﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-10692/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake voorstel van wet houdende regels over de uitvoering van
      internationale sanctiemaatregelen</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">DJZ/NR</context.al>
          <context.al type="kenmerk">BZ2624174</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 12 februari 2026</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake voorstel van wet houdende regels over de
                  uitvoering van internationale sanctiemaatregelen</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 17 juli 2025,
               nr. 2025001668, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State
               haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen
               toekomen. Dit advies, gedateerd 3 december 2025, nr. W02.25.00209/II, bied ik U
               hierbij aan.</al>
            <al>De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn
               reactie.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2025, no.2025001668, heeft Uwe
                  Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling
                  advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van
                  wet houdende regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet
                  internationale sanctiemaatregelen), met memorie van toelichting.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel moderniseert het Nederlandse sanctiestelsel in
                  verband met de toename van het gebruik van internationale sanctiemaatregelen en de
                  eisen die in toenemende mate worden gesteld aan de uitvoering en handhaving ervan
                  op nationaal niveau. Het wetsvoorstel vervangt de huidige Sanctiewet 1977. Zo
                  verbetert het wetsvoorstel de mogelijkheden om gegevens uit te wisselen en
                  introduceert het bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen. Ook bevat
                  het voorstel bepalingen omtrent de continuïteit en de afwikkeling van
                  ondernemingen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Met de voorgestelde modernisering van het sanctiestelsel wil de
                  regering gevolg geven aan de grondwettelijke opdracht om de ontwikkeling van de
                  internationale rechtsorde te bevorderen. Tevens wil de regering zorgdragen voor
                  een effectieve handhaving en uitvoering van het Unierecht. In het licht van deze
                  constitutionele verplichtingen en de geopolitieke ontwikkelingen, onderschrijft de
                  Afdeling advisering van de Raad van State het belang van het wetsvoorstel en het
                  merendeel van de daarin gemaakte keuzes. Zij vraagt evenwel aandacht voor enkele
                  aspecten van het wetsvoorstel.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling maakt eerst en vooral opmerkingen over de bevoegdheid
                  van de minister van Economische Zaken om een bewindvoerder aan te wijzen bij een
                  onderneming wanneer een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering
                  van die onderneming met zich brengt en daarmee ernstige schade voor de Nederlandse
                  samenleving kan ontstaan. De Afdeling heeft twijfels bij de effectiviteit van de
                  aanwijzingsbevoegdheid, mede in het licht van de vormgeving van deze bevoegdheid,
                  de (internationale) handelspraktijk, het bestaan van concernverhoudingen en de
                  mogelijkheid dat een aanwijzing internationale repercussies heeft. Daarom
                  adviseert zij het wetsvoorstel op dit onderdeel nader te bezien. In het bijzonder
                  adviseert de Afdeling daarbij de mogelijkheden die het burgerlijk recht thans al
                  biedt in het kader van de enquêteprocedure te betrekken en het wetsvoorstel aan te
                  passen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling maakt tevens opmerkingen over de verstrekking en
                  verwerking van gegevens door instanties die betrokken zijn bij het toezicht op de
                  naleving of de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen. De Afdeling heeft
                  met het oog op de snelheid die met de invoering van sancties kan zijn geboden
                  begrip voor de generieke grondslag die voor de verstrekking van persoonsgegevens
                  in het wetsvoorstel is opgenomen, maar adviseert om in het licht van artikel 10
                  van de Grondwet in het voorstel te regelen dat als in een concreet geval van deze
                  algemene bevoegdheid gebruik wordt gemaakt alsnog zo spoedig mogelijk een
                  wetsvoorstel wordt ingediend om de betreffende grondslag specifiek in de wet te
                  verankeren.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling maakt een vergelijkbare opmerking wat betreft de in
                  het voorstel geboden grondslag om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) of
                  ministeriële regeling ook andere dan in de wet genoemde bestuursorganen aan te
                  wijzen die zullen beschikken over een bestuursrechtelijk
                  handhavingsinstrumentarium. De Afdeling adviseert in het wetsvoorstel op te nemen
                  dat na aanwijzing van bestuursorganen bij amvb of ministeriële regeling zo spoedig
                  mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend om de bevoegde bestuursorganen alsnog in
                  de wet vast te leggen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Tot slot maakt de Afdeling een opmerking over de consequenties
                  die het niet overnemen van artikel 4 van de Sanctiewet 1977 heeft voor de
                  rechtsbescherming die openstaat tegen intrekking van een verblijfsvergunning als
                  gevolg van internationale sanctiemaatregelen. Zij adviseert hier in de toelichting
                  op in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In verband met deze opmerkingen ligt aanpassing van het
                  wetsvoorstel en de toelichting zeer in de rede.</nadruk>
            </al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Achtergrond en inhoud van het voorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Achtergrond</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het afgelopen decennium zijn internationale sanctiemaatregelen
                     van de Verenigde Naties (hierna: VN) en de Europese Unie (hierna: EU) steeds
                     omvangrijker en complexer geworden. Dat geldt in het bijzonder voor de
                     inmiddels 19 sanctiepakketten die in EU-verband zijn vastgesteld naar
                     aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne. Deze sanctiemaatregelen
                     stellen in toenemende mate eisen aan de uitvoering en handhaving ervan op
                     nationaal niveau.<noot id="n403" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.1 ‘Aanleiding en
                           probleemstelling’.</noot.al></noot> Tegen die achtergrond adviseerde de Nationaal Coördinator
                     Sanctienaleving en Handhaving om het Nederlandse sanctiestelsel te versterken
                     en ervoor te zorgen dat wet- en regelgeving daarmee gelijke tred houdt.<noot id="n404" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie het Rapport van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving en
                           Handhaving, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                              nr. 72</extref>.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Sanctiewet 1977 is de schakel tussen internationale
                     sanctiemaatregelen enerzijds en nationale uitvoering anderzijds. Deze wet is
                     echter op een flink aantal punten verouderd, zo stelt de toelichting. De
                     belangrijkste problemen betreffen ontbrekende of ontoereikende grondslagen om
                     gegevens uit te wisselen, het ontbreken van de mogelijkheid om
                     sanctieschendingen bestuursrechtelijk te handhaven, een niet-toereikend systeem
                     voor beheer en bewind, en de behoefte van marktpartijen aan inzicht in
                     mogelijke relaties met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook kennen
                     sanctiemaatregelen verschillende meldingsplichten en meldingspunten, hetgeen
                     volgens de toelichting tot een gefragmenteerd systeem leidt. Omdat het
                     adresseren van deze aandachtspunten een omvangrijke wijziging van de Sanctiewet
                     1977 zou vergen, ligt het volgens de regering in de rede om een nieuwe wet vast
                     te stellen.<noot id="n405" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.1 ‘Aanleiding en
                           probleemstelling’.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Inhoud van het wetsvoorstel</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Tegen de hiervoor geschetste achtergrond laat het wetsvoorstel
                     de Sanctiewet 1977 grotendeels vervallen en laat het daarvoor een geheel nieuwe
                     Wet internationale sanctiemaatregelen in de plaats treden. Daarbij moet worden
                     aangetekend dat Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 nog tijdelijk in licht
                     aangepaste vorm van kracht zal blijven.<noot id="n406" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Dit betreft de onderdelen die zien op het sanctiewettoezicht op de
                           bedrijfsvoering van financiële ondernemingen.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel strekt er onder meer toe de grondslagen om
                     regels te stellen ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen te
                     moderniseren. Ook worden, in aanvulling op het strafrecht, mogelijkheden voor
                     de bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen
                     geïntroduceerd. Verder wordt er een bijzondere handhavingsbevoegdheid bij
                     ernstige niet-naleving of ontduiking van sanctiemaatregelen geïntroduceerd. Het
                     wetsvoorstel bevat ook bepalingen omtrent de continuïteit en de afwikkeling van
                     ondernemingen. Er wordt tevens voorzien in een grondslag om in verschillende
                     openbare registers een koppeling te maken met sancties en de mogelijkheden die
                     bevoegde autoriteiten, zoals toezichthouders en handhavingsinstanties, hebben
                     om gegevens uit te wisselen worden verbeterd. Tot slot wordt er een centraal
                     meldpunt voor sancties ingericht en wordt het toezicht op de bedrijfsvoering
                     aangepast en uitgebreid naar juridische beroepsgroepen.</nadruk>
              </al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Algemene gezichtspunten</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">De toelichting plaatst het wetsvoorstel terecht in een breder
                  constitutioneel perspectief.<noot id="n407" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2 ‘Doelstelling’.</noot.al></noot> Artikel 90 van de Grondwet geeft de regering de opdracht om de
                  ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Deze opdracht plaatst
                  het Nederlandse constitutionele bestel in de bredere context van internationale
                  vrede en veiligheid. Daarnaast heeft de regering de verplichting om – mede op
                  grond van het beginsel van Unietrouw<noot id="n408" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Zie artikel 4, derde lid, en artikel 24, derde lid, van het Verdrag
                        betreffende de Europese Unie.</noot.al></noot> – het nuttig effect van EU-regelgeving te verzekeren en zorg te dragen
                  voor een effectieve handhaving en uitvoering van het Unierecht.<noot id="n409" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese
                        Unie.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Deze grondwettelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen
                  impliceren dat sanctiemaatregelen worden nageleefd, dat het toezicht op de
                  naleving effectief is en dat schendingen effectief worden gehandhaafd. Met de
                  voorgestelde modernisering van het sanctiestelsel wil de regering daaraan gevolg
                     geven.<noot id="n410" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2 ‘Doelstelling’.</noot.al></noot> Daarvoor is te meer aanleiding nu als gevolg van de geopolitieke
                  ontwikkelingen het sanctie-instrument in de huidige tijd veelvuldiger en
                  indringender dan voorheen wordt gebruikt.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het licht van het voorgaande onderschrijft de Afdeling het
                  belang van het wetsvoorstel. Zij vraagt evenwel, mede in het licht van de gewenste
                  effectiviteit, aandacht voor enkele aspecten van het wetsvoorstel. De Afdeling
                  maakt vooral opmerkingen over de bevoegdheid van de minister van Economische Zaken
                  om een bewindvoerder aan te wijzen bij een onderneming wanneer een
                  sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of continuïteit
                  van die onderneming met zich brengt en daarmee ernstige schade voor de Nederlandse
                  samenleving kan ontstaan (punt 3). Vervolgens maakt zij enkele opmerkingen over de
                  wettelijke grondslagen voor gegevensverstrekking en -verwerking (punt 4) en over
                  het aanwijzen van bestuursorganen met handhavende bevoegdheden (punt 5). Tot slot
                  maakt de Afdeling een opmerking over de consequenties van het wetsvoorstel voor
                  rechtsbescherming tegen intrekking van een verblijfsvergunning (punt
               6).</nadruk>
            </al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Bevoegdheid tot aanwijzing bewindvoerder</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Beschrijving van het voorstel</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel introduceert een bevoegdheid voor de minister
                     van Economische Zaken om ambtshalve een bewindvoerder aan te wijzen bij een in
                     Nederland of op de BES gevestigde onderneming waarop een verplichting van
                     toepassing is uit hoofde van een sanctiemaatregel.<noot id="n411" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.3.</noot.al></noot> De bevoegdheid kan worden uitgeoefend als door de toepassing van een
                     sanctiemaatregel ‘de financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming’
                     in gevaar is en daarmee ‘ernstige negatieve maatschappelijke, economische of
                     werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving’ kunnen
                     ontstaan.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De bewindvoerder kan opdrachten verstrekken om ‘de naleving
                     van de verplichtingen uit hoofde van de opgelegde sancties te verzekeren en de
                     financiële stabiliteit, de continuïteit, of de zorgvuldige afwikkeling van de
                     activiteiten van de onderneming te waarborgen’.<noot id="n412" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>In het voorstel wordt een ‘opdracht’ gedefinieerd als een
                           verplichting tot het verrichten of zich onthouden van feitelijke
                           handelingen of rechtshandelingen.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel regelt niet specifiek welke opdrachten de
                     bewindvoerder aan een onderneming kan verstrekken. De onderneming heeft geen
                     instemming nodig van de aandeelhouders voor het opvolgen van de opdrachten en
                     eventuele statutaire bepalingen of andere regelingen tussen de onderneming en
                     haar aandeelhouders (bijvoorbeeld inzake besluitvorming in
                     aandeelhoudersvergaderingen) zijn niet van toepassing. De bewindvoerder
                     vervangt niet het bestuur van de onderneming. Bestuurders, commissarissen, en
                     personen die feitelijk leidinggeven en andere werknemers binnen de onderneming,
                     zijn verplicht de bewindvoerder ‘alle benodigde informatie te verstrekken,
                     opdrachten op te volgen en alle medewerking te verlenen.’<noot id="n413" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.4.</noot.al></noot> Rechtshandelingen in strijd met de opdracht van de bewindvoerder zijn
                     vernietigbaar.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan
                     administratief beroep worden ingesteld bij de minister van Economische Zaken.
                     Onverminderd de aansprakelijkheid van de Staat, is een bewindvoerder niet
                     aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hem verstrekte opdrachten. Het
                     besluit tot aanwijzing van een bewindvoerder en de intrekking daarvan worden
                     bekendgemaakt in de Staatscourant.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Naast de bevoegdheid tot ambtshalve aanwijzing kan het bestuur
                     of de raad van commissarissen ook een verzoek doen tot aanwijzing van een
                        bewindvoerder.<noot id="n414" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.5 en 5.6.</noot.al></noot> Bij de aanwijzing op verzoek staat niet het algemeen belang voorop,
                     maar het (deel)belang van de onderneming. Daarom komen de kosten die
                     samenhangen met de aanwijzing ten laste van de betrokken
                  onderneming.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Ten slotte regelt het wetsvoorstel de verhouding met
                     betrekking tot het financieel toezicht. De minister van Economische Zaken kan
                     zijn bevoegdheden ten aanzien van financiële ondernemingen alleen uitoefenen in
                     overeenstemming met de relevante toezichthouder en wijkt terug indien de
                     toezichthouder zelf een curator of bewindvoerder aanstelt.<noot id="n415" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.7.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Ter motivering van het voorstel wijst de toelichting erop dat
                     in Nederland gevestigde ondernemingen (indirect) kunnen worden geraakt door
                     internationale sancties, bijvoorbeeld omdat de onderneming voor meer dan 50% in
                     handen is van een gesanctioneerde buitenlandse (rechts)persoon van wie de
                     tegoeden bevroren zijn, of omdat de onderneming een volle dochter is van een
                     gesanctioneerde moedermaatschappij. Hierdoor kan de onderneming in een
                     economisch isolement raken, wat kan leiden tot haar ondergang, en, in bepaalde
                     gevallen, tot ernstige maatschappelijke gevolgen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Volgens de regering kunnen deze gevolgen onvoldoende worden
                     opgevangen met het bestaande recht. In EU-sanctieverordeningen zijn
                     ontheffingsmogelijkheden opgenomen, maar deze zijn met name gericht op de
                     bescherming van transacties met derden en niet op continuering van de
                     onderneming. De mogelijkheden die een onderneming zelf heeft om de band met de
                     gesanctioneerde (rechts)persoon door te snijden, zijn afhankelijk van de
                     instemming van de gesanctioneerde persoon of partner. Die zal daar volgens de
                     regering niet altijd toe bereid of in staat zijn. Het komt voor dat het bestuur
                     dat een dergelijk voorstel overweegt, wordt ontslagen, zelfs in die gevallen
                     waarin uitoefening van de stemrechten door de gesanctioneerde aandeelhouder
                     verboden is krachtens de EU-sanctieverordeningen. Verder kan onder
                     omstandigheden gebruik worden gemaakt van sectorale wettelijke bevoegdheden om
                     bij de onderneming in te grijpen. Deze bevoegdheden zijn echter niet
                     toegespitst op het omgaan met de effecten van sanctiemaatregelen en gericht op
                     een (nauw) afgebakende groep vitale aanbieders, dus, zo stelt de regering, niet
                     breed inzetbaar.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Dit alles brengt de regering tot de conclusie dat de minister
                     van Economische Zaken maatregelen moet kunnen nemen om de effectiviteit van de
                     internationale sanctiemaatregel veilig te stellen. Tegelijkertijd beoogt de
                     regering dat daarmee de negatieve maatschappelijke effecten worden
                     geminimaliseerd door de continuïteit van de betrokken onderneming te waarborgen
                     of de beëindiging en afwikkeling van de onderneming zorgvuldig te laten
                     plaatsvinden. Een middel daarvoor is volgens de opvatting van de regering het
                     ambtshalve aanwijzen van een bewindvoerder. De bewindvoerder kan ingevolge het
                     wetsvoorstel via gerichte opdrachten ingrijpen als er (rechts)handelingen
                     worden verricht die kunnen leiden tot negatieve maatschappelijke effecten, het
                     bestuur opdragen om de eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen aan te passen, of
                     om tot herstructurering of tot een ordentelijke afwikkeling van de onderneming
                     over te gaan.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Met deze keuze en de wijze waarop deze bevoegdheid is
                     vormgegeven, geeft de regering bovendien opvolging aan de aanbevelingen van de
                     Europese Commissie over het implementeren van zogeheten firewalls, aldus de
                        toelichting.<noot id="n416" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Van een formele aanbeveling in de zin van artikel 288, lid 2, VWEU
                           is overigens geen sprake. De Commissie attendeert slechts op de
                           mogelijkheid voor ondernemingen om een <nadruk type="cur">firewall</nadruk> in te stellen en moedigt de onderlinge erkenning
                           van <nadruk type="cur">firewall</nadruk>-beslissingen tussen lidstaten
                           aan.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Effectiviteit (ambtshalve) aanwijzingsbevoegdheid</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling onderkent dat er behoefte kan zijn aan een vorm
                     van overheidsingrijpen bij ondernemingen die worden meegetrokken in sancties
                     tegen een gesanctioneerde partij, indien die partij zijn positie niet wil
                     prijsgeven en deze weigering het publieke belang ernstig kan schaden. Het is op
                     zichzelf juist dat het bestaande ontheffingensysteem een ander doel heeft en
                     nauwelijks mogelijkheden biedt om onwenselijke gevolgen voor Nederlandse
                     ondernemingen die worden geraakt door EU-sancties te voorkomen of beperken. Dit
                     neemt niet weg dat er serieuze kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de
                     effectiviteit en de evenredigheid van het voorgestelde
                  instrument.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Uit de toelichting blijkt dat de regering wat betreft de
                     bevoegdheid tot het aanwijzen van een bewindvoerder inspiratie heeft opgedaan
                     bij de bestaande wetgeving in het financiële recht en het energierecht. De
                     gedachte om daarbij aan te sluiten is op zichzelf begrijpelijk. De regering
                     doet daarbij echter geen recht aan de specifieke kenmerken van die wetgeving en
                     de aanmerkelijke verschillen als het gaat om de achtergrond, bedoeling en
                     inhoud van de onderscheidene regelingen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">In de eerste plaats gaat de toelichting er aan voorbij dat de
                     sectorale bevoegdheden betrekking hebben op een nauw afgebakende groep
                     ondernemingen, waarvan de activiteiten in sterke mate publiekrechtelijk zijn
                     gereguleerd. Bovendien staan deze ondernemingen voortdurend onder toezicht,
                     waardoor ernstige problemen kunnen worden voorkomen of ten minste tijdig bij de
                     toezichthouder in beeld zijn. Daarvoor beschikt de toezichthouder op grond van
                     de geldende wetgeving over een groot aantal qua zwaarte oplopende
                     bevoegdheden.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het aanwijzen van een (bijzondere) bewindvoerder is een
                     uiterste middel, dat pas wordt ingezet als andere, meer gerichte maatregelen
                     (zoals een stille curator) niet meer volstaan.<noot id="n417" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Artikel 1:76a van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Deze aanwijzingsbevoegdheid is dan ook niet bedoeld om de onderneming
                     te redden, maar om in samenspraak met de sector door een doorstart, overname of
                     gecontroleerde afwikkeling, de levering van energie te waarborgen of
                     bijvoorbeeld te voorkomen dat een falende bank andere financiële instellingen
                     mee omver trekt.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het voorliggende voorstel heeft daarentegen betrekking op alle
                     in Nederland gevestigde ondernemingen, en daarmee voor het overgrote deel op
                     ondernemingen waarvoor geen sectorspecifieke regels gelden en evenmin specifiek
                     toezicht geldt. Dat betekent dat een aanwijzing voor een onderneming zoals nu
                     voorgesteld betrekkelijk onverwacht kan komen, mede gezien het snel evoluerende
                     karakter van het sanctie-instrument. In het voorstel is het ambtshalve
                     aanwijzen van een bewindvoerder bovendien geen uiterst, maar het enige middel.
                     Het is daarom voor de Afdeling de vraag of het inzetten van een dergelijk
                     middel geschikt is om het bedrijf heelhuids in rustiger vaarwater te brengen,
                     en waarom niet, anders dan bijvoorbeeld in de financiële sector, is gekozen
                     voor een aantal qua zwaarte oplopende, proportionele maatregelen.<noot id="n418" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Zie artikel 3:111a van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Op die manier zou escalatie kunnen worden voorkomen en blijft het
                     bestuur aan zet.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Een tweede verschil is dat in de bestaande sectorwetgeving is
                     geregeld dat in het uiterste geval dat een bewindvoerder wordt aangesteld, de
                     bestuurder of het bestuur door de bewindvoerder kan worden vervangen.<noot id="n419" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Artikel 1:76aa van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Volgens het voorstel daarentegen wordt een bewindvoerder naast het
                     bestuur gezet en geeft de bewindvoerder aan het bestuur opdrachten, die in het
                     wetsvoorstel niet nader zijn geconcretiseerd. Daarmee is de bewindvoerder een
                     verlengde arm van de minister, maar niet bevoegd om binnen de onderneming
                     effectief besluiten te nemen. De vraag is of de bewindvoerder hierdoor niet in
                     een onmogelijke positie komt, te meer omdat de directe aanleiding voor de
                     aanwijzing is dat het bestuur van de rechtspersoon in de omstandigheden die
                     zich voordoen geen maatregelen wil of kan nemen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het voorstel geeft de bewindvoerder feitelijk geen andere
                     mogelijkheid dan vernietiging vragen van rechtshandelingen die in strijd met
                     zijn opdracht zijn verricht. In een situatie waarin de verhoudingen al op
                     scherp staan en handelen geboden is, lijkt dat weinig effectief. Denkbaar is
                     dat het beoogde resultaat sneller of beter kan worden bereikt als besluiten van
                     het bestuur of de aandeelhouders voorafgaande goedkeuring behoeven of indien de
                     bewindvoerder (een deel van) de taken van het bestuur (tijdelijk) overneemt.
                     Een voorbeeld biedt de meer uitvoerige regeling ten aanzien van de curator en
                     de bijzondere bewindvoerder op grond van artikel 1:76 respectievelijk 1:76a en
                     1:76aa van de Wet op de het financieel toezicht, en de in het wetsvoorstel
                     opgenomen regeling bij ontduiking of ondermijning (artikel
                  7.1.7).</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Een derde verschilpunt is dat, anders dan bij de bestaande
                     sectorwetgeving, het wetsvoorstel met name betrekking heeft op ondernemingen
                     die gegrondvest zijn en handelen op basis van overeenkomsten. Gebruikelijk bij
                     de financiering van een onderneming en in zakelijke contracten is dat bij
                     veranderingen in de eigendom en zeggenschap of het beëindigen van een
                     dienstverband een ontbindende clausule in werking treedt of rechten worden
                     geactiveerd. De (enkele) aanwijzing van een bewindvoerder kan er in deze
                     gevallen toe leiden dat de financiering van een onderneming in direct gevaar
                     komt.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Indien een onderneming onderdeel is van een concern kan een
                     aanwijzing van de bewindvoerder tot onzekerheid leiden in de verhoudingen van
                     de dochter tot de moedermaatschappij. Een afsplitsing van het concern zou ertoe
                     kunnen leiden dat het commerciële deel van een concern los komt te staan van de
                     werkmaatschappij, waardoor de onderneming economisch gezien niet meer
                     levensvatbaar is.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Ten slotte merkt de Afdeling op dat het in de gevallen waarop
                     het wetsvoorstel betrekking heeft niet primair gaat om een falende onderneming
                     of om een conflict binnen de onderneming zelf, maar in essentie om een conflict
                     tussen staten. Daarvoor bestaan geen gemakkelijke oplossingen. Met het
                     ingrijpen in een onderneming kunnen bovendien de belangen van nog weer andere
                     landen gemoeid zijn indien de onderneming internationaal gezien een
                     sleutelpositie inneemt. Dit spanningsveld maakt dat ingrijpen door de minister
                     van Economische Zaken in de bedrijfsvoering van ondernemingen met veel
                     onzekerheden en gevoeligheden is omgeven. In voorkomende gevallen zal in het
                     belang van de internationale betrekkingen afstemming met andere landen nodig
                     zijn. In de toelichting wordt aan dit aspect geen aandacht
                  besteed.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Samenvattend is het de vraag of een instrument dat in de
                     bestaande sectorwetgeving door toezichthouders alleen als uiterste middel wordt
                     gebruikt om de afwikkeling van zeer specifieke ondernemingen gecontroleerd te
                     laten verlopen, ook in de context van het onderhavige wetsvoorstel een
                     effectief middel is om het voortbestaan van ondernemingen die te maken hebben
                     met internationale sancties, te waarborgen. Uit het bovenstaande volgt dat dat,
                     mede gelet op de vormgeving van deze bevoegdheid, de (internationale)
                     handelspraktijk, het bestaan van concernverhoudingen en de mogelijkheid dat een
                     aanwijzing internationale repercussies heeft, moet worden
                  betwijfeld.</nadruk>
              </al>
              <al>Naar aanleiding van de vragen van de Afdeling over de te verwachten effectiviteit
                  van de bewindvoerder, is Nederland in contact getreden met andere EU-lidstaten die
                  soortgelijke bevoegdheden hebben in hun sanctiewetgeving. Door de aard van de zaak
                  – dergelijke bevoegdheden worden zelden ingezet – is er onvoldoende casuïstiek om
                  generieke uitspraken te kunnen doen over hun effectiviteit in het algemeen. Dat
                  zal bovendien ook casusafhankelijk zijn. Niettemin biedt de casuïstiek uit landen
                  waar dergelijke bevoegdheden al langer in sanctiewetgeving bestaan voldoende
                  aanleiding voor de conclusie dat deze wel degelijk effectief kunnen zijn, ook in
                  concernverhoudingen.</al>
              <al>Voor de goede orde zij daarbij nog opgemerkt dat deze wetgeving in andere
                  lidstaten een ruim toepassingsbereik kent, en niet beperkt is tot aspecten van het
                  financiële recht en het energierecht. De met het wetsvoorstel voorgestelde
                  bevoegdheden zijn ook niet louter aan deze twee rechtsgebieden ontleend, maar
                  vonden ook inspiratie in de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en
                  overnames, die ook een ruim toepassingsbereik heeft.</al>
              <al>In ieder geval Polen, Litouwen, Roemenië en Malta hebben bevoegdheden in hun
                  sanctiewetgeving om bij ondernemingen bewindvoerders of soortgelijke
                  functionarissen aan te stellen. De inzetcriteria die daar in de regel voor gelden
                  komen sterk overeen met wat de regering in dit wetsvoorstel voorstelt: er moet
                  sprake zijn van negatieve maatschappelijke effecten en tegelijkertijd moet
                  sanctienaleving geborgd blijven. Zo kan in Polen een tijdelijk beheersorgaan
                     (<nadruk type="cur">tymczasowego zarządu przymusowego</nadruk>) worden
                  ingesteld om een onderneming op de been te houden, om de werkgelegenheid te
                  behouden, de levering van openbare nutsdiensten te handhaven of andere publieke
                  taken uit te voeren of het economisch belang van de staat te beschermen.<noot id="n420" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Artikel 6a, eerste lid, van de <extref doc="https://sip.lex.pl/akty-prawne/dzu-dziennik-ustaw/szczegolne-rozwiazania-w-zakresie-przeciwdzialania-wspieraniu-agresji-19231047" soort="URL" status="actief">USTAWA z dnia 13 kwietnia 2022 r. o
                           szczególnych rozwiązaniach w zakresie przeciwdziałania wspieraniu agresji
                           na Ukrainę oraz służących ochronie bezpieczeństwa
                        narodowego</extref>.</noot.al></noot> In Roemenië kan het beheer worden overgenomen (<nadruk type="cur">preluarea spre administrare</nadruk>) van een bevroren tegoed of onderneming,
                  als dit noodzakelijk wordt geacht voor een goede administratie van het betreffende
                  tegoed of de betreffende onderneming.<noot id="n421" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Artikel 24, tweede lid, van de <extref doc="https://ancex.ro/wp-content/uploads/2023/03/ORDONANTA_DE_URGENTA_nr_202__2008_.pdf" soort="URL" status="actief"><nadruk type="cur">Ordonanţă de Urgenţă nr. 202
                              din 4 decembrie 2008 privind puner ea în aplicare a sancţiunilor
                              internaţionale.</nadruk></extref></noot.al></noot> In Litouwen kan een tijdelijke bewindvoerder (<nadruk type="cur">laikinasis administratorius</nadruk>) worden aangewezen om nadelige
                  maatschappelijke, economische, ecologische of andere belangrijke gevolgen voor het
                  publiek of de staat te voorkomen en om te zorgen voor de naleving van de vereisten
                  die de sancties stelt.<noot id="n422" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Artikel 8, eerste lid, van de <extref doc="https://e-seimas.lrs.lt/portal/legalAct/lt/TAD/66ca3582036d11edbfe9c72e552dd5bd?jfwid=-4fsid6obl" soort="URL" status="actief"><nadruk type="cur">Republic of Lithuania Law on
                              International Sanctions (official translation)</nadruk></extref>. Zie
                           <extref doc="https://e-seimas.lrs.lt/portal/legalAct/lt/TAK/d057a140af4911ecaf79c2120caf5094?positionInSearchResults=2&amp;searchModelUUID=afe508f3-5178-4918-a1f6-13618c30d091" soort="URL" status="actief">https://e-seimas.lrs.lt/portal/legalAct/lt/TAK/d057a140af4911ecaf79c2120caf5094?positionInSearchResults=2&amp;searchModelUUID=afe508f3-5178-4918-a1f6-13618c30d091</extref>
                        voor de toelichting (in het Litouws). Daarbij zij opgemerkt dat de Litouwse
                        regering op 22 mei 2024 Resolutie nr. 535 ‘Over de uitvoering van de Wet op
                        Internationale Sancties’ heeft gewijzigd en zo diverse bepalingen met
                        betrekking tot de openbaarmaking van de rechtspersoonlijkheid van de
                        aangestelde tijdelijke beheerder heeft verduidelijkt (<extref doc="https://e-seimas.lrs.lt/portal/legalAct/lt/TAK/223efdd0181811ef8e4be9fad87afa59?jfwid=2571intav" soort="URL" status="actief">https://e-seimas.lrs.lt/portal/legalAct/lt/TAK/223efdd0181811ef8e4be9fad87afa59?jfwid=2571intav</extref>).</noot.al></noot> In Malta bestaat de bevoegdheid om een tijdelijke bewindvoerder (<nadruk type="cur">amministratur temporanju</nadruk>) aan te stellen. De inzetcriteria
                  in Malta zijn dezelfde als onder de Litouwse wetgeving.<noot id="n423" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Artikel 34 van de <extref doc="https://parlament.mt/media/136388/act-35-interess-nazzjonali.pdf" soort="URL" status="actief">Maltese National Interest (Enabling Powers) Act
                           2025</extref>.</noot.al></noot> Deze bevoegdheden zijn niet beperkt tot ondernemingen waarvoor
                  sectorspecifieke regels gelden of die onder specifiek toezicht staan.</al>
              <al>In Litouwen is de figuur van de tijdelijke bewindvoerder al eens ingezet met
                  positieve resultaten bij een productiebedrijf, waarvan de continuïteit primair
                  gewaarborgd moest blijven vanwege maatschappelijke belangen en om potentiële
                  negatieve milieueffecten te vermijden. De concernverhoudingen vormden daarvoor ook
                  geen belemmering. In het Litouwse stadje Kėdainiai zit de fosfaatproducent AB
                  Lifosa. AB Lifosa is een dochteronderneming van EuroChem Group AG met hoofdkantoor
                  in het Zwitserse Zug. In maart 2022 stelde de EU sancties in tegen de Russische
                  zakenman Andrey Melnichenko, oprichter en op dat moment bestuurslid van EuroChem
                  Group AG.<noot id="n424" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al><extref soort="URL" doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2022:080:FULL&amp;from=EN" status="actief">https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2022:080:FULL&amp;from=EN</extref>.</noot.al></noot> De fabriek in Kedainiai was daarop feitelijk inactief sinds april 2022,
                  gelet op de affiliatie met Melnichenko.<noot id="n425" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.fertilizerdaily.com/20240731-lifosa-cleared-from-eu-sanctions-list-with-the-appointment-of-temporary-administrator/" soort="URL" status="actief">https://www.fertilizerdaily.com/20240731-lifosa-cleared-from-eu-sanctions-list-with-the-appointment-of-temporary-administrator/</extref>.</noot.al></noot> EuroChem kondigde in juli 2023 aan de fabriek tijdelijk stil te zullen
                  leggen. Volgens EuroChem hadden de sancties namelijk tot gevolg dat een normale en
                  winstgevende bedrijfsvoering voor Lifosa niet langer mogelijk was.<noot id="n426" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.eurochemgroup.com/media-announcements/eurochem-announces-plans-to-mothball-european-fertilizer-plant-in-lifosa-lithuania/" soort="URL" status="actief">https://www.eurochemgroup.com/media-announcements/eurochem-announces-plans-to-mothball-european-fertilizer-plant-in-lifosa-lithuania/</extref>.</noot.al></noot> Het probleem zat in het bijzonder in de belemmering van de toelevering van
                  grondstoffen, aldus EuroChem.<noot id="n427" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.eurochemgroup.com/wp-content/uploads/2024/06/eurochem_annual-review_2023.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.eurochemgroup.com/wp-content/uploads/2024/06/eurochem_annual-review_2023.pdf</extref>,
                        p. 27.</noot.al></noot> Lifosa verschafte werk aan ongeveer 15% van de beroepsbevolking in de
                  regio en de fabriek zorgde ook voor de lokale warmtevoorziening. Op grond van de
                  Litouwse sanctiewetgeving is daarom een tijdelijke bewindvoerder aangesteld om
                  negatieve maatschappelijk effecten te voorkomen.<noot id="n428" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Zie voor de details: <extref doc="https://finmin.lrv.lt/lt/naujienos/paskirtas-laikinasis-lifosos-administratorius/" soort="URL" status="actief">https://finmin.lrv.lt/lt/naujienos/paskirtas-laikinasis-lifosos-administratorius/</extref>,
                           <extref doc="https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/0ba82e90f8af11ed9978886e85107ab2" soort="URL" status="actief">https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/0ba82e90f8af11ed9978886e85107ab2</extref>
                        en <extref doc="https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/dc63a834318711f08fdabd4950271e2c" soort="URL" status="actief">https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/dc63a834318711f08fdabd4950271e2c</extref>.</noot.al></noot> Dit resulteerde in de tijdelijke verwijdering – voor de periode waarin AB
                  Lifosa onderworpen zal zijn aan de door de tijdelijk bewindvoerder ingestelde
                     <nadruk type="cur">firewall – </nadruk>van de aantekening in het openbare
                  register op 1 juli 2024, die eerder aangaf dat AB Lifosa onderworpen was aan
                     EU-sancties.<noot id="n429" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/72cc73a0351d11efbdaea558de59136c" soort="URL" status="actief">https://www.e-tar.lt/portal/lt/legalAct/72cc73a0351d11efbdaea558de59136c</extref>.</noot.al></noot> In de zomer van 2024 kon de productie in Lifosa opnieuw worden
                     opgestart.<noot id="n430" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.eurochemgroup.com/wp-content/uploads/2025/04/eurochem_annual_review_2024_eng.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.eurochemgroup.com/wp-content/uploads/2025/04/eurochem_annual_review_2024_eng.pdf</extref>,
                        p. 6.</noot.al></noot> Waar Lifosa in 2023 een nettoverlies leed van € 53 miljoen, maakte het
                  bedrijf in 2024 een nettowinst van € 25 miljoen.<noot id="n431" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al><extref doc="https://scoris.lt/en/imone/161110455/finansai_skolos" soort="URL" status="actief">https://scoris.lt/en/imone/161110455/finansai_skolos</extref>.</noot.al></noot> Het voorbeeld van deze inzet is op een aantal punten illustratief:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>De figuur van een tijdelijke bewindvoerder kan met succes als eigenstandige
                        bevoegdheid worden ingezet, zonder dat deze is ingebed in een
                        escalatieladder.</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>Een tijdelijke bewindvoerder kan voor een positieve uitkomst zorgen en
                        specifiek ervoor zorgen dat de onderneming weer zaken kan doen, de
                        sanctieregels gevolgd worden en de publieke belangen geborgd zijn. Bovendien
                        kan dit ook in andere sectoren dan alleen die sectoren die al onder een
                        bepaalde vorm van toezicht staan.</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>Een tijdelijke bewindvoerder kan in ieder geval onder bepaalde
                        omstandigheden goed worden ingezet in complexe (internationale)
                        concernverhoudingen, waarbij de onderneming in kwestie in een bepaalde
                        waardeketen een belangrijke positie inneemt.</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>Wat deze casus voorts toont, is dat de onzekerheid in concernverhoudingen
                  waarvoor de Afdeling aandacht vraagt, niet ontstaat door de inzet van een
                  bewindvoerder, maar daaraan voorafgaat. Dergelijke onzekerheid ontstaat in sommige
                  gevallen als gevolg van de impact van sancties. Het inzetten van een bewindvoerder
                  kan, zoals in de hierboven beschreven casus, richting zakenpartners duidelijkheid
                  scheppen.</al>
              <al>De Afdeling wijst erop dat in de bestaande sectorwetgeving de mogelijkheid
                  bestaat om het bestuur van een onderneming te vervangen en uit de zorg dat de
                  mogelijkheid tot vernietiging van rechtshandelingen die in strijd met een opdracht
                  van de bewindvoerder zijn verricht te weinig effectief zal zijn. De regering heeft
                  naar aanleiding van deze opmerkingen het wetsvoorstel aangepast door twee leden
                  toe te voegen aan artikel 5.3. Op grond van de nieuwe tekst kan de Minister van
                  Economische Zaken bij de aanwijzing van de bewindvoerder bepalen dat de
                  bewindvoerder de rechtspersoon die de onderneming drijft, kan vertegenwoordigen.
                  Ook kan de Minister van Economische Zaken bepalen dat de bewindvoerder het bestuur
                  of de leiding van de onderneming vervangt. Dit zijn verdergaande ingrepen in de
                  structuur en <nadruk type="cur">governance</nadruk> van de onderneming. Om die
                  reden kiest de regering ervoor te regelen dat de minister van Economische Zaken
                  dit alleen doet als dat vereist is. Op die manier gaat de ingreep in andere
                  gevallen, waarin het bestuur niet vervangen wordt en de bewindvoerder niet de
                  vertegenwoordigingsbevoegdheid krijgt, niet verder dan nodig.</al>
              <al>De regering begrijpt de zorg van de Afdeling over ondernemingen die gegrondvest
                  zijn en handelen op basis van overeenkomsten en herkent de praktijk dat bij
                  veranderingen in de eigendom en zeggenschap of het beëindigen van een
                  dienstverband een ontbindende clausule in werking treedt of rechten worden
                  geactiveerd (ook wel: <nadruk type="cur">change of control clauses</nadruk>). De
                  regering volgt de Afdeling echter niet in de conclusie dat in de sanctiecontext de
                  (enkele) aanwijzing van een bewindvoerder er in die gevallen toe kan leiden dat de
                  financiering van een onderneming in direct gevaar komt. In veel gevallen zal
                  namelijk het probleem juist zijn dat de hele onderneming al bevroren is en dat
                  transacties met de onderneming al verboden zijn, of dat anderszins er al
                  economisch/financieel ernstige problemen zijn. Dit volgt dan niet uit de <nadruk type="cur">change of control clauses</nadruk>, maar uit het sanctierecht zelf.
                  De bewindvoerder is nu juist bedoeld om dat probleem te mitigeren. Het kan
                  inderdaad voorkomen dat zakenpartners niet meer verder zullen willen, maar anderen
                  zullen juist gerustgesteld zijn door de inzet van een <nadruk type="cur">firewall</nadruk> van overheidswege.<noot id="n432" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Dit nog daargelaten de mogelijkheid van clausules gerelateerd aan de
                        sanctiestatus van de onderneming.</noot.al></noot> Dat een dergelijke <nadruk type="cur">firewall</nadruk> van overheidswege
                  vertrouwen terug kan brengen in tijden van onzekerheid, is een beeld dat ook
                  herkend wordt uit de praktijk in andere EU-lidstaten die dergelijke bevoegdheden
                  al hebben toegepast.</al>
              <al>De Afdeling merkt op dat het in de gevallen waarop het wetsvoorstel betrekking
                  heeft niet primair zou gaan om een falende onderneming of een conflict binnen de
                  onderneming zelf, maar in essentie om een conflict tussen staten. Hoewel deze
                  lezing van de materie als zodanig niet onbegrijpelijk is, acht de regering het
                  toch van belang op dit punt een nuance aan te brengen. Het is juist dat
                  sanctiemaatregelen als zodanig in het algemeen ingezet worden om een verandering
                  teweeg te brengen in het beleid of de activiteit van een betrokken land, een deel
                  van het land, of de regering van het land. Een interstatelijk conflict ligt daar
                  in voorkomende gevallen ook zeker aan ten grondslag en in zijn algemeenheid hebben
                  sancties als instrument van buitenlandbeleid vaak een interstatelijk aspect.
                  Daarmee is echter niet gezegd dat met de uitvoering van sancties binnen Nederland
                  of ten aanzien van Nederlandse ondernemingen altijd grote geopolitieke belangen
                  zijn gemoeid. De introductie van de figuur van de bewindvoerder maakt dat niet
                  anders. Er zijn gevallen denkbaar waarin het ingrijpen bij een onderneming, al dan
                  niet door middel van een bewindvoerder, ex ante of ex durante afstemming met
                  andere landen vereist. Dergelijke afstemming over de handhaving vindt nu ook al
                  plaats tussen EU-lidstaten en in voorkomend geval ook met andere landen. Eventuele
                  afstemming over de bewindvoerder kan via dezelfde kanalen plaatsvinden. Tot slot
                  is van belang dat de Minister van Economische Zaken op grond van het voorstel
                  beslist in overeenstemming met ministers die het mede aangaat (artikel 5.2).
                  Wanneer de beslissing raakt aan de Nederlandse internationale betrekkingen, zal de
                  Minister van Economische Zaken beslissen in overeenstemming met de Minister van
                  Buitenlandse Zaken.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>De betekenis van de enquêteprocedure</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Afgezien van de vragen over de effectiviteit van de
                     aanwijzingsbevoegdheid acht de Afdeling het een gemis dat de toelichting geen
                     aandacht besteedt aan de mogelijkheid om door middel van een enquêteprocedure
                     via door de Ondernemingskamer te treffen onmiddellijke voorzieningen in (het
                     beleid van) die rechtspersoon in te grijpen.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het enquêterecht biedt aan bepaalde belanghebbenden bij een
                     rechtspersoon, zoals aandeelhouders, certificaathouders, vakbonden, bestuurders
                     of commissarissen de mogelijkheid om op bevel van de Ondernemingskamer van het
                     Gerechtshof Amsterdam het beleid en de gang van zaken van die rechtspersoon te
                     laten onderzoeken. Van belang is dat ook de advocaat-generaal bij het
                     ressortsparket een verzoek kan indienen op grond van redenen van openbaar
                     belang, indien de continuïteit van het bedrijf en daarmede de werkgelegenheid
                     in ernstig gevaar wordt gebracht.<noot id="n433" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Artikel 345, lid 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Van ‘redenen van openbaar belang’ kan ook sprake zijn wanneer
                     de onderneming van grote betekenis is voor de nationale economie of wanneer
                     twijfels aan een juist beleid bij een bepaalde onderneming het gehele
                     bedrijfsleven of een bepaalde sector daarvan in publiek diskrediet (dreigen) te
                     brengen. Indien derhalve een bestuur nalaat om maatregelen te treffen die niet
                     alleen het bedrijf schaden, maar ook de economie of de samenleving als geheel
                     ernstig benadelen, kan een verzoek van de advocaat-generaal bij het
                     ressortsparket aan de Ondernemingskamer een opening bieden.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Ondernemingskamer kan het verzoek alleen toewijzen wanneer
                     blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen (artikel
                     2:350, eerste lid, BW). De verzoekers dienen voldoende aannemelijk te maken dat
                     er gegronde redenen zijn om het verzoek toe te wijzen. ‘Gegronde redenen’ is
                     een open norm en heeft niet alleen betrekking op een impasse in de
                     besluitvorming in het bestuur of de algemene vergadering, maar bijvoorbeeld ook
                     op het niet nakomen van toezeggingen van een bestuurder of aandeelhouder aan de
                     regering om door middel van aanpassing van de governance de nadelige gevolgen
                     van een internationale sanctie te ontgaan.<noot id="n434" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Zie Hof Amsterdam, 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2742
                              (<nadruk type="cur">Nexperia</nadruk>).</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Een belangrijk element van de enquêteprocedure is dat
                     beschikkingen waarin (onmiddellijke) voorzieningen worden getroffen uitvoerbaar
                     bij voorraad kunnen worden verklaard. Dit betekent dat de Ondernemingskamer
                     vanaf het eerste moment in de procedure beslissingen kan nemen, die direct
                     moeten worden uitgevoerd. De onmiddellijke voorzieningen mogen geen definitief
                     karakter hebben, zoals het ontslag van een bestuurder, maar kunnen wel inbreuk
                     maken op de geldende rechtsverhoudingen, feitelijk onomkeerbare gevolgen hebben
                     en afwijken van regels van dwingend recht.<noot id="n435" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>Zie onder meer HR 19 oktober 2001, <nadruk type="cur">JOR</nadruk>
                           2002/5, r.o. 3.6 (<nadruk type="cur">Skygate</nadruk>), m.nt. Van den
                           Ingh en HR 14 september 2007, <nadruk type="cur">JOR</nadruk> 2007/238,
                           r.o. 4.2 (<nadruk type="cur">Versatel</nadruk>), m.nt. Bartman (<nadruk type="cur">JOR</nadruk> 2007/239).</noot.al></noot> Voorbeelden zijn schorsing van bestuurders of commissarissen, benoeming
                     van bestuurders of commissarissen, schorsing van het stemrecht op aandelen, en
                     verboden om besluiten of rechtshandelingen te verrichten.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Een bijkomend voordeel van deze procedure is de snelheid
                     waarmee enquêteverzoeken (kunnen) worden behandeld. Volgens het daarvoor
                     geldende procesreglement worden spoedverzoeken die op maandag zijn ingediend zo
                     mogelijk zelfs de eerstvolgende donderdag mondeling behandeld, terwijl op zeer
                     korte termijn na de mondelinge behandeling onmiddellijke voorzieningen kunnen
                     worden verkregen. Maar het kan nog sneller. Een voorbeeld is de recente
                     procedure inzake Nexperia. In deze zaak heeft de Ondernemingskamer binnen vier
                     uur nadat het verzoekschrift was ontvangen, gelet op de spoedeisendheid en de
                     bijzondere aard van het verzoek, onmiddellijk op een deel van de verzochte
                     voorzieningen beslist, dus voorafgaand aan de later die week te houden
                     mondelinge behandeling.<noot id="n436" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Ondernemingskamer Hof Amsterdam, 1 oktober 2025,
                           ECLI:NL:GHAMS:2025:2738.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Al met al biedt het enquêterecht veel mogelijkheden om
                     bestuurders die het belang van de onderneming veronachtzamen tot de orde te
                     roepen. Dat geldt ook als het algemeen belang in bredere zin in het geding is.
