabestaandenlijfrenten ook niet-natuurlijke personen kunnen zijn.</al>
              <al>Het is mogelijk dat de niet-natuurlijk persoon ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging respectievelijk gerechtigdheid. Het afstand doen gebeurt dan na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging of gerechtigheid ten gunste van de andere erfgenamen, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij de overledene in aanmerking worden genomen.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.2</nr>
              <titel>Uitstel nabestaandenlijfrente tot tijdstip beëindiging Anw</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>In de praktijk bestaat behoefte aan een nabestaandenlijfrente waarvan de uitkeringen niet direct ingaan bij het overlijden, maar pas als een recht op een Anw-uitkering is geëindigd. Gelet op de achtergrond van de nabestaandenlijfrente keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat sprake blijft van een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 als een Anw-gerechtigde de uitkeringen niet onmiddellijk na het overlijden laat ingaan.</al>
              <al>Het is niet toegestaan dat de nabestaandenlijfrente ingaat op een tijdstip naar keuze van de nabestaande, bijvoorbeeld een tijdstip tussen het overlijden en het tijdstip waarop de gerechtigdheid op de Anw-uitkering eindigt. De nabestaandenlijfrente moet ingaan op het tijdstip waarop de Anw-gerechtigdheid daadwerkelijk is geëindigd. Hierbij is niet van belang door welke oorzaak de Anw-gerechtigdheid is geëindigd. De gerechtigde tot de nabestaandenlijfrente kan daarbij gebruikmaken van de wettelijke termijn bij leven van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025).</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.3</nr>
              <titel>Onzekerheidsvereiste bij nabestaandenlijfrenteverzekering</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Bij een combinatie van oudedags- en nabestaandenlijfrenten moet elk van de lijfrenten afzonderlijk voldoen aan alle daarvoor geldende criteria, waaronder het onzekerheidsvereiste (1%-sterftekans). Vooral bij een tijdelijke nabestaandenlijfrente die ingaat na het overlijden van de genieter van een overbruggingslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente, kan zich het volgende voordoen. Als de oorspronkelijke genieter overlijdt kort voor het voorziene einde van de looptijd van de uitkeringen, wordt bij toetsing op de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente niet voldaan aan de 1%-<?xpp afbreek?>sterftekans. Daardoor kunnen ongewenste gevolgen optreden. Om deze ongewenste gevolgen te voorkomen, keur ik voor de nabestaandenlijfrente het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat voor de bepaling van de 1%-sterftekans wordt uitgegaan van de vroegst mogelijke datum waarop de nabestaandenlijfrente volgens de overeenkomst zou (hebben) kunnen ingaan.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.4</nr>
              <titel>Toedeling lijfrenterekening in het kader van de verdeling huwelijksgemeenschap na overlijden</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Een rekeninghouder van een lijfrenterekening komt te overlijden. Omdat er zowel een testament als een huwelijksgemeenschap is, zal voor het bepalen van de nalatenschap eerst de huwelijksgemeenschap worden afgehandeld. De gemeenschap moet in principe worden verdeeld tussen de langstlevende partner en de erfgenamen naar de gerechtigdheid van de langstlevende partner tot de huwelijksgemeenschap. Een lijfrenterekening kan echter bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap volledig aan de langstlevende partner worden toebedeeld. Dit betekent dat een deel van de aanspraak wordt vervreemd aan de langstlevende partner.</al>
              <al>Het vervreemden van een aanspraak op periodieke uitkeringen leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). De wetgever heeft een uitzondering gemaakt als de vervreemding plaatsvindt aan de (ex-) echtgenoot in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding of bij een scheiding van tafel en bed (artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001). De wetgever heeft het wenselijk geacht om de vervreemding van een aanspraak op een inkomensvoorziening bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap voor de inkomstenbelasting geruisloos te laten plaatsvinden.</al>
              <al>De verdeling van de huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden is niet als uitzondering opgenomen in artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001. Bij een lijfrenteverzekering zijn de begunstigden over het algemeen in de polis aangewezen. De aanspraak op periodieke uitkeringen ontstaat dan op grond van de verzekering. Als de overgebleven echtgenoot in de polis is aangewezen als nabestaande, dan is er geen sprake van vervreemding.</al>
              <al>In dit licht heeft de wetgever het kennelijk niet nodig geacht om voor lijfrenteverzekeringen een uitzondering te maken voor de verdeling van een huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden. Artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 is echter in werking getreden jaren voordat de lijfrenterekening en het lijfrentebeleggingsrecht zijn ingevoerd.</al>