                     Het is daarom van belang de betekenis van deze procedure in de overwegingen te
                     betrekken. In dat kader zou eventueel kunnen worden overwogen de minister van
                     Economische Zaken een directe ingang tot deze procedure te geven.</nadruk>
              </al>
              <al>De Afdeling stelt vast dat de toelichting geen aandacht besteedde aan de
                  mogelijkheid om door middel van een enquêteprocedure via door de Ondernemingskamer
                  van het gerechtshof Amsterdam (hierna: OK) te treffen onmiddellijke voorzieningen
                  in (het beleid van) die rechtspersoon in te grijpen. De regering deelt het oordeel
                  van de Afdeling dat een uitgebreidere toelichting op de verhouding tussen de twee
                  instrumenten inderdaad op zijn plaats is. De toelichting is derhalve uitgebreid op
                  dit punt.</al>
              <al>In overeenstemming met de door de Commissie vennootschapsrecht gemaakte
                  opmerkingen was de verhouding van de bewindvoerder tot het enquêterecht al
                  toegelicht, zij het bij nader inzien inderdaad summier. Naar aanleiding van die
                  opmerkingen was toegelicht dat de figuur van de bewindvoerder zich goed verhoudt
                  tot de taken en bevoegdheden van de door de OK benoemde onderzoekers en de
                  tijdelijke bestuurder(s) of commissaris(sen) die wegens wanbeleid worden
                     aangesteld.<noot id="n437" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>Artikel 2:351 BW en 2:356, aanhef en onderdeel c BW.</noot.al></noot> Artikel 5.7, derde lid, van het wetsvoorstel was ook al aangepast om dit
                  buiten alle twijfel te stellen.</al>
              <al>Een toelichting over welke mogelijkheden het enquêterecht eventueel zou bieden
                  ontbrak echter. De regering heeft dit nader bezien en concludeert dat het
                  enquêterecht voor de bevoegde vennootschapsorganen geen alternatief biedt voor de
                  bewindvoerder. Evenmin kan de mogelijkheid die de enquêteprocedure de
                  advocaat-generaal (A-G) bij het ressortsparket<noot id="n438" type="voet"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>Het OM wordt in het hoger beroep vertegenwoordigd door een
                        advocaat-generaal.</noot.al></noot> biedt om een verzoek te doen tot het instellen van een onderzoek naar het
                  beleid en de gang van zaken bij een rechtspersoon om redenen van openbaar belang
                  een alternatief zijn voor de voorgestelde bewindvoerder. De regering licht dit
                  hieronder toe.</al>
              <al>Het gaat bij enquêteprocedures om een door de OK gelast onderzoek naar het beleid
                  en gang van zaken binnen een rechtspersoon. De OK kan een enquête gelasten wanneer
                  blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te
                  twijfelen. Indien de OK gegronde redenen aanwezig acht om aan juist beleid te
                  twijfelen, gaat zij over tot de benoeming van een of meer onderzoekers. Een
                  verzoek tot het houden van een enquête kan worden ingediend door degenen die
                  daartoe binnen een rechtspersoon bevoegd zijn op grond van Boek 2 BW, zoals
                  aandeelhouders, certificaathouders, de leden van een vereniging, coöperatie of
                  onderlinge waarborgmaatschappij of de rechtspersoon zelf.<noot id="n439" type="voet"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>Artikel 2:345 lid 1 BW.</noot.al></noot> Ook de A-G van het ressortspakket kan om een enquête verzoeken ‘om redenen
                  van openbaar belang’.<noot id="n440" type="voet"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>Artikel 2:345 lid 2 BW.</noot.al></noot> Het enquêterecht is daarmee een van de civiele deelterreinen waar het
                  Openbaar Ministerie als hoeder van het openbaar belang bevoegdheden heeft.</al>
              <al>Als uit het verslag van de OK-onderzoekers van wanbeleid is gebleken, kan de OK
                  op verzoek een of meer in de wet genoemde voorzieningen treffen.<noot id="n441" type="voet"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>Artikel 2:355 lid 1 BW.</noot.al></noot> De OK kan eveneens bevelen tot voorlopige tenuitvoerlegging van dergelijke
                     voorzieningen.<noot id="n442" type="voet"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>Artikel 2:358 lid 1 BW.</noot.al></noot> Voorts kan de OK in elke stand van het geding een onmiddellijke
                  voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding, ‘indien gelet op de
                  belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij
                  zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in
                  verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het
                     onderzoek’.<noot id="n443" type="voet"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al>Art. 2:349a lid 2 BW.</noot.al></noot> Eén van de mogelijke voorzieningen is de tijdelijke aanstelling van een of
                  meer bestuurders of commissarissen.<noot id="n444" type="voet"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>Art. 2:356, aanhef en onder c BW.</noot.al></noot></al>
              <al>De OK kan een enquêteverzoek alleen toewijzen, wanneer blijkt van gegronde
                  redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.<noot id="n445" type="voet"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al>Art. 2:350 lid 1 BW.</noot.al></noot> Dit kader geldt onverminderd wanneer het verzoek gedaan is door de A-G om
                  redenen van openbaar belang. In de situatie waarvoor de in het wetsvoorstel
                  voorgestelde aanwijzing van een bewindvoerder bedoeld is, hoeft geen sprake te
                  zijn van redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij de
                  onderneming in kwestie te twijfelen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een
                  bedrijf met een Russische aandeelhouder dat tot 2022 zaken deed op een kundige en
                  professionele wijze. Door de inval van Rusland in Oekraïne kan de aandeelhouder,
                  geheel buiten de schuld van (de leiding van) het bedrijf, op de sanctielijst
                  terecht komen. In een dergelijk geval is er geen reden om te twijfelen aan een
                  juist beleid of juiste gang van zaken, maar ondervindt het bedrijf wel problemen
                  als gevolg van de sanctiemaatregelen.</al>
              <al>Voor de inzet van de bewindvoerder als voorzien in dit wetsvoorstel is vereist
                  dat de toepassing van een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële
                  stabiliteit of continuïteit van de onderneming met zich brengt en dat dit ernstige
                  maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse
                  samenleving kan veroorzaken. Waar de enquêteprocedure ziet op een ingrijpen binnen
                  de onderneming dat in de regel genoodzaakt is door een doen of nalaten <nadruk type="cur">binnen</nadruk> de onderneming (zoals het beleid van het bestuur) en
                  ziet op het herstellen van een juiste gang van zaken en een juist beleid <nadruk type="cur">binnen</nadruk> de onderneming, is de aanwijzing van een
                  bewindvoerder een ingrijpen bij een onderneming vanwege oorzaken die in de regel
                     <nadruk type="cur">buiten </nadruk>de onderneming liggen. Verder staat bij de
                  enquêteprocedure de gang van zaken binnen de onderneming centraal, waar het
                  instrument van de bewindvoerder in dit wetsvoorstel bedoeld is om ernstige
                  maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse
                  samenleving te mitigeren. De aard van de enquêteprocedure verschilt al met al
                  wezenlijk van de met het wetsvoorstel voorgestelde figuur van de bewindvoerder en
                  biedt derhalve ook geen passend instrument om de negatieve bijeffecten van de
                  betreffende sanctiemaatregel tegen te gaan of te mitigeren. Het enquêterecht kan
                  daarom niet als alternatief worden gezien voor hetgeen het wetsvoorstel op dit
                  punt beoogt te regelen. De figuur van de bewindvoerder in het wetsvoorstel wordt
                  dus als zodanig gehandhaafd, mede gelet op de hierboven uiteengezette te verwachte
                  effectiviteit van die aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij geldt dat het uitbreiden van
                  de toegang tot de enquêteprocedure, bijvoorbeeld door de Minister van Economische
                  Zaken een directe ingang tot de procedure te geven, evenmin een probaat
                  alternatief zou zijn. De bovengenoemde verschillen tussen de enquêteprocedure en
                  de figuur van de bewindvoerder zijn dusdanig wezenlijk, dat de enquêteprocedure
                  hiervoor fundamenteel gewijzigd zou moeten worden. Dit acht de regering niet
                  wenselijk.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">d.</nr>
                <titel>Overige opmerkingen</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling maakt tot slot nog opmerkingen over enkele overige
                     aspecten van aanwijzingsbevoegdheid.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Allereerst merkt de Afdeling op dat het besluit tot aanwijzing
                     van een bewindvoerder wordt gepubliceerd in de Staatscourant. De vraag is of
                     het belang van de onderneming en het algemeen belang hiermee gediend zijn. Het
                     feit dat een aanwijzing wordt gegeven kan koersgevoelige informatie zijn of er
                     toe leiden dat leveranciers of ondernemers zich terugtrekken. De Wet op de het
                     financieel toezicht kent om deze reden de figuur van de stille bewindvoerder;
                     de Ondernemingskamer kan een verzoek achter gesloten deuren behandelen en
                     iedereen die op enig moment kennis kan krijgen van de procedure verbieden
                     daarover mededelingen te doen.<noot id="n446" type="voet"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al>Uitgangspunt van de van de Wet op de het financieel toezicht is dat
                           het besluit tot benoeming in eerste instantie alleen aan de financiële
                           onderneming bekend wordt gemaakt. Volledige openbaarmaking vindt plaats,
                           nadat het besluit onherroepelijk is geworden. Hierop zijn enige
                           uitzonderingen, bijvoorbeeld indien openbaarmaking de stabiliteit van het
                           financiële stelsel in gevaar kan brengen.</noot.al></noot></nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Een tweede opmerking betreft het voorstel dat een onderneming
                     de minister van Economische Zaken kan verzoeken om een bewindvoerder aan te
                     wijzen indien de onderneming dermate worstelt met de gevolgen van de sancties
                     dat het de bedrijfsvoering in gevaar brengt, zonder dat het algemeen belang in
                     het geding is. De Afdeling wijst erop dat wanneer het bestuur of de raad van
                     commissarissen, ondanks een impasse in de besluitvorming, bereid is om een
                     aanwijzing te vragen, vermoedelijk ook de weg naar de Ondernemingskamer open
                     ligt. Het is de Afdeling niet duidelijk is wat in deze situatie, waarbij het
                     algemeen belang niet is betrokken, de noodzaak en meerwaarde van een aanwijzing
                     door de minister is.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Ten slotte maakt de Afdeling een opmerking over de aanwijzing
                     van een bewindvoerder in de financiële sector. Ten aanzien van financiële
                     ondernemingen en trustkantoren voorziet het wetsvoorstel in afstemming tussen
                     de minister van Economische Zaken en de financieel toezichthouders voorafgaand
                     en bij de uitoefening van de aanwijzingsbevoegdheid. Ook is daarin geregeld dat
                     de aanwijzingsbevoegdheid niet afdoet aan de bevoegdheden van de financieel
                     toezichthouders. Hoewel daarmee een sluitend systeem lijkt te zijn verkregen,
                     is het de vraag of dit werkbaar is en hoe in de praktijk dat wat nu wordt
                     voorgesteld zich tot de bestaande bevoegdheden verhoudt. Vanwege de zeer
                     uitvoerige regeling van het financieel toezicht en het bij uitstek
                     internationale karakter van de financiële sector lijkt een
                     aanwijzingsbevoegdheid van de minister van Economische Zaken geen aantoonbare
                     meerwaarde te hebben en is zij ook moeilijk inpasbaar.</nadruk>
              </al>
              <al>De regering heeft naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling over de
                  publicatie van de bewindvoerder in de Staatscourant, het wetsvoorstel op dit punt
                  opnieuw tegen het licht gehouden. Zowel het feit dat sancties van toepassing zijn
                  ten aanzien van de onderneming als de benoeming van een bewindvoerder kan
                  koersgevoelige informatie zijn. Voor beide aspecten geldt dat publicatie van de
                  benoeming bewerkstelligt dat alle marktdeelnemers dezelfde informatiepositie
                  krijgen. Dit is in lijn met de uitgangspunten van de Verordening
                     marktmisbruik.<noot id="n447" type="voet"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al>Verordening 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van
                        16 april 2014</noot.al></noot> Dit is van belang nu de onderneming zelf haar werknemers, banken en
                  zakenpartners over de benoeming zal willen informeren. Die benoeming is immers
                  gericht op het beëindigen van het economisch isolement van de onderneming: men kan
                  ondanks de sancties weer zaken doen met de onderneming. Indien de Verordening
                  marktmisbruik van toepassing is, dan zal ook de onderneming zelf de benoeming zo
                  snel mogelijk openbaar moeten maken.<noot id="n448" type="voet"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al>Artikel 17 van Verordening 596/2014 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 16 april 2014</noot.al></noot> Zodoende zal het algemeen belang gediend zijn met publicatie van de
                  benoeming, en de verwachting is niet dat een aanwijzing ertoe zou leiden dat
                  zakenpartners zich terugtrekken.</al>
              <al>Voorts vraagt de Afdeling naar de noodzaak en de meerwaarde van de mogelijkheid
                  voor ondernemingen om de Minister van Economische Zaken te verzoeken om een
                  bewindvoerder aan te wijzen, zonder dat het algemeen belang in het geding is. Bij
                  nader inzien zijn de noodzaak en de meerwaarde hiervan inderdaad beperkt. Anders
                  dan de Afdeling suggereert, zit dat hem niet zozeer in de mogelijkheden die het
                  enquêterecht op dit punt al zou bieden, maar in het feit dat het een ieder vrij
                  staat een bestuursorgaan te verzoeken om een ambtshalve bevoegdheid in te zetten
                  in een specifiek geval. Ook zonder de figuur van een bewindvoerder op verzoek,
                  zullen bedrijven de Minister van Economische Zaken kunnen verzoeken tot het
                  aanwijzen van een bewindvoerder. Daarbij gelden de criteria voor het aanwijzen van
                  een bewindvoerder in het algemeen belang onverkort. De consequentie van het
                  schrappen van de bewindvoerder op verzoek is dat ondernemingen die door sancties
                  in de problemen komen maar waarbij dat niet leidt tot (serieuze) gevolgen voor het
                  algemeen belang niet geholpen kunnen worden met een <nadruk type="cur">firewall</nadruk> van overheidswege. Als deze ondernemingen om wat voor reden
                  dan ook niet in staat zijn om zelf een <nadruk type="cur">firewall </nadruk>in te
                  richten, zullen zij mogelijk ernstige schade ondervinden. Deze consequentie
                  aanvaardt de regering, nu de inzet van bevoegdheden en mankracht van de overheid
                  in deze context bij nader inzien passender is wanneer er publieke belangen op het
                  spel staan. Als dergelijke belangen niet spelen, is overheidsoptreden niet
                  noodzakelijk.</al>
              <al>Ten aanzien van de opmerking over de aanwijzing van een bewindvoerder in de
                  financiële sector, merkt de regering het volgende op. De Afdeling constateert dat
                  met de vereiste afstemming tussen de Minister van Economische Zaken en de
                  financieel toezichthouders voorafgaand en bij de uitoefening van de
                  aanwijzingsbevoegdheid en het feit dat deze geen afbreuk doen aan de bestaande
                  bevoegdheden in het financieel toezicht, een sluitend systeem lijkt te zijn
                  verkregen. Niettemin vraagt de Afdeling of dit systeem werkbaar is en hoe hetgeen
                  wordt voorgesteld zich in de praktijk tot de bestaande bevoegdheden zal
                  verhouden.</al>
              <al>Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is uitgebreid onderzocht of de
                  voorgestelde bevoegdheid uitvoerbaar zou zijn. Daarvoor zijn de nodige
                  uitvoeringstoetsen verricht. Onder andere de Autoriteit Financiële Markten (AFM)
                  en de Nederlandsche Bank (DNB) hebben uitvoerbaarheidstoetsen uitgevoerd. De
                  Europese Centrale Bank (ECB) heeft advies uitgebracht over een eerdere versie van
                  het wetsvoorstel. De ECB en DNB hebben zich in hun uitvoeringstoetsen ook
                  uitgesproken over de bevoegdheid tot het aanwijzen van een bewindvoerder.</al>
              <al>Eén van de adviespunten van de ECB was om de samenloop tussen het aanstellen van
                  een bewindvoerder bij een onderneming en de mogelijkheid van
                  afwikkelingsmaatregelen beter uit te werken, door in het wetsvoorstel bijvoorbeeld
                  rekening te houden met de rol van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (<nadruk type="cur">Single Resolution Board</nadruk> of SRB) binnen de bankenunie. Ook
                  zou overwogen moeten worden dat de verantwoordelijke minister verplicht wordt de
                  gemeenschappelijke afwikkelingsraad en DNB te informeren. Dit adviespunt is
                  overgenomen door in artikel 5.8 van het wetsvoorstel ook te regelen dat de
                  bewindvoerder aan AFM en DNB alle gegevens en inlichtingen verstrekt die nodig
                  zijn voor de vervulling van hun taken. Dit omvat ook de rol van DNB als
                  macroprudentiële autoriteit. Aan DNB verstrekt de bewindvoerder bovendien alle
                  gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond
                  van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening
                  herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen en de verordening bankentoezicht. Op
                  grond van de Wet op het financieel toezicht kan DNB deze gegevens en inlichtingen
                  vervolgens verstrekken aan onder meer de afwikkelingsraad en de ECB in haar
                  hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit.</al>
              <al>DNB merkte in haar uitvoeringstoets wat dat betreft op dat in de bepalingen over
                  de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen alleen de Wet op het financieel
                  toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018 worden genoemd. DNB adviseerde ook
                  relevante andere wetten, zoals de Pensioenwet en de Wet verplichte
                  beroepspensioenregeling, op te nemen om de reikwijdte te verbreden. Daar is gevolg
                  aan gegeven. Ook suggereerde DNB dat de bevoegdheden van DNB en de Minister van
                  Economische Zaken duidelijker gedefinieerd moeten worden, zodat er overeenstemming
                  is over het uitoefenen van bevoegdheden met betrekking tot onder toezicht staande
                  instellingen. Ook die aanbeveling is overgenomen. DNB concludeerde in haar
                  uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel uitvoerbaar zou zijn en voorzag geen
                  complicaties in de handhaving, mits in voorkomend geval de vereiste
                  overeenstemming tussen DNB en de Minister van Economische Zaken wordt bereikt op
                  alle onderdelen van hoofdstuk 5 (waaronder de inzet van het instrument en inhoud
                  van de opdracht). De AFM heeft geen opmerkingen gemaakt over de bevoegdheid van de
                  Minister van Economische Zaken om een bewindvoerder aan te wijzen.</al>
              <al>In het licht van de op dit punt positieve resultaten in de
                  uitvoerbaarheidstoetsen van de financieel toezichthouders, kan de regering de
                  vraag van de Afdeling naar de werkbaarheid van het voorgestelde en de verhouding
                  tot de bestaande bevoegdheden positief beantwoorden. Dat geldt ook voor de vraag
                  naar de meerwaarde van dit instrument met betrekking tot de financiële
                  sector.</al>
              <al>Die meerwaarde is gelegen in het feit dat in voorkomend geval de bestaande
                  bevoegdheden in het financieel toezicht, bijvoorbeeld inzake het benoemen van een
                  curator of bijzondere bewindvoerder op grond van de artikelen 1:76 en 1:76a Wft,
                  mogelijk niet (onmiddellijk) kunnen worden ingezet in de situatie voorzien in
                  artikel 5.7. In de Memorie van toelichting zoals deze aan de Afdeling is
                  voorgelegd is beschreven dat die bevoegdheden slechts in uitzonderlijke
                  omstandigheden kunnen worden ingezet. Voor zover hier relevant ziet dit op
                  situaties waarin:</al>
              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>de betrokken financiële onderneming niet voldoet aan hetgeen ingevolge die
                        wet is bepaald of bij een ontwikkeling die het eigen vermogen, de
                        solvabiliteit of de liquiditeit, onderscheidenlijk de technische
                        voorzieningen, van die financiële onderneming in gevaar kan brengen (artikel
                        1:76 Wft) of</al>
                </li>
                <li>
                  <li.nr>–</li.nr>
                  <al>sprake is van een aanzienlijk verslechterende financiële toestand, een
                        ernstige overtreding van die wet of een ernstige schending van de statuten
                        van de onderneming (artikel 1:76a Wft).</al>
                </li>
              </lijst>
              <al>Waar een financiële onderneming onder sancties komt te vallen zoals bedoeld in
                  artikel 5.7 is denkbaar dat die omstandigheden zich niet (onmiddellijk) voordoen,
                  terwijl ingrijpen op zo kort mogelijke termijn nodig kan zijn. In het wetsvoorstel
                  is onderkend dat inzet van de bestaande bevoegdheden in het financieel toezicht,
                  waar mogelijk en eventueel in een later stadium, effectief kan zijn. Concreet is
                  voorzien dat de Minister van Economische Zaken de aanwijzing van een bewindvoerder
                  intrekt indien DNB of AFM bijvoorbeeld een curator of bewindvoerder aanstelt op
                  grond van de Wet op het financieel toezicht.</al>
              <al>Zoals de Afdeling stelt kent de financiële sector een bij uitstek internationaal
                  karakter. Het is dan ook moeilijk voorstelbaar dat een bewindvoerder zou worden
                  aangesteld in een volledig insulaire branche binnen de Nederlandse economie. De
                  blootstelling van bedrijven in een dergelijke branche aan internationale
                  sanctiemaatregelen zal immers nagenoeg nihil zijn. Met betrekking tot de
                  financiële sector, noemt de toelichting het niet bepaald hypothetische voorbeeld
                  van een in Nederland gevestigde bank die een volle dochtermaatschappij is van een
                  gesanctioneerde financiële instelling. Gevolg van de sancties tegen de
                  (uiteindelijke) eigenaren van die instelling is dat haar tegoeden en economische
                  middelen moeten worden bevroren en dat geen tegoeden en economische middelen nog
                  aan haar beschikbaar mogen worden gesteld, met uitzondering van incidentele
                  ontheffingen. Zo wordt deze instelling vergaand in haar functioneren gehinderd.
                  Dit kan tot gevolg hebben dat reguliere rekeninghouders bij een dergelijke bank
                  geen toegang meer hebben tot hun betaalrekeningen. In zo’n geval kent de met het
                  wetsvoorstel voorgestelde bewindvoerder wel degelijk meerwaarde ten opzichte van
                  het bestaande instrumentarium. Zoals hiervoor nog eens toegelicht is de
                  bevoegdheid tot het aanwijzen van die bewindvoerder afgestemd op de bestaande
                  bevoegdheden in het financieel toezicht en daarmee inpasbaar. Temeer nu in artikel
                  5.7 van het wetsvoorstel is geregeld dat de maatregelen van de Minister van
                  Economische Zaken niet afdoen aan de bevoegdheden van de toezichthouders.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">e.</nr>
                <titel>Conclusie</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert in het licht van hetgeen hiervoor onder
                     punt b, c en d is opgemerkt het wetsvoorstel nader te bezien. In het bijzonder
                     adviseert de Afdeling daarbij de mogelijkheden die het burgerlijk recht thans
                     al biedt in het kader van de enquêteprocedure (zie punt c) te betrekken en het
                     wetsvoorstel aan te passen.</nadruk>
              </al>
              <al>Het voorstel is indachtig de opmerkingen van de Afdeling nader bezien en naar
                  aanleiding daarvan op de hierboven genoemde punten is aangepast. De belangrijkste
                  wijziging is dat de figuur van de bewindvoerder <nadruk type="cur">op
                     verzoek</nadruk> inderdaad gemist kon worden en derhalve is geschrapt. Maar de
                  bewindvoerder als zodanig heeft – door het verschil in inzetcriteria – wezenlijke
                  meerwaarde ten opzichte van de mogelijkheden die de enquêteprocedure kunnen
                  bieden. Tenslotte is artikel 5.3 aangepast zodat de Minister van Economische Zaken
                  bij de aanwijzing van de bewindvoerder kan bepalen dat de bewindvoerder de
                  rechtspersoon die de onderneming drijft, kan vertegenwoordigen. Ook kan de
                  Minister van Economische Zaken bepalen dat de bewindvoerder het bestuur of de
                  leiding van de onderneming vervangt.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Gegevensverstrekking en -verwerking</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Generieke grondslag gegevensverstrekking</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel bevat diverse grondslagen voor de verwerking
                     en verstrekking van gegevens door instanties die betrokken zijn bij de
                     uitvoering van het toezicht op de naleving van internationale
                     sanctiemaatregelen. De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 bevatten in dat verband
                     specifieke grondslagen. Artikel 8.2.5 bevat daarnaast een generieke grondslag
                     voor het uitwisselen van gegevens tussen niet nader gespecificeerde
                     bestuursorganen, toezichthouders en andere personen of entiteiten die bij of
                     krachtens de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van
                     sanctiemaatregelen, onderling en in internationaal verband.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Deze generieke bevoegdheid geldt als er geen toereikende
                     grondslagen zijn opgenomen in Europese sanctieverordeningen en ook de meer
                     specifieke grondslagen in de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 niet van
                     toepassing zijn. De generieke bevoegdheid geldt dan voor de toezichthouders en
                     autoriteiten die op dat moment een rol hebben binnen het regime van de
                        sanctiemaatregelen.<noot id="n449" type="voet"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel
                           8.2.5.</noot.al></noot> Het tweede lid van artikel 8.2.5 bevat enkele begrenzingen en
                     formuleert situaties waarin niet tot gegevensverstrekking wordt
                     overgegaan.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling begrijpt de behoefte aan een dergelijke generieke
                     grondslag; op voorhand staat immers niet vast wat toekomstige internationale
                     sanctiemaatregelen precies zullen inhouden, terwijl deze maatregelen als ze
                     eenmaal zijn aangenomen, doorgaans op zeer korte termijn geïmplementeerd moeten
                     worden in de nationale rechtsorde. Zij merkt evenwel op dat toezichthouders en
                     autoriteiten bij de verstrekking van persoonsgegevens inbreuk kunnen maken op
                     het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Mede gelet op de
                     eisen die artikel 10 van de Grondwet in dat verband stelt mag daarom worden
                     verwacht dat, in lijn met de grondslagen die artikel 8.2.1 tot en met 8.2.4 van
                     het wetsvoorstel reeds biedt, zo spoedig mogelijk een specifieke grondslag
                     wordt gecreëerd zodat de betreffende bevoegdheid tot gegevensverstrekking
                     uiteindelijk op het niveau van de formele wet wordt geregeld.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert in het voorliggende wetsvoorstel vast te
                     leggen dat in een geval waarin gebruik wordt gemaakt van de generieke grondslag
                     van artikel 8.2.5 alsnog zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend
                     waarin de grondslag voor de verstrekking van gegevens ter uitvoering van
                     sanctiemaatregelen wordt gespecificeerd.</nadruk>
              </al>
              <al>Artikel 8.2.5 is alleen van belang als er geen grondslag is opgenomen in het
                  internationale instrument, doorgaans een Europese sanctieverordening, of als er
                  een ontoereikende grondslag is opgenomen die niet uitputtend is geregeld en ook de
                  grondslagen in de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 niet toereikend zijn. Deze
                  situatie betreft dus niet de hoofdregel, maar de uitzondering. Primair moet de
                  gegevensverwerking gebaseerd zijn op de Europese sanctieverordeningen en is de
                  Nederlandse insteek om deze te laten aanpassen, wanneer de grondslagen daarin
                  onvoldoende zijn. Vanaf het zevende sanctiepakket tegen Rusland en Belarus zijn in
                  de betreffende Europese sanctieverordeningen artikelen opgenomen die
                  gegevensuitwisseling ten behoeve van sanctienaleving tussen bevoegde autoriteiten
                  mogelijk maken.<noot id="n450" type="voet"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al><extref soort="document" doc="kst-36200-V-56" status="actief">Kamerstukken II 2022/23, 36200-V, nr. 56 | Overheid.nl &gt; Officiële
                           bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)</extref>. Ook is daar waar
                        dat nodig was met behulp van ministeriële regelingen op basis van de
                        Sanctiewet 1977 gegevensverstrekking mogelijk gemaakt tussen betrokken
                        instanties.</noot.al></noot> Sinds de aanname van dit sanctiepakket zijn zulke
                  gegevensuitwisselingsgrondslagen op initiatief van Nederland ook opgenomen in
                  andere sanctieregimes, zoals in ieder geval de regimes ten aanzien van de
                  situaties in Iran, Haïti, Soedan, Niger en Guatemala. De inzet van Nederland is om
                  deze lijn te volgen en bepalingen over gegevensuitwisseling zoveel mogelijk op
                  Europees niveau geregeld te zien, om op die manier een gelijk speelveld te creëren
                  en Europese samenwerking te bevorderen. Dit is dan ook de standaard inzet van
                  Nederland bij nieuwe sanctieregimes en herzieningen van bestaande regimes. Een
                  inzet die tot nu toe succesvol is gebleken.</al>
              <al>Gelet op het voorgaande zal alleen bij uitzondering teruggevallen worden op de
                  restgrondslag uit artikel 8.2.5 en bovendien zal dat dan doorgaans in een
                  specifiek geval zijn voor een specifiek sanctieregime. De Afdeling merkt terecht
                  op dat de gegevensuitwisseling inbreuk zou kunnen maken op het recht op
                  eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 8.2.5 voorziet in het eerste
                  lid in de daarvoor benodigde wettelijke grondslag en stelt vervolgens strikte
                  waarborgen met de criteria die zijn opgenomen in het tweede lid. Het gaat hier om
                  strenge criteria waarbij de ontvanger van deze gegevens moet motiveren waarom hij
                  deze gegevens nodig heeft en de verstrekker moet afwegen of deze gegevens
                  rechtmatig aan de ontvanger kunnen worden verstrekt.</al>
              <al>Wanneer de situatie zich voordoet dat gebruikmaking van artikel 8.2.5 nodig is,
                  zal Nederland zich er vervolgens voor inzetten om voor dat sanctieregime een (meer
                  toereikende) gegevensuitwisselingsgrondslag op te nemen in de betreffende Europese
                  sanctieverordening. Het advies van de Afdeling, om in het voorliggende
                  wetsvoorstel vast te leggen dat in een geval waarin gebruik wordt gemaakt van de
                  generieke grondslag van artikel 8.2.5 alsnog zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel
                  in te dienen waarin de grondslag voor de verstrekking van gegevens ter uitvoering
                  van sanctiemaatregelen wordt gespecificeerd, kan de regering daarom niet
                  overnemen. Als de regering bij het gebruik van artikel 8.2.5 zowel in zou zetten
                  op de aanpassing van de relevante Europese verordening als op het in procedure
                  brengen van een wetsvoorstel met dezelfde strekking, dan is de kans zeer
                  aanzienlijk dat dit op enig moment leidt tot botsend recht. Een EU-verordening
                  heeft immers een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is
                  rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.<noot id="n451" type="voet"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>Artikel 288, tweede alinea, VWEU.</noot.al></noot> ‘Rechtstreeks toepasselijk’ betekent dat een verordening als zodanig geldt
                  in de lidstaten en niet mag worden omgezet in nationale wetgeving
                  (‘overschrijfverbod’). Lidstatelijk recht dat met de verordening strijdig is moet
                  bovendien buiten toepassing gelaten worden. Concreet betekent dit, dat wanneer de
                  gegevensverwerkingsgrondslag in de EU-verordening aangevuld respectievelijk
                  gerepareerd wordt, een inhoudelijk gelijkluidende grondslag in een Nederlandse wet
                  in formele zin contrarechtelijk wordt. Die situatie acht de regering onwenselijk,
                  mede gelet op het beginsel van rechtszekerheid. De aangepaste EU-verordening
                  voldoet in dat voorkomende geval overigens ook aan het vereiste van de ‘behoudens
                  bij of krachtens de wet te stellen beperkingen’ uit artikel 10, eerste lid, van de
                     Grondwet.<noot id="n452" type="voet"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>Vgl. wat over de verhouding tussen artikel 10 lid 2 en 3 Grondwet
                        enerzijds en de AVG anderzijds is opgemerkt bij de totstandkoming van de
                        UAVG:</noot.al><noot.al>Voor zover artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet ertoe
                        strekt om regels vast te stellen ter bescherming van de persoonlijke
                        levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van
                        persoonsgegevens en regels vast te stellen inzake de aanspraken van personen
                        op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat
                        daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens, die
                        overlappen met de bepalingen uit de verordening die rechtstreeks gelden,
                        dient deze opdracht aan de nationale wetgever buiten toepassing te blijven.
                        Het is immers niet toegestaan om deze materie te regelen in een nationale
                        formele wet, wanneer hier door een verordening in is voorzien (<nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 2017/18, <extref doc="kst-34851-8" soort="document" status="actief">34 851, nr. 8</extref>).</noot.al></noot> De toelichting zal op dit punt worden aangevuld.</al>
              <al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 8.2.5 geen toepassing vindt bij
                  juridisch niet-bindende internationale sanctiemaatregelen (aanbevelingen van
                  volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken). In die gevallen is de
                  internationale grondslag daarin niet toereikend als
                  gegevensuitwisselingsgrondslag, omdat het juridisch niet-bindende instrumenten
                  zijn. Op deze categorie sanctiemaatregelen is artikel 8.2.5 niet van toepassing en
                  geldt dat de noodzakelijke gegevensuitwisselingsgrondslagen altijd zullen worden
                  opgenomen in een algemene maatregel van bestuur. De wettelijke grondslag voor het
                  vaststellen van deze algemene maatregel van bestuur is opgenomen in hoofdstuk 2 en
                  artikel 8.3.2 van dit wetsvoorstel. De toelichting is op dit punt
                  verduidelijkt.</al>
              <al>Naar aanleiding van bovengenoemde opmerking van de Afdeling, over de eisen die
                  artikel 10 van de Grondwet in dit verband stelt, heeft de regering opnieuw artikel
                  8.2.5 in het licht van artikel 10, eerste lid Grondwet, bezien. De uitkomst
                  daarvan is dat de regering van oordeel is dat artikel 8.2.5 daarmee in
                  overeenstemming is.</al>
              <al>Artikel 10, eerste lid, Grondwet bepaalt dat een ieder ‘behoudens bij of
                  krachtens de wet te stellen beperkingen’ recht heeft ‘op eerbiediging van zijn
                  persoonlijke levenssfeer’. De vraag die bij de toepassing van artikel 10
                  voorafgaand aan de vraag naar de rechtvaardiging van een eventuele beperking
                  behoort te worden gesteld, is ‘of er sprake is van een beperking op de
                  eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer’. Over wat onder de persoonlijke
                  levenssfeer en de eerbiediging daarvan moet worden verstaan, is de regering bij de
                  grondwetsherziening van 1983 slechts in algemene zin ingegaan.<noot id="n453" type="voet"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>L.F.M. Verhey, <nadruk type="cur">Horizontale werking van
                           grondrechten, in het bijzonder van het recht op privacy</nadruk>, Zwolle:
                        W.E.J. Tjeenk Willink 1992, p. 198–199.</noot.al></noot> De regering stelde dat in elk geval tot de persoonlijke levenssfeer moeten
                  worden gerekend: de woning, bepaalde vormen van communicatie (zoals het
                  telefoongesprek, de briefwisseling en het buiten een woning gevoerde
                  vertrouwelijke gesprek), sommige gewoonten, gedragingen, contacten, abonnementen,
                  lidmaatschappen en bepaalde aspecten van het gezinsleven.<noot id="n454" type="voet"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 1975/76, <extref doc="kst-13872-3" soort="document" status="actief">13 872, nr. 3</extref>,
                        p. 40.</noot.al></noot> Ook het vastleggen en gebruiken van persoonsgegevens <nadruk type="cur">kunnen </nadruk>een inperking vormen op artikel 10, eerste lid, Grondwet. In
                  de memorie van toelichting merkte de regering hierover op dat ‘door allerlei
                  gegevens omtrent personen te registreren, deze in verband met elkaar te brengen en
                  vervolgens bij het nemen van voor de persoon belangrijke beslissingen van die
                  gegevens gebruik te maken, kan de privacy worden aangetast’.<noot id="n455" type="voet"><noot.nr>53</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 1975/76, <extref doc="kst-13872-3" soort="document" status="actief">13 872, nr. 3</extref>,
                        p. 41.</noot.al></noot></al>
              <al>Het is dus niet zo dat iedere verwerking van persoonsgegevens geldt als beperking
                  van het grondwettelijk recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
                  Sterker nog, er geldt een zekere toepassingsdrempel, waarbij in het oog gehouden
                  moet worden dat de verwerking van persoonsgegevens wel in verband staat met
                  privacy, maar niet daaraan gelijk is.</al>
              <al>Voor zover er wel sprake zou zijn van een beperking, dan voldoet deze aan de
                  vereiste specifieke formeel-wettelijke grondslag. De Grondwet eist, met de
                  bewoordingen ‘behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen’, voor elke
                  beperking een specifieke formeel-wettelijke grondslag.<noot id="n456" type="voet"><noot.nr>54</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 1975/76, <extref doc="kst-13872-3" soort="document" status="actief">13 872, nr. 3</extref>,
                        p. 41. Een specifieke grondslag is vereist, omdat bij de algehele
                        grondwetsherziening van 1983 de leer van de algemene beperkingen is
                        afgewezen. Iedere grondrechtenbeperking moet in beginsel herleidbaar zijn
                        tot de in de grondwettelijke bepaling opgenomen clausulering (<nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 1975/76, <extref doc="kst-13872-3" soort="document" status="actief">13 872, nr. 3</extref>,
                        p. 20–22).</noot.al></noot> Delegatie van de beperkingsbevoegdheid is daarbij toegelaten. De regering
                  gaf in de memorie van toelichting bij de grondwetsherziening aan dat in artikel
                  10, eerste lid, voor een ‘vrij ruim opgezette beperkingsbevoegdheid’ is gekozen in
                  verband met de omstandigheid dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke
                  levenssfeer op uiteenlopende gebieden aan de orde kan komen. Ook woog mee dat ten
                  tijde van de totstandkoming van deze grondwetsbepaling niet volledig was te
                  voorzien welke beperkingen noodzakelijk zouden zijn.<noot id="n457" type="voet"><noot.nr>55</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk> 1975/76, <extref doc="kst-13872-3" soort="document" status="actief">13 872, nr. 3</extref>,
                        p. 41.</noot.al></noot> Het vereiste van een specifieke formeel-wettelijke grondslag heeft
                  sindsdien in de jurisprudentie nader inkleuring gekregen. Ten aanzien van het
                  vereiste van specificiteit, is de rode draad in de jurisprudentie dat uit brede
                  wettelijke taakstellingen niet allerlei specifieke privacy-beperkende bevoegdheden
                  mogen worden afgeleid.<noot id="n458" type="voet"><noot.nr>56</noot.nr><noot.al>Zie voornamelijk HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328 <nadruk type="cur">(Zwolsman)</nadruk> en de drie arresten van de belastingkamer
                        van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:286,
                        ECLI:NL:HR:2017:287 en ECLI:NL:HR:2017:288).</noot.al></noot> De beperking moet voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet zijn
                  omschreven, zo oordeelde de Hoge Raad in het arrest <nadruk type="cur">Zwolsman
                     </nadruk>(1995).<noot id="n459" type="voet"><noot.nr>57</noot.nr><noot.al>HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328 <nadruk type="cur">(Zwolsman)</nadruk>, r.o. 6.4.4.</noot.al></noot> In 2017 heeft de Hoge Raad dit specificiteitscriterium nader ingekleurd
                  aan de hand van de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens
                  (EHRM): de burger moet uit het betreffende wettelijke voorschrift met voldoende
                  precisie kunnen opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met
                  het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en
                  vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden
                  bewerkt, bewaard en gebruikt.<noot id="n460" type="voet"><noot.nr>58</noot.nr><noot.al>HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, r.o. 2.3.4 en
                        2.3.2.</noot.al></noot></al>
              <al>Aan dat criterium wordt naar het oordeel van de regering met de in artikel 8.2.5.
                  voorgestelde grondslag voldaan, waarbij in ogenschouw moet worden gehouden dat dit
                  artikel alleen een bevoegdheid geeft tot verdere verstrekking van gegevens die op
                  basis van specifiekere bevoegdheden van de betreffende organisatie zijn verkregen.