              <al>Tegen deze achtergrond acht ik het onwenselijk dat de langstlevende echtgenoot die via de verdeling van de huwelijksgemeenschap een tegoed op een lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht krijgt toegewezen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking moet nemen. Daarnaast acht ik het verschil in behandeling tussen een lijfrenteverzekering en lijfrenterekening in dit soort situaties niet gewenst. Daarom keur ik onder een voorwaarde het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat de uitzondering van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 ook van toepassing is als de vervreemding van een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen plaatsvindt in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij overlijden van de lijfrenterekeninghouder.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
              <al>De erfgenamen moeten met de verdeling instemmen en zij moeten gecompenseerd worden voor de waarde van de aanspraak.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">5</nr>
            <titel>Oudedagslijfrenten en overbruggingslijfrenten</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.1</nr>
              <titel>Oudedagslijfrente op twee levens</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Er zijn producten waarin in de eerste plaats een lijfrenteverzekering op twee levens is verzekerd. Hierbij gaan de termijnen in bij het in leven zijn van de verzekeringnemer én van zijn partner (oudedagslijfrente) op de afgesproken datum. Bij eerder overlijden van de verzekeringnemer of zijn partner gaat op grond van de overeenkomst een lijfrente in op het leven van de overblijvende partner (nabestaandenlijfrente). De rechten op de oudedagslijfrente vervallen bij het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Een dergelijke lijfrentevorm is op grond van de Wet IB 2001 niet toegestaan omdat uitsluitend de verzekeringnemer de enige verzekerde persoon kan zijn voor de oudedagslijfrente. In deze verzekeringsvorm volgt bij vooroverlijden van de partner van de verzekeringnemer weliswaar geen oudedagslijfrente, maar op dat moment gaat wel een nabestaandenlijfrente in. Dergelijke verzekeringen vervullen een maatschappelijke functie. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat een dergelijke combinatie van lijfrenten voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, Wet IB 2001.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.2</nr>
              <titel>Overbruggingslijfrente</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Met ingang van 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenteverzekeringen die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (artikel 10a.1 Wet IB 2001). Deze eerbiedigende werking is overigens beperkt tot aanspraken waarvan de premies vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.</al>
              <al>Als voorwaarde voor de eerbiedigende werking geldt op grond van de wettekst dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd moet zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten echter niet met zoveel woorden genoemd. Meestal zijn uitsluitend de oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is.</al>
              <al>Ik wil voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat op 31 december 2005 bestaande lijfrenten waarbij de overbruggingslijfrente niet (mede) in de lijfrentepolis is opgenomen, mogen worden omgezet in een overbruggingslijfrente. Dat geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst.</al>
              <al>Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van de artikelen 19 (oud) en artikel 44j (oud) Wet IB 1964, tekst 1991. Dergelijke stamrechten mochten worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 en vervolgens in een overbruggingslijfrente. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kon ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">6</nr>
            <titel>Stroomlijning voorwaarden voor lijfrentebeleggingsrechten</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>De voorwaarden waaraan een lijfrentebeleggingsrecht en de aanbieders daarvan moeten voldoen, zijn opgenomen in artikel 3.126a, eerste en tweede lid, Wet IB 2001. Over de toepassing van twee voorwaarden voor een lijfrentebeleggingsrecht blijkt in de praktijk onduidelijkheid te bestaan hetgeen belemmerend kan werken bij het aanbieden van zodanige rechten.</al>
            <al>In aansluiting op artikel 1:1 van de Wft wordt in de Wet IB 2001 onder beheerder van een beleggingsinstelling verstaan iedere rechtspersoon die ingevolge de Wft bevoegd is rechten van deelneming als lijfrentebeleggingsrechten aan te bieden in een door hem beheerde beleggingsinstelling in Nederland.</al>
            <al>Op grond van de Wft moeten de gelden die de beheerder ter verwerving van de rechten van deelneming inlegt, worden overgemaakt aan de bewaarder van een beleggingsinstelling. Voor de toepassing van artikel 3.126a Wet IB 2001 wordt hierbij aangesloten.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde waarvan niet wordt afgeweken</tussenkop>