                  Voor de handhaving van de naleving van de internationale sanctiemaatregelen, wordt
                  het door de regering van groot belang geacht dat die organisaties over dezelfde
                  informatie beschikken. Dit is bijvoorbeeld van belang wanneer twee organisaties
                  een ontheffingsverzoek behandelen van dezelfde verzoeker, of vanuit de rol van
                  toezichthouder of handhavingsinstantie een casus hebben met hetzelfde bedrijf. Het
                  wetsvoorstel bepaalt bovendien dat die informatie of gegevens niet mogen worden
                  verstrekt als: – het doel waarvoor de gegevens zullen worden gebruikt onvoldoende
                  bepaald is; – de verstrekking zich niet zou verdragen met de wet of de openbare
                  orde; – de geheimhouding niet in voldoende mate is geborgd; – de verstrekking
                  redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die het
                  wetsvoorstel beoogt te beschermen; of – onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens
                  niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
                  verstrekt. Deze extra waarborgen zijn in artikel 8.2.5, tweede lid,
                  opgenomen.</al>
              <al>Op grond van het bovenstaande heeft de regering besloten artikel 8.2.5 niet te
                  wijzigen.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Nadere regels over gegevensverwerking</titel>
              </kop>
              <al>
                <nadruk type="cur">Op grond van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel kunnen bij amvb
                     of ministeriële regeling regels worden gesteld ter uitvoering van de
                     betreffende internationale sanctiemaatregelen. De artikelen 8.3.1 en 8.3.2
                     bevatten grondslagen voor het stellen van nadere regels over
                     gegevensverwerking, zodat in een sanctiebesluit of sanctieregeling concrete
                     gegevensverstrekkingen door nog aan te wijzen bestuursorganen en
                     toezichthouders beschreven kunnen worden.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling merkt op dat deze grondslagen de wezenlijke
                     elementen en begrenzingen van de regeling omtrent gegevensverwerking geheel
                     overlaten aan een amvb of ministeriële regeling, terwijl ook de aan te wijzen
                     bestuursorganen en toezichthouders inbreuk kunnen maken op het recht op
                     eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In het licht daarvan rijst de
                     vraag of het wetsvoorstel gelet op de eisen die artikel 10 van de Grondwet
                     stelt een adequate wettelijke grondslag biedt voor de beoogde verwerking en
                     verstrekking van gegevens.<noot id="n461" type="voet"><noot.nr>59</noot.nr><noot.al>Zie ook het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens over het
                           conceptwetsvoorstel, 20 mei 2025, paragraaf 1.1.</noot.al></noot> Waar het gaat om nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen van
                     volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken, kan het daarbij ook
                     gaan om bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van
                     strafrechtelijke aard, zo blijkt uit artikel 8.3.2, eerste lid.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Volgens de regering zal de inhoud van de te stellen regels
                     telkens afhankelijk zijn van de regels die als zijn opgenomen in het verdrag of
                     bindende besluit. Het nader specificeren van de onderwerpen vergt dan ook
                     maatwerk dat niet op wetsniveau kan worden geboden, zo stelt de
                        toelichting.<noot id="n462" type="voet"><noot.nr>60</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel
                           8.3.1 en artikel 8.3.2.</noot.al></noot> De Afdeling begrijpt de behoefte aan maatwerk in een lagere regeling
                     mede met het oog op de snelheid die doorgaans geboden is, maar merkt op dat de
                     wezenlijke elementen van de regeling uiteindelijk op het niveau van de formele
                     wet moeten worden vastgelegd.</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert daarom in het voorliggende wetsvoorstel
                     vast te leggen dat in een concreet geval als hiervoor bedoeld alsnog zo spoedig
                     mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend om de grondslag voor de verwerking
                     van gegevens ter uitvoering van sanctiemaatregelen te
                  specificeren.</nadruk>
              </al>
              <al>Ten aanzien van artikel 8.3.1 merkt de regering op dat toepassing van dit artikel
                  een nadere uitwerking betreft van een gegevensverwerkingsgrondslag uit de
                  betreffende internationale sanctiemaatregel. Toepassing van artikel 8.3.1
                  geschiedt bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling en is alleen
                  een concretisering of een nadere uitwerking van de gegevensverwerkingsgrondslag
                  uit de internationale sanctiemaatregel. De Afdeling merkt op dat zij mede met het
                  oog op de snelheid die doorgaans geboden is de behoefte aan maatwerk in een lagere
                  regeling begrijpt, maar dat de wezenlijke elementen van de regeling uiteindelijk
                  op het niveau van de formele wet moeten worden vastgelegd. De regering neemt dit
                  adviesonderdeel niet over. Artikel 8.3.1 wordt alleen toegepast als een
                  gegevensverwerkingsgrondslag is opgenomen in het betreffende verdrag of bindende
                  besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Ter bevordering van een goede
                  uitvoering kan het in bepaalde gevallen wenselijk zijn om de
                  gegevensverwerkingsgrondslag uit het internationale instrument nader uit te werken
                  of concretiseren. Artikel 8.3.1 biedt dan uitkomst. De grondslag uit artikel 8.3.1
                  betreft een concretisering van de algemene delegatiegrondslag uit artikel 2.1.1 en
                  de systematiek van paragraaf 8.3 sluit aan bij de systematiek van hoofdstuk 2 van
                  dit wetsvoorstel. Dit betekent dat de nadere uitwerking kan plaatsvinden bij
                  algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. In de praktijk zal
                  deze uitwerking doorgaans bij ministeriële regeling geschieden. Om gelijke redenen
                  als vermeld in de toelichting bij hoofdstuk 2, en conform de lijn die al is
                  ingezet sinds de wijziging van de Sanctiewet 1977 uit 2000, is het niet nodig om
                  de algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te doen opvolgen door
                  een wet. Ten aanzien van de verhouding tot artikel 10 van de Grondwet, geldt
                  hetzelfde als hetgeen hierboven is opgemerkt over dat onderwerp.</al>
              <al>Ten aanzien van artikel 8.3.2 merkt de regering op dat uitwerking hiervan altijd
                  geschiedt bij algemene maatregel van bestuur. Een algemene maatregel van bestuur
                  biedt meer waarborgen dan een ministeriële regeling en biedt op grond van dit
                  wetsvoorstel nog extra waarborgen zoals parlementaire betrokkenheid, eventueel
                  resulterend in een wetsvoorstel (artikel 8.3.2, derde lid in samenhang met de
                  artikelen 2.2.2 en 2.2.3).</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.</nr>
              <titel>Aanwijzen van bestuursorganen met handhavende bevoegdheden</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in Nederland een
                  economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten. Op grond van de
                  huidige Sanctiewet 1977 worden na de totstandkoming van internationale
                  sanctiemaatregelen de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen doorgaans getroffen in
                  een ministeriële regeling.<noot id="n463" type="voet"><noot.nr>61</noot.nr><noot.al>Zie ook de memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting
                        bij artikel 2.2.1.</noot.al></noot> In deze ministeriële regeling wordt dan neergelegd dat het verboden is te
                  handelen in strijd met de relevante internationale sanctiemaatregelen. Overtreding
                  van deze verboden is strafbaar op grond van artikel 1, onder 1°, van de Wet op de
                  economische delicten. Met dit wetsvoorstel wordt deze systematiek van
                  strafbaarstelling voortgezet. Dit betekent dat de strafrechtelijke weg open blijft
                  staan voor overtredingen van sanctiemaatregelen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het wetsvoorstel wordt daarnaast de mogelijkheid
                  geïntroduceerd om, in aanvulling op de mogelijkheden die het strafrecht biedt,
                  bestuursrechtelijk handhavend op te kunnen treden tegen overtredingen van
                     sanctiemaatregelen.<noot id="n464" type="voet"><noot.nr>62</noot.nr><noot.al>Paragraaf 7.1.2 van het wetsvoorstel.</noot.al></noot> Voorschriften over sancties van bestuursrechtelijke aard worden zoveel
                  mogelijk op het niveau van de formele wet geregeld, zo stelt de toelichting.<noot id="n465" type="voet"><noot.nr>63</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting bij artikel
                        7.1.2.</noot.al></noot> Dat geldt ook voor de aanwijzing van bestuursorganen die handhavend kunnen
                  optreden tegen het overtreden van sanctiemaatregelen die zien op de sectoren of
                  handelingen, bedoeld in artikel 7.1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d. Voor
                  deze aldaar specifieke genoemde bestuursorganen wordt bij lagere regelgeving
                  alleen nog bepaald dat zij bij overtreding van sanctiemaatregelen
                  bestuursrechtelijk mogen handhaven.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">Artikel 7.1.2, tweede lid, geeft echter een grondslag om bij amvb
                  of ministeriële regeling ook andere bestuursorganen aan te wijzen die zullen
                  beschikken over een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium. De regering
                  acht deze grondslag nodig omdat op voorhand niet te voorzien is welke
                  sanctiemaatregelen in de toekomst worden getroffen en welke bestuursorganen het
                  best geëquipeerd zijn om daaraan uitvoering te geven.<noot id="n466" type="voet"><noot.nr>64</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting bij artikel
                        7.1.2. Zie ook de reactie op het advies van de Raad voor de Rechtspraak:
                        memorie van toelichting, paragraaf 9.3.2 ‘Raad voor de
                        Rechtspraak’.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling begrijpt de behoefte aan snelheid en tevens
                  flexibiliteit met het oog op de toekomst. Zij constateert evenwel dat aangewezen
                  bestuursorganen over forse handhavende bevoegdheden zullen beschikken, namelijk
                  het opleggen van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een
                  bestuurlijke boete.<noot id="n467" type="voet"><noot.nr>65</noot.nr><noot.al>Zie daarvoor de voorgestelde artikelen 7.1.3, 7.1.4 en
                        7.1.5.</noot.al></noot> Gelet daarop en met het oog op het primaat van de wetgever acht de
                  Afdeling het wenselijk dat na aanwijzing van bestuursorganen bij amvb of
                  ministeriële regeling onverwijld een wetsvoorstel wordt ingediend om de bevoegde
                  bestuursorganen alsnog in de wet vast te leggen.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in deze zin aan te
                  passen.</nadruk>
            </al>
            <al>De regering geeft opvolging aan het advies van de Afdeling om, nadat bestuursorganen
               bij sanctiebesluit of sanctieregeling gaan beschikken over het bestuursrechtelijk
               handhavingsinstrumentarium, een wetsvoorstel zal worden ingediend om de bevoegde
               bestuursorganen alsnog in de wet vast te leggen. Aan artikel 7.1.2 is een lid
               toegevoegd waarin – volgens het voorbeeld van aanwijzing 2.39 van de Aanwijzingen
               voor de regelgeving – gekozen is voor de vorm van tijdelijke delegatie.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">6.</nr>
              <titel>Consequenties voor rechtsbescherming tegen intrekking van een
                  verblijfsvergunning</titel>
            </kop>
            <al>
              <nadruk type="cur">Het wetsvoorstel neemt bepaalde onderdelen uit de huidige
                  Sanctiewet 1977 niet over, omdat deze volgens de regering aan betekenis hebben
                  ingeboet als gevolg van een eerdere wijziging van die wet in 2000.<noot id="n468" type="voet"><noot.nr>66</noot.nr><noot.al>Wet van 13 april 2000 tot wijziging van de Sanctiewet 1977 en van de
                        In- en uitvoerwet tot vereenvoudiging van de implementatie van
                        internationale verplichtingen (<extref doc="stb-2000-196" soort="document" status="actief">Stb. 2000, nr. 196</extref>). Zie voor een toelichting op
                        de betreffende wijziging van artikel 3: Kamerstukken II 1999/2000, <extref doc="kst-26872-3" soort="document" status="actief">26 872, nr. 3</extref>,
                        p. 2.</noot.al></noot> Dat geldt onder meer voor artikel 4 van de Sanctiewet 1977, zo stelt de
                     toelichting.<noot id="n469" type="voet"><noot.nr>67</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 3.1 ‘Modernisering van de
                        grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
                        sanctiemaatregelen’, onder het kopje ‘Onderdelen die niet zijn overgenomen
                        uit de Sanctiewet 1977’.</noot.al></noot> Dat artikel bepaalt dat regels ter uitvoering van internationale
                  sanctiemaatregelen ook kunnen betekenen dat de toegang en het verblijf van in
                  sanctiemaatregelen aangeduide vreemdelingen wordt geweigerd en dat
                  verblijfsvergunningen van deze vreemdelingen worden ingetrokken. Volgens de
                  regering heeft ook deze bepaling als gevolg de hiervoor genoemde wijziging van de
                  Sanctiewet 1977 geen betekenis meer.<noot id="n470" type="voet"><noot.nr>68</noot.nr><noot.al>Idem.</noot.al></noot></nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De vraag is echter welke consequenties dit voorstel heeft, omdat
                  daarmee ook de laatste zin van artikel 4 van de Sanctiewet 1977 wordt geschrapt.
                  Die bepaalt nu dat ‘[e]en intrekking op grond van dit artikel geldt als een
                  intrekking op grond van artikel 19 respectievelijk artikel 22 van de
                  Vreemdelingenwet 2000’. Als gevolg hiervan wordt zeker gesteld dat
                  rechtsbescherming open staat op grond van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet
                     2000.<noot id="n471" type="voet"><noot.nr>69</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1975/76, <extref doc="kst-14006-3" soort="document" status="actief">14 006, nr. 3</extref>, p. 8.</noot.al></noot> De vraag is welke betekenis het niet overnemen van deze zinsnede in het
                  wetsvoorstel heeft voor de rechtsbescherming van betrokkenen. In de toelichting
                  wordt aan dit aspect geen aandacht besteed.</nadruk>
            </al>
            <al>
              <nadruk type="cur">In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling in de
                  toelichting op het voorgaande in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan te
                  passen.</nadruk>
            </al>
            <al>Naar aanleiding van deze opmerking van de Afdeling heeft de regering die onderdelen
               uit de huidige Sanctiewet 1977 die in eerste instantie niet over zijn genomen, nog
               eens opnieuw tegen het licht gehouden. Het zou de doelstelling om tot een
               toekomstbestendig sanctiestelsel immers weinig recht doen, als instrumenten die op
               grond van het huidig juridisch kader bestaan ten onrechte tenietgaan.</al>
            <al>Allereerst geeft de regering daarom gevolg aan de opmerking over artikel 4 van de
               Sanctiewet 1977. Bij nader inzien vindt de regering dat, naast het tweede deel, ook
               het eerste deel van die bepaling – dat regels ter uitvoering van internationale
               sanctiemaatregelen ook op de toegang en het verblijf van vreemdelingen betrekking
               kunnen hebben – niet kan worden gemist. Daarom is het wetsvoorstel aangepast en is er
               een vergelijkbare bepaling als artikel 4 van de Sanctiewet 1977 opgenomen in een
               nieuw artikel 2.3.1. Hierdoor blijft de situatie onveranderd.</al>
            <al>Ten tweede heeft de bovenbedoelde exercitie van de regering geleid tot het inzicht
               dat het in een eerdere versie van dit wetsvoorstel niet overgenomen bevoegdheid om
               onmiddellijke voorzieningen te kunnen treffen ter uitvoering van niet-bindende
               internationale sanctiemaatregelen bij nader inzien evenmin kan worden gemist. Wanneer
               Onze Minister van Buitenlandse Zaken overweegt een voordracht tot vaststelling,
               wijziging of intrekking van een sanctiebesluit te doen en naar zijn oordeel een
               gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist, kan hij op grond van artikel 7
               van de Sanctiewet 1977 bij ministeriële regeling regels stellen overeenkomstig het in
               overweging zijnde besluit. Op dezelfde gronden kan hij in een bestaand sanctiebesluit
               vervatte regels buiten werking stellen. De uiterste werkingsduur van een dergelijke
               regeling is tien maanden.<noot id="n472" type="voet"><noot.nr>70</noot.nr><noot.al>Artikel van de 8 Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> Hoewel de mogelijkheid van zo een onmiddellijke voorziening tot vandaag nog
               nooit is gebruikt, geldt de reden dat deze mogelijkheid is opgenomen onverkort: ‘de
               mogelijkheid dat op grond van internationale besluiten, aanbevelingen of afspraken
               onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk kunnen zijn’.<noot id="n473" type="voet"><noot.nr>71</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 1975–1976, 140006, nrs. 1–3, p. 9.</noot.al></noot></al>
            <al>Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog een aantal beperkte
               wijzigingen door te voeren in het wetsvoorstel.</al>
            <al>In artikel 2.2.1 van het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen om gebruik te
               kunnen maken van subdelegatie. Dat wil zeggen dat in aanvulling op regels in een
               algemene maatregel van bestuur ook nadere regels mogen worden gesteld in een
               ministeriele regeling. Niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen
               zullen bij algemene maatregel van bestuur moeten worden vastgesteld, maar
               subdelegatie laat – in overeenstemming met algemeen wetgevingsbeleid – de ruimte om
               voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling en
               voorschriften die dikwijls wijziging behoeven door te delegeren naar een ministeriele
               regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken. Artikel 2.1.1, eerste lid, wordt om
               dezelfde reden gewijzigd. Als implementatie van een bindende internationale
               sanctiemaatregel zou plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur, wordt ook
               hiervoor de mogelijkheid opgenomen om gebruik te kunnen maken van eerdergenoemde
               subdelegatie.</al>
            <al>In de artikelen 7.1.1, 7.1.2 en 10.8 van het wetsvoorstel zijn de verwijzingen naar
               de Douane en de deken aangepast. Voor de Douane is dit gedaan om dit in lijn te
               brengen met wat in de Douanewetgeving meer gebruikelijk is. Ten aanzien van het
               toezicht op de advocatuur is besloten om dit niet te beleggen bij een door de
               algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten bij besluit aan te wijzen de
               deken, maar dit zoals gebruikelijk te beleggen bij de deken van de orde in het
               arrondissement.</al>
            <al>
              <nadruk type="cur">De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal
                  opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het
                  voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</nadruk>
            </al>
            <al-groep>
              <al>
                <nadruk type="cur">De vice-president van de Raad van State,</nadruk>
              </al>
              <al>
                <nadruk type="cur">Th.C. de Graaf</nadruk>
              </al>
            </al-groep>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik verzoek U, het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde
               memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister van Buitenlandse
               Zaken,</functie>
            <naam>
              <voornaam>D.M. van</voornaam>
              <achternaam>Weel.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W02.25.00209/II</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 3 december 2025</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 17 juli 2025, no.2025001668, heeft Uwe Majesteit, op
               voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de
               Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels
               over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale
               sanctiemaatregelen), met memorie van toelichting.</al>
            <al>Het wetsvoorstel moderniseert het Nederlandse sanctiestelsel in verband met de
               toename van het gebruik van internationale sanctiemaatregelen en de eisen die in
               toenemende mate worden gesteld aan de uitvoering en handhaving ervan op nationaal
               niveau. Het wetsvoorstel vervangt de huidige Sanctiewet 1977. Zo verbetert het
               wetsvoorstel de mogelijkheden om gegevens uit te wisselen en introduceert het
               bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen. Ook bevat het voorstel
               bepalingen omtrent de continuïteit en de afwikkeling van ondernemingen.</al>
            <al>Met de voorgestelde modernisering van het sanctiestelsel wil de regering gevolg
               geven aan de grondwettelijke opdracht om de ontwikkeling van de internationale
               rechtsorde te bevorderen. Tevens wil de regering zorgdragen voor een effectieve
               handhaving en uitvoering van het Unierecht. In het licht van deze constitutionele
               verplichtingen en de geopolitieke ontwikkelingen, onderschrijft de Afdeling
               advisering van de Raad van State het belang van het wetsvoorstel en het merendeel van
               de daarin gemaakte keuzes. Zij vraagt evenwel aandacht voor enkele aspecten van het
               wetsvoorstel.</al>
            <al>De Afdeling maakt eerst en vooral opmerkingen over de bevoegdheid van de minister
               van Economische Zaken om een bewindvoerder aan te wijzen bij een onderneming wanneer
               een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering van die onderneming
               met zich brengt en daarmee ernstige schade voor de Nederlandse samenleving kan
               ontstaan. De Afdeling heeft twijfels bij de effectiviteit van de
               aanwijzingsbevoegdheid, mede in het licht van de vormgeving van deze bevoegdheid, de
               (internationale) handelspraktijk, het bestaan van concernverhoudingen en de
               mogelijkheid dat een aanwijzing internationale repercussies heeft. Daarom adviseert
               zij het wetsvoorstel op dit onderdeel nader te bezien. In het bijzonder adviseert de
               Afdeling daarbij de mogelijkheden die het burgerlijk recht thans al biedt in het
               kader van de enquêteprocedure te betrekken en het wetsvoorstel aan te passen.</al>
            <al>De Afdeling maakt tevens opmerkingen over de verstrekking en verwerking van gegevens
               door instanties die betrokken zijn bij het toezicht op de naleving of de uitvoering
               van internationale sanctiemaatregelen. De Afdeling heeft met het oog op de snelheid
               die met de invoering van sancties kan zijn geboden begrip voor de generieke grondslag
               die voor de verstrekking van persoonsgegevens in het wetsvoorstel is opgenomen, maar
               adviseert om in het licht van artikel 10 van de Grondwet in het voorstel te regelen
               dat als in een concreet geval van deze algemene bevoegdheid gebruik wordt gemaakt
               alsnog zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend om de betreffende
               grondslag specifiek in de wet te verankeren.</al>
            <al>De Afdeling maakt een vergelijkbare opmerking wat betreft de in het voorstel geboden
               grondslag om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) of ministeriële regeling ook
               andere dan in de wet genoemde bestuursorganen aan te wijzen die zullen beschikken
               over een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium. De Afdeling adviseert in het
               wetsvoorstel op te nemen dat na aanwijzing van bestuursorganen bij amvb of
               ministeriële regeling zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend om de
               bevoegde bestuursorganen alsnog in de wet vast te leggen.</al>
            <al>Tot slot maakt de Afdeling een opmerking over de consequenties die het niet
               overnemen van artikel 4 van de Sanctiewet 1977 heeft voor de rechtsbescherming die
               openstaat tegen intrekking van een verblijfsvergunning als gevolg van internationale
               sanctiemaatregelen. Zij adviseert hier in de toelichting op in te gaan en het
               wetsvoorstel zo nodig aan te passen.</al>
            <al>In verband met deze opmerkingen ligt aanpassing van het wetsvoorstel en de
               toelichting zeer in de rede.</al>
          </tekst>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">1.</nr>
              <titel>Achtergrond en inhoud van het voorstel</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Achtergrond</titel>
              </kop>
              <al>Het afgelopen decennium zijn internationale sanctiemaatregelen van de Verenigde
                  Naties (hierna: VN) en de Europese Unie (hierna: EU) steeds omvangrijker en
                  complexer geworden. Dat geldt in het bijzonder voor de inmiddels 19
                  sanctiepakketten die in EU-verband zijn vastgesteld naar aanleiding van de
                  Russische invasie in Oekraïne. Deze sanctiemaatregelen stellen in toenemende mate
                  eisen aan de uitvoering en handhaving ervan op nationaal niveau.<noot id="n369" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.1 ‘Aanleiding en
                        probleemstelling’.</noot.al></noot> Tegen die achtergrond adviseerde de Nationaal Coördinator Sanctienaleving
                  en Handhaving om het Nederlandse sanctiestelsel te versterken en ervoor te zorgen
                  dat wet- en regelgeving daarmee gelijke tred houdt.<noot id="n370" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie het Rapport van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving en
                        Handhaving, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref>.</noot.al></noot></al>
              <al>De Sanctiewet 1977 is de schakel tussen internationale sanctiemaatregelen
                  enerzijds en nationale uitvoering anderzijds. Deze wet is echter op een flink
                  aantal punten verouderd, zo stelt de toelichting. De belangrijkste problemen
                  betreffen ontbrekende of ontoereikende grondslagen om gegevens uit te wisselen,
                  het ontbreken van de mogelijkheid om sanctieschendingen bestuursrechtelijk te
                  handhaven, een niet-toereikend systeem voor beheer en bewind, en de behoefte van
                  marktpartijen aan inzicht in mogelijke relaties met gesanctioneerde personen en
                  entiteiten. Ook kennen sanctiemaatregelen verschillende meldingsplichten en
                  meldingspunten, hetgeen volgens de toelichting tot een gefragmenteerd systeem
                  leidt. Omdat het adresseren van deze aandachtspunten een omvangrijke wijziging van
                  de Sanctiewet 1977 zou vergen, ligt het volgens de regering in de rede om een
                  nieuwe wet vast te stellen.<noot id="n371" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.1 ‘Aanleiding en
                        probleemstelling’.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Inhoud van het wetsvoorstel</titel>
              </kop>
              <al>Tegen de hiervoor geschetste achtergrond laat het wetsvoorstel de Sanctiewet 1977
                  grotendeels vervallen en laat het daarvoor een geheel nieuwe Wet internationale
                  sanctiemaatregelen in de plaats treden. Daarbij moet worden aangetekend dat
                  Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 nog tijdelijk in licht aangepaste vorm van
                  kracht zal blijven.<noot id="n372" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Dit betreft de onderdelen die zien op het sanctiewettoezicht op de
                        bedrijfsvoering van financiële ondernemingen.</noot.al></noot></al>
              <al>Het wetsvoorstel strekt er onder meer toe de grondslagen om regels te stellen ter
                  uitvoering van internationale sanctiemaatregelen te moderniseren. Ook worden, in
                  aanvulling op het strafrecht, mogelijkheden voor de bestuursrechtelijke handhaving
                  van schendingen van sanctiemaatregelen geïntroduceerd. Verder wordt er een
                  bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking van
                  sanctiemaatregelen geïntroduceerd. Het wetsvoorstel bevat ook bepalingen omtrent
                  de continuïteit en de afwikkeling van ondernemingen. Er wordt tevens voorzien in
                  een grondslag om in verschillende openbare registers een koppeling te maken met
                  sancties en de mogelijkheden die bevoegde autoriteiten, zoals toezichthouders en
                  handhavingsinstanties, hebben om gegevens uit te wisselen worden verbeterd. Tot
                  slot wordt er een centraal meldpunt voor sancties ingericht en wordt het toezicht
                  op de bedrijfsvoering aangepast en uitgebreid naar juridische beroepsgroepen.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">2.</nr>
              <titel>Algemene gezichtspunten</titel>
            </kop>
            <al>De toelichting plaatst het wetsvoorstel terecht in een breder constitutioneel
                  perspectief.<noot id="n373" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2 ‘Doelstelling’.</noot.al></noot> Artikel 90 van de Grondwet geeft de regering de opdracht om de ontwikkeling
               van de internationale rechtsorde te bevorderen. Deze opdracht plaatst het Nederlandse
               constitutionele bestel in de bredere context van internationale vrede en veiligheid.
               Daarnaast heeft de regering de verplichting om – mede op grond van het beginsel van
                  Unietrouw<noot id="n374" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Zie artikel 4, derde lid, en artikel 24, derde lid, van het Verdrag
                     betreffende de Europese Unie.</noot.al></noot> – het nuttig effect van EU-regelgeving te verzekeren en zorg te dragen voor
               een effectieve handhaving en uitvoering van het Unierecht.<noot id="n375" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese
                     Unie.</noot.al></noot></al>
            <al>Deze grondwettelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen impliceren dat
               sanctiemaatregelen worden nageleefd, dat het toezicht op de naleving effectief is en
               dat schendingen effectief worden gehandhaafd. Met de voorgestelde modernisering van
               het sanctiestelsel wil de regering daaraan gevolg geven.<noot id="n376" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 2.2 ‘Doelstelling’.</noot.al></noot> Daarvoor is te meer aanleiding nu als gevolg van de geopolitieke
               ontwikkelingen het sanctie-instrument in de huidige tijd veelvuldiger en indringender
               dan voorheen wordt gebruikt.</al>
            <al>In het licht van het voorgaande onderschrijft de Afdeling het belang van het
               wetsvoorstel. Zij vraagt evenwel, mede in het licht van de gewenste effectiviteit,
               aandacht voor enkele aspecten van het wetsvoorstel. De Afdeling maakt vooral
               opmerkingen over de bevoegdheid van de minister van Economische Zaken om een
               bewindvoerder aan te wijzen bij een onderneming wanneer een sanctiemaatregel nadelige
               gevolgen voor de financiële stabiliteit of continuïteit van die onderneming met zich
               brengt en daarmee ernstige schade voor de Nederlandse samenleving kan ontstaan (punt
               3). Vervolgens maakt zij enkele opmerkingen over de wettelijke grondslagen voor
               gegevensverstrekking en -verwerking (punt 4) en over het aanwijzen van
               bestuursorganen met handhavende bevoegdheden (punt 5). Tot slot maakt de Afdeling een
               opmerking over de consequenties van het wetsvoorstel voor rechtsbescherming tegen
               intrekking van een verblijfsvergunning (punt 6).</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">3.</nr>
              <titel>Bevoegdheid tot aanwijzing bewindvoerder</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Beschrijving van het voorstel</titel>
              </kop>
              <al>Het wetsvoorstel introduceert een bevoegdheid voor de minister van Economische
                  Zaken om <nadruk type="cur">ambtshalve</nadruk> een bewindvoerder aan te wijzen
                  bij een in Nederland of op de BES gevestigde onderneming waarop een verplichting
                  van toepassing is uit hoofde van een sanctiemaatregel.<noot id="n377" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.3.</noot.al></noot> De bevoegdheid kan worden uitgeoefend als door de toepassing van een
                  sanctiemaatregel ‘de financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming’ in
                  gevaar is en daarmee ‘ernstige negatieve maatschappelijke, economische of
                  werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving’ kunnen ontstaan.</al>
              <al>De bewindvoerder kan opdrachten verstrekken om ‘de naleving van de verplichtingen
                  uit hoofde van de opgelegde sancties te verzekeren en de financiële stabiliteit,
                  de continuïteit, of de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de
                  onderneming te waarborgen’.<noot id="n378" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>In het voorstel wordt een ‘opdracht’ gedefinieerd als een verplichting
                        tot het verrichten of zich onthouden van feitelijke handelingen of
                        rechtshandelingen.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel regelt niet specifiek welke opdrachten de bewindvoerder
                  aan een onderneming kan verstrekken. De onderneming heeft geen instemming nodig
                  van de aandeelhouders voor het opvolgen van de opdrachten en eventuele statutaire
                  bepalingen of andere regelingen tussen de onderneming en haar aandeelhouders
                  (bijvoorbeeld inzake besluitvorming in aandeelhoudersvergaderingen) zijn niet van
                  toepassing. De bewindvoerder vervangt niet het bestuur van de onderneming.
                  Bestuurders, commissarissen, en personen die feitelijk leidinggeven en andere
                  werknemers binnen de onderneming, zijn verplicht de bewindvoerder ‘alle benodigde
                  informatie te verstrekken, opdrachten op te volgen en alle medewerking te
                     verlenen.’<noot id="n379" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.4.</noot.al></noot> Rechtshandelingen in strijd met de opdracht van de bewindvoerder zijn
                  vernietigbaar.</al>
              <al>Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief beroep worden
                  ingesteld bij de minister van Economische Zaken. Onverminderd de aansprakelijkheid
                  van de Staat, is een bewindvoerder niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van
                  door hem verstrekte opdrachten. Het besluit tot aanwijzing van een bewindvoerder
                  en de intrekking daarvan worden bekendgemaakt in de Staatscourant.</al>
              <al>Naast de bevoegdheid tot ambtshalve aanwijzing kan het bestuur of de raad van
                  commissarissen ook een <nadruk type="cur">verzoek</nadruk> doen tot aanwijzing van
                  een bewindvoerder.<noot id="n380" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.5 en 5.6.</noot.al></noot> Bij de aanwijzing op verzoek staat niet het algemeen belang voorop, maar
                  het (deel)belang van de onderneming. Daarom komen de kosten die samenhangen met de
                  aanwijzing ten laste van de betrokken onderneming.</al>
              <al>Ten slotte regelt het wetsvoorstel de verhouding met betrekking tot het
                  financieel toezicht. De minister van Economische Zaken kan zijn bevoegdheden ten
                  aanzien van financiële ondernemingen alleen uitoefenen in overeenstemming met de
                  relevante toezichthouder en wijkt terug indien de toezichthouder zelf een curator
                  of bewindvoerder aanstelt.<noot id="n381" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Voorgesteld artikel 5.7.</noot.al></noot></al>
              <al>Ter motivering van het voorstel wijst de toelichting erop dat in Nederland
                  gevestigde ondernemingen (indirect) kunnen worden geraakt door internationale
                  sancties, bijvoorbeeld omdat de onderneming voor meer dan 50% in handen is van een
                  gesanctioneerde buitenlandse (rechts)persoon van wie de tegoeden bevroren zijn, of
                  omdat de onderneming een volle dochter is van een gesanctioneerde
                  moedermaatschappij. Hierdoor kan de onderneming in een economisch isolement raken,
                  wat kan leiden tot haar ondergang, en, in bepaalde gevallen, tot ernstige
                  maatschappelijke gevolgen.</al>
              <al>Volgens de regering kunnen deze gevolgen onvoldoende worden opgevangen met het
                  bestaande recht. In EU-sanctieverordeningen zijn ontheffingsmogelijkheden
                  opgenomen, maar deze zijn met name gericht op de bescherming van transacties met
                  derden en niet op continuering van de onderneming. De mogelijkheden die een
                  onderneming zelf heeft om de band met de gesanctioneerde (rechts)persoon door te
                  snijden, zijn afhankelijk van de instemming van de gesanctioneerde persoon of
                  partner. Die zal daar volgens de regering niet altijd toe bereid of in staat zijn.
                  Het komt voor dat het bestuur dat een dergelijk voorstel overweegt, wordt
                  ontslagen, zelfs in die gevallen waarin uitoefening van de stemrechten door de
                  gesanctioneerde aandeelhouder verboden is krachtens de EU-sanctieverordeningen.
                  Verder kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van sectorale wettelijke
                  bevoegdheden om bij de onderneming in te grijpen. Deze bevoegdheden zijn echter
                  niet toegespitst op het omgaan met de effecten van sanctiemaatregelen en gericht
                  op een (nauw) afgebakende groep vitale aanbieders, dus, zo stelt de regering, niet
                  breed inzetbaar.</al>
              <al>Dit alles breng de regering tot de conclusie dat de minister van Economische
                  Zaken maatregelen moet kunnen nemen om de effectiviteit van de internationale
                  sanctiemaatregel veilig te stellen. Tegelijkertijd beoogt de regering dat daarmee
                  de negatieve maatschappelijke effecten worden geminimaliseerd door de continuïteit
                  van de betrokken onderneming te waarborgen of de beëindiging en afwikkeling van de
                  onderneming zorgvuldig te laten plaatsvinden. Een middel daarvoor is volgens de
                  opvatting van de regering het ambtshalve aanwijzen van een bewindvoerder. De
                  bewindvoerder kan ingevolge het wetsvoorstel via gerichte opdrachten ingrijpen als
                  er (rechts)handelingen worden verricht die kunnen leiden tot negatieve
                  maatschappelijke effecten, het bestuur opdragen om de eigendoms- en
                  zeggenschapsverhoudingen aan te passen, of om tot herstructurering of tot een
                  ordentelijke afwikkeling van de onderneming over te gaan.</al>
              <al>Met deze keuze en de wijze waarop deze bevoegdheid is vormgegeven, geeft de
                  regering bovendien opvolging aan de aanbevelingen van de Europese Commissie over
                  het implementeren van zogeheten <nadruk type="cur">firewalls</nadruk>, aldus de
                     toelichting.<noot id="n382" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Van een formele aanbeveling in de zin van artikel 288, lid 2, VWEU is
                        overigens geen sprake. De Commissie attendeert slechts op de mogelijkheid
                        voor ondernemingen om een <nadruk type="cur">firewall</nadruk> in te stellen
                        en moedigt de onderlinge erkenning van <nadruk type="cur">firewall</nadruk>-beslissingen tussen lidstaten aan.</noot.al></noot></al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Effectiviteit (ambtshalve) aanwijzingsbevoegdheid</titel>
              </kop>
              <al>De Afdeling onderkent dat er behoefte kan zijn aan een vorm van
                  overheidsingrijpen bij ondernemingen die worden meegetrokken in sancties tegen een
                  gesanctioneerde partij, indien die partij zijn positie niet wil prijsgeven en deze
                  weigering het publieke belang ernstig kan schaden. Het is op zichzelf juist dat
                  het bestaande ontheffingensysteem een ander doel heeft en nauwelijks mogelijkheden
                  biedt om onwenselijke gevolgen voor Nederlandse ondernemingen die worden geraakt
                  door EU-sancties te voorkomen of beperken. Dit neemt niet weg dat er serieuze
                  kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de effectiviteit en de evenredigheid
                  van het voorgestelde instrument.</al>
              <al>Uit de toelichting blijkt dat de regering wat betreft de bevoegdheid tot het
                  aanwijzen van een bewindvoerder inspiratie heeft opgedaan bij de bestaande
                  wetgeving in het financiële recht en het energierecht. De gedachte om daarbij aan
                  te sluiten is op zichzelf begrijpelijk. De regering doet daarbij echter geen recht
                  aan de specifieke kenmerken van die wetgeving en de aanmerkelijke verschillen als
                  het gaat om de achtergrond, bedoeling en inhoud van de onderscheidene
                  regelingen.</al>
              <al>In de eerste plaats gaat de toelichting er aan voorbij dat de sectorale
                  bevoegdheden betrekking hebben op een nauw afgebakende groep ondernemingen,
                  waarvan de activiteiten in sterke mate publiekrechtelijk zijn gereguleerd.
                  Bovendien staan deze ondernemingen voortdurend onder toezicht, waardoor ernstige
                  problemen kunnen worden voorkomen of ten minste tijdig bij de toezichthouder in
                  beeld zijn. Daarvoor beschikt de toezichthouder op grond van de geldende wetgeving
                  over een groot aantal qua zwaarte oplopende bevoegdheden.</al>
              <al>Het aanwijzen van een (bijzondere) bewindvoerder is een uiterste middel, dat pas
                  wordt ingezet als andere, meer gerichte maatregelen (zoals een stille curator)
                  niet meer volstaan.<noot id="n383" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>Artikel 1:76a van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Deze aanwijzingsbevoegdheid is dan ook niet bedoeld om de onderneming te
                  redden, maar om in samenspraak met de sector door een doorstart, overname of
                  gecontroleerde afwikkeling, de levering van energie te waarborgen of bijvoorbeeld
                  te voorkomen dat een falende bank andere financiële instellingen mee omver
                  trekt.</al>
              <al>Het voorliggende voorstel heeft daarentegen betrekking op alle in Nederland
                  gevestigde ondernemingen, en daarmee voor het overgrote deel op ondernemingen
                  waarvoor geen sectorspecifieke regels gelden en evenmin specifiek toezicht geldt.
                  Dat betekent dat een aanwijzing voor een onderneming zoals nu voorgesteld
                  betrekkelijk onverwacht kan komen, mede gezien het snel evoluerende karakter van
                  het sanctie-instrument. In het voorstel is het ambtshalve aanwijzen van een
                  bewindvoerder bovendien geen uiterst, maar het enige middel. Het is daarom voor de
                  Afdeling de vraag of het inzetten van een dergelijk middel geschikt is om het
                  bedrijf heelhuids in rustiger vaarwater te brengen, en waarom niet, anders dan
                  bijvoorbeeld in de financiële sector, is gekozen voor een aantal qua zwaarte
                  oplopende, proportionele maatregelen.<noot id="n384" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Zie artikel 3:111a van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Op die manier zou escalatie kunnen worden voorkomen en blijft het bestuur
                  aan zet.</al>
              <al>Een tweede verschil is dat in de bestaande sectorwetgeving is geregeld dat in het
                  uiterste geval dat een bewindvoerder wordt aangesteld, de bestuurder of het
                  bestuur door de bewindvoerder kan worden vervangen.<noot id="n385" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Artikel 1:76aa van de Wet op het financieel toezicht.</noot.al></noot> Volgens het voorstel daarentegen wordt een bewindvoerder naast het bestuur
                  gezet en geeft de bewindvoerder aan het bestuur opdrachten, die in het
                  wetsvoorstel niet nader zijn geconcretiseerd. Daarmee is de bewindvoerder een
                  verlengde arm van de minister, maar niet bevoegd om binnen de onderneming
                  effectief besluiten te nemen. De vraag is of de bewindvoerder hierdoor niet in een
                  onmogelijke positie komt, te meer omdat de directe aanleiding voor de aanwijzing
                  is dat het bestuur van de rechtspersoon in de omstandigheden die zich voordoen
                  geen maatregelen wil of kan nemen.</al>
              <al>Het voorstel geeft de bewindvoerder feitelijk geen andere mogelijkheid dan
                  vernietiging vragen van rechtshandelingen die in strijd met zijn opdracht zijn
                  verricht. In een situatie waarin de verhoudingen al op scherp staan en handelen
                  geboden is, lijkt dat weinig effectief. Denkbaar is dat het beoogde resultaat
                  sneller of beter kan worden bereikt als besluiten van het bestuur of de
                  aandeelhouders voorafgaande goedkeuring behoeven of indien de bewindvoerder (een
                  deel van) de taken van het bestuur (tijdelijk) overneemt. Een voorbeeld biedt de
                  meer uitvoerige regeling ten aanzien van de curator en de bijzondere bewindvoerder
                  op grond van artikel 1:76 respectievelijk 1:76a en 1:76aa van de Wet op de het
                  financieel toezicht, en de in het wetsvoorstel opgenomen regeling bij ontduiking
                  of ondermijning (artikel 7.1.7).</al>
              <al>Een derde verschilpunt is dat, anders dan bij de bestaande sectorwetgeving, het
                  wetsvoorstel met name betrekking heeft op ondernemingen die gegrondvest zijn en
                  handelen op basis van overeenkomsten. Gebruikelijk bij de financiering van een
                  onderneming en in zakelijke contracten is dat bij veranderingen in de eigendom en
                  zeggenschap of het beëindigen van een dienstverband een ontbindende clausule in
                  werking treedt of rechten worden geactiveerd. De (enkele) aanwijzing van een
                  bewindvoerder kan er in deze gevallen toe leiden dat de financiering van een
                  onderneming in direct gevaar komt.</al>
              <al>Indien een onderneming onderdeel is van een concern kan een aanwijzing van de
                  bewindvoerder tot onzekerheid leiden in de verhoudingen van de dochter tot de
                  moedermaatschappij. Een afsplitsing van het concern zou ertoe kunnen leiden dat
                  het commerciële deel van een concern los komt te staan van de werkmaatschappij,
                  waardoor de onderneming economisch gezien niet meer levensvatbaar is.</al>
              <al>Ten slotte merkt de Afdeling op dat het in de gevallen waarop het wetsvoorstel
                  betrekking heeft niet primair gaat om een falende onderneming of om een conflict
                  binnen de onderneming zelf, maar in essentie om een conflict tussen staten.
                  Daarvoor bestaan geen gemakkelijke oplossingen. Met het ingrijpen in een
                  onderneming kunnen bovendien de belangen van nog weer andere landen gemoeid zijn
                  indien de onderneming internationaal gezien een sleutelpositie inneemt. Dit
                  spanningsveld maakt dat ingrijpen door de minister van Economische Zaken in de
                  bedrijfsvoering van ondernemingen met veel onzekerheden en gevoeligheden is
                  omgeven. In voorkomende gevallen zal in het belang van de internationale
                  betrekkingen afstemming met andere landen nodig zijn. In de toelichting wordt aan
                  dit aspect geen aandacht besteed.</al>
              <al>Samenvattend is het de vraag of een instrument dat in de bestaande
                  sectorwetgeving door toezichthouders alleen als uiterste middel wordt gebruikt om
                  de <nadruk type="cur">afwikkeling</nadruk> van zeer specifieke ondernemingen
                  gecontroleerd te laten verlopen, ook in de context van het onderhavige
                  wetsvoorstel een effectief middel is om het <nadruk type="cur">voortbestaan</nadruk> van ondernemingen die te maken hebben met internationale
                  sancties, te waarborgen. Uit het bovenstaande volgt dat dat, mede gelet op de
                  vormgeving van deze bevoegdheid, de (internationale) handelspraktijk, het bestaan
                  van concernverhoudingen en de mogelijkheid dat een aanwijzing internationale
                  repercussies heeft, moet worden betwijfeld.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">c.</nr>
                <titel>De betekenis van de enquêteprocedure</titel>
              </kop>
              <al>Afgezien van de vragen over de effectiviteit van de aanwijzingsbevoegdheid acht
                  de Afdeling het een gemis dat de toelichting geen aandacht besteedt aan de
                  mogelijkheid om door middel van een enquêteprocedure via door de Ondernemingskamer
                  te treffen onmiddellijke voorzieningen in (het beleid van) die rechtspersoon in te
                  grijpen.</al>
              <al>Het enquêterecht biedt aan bepaalde belanghebbenden bij een rechtspersoon, zoals
                  aandeelhouders, certificaathouders, vakbonden, bestuurders of commissarissen de
                  mogelijkheid om op bevel van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam
                  het beleid en de gang van zaken van die rechtspersoon te laten onderzoeken. Van
                  belang is dat ook de advocaat-generaal bij het ressortsparket een verzoek kan
                  indienen op grond van redenen van openbaar belang, indien de continuïteit van het
                  bedrijf en daarmede de werkgelegenheid in ernstig gevaar wordt gebracht.<noot id="n386" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>Artikel 345, lid 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot></al>
              <al>Van ‘redenen van openbaar belang’ kan ook sprake zijn wanneer de onderneming van
                  grote betekenis is voor de nationale economie of wanneer twijfels aan een juist
                  beleid bij een bepaalde onderneming het gehele bedrijfsleven of een bepaalde
                  sector daarvan in publiek diskrediet (dreigen) te brengen. Indien derhalve een
                  bestuur nalaat om maatregelen te treffen die niet alleen het bedrijf schaden, maar
                  ook de economie of de samenleving als geheel ernstig benadelen, kan een verzoek
                  van de advocaat-generaal bij het ressortsparket aan de Ondernemingskamer een
                  opening bieden.</al>
              <al>De Ondernemingskamer kan het verzoek alleen toewijzen wanneer blijkt van gegronde
                  redenen om aan een juist beleid te twijfelen (artikel 2:350, eerste lid, BW). De
                  verzoekers dienen voldoende aannemelijk te maken dat er gegronde redenen zijn om
                  het verzoek toe te wijzen. ‘Gegronde redenen’ is een open norm en heeft niet
                  alleen betrekking op een impasse in de besluitvorming in het bestuur of de
                  algemene vergadering, maar bijvoorbeeld ook op het niet nakomen van toezeggingen
                  van een bestuurder of aandeelhouder aan de regering om door middel van aanpassing
                  van de governance de nadelige gevolgen van een internationale sanctie te
                     ontgaan.<noot id="n387" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>Zie Hof Amsterdam, 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2742 (<nadruk type="cur">Nexperia</nadruk>).</noot.al></noot></al>
              <al>Een belangrijk element van de enquêteprocedure is dat beschikkingen waarin
                  (onmiddellijke) voorzieningen worden getroffen uitvoerbaar bij voorraad kunnen
                  worden verklaard. Dit betekent dat de Ondernemingskamer vanaf het eerste moment in
                  de procedure beslissingen kan nemen, die direct moeten worden uitgevoerd. De
                  onmiddellijke voorzieningen mogen geen definitief karakter hebben, zoals het
                  ontslag van een bestuurder, maar kunnen wel inbreuk maken op de geldende
                  rechtsverhoudingen, feitelijk onomkeerbare gevolgen hebben en afwijken van regels
                  van dwingend recht.<noot id="n388" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Zie onder meer HR 19 oktober 2001, <nadruk type="cur">JOR</nadruk>
                        2002/5, r.o. 3.6 (<nadruk type="cur">Skygate</nadruk>), m.nt. Van den Ingh
                        en HR 14 september 2007, <nadruk type="cur">JOR</nadruk> 2007/238, r.o. 4.2
                           (<nadruk type="cur">Versatel</nadruk>), m.nt. Bartman (<nadruk type="cur">JOR</nadruk> 2007/239).</noot.al></noot> Voorbeelden zijn schorsing van bestuurders of commissarissen, benoeming
                  van bestuurders of commissarissen, schorsing van het stemrecht op aandelen, en
                  verboden om besluiten of rechtshandelingen te verrichten.</al>
              <al>Een bijkomend voordeel van deze procedure is de snelheid waarmee enquêteverzoeken
                  (kunnen) worden behandeld. Volgens het daarvoor geldende procesreglement worden
                  spoedverzoeken die op maandag zijn ingediend zo mogelijk zelfs de eerstvolgende
                  donderdag mondeling behandeld, terwijl op zeer korte termijn na de mondelinge
                  behandeling onmiddellijke voorzieningen kunnen worden verkregen. Maar het kan nog
                  sneller. Een voorbeeld is de recente procedure inzake Nexperia. In deze zaak heeft
                  de Ondernemingskamer binnen vier uur nadat het verzoekschrift was ontvangen, gelet
                  op de spoedeisendheid en de bijzondere aard van het verzoek, onmiddellijk op een
                  deel van de verzochte voorzieningen beslist, dus voorafgaand aan de later die week
                  te houden mondelinge behandeling.<noot id="n389" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>Ondernemingskamer Hof Amsterdam, 1 oktober 2025,
                        ECLI:NL:GHAMS:2025:2738.</noot.al></noot></al>
              <al>Al met al biedt het enquêterecht veel mogelijkheden om bestuurders die het belang
                  van de onderneming veronachtzamen tot de orde te roepen. Dat geldt ook als het
                  algemeen belang in bredere zin in het geding is. Het is daarom van belang de
                  betekenis van deze procedure in de overwegingen te betrekken. In dat kader zou
                  eventueel kunnen worden overwogen de minister van Economische Zaken een directe
                  ingang tot deze procedure te geven.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">d.</nr>
                <titel>Overige opmerkingen</titel>
              </kop>
              <al>De Afdeling maakt tot slot nog opmerkingen over enkele overige aspecten van
                  aanwijzingsbevoegdheid.</al>
              <al>Allereerst merkt de Afdeling op dat het besluit tot aanwijzing van een
                  bewindvoerder wordt gepubliceerd in de Staatscourant. De vraag is of het belang
                  van de onderneming en het algemeen belang hiermee gediend zijn. Het feit dat een
                  aanwijzing wordt gegeven kan koersgevoelige informatie zijn of er toe leiden dat
                  leveranciers of ondernemers zich terugtrekken. De Wet op de het financieel
                  toezicht kent om deze reden de figuur van de stille bewindvoerder; de
                  Ondernemingskamer kan een verzoek achter gesloten deuren behandelen en iedereen
                  die op enig moment kennis kan krijgen van de procedure verbieden daarover
                  mededelingen te doen.<noot id="n390" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al>Uitgangspunt van de van de Wet op de het financieel toezicht is dat
                        het besluit tot benoeming in eerste instantie alleen aan de financiële
                        onderneming bekend wordt gemaakt. Volledige openbaarmaking vindt plaats,
                        nadat het besluit onherroepelijk is geworden. Hierop zijn enige
                        uitzonderingen, bijvoorbeeld indien openbaarmaking de stabiliteit van het
                        financiële stelsel in gevaar kan brengen.</noot.al></noot></al>
              <al>Een tweede opmerking betreft het voorstel dat een onderneming de minister van
                  Economische Zaken kan verzoeken om een bewindvoerder aan te wijzen indien de
                  onderneming dermate worstelt met de gevolgen van de sancties dat het de
                  bedrijfsvoering in gevaar brengt, zonder dat het algemeen belang in het geding is.