            <al>Eén van de andere wettelijke voorwaarden is dat de belastingplichtige geblokkeerde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling verkrijgt. Het moet hierbij gaan om rechten van deelneming in de beleggingsinstelling die door de beheerder zelf wordt beheerd. Met andere woorden, de rechten van deelneming kunnen geen betrekking hebben op beleggingsinstellingen die door een andere instelling worden beheerd. Het is overigens mogelijk dat de wel zelf beheerde beleggingsinstelling subfondsen heeft die ieder beleggen in specifieke waarden, waaronder rechten in andere beleggingsinstellingen.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">7</nr>
            <titel>Brede Herwaarderingslijfrenten</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">7.1</nr>
              <titel>Aanpassing polis</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Anders dan voor een Pre Brede Herwaarderingslijfrente wijken devoorwaarden voor lijfrenten waarvoor premieaftrek mogelijk was op grond van het regime Brede Herwaardering maar op enkele punten af van de voorwaarden voor premieaftrek op grond van het regime voor lijfrenten van de Wet IB 2001. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat de polis van Brede Herwaarderingslijfrenten niet aan de Wet IB 2001 hoeft te worden aangepast. Bijvoorbeeld als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-leeftijd van de belastingplichtige (zie ook de goedkeuring in onderdeel 7.2), of als het verbod op prijsgeven niet in de polis is opgenomen.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">7.2</nr>
              <titel>Uiterste ingangsdatum (tijdelijke) oudedagslijfrente onder Brede Herwaardering gesloten</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Onder het regime van de Brede Herwaardering bestond de mogelijkheid een oudedagslijfrente en een tijdelijke oudedagslijfrente te bedingen zonder dat daarbij een uiterste ingangsdatum van toepassing was. Met de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 geldt wel een uiterste ingangsdatum voor dergelijke lijfrenten. Beide lijfrentevormen mogen niet later ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor premieaftrek was het niet nodig de Brede Herwaardingspolis aan te laten passen als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van deze leeftijd van de belastingplichtige (onderdeel 7.1). Als in een Brede Herwaarderingspolis vóór 1 januari 2001 al geen ingangsdatum was opgenomen of een ingangsdatum waaruit blijkt – door een feitelijk opgenomen ingangsdatum – dat de lijfrentetermijnen een aanvang zullen nemen na het jaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd heeft bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd, keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat de polis wordt uitgevoerd zoals civielrechtelijk is overeengekomen. Er worden dan geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen en er wordt geen revisierente berekend (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en artikel 30i AWR). Dit geldt ook als de polis wordt overgedragen aan een andere verzekeraar onder voorwaarde dat de tekst in de polis ongewijzigd blijft. Een dergelijke lijfrenteverzekering mag op de overeengekomen ingangsdatum ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Voorwaarde hierbij is ook dat de termijnen direct na de omzetting ingaan. Deze laatste voorwaarde geldt ook voor een Pre Brede Herwaarderingsverzekering die wordt omgezet in een lijfrente waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">7.3</nr>
              <titel>Wettelijke termijn voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum na het jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, Invoeringswet Wet IB 2001 is artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing op Brede Herwaarderingslijfrenten. Artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt binnen welke termijn een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen. Dit is een wettelijke bedenkperiode voor de belastingplichtige om na de contractueel overeengekomen einddatum van zijn lijfrenteaanspraak de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Wijziging per 1 januari 2026</tussenkop>
              <al>Met ingang van 1 januari 2026 is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 gewijzigd. Voor de uiterste datum bij leven wordt niet langer uitgegaan van de contractueel overeengekomen einddatum, maar van het uiterste tijdstip waarop de lijfrentetermijnen moeten worden uitgekeerd. De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk worden uitgekeerd in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De bedenkperiode bij leven eindigt daarom uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin deze leeftijd is bereikt. Bij overlijden eindigt de bedenkperiode uiterlijk op 31 december volgend op het tweede kalenderjaar.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Situatie bij contractuele einddatum ná AOW-leeftijd + 5 jaar</tussenkop>
              <al>Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum ná het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is in onderdeel 7.2 goedgekeurd dat deze mogen worden uitgevoerd zoals civielrechtelijk overeengekomen.</al>
              <al>De gewijzigde tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 per 1 januari 2026 is echter niet toepasbaar op Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Deze situatie is niet voorzien in de wet. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur goed dat op lijfrenteaanspraken met een contractuele einddatum gelegen ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 van toepassing blijft. In afwijking van dit artikel geldt daarbij dat de lijfrenteaanspraak wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in dit artikel aangeduide uiterste datum. Deze datum geldt dus zowel voor de situatie bij leven als bij overlijden. Dit betekent dat het afkoopmoment zowel bij leven als overlijden 1 januari is na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden.</al>
              <al>Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 2026 van toepassing.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">8</nr>
            <titel>Pre Brede Herwaarderingslijfrenten; Wettelijke termijn bij Pre Brede Herwaarderings<?xpp afbm?>lijfrenten</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet Wet IB 2001 is artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing op Pre Brede Herwaarderingslijfrenten. Artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt binnen welke termijn een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen. Deze termijn biedt de belastingplichtige de mogelijkheid om na de contractueel overeengekomen einddatum van zijn lijfrenteaanspraak de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Wijziging per 1 januari 2026</tussenkop>
            <al>Met ingang van 1 januari 2026 is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 gewijzigd. Voor de uiterste datum bij leven wordt niet langer uitgegaan van de contractueel overeengekomen einddatum, maar van het uiterste tijdstip waarop de lijfrentetermijnen moeten worden uitgekeerd. De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk worden uitgekeerd in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De bedenkperiode eindigt daarom uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin deze leeftijd is bereikt.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Specifieke regeling voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten</tussenkop>
            <al>Voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten geldt geen wettelijke uiterste ingangsdatum. Daarom bevat hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet IB 2001 ook een verwijzing naar artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025. Dit geldt voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten met een latere contractuele einddatum dan de uiterste ingangsdatum van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 die geldt vanaf 1 januari 2026. In het zesde lid is bepaald dat artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) van toepassing blijft als de contractueel overeengekomen einddatum ligt na de uiterste datum genoemd in artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat geldt vanaf 1 januari 2026.</al>
            <al>In deze uiterste datum is een bedenktijd van één jaar inbegrepen. Dit betekent dat als een contractuele einddatum is overeengekomen ná de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met zes jaar, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) van toepassing is.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Onbedoeld effect en correctie</tussenkop>
            <al>Omdat een Pre Brede Herwaarderingslijfrente een contractuele einddatum kan hebben op elke willekeurige datum tussen het vijfde en zesde jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd, ontstaat voor deze Pre Brede Herwaarderingslijfrenten een onbedoeld effect. De tijd om de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak wordt steeds korter naarmate het expiratiemoment verder in het zesde jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd ligt. Als de grens voor toepassing van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) was getrokken bij een contractuele einddatum van de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar, zou er geen beperking van de bedenkperiode optreden. Uitgangspunt is dat de bedenkperiode bij leven ten minste één jaar bedraagt. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
            <al>Ik keur goed dat op lijfrenteaanspraken met een contractuele einddatum gelegen ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 van toepassing blijft. Daarbij geldt dat, in afwijking van dit artikel, de lijfrenteaanspraak wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in dit artikel aangeduide uiterste datum. Deze datum geldt dus ook voor de situatie bij overlijden. Dit betekent dat het afkoopmoment zowel bij leven als overlijden 1 januari is na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden.</al>
            <al>Voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 2026 van toepassing.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">9</nr>
            <titel>Pensioenaangroei voor belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Binnen Nederland wordt de basis voor oudedagsvoorzieningen gevormd door de AOW (‘eerste pijler’) en pensioen (‘tweede pijler’). Het zogenoemde rustpensioen dat in België werkzame werknemers opbouwen omvat naar Nederlandse maatstaven zowel pensioenaanspraken als aanspraken van de eerste pijler. Als gevolg daarvan is de jaarlijkse aangroei van het Belgisch rustpensioen nominaal hoger dan de aangroei van een reguliere pensioenaanspraak in Nederland.</al>