                  De Afdeling wijst erop dat wanneer het bestuur of de raad van commissarissen,
                  ondanks een impasse in de besluitvorming, bereid is om een aanwijzing te vragen,
                  vermoedelijk ook de weg naar de Ondernemingskamer open ligt. Het is de Afdeling
                  niet duidelijk is wat in deze situatie, waarbij het algemeen belang niet is
                  betrokken, de noodzaak en meerwaarde van een aanwijzing door de minister is.</al>
              <al>Ten slotte maakt de Afdeling een opmerking over de aanwijzing van een
                  bewindvoerder in de financiële sector. Ten aanzien van financiële ondernemingen en
                  trustkantoren voorziet het wetsvoorstel in afstemming tussen de minister van
                  Economische Zaken en de financieel toezichthouders voorafgaand en bij de
                  uitoefening van de aanwijzingsbevoegdheid. Ook is daarin geregeld dat de
                  aanwijzingsbevoegdheid niet afdoet aan de bevoegdheden van de financieel
                  toezichthouders. Hoewel daarmee een sluitend systeem lijkt te zijn verkregen, is
                  het de vraag of dit werkbaar is en hoe in de praktijk dat wat nu wordt voorgesteld
                  zich tot de bestaande bevoegdheden verhoudt. Vanwege de zeer uitvoerige regeling
                  van het financieel toezicht en het bij uitstek internationale karakter van de
                  financiële sector lijkt een aanwijzingsbevoegdheid van de minister van Economische
                  Zaken geen aantoonbare meerwaarde te hebben en is zij ook moeilijk inpasbaar.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">e.</nr>
                <titel>Conclusie</titel>
              </kop>
              <al>De Afdeling adviseert in het licht van hetgeen hiervoor onder punt b, c en d is
                  opgemerkt het wetsvoorstel nader te bezien. In het bijzonder adviseert de Afdeling
                  daarbij de mogelijkheden die het burgerlijk recht thans al biedt in het kader van
                  de enquêteprocedure (zie punt c) te betrekken en het wetsvoorstel aan te
                  passen.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">4.</nr>
              <titel>Gegevensverstrekking en -verwerking</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">a.</nr>
                <titel>Generieke grondslag gegevensverstrekking</titel>
              </kop>
              <al>Het wetsvoorstel bevat diverse grondslagen voor de verwerking en verstrekking van
                  gegevens door instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het toezicht op
                  de naleving van internationale sanctiemaatregelen. De artikelen 8.2.1 tot en met
                  8.2.4 bevatten in dat verband specifieke grondslagen. Artikel 8.2.5 bevat
                  daarnaast een generieke grondslag voor het uitwisselen van gegevens tussen niet
                  nader gespecificeerde bestuursorganen, toezichthouders en andere personen of
                  entiteiten die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van
                  sanctiemaatregelen, onderling en in internationaal verband.</al>
              <al>Deze generieke bevoegdheid geldt als er geen toereikende grondslagen zijn
                  opgenomen in Europese sanctieverordeningen en ook de meer specifieke grondslagen
                  in de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 niet van toepassing zijn. De generieke
                  bevoegdheid geldt dan voor de toezichthouders en autoriteiten die op dat moment
                  een rol hebben binnen het regime van de sanctiemaatregelen.<noot id="n391" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel
                        8.2.5.</noot.al></noot> Het tweede lid van artikel 8.2.5 bevat enkele begrenzingen en formuleert
                  situaties waarin niet tot gegevensverstrekking wordt overgegaan.</al>
              <al>De Afdeling begrijpt de behoefte aan een dergelijke generieke grondslag; op
                  voorhand staat immers niet vast wat toekomstige internationale sanctiemaatregelen
                  precies zullen inhouden, terwijl deze maatregelen als ze eenmaal zijn aangenomen,
                  doorgaans op zeer korte termijn geïmplementeerd moeten worden in de nationale
                  rechtsorde. Zij merkt evenwel op dat toezichthouders en autoriteiten bij de
                  verstrekking van persoonsgegevens inbreuk kunnen maken op het recht op
                  eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Mede gelet op de eisen die artikel
                  10 van de Grondwet in dat verband stelt mag daarom worden verwacht dat, in lijn
                  met de grondslagen die artikel 8.2.1 tot en met 8.2.4 van het wetsvoorstel reeds
                  biedt, zo spoedig mogelijk een specifieke grondslag wordt gecreëerd zodat de
                  betreffende bevoegdheid tot gegevensverstrekking uiteindelijk op het niveau van de
                  formele wet wordt geregeld.</al>
              <al>De Afdeling adviseert in het voorliggende wetsvoorstel vast te leggen dat in een
                  geval waarin gebruik wordt gemaakt van de generieke grondslag van artikel 8.2.5
                  alsnog zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel wordt ingediend waarin de grondslag
                  voor de verstrekking van gegevens ter uitvoering van sanctiemaatregelen wordt
                  gespecificeerd.</al>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">b.</nr>
                <titel>Nadere regels over gegevensverwerking</titel>
              </kop>
              <al>Op grond van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel kunnen bij amvb of ministeriële
                  regeling regels worden gesteld ter uitvoering van de betreffende internationale
                  sanctiemaatregelen. De artikelen 8.3.1 en 8.3.2 bevatten grondslagen voor het
                  stellen van nadere regels over gegevensverwerking, zodat in een sanctiebesluit of
                  sanctieregeling concrete gegevensverstrekkingen door nog aan te wijzen
                  bestuursorganen en toezichthouders beschreven kunnen worden.</al>
              <al>De Afdeling merkt op dat deze grondslagen de wezenlijke elementen en begrenzingen
                  van de regeling omtrent gegevensverwerking geheel overlaten aan een amvb of
                  ministeriële regeling, terwijl ook de aan te wijzen bestuursorganen en
                  toezichthouders inbreuk kunnen maken op het recht op eerbiediging van de
                  persoonlijke levenssfeer. In het licht daarvan rijst de vraag of het wetsvoorstel
                  gelet op de eisen die artikel 10 van de Grondwet stelt een adequate wettelijke
                  grondslag biedt voor de beoogde verwerking en verstrekking van gegevens.<noot id="n392" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Zie ook het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens over het
                        concept-wetsvoorstel, 20 mei 2025, paragraaf 1.1.</noot.al></noot> Waar het gaat om nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen van
                  volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken, kan het daarbij ook
                  gaan om bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van
                  strafrechtelijke aard, zo blijkt uit artikel 8.3.2, eerste lid.</al>
              <al>Volgens de regering zal de inhoud van de te stellen regels telkens afhankelijk
                  zijn van de regels die als zijn opgenomen in het verdrag of bindende besluit. Het
                  nader specificeren van de onderwerpen vergt dan ook maatwerk dat niet op
                  wetsniveau kan worden geboden, zo stelt de toelichting.<noot id="n393" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.3.1
                        en artikel 8.3.2.</noot.al></noot> De Afdeling begrijpt de behoefte aan maatwerk in een lagere regeling mede
                  met het oog op de snelheid die doorgaans geboden is, maar merkt op dat de
                  wezenlijke elementen van de regeling uiteindelijk op het niveau van de formele wet
                  moeten worden vastgelegd.</al>
              <al>De Afdeling adviseert daarom in het voorliggende wetsvoorstel vast te leggen dat
                  in een concreet geval als hiervoor bedoeld alsnog zo spoedig mogelijk een
                  wetsvoorstel wordt ingediend om de grondslag voor de verwerking van gegevens ter
                  uitvoering van sanctiemaatregelen te specificeren.</al>
            </divisie>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">5.</nr>
              <titel>Aanwijzen van bestuursorganen met handhavende bevoegdheden</titel>
            </kop>
            <al>Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in Nederland een economisch delict in de
               zin van de Wet op de economische delicten. Op grond van de huidige Sanctiewet 1977
               worden na de totstandkoming van internationale sanctiemaatregelen de noodzakelijke
               uitvoeringsmaatregelen doorgaans getroffen in een ministeriële regeling.<noot id="n394" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Zie ook de memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting bij
                     artikel 2.2.1.</noot.al></noot> In deze ministeriële regeling wordt dan neergelegd dat het verboden is te
               handelen in strijd met de relevante internationale sanctiemaatregelen. Overtreding
               van deze verboden is strafbaar op grond van artikel 1, onder 1°, van de Wet op de
               economische delicten. Met dit wetsvoorstel wordt deze systematiek van
               strafbaarstelling voortgezet. Dit betekent dat de strafrechtelijke weg open blijft
               staan voor overtredingen van sanctiemaatregelen.</al>
            <al>In het wetsvoorstel wordt daarnaast de mogelijkheid geïntroduceerd om, in aanvulling
               op de mogelijkheden die het strafrecht biedt, bestuursrechtelijk handhavend op te
               kunnen treden tegen overtredingen van sanctiemaatregelen.<noot id="n395" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Paragraaf 7.1.2 van het wetsvoorstel.</noot.al></noot> Voorschriften over sancties van bestuursrechtelijke aard worden zoveel
               mogelijk op het niveau van de formele wet geregeld, zo stelt de toelichting.<noot id="n396" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting bij artikel
                     7.1.2.</noot.al></noot> Dat geldt ook voor de aanwijzing van bestuursorganen die handhavend kunnen
               optreden tegen het overtreden van sanctiemaatregelen die zien op de sectoren of
               handelingen, bedoeld in artikel 7.1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d. Voor
               deze aldaar specifieke genoemde bestuursorganen wordt bij lagere regelgeving alleen
               nog bepaald dat zij bij overtreding van sanctiemaatregelen bestuursrechtelijk mogen
               handhaven.</al>
            <al>Artikel 7.1.2, tweede lid, geeft echter een grondslag om bij amvb of ministeriële
               regeling ook andere bestuursorganen aan te wijzen die zullen beschikken over een
               bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium. De regering acht deze grondslag nodig
               omdat op voorhand niet te voorzien is welke sanctiemaatregelen in de toekomst worden
               getroffen en welke bestuursorganen het best geëquipeerd zijn om daaraan uitvoering te
                  geven.<noot id="n397" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, artikelsgewijs deel, toelichting bij artikel
                     7.1.2. Zie ook de reactie op het advies van de Raad voor de Rechtspraak:
                     memorie van toelichting, paragraaf 9.3.2 ‘Raad voor de Rechtspraak’.</noot.al></noot></al>
            <al>De Afdeling begrijpt de behoefte aan snelheid en tevens flexibiliteit met het oog op
               de toekomst. Zij constateert evenwel dat aangewezen bestuursorganen over forse
               handhavende bevoegdheden zullen beschikken, namelijk het opleggen van een last onder
               bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete.<noot id="n398" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>Zie daarvoor de voorgestelde artikelen 7.1.3, 7.1.4 en 7.1.5.</noot.al></noot> Gelet daarop en met het oog op het primaat van de wetgever acht de Afdeling
               het wenselijk dat na aanwijzing van bestuursorganen bij amvb of ministeriële regeling
               onverwijld een wetsvoorstel wordt ingediend om de bevoegde bestuursorganen alsnog in
               de wet vast te leggen.</al>
            <al>De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in deze zin aan te passen.</al>
          </divisie>
          <divisie opmaak="default">
            <kop>
              <nr status="officieel">6.</nr>
              <titel>Consequenties voor rechtsbescherming tegen intrekking van een
                  verblijfsvergunning</titel>
            </kop>
            <al>Het wetsvoorstel neemt bepaalde onderdelen uit de huidige Sanctiewet 1977 niet over,
               omdat deze volgens de regering aan betekenis hebben ingeboet als gevolg van een
               eerdere wijziging van die wet in 2000.<noot id="n399" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Wet van 13 april 2000 tot wijziging van de Sanctiewet 1977 en van de In-
                     en uitvoerwet tot vereenvoudiging van de implementatie van internationale
                     verplichtingen (<extref doc="stb-2000-196" soort="document" status="actief">Stb. 2000, nr. 196</extref>). Zie voor een toelichting op de betreffende
                     wijziging van artikel 3: Kamerstukken II 1999/2000, <extref doc="kst-26872-3" soort="document" status="actief">26 872, nr. 3</extref>, p. 2.</noot.al></noot> Dat geldt onder meer voor artikel 4 van de Sanctiewet 1977, zo stelt de
                  toelichting.<noot id="n400" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Memorie van toelichting, paragraaf 3.1 ‘Modernisering van de grondslagen
                     om regels te stellen ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen’,
                     onder het kopje ‘Onderdelen die niet zijn overgenomen uit de Sanctiewet
                     1977’.</noot.al></noot> Dat artikel bepaalt dat regels ter uitvoering van internationale
               sanctiemaatregelen ook kunnen betekenen dat de toegang en het verblijf van in
               sanctiemaatregelen aangeduide vreemdelingen wordt geweigerd en dat
               verblijfsvergunningen van deze vreemdelingen worden ingetrokken. Volgens de regering
               heeft ook deze bepaling als gevolg de hiervoor genoemde wijziging van de Sanctiewet
               1977 geen betekenis meer.<noot id="n401" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>Idem.</noot.al></noot></al>
            <al>De vraag is echter welke consequenties dit voorstel heeft, omdat daarmee ook de
               laatste zin van artikel 4 van de Sanctiewet 1977 wordt geschrapt. Die bepaalt nu dat
               ‘[e]en intrekking op grond van dit artikel geldt als een intrekking op grond van
               artikel 19 respectievelijk artikel 22 van de Vreemdelingenwet 2000’. Als gevolg
               hiervan wordt zeker gesteld dat rechtsbescherming open staat op grond van hoofdstuk 7
               van de Vreemdelingenwet 2000.<noot id="n402" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1975/76, <extref doc="kst-14006-3" soort="document" status="actief">14 006, nr. 3</extref>, p. 8.</noot.al></noot> De vraag is welke betekenis het niet overnemen van deze zinsnede in het
               wetsvoorstel heeft voor de rechtsbescherming van betrokkenen. In de toelichting wordt
               aan dit aspect geen aandacht besteed.</al>
            <al>In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling in de toelichting op het
               voorgaande in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen.</al>
          </divisie>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
               voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
               Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C. de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Regels over de uitvoering van
            internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van
               Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al>Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
                  weten:</considerans.al>
              <considerans.al>Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter versterking van de
                  uitvoering van internationale sanctiemaatregelen wenselijk is om de bepalingen
                  over dit onderwerp te vernieuwen en uit te breiden;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met
                  gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
                  goedvinden en verstaan bij deze:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">1.</nr>
                <titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">1.1</nr>
                  <titel>Begripsbepalingen</titel>
                </kop>
                <al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</al>
                <definitielijst plaatsing="inline" type="ongemarkeerd" nr-sluiting=".">
                  <definitie-item>
                    <term>internationale sanctiemaatregelen:</term>
                    <definitie>
                      <al>beperkende maatregelen en maatregelen ten behoeve van de uitvoering
                              daarvan, voortvloeiend uit een verdrag, een bindend besluit van een
                              volkenrechtelijke organisatie, een aanbeveling van een
                              volkenrechtelijke organisatie of een internationale afspraak, met
                              betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale
                              vrede en veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde
                              of de bestrijding van terrorisme;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>onderneming:</term>
                    <definitie>
                      <al>onderneming als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van het Verdrag
                              betreffende de werking van de Europese Unie;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>Onze Minister:</term>
                    <definitie>
                      <al>Onze Minister van Buitenlandse Zaken;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>sanctiebesluit:</term>
                    <definitie>
                      <al>algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste
                              lid, of artikel 2.2.1;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>sanctiemaatregelen:</term>
                    <definitie>
                      <al>internationale sanctiemaatregelen en krachtens hoofdstuk 2 gestelde
                              regels;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>sanctieregeling:</term>
                    <definitie>
                      <al>ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid.</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                </definitielijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">1.2</nr>
                  <titel>Openbare lichamen</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 4 en paragraaf 7.2 en met
                     inachtneming van de bij of krachtens hoofdstuk 9 gestelde regels, is mede van
                     toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.</al>
              </artikel>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">2.</nr>
                <titel>UITVOERING VAN INTERNATIONALE SANCTIEMAATREGELEN</titel>
              </kop>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">2.1</nr>
                  <titel>Uitvoering van verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
                        organisaties</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">2.1.1</nr>
                    <titel>Uitvoeringsregels</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit
                           verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties,
                           kunnen regels worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur of bij
                           regeling van Onze Minister.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Het stellen van regels bij regeling van Onze Minister geschiedt in
                           overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat en kan alleen
                           als:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>spoed dit vereist; of</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de internationale sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor
                                 beleidsinhoudelijke keuzes.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">2.2</nr>
                  <titel>Uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en
                        internationale afspraken</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">2.2.1</nr>
                    <titel>Uitvoeringsregels</titel>
                  </kop>
                  <al>Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit
                        aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
                        afspraken, kunnen regels worden gesteld bij algemene maatregel van
                        bestuur.</al>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">2.2.2</nr>
                    <titel>Parlementaire betrokkenheid</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Een krachtens artikel 2.2.1 vastgestelde algemene maatregel van bestuur
                           wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen vier
                           weken na de overlegging kan door of namens een van de Kamers of door ten
                           minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de
                           Kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de algemene
                           maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een
                           daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Als het voorstel van wet wordt ingetrokken of een van de Kamers der
                           Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene
                           maatregel van bestuur ingetrokken.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                    <al>Als het voorstel van wet wordt aangenomen en in werking treedt, vervalt
                           de algemene maatregel van bestuur.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">2.2.3</nr>
                    <titel>Werkingsduur algemene maatregel van bestuur</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.2.1, vervalt op
                           een door Onze Minister te bepalen tijdstip dat niet later valt dan drie
                           jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit, tenzij voor
                           die vervaldatum bij algemene maatregel van bestuur de geldingsduur wordt
                           verlengd.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Op een verlenging van de geldingsduur is artikel 2.2.2 van
                           overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">3.</nr>
                <titel>MELDINGSPLICHTEN</titel>
              </kop>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">3.1</nr>
                  <titel>Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.1.1</nr>
                    <titel>Aanwijzing bestuursorgaan inzake meldingsplichten</titel>
                  </kop>
                  <al>Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan een bestuursorgaan worden
                        aangewezen dat beschikt over de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel
                        3.1.2.</al>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.1.2</nr>
                    <titel>Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten</titel>
                  </kop>
                  <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, heeft voor meldingsplichten
                        die voortvloeien uit sanctiemaatregelen de volgende taken en
                        bevoegdheden:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>meldingen in ontvangst te nemen en de melder te berichten over de
                              ontvangst van de melding;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>meldingen en gemelde gegevens zo nodig te controleren op juistheid
                              bij de melder of aan de hand van andere beschikbare gegevens;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens
                              die het verkrijgt naar aanleiding van de meldingen om te bezien of
                              deze gegevens van belang kunnen zijn voor de uitvoering en
                              ontwikkeling van sanctiemaatregelen;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>het geven van voorlichting over de invulling van
                              meldingsplichten;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>e.</li.nr>
                      <al>het beheren van een actueel overzicht van de ontvangen meldingen en
                              een overzicht van bevroren tegoeden en economische middelen.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </artikel>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">3.2</nr>
                  <titel>Meldingsplicht</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.2.1</nr>
                    <titel>Meldingsplicht</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Als op grond van een sanctiemaatregel een meldingsplicht is opgelegd,
                           verstrekt degene, op wie die meldingsplicht van toepassing is, ter
                           uitvoering daarvan onverwijld alle benodigde gegevens aan het
                           bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, overeenkomstig hetgeen daarover
                           in de sanctiemaatregel is bepaald, tenzij bij sanctiebesluit of
                           sanctieregeling anders is bepaald.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Onverminderd hetgeen daarover in een sanctiemaatregel is bepaald kunnen
                           bij sanctiebesluit of sanctieregeling regels worden gesteld over de wijze
                           waarop de melding geschiedt en de gegevens en bescheiden die, door degene
                           op wie de meldingsplicht van toepassing is, worden verstrekt.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.2.2</nr>
                    <titel>Doorbreking geheimhouding in verband met de meldingsplicht</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Ten behoeve van de naleving van de artikelen 3.2.1 en 3.3.2, en voor
                           zover dat in een verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke
                           organisatie is bepaald, zijn de instellingen, bedoeld in artikel 10,
                           tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977, niet gehouden aan de
                           geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 11a van de Advocatenwet, en zijn
                           de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel p, van de
                           Sanctiewet 1977, niet gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in
                           artikel 22 van de Wet op het notarisambt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de instelling voor een
                           cliënt werkzaamheden verricht betreffende de bepaling van diens
                           rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het
                           geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van
                           advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.</al>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">3.3</nr>
                  <titel>Gegevensverwerking inzake meldingen</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.3.1</nr>
                    <titel>Verwerking van gegevens</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, verwerkt gegevens voor de
                           taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.1.2.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen regels worden gesteld over
                           de wijze waarop de verwerking van de gegevens plaatsvindt en over de
                           bewaartermijnen van de gegevens verkregen op grond van de meldingsplicht,
                           bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">3.3.2</nr>
                    <titel>Verstrekking van gegevens</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan voor de uitvoering van
                           zijn taak, bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel c, gegevens opvragen
                           bij:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>degene die de melding heeft gedaan;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                 Sanctiewet 1977 die naar het oordeel van het bestuursorgaan,
                                 bedoeld in artikel 3.1.1, beschikt over gegevens die relevant zijn
                                 voor het analyseren van de gegevens die het verkrijgt naar
                                 aanleiding van een melding.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Degene aan wie gegevens zijn gevraagd, verstrekt deze onverwijld en in
                           schriftelijke vorm en in spoedeisende gevallen mondeling, aan het
                           bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, waarbij de mondeling verstrekte
                           gegevens zo spoedig mogelijk schriftelijk worden bevestigd.</al>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">4.</nr>
                <titel>BEPALINGEN BETREFFENDE DE BEDRIJFSPROCESSEN VAN INSTELLINGEN EN HET MELDEN
                     DOOR INSTELLINGEN</titel>
              </kop>
              <structuurtekst>
                <al>[Gereserveerd]</al>
              </structuurtekst>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">5.</nr>
                <titel>BEPALINGEN OVER DE CONTINUÏTEIT EN AFWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.1</nr>
                  <titel>Begripsbepalingen</titel>
                </kop>
                <al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al>
                <definitielijst plaatsing="inline" type="ongemarkeerd" nr-sluiting=".">
                  <definitie-item>
                    <term>aanbieders van cryptoactiva:</term>
                    <definitie>
                      <al>aanbieders van cryptoactiva en personen die verzoeken om toelating
                              tot de handel in cryptoactiva in de zin van titels II, III en IV van
                              de verordening cryptoactiva;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>aanbieders van cryptoactivadiensten:</term>
                    <definitie>
                      <al>aanbieders van cryptoactivadiensten in de zin van titel V van de
                              verordening cryptoactiva;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>opdracht:</term>
                    <definitie>
                      <al>verplichting tot het verrichten of zich onthouden van feitelijke
                              handelingen of rechtshandelingen;</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verordening bankentoezicht:</term>
                    <definitie>
                      <al>verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013
                              waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden
                              opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op
                              kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287);</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verordening cryptoactiva:</term>
                    <definitie>
                      <al>verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van
                              31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van
                              Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen
                              2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PbEU 2023, L 150);</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme:</term>
                    <definitie>
                      <al>verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad
                              van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een
                              eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en
                              bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een
                              gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk
                              bankenafwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU)
                              nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2014,
                              L 225);</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                  <definitie-item>
                    <term>verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen:</term>
                    <definitie>
                      <al>
                        <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:31923R2021" soort="URL" status="actief">verordening (EU) 2021/23</extref> van het
                              Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een
                              kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en
                              tot wijziging van de <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32010R1095" soort="URL" status="actief">Verordeningen (EU)
                              nr. 1095/2010</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32012R0648" soort="URL" status="actief">nr. 648/2012</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014R0600" soort="URL" status="actief">nr. 600/2014</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014R0806" soort="URL" status="actief">nr. 806/2014</extref> en <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32365R2015" soort="URL" status="actief">2015/2365</extref>, en de <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32002L0047" soort="URL" status="actief">Richtlijnen 2002/47/EG</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32004L0025" soort="URL" status="actief">2004/25/EG</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32007L0036" soort="URL" status="actief">2007/36/EG</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32014L0059" soort="URL" status="actief">2014/59</extref>/EU en (EU) <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32017L1132" soort="URL" status="actief">2017/1132</extref> (PbEU 2021,
                              L 22).</al>
                    </definitie>
                  </definitie-item>
                </definitielijst>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.2</nr>
                  <titel>Uitoefening taken en bevoegdheden</titel>
                </kop>
                <al>Onze Minister van Economische Zaken oefent de aan hem toekomende taken en
                     bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming met Onze
                     Ministers die het mede aangaat, met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in
                     artikel 5.4, vierde lid.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.3</nr>
                  <titel>Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken kan een of meer personen aanwijzen die
                        opdrachten kunnen verstrekken aan een in Nederland gevestigde onderneming,
                        als naar het oordeel van Onze Minister van Economische Zaken de toepassing
                        van een verplichting op die onderneming op grond van een sanctiemaatregel
                        nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of continuïteit van de
                        onderneming met zich brengt en daarmee ernstige maatschappelijke,
                        economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving kan
                        veroorzaken. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken wijst personen aan met kennis en
                        ervaring op het gebied van het beheren, herstructureren of afwikkelen van
                        ondernemingen. Onze Minister van Economische Zaken kan een aangewezen
                        persoon vervangen door een andere persoon.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>De opdrachten strekken ertoe om de medewerking van de onderneming aan de
                        effectiviteit van de verplichting en naleving door de onderneming van de
                        voorschriften bij of krachtens deze wet te verzekeren en het beperken van de
                        mogelijke effecten, bedoeld in het eerste lid, onder het gelijktijdig
                        streven naar de financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming of
                        de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de onderneming.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken trekt de aanwijzing in zodra deze niet
                        meer nodig is, maar in ieder geval niet later dan het moment waarop de
                        verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet meer van toepassing is op de
                        onderneming.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling gedaan
                        door plaatsing in de Staatscourant.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die als advocaat,
                        notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden
                        verrichten.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.4</nr>
                  <titel>Regels over opdrachten van de bewindvoerder</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Alle bestuurders, commissarissen, personen die feitelijk leidinggeven en
                        andere werknemers binnen de onderneming, verstrekken de aangewezen persoon
                        op diens verzoek alle informatie die benodigd is in verband met het doel,
                        bedoeld in artikel 5.3, derde lid, volgen de opdrachten verstrekt door de
                        aangewezen persoon op en verlenen de aangewezen persoon alle medewerking.
                        Degene die op grond van de vorige zin verplicht is tot medewerking,
                        informatieverstrekking of het opvolgen van een opdracht, is niet
                        aansprakelijk voor schade ten gevolge van het nakomen van die
                        verplichting.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Het opvolgen van de opdrachten verstrekt door de aangewezen persoon heeft
                        geen instemming nodig van de algemene vergadering of een vergadering van
                        houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. Voor zover en
                        voor zolang de volgende afwijkingen nodig zijn en zonder afbreuk te doen aan
                        het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders, zijn niet van de
                        toepassing de artikelen 96, 96a, 98c, vijfde lid, 99, 100, eerste lid, 107a
                        en 108a, titel 5, afdeling 3, en artikel 231, tweede tot en met vierde lid,
                        van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 5:25ka van de Wet op het
                        financieel toezicht, eventuele statutaire bepalingen of tussen de
                        rechtspersoon en haar aandeelhouders dan wel tussen twee of meer
                        aandeelhouders onderling overeengekomen regelingen over de besluitvorming
                        door de algemene vergadering of een vergadering van houders van aandelen van
                        een bepaalde soort of aanduiding.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezen persoon
                        zijn vernietigbaar. De vernietigingsgrond kan alleen worden ingeroepen door
                        de aangewezen persoon of Onze Minister van Economische Zaken.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratief beroep
                        worden ingesteld bij Onze Minister van Economische Zaken.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Onverminderd de aansprakelijkheid van de Staat, is een aangewezen persoon
                        niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hem verstrekte
                        opdrachten.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.5</nr>
                  <titel>Verzoek tot aanwijzing van een bewindvoerder</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Het bestuur of de raad van commissarissen van een in Nederland gevestigde
                        onderneming op wie een verplichting van toepassing is op grond van een
                        sanctiemaatregel, kan Onze Minister van Economische Zaken verzoeken om een
                        of meer personen aan te wijzen als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, als
                        de financiële stabiliteit of de continuïteit van de onderneming in het
                        geding is door de gevolgen veroorzaakt door de toepassing van de
                        verplichting.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Een verzoek wordt onderbouwd aan de hand van:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>een toelichting op welke verplichting van toepassing is op de
                              onderneming;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>een uitleg, met inbegrip van relevante financiële en
                              bedrijfsgegevens, van de gevolgen van de verplichting voor de
                              financiële stabiliteit of de continuïteit van de onderneming; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een weergave van de inspanningen die de onderneming heeft verricht om
                              de negatieve gevolgen van de verplichting te mitigeren, met inbegrip
                              van maatregelen om de zeggenschap of eigendomsverhoudingen te
                              verbreken met een of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of
                              entiteiten die onderhevig zijn aan sanctiemaatregelen.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken wijst het verzoek in ieder geval af
                        als:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>de onderneming zich niet, onvoldoende of onvoldoende aantoonbaar
                              heeft ingespannen om haar bedrijfsvoering, eigendoms- en
                              zeggenschapsverhoudingen of strategie zodanig in te richten of aan te
                              passen dat de risico’s voor de financiële stabiliteit en de
                              continuïteit van de onderneming voldoende worden gemitigeerd, terwijl
                              niet wordt afgedaan aan de effectieve naleving van de relevante
                              verplichting als gevolg van een sanctiemaatregel;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>de financiële stabiliteit of de continuïteit van de onderneming niet
                              in het geding zijn door de gevolgen veroorzaakt door de toepassing van
                              de verplichting;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>het positief besluiten op het verzoek de volledige en juiste naleving
                              van de verplichting kan aantasten; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>het verzoek onvoldoende is onderbouwd.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken kan positief op een verzoek besluiten
                        als dat besluit de negatieve gevolgen van de verplichting voor de financiële
                        stabiliteit of continuïteit voor de verzoekende onderneming kan beperken of
                        voorkomen, terwijl door dat besluit niet wordt afgedaan aan de effectieve
                        naleving van de relevante verplichting als gevolg van een
                        sanctiemaatregel.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.6</nr>
                  <titel>Aanwijzing bewindvoerder op verzoek</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Nadat een positief besluit als bedoeld in artikel 5.5, vierde lid,
                        onherroepelijk is geworden, wijst Onze Minister van Economische Zaken een of
                        meer personen aan die opdrachten kunnen verstrekken aan de onderneming. Aan
                        de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Artikel 5.3, tweede tot en met vijfde lid, en 5.4, zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken brengt de kosten die samenhangen met de
                        toepassing van dit artikel ten laste van de betrokken onderneming, waarbij
                        de hoogte van het bedrag per geval wordt vastgesteld en is gebaseerd op de
                        daadwerkelijk gemaakte kosten door de aangewezen persoon.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.7</nr>
                  <titel>Aanwijzing bewindvoerder in de financiële sector</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Ten aanzien van financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het
                        financieel toezicht, trustkantoren in de zin van de Wet toezicht
                        trustkantoren 2018, accountantsorganisaties in de zin van de Wet toezicht
                        accountantsorganisaties, pensioenuitvoerders en pensioenfondsen in de zin
                        van de Pensioenwet, pensioenuitvoerders en beroepspensioenfondsen in de zin
                        van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, financiële ondernemingen in
                        de zin van de Wet financiële markten BES en aanbieders van cryptoactiva en
                        aanbieders van cryptoactivadiensten, oefent Onze Minister van Economische
                        Zaken de bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uit in overeenstemming met
                        de Nederlandsche Bank N.V. of de Autoriteit Financiële Markten ieder voor
                        zover belast met de uitoefening van taken ingevolge die wetten en
                        verordening, of de Europese Centrale Bank, als deze bevoegd is toezicht uit
                        te oefenen op die onderneming op grond van de artikelen 4 en 6 van de
                        verordening bankentoezicht.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken oefent de bevoegdheden op grond van dit
                        hoofdstuk niet uit op een onderneming ten aanzien waarvan een besluit tot
                        afwikkeling is genomen op grond van de verordening gemeenschappelijk
                        afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en afwikkeling centrale
                        tegenpartijen of de Wet op het financieel toezicht.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>De uitoefening van enige bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk laat
                        onverlet de uitoefening van enige bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van
                        besluiten en maatregelen op grond van de andere hoofdstukken van deze wet,
                        de Sanctiewet 1977, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
                        terrorisme, afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de
                        verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel
                        en afwikkeling centrale tegenpartijen, de verordening bankentoezicht, de
                        verordening cryptoactiva of de wetten, genoemd in het eerste lid.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Economische Zaken trekt een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in dit hoofdstuk in, als ten aanzien van de onderneming:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>een curator als bedoeld in artikel 1:76 van de Wet op het financieel
                              toezicht of een bijzondere bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76a
                              van die wet, een curator als bedoeld in artikel 54 van de Wet toezicht
                              trustkantoren 2018, een curator als bedoeld in artikel 172 van de
                              Pensioenwet of een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van die
                              wet,</al>
                      <al>een curator als bedoeld in artikel 167 van de Wet verplichte
                              beroepspensioenregeling of een bewindvoerder als bedoeld in artikel
                              168 van die wet, of een curator als bedoeld in artikel 7.14 van de Wet
                              financiële markten BES wordt aangesteld, tenzij het bestuursorgaan dat
                              deze maatregel neemt of op wiens verzoek die maatregel wordt genomen
                              instemt met de handhaving van de aanwijzing;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>de voortdurende aanwezigheid van de Nederlandsche Bank N.V. wordt
                              ingesteld, bedoeld in artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel o, van de
                              Wet op het financieel toezicht, tenzij de Nederlandsche Bank N.V.
                              instemt met de handhaving van de aanwijzing; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van de verordening
                              gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en
                              afwikkeling centrale tegenpartijen of de Wet op het financieel
                              toezicht, tenzij de Nederlandsche Bank N.V. instemt met de handhaving
                              van de aanwijzing.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">5.8</nr>
                  <titel>Gegevensbescherming bij bewindvoering in de financiële sector</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 5.7,
                        verstrekt eigener beweging of desgevraagd aan Onze Minister van Economische
                        Zaken onverwijld alle voor de uitoefening van diens taak benodigde
                        gegevens.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Een persoon die wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 5.7,
                        verstrekt eigener beweging of desgevraagd aan de Autoriteit Financiële
                        Markten en de Nederlandsche Bank N.V. onverwijld alle gegevens die nodig
                        zijn voor de vervulling van hun taken op grond van de wetten en
                        verordeningen, genoemd in artikel 5.7, derde lid, en aan de Nederlandsche
                        Bank N.V. alle gegevens die nodig zijn voor de vervulling van de taken op
                        grond van die verordeningen van de bestuursorganen, genoemd in artikel 1:90,
                        zevende en achtste lid, van de Wet op het financieel toezicht.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Op het gebruik van vertrouwelijke gegevens die worden ontvangen of
                        verstrekt door een persoon die is aangewezen in overeenstemming met artikel
                        5.7, bij de vervulling van zijn krachtens dit hoofdstuk opgedragen taken of
                        die op grond van het eerste of tweede lid worden verstrekt, zijn de volgende
                        bepalingen van overeenkomstige toepassing als de aanwijzing is gegeven ten
                        aanzien van een onderneming in de daarbij vermelde categorieën:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>financiële ondernemingen in de zin van de Wet op het financieel
                              toezicht, afdeling 1.5.1 van die wet;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>trustkantoren in de zin van de Wet toezicht trustkantoren 2018,
                              paragraaf 7.1 van die wet;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>accountantsorganisaties in de zin van de Wet toezicht
                              accountantsorganisaties, de hoofdstukken 5a, 5b en 5c van die
                              wet;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>d.</li.nr>
                      <al>pensioenuitvoerders en pensioenfondsen in de zin van de Pensioenwet,
                              de artikelen 204 tot en met 208b van die wet;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>e.</li.nr>
                      <al>pensioenuitvoerders en beroepspensioenfondsen in de zin van de Wet
                              verplichte beroepspensioenregeling, de artikelen 198 tot en met 202b
                              van die wet; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>f.</li.nr>
                      <al>financiële ondernemingen in de zin van de Wet financiële markten BES,
                              hoofdstuk 1, paragraaf 4, van die wet; en</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>g.</li.nr>
                      <al>aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van cryptoactivadiensten in
                              de zin van de verordening cryptoactiva, artikel 100, tweede lid, van
                              die verordening.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
              </artikel>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">6.</nr>
                <titel>BEPALINGEN OVER HET BEHEER VAN REGISTERGOEDEREN</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">6.1</nr>
                  <titel>Beheerovername registergoederen</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Als een registergoed is bevroren op grond van een sanctiemaatregel kan Onze
                        Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft
                        onroerende zaken of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor wat
                        betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, de eigenaar of degene die om een
                        andere reden bevoegd is tot het in beheer of gebruik geven van het
                        registergoed, mededelen dat het registergoed in beheer wordt gegeven
                        aan:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>hem;</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>een persoon die op grond van beroep of bedrijf op het terrein van het
                              registergoed werkzaam is; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>c.</li.nr>
                      <al>een op het terrein van het registergoed werkzame instelling.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister
                        van Infrastructuur en Waterstaat kan alleen een bevroren registergoed in
                        beheer of gebruik geven als:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>er sprake is van risico’s op maatschappelijke schade met betrekking
                              tot dat registergoed, met inbegrip van schade aan de fysieke
                              leefomgeving; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van het
                              gehuurde op grond van een sanctiemaatregel.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Het beheer wordt overgenomen om de risico’s te beperken, of de schade te
                        voorkomen, te beperken of te herstellen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                  <al>Onder beheer wordt in dit hoofdstuk verstaan het verrichten van alle
                        handelingen met betrekking tot een registergoed die volgens het burgerlijk
                        recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren met uitzondering
                        van vervreemden en bezwaren, voor zover die rechten en plichten zien op het
                        wegnemen van de risico’s op maatschappelijke schade.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister
                        van Infrastructuur en Waterstaat kan voorwaarden stellen aan de uitvoering
                        van het beheer van het registergoed.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                  <al>Het is degene tot wie een besluit als bedoeld in het eerste lid is gericht,
                        verboden gedurende de termijn waarvoor het registergoed in beheer is gegeven
                        beheerhandelingen te verrichten.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister
                        van Infrastructuur en Waterstaat beëindigt het beheer zodra:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>a.</li.nr>
                      <al>ten aanzien van de eigenaar van het registergoed de sanctiemaatregel
                              niet meer van toepassing is; of</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>b.</li.nr>
                      <al>naar het oordeel van Onze Minister van Volkshuisvesting en
                              Ruimtelijke Ordening of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat
                              er geen sprake meer is van risico’s op maatschappelijke schade met
                              betrekking tot het registergoed.</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">6.2</nr>
                  <titel>Kostenverhaal beheerovername</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Als een registergoed in beheer is gegeven op grond van artikel 6.1, stelt
                        Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister
                        van Infrastructuur en Waterstaat een beheervergoeding vast die degene tot
                        wie het besluit, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, is gericht, is
                        verschuldigd aan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
                        of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve van het
                        beheer.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>De beheervergoeding bestaat uit een kostendekkende vergoeding voor de
                        uitvoering van het beheer.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of Onze Minister
                        van Infrastructuur en Waterstaat kan de beheervergoeding invorderen bij
                        dwangbevel.</al>
                </lid>
              </artikel>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">7.</nr>
                <titel>TOEZICHT EN HANDHAVING</titel>
              </kop>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">7.1</nr>
                  <titel>Toezicht en handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen</titel>
                </kop>
                <sub-paragraaf>
                  <kop>
                    <label>§</label>
                    <nr status="officieel">7.1.1</nr>
                    <titel>Aanwijzing toezichthouders</titel>
                  </kop>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.1</nr>
                      <titel>Aanwijzing toezichthouders</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen zijn
                              belast:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>de bij besluit van Onze Minister, handelende in overeenstemming
                                    met Onze Minister die het mede aangaat, aangewezen
                                    personen;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>de bij besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel
                                    7.1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid,
                                    aangewezen personen;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>de deken, bedoeld in artikel 45a van de Advocatenwet, voor
                                    zover het betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de
                                    instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel o,
                                    van de Sanctiewet 1977.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
                              wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </sub-paragraaf>
                <sub-paragraaf>
                  <kop>
                    <label>§</label>
                    <nr status="officieel">7.1.2</nr>
                    <titel>Handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.2</nr>
                      <titel>Aanwijzing bestuursorganen met handhavende bevoegdheden</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De volgende bestuursorganen beschikken voor de uitvoering van hun
                              taken bij of krachtens deze wet over de bevoegdheden, bedoeld in de
                              artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>Onze Minister van Financiën, voor zover het betreft de inkoop,
                                    verkoop, invoer, uitvoer of doorvoer, direct of indirect, van
                                    goederen en diensten;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden die toezien op eigendom of
                                    zeggenschap van niet-beursgenoteerde ondernemingen;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, onderdelen m, n, p en q, van de
                                    Sanctiewet 1977;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>een door de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten
                                    bij besluit aan te wijzen deken als bedoeld in artikel 22,
                                    tweede lid, van de Advocatenwet, voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet
                                    1977.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kunnen andere bestuursorganen
                              worden aangewezen die beschikken over de bevoegdheden, bedoeld in de
                              artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5, ter handhaving van de bij
                              sanctiebesluit of sanctieregeling te bepalen verplichtingen.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.3</nr>
                      <titel>Aanwijzingsbeschikking</titel>
                    </kop>
                    <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, kan eenieder die niet
                           voldoet aan een krachtens een sanctiemaatregel op hem rustende
                           verplichting, door middel van het geven van een aanwijzing verplichten om
                           binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn voor in de
                           aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te
                           volgen.</al>
                  </artikel>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.4</nr>
                      <titel>Last onder bestuursdwang</titel>
                    </kop>
                    <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot oplegging
                           van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de in een
                           sanctiebesluit of sanctieregeling opgenomen verplichtingen.</al>
                  </artikel>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.5</nr>
                      <titel>Bestuurlijke boete</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, is bevoegd tot
                              oplegging van een bestuurlijke boete ter handhaving van de in een
                              sanctiebesluit of sanctieregeling opgenomen verplichtingen.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is
                              vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde
                              lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Als de waarde van de goederen, waarmee of waarvoor de overtreding is
                              begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding
                              zijn verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximum van
                              de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd, kan een bestuurlijke
                              boete worden opgelegd van de naast hogere categorie.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>De hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete kan voor iedere
                              overtreding bij sanctiebesluit of sanctieregeling worden bepaald. De
                              overtredingen kunnen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte
                              van de overtreding.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.6</nr>
                      <titel>Publicatie besluit tot oplegging bestuurlijke sanctie</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Bij sanctiebesluit of sanctieregeling kan worden bepaald dat het
                              bestuursorgaan, bedoeld in artikel 7.1.2, een besluit tot oplegging
                              van een bestuurlijke sanctie ingevolge deze paragraaf openbaar maakt.
                              De openbaarmaking geschiedt zodra het besluit onherroepelijk
                              wordt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Als wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in
                              artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht om openbaarmaking op
                              grond van dit artikel te voorkomen, wordt de openbaarmaking opgeschort
                              totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Als bij sanctiebesluit of sanctieregeling is bepaald dat een
                              bestuurlijke sanctie openbaar wordt gemaakt, worden bij dat
                              sanctiebesluit of die sanctieregeling nadere regels gesteld over de
                              openbaarmaking. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de
                              termijn waarbinnen de openbaarmaking van het besluit plaatsvindt en de
                              wijze waarop de openbaarmaking plaatsvindt.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </sub-paragraaf>
                <sub-paragraaf>
                  <kop>
                    <label>§</label>
                    <nr status="officieel">7.1.3</nr>
                    <titel>Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving van
                           sanctiemaatregelen of risico op ernstige ontduiking</titel>
                  </kop>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">7.1.7</nr>
                      <titel>Ingrijpen bij ontduiking of ondermijning</titel>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze
                              Ministers die het mede aangaat, kan een of meer personen aanwijzen die
                              het bestuur of de leiding van een onderneming, waarop een verplichting
                              van toepassing is als gevolg van een sanctiemaatregel, vervangt, als
                              door het handelen of nalaten van deze onderneming:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>sprake is van een ernstige niet-naleving van toepasselijke
                                    sanctiemaatregelen; of</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>een risico ontstaat of wordt vergroot op ernstige ontduiking of
                                    op het actief bijdragen daaraan van de werking van
                                    sanctiemaatregelen door andere ondernemingen die met de
                                    onderneming zijn verbonden.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Van een aanwijzingsbesluit of de intrekking daarvan wordt mededeling
                              gedaan door plaatsing in de Staatscourant.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>De werkzaamheden van een aangewezen persoon hebben tot doel:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>te verzekeren dat de onderneming handelt overeenkomstig de
                                    toepasselijke sanctiemaatregelen; of</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>te voorkomen dat de onderneming bijdraagt aan de ontduiking van
                                    de werking van sanctiemaatregelen of andere voorschriften bij of
                                    krachtens deze wet door andere ondernemingen die met de
                                    betrokken onderneming zijn verbonden.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Voor zover dit verenigbaar is met de doelen, bedoeld in het derde
                              lid, richt een aangewezen persoon zich naar het belang van de
                              onderneming.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>De artikelen 5.3, vierde lid, en 5.4 zijn van overeenkomstige
                              toepassing.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>Onze Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met Onze
                              Ministers die het mede aangaat, brengt de kosten die samenhangen met
                              de toepassing van dit artikel ten laste van de betrokken onderneming,
                              waarbij de hoogte van het bedrag per geval wordt vastgesteld en is
                              gebaseerd op de voor het toezicht op de desbetreffende onderneming
                              daadwerkelijk gemaakte kosten.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                      <al>Dit artikel is niet van toepassing op:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>ondernemingen waarop de voorschriften inzake geschiktheid en
                                    betrouwbaarheid van bestuurders en integere uitoefening van het
                                    bedrijf op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Wet
                                    toezicht trustkantoren 2018, de Wet toezicht
                                    accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte
                                    beroepspensioenregeling, de Wet financiële markten BES of de
                                    verordening cryptoactiva, bedoeld in artikel 5.1, van toepassing
                                    zijn;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd notaris of
                                    kandidaat-notaris werkzaamheden verrichten.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                  </artikel>
                </sub-paragraaf>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">7.2</nr>
                  <titel>Toezicht en handhaving ter naleving van hoofdstuk 4</titel>
                </kop>
                <structuurtekst>
                  <al>[Gereserveerd]</al>
                </structuurtekst>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">7.3</nr>
                  <titel>Strafrechtelijke handhaving</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">7.3.1</nr>
                    <titel>Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet</titel>
                  </kop>
                  <al>De Nederlandse strafwet is ook van toepassing op de Nederlander die zich
                        buiten Nederland schuldig maakt aan een bij of krachtens deze wet strafbaar
                        gesteld feit.</al>
                </artikel>
              </paragraaf>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">8.</nr>
                <titel>GEGEVENSVERWERKING</titel>
              </kop>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">8.1</nr>
                  <titel>Toepassingsbereik</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.1.1</nr>
                    <titel>Toepassingsbereik</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Dit hoofdstuk is van toepassing op gegevensverwerking bij of krachtens
                           deze wet, met uitzondering van gegevensverwerking door:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>een persoon die is aangewezen in overeenstemming met artikel 5.7,
                                 eerste lid, bij de vervulling van zijn krachtens hoofdstuk 5
                                 opgedragen taken; en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank N.V.