            <al>De basis voor de berekening van de jaarruimte voor de aftrek van lijfrentepremies is een jaarlijks te bepalen percentage van de premiegrondslag. Bij de bepaling van de hoogte van de premiegrondslag wordt al rekening gehouden met het feit dat in reguliere gevallen recht zal bestaan op een AOW-uitkering. Op de uitkomst van die berekening komt vervolgens een bedrag in verband met de opbouw van pensioenrechten in mindering. Als daarbij de volledige aangroei van het Belgisch rustpensioen in aanmerking zou worden genomen, leidt dit tot een feitelijk te lage jaarruimte voor de lijfrentepremieaftrek. Er wordt in dat geval opnieuw rekening gehouden met de gerechtigheid tot een publiekrechtelijke (Belgische) oudedagsuitkering.</al>
            <al>Dit heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen in verhouding minder (gefacilieerde) lijfrentevoorzieningen kunnen opbouwen dan belastingplichtigen die naast hun pensioenrechten recht hebben op AOW. Dit effect acht ik ongewenst gelet op de achtergrond van de regeling over de berekening van de jaarruimte. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
            <al>Ik keur goed dat personen die in een jaar aanspraken voor een Belgisch rustpensioen opbouwen bij de berekening van de aangroei in dat jaar op het bedrag van de aangroei van jaarlijkse uitkeringen volgens een pensioenregeling een forfaitair bedrag in mindering brengen. Het gaat om de aangroei als bedoeld in artikel 3.127, vierde lid, Wet IB 2001. Dit forfaitaire bedrag wordt jaarlijks gepubliceerd op de website <extref soort="URL" doc="https://kennisgroepen.belastingdienst.nl" status="actief">https://kennisgroepen.belastingdienst.nl</extref>. Deze goedkeuring geldt uitsluitend als in dat jaar geen Nederlandse AOW-aanspraken zijn opgebouwd.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">10</nr>
            <titel>Lijfrente of arbeidsongeschiktheidsverzekering in het jaar van immigratie</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Een immigrant kan, als hij voor het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht een lijfrenteovereenkomst heeft gesloten met een buiten Nederland gevestigd levensverzekeringsbedrijf, de overeenkomst voortzetten door middel van premiebetalingen. Hetzelfde geldt voor een buiten Nederland gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering.</al>
            <al>Om in aanmerking te komen voor aftrek van de betaalde premies moet het buitenlandse verzekeringsbedrijf voldoen aan voorwaarden die door de Minister van Financiën worden gesteld (artikel 3.126, eerste lid, onderdeel <nadruk type="cur">c</nadruk>, Wet IB 2001). Ik stel hierbij de volgende cumulatieve voorwaarden:</al>
            <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>De professionele aanbieder of uitvoerder moet zijn onderworpen aan overheidstoezicht dat vergelijkbaar is met het toezicht op grond van de Wft.</al>
              </li>
              <li>
                <li.nr>–</li.nr>
                <al>Het moet gaan om een voortzetting van een lijfrente- of arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarvan de strekking overeenkomt met een inkomensvoorziening als bedoeld in afdeling 3.7 Wet IB 2001. Hiervan is alleen sprake als het tijdstip van het aangaan van de buitenlandse overeenkomst is gelegen vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht. Dat brengt onder meer mee dat vóór het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht ten minste een periodieke, contractuele premiebetaling moet hebben plaatsgevonden.</al>
              </li>
            </lijst>
            <al>De heffing over het in het buitenland opgebouwde deel gebeurt op basis van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 en met de toepassing van afdeling 3.7 van die wet.</al>
            <al>Als een immigrant na het moment van immigratie een lijfrenteovereenkomst sluit, ontbreken voor hem in het eerste jaar van binnenlandse belastingplicht de binnenlandse inkomensbestanddelen in het voorafgaande jaar. Per saldo heeft hij in het jaar van immigratie dan geen jaarruimte.</al>
            <al>Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de immigrant in het eerste jaar van binnenlandse belastingplicht voor de berekening van zijn premiegrondslag voor de lijfrentepremieaftrek, mag uitgaan van zijn dienovereenkomstige buitenlandse inkomensbestanddelen van het voorafgaande kalenderjaar. Desgevraagd verstrekt de immigrant aan de inspecteur de voor de vaststelling van dat buitenlandse inkomen relevante gegevens.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">11</nr>
            <titel>Handelingen in strijd met de voorwaarden</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">11.1</nr>
              <titel>Verzuimde aftrek; herstelmogelijkheid</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige heeft verzuimd vóór het onherroepelijk vaststaan van de aanslag de keuze te maken om ná afloop van een kalenderjaar betaalde premie of inleg aan te merken als premie of inleg die is betaald in dat kalenderjaar (artikel 3.130, tweede lid, Wet IB 2001). Omdat het een keuze betreft kan een ambtshalve vermindering niet plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor de keuze om premie of inleg die in de buitenlandse periode in een kalenderjaar of binnen zes maanden daarna is betaald of verrekend aan te merken als premie of inleg die is betaald in de binnenlandse periode (artikel 3.130, derde lid, Wet IB 2001). Dit vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder een voorwaarde goed dat de regeling van ambtshalve herziening (artikel 9.6 Wet IB 2001) ook toegepast wordt op de keuze van artikel 3.130, tweede of derde lid, Wet IB 2001 die nog gemaakt kan worden nadat de aanslag over het kalenderjaar onherroepelijk vaststaat.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