                                 voor zover het betreft gegevens die op grond van artikel 5.8,
                                 tweede lid, zijn verstrekt.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Dit hoofdstuk laat onverlet de verplichtingen tot het verstrekken van
                           gegevens in internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende
                           besluiten van volkenrechtelijke organisaties.</al>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">8.2</nr>
                  <titel>Gegevensverwerking</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.2.1</nr>
                    <titel>Gegevensverstrekking inzake meldingen</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, kan gegevens verstrekken
                           over meldingen van degenen op wie de meldingsplicht van toepassing is,
                           met inbegrip van de inhoud van die meldingen en analyses vastgesteld naar
                           aanleiding van die meldingen, aan:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>de bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of
                                 sanctieregeling;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de toezichthouders die zijn belast met het toezicht op de naleving
                                 van sanctiemaatregelen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a van de
                                 Sanctiewet 1977;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>het Openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de
                                 opsporing van strafbare feiten;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>de Europese Commissie.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>De bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen bij sanctiebesluit of
                           sanctieregeling, de toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a
                           van de Sanctiewet 1977, en de toezichthouders die zijn belast met het
                           toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen verstrekken aan het
                           bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, alle gegevens die noodzakelijk
                           zijn ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3.1.2, onderdeel
                           c.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.2.2</nr>
                    <titel>Gegevensverwerking vanwege onderzoek naar ondernemingen</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Onze Minister van Economische Zaken verwerkt gegevens voor zover dit
                           noodzakelijk is om overeenkomstig deze wet de eigendomsverhoudingen van
                           of zeggenschap over in Nederland gevestigde ondernemingen vast te stellen
                           of te beoordelen ten aanzien van de verenigbaarheid met
                           sanctiemaatregelen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Onze Minister van Economische Zaken is verwerkingsverantwoordelijke voor
                           de verwerking van persoonsgegevens op grond van het eerste lid en artikel
                           8.2.3.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.2.3</nr>
                    <titel>Gegevensverstrekking vanwege onderzoek naar ondernemingen</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Onze Minister van Economische Zaken maakt, ten behoeve van het doel,
                           bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, gebruik van gegevens die afkomstig
                           zijn uit:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>het handelsregister;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de basisregistratie kadaster en de openbare registers, bedoeld in
                                 artikel 1, eerste lid, van de Kadasterwet;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet
                                 basisregistratie personen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>overige openbare registers bij wet ingesteld; en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>openbare informatie.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>De volgende bestuursorganen, toezichthouders of andere personen,
                           verstrekken op verzoek alle gegevens aan Onze Minister van Economische
                           Zaken ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste
                           lid:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>Onze Minister van Buitenlandse Zaken, voor zover het gegevens
                                 betreft die verwerkt worden in het kader van de Wet strategische
                                 diensten en het Besluit strategische goederen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>Onze Minister van Financiën, voor zover het gegevens betreft die
                                 verwerkt worden door de Belastingdienst;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>Onze Minister van Justitie en Veiligheid, met inachtneming van de
                                 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, voor zover het
                                 justitiële gegevens betreft in relatie tot de onderneming, of
                                 bestuurders, leidinggevenden of sleutelfunctionarissen binnen de
                                 onderneming;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>de Autoriteit Consument en Markt, voor zover het gegevens betreft
                                 die worden verwerkt in het kader van hoofdstuk 5 van de
                                 Mededingingswet;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>de veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris, ingesteld
                                 door de onderneming, voor zover het gegevens betreft over inbreuken
                                 of dreigende inbreuken op beperkingen of verboden voor toegang tot
                                 gevoelige informatie of bedrijfsprocessen door natuurlijke
                                 personen, rechtspersonen of entiteiten waarvoor een
                                 sanctiemaatregel geldt;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>f.</li.nr>
                        <al>De Nederlandsche Bank N.V. voor zover het gegevens betreft op
                                 grond van haar taken bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet
                                 1977;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>g.</li.nr>
                        <al>de Stichting Autoriteit Financiële Markten voor zover het gegevens
                                 betreft op grond van haar taken bij of krachtens deze wet of de
                                 Sanctiewet 1977;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>h.</li.nr>
                        <al>de Kamer van Koophandel voor zover het gegevens betreft op grond
                                 van artikel 15a van de Handelsregisterwet 2007 en artikel 5 van de
                                 Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
                                 trusts en soortgelijke juridische constructies.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                    <al>Onze Minister van Economische Zaken kan voor zover dit noodzakelijk is
                           ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, Onze
                           Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om
                           mededeling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel f, van de Wet
                           op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 te doen of Onze Minister
                           van Defensie verzoeken om mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede
                           lid, onderdeel g, van die wet te doen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                    <al>Een notaris geeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van
                           erfrecht op verzoek afschriften uit aan Onze Minister van Economische
                           Zaken, voor zover dit noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in artikel
                           8.2.2, eerste lid. Artikel 49b van de Wet op het notarisambt is van
                           overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                    <al>Voor de naleving van de verplichting, bedoeld in het vierde lid, zijn de
                           notaris en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen niet
                           gehouden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 22 van de Wet op
                           het notarisambt.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                    <al>De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en het
                           tweede tot en met vierde lid, geschiedt kosteloos.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                    <al>Als bij Onze Minister van Economische Zaken onduidelijkheid bestaat over
                           de eigendomsstructuur en -verhoudingen binnen de onderneming, verstrekt
                           de onderneming, voor zover deze geen beursgenoteerde onderneming betreft,
                           aan Onze Minister van Economische Zaken op verzoek kosteloos een
                           uittreksel uit het door de onderneming gehouden aandeelhoudersregister,
                           bedoeld in de artikelen 85 en 194 van Boek 2 van het Burgerlijk
                           Wetboek.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.2.4</nr>
                    <titel>Doorgifteplicht aan registers</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Bestuursorganen en toezichthouders die bij of krachtens de wet zijn
                           belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen, verstrekken
                           aan de beheerders, genoemd in het tweede lid, gegevens waaruit blijkt dat
                           er een relatie bestaat tussen:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>het onderwerp van registratie en daarmee samenhangende informatie;
                                 en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
                                 waarvan bij of krachtens een sanctiemaatregel, de tegoeden of
                                 economische middelen bevroren zijn of waarvan het aangaan of
                                 voortzetten van de economische of financiële betrekkingen is
                                 beperkt of verboden.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>De gegevens worden verstrekt aan de beheerders van de volgende
                           registers:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de
                                 Handelsregisterwet 2007;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>het register, bedoeld in artikel 1 van de Implementatiewet
                                 registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts en soortgelijke
                                 juridische constructies;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de basisregistratie kadaster, bedoeld in artikel 1a van de
                                 Kadasterwet, de registratie voor schepen, bedoeld in artikel 85,
                                 eerste lid, van de Kadasterwet, en de registratie voor
                                 luchtvaartuigen, bedoeld in artikel 92, eerste lid, van de
                                 Kadasterwet;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet
                                 ruimtevaartactiviteiten;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>het Nederlands rassenregister, bedoeld in artikel 25, van de
                                 Zaaizaad- en plantgoedwet 2005;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>f.</li.nr>
                        <al>het octrooiregister, bedoeld in artikel 19 van de Rijksoctrooiwet
                                 1995;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>g.</li.nr>
                        <al>het kentekenregister, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de
                                 Wegenverkeerswet 1993;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>h.</li.nr>
                        <al>het register, bedoeld in artikel 1, van de Wet bescherming
                                 oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                    <al>Als de relatie zich niet langer voordoet verstrekt het bestuursorgaan of
                           de toezichthouder, bedoeld in het eerste lid, de gegevens aan de
                           betreffende beheerder of beheerders waaruit dit blijkt.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.2.5</nr>
                    <titel>Bevoegdheid tot gegevensverstrekking</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Onverminderd de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4, zijn bestuursorganen,
                           toezichthouders en andere personen of entiteiten die bij of krachtens de
                           wet zijn belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen,
                           bevoegd om gegevens, verkregen bij de vervulling van de aan hun
                           opgedragen taak, te verstrekken aan een Nederlandse of buitenlandse
                           overheidsinstantie of een Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
                           aangewezen instantie, voor zover deze belast is met het toezicht op de
                           naleving of met de uitvoering van sanctiemaatregelen.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>De gegevens worden niet verstrekt als:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>a.</li.nr>
                        <al>het doel waarvoor de gegevens zullen worden gebruikt onvoldoende
                                 bepaald is;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>b.</li.nr>
                        <al>de verstrekking van de gegevens zich niet zou verdragen met de wet
                                 of de openbare orde;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>c.</li.nr>
                        <al>de geheimhouding van de gegevens niet in voldoende mate is
                                 gewaarborgd;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>de verstrekking van de gegevens redelijkerwijs in strijd is of zou
                                 kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
                                 of</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>e.</li.nr>
                        <al>onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens niet zullen worden
                                 gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
                                 verstrekt.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
              <paragraaf>
                <kop>
                  <label>§</label>
                  <nr status="officieel">8.3</nr>
                  <titel>Nadere regels over gegevensverwerking</titel>
                </kop>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.3.1</nr>
                    <titel>Nadere regels ter uitvoering van verdragen en bindende besluiten van
                           volkenrechtelijke organisaties</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Voor zover dat nodig is ter uitvoering van internationale
                           sanctiemaatregelen voortvloeiend uit verdragen en bindende besluiten van
                           volkenrechtelijke organisaties, kunnen bij algemene maatregel van bestuur
                           of bij regeling van Onze Minister regels worden gesteld over de
                           verwerking van gegevens door en aan bij dat besluit of die regeling
                           aangewezen bestuursorganen en toezichthouders.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>Artikel 2.1.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al>
                  </lid>
                </artikel>
                <artikel status="goed">
                  <kop>
                    <label>Artikel</label>
                    <nr status="officieel">8.3.2</nr>
                    <titel>Nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke
                           organisaties en internationale afspraken</titel>
                  </kop>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                    <al>Ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen voortvloeiend uit
                           aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
                           afspraken, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over
                           de verwerking van gegevens, met inbegrip van bijzondere categorieën van
                           persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, door en
                           aan bij dat besluit aangewezen bestuursorganen en toezichthouders.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                    <al>De regels betreffen in ieder geval de doeleinden van de
                           gegevensverwerking en de noodzakelijke gegevensuitwisseling.</al>
                  </lid>
                  <lid>
                    <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                    <al>De voorschriften over de parlementaire betrokkenheid en de werkingsduur,
                           bedoeld in de artikelen 2.2.2 en 2.2.3, zijn van overeenkomstige
                           toepassing.</al>
                  </lid>
                </artikel>
              </paragraaf>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">9.</nr>
                <titel>BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">9.1</nr>
                  <titel>Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Voor de toepassing van deze wet in de openbare lichamen Bonaire, Sint
                        Eustatius en Saba gelden bindende besluiten, vastgesteld in het kader van
                        het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie,
                        als bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties als bedoeld in
                        artikel 2.1.1, eerste lid.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>Als bij of krachtens deze wet naar een bindende rechtshandeling als bedoeld
                        in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
                        wordt verwezen, is deze rechtshandeling van overeenkomstige toepassing in de
                        openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij uitdrukkelijk
                        anders bepaald.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">9.2</nr>
                  <titel>Toezicht</titel>
                </kop>
                <al>Op het toezicht, bedoeld in paragraaf 7.1, is titel 5.2 van de Algemene wet
                     bestuursrecht van toepassing, waarbij geldt dat in afwijking van artikel 5:16a
                     van de Algemene wet bestuursrecht, een toezichthouder bevoegd is van personen
                     een identiteitsdocument te vorderen als bedoeld in artikel 2 van de Wet
                     identificatieplicht BES.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">9.3</nr>
                  <titel>Strafrechtelijke handhaving</titel>
                </kop>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                  <al>Overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2.1.1
                        en 2.2.1 zijn misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover
                        deze gedragingen niet opzettelijk worden begaan, zijn zij
                        overtredingen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                  <al>In geval van een misdrijf kan de rechter in de openbare lichamen Bonaire,
                        Sint Eustatius en Saba een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een
                        geldboete van de vijfde categorie opleggen.</al>
                </lid>
                <lid>
                  <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                  <al>In geval van een overtreding kan de rechter in de openbare lichamen
                        Bonaire, Sint Eustatius en Saba hechtenis van ten hoogste een jaar of een
                        geldboete van de vierde categorie opleggen.</al>
                </lid>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">9.4</nr>
                  <titel>Opsporingsbevoegdheden</titel>
                </kop>
                <al>Met de opsporing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van
                     de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast, naast de in
                     artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde ambtenaren, de
                     daartoe bij besluit van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, handelende in
                     overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren.</al>
              </artikel>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">10.</nr>
                <titel>WIJZIGINGEN VAN ANDERE WETTEN</titel>
              </kop>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.1</nr>
                  <titel>Wijziging Advocatenwet</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Advocatenwet wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In artikel 8, eerste lid, onderdeel n, wordt na ‘artikel 45g, eerste lid,’
                        ingevoegd ‘de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet 1977’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>Artikel 8a wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het tweede lid, onder g, wordt ‘als bedoeld in de artikelen’
                           vervangen door ‘als bedoeld in de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet
                           1977 dat op grond van artikel 10k van die wet openbaar wordt gemaakt en
                           de artikelen’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>In het vierde lid wordt ‘na openbaarmaking op grond van’ vervangen door
                           ‘na openbaarmaking op grond van artikel 10k van de Sanctiewet 1977
                           of’.</wat>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                  <wat>In artikel 28, vijfde lid, wordt ‘artikel 45a, eerste lid,’ vervangen door
                        ‘artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onder d, van de Sanctiewet 1977,
                        bedoelde toezicht’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                  <wat>Artikel 45b wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">a.</nr>
                    <wat>Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">b.</nr>
                    <wat>Er wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>De deken van de algemene raad kan aan de deken bedoeld in artikel
                                 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977, gehoord de overige leden
                                 van het college van toezicht, aanwijzingen geven met betrekking tot
                                 het toezicht op de naleving van de bij of krachtens afdeling 5 van
                                 de Sanctiewet 1977 gestelde regels.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">E</lidnr>
                  <wat>Aan artikel 45c, wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">7.</lidnr>
                        <al>Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing
                                 op het toezicht op de deken bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
                                 de Sanctiewet 1977.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">F</lidnr>
                  <wat>In artikel 45d wordt onder vernummering van het tweede lid tot derde lid
                        een lid ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Het college van toezicht kan de algemene raad, bedoeld in artikel
                                 18, eerste lid, schriftelijk verzoeken de deken, bedoeld in artikel
                                 9a, onder d, van de Sanctiewet 1977, te ontslaan en in zijn plaats
                                 een andere deken te kiezen, wegens tekortschieten in de
                                 taakuitoefening van artikel 9a, onder d, van de Sanctiewet
                                 1977.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">G</lidnr>
                  <wat>In artikel 45h wordt ‘45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,’
                        vervangen door ‘artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onder d, van de
                        Sanctiewet 1977, en artikel 24, tweede lid,’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">H</lidnr>
                  <wat>In artikel 45i wordt ‘45a, eerste lid, en artikel 24, tweede lid,’
                        vervangen door ‘artikel 45a, eerste lid, artikel 9a, onder d, tweede lid,
                        van de Sanctiewet 1977, en artikel 24, tweede lid,’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">I</lidnr>
                  <wat>In artikel 46 wordt ‘het bepaalde bij of krachtens deze wet en de Wet ter
                        voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme’ vervangen door ‘het
                        bepaalde bij of krachtens deze wet, de Sanctiewet 1977 en de Wet ter
                        voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme’.</wat>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.2</nr>
                  <titel>Wijziging Algemene douanewet</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene
                     douanewet wordt ‘Sanctiewet 1977’ vervangen door ‘Wet internationale
                     sanctiemaatregelen’.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.3</nr>
                  <titel>Wijziging Algemene wet bestuursrecht</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>Artikel 7 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <al>Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.</al>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <al>Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid,
                              5.4, eerste lid, 5.5, derde en vierde lid, 5.6 en 7.1.7, eerste
                              lid.</al>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>Artikel 11 van bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>De zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <al>Sanctiewet 1977: de artikelen 10ba, 10bb, 10c en 10d.</al>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>In de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <al>Wet internationale sanctiemaatregelen: de artikelen 5.3, eerste lid,
                              5.4, eerste lid, 5.5, derde en vierde lid, 5.6 en 7.1.7, eerste
                              lid.</al>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.4</nr>
                  <titel>Wijziging Handelsregisterwet 2007</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Handelsregisterwet 2007 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>Na artikel 16b wordt een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">16c</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>De Kamer is bevoegd om bij een in het handelsregister ingeschreven
                                 onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende een
                                 aantekening op te nemen bij enig in het handelsregister opgenomen
                                 gegeven over die onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
                                 belanghebbende, dat wordt genoemd in de artikelen 9 tot en met 15a,
                                 of andere gegevens krachtens artikel 17, indien op grond van een
                                 sanctiemaatregel:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>de tegoeden en economische middelen van de onderneming,
                                       rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende worden bevroren;
                                       of</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>het aangaan of voortzetten van de economische of financiële
                                       betrekkingen met de onderneming, rechtspersoon of
                                       uiteindelijk belanghebbende is beperkt of verboden.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het
                                 handelsregister opgenomen, indien de Kamer informatie ontvangt van
                                 Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
                                 Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
                                 die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de
                                 uitvoering van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of
                                 bevestigt.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
                                 verstrekte informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft
                                 tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
                                 lid.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>De Kamer verwijdert op grond van informatie die de Kamer ontvangt
                                 van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een aantekening
                                 als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet langer
                                 voordoet.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 22a, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 10, tweede lid,
                        onderdelen a tot en met m, van de Sanctiewet 1977’ vervangen door ‘artikel
                        10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                  <wat>Artikel 28, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In onderdeel b wordt ‘artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
                           aangewezen ambtenaar of andere persoon’ vervangen door ‘artikel 7.1.1,
                           eerste lid, van de Wet internationale sanctiemaatregelen aangewezen
                           persoon’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Onderdeel c komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
                                    aangewezen persoon in het kader van het uitoefenen van het
                                    toezicht op de naleving van het bij of krachtens afdeling 5 van
                                    die wet bepaalde;.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.5</nr>
                  <titel>Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
                        trusts en soortgelijke juridische constructies</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden
                     van trusts en soortgelijke juridische constructies wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 10, tweede lid,
                           onderdelen a tot en met m, van de Sanctiewet 1977’ vervangen door
                           ‘artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">a.</nr>
                    <wat>In onderdeel b wordt ‘artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
                           aangewezen ambtenaar of andere persoon’ vervangen door ‘artikel 7.1.1,
                           eerste lid, van de Wet internationale sanctiemaatregelen aangewezen
                           persoon’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">b.</nr>
                    <wat>Onderdeel c komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>een op grond van artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977
                                    aangewezen persoon in het kader van het uitoefenen van het
                                    toezicht op de naleving van het bij of krachtens afdeling 5 van
                                    die wet bepaalde;.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>Na artikel 15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">15a</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>De beheerder is bevoegd om bij een in het register geregistreerde
                                 trust of geregistreerde uiteindelijk belanghebbende van een trust
                                 een aantekening op te nemen bij enig in het register opgenomen
                                 gegeven, genoemd in artikel 5, over de trust of die belanghebbende
                                 indien op grond van een sanctiemaatregel:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>de tegoeden en economische middelen van de trust of
                                       uiteindelijk belanghebbende worden bevroren; of</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>het aangaan of voortzetten van economische of financiële
                                       betrekkingen met de trust of uiteindelijk belanghebbende is
                                       beperkt of verboden.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het
                                 register opgenomen, indien de beheerder informatie ontvangt van
                                 Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
                                 Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
                                 die belast zijn met het toezicht op de naleving of met de
                                 uitvoering van een sanctiemaatregel, die de relatie legt of
                                 bevestigt.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
                                 verstrekte informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft
                                 tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
                                 lid.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>De beheerder verwijdert op grond van informatie die de beheerder
                                 ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een
                                 aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich
                                 niet langer voordoet.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.6</nr>
                  <titel>Wijziging Kadasterwet</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">Na artikel 118a van de Kadasterwet wordt een artikel
                     ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">118b</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De bewaarder is bevoegd om in de basisregistratie kadaster, de
                              registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen een
                              aantekening te stellen als het een registergoed betreft dat bevroren
                              is op grond van een sanctiemaatregel.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>De Kamer van Koophandel verstrekt aan de bewaarder uit het
                              handelsregister de gegevens, genoemd in artikel 9, onderdelen a, b en
                              d, van de Handelsregisterwet 2007, van de rechtspersonen waarvan de
                              personen, entiteiten of lichamen, bedoeld in het eerste lid, de
                              uiteindelijk belanghebbenden, bedoeld in artikel 15a van de
                              Handelsregisterwet 2007 zijn. De bewaarder verwerkt de gegevens
                              uitsluitend voor het stellen van de aantekening, bedoeld in het eerste
                              lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>De inspecteur en de ontvanger, bedoeld in artikel 2, derde lid,
                              onderdeel b, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en artikel 2,
                              eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, verstrekken
                              desgevraagd alle informatie aan de bewaarder die noodzakelijk is voor
                              de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. De bewaarder
                              verwerkt de gegevens uitsluitend voor het stellen van de aantekening,
                              bedoeld in het eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>De verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of de
                              verstrekte informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, nog reden
                              geeft tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
                              lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>De bewaarder verwijdert op grond van informatie die de bewaarder
                              ontvangt van de Kamer van Koophandel, bedoeld in het tweede lid, of de
                              inspecteur en de ontvanger, bedoeld in het derde lid, een aantekening
                              als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet langer
                              voordoet.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.7</nr>
                  <titel>Wijziging Pensioenwet</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In de Pensioenwet wordt aan artikel 208, eerste lid, onder
                     vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een
                     onderdeel toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of
                                 inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op
                                 grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
                                 sanctiemaatregelen.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.8</nr>
                  <titel>Wijziging Sanctiewet 1977</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Sanctiewet 1977 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>De artikelen 1 tot en met 8 en 13 tot en met 15 vervallen.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>Na het opschrift van afdeling 5 wordt een artikel ingevoegd,
                        luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">9</nr>
                      </kop>
                      <al>In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                              onder:</al>
                      <definitielijst plaatsing="inline" type="ongemarkeerd" nr-sluiting=".">
                        <definitie-item>
                          <term>toezichthoudende autoriteit:</term>
                          <definitie>
                            <al>de toezichthoudende autoriteit, genoemd in artikel 9a.</al>
                          </definitie>
                        </definitie-item>
                      </definitielijst>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                  <wat>Na artikel 9 (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">9a</nr>
                      </kop>
                      <al>De toezichthoudende autoriteiten zijn:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>de Stichting Autoriteit Financiële Markten, voor zover het
                                    betreft de uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen,
                                    bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en l;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>de Nederlandsche Bank N.V., voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, onder a, c en e tot en met j;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>het Bureau Financieel Toezicht, voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, onder m, n, p en q;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>een door de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten
                                    bij besluit aan te wijzen deken als bedoeld in artikel 22,
                                    tweede lid, van de Advocatenwet, voor zover het betreft de
                                    uitoefening van bevoegdheden jegens de instellingen, bedoeld in
                                    artikel 10, tweede lid, onder o.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                  <wat>Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>Het eerste lid komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze
                                 afdeling gestelde regels zijn belast de bij besluit van de
                                 toezichthoudende autoriteit aangewezen personen en, voor zover het
                                 betreft het toezicht op de naleving door de instellingen, bedoeld
                                 in het tweede lid, onder o, een door de algemene raad van de
                                 Nederlandse orde van advocaten bij besluit aan te wijzen deken als
                                 bedoeld in artikel 45a van de Advocatenwet.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">a.</nr>
                    <wat>De aanhef komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Deze afdeling is van toepassing op de volgende instellingen:.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">b.</nr>
                    <wat>Onderdeel b komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
                                    op het financieel toezicht;.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">c.</nr>
                    <wat>Onderdeel d komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>d.</li.nr>
                          <al>beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op
                                    het financieel toezicht;.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">d.</nr>
                    <wat>Onderdeel g vervalt</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">e.</nr>
                    <wat>Onderdeel k komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>k.</li.nr>
                          <al>icbe’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
                                    toezicht;.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">f.</nr>
                    <wat>Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een
                           puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>m.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
                                    belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten
                                    uitoefenen, of natuurlijke personen, rechtspersonen of
                                    vennootschappen voor zover zij anderszins zelfstandig in
                                    hoofdzaak, onafhankelijk, al dan niet via andere aan hen
                                    gelieerde natuurlijke personen, rechtspersonen of
                                    vennootschappen, daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of
                                    bedrijfsmatig verrichten;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>n.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
                                    externe registeraccountant of externe
                                    accountant-administratieconsulent zelfstandig onafhankelijk
                                    beroepsactiviteiten waaronder forensische accountancy
                                    uitoefenen, dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of
                                    vennootschappen, voor zover die anderszins zelfstandig
                                    onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of
                                    bedrijfsmatig verrichten;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>o.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
                                    advocaat:</al>
                          <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                            <li>
                              <li.nr>1°.</li.nr>
                              <al>zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig
                                          advies geven of bijstand verlenen bij:</al>
                              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                                <li>
                                  <li.nr>i.</li.nr>
                                  <al>het aan- of verkopen van registergoederen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>ii.</li.nr>
                                  <al>het beheren van geld, effecten, munten,
                                                muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere
                                                waarden;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>iii.</li.nr>
                                  <al>het oprichten of beheren van vennootschappen,
                                                rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld
                                                in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
                                                Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het
                                                organiseren van de inbreng die nodig is voor de
                                                oprichting, de exploitatie of het beheer
                                                daarvan;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>iv.</li.nr>
                                  <al>het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel
                                                of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen
                                                van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen
                                                of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2,
                                                eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
                                                rijksbelastingen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>v.</li.nr>
                                  <al>werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar
                                                zijn met de werkzaamheden van de in onderdeel m
                                                beschreven beroepsgroepen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>vi.</li.nr>
                                  <al>het vestigen van een recht van hypotheek op een
                                                registergoed; of</al>
                                </li>
                              </lijst>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>2°.</li.nr>
                              <al>zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig
                                          optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij
                                          enigerlei financiële transactie of onroerende
                                          zaaktransactie;</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>p.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die als
                                    notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris:</al>
                          <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                            <li>
                              <li.nr>1°.</li.nr>
                              <al>zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig
                                          advies geven of bijstand verlenen bij:</al>
                              <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                                <li>
                                  <li.nr>i.</li.nr>
                                  <al>het aan- of verkopen van registergoederen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>ii.</li.nr>
                                  <al>het beheren van geld, effecten, munten,
                                                muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of andere
                                                waarden;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>iii.</li.nr>
                                  <al>het oprichten of beheren van vennootschappen,
                                                rechtspersonen of soortgelijke lichamen als bedoeld
                                                in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
                                                Algemene wet inzake rijksbelastingen dan wel het
                                                organiseren van de inbreng die nodig is voor de
                                                oprichting, de exploitatie of het beheer
                                                daarvan;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>iv.</li.nr>
                                  <al>het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel
                                                of gedeeltelijk aan- of verkopen dan wel overnemen
                                                van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen
                                                of soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2,
                                                eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake
                                                rijksbelastingen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>v.</li.nr>
                                  <al>werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar
                                                zijn met de werkzaamheden van de in onderdeel m
                                                beschreven beroepsgroepen;</al>
                                </li>
                                <li>
                                  <li.nr>vi.</li.nr>
                                  <al>het vestigen van een recht van hypotheek op een
                                                registergoed; of</al>
                                </li>
                              </lijst>
                            </li>
                            <li>
                              <li.nr>2°.</li.nr>
                              <al>zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig
                                          optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij
                                          enigerlei financiële transactie of onroerende
                                          zaaktransactie;</al>
                            </li>
                          </lijst>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>q.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die in
                                    de uitoefening van een aan dat van advocaat, notaris, toegevoegd
                                    notaris of kandidaat-notaris gelijksoortig juridisch beroep of
                                    bedrijf de in onder o of p genoemde werkzaamheden
                                    verrichten.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">3.</nr>
                    <wat>Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid
                           wordt een lid ingevoegd, luidende:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>Indien een beleggingsinstelling als bedoeld in het tweede lid,
                                 onder b, een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is of een
                                 beleggingsfonds of indien een icbe als bedoeld in het tweede lid,
                                 onder k, een fonds voor collectieve belegging in effecten of een
                                 maatschappij voor collectieve belegging in effecten met aparte
                                 beheerder is, draagt de beheerder van de betreffende instelling
                                 zorg voor de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde
                                 regels door de instelling.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">4.</nr>
                    <wat>Het vierde lid (nieuw) komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>Deze afdeling is niet van toepassing op belastingadviseurs als
                                 bedoeld in het tweede lid, onder m, en personen als bedoeld in het
                                 tweede lid, onder o, p en q, voor zover zij voor een cliënt
                                 werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens
                                 rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte,
                                 het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het
                                 geven van advies over het instellen over vermijden van een
                                 rechtsgeding.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">5.</nr>
                    <wat>In het vijfde lid (nieuw) vervalt ‘of tweede’.</wat>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">E</lidnr>
                  <wat>Artikel 10a vervalt.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">F</lidnr>
                  <wat>Voor artikel 10b worden twee artikelen ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10aa</nr>
                      </kop>
                      <al>De toezichthoudende autoriteit oefent haar taak uit op een
                              risicogebaseerde en effectieve wijze.</al>
                    </artikel>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10ab</nr>
                      </kop>
                      <al>De artikelen 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a, derde lid,
                              van de Wet op het notarisambt, zijn van overeenkomstige toepassing op
                              het toezicht op de naleving door de deken, bedoeld in artikel 9a,
                              onder d, respectievelijk op het toezicht op de naleving door de
                              personen die op grond van artikel 10, eerste lid, door de
                              toezichthoudende autoriteit, bedoeld in artikel 9a, onder c, zijn
                              aangewezen.</al>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">G</lidnr>
                  <wat>Artikel 10b wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het eerste en tweede lid wordt ‘Onze Minister van Financiën kan’
                           telkens vervangen door ‘De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in
                           artikel 9a, onder a, b en c, en het college van toezicht, bedoeld in
                           artikel 36a, eerste lid, van de Advocatenwet kunnen’ en wordt ‘artikel
                           10, tweede lid, onder a tot en met l’ telkens vervangen door ‘artikel 10,
                           tweede lid, onder a tot en met n en p en q, respectievelijk, tweede lid,
                           onder o’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Het derde lid komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>De door de Stichting Autoriteit Financiële Markten en de
                                 Nederlandsche Bank N.V. gestelde regels, bedoeld in het eerste lid,
                                 behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Financiën.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">3.</nr>
                    <wat>Er worden twee leden toegevoegd, luidende:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>De door het Bureau Financieel Toezicht gestelde regels, bedoeld in
                                 het eerste lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister van
                                 Justitie en Veiligheid.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                        <al>Artikel 30, eerste lid, van de Advocatenwet is van overeenkomstige
                                 toepassing op krachtens het eerste en tweede lid genomen besluiten
                                 van het college van toezicht.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">H</lidnr>
                  <wat>In artikel 10ba wordt ‘artikel 10, tweede lid, onder a tot en met l,’
                        vervangen door ‘artikel 10, tweede lid, onder a tot en met q,’ en wordt
                        ‘Onze Minister van Financiën’ vervangen door ‘de toezichthoudende
                        autoriteit’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">I</lidnr>
                  <wat>Na artikel 10ba wordt een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10bb</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>De toezichthoudende autoriteiten, genoemd in artikel 9a, onder a,
                                 b en c, kunnen voor de uitoefening van een taak krachtens deze
                                 afdeling van eenieder inlichtingen vorderen.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>De artikelen 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene
                                 wet bestuursrecht, zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>De toezichthoudende autoriteit, bedoeld in het eerste lid, is
                                 bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid,
                                 van de Algemene wet bestuursrecht, ten aanzien van de inlichtingen,
                                 bedoeld in het eerste lid.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">J</lidnr>
                  <wat>In artikel 10c wordt ‘Onze Minister van Financiën kan’ vervangen door ‘De
                        toezichthoudende autoriteit kan’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">K</lidnr>
                  <wat>Artikel 10d wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het eerste lid wordt ‘Onze Minister van Financiën’ wordt vervangen
                           door ‘De toezichthoudende autoriteit’ en wordt na ‘overtreding van’
                           ingevoegd ‘artikel 10bb, eerste en tweede lid, artikel 5:20, eerste lid,
                           van de Algemene wet bestuursrecht, of de’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Het tweede en derde lid komen te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Als tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete
                                 bezwaar, beroep of hoger beroep wordt ingesteld, schorst dit de
                                 verplichting tot betaling van de boete totdat de beroepstermijn is
                                 verstreken of, als beroep of hoger beroep is ingesteld, op het
                                 beroep of hoger beroep is beslist.</al>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">3.</nr>
                    <wat>De schorsing van de verplichting tot betaling schorst niet de
                           berekening van de wettelijke rente.</wat>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">L</lidnr>
                  <wat>Artikel 10f vervalt.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">M</lidnr>
                  <wat>De artikelen 10g en 10h komen te luiden:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10g</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Het is eenieder die uit hoofde van de toepassing van bij of
                                 krachtens deze afdeling genomen besluiten enige taak vervult of
                                 heeft vervuld verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen,
                                 die op grond deze wet of op grond van titel 5.2 van de Algemene wet
                                 bestuursrecht zijn verstrekt of ontvangen, of van een buitenlandse
                                 toezichthoudende instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik
                                 te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor
                                 de uitoefening van zijn taak of bij of krachtens deze afdeling
                                 wordt geëist.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>In afwijking van het eerste lid, kan de toezichthoudende
                                 autoriteit met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde
                                 informatie mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden
                                 herleid tot afzonderlijke personen.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>Het eerste en tweede lid laten ten aanzien van degene op wie het
                                 tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de
                                 bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>Het eerste lid beperkt de bevoegdheden op grond van de bepalingen
                                 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet die betrekking
                                 hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van
                                 partijen of als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een
                                 verklaring over gegevens of inlichtingen verkregen bij de
                                 vervulling van zijn op grond van deze afdeling of titel 5.2 van de
                                 Algemene wet bestuursrecht opgedragen taak, voor zover het gaat om
                                 gegevens of inlichtingen over een instelling als bedoeld in artikel
                                 10, tweede lid, die in staat van faillissement is verklaard of op
                                 grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige
                                 zin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die
                                 betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken
                                 zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende bank in staat
                                 te stellen haar bedrijf voort te zetten.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10h</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder toezichthoudende
                                 autoriteit verstaan:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>het Bureau Financieel Toezicht, genoemd in artikel 9a, onder
                                       c, voor zover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel
                                       10, tweede lid, onder m, n of q;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>de toezichthouder, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                       Wet toezicht trustkantoren 2018.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>De toezichthoudende autoriteit is in afwijking van artikel 10g,
                                 eerste lid, bevoegd gegevens of inlichtingen die bij of krachtens
                                 deze afdeling zijn verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse
                                 toezichthoudende instantie zijn ontvangen, te verstrekken aan:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>Onze Minister van Buitenlandse Zaken, Onze Minister van
                                       Financiën, Onze Minister van Economische Zaken, of Onze
                                       Minister van Justitie en Veiligheid, elk voor het gebied
                                       waartoe hun bevoegdheden zich uitstrekken;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, van de Wet
                                       internationale sanctiemaatregelen;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>een andere toezichthoudende autoriteit of aan een
                                       buitenlandse toezichthoudende instantie voor zover deze
                                       toezichthoudende autoriteit of instantie belast is met een
                                       taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen als bedoeld in
                                       artikel 1.1 van de Wet internationale
                                       sanctiemaatregelen;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>d.</li.nr>
                            <al>de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en
                                       Opsporingsdienst, de Nationale Politie, de Financiële
                                       Inlichtingen Eenheid of het Openbaar Ministerie, voor zover
                                       de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening
                                       van hun wettelijke taken;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>e.</li.nr>
                            <al>een tijdelijke enquêtecommissie van het Europees Parlement
                                       als bedoeld in artikel 226 van het Verdrag betreffende de
                                       werking van de Europese Unie;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>f.</li.nr>
                            <al>een commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de
                                       Wet op de parlementaire enquête 2008, voor zover de gegevens
                                       of inlichtingen naar het oordeel van die commissie
                                       noodzakelijk zijn voor de vervulling van haar taak;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>g.</li.nr>
                            <al>de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of
                                       inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer
                                       noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke
                                       taak op grond van artikel 7.24 van de Comptabiliteitswet
                                       2016.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>De in het tweede lid bedoelde informatie wordt niet verstrekt
                                 indien:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
                                       gebruikt onvoldoende bepaald is;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet
                                       past in het kader van het toezicht op de naleving van
                                       sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                       internationale sanctiemaatregelen of het toezicht op de
                                       naleving van de krachtens deze afdeling gestelde regels;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet
                                       zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare
                                       orde;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>d.</li.nr>
                            <al>de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
                                       voldoende mate is gewaarborgd;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>e.</li.nr>
                            <al>de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
                                       redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de
                                       belangen die deze wet beoogt te beschermen; of</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>f.</li.nr>
                            <al>onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
                                       niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor
                                       deze worden verstrekt.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                        <al>Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het tweede lid,
                                 zijn verkregen van een buitenlandse toezichthoudende instantie,
                                 verstrekt de toezichthoudende autoriteit deze niet aan een andere
                                 toezichthoudende instantie of aan een andere buitenlandse
                                 toezichthoudende instantie, tenzij de buitenlandse toezichthoudende
                                 instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen
                                 uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens
                                 of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het
                                 gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of
                                 inlichtingen zijn verstrekt.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                        <al>Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de
                                 toezichthoudende autoriteit die de gegevens of inlichtingen op
                                 grond van het derde of vierde lid heeft verstrekt, verzoekt om die
                                 gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan
                                 waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichthoudende autoriteit
                                 dat verzoek slechts in:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het derde
                                       of vierde lid of voor zover die toezichthoudende instantie op
                                       een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland
                                       met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
                                       procedures voor dat andere doel de beschikking over die
                                       gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>na overleg met Onze Minister van Justitie en Veiligheid
                                       indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op
                                       een onderzoek naar strafbare feiten.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                        <al>De partijen, bedoeld in het tweede lid, onder c tot en met e, zijn
                                 verplicht tot geheimhouding van de op grond van het eerste lid
                                 ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en maken die
                                 slechts openbaar indien deze niet herleid kunnen worden tot
                                 afzonderlijke personen.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">N</lidnr>
                  <wat>Artikel 10i wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het eerste lid wordt ‘Onze Minister van Financiën’ vervangen door
                           ‘De toezichthoudende autoriteit’ en wordt ‘naar het oordeel van Onze
                           Minister van Financiën’ vervangen door ‘ naar het oordeel van de
                           toezichthoudende autoriteit’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>In het tweede lid wordt ‘artikel 10g, tweede tot en met vierde lid en
                           10h’ vervangen door ‘artikel 10g, eerste, derde en vierde lid en 10h,
                           tweede en derde lid’.</wat>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">O</lidnr>
                  <wat>Na artikel 10i worden de volgende artikelen ingevoegd, luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10j</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank
                                 N.V. zijn in afwijking van artikel 10g, eerste lid, bevoegd
                                 gegevens of inlichtingen die bij of krachtens deze afdeling zijn
                                 verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse toezichthoudende
                                 instantie zijn ontvangen, te verstrekken aan:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>een andere toezichthoudende autoriteit of een
                                       toezichthoudende instantie die belast is met het toezicht op
                                       de instellingen, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a,
                                       b, c, d, e, f, h, i, j, k of l;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>een buitenlandse toezichthoudende instantie in een andere
                                       lidstaat die is belast met het toezicht op de instellingen,
                                       bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, d, e, f, h,
                                       i, j, k of l of een buitenlandse toezichthoudende instantie
                                       in een derde land die belast is met het toezicht op deze
                                       instellingen en waarmee een samenwerkingsovereenkomst is
                                       gesloten als bedoeld in artikel 57bis, vijfde lid, van
                                       richtlijn 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van
                                       20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het
                                       financiële stelsel voor het witwassen van geld of
                                       terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU)
                                       nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot
                                       intrekking van Richtlijn 2005/60 van het Europees Parlement
                                       en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PbEU
                                       2015, L 141);</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>de Nederlandsche Bank N.V. voor zover zij taken uitoefent
                                       anders dan als toezichthoudende autoriteit;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>d.</li.nr>
                            <al>de Europese Centrale Bank;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>e.</li.nr>
                            <al>Onze Ministers, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder
                                       a;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>f.</li.nr>
                            <al>de instanties, genoemd in artikel 10h, tweede lid, onder b
                                       tot en met e;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>g.</li.nr>
                            <al>het Depositogarantiefonds, genoemd in artikel 3:259a van de
                                       Wet op het financieel toezicht;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>h.</li.nr>
                            <al>het Afwikkelingsfonds, genoemd in artikel 3A:68 van de Wet
                                       op het financieel toezicht;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>i.</li.nr>
                            <al>Stichting Beleggers Compensatiefonds;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>j.</li.nr>
                            <al>de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de
                                       Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en
                                       de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige
                                       regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van
                                       kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in
                                       het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en
                                       een gemeenschappelijk bankenafwikkelingsfonds en tot
                                       wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees
                                       Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 225);</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>k.</li.nr>
                            <al>een bij afwikkeling betrokken instantie in een andere
                                       lidstaat;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>l.</li.nr>
                            <al>een persoon of instantie als bedoeld in artikel 83, tweede
                                       lid, onderdeel k van de Richtlijn 2014/59/EU van het Europees
                                       Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de
                                       totstandbrenging van een kader voor het herstel en de
                                       afwikkeling van kredietinstellingen en
                                       beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn
                                       82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG,
                                       2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU,
                                       2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU)
                                       nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees
                                       Parlement en de Raad (PbEU 2014, L 173);</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>m.</li.nr>
                            <al>een depositogarantiestelsel of beleggerscompensatiestelsel
                                       of een daarbij betrokken entiteit in een andere
                                       lidstaat;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>n.</li.nr>
                            <al>Europese Commissie, Europese toezichthoudende autoriteiten,
                                       het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende
                                       autoriteiten en het Europees Comité voor
                                       systeemrisico’s.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt
                                 indien:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden
                                       gebruikt onvoldoende bepaald is;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet
                                       past in het kader van deze wet, prudentiële regelgeving,
                                       resolutieregelgeving dan wel bevoegdheden in het kader van
                                       resolutie, of het toezicht op de instellingen, bedoeld in
                                       artikel 10, tweede lid, onder a, b, c, d, e, f, h, i, j, k of
                                       l;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>c.</li.nr>
                            <al>de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet
                                       zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare
                                       orde;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>d.</li.nr>
                            <al>de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in
                                       voldoende mate is gewaarborgd;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>e.</li.nr>
                            <al>de verstrekking van de gegevens of inlichtingen
                                       redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de
                                       belangen die deze wet beoogt te beschermen; of</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>f.</li.nr>
                            <al>onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen
                                       niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor
                                       deze worden verstrekt.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                        <al>Artikel 10h, derde tot en met het vijfde lid, is van
                                 overeenkomstige toepassing.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10k</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Het Bureau Financieel Toezicht is in afwijking van artikel 10g,
                                 eerste lid, bevoegd gegevens of inlichtingen verkregen bij de
                                 vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak ten aanzien
                                 van een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder m
                                 of n, te verstrekken aan de Stichting Autoriteit Financiële
                                 Markten, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor
                                 de uitoefening van taken van de Stichting Autoriteit Financiële
                                 Markten op grond van de Wet toezicht accountantsorganisaties.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Artikel 10h, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
                                 toepassing.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">10l</nr>
                      </kop>
                      <al>De artikelen 32e tot en met 32j van de Wet ter voorkoming van
                              witwassen en financieren van terrorisme zijn van overeenkomstige
                              toepassing, waarbij geldt dat:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>in artikel 32e in plaats van ‘de in artikel 30 bedoelde
                                    voorschriften’ wordt gelezen ‘de krachtens artikel 10b van de
                                    Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften’;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>in de artikelen 32e en 32f, vierde lid, in plaats van ‘artikel
                                    31, tweede lid’ steeds wordt gelezen ‘artikel 10e van de
                                    Sanctiewet 1977’.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">P</lidnr>
                  <wat>Artikel 15 komt te luiden:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikel status="goed">
                      <kop>
                        <label>Artikel</label>
                        <nr status="officieel">15</nr>
                      </kop>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>Op overtredingen van de bij of krachtens afdeling 5 gestelde
                                 regels die hebben plaatsgevonden en zijn beëindigd voor het
                                 tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet
                                 internationale sanctiemaatregelen, is artikel 10l van deze wet niet
                                 van toepassing.</al>
                      </lid>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                        <al>Na inwerkingtreding van artikel 10.8 van de Wet internationale
                                 sanctiemaatregelen berust de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 op
                                 artikel 10b, eerste lid, en wordt deze regeling geacht te zijn
                                 goedgekeurd als bedoeld in artikel 10b, derde lid.</al>
                      </lid>
                    </artikel>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.9</nr>
                  <titel>Wijziging Telecommunicatiewet</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In artikel 14a.1 van de Telecommunicatiewet wordt
                     ‘Sanctiewet 1977’ vervangen door ‘Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.10</nr>
                  <titel>Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van
                        halfgeleiderprodukten</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">Na artikel 10 van de Wet bescherming oorspronkelijke
                     topografieën van halfgeleiderprodukten wordt een artikel ingevoegd,
                     luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">10a</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Het bureau is bevoegd een aantekening op te nemen bij topografieën
                              van halfgeleiderproducten respectievelijk daartoe strekkende
                              aanvragen, geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 1, onder
                              d, indien er sprake is van een relatie tussen die topografie en:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
                                    waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en
                                    economische middelen zijn bevroren; of</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
                                    een sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de
                                    economische of financiële betrekkingen is beperkt of
                                    verboden.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register
                              opgenomen indien het bureau op eigen gezag deze relatie constateert of
                              informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse
                              overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van
                              overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht
                              op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel, die de
                              relatie legt of bevestigt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Het bureau en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks
                              of de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het
                              opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Het bureau verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid,
                              indien de relatie zich niet langer voordoet.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.11</nr>
                  <titel>Wijziging Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale
                        veiligheid</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In artikel 6, onder a, van de Wet coördinatie
                     terrorismebestrijding en nationale veiligheid wordt ‘Sanctiewet 1977’ vervangen
                     door ‘Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.12</nr>
                  <titel>Wijziging Wet financiële markten BES</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Wet financiële markten BES wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In artikel 2:14, onderdeel f, wordt ‘of de Sanctiewet 1977’ vervangen door
                        ‘, de Sanctiewet 1977 of de Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 3:8, tweede lid, onderdeel b, wordt na ‘de Sanctiewet 1977’
                        ingevoegd ‘of de Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                  <wat>Aan artikel 1:21, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
                        slot van onderdeel b, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,
                        luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>c.</li.nr>
                          <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of
                                    inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op
                                    grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
                                    sanctiemaatregelen.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.13</nr>
                  <titel>Wijziging Wet op de economische delicten</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In artikel 1, onder 1°, van de Wet op de economische
                     delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 en wordt in
                     de alfabetische volgorde ingevoegd: Wet internationale sanctiemaatregelen, de
                     artikelen 2.1.1, eerste lid, en 2.2.1.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.14</nr>
                  <titel>Wijziging Wet op de kansspelen</titel>
                </kop>
                <wat>De Wet op de kansspelen wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In de artikelen 31c, eerste lid, onderdelen b en c, 31d, eerste lid,
                        onderdelen b en d, 31g, derde lid, en 31h, eerste lid, wordt ‘de Sanctiewet
                        1977’ telkens vervangen door ‘de Wet internationale
                        sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 34l, onderdeel d, wordt ‘artikel 10 van de Sanctiewet 1977’
                        vervangen door ‘artikel 7.1.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet
                        internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.15</nr>
                  <titel>Wijziging Wet op het financieel toezicht</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Wet op het financieel toezicht wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In artikel 1:93, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het
                        slot van onderdeel k door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,
                        luidende:</wat>
                  <wijziging>
                    <artikeltekst>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>l.</li.nr>
                          <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of
                                    inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op
                                    grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
                                    sanctiemaatregelen.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 1:104, eerste lid, onderdeel r, van de Wet op het financieel
                        toezicht wordt na ‘de Sanctiewet 1977’ ingevoegd ‘of de Wet internationale
                        sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.16</nr>
                  <titel>Wijziging Wet op het notarisambt</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Wet op het notarisambt wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het tweede lid, onderdeel l, wordt ‘als bedoeld in artikel 111b,
                           tweede lid’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, en
                           de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet 1977.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>In het vierde lid wordt ‘artikel 111b, tweede lid,’ vervangen door
                           ‘artikel 111b, tweede lid, of de artikelen 10c en 10d, van de Sanctiewet
                           1977,’.</wat>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 93, eerste lid, wordt ‘bij of krachtens deze wet’ vervangen
                        door ‘bij of krachtens deze wet of de Sanctiewet 1977’.</wat>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.17</nr>
                  <titel>Wijziging Wet open overheid</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid komt
                     de zinsnede met betrekking tot de Sanctiewet 1977 te luiden:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <al>Sanctiewet 1977: de artikelen 10g, 10h, eerste, tweede en derde lid, en
                           10i.</al>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.18</nr>
                  <titel>Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In hoofdstuk 3 van de Wet ruimtevaartactiviteiten wordt na
                     artikel 11 een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">11a</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>Onze Minister is bevoegd een aantekening op te nemen bij de
                              ruimtevoorwerpen, geregistreerd in het register, bedoeld in artikel
                              11, indien er sprake is van een relatie tussen dat geregistreerd
                              ruimtevoorwerp en:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
                                    waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en
                                    economische middelen zijn bevroren; of</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
                                    een sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de
                                    economische of financiële betrekkingen is beperkt of
                                    verboden.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register
                              opgenomen indien Onze Minister op eigen gezag deze relatie constateert
                              of informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse
                              overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van
                              overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht
                              op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel, die de
                              relatie legt of bevestigt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>Onze Minister en de verstrekker van de informatie controleert
                              jaarlijks of de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft
                              tot het opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste
                              lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>Onze Minister verwijdert op grond van informatie die Onze Minister
                              ontvangt van een instantie als bedoeld in het tweede lid, een
                              aantekening als bedoeld in het eerste lid, indien de relatie zich niet
                              langer voordoet.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.19</nr>
                  <titel>Wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
                        BES</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In artikel 3.13, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van
                     witwassen en financieren van terrorisme BES wordt ‘de Sanctiewet 1977 en de op
                     grond van die wet’ vervangen door ‘de Sanctiewet 1977 of de Wet internationale
                     sanctiemaatregelen en de op grond van die wetten’.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.20</nr>
                  <titel>Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In de Wet toezicht accountantsorganisaties wordt aan artikel
                     63cc een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">6.</lidnr>
                      <al>De Autoriteit Financiële Markten kan, in afwijking van artikel 63a,
                              eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de
                              vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken
                              aan Onze Minister van Economische Zaken voor zover de gegevens of
                              inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op grond
                              van hoofdstuk 5 van de Wet internationale sanctiemaatregelen. Het
                              tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.21</nr>
                  <titel>Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">De Wet toezicht trustkantoren 2018 wordt als volgt
                     gewijzigd:</wat>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                  <wat>In artikel 7, eerste lid, onderdeel k, wordt na ‘de Sanctiewet 1977’
                        ingevoegd ‘of de Wet internationale sanctiemaatregelen’</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                  <wat>In artikel 15, tweede lid, wordt ‘en de Sanctiewet 1977’ vervangen door ‘,
                        de Sanctiewet 1977 en de Wet internationale sanctiemaatregelen’</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                  <wat>In artikel 56, eerste lid, onderdeel b, wordt na ‘de Sanctiewet 1977’
                        ingevoegd ‘, de Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
                </wijzig-lid>
                <wijzig-lid>
                  <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                  <wat>Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">1.</nr>
                    <wat>In het opschrift wordt na ‘Sanctiewet 1977’ ingevoegd ‘en Wet
                           internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
                  </wijziging>
                  <wijziging>
                    <nr status="officieel">2.</nr>
                    <wat>Het eerste lid komt te luiden:</wat>
                    <artikeltekst>
                      <lid>
                        <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                        <al>De Nederlandsche Bank N.V. kan gegevens of inlichtingen verkregen
                                 bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak,
                                 verstrekken aan:</al>
                        <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                          <li>
                            <li.nr>a.</li.nr>
                            <al>de instantie die is belast met de uitvoering van ingevolge
                                       een sanctiebesluit of sanctieregeling in de zin van artikel
                                       1.1 van de Wet internationale sanctiemaatregelen vastgestelde
                                       regels, voor zover de gegevens of inlichtingen dienstig zijn
                                       voor de uitvoering van die regels;</al>
                          </li>
                          <li>
                            <li.nr>b.</li.nr>
                            <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens
                                       of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn
                                       taken op grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
                                       sanctiemaatregelen.</al>
                          </li>
                        </lijst>
                      </lid>
                    </artikeltekst>
                  </wijziging>
                </wijzig-lid>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.22</nr>
                  <titel>Wijziging Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en
                        overnames</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In artikel 19, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet
                     veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames wordt ‘de Sanctiewet 1977’
                     vervangen door ‘de Wet internationale sanctiemaatregelen’.</wat>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.23</nr>
                  <titel>Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aan
                     artikel 202, eerste lid, onder vervanging van de punt aan het slot van
                     onderdeel c, door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>d.</li.nr>
                        <al>Onze Minister van Economische Zaken, voor zover de gegevens of
                                 inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taken op
                                 grond van hoofdstuk 5 van de Wet internationale
                                 sanctiemaatregelen.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
              <wijzig-artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">10.24</nr>
                  <titel>Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005</titel>
                </kop>
                <wat type="wijziging">In hoofdstuk 7, paragraaf 2, van de Zaaizaad- en
                     plantgoedwet 2005 wordt na artikel 56 een artikel ingevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikel status="goed">
                    <kop>
                      <label>Artikel</label>
                      <nr status="officieel">56a</nr>
                    </kop>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De Raad is bevoegd een aantekening op te nemen bij het ras waarvoor
                              een kwekersrecht is verleend als bedoeld in artikel 25, tweede lid,
                              onderdeel b, indien er sprake is van een relatie tussen dat
                              geregistreerde ras en kwekersrecht en:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>a.</li.nr>
                          <al>natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,
                                    waarvan op grond van een sanctiemaatregel, de tegoeden en
                                    economische middelen zijn bevroren; of</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>b.</li.nr>
                          <al>rechtspersonen, entiteiten of lichamen, waarvan op grond van
                                    een sanctiemaatregel, het aangaan of voortzetten van de
                                    economische of financiële betrekkingen is beperkt of
                                    verboden.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">2.</lidnr>
                      <al>Een aantekening als bedoeld in het eerste lid, wordt in het register
                              opgenomen indien de Raad op eigen gezag deze relatie constateert of
                              informatie ontvangt van Nederlandse of buitenlandse
                              overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van
                              overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht
                              op de naleving of met de uitvoering van een sanctiemaatregel, die de
                              relatie legt of bevestigt.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">3.</lidnr>
                      <al>De Raad en de verstrekker van de informatie controleert jaarlijks of
                              de informatie, bedoeld in het tweede lid, nog reden geeft tot het
                              opnemen van een aantekening als bedoeld in het eerste lid.</al>
                    </lid>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">4.</lidnr>
                      <al>De Raad verwijdert een aantekening als bedoeld in het eerste lid,
                              indien de relatie zich niet langer voordoet.</al>
                    </lid>
                  </artikel>
                </wijziging>
              </wijzig-artikel>
            </hoofdstuk>
            <hoofdstuk>
              <kop>
                <label>HOOFDSTUK</label>
                <nr status="officieel">11.</nr>
                <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
              </kop>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">11.1</nr>
                  <titel>Evaluatie</titel>
                </kop>
                <al>Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat
                     binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een
                     verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
                     praktijk.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">11.2</nr>
                  <titel>Integrale tekstpublicatie</titel>
                </kop>
                <al>Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de
                     artikelen, hoofdstukken en paragrafen van de Wet internationale
                     sanctiemaatregelen opnieuw vast en brengt hij de in die wet voorkomende
                     aanhalingen van de artikelen, hoofdstukken en paragrafen met de nieuwe
                     nummering in overeenstemming.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">11.3</nr>
                  <titel>Inwerkingtreding</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
                     dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
                     worden vastgesteld.</al>
              </artikel>
              <artikel status="goed">
                <kop>
                  <label>Artikel</label>
                  <nr status="officieel">11.4</nr>
                  <titel>Citeertitel</titel>
                </kop>
                <al>Deze wet wordt aangehaald als: Wet internationale sanctiemaatregelen.</al>
              </artikel>
            </hoofdstuk>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
                  ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de
                  nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Buitenlandse Zaken,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>MEMORIE VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Algemeen deel</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <al>Internationale sanctiemaatregelen zijn een belangrijk instrument in de
                     buitenlandpolitieke inzet van de Verenigde Naties en de Europese Unie.
                     Sanctiemaatregelen dienen de handhaving of het herstel van de vrede, de
                     ondersteuning van de democratische rechtsstaat, mensenrechten en de beginselen
                     van het internationaal recht, en het voorkomen van conflicten, de versterking
                     van de internationale veiligheid en de bestrijding van terrorisme. Vanuit de
                     overkoepelende kabinetsdoelstelling om de veiligheid en weerbaarheid van
                     Nederland te vergroten, werkt het kabinet aan het door-ontwikkelen en
                     implementeren van sancties. Aanname van een nieuwe sanctiewet en het tegengaan
                     van omzeiling zijn daarbij van groot belang.<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al><extref soort="URL" doc="https://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerprogramma/9a-internationale-veiligheid" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerprogramma/9a-internationale-veiligheid</extref>.</noot.al></noot> Gelet op de toename van het gebruik van het sanctie-instrument, de
                     eisen die dit stelt aan de nationale naleving van sanctiemaatregelen en het
                     belang om hier in Nederland effectief uitvoering aan te geven, moderniseert de
                     regering het sanctiestelsel en stelt zij daartoe een nieuwe Wet internationale
                     sanctiemaatregelen voor.</al>
                <al>De opzet van deze memorie van toelichting is als volgt. Hoofdstuk 2 bespreekt
                     de context van het wetsvoorstel. In dat hoofdstuk wordt ingegaan op de
                     aanleiding tot de voorgenomen modernisering van het Nederlandse sanctiestelsel,
                     de doelstelling van het wetsvoorstel, de oorsprong van sancties en de
                     uitvoering ervan in Nederland. Hoofdstuk 3 bespreekt op hoofdlijnen de
                     verschillende elementen van het wetsvoorstel. In dit hoofdstuk wordt ingegaan
                     op de bestaande systematiek van het Nederlandse sanctiestelsel, zoals
                     geïntroduceerd in de Sanctiewet 1977. Daarna volgt een thematisch overzicht van
                     de elementen die met dit wetsvoorstel worden gemoderniseerd of geïntroduceerd.
                     Hoofdstuk 4 gaat in op de verhouding van het wetsvoorstel tot hoger recht en in
                     het bijzonder op de verhouding tot een aantal fundamentele rechten, de
                     verhouding van het voorstel tot een aantal lopende Europese wetstrajecten en de
                     verhouding tot de Rijkssanctiewet. Hoofdstuk 5 behandelt de verhouding van het
                     voorstel tot andere nationale regelgeving en in hoofdstuk 6 wordt expliciet
                     ingegaan op de rechtsbescherming. Hoofdstuk 7 gaat in op de uitvoering van het
                     wetsvoorstel, en biedt een globaal schematisch overzicht van de organisaties
                     die bij de uitvoering van sancties betrokken zijn op grond van de Sanctiewet
                     1977. Per organisatie wordt aangegeven wat dit voorstel voor hun deel in de
                     uitvoering zal veranderen. Hoofdstuk 8 behandelt de gevolgen van het
                     wetsvoorstel. Specifiek wordt daarin aandacht besteed aan de brede
                     welvaartseffecten en de gevolgen van sanctienaleving voor de duurzame
                     ontwikkelingsdoelen, de regeldrukeffecten van het wetsvoorstel, de financiële
                     gevolgen en de gevolgen voor Caribisch Nederland. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in
                     op de inbreng van geconsulteerde partijen en op de wijze waarop gevolg is
                     gegeven aan over het voorstel uitgebrachte adviezen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Aanleiding, doelstelling en achtergrond: het belang van een sterk(er)
                        Nederlands sanctiestelsel</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.1.</nr>
                    <titel>Aanleiding en probleemstelling</titel>
                  </kop>
                  <al>Beperkende maatregelen (hierna: sancties) zijn een essentieel component
                           van het EU-buitenlandbeleid en hebben de afgelopen jaren een steeds
                           centralere rol ingenomen in de EU-externe beleidsgereedschapskist.
                           Sancties zijn een instrument van het Gemeenschappelijk Buitenland- en
                           Veiligheidsbeleid (GBVB), waarbij de primaire werkingssfeer ligt in
                           beperkingen die gelden voor lidstaten, burgers en bedrijven binnen de
                           Europese Unie (EU). EU-bedrijven mogen bijvoorbeeld geen zaken meer doen
                           met gesanctioneerde personen of entiteiten, transacties mogen niet meer
                           worden uitgevoerd door financiële instellingen in de EU ten behoeve van
                           gesanctioneerde personen of entiteiten, en EU-bedrijven mogen bepaalde
                           goederen of diensten niet langer exporteren naar specifieke landen. Om
                           ervoor te zorgen dat sancties een maximaal effect hebben, is het
                           verplicht voor eenieder om zich daaraan te houden. Door het naleven van
                           sancties dragen bedrijven en burgers concreet bij aan de bevordering van
                           de internationale rechtsorde. Door het ontzeggen van toegang tot de
                           Europese markt of het grondgebied, wordt de betreffende gesanctioneerde
                           persoon, entiteit of het land als geheel geconfronteerd met de gevolgen
                           van zijn gedrag. Dit kan een krachtig signaal zijn, het kan het
                           voortzetten van dat gedrag bemoeilijken, aanzetten tot gedragsverandering
                           en anderen ontmoedigen hetzelfde gedrag te vertonen. De snelle evolutie
                           die het sanctie-instrumentarium de afgelopen jaren in EU-verband heeft
                           doorgemaakt (zie Figuur 1 met een ontwikkeling van het aantal
                           gesanctioneerde personen en entiteiten) stelt daarbij in toenemende mate
                           eisen aan de uitvoering en de naleving ervan.</al>
                  <plaatje>
                    <illustratie kleur="nee" type="lijn" uitlijning="start" formaat="png" naam="stcrt-2026-10692-001.png" breedte="150mm" hoogte="103mm" />
                  </plaatje>
                  <al>
                    <nadruk type="cur">Figuur 1: cumulatief aantal opgelegde EU-sancties die
                              van kracht zijn<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Figuur: Matelly, S. ‘Understanding international
                                    sanctions’, <nadruk type="cur">Infographic</nadruk>, Jacques
                                    Delors Institute, September 2024. Data: <extref doc="https://data.europa.eu/apps/eusanctionstracker/" soort="URL" status="actief">https://data.europa.eu/apps/eusanctionstracker/</extref>.</noot.al></noot></nadruk>
                  </al>
                  <al>Illustratief voor deze evolutie zijn de sanctiepakketten die in EU-verband
                        zijn vastgesteld naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog tegen
                        Oekraïne en het grootschalige geweld tegen de Oekraïense burgerbevolking.
                        Deze ongeëvenaarde sanctiemaatregelen stellen de nationale naleving voor
                        nieuwe uitdagingen. De omvangrijke en snel wijzigende
                        EU-sanctieverordeningen stellen telkens nieuwe eisen aan het toezicht en de
                        handhaving van sancties in Nederland. Eén van de aanbevelingen van de
                        Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving uit mei 2022 (hierna: de
                        Nationaal Coördinator) luidde dan ook om het sanctiestelsel te versterken en
                        ervoor te zorgen dat wet- en regelgeving daarmee gelijke tred houdt.<noot id="n3" type="voet"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> Het blijven werken aan het implementeren van sancties en de aanname
                        van een nieuwe nationale sanctiewet zijn dan ook van groot belang voor het
                           kabinet.<noot id="n4" type="voet"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerprogramma/9a-internationale-veiligheid" soort="URL" status="actief">Hoofdstuk 9a. Internationale veiligheid |
                                 Regering | Rijksoverheid.nl</extref>.</noot.al></noot></al>
                  <al>De Sanctiewet 1977 is de schakel tussen internationale verplichtingen en
                        afspraken en nationale uitvoering en is in het afgelopen decennium slechts
                        beperkt gewijzigd terwijl de omvang en complexiteit van internationale
                        sanctiemaatregelen sterk is toegenomen. De effectiviteit van
                        sanctiemaatregelen kan alleen gewaarborgd worden als de wetgeving voldoende
                        uitgerust is om toepassing te geven aan een steeds veranderend
                        sanctielandschap. Zo hebben de internationale sanctieregimes gericht op het
                        bestrijden van terrorisme als gevolg van de terroristische aanslagen van
                        11 september 2001 in de Verenigde Staten aanleiding gegeven tot wijziging
                        van de Sanctiewet 1977 met het oog op een adequate uitvoering van
                        internationale sanctiemaatregelen gericht op de bestrijding van terrorisme
                        en de uitbreiding van het toezicht op de naleving van financiële
                           sanctiemaatregelen.<noot id="n5" type="voet"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-2002-270" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stb.</nadruk> 2002, 270</extref>.</noot.al></noot>De internationale sanctiemaatregelen die zijn afgekondigd naar
                        aanleiding van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne van 24 februari 2022
                        zijn een vergelijkbare aanleiding die noodzaakt tot een grondige herziening
                        van de wetgeving.</al>
                  <al>De Sanctiewet 1977 is namelijk op een flink aantal punten verouderd.
                        Specifiek gesignaleerde problemen betreffen onder andere ontbrekende of
                        onvoldoende grondslagen om gegevens uit te wisselen, het ontbreken van de
                        mogelijkheid om sanctieschendingen bestuursrechtelijk te handhaven, een
                        niet-toereikend systeem voor beheer en bewind, en behoefte bij marktpartijen
                        aan inzicht in mogelijke relaties met gesanctioneerde personen en
                           entiteiten.<noot id="n6" type="voet"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>Zie ook: Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                                 nr. 72</extref> (Rapport van de nationaal coördinator
                              sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot>Hiernaast kennen sanctiemaatregelen verschillende meldingsplichten,
                        zoals de melding van bevroren tegoeden of de verplichting voor specifieke
                        gesanctioneerde personen of entiteiten om hun tegoeden te melden. Het in
                        ontvangst nemen van deze meldingen is momenteel verdeeld over verschillende
                        meldpunten, wat tot een gefragmenteerd systeem leidt en voor verwarring kan
                        zorgen bij meldingsplichtige instellingen. Het adresseren van deze
                        aandachtspunten zou een omvangrijke wijziging van de Sanctiewet 1977 vergen,
                        waardoor het in de rede ligt om een geheel nieuwe wet vast te stellen.<noot id="n7" type="voet"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband ook Aanwijzing 6.2, eerste lid, van de
                              Aanwijzingen voor de Regelgeving.</noot.al></noot>Daarbij geldt dat afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 nog tijdelijk in
                        licht aangepaste vorm van kracht zal blijven. Dit betreft de onderdelen die
                        zien op het sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering van financiële
                        ondernemingen (zie hierover uitgebreid paragraaf 3.8).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.2.</nr>
                    <titel>Doelstelling</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Om de bovengenoemde problemen te adresseren bevat dit wetsvoorstel een
                           aantal oplossingen. Zo stelt de regering voor om de mogelijkheden om
                           gegevens uit te wisselen te verbeteren, bestuursrechtelijke handhaving
                           van sanctieschendingen te introduceren, evenals een regeling voor het
                           beheer van (langdurig) bevroren tegoeden en de mogelijkheid om in
                           bepaalde openbare registers een aantekening te plaatsen bij een relatie
                           met gesanctioneerde personen of entiteiten. De alternatieven die hierbij
                           zijn overwogen komen aan bod in paragraaf 3 van deze memorie van
                           toelichting. Deze onderwerpen vragen om een dusdanige aanpassing van het
                           stelsel dat een nieuwe wet passender wordt geacht. Het overkoepelende
                           doel daarvan is om nog beter te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld
                           worden vanuit internationale sanctiemaatregelen, en om de daarmee beoogde
                           resultaten helpen te verwezenlijken. Hiermee geeft de regering opvolging
                           aan de aanbeveling van de Nationaal Coördinator om het sanctiestelsel te
                           versterken en te zorgen dat de wetgeving daar gelijke tred mee
                              houdt.<noot id="n8" type="voet"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                                    nr. 72</extref> (Rapport van de nationaal coördinator
                                 sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> De Nationaal Coördinator deed voor de naleving van sancties en
                           het toezicht daarop in het algemeen een aantal aanbevelingen voor de
                           langere termijn om het wettelijke sanctiestelsel te herzien:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>Creëer een meldplicht voor notariaat, advocatuur en accountancy en
                                 zorg voor passend toezicht (aanbeveling 5);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>Creëer een meldpunt voor bevriezing van aandelenbelangen en
                                 aandeelhoudersrechten in rechtspersonen in handen van
                                 gesanctioneerden (aanbeveling 7);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>Kom tot een regeling voor het beheer van langdurig bevroren
                                 tegoeden (aanbeveling 9);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>Creëer een sterkere rechtsgrondslag voor gegevensuitwisseling
                                 (aanbeveling 10);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>Creëer een wettelijke grondslag voor het plaatsen van een
                                 aantekening in het Handelsregister van bevroren bezittingen van
                                    rechtspersonen.<noot id="n9" type="voet"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                                          nr. 72</extref> (Rapport van de nationaal coördinator
                                       sanctienaleving en handhaving), p. 5–6.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>De regering heeft de aanbevelingen van de Nationaal Coördinator omarmd
                           en aangekondigd het Nederlandse sanctiestelsel te moderniseren door
                           aanpassing van de Sanctiewet 1977 en aanpalende wet- en regelgeving.<noot id="n10" type="voet"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                                    nr. 72</extref> (Rapport van de nationaal coördinator
                                 sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> De regering hecht er namelijk veel belang aan dat de sancties in
                           Nederland effectief worden toegepast en gehandhaafd.</al>
                  <al>Nederland is een open samenleving en een handelsnatie pur sang. De
                           regering staat voor onze democratische waarden, vrijheden en
                           rechtsstatelijke normen. Met de modernisering van het sanctiestelsel
                           geeft de regering gevolg aan de grondwettelijke opdracht om de
                           ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen,<noot id="n11" type="voet"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>Artikel 90 Grondwet.</noot.al></noot> en de verplichting, mede op grond van het beginsel van
                              Unietrouw,<noot id="n12" type="voet"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>Zie in het bijzonder de artikelen 4, derde lid, en 24, derde
                                 lid, VEU.</noot.al></noot> om het nuttig effect van EU-regelgeving te verzekeren en zorg te
                           dragen voor een effectieve handhaving en uitvoering van het
                              Unierecht.<noot id="n13" type="voet"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>Artikel 4, derde lid, VEU.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel zorgt er namelijk voor dat internationale
                           sanctiemaatregelen op een gedegen manier kunnen worden geïmplementeerd en
                           uitgevoerd in Nederland. Dat draagt bij aan de effectiviteit van de
                           internationale sanctiemaatregelen, en aan het doorbreken van criminele
                           handels- en geldstromen. In een fragmenterende wereldorde is het
                           bovendien te meer van belang dat Nederland zich sterk maakt voor een
                           betere naleving van het buitenlands beleid van de Unie, waaronder de
                           naleving van sancties.<noot id="n14" type="voet"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2024)
                                    <nadruk type="cur">Nederland in een fragmenterende wereldorde,
                                    WRR-Rapport 109</nadruk>, Den Haag: WRR, p. 19 en p. 118.</noot.al></noot></al>
                  <al>De grondwettelijk ingebedde bevordering van de internationale rechtsorde is
                        niet alleen een doelstelling van buitenlandbeleid, maar plaatst de
                        Nederlandse constitutionele orde in een bredere internationale rechtsorde
                        van vrede en veiligheid. De internationale rechtsorde is daarmee van grote
                        betekenis voor Nederlandse burgers en bedrijven.<noot id="n15" type="voet"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadvanstate.nl/jaarverslag2021/beschouwing/internationale-samenwerking-onder-druk/" soort="URL" status="actief">Inleiding: internationale samenwerking
                                 onder druk – Jaarverslag 2021 (raadvanstate.nl)</extref>.</noot.al></noot> Op het gebied van sanctienaleving hebben burgers en bedrijven
                        daarbij een bijzondere rol. Om de sancties een zo groot mogelijk effect te
                        laten hebben, is het een belangrijke plicht voor eenieder om zich aan de
                        sancties te houden, dat het toezicht op de naleving effectief is en dat
                        wordt gehandhaafd op sanctieschendingen. Dit vraagt collectieve inspanningen
                        van burgers, bedrijven en overheidspartijen. Deze inspanningen zijn nodig en
                        plaatsen Nederlandse burgers, bedrijven en de overheidspartijen midden in de
                        internationale rechtsorde als dragers van rechten én plichten. Door sancties
                        na te leven draagt iedereen bij aan de ondersteuning van de beginselen van
                        het internationaal recht, de handhaving van vrede, de voorkoming van
                        conflicten en de versterking van de internationale veiligheid.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.3.</nr>
                    <titel>De oorsprong van sancties: Verenigde Naties en Europese Unie</titel>
                  </kop>
                  <al>Sancties vinden hun oorsprong over het algemeen in VN- of
                        EU-besluitvorming. Het VN-Handvest geeft de Veiligheidsraad de bevoegdheid
                        om voor alle leden van de VN bindende maatregelen te nemen die nodig zijn om
                        de internationale vrede en veiligheid te handhaven of te herstellen, wanneer
                        er sprake is van een bedreiging van de vrede, een schending van de vrede of
                        een daad van agressie.<noot id="n16" type="voet"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>Artikel 39 van het Handvest van de Verenigde Naties.</noot.al></noot> Op grond van het VN-Handvest ingestelde sancties omvatten een breed
                        scala aan maatregelen die zich niet richten op het gebruik van gewapend
                        geweld en dienen ter uitvoering van VN-besluiten.<noot id="n17" type="voet"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>Artikel 41 van het Handvest van de Verenigde Naties.</noot.al></noot> Sinds 1966 heeft de Veiligheidsraad 31 sanctieregimes ingesteld: in
                        het toenmalige Zuid-Rhodesië, Zuid-Afrika, voormalig Joegoslavië (2), Haïti,
                        Angola, Liberia (3), Eritrea/Ethiopië, Rwanda, Sierra Leone, Ivoorkust,
                        Iran, Somalië/Eritrea, ten aanzien van ISIL (<nadruk type="cur">Daesh</nadruk>) en Al-Qaida, Irak (2), Democratische Republiek Congo,
                        Soedan, Libanon, Noord-Korea, Libië (2), ten aanzien van de Taliban,
                        Guinee-Bissau, Centraal Afrikaanse Republiek, Jemen, Zuid-Soedan en Mali.
                        Sinds de totstandkoming van het VN-Handvest in 1945 hebben sancties van de
                        Veiligheidsraad een aantal verschillende vormen aangenomen, met het oog op
                        een verscheidenheid aan doelen. De maatregelen varieerden van alomvattende
                        economische en handelssancties tot meer (persoons)gerichte maatregelen zoals
                        wapenembargo’s, reisverboden en financiële of grondstoffenbeperkingen. De
                        Veiligheidsraad heeft sancties opgelegd om vreedzame machtsoverdrachten te
                        ondersteunen, niet-grondwettelijke veranderingen (zoals machtsgrepen) af te
                        schrikken, terrorisme te bestrijden, mensenrechten te beschermen en
                        non-proliferatie te bevorderen.<noot id="n18" type="voet"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.un.org/securitycouncil/sanctions/information" soort="URL" status="actief">Sanctions | United Nations Security
                                 Council</extref>.</noot.al></noot> De huidige Sanctiewet 1977 is tot stand gebracht tegen de
                        achtergrond van de toepassing van de in 1968 aangenomen VN-sancties tegen
                           Zuid-Rhodesië,<noot id="n19" type="voet"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al><extref doc="https://repository.overheid.nl/frbr/sgd/19751976/0000198255/1/pdf/SGD_19751976_0005454.pdf" soort="URL" status="actief">Kamerstukken II 1975/76, 14006,
                                 nr. 3</extref>, p. 5.</noot.al></noot> lang voor de instelling van het GBVB van de EU in 1993.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Naast sancties die hun oorsprong in VN-besluitvorming vinden, kan de EU
                           in het kader van het GBVB ook autonoom sancties opleggen of VN-sancties
                           versterken. In het algemeen worden sancties opgelegd om een verandering
                           teweeg te brengen in het beleid of de activiteit van het betrokken land,
                           een deel van het land, de regering, entiteiten of individuen om de
                           doelstellingen van het GBVB te ondersteunen. De EU gebruikt sancties als
                           onderdeel van een geïntegreerd en alomvattend beleid dat bestaat uit een
                           politieke dialoog, aanvullende inspanningen en andere instrumenten
                           waarover ze beschikt. Inmiddels zijn sancties een essentieel en niet meer
                           weg te denken onderdeel van het buitenlands beleid van de EU voor het
                           nastreven van haar doelstellingen in overeenstemming met de beginselen
                           van het GBVB, waaronder:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de bescherming van de waarden, fundamentele belangen en veiligheid
                                 van de EU;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>handhaving van de vrede;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat,
                                 de mensenrechten en de beginselen van het internationaal
                                 recht;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>voorkoming van conflicten en versterking van de internationale
                                    veiligheid.<noot id="n20" type="voet"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>Artikel 21, tweede lid, VEU.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>EU-sancties en VN-sancties staan met elkaar in verband en er bestaan in
                           de Europese context dan ook drie soorten sanctieregimes:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>1.</li.nr>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Omgezette VN-sancties</nadruk>: sancties die
                                 zijn opgelegd in VN-verband worden omgezet in EU-recht in het kader
                                 van het GBVB en in het belang van uniforme implementatie voor een
                                 gelijk speelveld op de interne markt en uitvoerbaarheid in de
                                    Schengenzone.<noot id="n21" type="voet"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>De mogelijkheid van lidstaten van de EU om buiten
                                       EU-verband sanctiemaatregelen te treffen is overigens
                                       beperkt. Het EU-Hof heeft in de <nadruk type="cur">Kadi</nadruk>-zaak namelijk overwogen dat economische en
                                       financiële maatregelen de werking van de gemeenschappelijke
                                       markt kunnen aantasten. Zie EU-Hof, Zaak C-402/05 P en
                                       C-415/05 P, Kadi, paragraaf 230.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>2.</li.nr>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Versterkte VN-sancties</nadruk>: sancties die
                                 zijn opgelegd in VN-verband kunnen door de EU worden versterkt door
                                 strengere en aanvullende beperkingen op te leggen, bijvoorbeeld
                                 naar aanleiding van een oproep daartoe in resoluties van de VN
                                 Veiligheidsraad of naar eigen inschatting van de EU (bijvoorbeeld
                                 ten aanzien van Noord-Korea).</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>3.</li.nr>
                        <al>
                          <nadruk type="vet">Autonome sancties</nadruk>: sanctieregimes die
                                 de EU volledig autonoom instelt. Deze kunnen gericht zijn tegen
                                 regeringen van derde landen en tegen niet-statelijke entiteiten of
                                 personen (zoals terroristische organisaties en terroristen).
                                 Voorbeelden van autonome EU-sanctieregimes die momenteel gelden
                                 zijn de regimes gericht op Syrië, Venezuela, Rusland en
                                    Belarus.<noot id="n22" type="voet"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.eeas.europa.eu/eeas/european-union-sanctions_en" soort="URL" status="actief">https://www.eeas.europa.eu/eeas/european-union-sanctions_en</extref></noot.al></noot></al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al-groep>
                    <al>Bij sancties kan worden gedacht aan:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>wapenembargo’s;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>beperkingen op de toelating tot het grondgebied van de EU van op
                                 een lijst geplaatste personen;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het bevriezen van tegoeden en economische middelen (zoals
                                 goederen) van op een lijst geplaatste personen of entiteiten
                                 evenals een verbod op het ter beschikking stellen van economische
                                 middelen aan deze personen of entiteiten;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>verschillende vormen van economische sancties, de zogeheten
                                 sectorale maatregelen (beperkingen met betrekking tot verschillende
                                 sectoren van economische bedrijvigheid, zoals een verbod op de
                                 invoer of uitvoer van bepaalde goederen, op investeringen, op het
                                 verrichten van bepaalde diensten).</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Om dergelijke maatregelen op te leggen, is een specifieke wettelijke
                        grondslag in de EU-verdragen noodzakelijk. Deze is te vinden in artikel 29
                        van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) wat betreft de
                        sanctiebesluiten in het kader van het GBVB, waaronder dus het instellen van
                        sancties. De toepasselijke stemprocedure staat in <extref doc="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:12012M031:NL:HTML" soort="URL" status="actief">artikel</extref> 31 VEU: eenparigheid van
                        stemmen, oftewel unanimiteit (eerste lid) of gekwalificeerde meerderheid
                        wanneer uitvoering wordt gegeven aan een eerder besluit (tweede lid). Deze
                        GBVB-besluiten hebben betrekking op derde landen en personen, maar scheppen
                        verplichtingen voor EU-lidstaten en hun onderdanen. De lidstaten moeten
                        rechtstreeks toepassing geven aan deze besluiten, bijvoorbeeld als het gaat
                        om wapenembargo’s en reisbeperkingen. Voor zover het gaat om sancties tegen
                        natuurlijke personen en entiteiten moet het GBVB-besluit nauwkeurige en op
                        het specifieke geval toegesneden criteria bevatten waarmee bepaald kan
                        worden welke personen en entiteiten op de sanctielijst moeten komen (het
                        zogenoemde ‘oplijsten’ van personen of ‘listing’) en wanneer zij er weer van
                        verwijderd moeten worden (‘delisting’).</al>
                  <al>Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van financiële en economische
                        beperkingen eenvormig plaatsvindt, worden de maatregelen in GBVB-besluiten
                        omgezet in EU-verordeningen. EU-verordeningen hebben een algemene strekking,
                        zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke
                           lidstaat.<noot id="n23" type="voet"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al>Artikel 288, tweede alinea, VEU.</noot.al></noot> Een regeling uit een verordening is van toepassing op iedere
                        situatie of op iedere persoon die aan de criteria voldoet (zoals
                        fabrikanten, exporteurs, dienstverleners, banken, luchtvaartmaatschappijen).
                        Deze verordeningen worden vastgesteld op basis van <extref doc="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:12012E215:NL:HTML" soort="URL" status="actief">artikel 215 van het Verdrag betreffende de
                           werking van de Europese Unie (VWEU)</extref>.
                        
                        <extref doc="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:12012E215:NL:HTML" soort="URL" status="actief">Het eerste lid is de grondslag voor een gehele
                           of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen
                           met bepaalde landen. Het tweede lid is de grondslag voor sancties tegen
                           natuurlijke personen, rechtspersonen en niet-statelijke groepen of
                           entiteiten</extref>.
                        <noot id="n24" type="voet"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al>Specifieker geeft het eerste lid de Raad de bevoegdheid om op
                              gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor
                              buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie de nodige
                              maatregelen vast te stellen wanneer in een GBVB-besluit is voorzien in
                              de gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële
                              betrekkingen met landen. Het tweede lid voorziet in de bevoegdheid
                              voor de Raad om, wanneer een GBVB-besluit daarin voorziet, sancties
                              vast te stellen tegen natuurlijke personen, rechtspersonen en
                              niet-statelijke groepen of entiteiten.</noot.al></noot><extref doc="http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:12012E215:NL:HTML" soort="URL" status="actief" /></al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">2.4.</nr>
                    <titel>Uitvoering van sancties door Nederland</titel>
                  </kop>
                  <al>Nederland kan als lidstaat van de EU unilateraal geen sancties opleggen.
                        Dit zou immers de werking van de interne markt kunnen aantasten, het vrije
                        verkeer beperken en een concurrentieverstorend effect hebben.<noot id="n25" type="voet"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al>Het Hof van Justitie van de Europese Unie overwoog hierover in
                              de zaak <nadruk type="cur">Kadi I</nadruk> als volgt: ‘Indien
                              economische en financiële maatregelen zoals die welke bij de
                              litigieuze verordening zijn opgelegd, die bestaan in de – in beginsel
                              algemene – bevriezing van alle tegoeden en andere economische middelen
                              van de betrokken personen en entiteiten, eenzijdig door elke lidstaat
                              werden opgelegd, zou een wildgroei van deze nationale maatregelen de
                              werking van de gemeenschappelijke markt immers kunnen aantasten. Deze
                              maatregelen zouden in het bijzonder invloed kunnen hebben op het
                              verkeer tussen de lidstaten, met name op het kapitaal en het
                              betalingsverkeer, alsook op de uitoefening door de ondernemingen van
                              hun recht van vestiging. Bovendien zouden zij kunnen leiden tot
                              verstoringen van de mededinging, aangezien eventuele verschillen
                              tussen de eenzijdige maatregelen van de lidstaten de
                              concurrentiepositie van bepaalde ondernemingen zouden kunnen
                              verbeteren of verslechteren, zonder dat deze verbetering of
                              verslechtering op economische gronden zou zijn gebaseerd’. (Zaak
                              C-402/05 P en C-415/05 P, paragraaf 230).</noot.al></noot> Vrijwel alle sancties die in Nederland moeten worden uitgevoerd
                        vinden hun oorsprong in resoluties van de VN Veiligheidsraad, en Europese
                        sanctiebesluiten en -verordeningen. Het beste voorbeeld van de uitvoering
                        van sancties die voortvloeien uit een resolutie van de Veiligheidsraad is de
                        nationale terrorismelijst.<noot id="n26" type="voet"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al>Artikel 2, eerste lid, Sanctieregeling terrorisme
                              2007-II.</noot.al></noot> De Minister van Buitenlandse Zaken kan in overeenstemming met de
                        Ministers van Justitie en Veiligheid, en Financiën onder bepaalde
                        voorwaarden een persoon op de nationale terrorismelijst plaatsen. Hierbij
                        wordt uitvoering gegeven aan Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van
                        28 september 2001.<noot id="n27" type="voet"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al>Ook wordt hiermee uitvoering gegeven aan het Gemeenschappelijk
                              Standpunt van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001
                              (2001/930/GBVB) inzake terrorismebestrijding (Pb EG L 344). Dit valt
                              onder de vier gronden op basis waarvan in Nederland sanctieregelingen
                              kunnen worden opgesteld (zie daarover paragraaf 3.1).</noot.al></noot> Als een sanctiemaatregel besloten ligt in een EU-verordening is deze
                        vooral gericht aan overheidsdiensten en economische operatoren om eenvormig
                        uitvoering te geven aan sancties. Denk bijvoorbeeld aan handel en het
                        internationale financiële verkeer. EU-besluiten richten zich daarentegen tot
                        EU-lidstaten. Zij moeten uitvoering geven aan sancties die tot de taken van
                        de lidstaten behoren, zoals inreisverboden.</al>
                  <al>Het onderscheid tussen sanctieverordeningen en -besluiten is cruciaal voor
                        de wijze waarop Nederland als lidstaat gevolg moet geven aan het daarin
                        bepaalde. Een verordening heeft een algemene strekking, is verbindend in al
                        haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.<noot id="n28" type="voet"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al>Artikel 288, tweede alinea, VEU.</noot.al></noot> Een regeling uit een verordening is van toepassing op iedere
                        situatie of op iedere persoon die aan de abstracte criteria voldoet.
                        ‘Rechtstreeks toepasselijk’ betekent dat een verordening als zodanig geldt
                        in de lidstaten en niet mag worden omgezet in nationale wetgeving
                           (‘overschrijfverbod’).<noot id="n29" type="voet"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al>Zie hierover HvJ EG, 7 februari
                              1973,:C-39/72
                              (Commissie t. Italië), Jur. 1973, p. 101, HvJ EG, 10 oktober
                              1973,C-34/73 (Variola t. Ammistrazione delle Finanze), Jur. 1973, p. 981 en HvJ EG, 31 januari 1978, C-94/77 (Zerbone), Jur. 1978, p. 99.</noot.al></noot> Een omzetting zou er namelijk toe kunnen leiden dat er verschillen
                        ontstaan tussen de inhoudelijke betekenis van een verordening en de
                        nationale regeling.</al>
                  <al>Nationale implementatiemaatregelen zijn wel noodzakelijk voor zover uit een
                        EU-verordening een plicht of bevoegdheid voortvloeit tot het stellen van
                        regels om verdere uitvoering te geven aan de verordening. Dit kan neergelegd
                        zijn in een algemene opdracht in de verordening, maar daarnaast volgt uit
                        het algemene beginsel van Unietrouw en de doctrine van nuttig effect dat
                        lidstaten de noodzakelijke maatregelen moeten treffen voor de daadwerkelijke
                        verwezenlijking van het door Europese regelgeving beoogde resultaat.<noot id="n30" type="voet"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al>De doctrine van nuttig effect volgt uit artikel 4
                              VWEU.</noot.al></noot> De lidstaten moeten alles doen of nalaten wat voor de volledige en
                        daadwerkelijke toepassing van het Europese recht in de nationale rechtsorde
                        nodig is.<noot id="n31" type="voet"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al>Zie onder meer HvJ EG, 21 september 1989, C-68/88 (Commissie v.
                              Griekenland), Jur. 1989 p. 2965, HvJ EG, 18 december 1997,C-129/96
                              (Inter- Environnement Wallonie ASBL tegen Région wallonne), Jur. 1997
                              p. I-07411).</noot.al></noot></al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Hoofdlijnen van het wetsvoorstel</titel>
                </kop>
                <al-groep>
                  <al>Het wetsvoorstel laat de Sanctiewet 1977 grotendeels vervallen en laat
                        daarvoor een geheel nieuwe Wet internationale sanctiemaatregelen in de
                        plaats treden. Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 zal nog enige tijd blijven
                        voortbestaan (zie paragraaf 3.8). Het wetsvoorstel moderniseert het
                        Nederlandse sanctiestelsel daarbij op verschillende vlakken. De hoofdlijnen
                        hiervan worden achtereenvolgens besproken:</al>
                  <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering
                              van internationale sanctiemaatregelen (paragraaf 3.1);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>de introductie van bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van
                              sanctiemaatregelen in aanvulling op het strafrecht (paragraaf
                              3.2);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>de introductie van een bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige
                              niet-naleving of ontduiking van sanctiemaatregelen (paragraaf
                              3.3);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het mogelijk maken van beheer en bewind van (langdurig) bevroren
                              tegoeden en economische middelen (paragraaf 3.4);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het creëren van een grondslag om in verschillende openbare registers
                              een koppeling te maken met sancties (paragraaf 3.5);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het verder verbeteren van de mogelijkheden die bevoegde autoriteiten,
                              zoals toezichthouders en handhavingsinstanties, hebben om gegevens uit
                              te wisselen (paragraaf 3.6);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>het inrichten van een centraal meldpunt sancties (paragraaf
                              3.7);</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>aanpassingen aan het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding
                              van dat toezicht naar juridische beroepsgroepen (paragraaf 3.8).</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </al-groep>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.1.</nr>
                    <titel>Modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering
                           van internationale sanctiemaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <al>De Sanctiewet 1977 kent vier internationale grondslagen op basis waarvan in
                        Nederland uitvoeringsregels kunnen worden gesteld, namelijk internationale
                        sanctiemaatregelen uit (1) verdragen; (2) bindende besluiten van
                        volkenrechtelijke organisaties; (3) aanbevelingen van volkenrechtelijke
                        organisaties, en (4) internationale afspraken. Internationale
                        sanctiemaatregelen die voortvloeien uit verdragen of besluiten van
                        volkenrechtelijke organisaties zijn juridisch bindend. Daar kan uitvoering
                        aan worden gegeven bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële
                        regeling, als de te stellen regels alleen strekken ter uitvoering van de
                        verplichtingen in kwestie.<noot id="n32" type="voet"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al>Artikel 2 Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> Aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
                        afspraken (zoals internationale beleidsafspraken, zogenaamde <nadruk type="cur">Memoranda of Understanding</nadruk>) hebben weliswaar een
                        politiek bindend karakter, maar geen juridisch bindend karakter.