              <al>Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat de belastingplichtige de betreffende premie of inleg niet in aftrek heeft gebracht in het jaar van betaling. Dan heeft de belastingplichtige immers aangegeven een bewuste keuze te maken.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">11.2</nr>
              <titel>Onttrekken premie voor periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid aan lijfrentekapitaal</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Bij lijfrenteverzekeringen kan een recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn meeverzekerd. Er doen zich situaties voor waarin bedragen worden onttrokken aan het lijfrentekapitaal voor deze dekking bij arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Deze onttrekking is in beginsel een gedeeltelijke afkoop van de lijfrenteverzekering met als gevolg dat de verzekeraar ter zake loonheffing zou moeten inhouden en de verzekeringnemer revisierente verschuldigd kan zijn.</al>
              <al>Omdat het hier gaat om een onttrekking aan een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor een beperkte aftrek van premie bestaat (begrensd door jaar- en reserveringsruimte) ten gunste van een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor onbeperkt premieaftrek bestaat (recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid), acht ik dit gevolg ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder een voorwaarde goed dat in de situatie waarin premie voor een recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid wordt onttrokken aan het lijfrentekapitaal, artikel 3.134, eerste lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het tweede recht (de overblijvende lijfrenteverzekering) wordt beschouwd als een voortzetting van het eerste recht (de lijfrenteverzekering met daarin het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid meeverzekerd). In deze situatie is geen sprake van gedeeltelijke afkoop. De periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn daarmee integraal belast.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
              <al>Deze goedkeuring is van toepassing mits de verzekeraar de onttrokken premie voor het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid niet als aftrekbare premie renseigneert.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">12</nr>
            <titel>Echtscheiding</titel>
          </kop>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">12.1</nr>
              <titel>Toerekening lijfrente bij echtscheiding; geen gemeenschap van goederen</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Bij de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed kan een lijfrente die is afgesloten door de (ex-)echtgenoot fiscaal geruisloos – geheel of gedeeltelijk – worden vervreemd aan de andere (ex-)echtgenoot of zodanig worden gewijzigd dat de uitkeringen uit de lijfrente de andere (ex-)echtgenoot toekomen (artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001). Als echter geen gemeenschap van goederen bestaat, kan het ook gewenst zijn dat de lijfrente van de (ex-)echtgenoot geheel of gedeeltelijk toekomt aan de andere (ex-)echtgenoot. Bijvoorbeeld in de situatie waarin de (ex-)echtgenoot die de lijfrente heeft gesloten op grond van een rechterlijke uitspraak de verplichting krijgt opgelegd om de waarde van een lijfrente te verrekenen, of wanneer de waarde van een lijfrente moet worden verrekend op grond van een contractueel verrekenbeding of een ander beding. Een dergelijke verrekening houdt dan in dat de (ex-) echtgenoot die de lijfrente heeft gesloten (een deel van) de lijfrente moet verdelen en toerekenen – met vervreemding tot gevolg – aan de andere (ex-)echtgenoot.</al>
              <al>Dergelijke handelingen kunnen op grond van de letterlijke wettekst niet fiscaal geruisloos plaatsvinden. Dat kan uitsluitend in het kader van de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding en bij scheiding van tafel en bed. Als geen gemeenschap van goederen bestaat, moeten negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen (artikel 3.133 Wet IB 2001).</al>
              <al>De situaties waarbij een lijfrente wordt verdeeld (met vervreemding tot gevolg) op basis van een verplichting bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed om de waarde van een lijfrente te verrekenen, ondanks het feit dat geen gemeenschap van goederen bestaat, komen in grote mate overeen met de situaties bedoeld in artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder een voorwaarde goed dat in dergelijke situaties de verdeling geacht kan worden te hebben plaatsgevonden alsof er sprake is van het bestaan van een gemeenschap. Artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 is van toepassing.</al>