                        Uitvoeringsregels ter voldoening van deze aanbevelingen en internationale
                        afspraken kunnen daarom in beginsel alleen bij algemene maatregel van
                        bestuur worden gesteld.<noot id="n33" type="voet"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al>Artikel 2, eerste lid, en artikel 7 Sanctiewet 1977. De
                              Sanctiewet 1977 biedt in artikel 7 de mogelijkheid om in geval van
                              ‘gewichtige redenen’ eerst een ministeriële regeling vast te stellen,
                              die vervolgens binnen tien maanden moet worden vervangen door een
                              algemene maatregel van bestuur. Deze mogelijkheid wordt niet
                              overgenomen in dit wetsvoorstel. Verwezen wordt naar de
                              artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.2.1.</noot.al></noot></al>
                  <al>Zoals het kabinet in de hoofdlijnenbrief modernisering sanctiestelsel heeft
                        aangegeven wordt (voor juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen)
                        geen afscheid genomen van de bestaande systematiek van het aanwijzen van
                        bevoegdheden bij ministeriële regeling omdat dit de noodzakelijke
                        flexibiliteit en snelheid biedt die onontbeerlijk is bij zichzelf snel
                        opvolgende internationale of Europese ontwikkelingen.<noot id="n34" type="voet"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-36200-V-56" soort="document" status="actief">36 200-V nr. 56</extref>, p.
                              5–6.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel houdt vast aan de bovengenoemde vier grondslagen,
                        maar voorziet daarbij wel in een nadere inkadering van de grondslagen. Zo
                        bepaalt het wetsvoorstel dat bij de uitvoering van juridisch bindende
                        internationale sanctiemaatregelen, voor ministeriële regelingen kan worden
                        gekozen als er sprake is van spoed of als de internationale
                        sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor beleidsinhoudelijke keuzes. Dit
                        kan daarom worden opgevat als een codificering van de huidige praktijk,
                        waarbij internationale sanctiemaatregelen zoals EU-verordeningen zeer kort
                        na publicatie in werking treden, waardoor snelle uitvoering nodig is.
                        Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een verduidelijking en versterking
                        van de waarborgen die gelden voor de uitvoering van internationale
                        sanctiemaatregelen die zijn neergelegd in aanbevelingen van
                        volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken, die juridisch
                        niet bindend van aard zijn.</al>
                  <al>De regering streeft ernaar om internationale sanctiemaatregelen vast te
                        stellen op een internationaal zo breed mogelijk gedragen niveau, bij
                        voorkeur in VN- of EU-verband, waarbij het gebruik van juridisch bindende
                        instrumenten een sterke voorkeur heeft. In het bijzonder hecht de regering
                        waarde aan een gemeenschappelijk EU-optreden, met het oog op de integriteit
                        van de interne markt, een gelijk speelveld en het voorkomen van een
                        ongecontroleerde toename aan verschillende internationale
                           sanctiemaatregelen.<noot id="n35" type="voet"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al>Dit beleid is niet nieuw. Bij de totstandkoming van de
                              Sanctiewet 1977 gaf de regering al aan er naar te zullen streven
                                 ‘<nadruk type="cur">dat Nederland en die landen waarmede het nauwe
                                 economische en financiële betrekkingen onderhoudt, een zo gelijk
                                 mogelijk sanctiebeleid voeren, zulks teneinde de doeltreffendheid
                                 van dit beleid te bevorderen en een onevenwichtige lastenverdeling
                                 te voorkomen</nadruk>’ (<nadruk type="cur">Kamerstukken II</nadruk>
                              1975/76, <extref doc="kst-14006-1" soort="document" status="actief">14 006, nrs. 1–3</extref>. p. 8). De mogelijkheid van lidstaten
                              van de EU om buiten EU-verband om sanctiemaatregelen te treffen is
                              daarbij beperkt. Zo heeft het EU-Hof in de<nadruk type="cur">
                                 Kadi</nadruk>-zaak overwogen dat economische en financiële
                              maatregelen de werking van de gemeenschappelijke markt kunnen
                              aantasten. Zie EU-Hof, Zaak C-402/05 P en C-415/05 P, Kadi, paragraaf
                              230.</noot.al></noot> Met het oog op de noodzaak om tot een zo toekomstbestendig mogelijke
                        wet te komen kiest de regering daarbij bewust voor behoud van de grondslag
                        om uitvoering te geven aan niet-juridisch bindende instrumenten
                        (aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
                        afspraken). Bij aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties op het
                        gebied van sancties kan bijvoorbeeld gedacht worden aan aanbevolen
                        maatregelen van de Algemene Vergadering van de VN voor de vreedzame regeling
                        van iedere situatie.<noot id="n36" type="voet"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al>Artikel 14 VN-Handvest. Zie hierover uitgebreider: <extref doc="https://unu.edu/sites/default/files/2024-08/Assembly%20for%20Peace_GA%20Digital%20Handbook%20on%20Peace%20and%20Security.pdf" soort="URL" status="actief">unu.edu/sites/default/files/2024-08/Assembly for Peace_GA Digital
                                 Handbook on Peace and Security.pdf</extref>, pp. 30–38.</noot.al></noot> Het sanctie-instrument blijft zich door-ontwikkelen en het is om die
                        reden niet uit te sluiten dat zich ook in de toekomst situaties zullen
                        voordoen die het in sommige gevallen wenselijk blijven maken om gebruik te
                        maken van een niet-juridisch bindend instrument, zoals momenteel onder de
                        Sanctiewet 1977 ook mogelijk is. De implementatie zal met voldoende
                        waarborgen zijn omkleed, zoals uitvoering bij algemene maatregel van bestuur
                        in plaats van een ministeriële regeling, parlementaire betrokkenheid en een
                        zo beperkt mogelijke werkingsduur.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen die niet zijn overgenomen uit de Sanctiewet
                              1977</titel>
                    </kop>
                    <al>In artikel 3 van de huidige Sanctiewet 1977 is een opsomming opgenomen
                           van de onderwerpen die de implementatie van internationale
                           sanctiemaatregelen kan betreffen (dit artikel heeft zowel betrekking op
                           de uitvoering van juridisch bindende als niet-juridisch bindende
                           internationale sanctiemaatregelen). Bij wijziging van de Sanctiewet 1977
                           uit 2000, heeft de wetgever ervoor gekozen om deze opsomming van zijn
                           limitatieve karakter te ontdoen, om ook de implementatie van destijds nog
                           niet voorziene sanctieverplichtingen mogelijk te maken.<noot id="n37" type="voet"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al>Wet van 13 april 2000 tot wijziging van de Sanctiewet 1977 en
                                 van de In- en uitvoerwet tot vereenvoudiging van de implementatie
                                 van internationale verplichtingen (<extref doc="stb-2000-196" soort="document" status="actief">Stb. 2000, nr. 196</extref>). Zie
                                 voor een toelichting op de betreffende wijziging van artikel 3:
                                 Kamerstukken II 1999/2000, <extref doc="kst-26872-3" soort="document" status="actief">26 872, nr. 3</extref>, p. 2.</noot.al></noot> Als gevolg daarvan is de meerwaarde van deze bepaling beperkt, in
                           die zin dat het niet meer biedt dan een indicatie van het soort
                           maatregelen dat kan worden getroffen. Het regelgevende karakter
                           ontbreekt. De regering kiest er daarom voor om geen gelijkluidende
                           bepaling over te nemen in dit wetsvoorstel.</al>
                    <al>Om gelijke redenen wordt artikel 4 van de huidige Sanctiewet 1977 niet
                           overgenomen in dit wetsvoorstel. Dit artikel specificeert dat de te
                           stellen uitvoeringsregels de toegang en het verblijf van vreemdelingen
                           kunnen betreffen, voor zover nodig in afwijking van de genoemde artikelen
                           uit de Vreemdelingenwet 2000. Met de voornoemde wijziging van de
                           Sanctiewet 1977 uit 2000, heeft ook deze bepaling aan betekenis ingeboet,
                           omdat de implementatie sindsdien alle voorschriften kunnen betreffen die
                           vereist zijn om te voldoen aan de betreffende internationale
                           sanctiemaatregelen. Het is daarom niet nodig om voor de Vreemdelingenwet
                           2000 apart te specificeren van welke bepalingen kan worden
                           afgeweken.</al>
                    <al>Op grond van artikel 6, eerste lid, van de huidige Sanctiewet 1977 kan
                           een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van internationale
                           sanctiemaatregelen niet eerder in werking treden dan twee maanden na
                           publicatie. Dit voorschrift is in de Sanctiewet 1977 opgenomen om ruimte
                           te geven aan de in het huidige artikel 6, tweede lid, van de Sanctiewet
                           1977 neergelegde parlementaire betrokkenheid bij algemene maatregelen van
                           bestuur (zij het dat de termijnen uit deze twee bepalingen abusievelijk
                              uiteenlopen).<noot id="n38" type="voet"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al>Zie voor de motivering van de tweemaandentermijn:
                                 Kamerstukken II 1976/77, <extref doc="kst-14006-6" soort="document" status="actief">14 006, nr. 6</extref>, p. 2. Bij een
                                 daaropvolgende aanpassing van de termijn aangaande de parlementaire
                                 betrokkenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Sanctiewet
                                 1977, van twee maanden naar een maand, is de tweemaandentermijn
                                 voor de vertraagde inwerkingtreding van de algemene maatregel van
                                 bestuur abusievelijk niet dienovereenkomstig aangepast. Zie:
                                 Handelingen II 6 oktober 1977, p. 112–113. Voor algemene
                                 maatregelen van bestuur die uitvoering geven aan juridisch bindende
                                 internationale sanctiemaatregelen, is de parlementaire
                                 betrokkenheid komen te vervallen bij een eerdere wijziging van de
                                 Sanctiewet 1977 (<extref doc="stb-2000-196" soort="document" status="actief">Stb. 2000, 196</extref>). Als gevolg daarvan heeft
                                 de uitgestelde inwerkingtreding voor deze algemene maatregelen van
                                 bestuur sindsdien al geen meerwaarde meer. Voor niet-juridisch
                                 bindende internationale sanctiemaatregelen is deze uitgestelde
                                 termijn op dit moment nog wel van betekenis.</noot.al></noot> Als echter naar het oordeel van de
                           minister vanwege gewichtige redenen een
                           onmiddellijke voorziening vereist is, kan met de vaststelling van een
                           ministeriële regeling alsnog worden geregeld dat de maatregelen direct,
                           en dus niet pas na twee maanden gaan gelden (artikel 7). Met dit
                           wetsvoorstel komt de mogelijkheid tot het gebruik van een ministeriële
                           regeling bij niet-juridisch bindende sanctiemaatregelen te vervallen. In
                           plaats daarvan wordt voorgeschreven dat de uitvoering van niet-juridisch
                           bindende internationale sanctiemaatregelen altijd bij algemene maatregel
                           van bestuur geschiedt.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.2.</nr>
                    <titel>Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen</titel>
                  </kop>
                  <al>Het overtreden van sanctieregelgeving is een vorm van
                        financieel-economische criminaliteit,<noot id="n39" type="voet"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2020/21, <extref doc="kst-35447-6" soort="document" status="actief">35 447, nr. 6</extref>, antwoord
                              164.</noot.al></noot> en de inspanningen van overheidswege om financieel-economische
                        criminaliteit tegen te gaan omvatten dus eveneens het tegengaan van
                        sanctieovertredingen. Sanctiemaatregelen worden momenteel alleen
                        strafrechtelijk gehandhaafd. Dat is van oudsher het geval. Onder de
                        Sanctiewet 1935 al werden overtredingen van op basis van die wet getroffen
                        maatregelen als misdrijven bestraft met een jaar gevangenisstraf of een
                        geldboete van hoogstens tienduizend gulden.<noot id="n40" type="voet"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al>Artikel 5, eerste lid en derde lid, van de Sanctiewet 1935
                                 (<extref doc="stb-1935-621" soort="document" status="actief">Stb.
                                 1935, 621</extref>).</noot.al></noot> Van 1980 tot 2002 waren opzettelijke overtredingen van de krachtens
                        de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften misdrijven waartegen een
                        strafbedreiging gold van twee jaar gevangenisstraf of een geldboete van de
                        vierde categorie. In 2002 meende de wetgever dat deze strafmaat onvoldoende
                        recht deed aan de ernst van dergelijke overtredingen. Daarop werd de
                        strafmaat verhoogd naar een gevangenisstraf van hoogstens zes jaar of een
                        geldboete van de vijfde categorie.<noot id="n41" type="voet"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-2002-270" soort="document" status="actief">Stb.
                                 2002, 270</extref>. Zie voor de toelichting: Kamerstukken II
                              2001/02, <extref doc="kst-28251-3" soort="document" status="actief">28 251, nr. 3</extref>, p. 8.</noot.al></noot> De Sanctiewet 1977 voorziet echter niet in bestuursrechtelijke
                        handhaving van materieelrechtelijke schendingen van sanctiemaatregelen. Wel
                        is er bestuursrechtelijk toezicht en handhaving op de administratieve
                        organisatie en interne controle van een specifieke lijst van financiële
                        instellingen (hierna: Sanctiewet-instellingen).<noot id="n42" type="voet"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al>Artikel 10, eerste lid, van de Sanctiewet 1977. Hieronder vallen
                              ook aanbieders van cryptodiensten en trustkantoren.</noot.al></noot> Het toezicht en de handhaving hierop worden uitgevoerd door de
                        Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).<noot id="n43" type="voet"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al>Regeling toezicht Sanctiewet 1977.</noot.al></noot>Ook zijn er verscheidene toezichthouders en uitvoeringsorganisaties
                        betrokken bij het tegengaan van materiële sanctieschendingen (zie paragraaf
                        7 voor een overzicht), maar zonder bestuursrechtelijk
                        handhavingsinstrumentarium.</al>
                  <al>Overtredingen van sanctiebesluiten en sanctieregelingen zijn strafbaar
                        gesteld als economisch delict.<noot id="n44" type="voet"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al>Artikel 1, eerste lid, Wet op de economische delicten.</noot.al></noot> Wanneer opzettelijk begaan, is overtreding van de Sanctiewet 1977
                        een misdrijf. In alle andere gevallen is er in strafrechtelijke zin sprake
                        van een overtreding.<noot id="n45" type="voet"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al>Artikel 2, eerste lid, Wet op de economische delicten.</noot.al></noot> Voor Caribisch Nederland geldt hetzelfde stramien, zij het met een
                        andere rechtsgrond.<noot id="n46" type="voet"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al>Artikelen 14a en 14c Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> Als een partij in strijd handelt met geldende sanctiemaatregelen,
                        bijvoorbeeld door het exporteren van goederen terwijl dit verboden is, is er
                        een grondslag voor het Openbaar Ministerie om over te gaan tot
                        strafrechtelijk onderzoek en eventuele strafvervolging.</al>
                  <al>De Nationaal Coördinator constateerde in zijn eindrapport dat
                        bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen door
                        middel van bestuurlijke boetes of een last onder dwangsom een waardevolle
                        aanvulling kan zijn op de bestaande strafrechtelijke handhaving.<noot id="n47" type="voet"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving), p. 14.</noot.al></noot> In de hoofdlijnenbrief is aangekondigd dat het kabinet voornemens is
                        om nader te onderzoeken of en in welke gevallen, naast de strafrechtelijke
                        handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen, ook voorzien zou moeten
                        worden in bestuursrechtelijke handhaving van schendingen.<noot id="n48" type="voet"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-36200-V-56" soort="document" status="actief">36 200-V nr. 56</extref>.</noot.al></noot> De regering heeft dit nader onderzocht en stelt de introductie voor
                        van bestuursrechtelijke handhaving voor een deel van de sanctiemaatregelen.
                        Dit betreft dus een toevoeging naast de bestaande strafrechtelijke
                        handhaving en de bestaande bestuursrechtelijke handhaving van de
                        bedrijfsvoeringseisen die gelden voor Sanctiewet-instellingen. Er wordt dus
                        een gedeeltelijk duaal handhavingsstelsel voorgesteld.<noot id="n49" type="voet"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>Een duaal handhavingsstelsel wil zeggen dat zowel
                              bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhaving mogelijk is
                                 (<extref doc="stcrt-2018-31269" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2018, 31269</extref>, p. 3).</noot.al></noot></al>
                  <al>Een belangrijke reden voor de introductie van een duaal handhavingsstelsel
                        is dat het strafrecht niet in alle gevallen voldoende proportioneel
                        inzetbaar is gebleken bij schendingen waarbij de ernst en omvang gering is,
                        of waar het handhavingsdoel vooral herstellend is. Om ervoor te zorgen dat
                        schendingen met voldoende passende middelen kunnen worden afgedaan, is
                        besloten tot de introductie van bestuursrechtelijke handhaving, namelijk de
                        mogelijkheid om een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een
                        bestuurlijke boete op leggen. Dit doet recht aan het karakter van het
                        strafrecht als ultimum remedium en is temeer noodzakelijk nu het aantal
                        schendingen, waarmee uitvoeringsorganisaties en toezichthouders te maken
                        krijgen, toeneemt als gevolg van een toename in de inzet van het
                        sanctie-instrument.</al>
                  <al>Het invoeren van een partieel duaal stelsel leidt tot meer flexibiliteit in
                        de handhaving (op maat) en maakt het stelsel toekomstbestendig. Het
                        strafrecht is nu de enige handhavingsmodaliteit, terwijl de inzet van het
                        strafrecht voorbehouden moet blijven aan de meest serieuze overtredingen.
                        Gelet op de (uiteenlopende) aard en ernst van normen die worden gesteld in
                        Europese sanctieverordeningen biedt uitsluitend strafrechtelijke handhaving
                        onvoldoende (passende) mogelijkheden voor effectieve en efficiënte
                        handhaving van sanctienormen. Dit geldt met name voor zover sancties
                        administratieve normen inhouden (zoals bijvoorbeeld meldingsplichten), dan
                        wel geconstateerde schendingen relatief minder ernstig zijn.</al>
                  <al>De strafrechtketen ontbeert de capaciteit om te acteren op alle
                        sanctieschendingen. Wanneer het strafrecht de enige handhavingsmodaliteit
                        is, is er geen mogelijkheid voor herstelsancties en zal schaarse en kostbare
                        opsporings- en vervolgingscapaciteit voor bestraffende sancties alleen
                        ingezet worden voor de meest ernstige overtredingen. Zonder
                        bestuursrechtelijke handhaving zal er dan ook altijd een (te) groot
                        handhavingstekort blijven bestaan. De introductie van bestuursrechtelijke
                        handhaving is dan ook noodzakelijk om sanctieschendingen effectief en
                        efficiënt te kunnen handhaven, de pakkans te verhogen en het preventieve
                        effect dat daarvan uitgaat te verhogen. Het strafrecht en de beperkte
                        opsporings- en vervolgingscapaciteit kunnen daarbij gereserveerd blijven
                        voor de meest ernstige overtredingen, als ultimum remedium.</al>
                  <al>Bij beperkte en milde schendingen is het wenselijk dat er de mogelijkheid
                        is om bestuursrechtelijk op te treden. Via het bestuursrecht kunnen personen
                        en bedrijven in voorkomende gevallen sneller en proportioneler gecorrigeerd
                        worden. Tegelijkertijd is ook gebleken, uit overleg met het Openbaar
                        Ministerie en betrokken uitvoeringsorganisaties, dat er soorten schendingen
                        zijn waarbij juist de strafrechtelijke weg de juiste is. Dit komt omdat
                        sommige soorten schendingen dermate ernstig zijn dat bestuursrechtelijke
                        handhaving niet passend is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij schendingen
                        die betrekking hebben op militaire goederen.</al>
                  <al>Het wetsvoorstel regelt de invoering van bestuursrechtelijke handhaving
                        door bestuursorganen aan te wijzen die bestuursrechtelijk handhavend kunnen
                        optreden. Dit zijn de Douane, het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) bij
                        het ministerie van Economische Zaken,
                        het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en een door de algemene raad van de
                        Nederlandse orde van advocaten bij besluit aan te wijzen deken als bedoeld
                        in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet. De aangewezen
                        bestuursorganen oefenen hun bevoegdheden uit ten aanzien van de in het
                        voorstel genoemde sectoren of handelingen. Omdat niet te voorspellen is
                        welke sanctiemaatregelen in de toekomst worden getroffen, voorziet het
                        wetsvoorstel ook in een grondslag om in sanctiebesluiten of -regelingen
                        andere bestuursorganen aan te wijzen die zullen beschikken over het in het
                        wetsvoorstel opgenomen bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium. Deze
                        niveaus van regelgeving sluiten aan bij de algemene uitgangspunten voor de
                        wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan internationale sanctiemaatregelen,
                        waaronder het aanwijzen van bevoegde autoriteiten (zie paragraaf 3.1).</al>
                  <al>De Douane wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving
                        van specifieke normen op het gebied van onder andere de inkoop, verkoop,
                        invoer, uitvoer of doorvoer, direct of indirect, van goederen en diensten in
                        strijd met geldende EU-sanctieverordeningen. De genoemde voorbeelden gelden
                        daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld, waarbij geldt dat de inzichten over
                        welke handhavingsmodaliteit het meest passend is ook mettertijd kunnen
                        veranderen.</al>
                  <al>Het BTI wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven betreffende
                        specifieke normen ten aanzien van de eigendom van of zeggenschap over
                        (niet-beursgenoteerde) ondernemingen gevestigd in Nederland. Het kan hierbij
                        gaan om het handhaven of afdwingen van de bevriezingsverplichting, de
                        verplichting om voor bepaalde transacties met zo’n onderneming een
                        voorafgaande ontheffing te hebben verkregen of de dienstverlening aan zo’n
                        onderneming.</al>
                  <al>Het BFT wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving van
                        specifieke normen uit de EU-sanctieverordeningen die betrekking hebben op de
                        dienstverlening door notarissen (ook inbegrepen de kandidaat- en
                        toegevoegd-notarissen), belastingadviseurs, externe registeraccountants en
                           belastingconsulenten.<noot id="n50" type="voet"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>Deze groepen komen overeen met de groepen waarop BFT al toezicht
                              houdt op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
                              van terrorisme.</noot.al></noot> De deken wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de
                        naleving van specifieke normen uit de EU-sanctieverordeningen die betrekking
                        hebben op de dienstverlening door advocaten. In beginsel, behoudens
                           uitzonderingen<noot id="n51" type="voet"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>Een belangrijke uitzondering is de juridische dienstverlening
                              die noodzakelijk is voor de verdediging of vertegenwoordiging van een
                              gesanctioneerde (rechts)persoon en met hen verbonden rechtspersonen in
                              het kader of in verband met een rechtsgeding. Daaronder wordt ook
                              begrepen de juridische dienstverlening die noodzakelijk is voor het
                              bepalen van de rechtspositie of voor het instellen of vermijden van
                              een rechtsgeding.</noot.al></noot>, mogen juridische dienstverleners geen activiteiten aanbieden die
                        verboden zijn op grond van de Europese sanctieverordeningen, waaronder
                        activiteiten waarmee deze sanctiemaatregelen worden omzeild. Zo is het
                        bijvoorbeeld verboden om tegoeden ter beschikking te stellen, in bepaalde
                        gevallen juridische diensten aan te bieden en is het verboden om juridische
                        constructies op te richten waarmee de sancties worden omzeild. De hier
                        genoemde voorbeelden voor het BFT en de deken gelden daarbij uitdrukkelijk
                        als voorbeeld, waarbij geldt dat de inzichten over welke
                        handhavingsmodaliteit het meest passend is ook mettertijd kunnen
                        veranderen.</al>
                  <al>De deken en het BFT zullen op grond van dit wetsvoorstel toezicht gaan
                        houden op de bedrijfsvoeringsvoorschriften die gelden voor advocaten,
                        respectievelijk notarissen en accountants (zie uitgebreider paragraaf 3.8).
                        Het is noodzakelijk dat de deken en het BFT over bestuursrechtelijke
                        handhavingsinstrumenten beschikken ten aanzien van de schending van de
                        materiële sanctienormen. Het toezien en handhaven op de
                        bedrijfsvoeringsnormen kan worden aangemerkt als preventief toezicht houden.
                        Wanneer de hierboven genoemde beroepsgroepen op correcte wijze de normen
                        voor de bedrijfsvoering naleven, de toezichthouders hierop toezien en
                        handhaven, wordt de naleving van EU-sancties vergroot. De realiteit is
                        echter dat naar alle waarschijnlijkheid daarmee schendingen van deze wet
                        niet geheel voorkomen worden. Om die reden is er bij het BFT en de deken een
                        behoefte om ook te kunnen toezien en handhaven op schending van de normen
                        uit internationale sanctiemaatregelen; zij moeten ook reactief kunnen
                        optreden als voornoemde toezichthouders bij de uitoefening van hun
                        toezichtstaken een schending van de materiële normen constateren. Het
                        bestuursrechtelijk kunnen handhaven op de materiële sanctienormen maakt
                        effectief toezien en handhaven op de regels uit dit wetsvoorstel
                        mogelijk.</al>
                  <al>Voor de Douane, BTI, BFT en de deken geldt dat zij al beschikken over een
                        bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium op grond van andere wetgeving,
                        waaronder het kunnen opleggen van een bestuurlijke boete. Dit betekent dat
                        deze organisaties al over de organisatorische randvoorwaarden beschikken, de
                        nodige expertise, processen en middelen, om het bestuursrechtelijke
                        handhavingsinstrumentarium in te zetten, naast eventuele capaciteits- en
                        inhoudelijke uitbreiding hiervan als gevolg van dit wetsvoorstel.</al>
                  <al>Ook voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zal worden
                           voorzien in de mogelijkheid om op grond van artikel 7.1.1 toezicht uit te
                           oefenen op de naleving van verboden op het verlenen van technische
                           bijstand door instellingen als bedoeld in de Wet op het Hoger Onderwijs
                           en Wetenschappelijk onderzoek en deze verboden bestuursrechtelijk te
                           handhaven. De vormgeving daarvan is nog onderwerp van een verkenning die
                           tevens samenhangt met het wetsvoorstel screening kennisveiligheid. Dat
                           wetsvoorstel voorziet al in toezicht en bestuursrechtelijke handhaving op
                           een aantal van de verboden op technische bijstand in het kader van
                           onderwijs en onderzoek door kennisinstellingen. Voor het deel van de
                           verboden op technische bijstand in het kader van onderwijs en onderzoek
                           door hoger onderwijsinstellingen dat niet onder de Wet screening
                           kennisveiligheid komt te vallen, wordt verkend op welke wijze in toezicht
                           en bestuursrechtelijke handhaving kan worden voorzien.</al>
                  <al>De keuze voor de organisaties die bestuursrechtelijke
                           handhavingsbevoegdheden krijgen is mede ingegeven door het feit dat zij
                           beschikken over bijzondere expertise met betrekking tot hun
                           werkgebied.</al>
                  <al>Als alternatief is overwogen om één bestuursorgaan aan te wijzen dat
                           belast is met de bestuursrechtelijke handhaving van alle soorten
                           schendingen. Dit wordt om verschillende redenen niet haalbaar geacht.
                           Gezien de brede reikwijdte van wat nu en in de toekomst onderwerp is van
                           sanctiemaatregelen, is gebleken dat het niet mogelijk is om één
                           bestuursorgaan te belasten met de handhaving van alle of verschillende
                           soorten schendingen. Dit zou immers betekenen dat dit bestuursorgaan
                           bekend zou moeten zijn met zowel financiële als goederenstromen alsook
                           andere onderwerpen en in staat zou moeten zijn hierop toezicht en
                           handhaving in te richten. Ook zou dit betekenen dat deze organisatie zich
                           zou begeven op de toezichtterreinen van bestaande toezichthouders zoals
                           AFM, DNB, de Douane en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en in
                           sommige gevallen hun werkzaamheden zou kunnen doorkruisen.</al>
                  <al>Ook is overwogen om op wetsniveau uitputtend bestuursorganen aan te wijzen
                        die belast zijn met het bestuursrechtelijke toezicht op schendingen van
                        sancties. Gezien het snel evoluerende karakter van het sanctie-instrument en
                        de noodzaak tot spoedige implementatie wordt het opportuun geacht om in
                        aanvulling op de in het wetsvoorstel aangewezen bestuursorganen, ook bij
                        sanctiebesluit of sanctieregeling additionele bestuursorganen aan te kunnen
                        wijzen, die over de in het wetsvoorstel opgenomen handhavingsbevoegdheden
                        beschikken. Hierbij speelt ook dat het niet mogelijk is om te voorspellen
                        welke sanctiemaatregelen in de toekomst worden genomen.</al>
                  <al>De introductie van bestuursrechtelijke handhaving betekent dat er een duaal
                        handhavingsstelsel ontstaat. Dit is in lijn met het kabinetsbeleid inzake de
                        keuze van een sanctiestelsel.<noot id="n52" type="voet"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al>Dit is uiteengezet in het Nader Rapport bestuurlijke
                              boetestelsels (<extref soort="document" doc="stcrt-2018-31269" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2018, 31269).</extref></noot.al></noot> Dit beleid houdt onder andere in dat het kabinet een duaal stelsel
                        in beginsel niet geschikt acht als er sprake is van veel handhavende
                        bestuursorganen met grote beleidsruimte of beleidsvrijheid vanwege noodzaak
                        van een goede onderlinge afstemming en afstemming met het Openbaar
                        Ministerie. Op dit punt worden geen problemen voorzien omdat de insteek is
                        dat dezelfde norm niet door verschillende bestuursorganen bestuursrechtelijk
                        zal kunnen worden gehandhaafd.</al>
                  <al>De introductie van een duaal stelsel moet aan een aantal vereisten voldoen:
                        de bestuursrechtelijke boetemaxima mogen niet hoger zijn dan de
                        strafrechtelijke boetemaxima en afstemming tussen de handhavingsinstanties
                        en het Openbaar Ministerie is nodig om samenloop te voorkomen en omdat
                        niemand twee keer voor hetzelfde feit mag worden bestraft.<noot id="n53" type="voet"><noot.nr>53</noot.nr><noot.al>Dit betreft het zogenoemde <nadruk type="cur">ne bis in
                                 idem</nadruk> beginsel, dat gecodificeerd is in artikel 68, eerste
                              lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 50 van het Handvest
                              voor de Grondrechten van de Europese Unie. In het verlengde van het
                                 <nadruk type="cur">ne bis in idem-</nadruk>beginsel ligt het
                                 <nadruk type="cur">una via</nadruk>-beginsel: als een gedraging
                              zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kan worden afgedaan,
                              dient gekozen te worden voor ofwel bestuursrechtelijke ofwel
                              strafrechtelijke handhaving.</noot.al></noot> De afstemming tussen handhavingsinstanties en het Openbaar
                        Ministerie behoeft geen nadere wettelijke regeling. Op grond van de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb) is een bestuursorgaan namelijk al verplicht om,
                        teneinde dubbele vervolging te voorkomen, ofwel per overtreding met het
                        Openbaar Ministerie te overleggen of daarover in algemene zin afspraken te
                           maken.<noot id="n54" type="voet"><noot.nr>54</noot.nr><noot.al>Artikel 5:44, tweede en derde lid, Awb. In de richtlijn
                              strafbaarstelling is de verplichting opgenomen voor lidstaten om een
                              entiteit of lichaam aan te wijzen ‘die belast is met de coördinatie en
                              samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten’. Deze
                              coördinatie moet ten minste gericht zijn op ‘het waarborgen van
                              gemeenschappelijke prioriteiten en het verband tussen strafrechtelijke
                              en bestuursrechtelijke handhaving’ (artikel 15, aanhef en onderdeel
                              a).</noot.al></noot> De betrokken bestuursorganen en het Openbaar Ministerie zullen het
                        boete- respectievelijk vervolgingsbeleid op elkaar moeten afstemmen en
                        geregeld in overleg moeten treden.<noot id="n55" type="voet"><noot.nr>55</noot.nr><noot.al>Vaak komen de handhavingsafspraken waarmee hieraan gevolg wordt
                              gegeven erop neer dat de inzet van het strafrecht beperkt blijft tot
                              gevallen waarin het instrumentarium van het bestuursrecht ontoereikend
                              is (bijvoorbeeld als de inzet van ingrijpende dwangmiddelen nodig is
                              of gevangenisstraf is geïndiceerd). Daarnaast wordt het strafrecht
                              veelal ingezet vanwege de ernst van de overtreding afgemeten aan
                              bijvoorbeeld het behaalde voordeel of de zwaarte van de inbreuk op de
                              door de wettelijke regeling beschermde rechtsgoederen. Ook de persoon
                              van de verdachte kan nopen tot de inzet van het strafrecht. Te denken
                              valt daarbij aan recidive, deelname aan een criminele organisatie of
                              het misbruiken van een vertrouwenspositie. Zie <extref soort="document" doc="stcrt-2018-31269" status="actief">stcrt-2018-31269.pdf (officielebekendmakingen.nl)</extref> p. 18
                              en de daar genoemde voorbeelden. Zie voor een voorbeeld van de
                              afstemming van het boete- en vervolgingsbeleid: het Convenant ter
                              voorkoming van ongeoorloofde samenloop van bestuurlijke en
                              strafrechtelijke sancties (<extref soort="document" doc="stcrt-2009-665" status="actief">https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-665.html</extref>).</noot.al></noot> Afstemming en overleg is er ook op gericht om het voorkomen van
                        samenloop van het bestuursrecht en strafrecht te bewaken en te zorgen dat de
                        feitelijke toepassing consistent is.</al>
                  <al>Omdat bij een duaal sanctiestelsel de bestuurlijke boete niet hoger mag
                        zijn dan de maximale strafrechtelijke boete, is ervoor gekozen om de
                        bestuursrechtelijke boetemaxima gelijk te stellen aan de strafrechtelijke
                        boetemaxima.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.3.</nr>
                    <titel>Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of
                           ontduiking van sanctiemaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <al>Ondernemingen in de EU die zelf niet onder sancties vallen, kunnen, al dan
                        niet door statelijke actoren, worden ingezet als instrument voor de
                        omzeiling van sancties, bijvoorbeeld voor transacties direct of indirect
                        (via tussenpersonen in derde landen) met partijen gevestigd in bijvoorbeeld
                        de Russische Federatie.<noot id="n56" type="voet"><noot.nr>56</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren van
                              28 november 2022, blz. 27, 32 en 40.</noot.al></noot> Dergelijke inzet van rechtspersonen en entiteiten gevestigd in de EU
                        is een van de bekende methodes van statelijke actoren om de bescherming van
                        de nationale veiligheid via investeringstoetsing te omzeilen.<noot id="n57" type="voet"><noot.nr>57</noot.nr><noot.al>Zie voor een voorbeeld van een netwerk van bedrijven dat
                              hiervoor kan worden ingezet: <extref soort="URL" doc="https://home.treasury.gov/news/press-releases/jy1241" status="actief">https://home.treasury.gov/news/press-releases/jy1241</extref>.</noot.al></noot> Ook is het een bekend instrument om het systeem van exportcontrole
                        te omzeilen.<noot id="n58" type="voet"><noot.nr>58</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband: <extref doc="https://www.aivd.nl/onderwerpen/massavernietigingswapens/methodes-omzeiling-exportcontroles" soort="URL" status="actief">https://www.aivd.nl/onderwerpen/massavernietigingswapens/methodes-omzeiling-exportcontroles</extref>
                              eneen voorbeeld in een concreet geval: <extref soort="URL" doc="https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2023:10071" status="actief">https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2023:10071</extref>.</noot.al></noot> In zulke gevallen is het wenselijk om een dergelijk gebruik van in
                        Nederland gevestigde ondernemingen te bestrijden en te voorkomen, waarbij
                        het noodzakelijk kan zijn om de aansturing van de onderneming over te
                        nemen.</al>
                  <al>Dit wetsvoorstel voorziet dan ook in een specifieke bevoegdheid voor de
                        Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de
                        minister die het mede aangaat om de
                        effectieve werking van de sancties te bevorderen. Het betreft een
                        bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid die erop gericht is het gebruik
                        van de onderneming om sanctiemaatregelen te omzeilen te beëindigen dan wel
                        te voorkomen. Het is een bevoegdheid die ingezet kan worden om een
                        voortdurende overtreding of omzeiling van de sanctiemaatregelen of het
                        bijdragen daaraan door verbonden ondernemingen een halt toe te roepen. Dit
                        instrument is onder meer nodig in de situatie dat een onderneming het
                        ernstige risico neemt – bij bijvoorbeeld het verrichten van transacties,
                        verlenen van diensten of de export van producten, al dan niet via een
                        (buitenlandse) dochter – in strijd te handelen met de geldende
                        sanctiemaatregelen en zo ten bate handelt van een agressor. Het is dan niet
                        voldoende om te wachten tot dit risico zich daadwerkelijk heeft
                        verwezenlijkt, want dan zou de schade in bijvoorbeeld Oekraïne immers al
                        zijn aangericht met behulp van deze Nederlandse onderneming.</al>
                  <al>Doordat de bijzondere handhavingsbevoegdheid het doel heeft om ernstige
                        niet-naleving of ontduiking direct te beëindigen of te voorkomen, heeft deze
                        bevoegdheid meerwaarde <nadruk type="cur">naast</nadruk> een eventuele
                        strafrechtelijke of andere punitieve maatregel. Zonder deze bevoegdheid kan
                        – zelfs met het klassieke bestuursrechtelijke instrument van een last onder
                        dwangsom wanneer voorzien is in bestuursrechtelijke handhaving – niet
                        voorkomen worden dat de onderneming nog steeds bijdraagt aan de
                        sanctie-ontduiking.</al>
                  <al>Een last onder bestuursdwang of onder dwangsom – wanneer daarin is voorzien
                        – vereisen dat de overtreding en het feitelijk handelen waarvoor de last
                        wordt afgegeven gericht worden benoemd, terwijl in onderhavig geval de
                        gedraging die bestreden moet worden het gebruik van de onderneming als
                        vehikel of instrument in zijn geheel betreft om actief de geldende
                        sanctiemaatregelen te schenden. Door de aansturing van deze onderneming over
                        te nemen, wordt de mogelijkheid om deze onderneming in te zetten voor
                        sanctieontduiking voorkomen. Daarmee kan deze bevoegdheid een effectieve
                        bijdrage leveren aan het bestrijden van sanctieontduiking door de inzet van
                        ondernemingen. De keuze om niet direct over te gaan tot het regelen van
                        bijvoorbeeld een stillegging van de onderneming is ingegeven door
                        proportionaliteit: in de praktijk blijkt dat bij een deel van de
                        ondernemingen die hiervoor gebruikt worden het merendeel van medewerkers en
                        soms zelfs sommige bestuurders niet weten dat de onderneming aldus wordt
                        gebruikt om de sanctiemaatregelen te ontduiken. Eventuele negatieve
                        maatschappelijke gevolgen van het wegvallen van de onderneming kunnen
                        hierdoor ook worden gemitigeerd. De maatschappelijke kosten van het
                        wegvallen van de onderneming zou daarnaast niet in proportie zijn.</al>
                  <al>De bevoegdheid heeft gelijkenissen met de bevoegdheid om een persoon aan te
                        wijzen zoals voorzien in het kader van beheer en bewind (zie paragraaf 3.4).
                        Ook deze bevoegdheid kent de mogelijkheid om een persoon aan te wijzen die
                        in de onderneming zelf kan handelen en als verlengde arm van de
                        minister gezien kan worden. Wel kent deze
                        bijzondere handhavingsbevoegdheid een aantal belangrijke en wezenlijke
                        verschillen.</al>
                  <al>De bevoegdheid kent in de eerste plaats andere gronden op basis waarvan
                        deze bevoegdheid kan worden ingezet. Er moet sprake zijn van een
                        niet-naleving van een sanctiemaatregel of andere voorschriften krachtens
                        deze wet of een risico op ontduiking van een sanctiemaatregel of andere
                        voorschriften bij of krachtens deze wet of op het actief bijdragen daaraan
                        ten bate van andere ondernemingen die met de onderneming zijn verbonden.
                        Hierbij is dus niet sprake van een breder publiek belang dat in het geding
                        is door het effect van de sanctiemaatregel op de betrokken onderneming, maar
                        juist een onderneming die in overtreding van de sanctiemaatregelen handelt
                        of juist bijdraagt aan de overtreding door aan de betrokken onderneming
                        verbonden ondernemingen.</al>
                  <al>In de tweede plaats is de bevoegdheid verstrekkender in die zin dat
                        respectievelijk de bestuurder of het bestuur door de aangewezen persoon
                        wordt vervangen. Daar waar bij artikel 5.3 een bewindvoerder naast het
                        bestuur wordt gezet en de bewindvoerder aan het bestuur opdrachten geeft,
                        wordt bij deze bevoegdheid het bestuur door de bewindvoerder uitgeoefend. De
                        keuze voor dit verschil is ingegeven door de aannemelijkheid dat het
                        zittende bestuur van de betrokken rechtspersoon actief meewerkt aan de
                        ontduiking van de sanctiemaatregelen. Het bestuur voert immers de strategie
                        en het beleid van de onderneming en draagt op zijn minst de volle
                        verantwoordelijkheid voor het gedrag van de onderneming. Er kan derhalve
                        niet vanuit worden gegaan dat betrokken bestuurder of bestuur daadwerkelijk
                        zal meewerken aan de herijking van het gedrag van de onderneming. Eventuele
                        negatieve maatschappelijke gevolgen van het wegvallen van de onderneming
                        kunnen zodoende ook worden gemitigeerd, omdat dit door de vervanging van de
                        bestuurder of het bestuur niet aan de orde hoeft te zijn.</al>
                  <al>In de derde plaats kan de
                        minister
                        van Economische Zaken in overeenstemming met de
                        minister die het mede aangaat de kosten voor
                        deze vorm van handhaving doorberekenen aan de betrokken onderneming. Daar
                        waar in artikel 5.3 het inzetten van de bewindvoerder gericht is op het
                        borgen van een breder publiek belang dat in beginsel voor rekening hoort te
                        komen van de hoeder van het publiek belang die de overheid is, is hier
                        sprake van actieve normovertreding. Dat legitimeert de doorberekening van de
                        kosten die met de inzet van deze vergaande bevoegdheid gemoeid zijn. Dat
                        deze kosten kunnen worden doorberekend is in lijn met het ‘veroorzaker
                        betaalt-beginsel dat geldt bij de doorberekening van handhavingskosten.<noot id="n59" type="voet"><noot.nr>59</noot.nr><noot.al>Zie Kamerstukken II 2013/14, <extref doc="kst-24036-407" soort="document" status="actief">24 036, nr. 407</extref>.</noot.al></noot></al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.4.</nr>
                    <titel>Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen</titel>
                  </kop>
                  <al>Ondernemingen in Nederland kunnen (indirect) worden geraakt door sancties,
                        als de uiteindelijke eigenaar wordt gesanctioneerd. Daarbij bestaat het
                        risico dat de Nederlandse onderneming in economisch isolement raakt, hetgeen
                        kan leiden tot economische schade en ongewenste maatschappelijke gevolgen.
                        Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen voor de werkgelegenheid. Als een
                        onderneming een aanzienlijk aantal werknemers heeft en geconfronteerd wordt
                        met de gevolgen van een sanctiemaatregel, kan dat gevolgen hebben voor de
                        werkgelegenheidssituatie en de sociale grondrechten van de werknemers.