              <al>De financiële instelling kan dan gevolg geven aan dit verzoek zonder dat de instelling rekening hoeft te houden met het verschuldigd worden van belasting over negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en revisierente.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
              <al>Ik verbind aan deze goedkeuring de voorwaarde dat de (ex-)echtgenoten gezamenlijk een verzoek doen aan financiële instelling om de lijfrenteovereenkomst toe te delen of te splitsen met overeenkomstige toepassing van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001. Bij dit verzoek moeten beide (ex-)echt<?xpp afbm?>genoten omschrijven wat de aard van de gezamenlijke gerechtigheid of de aard van de verrekeningsverplichting is.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">12.2</nr>
              <titel>Afkoop van alimentatie door middel van een lijfrente; onzekerheidsvereiste</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Als een lijfrente een korte periode loopt of als het gaat om een jonge alimentatiegerechtigde, bestaat de kans dat niet in alle gevallen wordt voldaan aan de onzekerheidseis (1%-sterftekans). Ik vind het maatschappelijk ongewenst dat in dergelijke situaties voor de afkoopsom geen recht zou bestaan op persoonsgebonden aftrek (artikel 6.5 Wet IB 2001). Ik keur daarom het volgende goed.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder een voorwaarde goed dat in die situaties de beoordeling van de kans op overlijden van de gerechtigde achterwege kan blijven.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
              <al>Ik stel hierbij de voorwaarde dat belanghebbenden desgevraagd een verklaring kunnen overleggen waaruit blijkt dat de alimentatiegerechtigde ermee akkoord gaat dat sprake is van een lijfrente als bedoeld in artikel 6.5 Wet IB 2001.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">12.3</nr>
              <titel>Afkoop van alimentatieverplichting in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van de voorwaarden voor deze fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaalt (artikel 6.5, eerste lid, juncto artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, Wet IB 2001).</al>
              <al>In de uitvoeringspraktijk bestaat de wens om in deze situatie de fiscale faciliteit ook van toepassing te laten zijn als de belastingplichtige de lijfrente in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten afsluit. Hoewel de regeling zich er naar mijn oordeel voor leent om het product ook in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht af te sluiten, biedt de wet hiervoor geen mogelijkheid. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met de wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de afkoopsom voor een alimentatieverplichting aan de gewezen echtgenoot die een belastingplichtige betaalt in de vorm van het overmaken van een bedrag naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht aan een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, Wet IB 2001, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, Wet IB 2001 wordt aangemerkt.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden</tussenkop>
              <al>Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>De gewezen echtgenoot is (rekening)houder van de lijfrenterekening of van het lijfrentebeleggingsrecht bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>De termijnen van de lijfrente moeten onmiddellijk na het betalen van de afkoopsom ingaan. De in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 opgenomen uiterste ingangsdatum en de minimale looptijd van de termijnen blijven hierbij buiten beschouwing; en</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>Bij overlijden van de gewezen echtgenoot gaat het recht op de nog niet gedane uitkeringen over op de erfgenamen van de gewezen echtgenoot (analoog aan het bepaalde in artikel 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001).</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>Artikel 6.5, derde en vierde lid, Wet IB 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
          <circulaire.divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">12.4</nr>
              <titel>Verrekening van pensioenrechten in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht</titel>
            </kop>
            <tekst status="goed">
              <al>Een belastingplichtige kan een lijfrentepremie storten voor zijn (gewezen) echtgenoot die gerechtigd is tot de verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van deze voorwaarden voor de fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een professionele verzekeringsmaatschappij betaalt. Dit is bepaald in artikel 6.6 Wet IB 2001.</al>
              <al>In de uitvoeringspraktijk bestaat de wens om in deze situatie de fiscale faciliteit ook van toepassing te laten zijn als de belastingplichtige de lijfrente in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten afsluit. Hoewel de regeling zich er naar mijn mening voor leent om het product ook in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht af te sluiten, biedt de wet hiervoor geen mogelijkheid. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met de desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
              <al>Ik keur onder voorwaarden goed dat het bedrag dat de belastingplichtige in het kader van de verrekening van pensioenrechten betaalt in de vorm van het overmaken van een bedrag naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht aan een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.6 Wet IB 2001 wordt aangemerkt.</al>
              <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden</tussenkop>
              <al>In afwijking van artikel 6.6 Wet IB 2001 stel ik hierbij de volgende voorwaarden.</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>a.</li.nr>
                  <al>De (gewezen) echtgenoot is (rekening)houder van de lijfrenterekening of van het lijfrentebeleggingsrecht bedoeld in artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001;</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>b.</li.nr>
                  <al>Het gaat hierbij om een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht in de zin van artikel 3.126a, eerste lid, Wet IB 2001 afgesloten bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, Wet IB 2001; en</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>c.</li.nr>
                  <al>Bij overlijden van de (gewezen) echtgenoot gaat het recht op de nog niet gedane uitkeringen over op de erfgenamen van de (gewezen) echtgenoot (analoog aan artikel 3.126a, zesde lid, Wet IB 2001).</al>
                </li>
              </lijst>
            </tekst>
          </circulaire.divisie>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">13</nr>
            <titel>Verrekening van pensioenrechten door ex-samenwoners</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Samenwoners kunnen afspraken maken over verrekening van pensioenrechten door in het samenlevingscontract de verplichting tot verevenen van het ouderdomspensioen op te nemen. Een pensioenuitvoerder kan aan verevening tussen ex-samenwoners meewerken, maar is daartoe niet verplicht. Als de pensioenuitvoerder niet meewerkt, kan de belastingplichtige verplicht zijn zelf een gedeelte van de pensioenuitkering uit te betalen aan zijn ex-samenwoner. De ex-samenwoners kunnen ook overeenkomen dat de belastingplichtige telkens een deel van zijn of haar pensioenuitkeringen periodiek overmaakt aan de ander. De periodieke uitkeringen zijn belast op grond van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Daarnaast kunnen de ex-samenwoners overeenkomen dat deze verplichting wordt afgekocht. Een dergelijke afkoopsom is belast op grond van artikel 3.102, eerste lid, Wet IB 2001.</al>
            <al>Als sprake is van een huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn deze bedragen aftrekbaar op grond van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001. Deze aftrekbepaling geldt niet voor ex-samenwoners. Deze ongelijkheid tussen samenwoners en gehuwden/geregistreerde partners acht ik ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Goedkeuring</tussenkop>
            <al>Ik keur onder een voorwaarde goed dat bedragen, die de belastingplichtige voldoet in het kader van de beëindiging van samenwonen ter zake van de verplichting tot verrekening van pensioenrechten, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 wordt aangemerkt.</al>
            <tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarde</tussenkop>
            <al>Ik stel hierbij de voorwaarde dat de verplichting tot verrekening van pensioenrechten volgt uit een notarieel samenlevingscontract tussen de belastingplichtige en zijn ex-samenwoonpartner.</al>
            <al>Als gevolg van deze goedkeuring zijn in deze situatie ook artikel 6.6 Wet IB 2001 en onderdeel 12.4 toepasbaar, waarbij voor ‘echtgenoot’ moet worden gelezen: ‘samenwoner’.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">14</nr>
            <titel>Ingetrokken regeling</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Het besluit van 21 januari 2025, nr. 2024-375909 is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">15</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit, met uitzondering van onderdelen 7.3 en 8. Deze onderdelen werken terug tot en met 1 januari 2026.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
        <circulaire.divisie opmaak="default">
          <kop>
            <nr status="officieel">16</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <tekst status="goed">
            <al>Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen.</al>
          </tekst>
        </circulaire.divisie>
      </circulaire-tekst>
      <circulaire-sluiting status="goed">
        <slotformulering>
          <al>Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.</al>
        </slotformulering>
        <gegeven>
          <dagtekening>
            <plaats>Den Haag,</plaats>
            <datum isodatum="2026-03-31">31 maart 2026</datum>
          </dagtekening>
        </gegeven>
        <ondertekening>
          <functie>De Staatssecretaris van Financiën,</functie>
          <deze>namens deze,</deze>
          <naam>
            <voornaam>M.C. de</voornaam>
            <achternaam>Graaf</achternaam>
          </naam>
          <functie>Waarnemend hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken</functie>
        </ondertekening>
      </circulaire-sluiting>
    </circulaire>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>