                        Daarnaast kan ook het (langdurig) bevriezen van bezit in Nederland, zoals
                        vlieg-, vaartuigen en vastgoed tot praktische, financiële en
                        maatschappelijke problemen leiden. In het rapport van de Nationaal
                        Coördinator is aanbevolen om uit te zoeken of de overheid hier een regeling
                        voor zou kunnen maken.<noot id="n60" type="voet"><noot.nr>60</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> Daarbij is gebleken dat het instrumentarium dat nu al bestaat,
                        namelijk het aanvragen van ontheffingen door de gesanctioneerde zelf om
                        bijvoorbeeld te voorzien in het (deels) kunnen beschikken over bevroren
                        goederen, niet volstaat, omdat dit op transactieniveau werkt en daarmee geen
                        oplossing is voor langdurige situaties of risicovolle situaties als gevolg
                        van bijvoorbeeld achterstallig onderhoud die niet vallen onder de
                        ontheffingsgronden. De betrokken onderneming moet namelijk wel zelf bereid
                        zijn om het onderhoud te plegen en daar ook de financiële middelen voor
                        hebben. Een dergelijke bereidheid is niet altijd aanwezig en financiële
                        middelen kunnen over de tijd uitgeput raken. Daarnaast is de mogelijkheid om
                        ontheffingen te verlenen gericht op het faciliteren van een specifieke
                        incidentele transactie of handeling ten gunste van bijvoorbeeld een
                        crediteur of het verrichten van onderhoud, maar deze bevoegdheid is maar in
                        beperkte mate gericht op het beschermen of borgen van bredere
                        maatschappelijke belangen, zeker wanneer deze belangen een structurele
                        oplossing verlangen. Derhalve is hier sprake van publieke belangen die
                        overheidsingrijpen rechtvaardigen. Dit geldt zeker waar de bijeffecten van
                        sanctiemaatregelen raken aan sociale grondrechten, zoals de bevordering van
                        voldoende werkgelegenheid, de bescherming en verbetering van het leefmilieu
                        en de bevordering van voldoende woongelegenheid.<noot id="n61" type="voet"><noot.nr>61</noot.nr><noot.al>Zie respectievelijk artikel 19, eerste lid, artikel 21 en
                              artikel 22, tweede lid, van de Grondwet.</noot.al></noot> Noch het bedrijfsleven zelf, noch de bestaande regelgeving kan
                        voorzien in de borging van deze en andere publieke belangen. Omdat
                        overheidsingrijpen ten aanzien van private ondernemingen een juridische
                        grondslag vergt, is wetgeving hier het aangewezen instrument. Minder
                        ingrijpende alternatieven zijn ook niet voorhanden. Met deze keuze en de
                        wijze waarop deze is vormgegeven, geeft de regering bovendien opvolging aan
                        de aanbevelingen van de Europese Commissie over het implementeren van
                        zogeheten <nadruk type="cur">firewalls</nadruk> (zie uitgebreider paragraaf
                           3.4.1).<noot id="n62" type="voet"><noot.nr>62</noot.nr><noot.al><extref doc="https://finance.ec.europa.eu/document/download/6aacaf09-97e5-46c3-ad38-de760f0e8baf_en?filename=guidance-firewalls_en.pdf" soort="URL" status="actief">Guidance note – Implementation of
                                 firewalls in cases of EU entities owned or controlled by a
                                 designated person or entity</extref>, in het bijzonder p. 3
                              e.v.</noot.al></noot></al>
                  <al-groep>
                    <al>Voorgesteld wordt om de ongewenste gevolgen van een bevriezing in
                           Nederland op te vangen door overheidsingrijpen bij een onderneming,
                           wanneer naleving van sancties tot uitzonderlijke economische en
                           maatschappelijke impact leidt. Dit ingrijpen kan gericht zijn op het
                           doorbreken van het economisch isolement van de onderneming door te zorgen
                           dat de gesanctioneerde moederentiteit of persoon geen controle meer kan
                           uitoefenen over die onderneming, waardoor die onderneming niet langer
                           onder sancties valt. Dergelijk ingrijpen kan ook dienen voor het
                           beheersen van de beschreven risico’s gerelateerd aan beheren van
                           langdurig bevroren bezit in Nederland. Met dit wetsvoorstel wordt daarom
                           voorzien in de volgende drie zaken:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>een regeling voor de continuïteit en afwikkeling van door sancties
                                 getroffen ondernemingen ingeval van negatieve maatschappelijke
                                 neveneffecten (paragraaf 3.4.1);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de mogelijkheid om op verzoek van een onderneming een
                                 bewindvoerder aan te stellen (paragraaf 3.4.2); en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>een regeling voor het beheer van registergoederen (paragraaf
                                 3.4.3).</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.4.1.</nr>
                      <titel>Continuïteit en afwikkeling van ondernemingen</titel>
                    </kop>
                    <al>Internationale sanctiemaatregelen beogen actief economische schade toe
                           te brengen als prikkel om beleidswijzigingen te bewerkstelligen. Deze
                           internationale sanctiemaatregelen brengen via het instrument van de
                           EU-verordeningen rechtstreeks verplichtingen met zich mee voor eenieder
                           die valt onder de jurisdictie van de EU om te voldoen aan de
                           internationale sanctiemaatregelen. De eigen verantwoordelijkheid staat
                           voorop en verplicht eenieder om effectief gevolg te geven aan de
                           sanctiemaatregelen, voor zover deze hen raken of op hen van toepassing
                           zijn. Het gevolg is dan ook dat de beoogde economische schade zich direct
                           voordoet binnen de kaders die de betrokken EU-verordeningen hebben
                           gegeven.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Tegelijkertijd zijn er situaties waarbij in de EU gevestigde
                              rechtspersonen en entiteiten die daadwerkelijke economische
                              activiteiten ontplooien, niet voldoende in staat zijn om volledig
                              effect te geven aan de internationale sanctiemaatregelen – zeker
                              wanneer deze voor langere duur gelden – zonder dat hierdoor
                              aanzienlijke (negatieve) sociaalmaatschappelijke gevolgen kunnen
                              ontstaan zoals disruptie van leveranciersketens, tekorten aan
                              grondstoffen, halffabricaten of eindproducten, verlies van
                              werkgelegenheid en financiële moeilijkheden voor toeleveranciers of
                              afnemers.</al>
                      <al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een in Nederland
                              gevestigde onderneming die in Nederland winkels uitbaat en die (direct
                              of indirect) voor meer dan 50% in handen is van een gesanctioneerde
                              (rechts)persoon waarvoor een bevriezingsverplichting geldt. In zo’n
                              geval zal de onderneming al snel geen nieuwe voorraden kunnen
                              aanschaffen, werknemers aannemen of vervangingsinvesteringen kunnen
                              verrichten en slechts met moeite – bijvoorbeeld via een ontheffing per
                              transactie – aan bestaande verplichtingen kunnen voldoen zoals het
                              betalen van salarissen, leveranciers, enzovoort. Een ander voorbeeld
                              is een in Nederland gevestigde bank die een volle dochtermaatschappij
                              is van een gesanctioneerde financiële instelling. Gevolg van de
                              sancties tegen die (uiteindelijke) eigenaren is dat de tegoeden en
                              economische middelen van die in Nederland gevestigde onderneming
                              moeten worden bevroren en dat geen tegoeden en economische middelen
                              nog aan die onderneming beschikbaar mogen worden gesteld, met
                              uitzondering van incidentele ontheffingen. Zo wordt deze onderneming
                              vergaand in haar functioneren gehinderd. Dit kan tot gevolg hebben dat
                              reguliere rekeninghouders bij een dergelijke bank geen toegang meer
                              hebben tot hun betaalrekeningen.</al>
                    </al-groep>
                    <al>In de EU gevestigde rechtspersonen en entiteiten hebben beperkte
                           mogelijkheden om met deze problemen om te gaan. Eén mogelijkheid is dat
                           een onderneming noodgedwongen besluit de activiteiten te beëindigen en
                           over te gaan tot ontbinding en liquidatie, al dan niet via een
                           faillissement. Een andere mogelijkheid is dat het bestuur van de
                           onderneming actief op zoek gaat naar een partij die de onderneming of
                           diens activiteiten wil overnemen (een ‘witte ridder’): daarmee wordt de
                           continuïteit van de onderneming en of diens activiteiten gewaarborgd,
                           omdat de eigendoms- en zeggenschapsrelatie met de gesanctioneerde
                           eigenaar van de dochtermaatschappij doorbroken wordt en de
                           dochtermaatschappij niet meer onder de werking van de sancties valt. Een
                           derde mogelijkheid is dat het bestuur van de onderneming samen met de
                           moedermaatschappij of eigenaar van de ondernemingen zodanige maatregelen
                           treffen dat de zeggenschapsrelatie tussen de dochteronderneming en de
                           gesanctioneerde eigenaar of moedermaatschappij doorbroken wordt (een
                           zogeheten ‘firewall’). Hetzelfde geldt voor het heronderhandelen van
                           contractuele afspraken waardoor een gezamenlijke aansturing van een joint
                           venture wordt aangepast. Ook dan kan de betrokken onderneming onttrokken
                           worden aan de werking van de sancties. Al deze mogelijkheden hebben als
                           gemeenschappelijke deler dat de gesanctioneerde eigenaar van de
                           dochteronderneming bereid moet zijn en in staat is om mee te werken aan
                           deze mogelijkheden. Al deze mogelijkheden vereisen immers een beperking
                           of wijziging in de eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen. Bovendien zijn
                           er door de sanctiemaatregelen die op een gesanctioneerde eigenaar van
                           toepassing zijn, beperkingen in de mogelijkheid voor de gesanctioneerde
                           eigenaar om medewerking te verlenen aan deze veranderingen of de
                           opbrengst van een eventuele verkoop te ontvangen. Soms zijn er ook nog
                           aanvullende beperkingen of eisen opgelegd door de statelijke actor waar
                           de gesanctioneerde eigenaar mee in verband is gebracht.<noot id="n63" type="voet"><noot.nr>63</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld de ‘Presidential decree of the Russian
                                 Federation of November 8, 2023 No. 844’.</noot.al></noot></al>
                    <al>Het bestuur van de onderneming kan dus proberen om de band met de
                           (indirecte) eigenaar of partner te doorbreken, zodat de sanctionering van
                           die eigenaar of partner niet langer van invloed is op de onderneming. In
                           de praktijk zal een bestuur echter veelal slechts beperkt in staat zijn
                           dit zelfstandig te bewerkstelligen, omdat bijvoorbeeld medewerking van de
                           gesanctioneerde aandeelhouder nodig is. In voorkomend geval kan deze
                           aandeelhouder of contractpartner proberen door uitoefening van de
                           aandeelhoudersrechten dit te voorkomen door bijvoorbeeld het bestuur te
                           ontslaan. Uit voorbeelden uit de praktijk blijkt dat dit wel degelijk
                           voorkomt, zelfs in die gevallen waarin uitoefening van de stemrechten
                           door de gesanctioneerde aandeelhouder verboden is krachtens de EU
                           sanctieverordeningen. Bij <nadruk type="cur">joint-venture</nadruk>
                           overeenkomsten die tot een gezamenlijk gedreven onderneming hebben
                           geleid, zal de medewerking van de <nadruk type="cur">joint-venture</nadruk> partner nodig zijn om de gezamenlijk gedreven
                           onderneming in rustiger vaarwater te brengen. Daarbij komt dat relevante
                           derden – zoals banken en leveranciers – zekerheid zullen verlangen over
                           bestaan en effectiviteit van zulke maatregelen, om vast te kunnen stellen
                           dat sancties niet langer van toepassing zijn ten aanzien van de
                           onderneming.</al>
                    <al>Nationale autoriteiten van een EU lidstaat kunnen op grond van de
                           relevante internationale sanctiemaatregelen de mogelijk negatieve
                           gevolgen van de sanctiemaatregelen beperkt mitigeren: naar gelang de
                           toepasselijke verordening kunnen zij toestemming verlenen voor bepaalde
                           transacties. Maar, de relevante bepalingen in de verordeningen zijn per
                           definitie niet bedoeld om voortzetting van de bedrijfsvoering in dezelfde
                           vorm mogelijk te maken, maar vooral gericht op bescherming van derden
                           (bijvoorbeeld betaling van schulden ontstaan vóór sancties van kracht
                           werden) en instandhouding van de onderneming als rechtspersoon
                           (bijvoorbeeld betaling van belastingen) of het afwikkelen van lopende
                           contracten met het oog op rechtszekerheid en het voorkomen van schade bij
                           bijvoorbeeld klanten van de betrokken onderneming. In sommige
                           sanctieverordeningen is inmiddels een mogelijkheid voor het verlenen van
                           ontheffingen opgenomen die het mogelijk maakt om bepaalde transacties –
                           binnen bepaalde termijnen – te verrichten waardoor de eigendomsbanden met
                           de gesanctioneerde aandeelhouder of eigenaar doorbroken kunnen
                              worden.<noot id="n64" type="voet"><noot.nr>64</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 6 ter, derde en vierde lid, van
                                 Verordening (EU) nr. 269/2014.</noot.al></noot></al>
                    <al>Deze ontheffingsmogelijkheden zijn dus niet altijd geschikt of inzetbaar
                           om de (ongehinderde) voortzetting van de economische activiteiten van de
                           betrokken onderneming te faciliteren. Integendeel, het oogmerk van
                           sancties is nu juist om deze voortzetting van economische activiteiten te
                           beperken of zelfs te verhinderen waarmee de economie van het
                           gesanctioneerde land of de economische belangen van de gesanctioneerde
                           natuurlijke personen of rechtspersonen worden geschaad. De
                           ontheffingsmogelijkheden zijn dan ook strikt ingekaderd.</al>
                    <al>Nationale autoriteiten kunnen ook overwegen financiële ondersteuning te
                           bieden aan een onderneming die in moeilijkheden komt door de sancties die
                           op de onderneming van toepassing zijn. Dit levert direct het risico op
                           dat de gesanctioneerde persoon of entiteit financiële ondersteuning
                           krijgt, terwijl dit als gevolg van de internationale sanctiemaatregelen
                           verboden is<noot id="n65" type="voet"><noot.nr>65</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 5 terdecies van Verordening (EU)
                                 nr. 833/2014.</noot.al></noot> of dat de gesanctioneerde persoon of entiteit nog wel degelijk
                           verboden economische of financiële voordelen ontvangt.<noot id="n66" type="voet"><noot.nr>66</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 2 van Verordening (EU) nr. 359/2011
                                 van de Raad van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen
                                 tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de
                                 situatie in Iran</noot.al></noot> Ook kan er sprake zijn van een vorm van staatssteun die
                           voorafgaand aan enige toekenning een goedkeuring van de Europese
                           Commissie vereist.</al>
                    <al>Tot slot kunnen nationale autoriteiten van een EU lidstaat naar Europees
                           recht zelf een ‘firewall’ inrichten bij een bedrijf dat eigendom is of
                           onder zeggenschap staat van een gesanctioneerde (rechts)persoon of
                           entiteit. De Commissie beveelt ook aan dat lidstaten dit doen.<noot id="n67" type="voet"><noot.nr>67</noot.nr><noot.al>Zie de aanbevelingen van de Commissie, eerder
                                 aangehaald: Guidance note – Implementation of firewalls in cases of
                                 EU entities owned or controlled by a designated person or
                                 entity.</noot.al></noot> Daarvoor is wel een nationale wettelijke grondslag vereist. Een
                           dergelijke grondslag ontbreekt op dit moment in Nederland. In de huidige
                           situatie kan onder omstandigheden wel gebruik worden gemaakt van bepaalde
                           al bestaande sectorale wettelijke bevoegdheden, waaronder het aanwijzen
                           van een bewindvoerder door de bevoegde
                           minister of toezichthouder, om in geval
                           van zorgen over de continuïteit en stabiliteit van bepaalde ondernemingen
                           in te grijpen.<noot id="n68" type="voet"><noot.nr>68</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1:76 en artikel 1:76a van de Wet op het
                                 financieel toezicht, artikel 12b, vierde tot en met zevende lid,
                                 Warmtewet,</noot.al></noot> Deze bevoegdheden zijn niet toegespitst op het omgaan met de
                           effecten van internationale sanctiemaatregelen, maar op het waarborgen
                           van de continuïteit van het vitale proces of de stabiliteit van het
                           financiële stelsel. Bovendien zijn deze bevoegdheden veelal gericht op
                           een (nauw) afgebakende groep vitale aanbieders en dus niet breed
                           inzetbaar. Hoe toekomstige sanctiemaatregelen er uit komen te zien is
                           niet vooraf te voorspellen. Daarmee is ook niet te voorzien in welke
                           sectoren ernstige maatschappelijke, economische of
                           werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving als gevolg van
                           die maatregelen zich kunnen voordoen. Om die reden is beperking van dit
                           instrument tot bepaalde sectoren niet toereikend om deze effecten te
                           mitigeren.</al>
                    <al>Dit alles leidt tot de constatering dat er een lacune bestaat in het
                           mitigeren of voorkomen van ernstige maatschappelijke, economische of
                           werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving die veroorzaakt
                           kunnen worden door financiële stabiliteit of continuïteit van de
                           onderneming die in het gedrang is gekomen door de toepassing van
                           internationale sanctiemaatregelen op de betrokken onderneming. Het
                           waarborgen van dit algemeen belang is – hoe zeer een bestuur van een
                           onderneming rekening moet houden met bredere stakeholderbelangen – in de
                           kern een verantwoordelijkheid van de overheid. Daarbij kan ook het best
                           door de overheid een passende afweging worden gemaakt of het algemeen
                           belang een vorm van ingrijpen vereist gelet op de negatieve
                           maatschappelijke effecten, zelfs als het bestuur van de onderneming een
                           andere afweging maakt.</al>
                    <al>Een aanvullende vorm van overheidsingrijpen is derhalve noodzakelijk.
                           Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor de Minister van
                           Economische Zaken (steeds in overeenstemming met de
                           minister die het mede aangaat) om
                           maatregelen te nemen gericht op (i) de naleving van sancties door de
                           onderneming, en (ii) het beperken van de invloed die kan worden
                           uitgeoefend door de gesanctioneerde eigenaar of samenwerkingspartner.
                           Naar gelang de omstandigheden van het geval is het doel de continuïteit
                           of <nadruk type="cur">in ultimo</nadruk> de ordelijke afwikkeling van de
                           onderneming. Daarbij zullen de maatregelen altijd gericht zijn op het
                           zoveel mogelijk beperken van negatieve maatschappelijke effecten, zoals
                           verlies van werkgelegenheid en ontwrichting van economische processen in
                           Nederland en de EU.</al>
                    <al>Niet iedere onderneming en niet iedere situatie zal onder de werking van
                           deze bevoegdheid vallen. Het moet gaan om nadelige gevolgen voor de
                           financiële stabiliteit of continuïteit van een onderneming die door een
                           sanctiemaatregel zijn veroorzaakt en daarmee ernstige maatschappelijke,
                           economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving
                           kan veroorzaken. Er moet dus een breder algemeen publiek belang in het
                           geding zijn voordat de Minister van Economische Zaken gebruik kan maken
                           van deze bevoegdheid. Het is bovendien een bevoegdheid die de Minister
                           van Economische Zaken uit eigen beweging kan toepassen. Weliswaar kan de
                           Minister van Economische Zaken door de betrokken onderneming,
                           sanctietoezichthouder, klanten of toeleveranciers van de betrokken
                           onderneming of zelfs door non-gouvernementele organisaties zoals
                           vakbonden worden gewezen op de problematiek waarin de onderneming
                           verkeert en de gevolgen die dat kan hebben, maar de bevoegdheid
                           neergelegd in artikel 5.3 wordt niet op aanvraag uitgeoefend.</al>
                    <al>De inzet van deze bevoegdheid biedt de Minister van Economische Zaken de
                           mogelijkheid om door middel van een ingreep in de bedrijfsvoering van de
                           betrokken onderneming, de onderneming in staat te stellen zodanige
                           tijdelijke maatregelen te treffen waardoor bijvoorbeeld de eigendoms- en
                           zeggenschapsverhouding met de gesanctioneerde natuurlijke persoon,
                           rechtspersoon of entiteit op zodanige wijze wordt geïsoleerd (een
                           ‘firewall’ / ‘brandgang’) dat de betrokken onderneming niet langer onder
                           de werking van de relevante sanctiemaatregel valt. Ook biedt deze
                           bevoegdheid de mogelijkheid om de onderneming en diens activiteiten
                           zodanig te herstructureren dat een onderneming bijvoorbeeld door andere
                           toeleveranciers of nieuwe klanten de eigen activiteiten (in aangepaste)
                           vorm kan voortzetten. Het biedt ook de mogelijkheid om tot een
                           gecontroleerde afwikkeling van de onderneming over te gaan als er geen
                           toekomstperspectief voor de onderneming is.</al>
                    <al>De bevoegdheid een persoon aan te wijzen als bewindvoerder is een figuur
                           die in het financieel recht<noot id="n69" type="voet"><noot.nr>69</noot.nr><noot.al>Zie de artikelen 1:76 en 1:76a van de Wet op het financieel
                                 toezicht, zie ook artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel o, van die
                                 wet dat zelfs voorziet in voortdurende aanwezigheid van de
                                 toezichthouder.</noot.al></noot> en in het energierecht<noot id="n70" type="voet"><noot.nr>70</noot.nr><noot.al>Zie de artikelen 13, derde lid, en 13a Elektriciteitswet 1998
                                 en de artikelen 5, derde lid, en 5a Gaswet en artikel 12b, vierde
                                 tot en met zevende lid, Warmtewet.</noot.al></noot> al voorkomt en ook opgenomen is in de Wet veiligheidstoets
                           investeringen, fusies en overnames.<noot id="n71" type="voet"><noot.nr>71</noot.nr><noot.al>Zie artikel 32 van de Wet veiligheidstoets investeringen,
                                 fusies en overnames.</noot.al></noot> Het is ook een figuur die in de context van de tenuitvoerlegging
                           van EU sanctiemaatregelen en de maatschappelijke effecten daarvan door
                           zowel de Europese Commissie wordt aanbevolen<noot id="n72" type="voet"><noot.nr>72</noot.nr><noot.al>Zie Guidance on firewalls door de Europese Commissie
                                 gepubliceerd: <extref soort="URL" doc="https://finance.ec.europa.eu/publications/guidance-firewalls_en" status="actief">https://finance.ec.europa.eu/publications/guidance-firewalls_en</extref>.</noot.al></noot> alsook in andere EU lidstaten wordt gebruikt en/of momenteel
                           wordt ingericht. Een goed voorbeeld hiervan is Duitsland waar de figuur
                           van een ‘bewindvoerder’ enkele malen in de energiesector is ingezet.<noot id="n73" type="voet"><noot.nr>73</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld het geval Rosneft Germany: <extref soort="URL" doc="https://www.bundesnetzagentur.de/SharedDocs/Pressemitteilungen/EN/2022/20220916_Rosneft.html?nn=695790" status="actief">https://www.bundesnetzagentur.de/SharedDocs/Pressemitteilungen/EN/2022/20220916_Rosneft.html?nn=695790</extref>.</noot.al></noot> Hiermee kan ook op operationeel vlak worden gewaarborgd dat de
                           sancties feitelijk effectief zijn, zonder dat het bestuur van de
                           doelonderneming vervangen hoeft te worden. Het is een model dat –
                           weliswaar in een andere context – ook door de Algemene Rekenkamer wordt
                           aangehaald als ‘overheidstrustee’ die de belangen van de overheid
                           waarborgt, zonder ambtenaren als bestuurder of commissaris te benoemen en
                           zonder dat er enkel sprake is van een waarnemer zonder invloed.<noot id="n74" type="voet"><noot.nr>74</noot.nr><noot.al>Zie Kamerbrief van de Algemene Rekenkamer van 26 juni 2020
                                 ‘Steun aan grote bedrijven – Leren van het Verleden, ’ les
                                 16.</noot.al></noot></al>
                    <al>Tot slot zal de Minister van Economische Zaken bij het toepassen van
                           deze bevoegdheid een afweging moeten maken tussen de publieke belangen
                           die in het geding zijn, de belangen van de betrokken onderneming en diens
                           stakeholders en de belangen van de aandeelhouders of eigenaren van de
                           onderneming. De beginselen van behoorlijk bestuur en de bescherming van
                           eigendomsrechten in combinatie met de aard en inhoud van de betrokken
                           sanctiemaatregel zullen daarbij leidend zijn. Het wetsvoorstel voorziet
                           daarbij in rechtsbescherming, zowel ten aanzien van het aanwijzen van de
                           aangewezen persoon als tegen de opdrachten die de aangewezen persoon
                           verstrekt. Voor beide staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming
                           open.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.4.2.</nr>
                      <titel>Bewindvoerder op verzoek van onderneming</titel>
                    </kop>
                    <al>In tegenstelling tot artikel 5.3 staat bij artikel 5.5 niet het algemeen
                           belang voorop, maar het deelbelang van de onderneming (zonder dat het
                           algemeen belang overigens geheel ter zijde wordt geschoven). Bij artikel
                           5.3 zijn de ongewenste aanzienlijke (negatieve) sociaalmaatschappelijke
                           gevolgen die worden veroorzaakt door de toepassing van de sancties
                           aanleiding voor de Minister van Economische Zaken (wederom steeds weer in
                           overeenstemming met de minister die het
                           mede aangaat) om in te grijpen. In de situatie voorzien bij artikel 5.5
                           is het de onderneming die de sancties implementeert, maar dermate
                           worstelt met de gevolgen van de internationale sanctiemaatregelen dat het
                           de bedrijfsvoering in gevaar brengt, die om de inzet van een aangewezen
                           persoon kan verzoeken.</al>
                    <al>Ook hier kan het bestuur van de onderneming proberen om de band met de
                           (indirecte) eigenaar te doorbreken, zodat de sanctiestatus van die
                           eigenaar niet langer van invloed is op de onderneming. Het bestuur kan
                           ook trachten de strategie en het beleid van de onderneming aan te passen
                           door bijvoorbeeld nieuwe afzetmarkten proberen aan te boren. In de
                           praktijk zal – zoals bij artikel 5.3 is toegelicht – een bestuur echter
                           veelal slechts beperkt in staat zijn dit zelfstandig te
                           bewerkstelligen.</al>
                    <al>Zo kan een onderneming bij financiële moeilijkheden denken aan het
                           starten van een onderhandelingsproces om met schuldeisers tot een akkoord
                           te komen en te laten homologeren via de Wet homologatie onderhands
                           akkoord (een zogeheten WHOA-procedure). Daarmee kan de onderneming zich
                           financieel herstructureren en zich weer verder ontwikkelen. Een meer
                           vergaande stap kan het aanvragen van surséance van betaling zijn. Deze
                           stappen zijn met name nuttig en inzetbaar als de gevolgen van de
                           internationale sanctiemaatregelen zich vooral op financieel vlak doen
                           voelen en een financiële herstructurering soelaas kan bieden. Maar ook
                           hier geldt dat deze mogelijkheden hun beperkingen hebben, in het
                           bijzonder daar waar de effecten van de internationale sanctiemaatregelen
                           vooral zien op de governance van een onderneming en de mogelijkheden voor
                           een onderneming om zich te blijven ontwikkelen en te ontplooien. Als een
                           onderneming beperkt wordt in de mogelijkheden om zich te ontwikkelen en
                           te ontplooien wegens een disfunctionele governance of het wegvallen van
                           een strategische partner of (nieuwe) eigen vermogen verschaffer, zal pas
                           op middellange of lange termijn de financiële situatie zo penibel worden
                           dat de noodzaak van herstructurering van schulden zowel door de
                           ondernemer als de crediteuren gevoeld wordt.</al>
                    <al>Gelet op de onzekerheden en beperkingen die voornoemde bestaande
                           mogelijkheden bieden, is met dit wetsartikel voorzien in een mogelijkheid
                           voor de betrokken ondernemer om de Minister van Economische Zaken te
                           verzoeken een persoon aan te stellen die de impasse kan doorbreken waar
                           de onderneming in zit. Het biedt bovendien een extra veiligheidsventiel
                           voor die gevallen waar mogelijk toch het algemeen belang in het geding
                           is, bijvoorbeeld omdat niet bekend is welke maatschappelijke
                           afhankelijkheden aan de betrokken onderneming verbonden zijn. Een verzoek
                           van de onderneming brengt dit dan wel in beeld.</al>
                    <al>Om de stap naar de inzet van deze bevoegdheid niet te gemakkelijk te
                           maken en de eigen verantwoordelijkheid van de onderneming en de <nadruk type="cur">stakeholders</nadruk> van de onderneming overeind te
                           houden, voorziet artikel 5.5 allereerst in een motiveringsplicht voor de
                           onderneming die een dergelijk verzoek doet. De onderneming moet weergeven
                           welke verplichting of beperking van toepassing is op de onderneming en
                           welke gevolgen dit heeft op de financiële stabiliteit of continuïteit van
                           de onderneming (artikel 5.5, tweede lid, onderdelen a en b). Daarmee kan
                           de bevoegde minister toetsen of het
                           inderdaad aannemelijk is dat de toepasselijkheid van de beperkende
                           maatregel of de verplichting als gevolg heeft dat de financiële
                           stabiliteit of continuïteit van de onderneming in het gedrang is gekomen.
                           Slechte bedrijfsvoering, verkeerde strategie, tegenvallende markten of
                           gewoon pech kunnen allemaal redenen zijn die ook deze effecten kunnen
                           veroorzaken. Om te voorkomen dat een toevallige samenloop van de
                           toepasselijkheid van een internationale sanctiemaatregel met deze andere
                           redenen gebruikt wordt om dit verzoek te doen en de aanstelling van de
                           aangewezen persoon te realiseren en dus eigen oorzaken op de Minister van
                           Economische Zaken en de aangewezen persoon af te wentelen, ontvangt deze
                           minister de betreffende informatie en kan
                           tot afwijzing van het verzoek overgaan als de causaliteit onvoldoende is
                           aangetoond tussen de gevolgen van een sanctiemaatregel en de
                           moeilijkheden van de onderneming (zie artikel 5.5, derde lid, onderdeel
                           b).</al>
                    <al>Ook moet de onderneming een weergave geven van de inspanningen die hij
                           heeft verricht om de negatieve gevolgen van de sanctiemaatregel te
                           mitigeren, met inbegrip van maatregelen om de zeggenschap of
                           eigendomsverhoudingen te verbreken met een of meer natuurlijke personen,
                           rechtspersonen of entiteiten die onderhevig zijn aan sancties (zie
                           artikel 5.5, tweede lid, onderdeel c). Ook dit past binnen de eigen
                           verantwoordelijkheid van de onderneming om te voldoen aan de
                           sanctieverplichtingen en gevolgen daarvan zo goed als mogelijk is zelf te
                           dragen. Bij de toepassing van internationale sanctiemaatregelen als
                           gevolg van het sanctierecht zal er vaak een negatief effect op de
                           bedrijfsvoering ontstaan doordat meerkosten worden gemaakt, omzetverlies
                           wordt geleden, al gedane investeringen moeten worden afgeschreven of
                           contracten moeten worden opgezegd. Deze effecten zijn juist een beoogd
                           effect van de internationale sanctiemaatregelen en horen in beginsel door
                           de betrokken ondernemingen gedragen te worden als een vorm van force
                           majeure. Wel mag daarbij dus van de onderneming een inspanning worden
                           verwacht om de schade zo veel mogelijk te beperken binnen de grenzen van
                           de toepasselijke internationale sanctiemaatregel. Ook hiervoor geldt dat
                           de Minister van Economische Zaken overgaat tot afwijzing van het verzoek
                           als hij van oordeel is dat niet of onvoldoende of onvoldoende aantoonbaar
                           inspanningen zijn verricht om de bedrijfsvoering, eigendoms- en
                           zeggenschapsverhoudingen of strategie zodanig in te richten of aan te
                           passen dat de risico’s voor de financiële stabiliteit en de continuïteit
                           van de onderneming voldoende worden gemitigeerd en de effectieve naleving
                           van de relevante sanctieverplichting wordt gerespecteerd (zie artikel
                           5.5, derde lid, onderdeel a).</al>
                    <al>De Minister van Economische Zaken zal ook afwijzend op een verzoek
                           besluiten, als een positief besluit op het verzoek de volledige en juiste
                           nakoming van de sanctiemaatregel kan aantasten (zie artikel 5.5, derde
                           lid, onderdeel c). Ook wijst de Minister van Economische Zaken het
                           verzoek af, als het onvoldoende is onderbouwd in overeenstemming met de
                           eisen neergelegd in artikel 5.5, tweede lid (zie artikel 5.5, derde lid,
                           onderdeel d).</al>
                    <al>De Minister van Economische Zaken kan alleen positief besluiten op een
                           verzoek, als het aanwijzen van een persoon op grond van artikel 5.5 naar
                           zijn of haar overtuiging daadwerkelijk de negatieve gevolgen van de
                           sanctiemaatregel voor de financiële stabiliteit of continuïteit voor de
                           verzoekende onderneming kan beperken of voorkomen (zie artikel 5.5,
                           vierde lid). Daarbij geldt wel dat ook dan de Minister van Economische
                           Zaken de overtuiging moet hebben dat de naleving van de sancties of
                           verplichtingen als gevolg van een sanctiemaatregel niet in het gedrang
                           komt.</al>
                    <al>Nadat de Minister van Economische Zaken tot een positief besluit op het
                           verzoek is overgegaan en het besluit onaantastbaar is geworden, gaat de
                           minister over tot het aanwijzen van een of
                           meerdere personen. De bevoegdheden en randvoorwaarden waaronder deze
                           aangewezen persoon functioneert zijn hetzelfde als bij artikel 5.3. Wel
                           is er een afwijking ten aanzien van de kosten van de aangewezen persoon:
                           deze komen bij een aanwijzing op verzoek ten laste van de onderneming die
                           het verzoek heeft gedaan. In tegenstelling tot artikel 5.3 waar het
                           publiek belang leidend is, is bij de toepassing van deze bevoegdheid het
                           deelbelang van de onderneming leidend. De inzet van een aangewezen
                           persoon draagt positief bij aan dat deelbelang en op grond van het
                           profijtbeginsel is het doorberekenen van deze kosten aan de verzoekende
                           onderneming voor de hand liggend. Ook is dit bovendien een rem op een te
                           groot gebruik van deze bevoegdheid: een onderneming zal alleen deze stap
                           zetten als het echt nodig is en andere opties niet of onvoldoende
                           effectief zijn gebleken.</al>
                    <al>Ten aanzien van financiële ondernemingen en trustkantoren is voorzien in
                           afstemming tussen de Minister van Economische Zaken in overeenstemming
                           met de minister die het mede aangaat en de
                           financieel toezichthouders op die ondernemingen voorafgaand en bij de
                           uitoefening van de bevoegdheden voorzien in de artikelen 5.3 en 5.5.
                           Verder is geregeld dat maatregelen door de Minister van Economische Zaken
                           in overeenstemming met de minister die het
                           mede aangaat niet afdoen aan de bevoegdheden van die financieel
                           toezichthouders en wordt gegevensbescherming bij bewindvoering in de
                           financiële sector geregeld.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.4.3.</nr>
                      <titel>Beheer van registergoederen</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit wetsvoorstel worden mogelijkheden gecreëerd voor de overheid om
                           beheer en bewind van bepaalde registergoederen, zoals onroerende zaken,
                           luchtvaartuigen en schepen, over te nemen.<noot id="n75" type="voet"><noot.nr>75</noot.nr><noot.al>Een luchtvaartuig, zeeschip of binnenvaartschip is pas een
                                 registergoed als het teboekgesteld is (zie de artikelen 199 van
                                 Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek voor een zeeschip, 790 van Boek 8
                                 van het Burgerlijk Wetboek voor een binnenvaartschip en 1306 van
                                 Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek voor een
                                 luchtvaartuig).</noot.al></noot></al>
                    <al>In EU sanctieverordeningen is veelal het bevriezen van economische
                           middelen opgenomen. Economische middelen zijn ‘activa van enigerlei aard,
                           materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden zijn,
                           maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te
                              verkrijgen’.<noot id="n76" type="voet"><noot.nr>76</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 1, onderdeel d, van Verordening (EU)
                                 nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende
                                 maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale
                                 integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne
                                 ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> Het bevriezen van economische middelen houdt in dat wordt
                           voorkomen dat deze middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze
                           tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, onder meer door deze te
                           verkopen, te verhuren of te verhypothekeren.<noot id="n77" type="voet"><noot.nr>77</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 1, onderdeel d, van Verordening (EU)
                                 nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende
                                 maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale
                                 integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne
                                 ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> De eigenaar van een onroerende zaak mag dus geen nieuwe
                           huurovereenkomsten afsluiten. Voor beheerhandelingen zoals onderhoud kan
                           ontheffing worden gevraagd.<noot id="n78" type="voet"><noot.nr>78</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, en onderdeel c, van
                                 Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014
                                 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de
                                 territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van
                                 Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> De huidige interpretatie van de sanctieverordeningen is dat
                           lopende huurovereenkomsten van bevroren vastgoed (met een ontheffing)
                           mogen worden uitgediend.<noot id="n79" type="voet"><noot.nr>79</noot.nr><noot.al>Dit volgt uit de uitzonderingen voor zogeheten <nadruk type="cur">prior contracts</nadruk> die in de
                                 sanctieverordeningen zijn opgenomen. Zie bijvoorbeeld artikel 6,
                                 eerste lid, van Verordening (EU) 269/2014.</noot.al></noot> De opbrengsten moeten op een bevroren rekening worden
                           gestort.</al>
                    <al>De bevriezing houdt een tijdelijke inperking van het eigendomsrecht in.
                           Als de sancties worden opgeheven, of de gesanctioneerde van de
                           sanctielijst wordt geschrapt dan vervalt de bevriezing en kan de eigenaar
                           weer volledig over zijn eigendom beschikken. Op dat moment kan de
                           eigenaar van verhuurd onroerend goed ook weer over de voorheen bevroren
                           huurinkomsten beschikken, na aftrek van de beheervergoeding.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Het (langdurig) bevriezen van bezit in Nederland, zoals vlieg-,
                              vaartuigen en vastgoed kan tot praktische, financiële en
                              maatschappelijke problemen leiden. In het rapport van de Nationaal
                              Coördinator is aanbevolen om uit te zoeken of de overheid hier een
                              regeling voor zou kunnen maken. Daarbij is gebleken dat het
                              instrumentarium dat nu al bestaat, namelijk het aanvragen van
                              ontheffingen door de gesanctioneerde zelf om bijvoorbeeld te voorzien
                              in onderhoud van bevroren goederen, niet volstaat, omdat dit op
                              transactieniveau werkt en daarmee geen oplossing is voor langdurige
                              situaties of risicovolle situaties die niet ondervangen worden door de
                              ontheffingsgronden.</al>
                      <al>Bevriezing van onroerend goed kan ongewenste maatschappelijke
                              effecten hebben. Zo kan in voorkomend geval noodzakelijk onderhoud
                              onvoldoende worden uitgevoerd, waardoor niet wordt voldaan aan
                              wettelijke eisen op bijvoorbeeld het gebied van milieu of
                              (brand)veiligheid. Het opleggen van beperkingen aan schepen en
                              luchtvaartuigen zonder het uitvoeren van reguliere veiligheids- en
                              onderhoudscontroles en werkzaamheden kan daardoor op termijn gevaar
                              opleveren voor de omgeving of het milieu. Dat geldt eveneens voor het
                              onderhoud van woningen en gebouwen. Daarnaast kan leegstand optreden
                              omdat de eigenaar geen nieuwe verhuurovereenkomsten mag sluiten. Om
                              deze negatieve effecten van bevriezing te voorkomen respectievelijk te
                              beperken maakt artikel 6.1 het mogelijk dat de Minister van
                              Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft onroerende
                              zaken of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft
                              vaartuigen en luchtvaartuigen, een beheerder aanstelt voor bevroren
                              registergoederen. Deze kan, voor de duur van de bevriezing, zo nodig
                              zorgdragen voor noodzakelijke (milieu)veiligheid en het voorkomen van
                              maatschappelijke schade door onvoldoende onderhoud of leegstand.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Bij een onroerende zaak waarop nog een huurovereenkomst van toepassing
                           is die is afgesloten voordat de internationale sanctiemaatregelen van
                           kracht werden, verricht de aangestelde beheerder de beheerhandelingen die
                           noodzakelijk zijn om risico’s op maatschappelijke schade
                           (veiligheidsrisico’s, onvoldoende onderhoud of leegstand) te voorkomen.
                           Ook als het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van
                           het gehuurde op grond van een sanctiemaatregel heeft de
                           minister de bevoegdheid om het beheer van
                           het bevroren registergoed over te nemen. Het kan hier zowel gaan om de
                           huur van onroerende zaken als om vaartuigen en luchtvaartuigen. De huur
                           van vaartuigen en luchtvaartuigen speelt op dit moment niet, maar in het
                           belang van toekomstbestendige wetgeving is er voor gekozen om de regeling
                           ook te laten zien op vaartuigen en luchtvaartuigen.</al>
                    <al>Het beheer wordt overgenomen om de risico’s van negatieve bijeffecten
                           van de sanctiemaatregel te beperken, of schade te voorkomen, te beperken
                           of te herstellen. Dit brengt met zich dat geen ontheffingen nodig zijn
                           voor alle afzonderlijke beheerhandelingen en betalingen. Na beëindiging
                           van de bevriezing kunnen de huurontvangsten na aftrek van de
                           beheervergoeding aan de (voormalige) gesanctioneerde worden overgemaakt.
                           Als er geen of onvoldoende huurinkomsten ontvangen zijn zal de
                           (voormalige) gesanctioneerde de beheervergoeding afzonderlijk aan de
                           beheerder moeten overmaken. Zolang de sanctiemaatregel van kracht is, is
                           daarvoor een ontheffing nodig.</al>
                    <al>Bij bevroren vastgoed waarvan de huurovereenkomst is verlopen is er een
                           aantal mogelijkheden voor de beheerder. Zo kan de beheerder het vastgoed
                           aan een nieuwe gebruiker <nadruk type="cur">in bruikleen</nadruk><nadruk type="cur">geven</nadruk>, eventueel met alleen vergoeding van de
                           kosten van nutsvoorzieningen als water en energie. Bruikleen is het om
                           niet, oftewel gratis, in gebruik geven van een zaak.<noot id="n80" type="voet"><noot.nr>80</noot.nr><noot.al>De artikelen <extref doc="https://wetten.overheid.nl/BWBR0006000/2019-01-01/0#Boek7a_TiteldeelDertiende_AfdelingEerste_Artikel1777" soort="URL" status="actief">7A:1777</extref>, <extref doc="https://wetten.overheid.nl/BWBR0006000/2019-01-01/0#Boek7a_TiteldeelDertiende_AfdelingEerste_Artikel1778" soort="URL" status="actief">7A:1778</extref> en <extref doc="https://wetten.overheid.nl/BWBR0006000/2019-01-01/0#Boek7a_TiteldeelDertiende_AfdelingEerste_Artikel1780" soort="URL" status="actief">7A:1780 van het Burgerlijk
                                    Wetboek</extref>.</noot.al></noot> De bruikleenovereenkomst is tijdelijk en eindigt op een
                           overeengekomen einddatum. Bruikleen is <nadruk type="cur">geen
                              (ver)huur</nadruk> en bij bruikleen zijn dus niet de speciale
                           huurregels uit Titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van
                           toepassing.</al>
                    <al>De beheerder kan voor het vastgoed ook een nieuwe huurovereenkomst
                           sluiten, rekening houdend met de beperkingen die horen bij bevroren
                           vastgoed. <nadruk type="cur">Verhuur</nadruk> is een overeenkomst waarbij
                           de ene partij, de verhuurder, een zaak in gebruik geeft aan de andere
                           partij, de huurder, en waarbij de huurder zich aan een tegenprestatie
                           verbindt voor het gebruik van de zaak.<noot id="n81" type="voet"><noot.nr>81</noot.nr><noot.al>Artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek.</noot.al></noot> Op verhuur zijn de regels uit Titel 4 van Boek 7 van het
                           Burgerlijk Wetboek van toepassing, waardoor de huur niet altijd beëindigd
                           kan worden op de datum dat de beheerovername stopt.</al>
                    <al>Omdat vooraf onbekend is hoe lang de bevriezing zal duren worden in
                           beginsel bij in gebruikgeving <nadruk type="cur">als woonruimte</nadruk>
                           kortlopende bruikleencontracten gebruikt of tijdelijke huurcontracten.
                           Bij verhuur van woonruimte is er beperkte huurbescherming voor de huurder
                           bij tijdelijke huurcontracten voor een periode van maximaal 2 jaar als
                           bedoeld in artikel 7:271, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek; sinds de
                           inwerkingtreding van Wet vaste huurcontracten (<extref doc="stb-2023-480" soort="document" status="actief">Stb. 2023, 480</extref>) kan dat alleen
                           aan in het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst
                           aangewezen woningzoekenden.</al>
                    <al>Bij tijdelijke verhuur van maximaal 2 jaar <nadruk type="cur">als
                              ‘middenstandsbedrijfsruimte’</nadruk> als bedoeld in artikel 7:290 van
                           het Burgerlijk Wetboek (horeca, winkels, kampeerterreinen), heeft de
                           huurder geen huurbescherming; bij verhuur voor een periode van meer dan 2 jaar heeft de huurder wel huurbescherming.</al>
                    <al>Bij tijdelijke verhuur <nadruk type="cur">als ‘overige
                              bedrijfsruimte’</nadruk> als bedoeld in artikel 7:230a van het
                           Burgerlijk Wetboek (bedrijfsruimte die geen horeca-functie, winkelfunctie
                           of kampeerfunctie heeft; bijvoorbeeld fabrieken, loodsen,
                           distributiecentra, kantoren, sportterreinen, onderwijsinstellingen,
                           ziekenhuizen, gezondheidscentra, enzovoort), heeft de huurder geen
                           huurbescherming maar wel nog ontruimingsbescherming op de dag dat het
                           (tijdelijke) huurcontract afloopt: de huurder mag de ruimte dan nog twee
                           maanden langer gebruiken en kan in die twee maanden bij de rechter een
                           verzoek indienen voor nog langduriger ontruimingsbescherming.</al>
                    <al>De Woningwet kent een regeling voor een verplichte beheerovername van
                           gebouwen, erven of open terreinen.<noot id="n82" type="voet"><noot.nr>82</noot.nr><noot.al>Artikel 13b Woningwet.</noot.al></noot> Die voorziening is echter niet toepasbaar in situaties waar
                           artikel 6.1 van het wetsvoorstel op ziet. Het bevoegd gezag (het college
                           van burgemeester en wethouders) heeft met artikel 13b Woningwet de
                           bevoegdheid om een eigenaar te verplichten het gebouw in beheer te geven
                           aan het college van burgemeester en wethouders of een door hen aan te
                           wijzen persoon of instantie als onder meer het gebruik en het in stand
                           houden van bouwwerken of van voorschriften over het gebruik ervan gepaard
                           gaat met een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, of een
                           bedreiging vormt voor de leefbaarheid en een opgelegde last onder
                           dwangsom niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Daarnaast kent de
                           Leegstandwet de mogelijkheid om bij leegstand aan de eigenaar een
                           gebruiker voor te dragen die het gebouw of de woning in gebruik neemt.
                           Voor beide wetten geldt dat deze instrumenten pas worden ingezet als aan
                           de eigenaar de mogelijkheid gegeven is om de ongewenste situatie te
                           verhelpen.</al>
                    <al>Zo is de bevoegdheid uit de Woningwet opgenomen als <nadruk type="cur">ultimum remedium</nadruk> voor het geval een eigenaar specifieke
                           wettelijke verplichtingen (namelijk de zorgplicht dat een gebouw geen
                           gevaar is voor de veiligheid of gezondheid, of de geldende
                           bouwvoorschriften) heeft overtreden, dan wel als het gebouw (of het erf)
                           gesloten is in verband met verstoringen van de openbare orde (drugs,
                           geweld) of gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid. Ook is
                           vereist dat eerst een lichtere sanctie is toegepast (een last onder
                           dwangsom) die niet effectief is gebleken. Dit maakt dat de beheerovername
                           regeling op grond van de Woningwet niet goed toepasbaar is in de
                           situaties waar dit wetsvoorstel op ziet: de gesanctioneerde eigenaar kán
                           als gevolg van de bevriezing niet zelf handelen waardoor de last niet kan
                           worden uitgevoerd. Er zou in dat geval altijd eerst een niet uit te
                           voeren last moeten worden opgelegd, waarna daarna pas
                           handelingsperspectief ontstaat. De Woningwet is daarmee niet passend op
                           de situatie waarin iemand gesanctioneerd is, waarbij de kern van die
                           sanctiemaatregel ook mede maakt dat deze persoon niet kan handelen, en
                           dus ook geen lasten kan uitvoeren.</al>
                    <al>De Leegstandwet gaat er op zijn beurt vanuit dat er eerst een gesprek
                           plaatsvindt tussen de eigenaar en het college van burgemeester en
                           wethouders. Uiteindelijk kan er een gebruiker worden voorgedragen door
                           het college. Daarnaast kan het college de eigenaar ook verplichten de
                           noodzakelijke voorzieningen te treffen zodat het gebouw weer op redelijke
                           wijze in gebruik kan worden genomen. Evenals bij de beheerovername op
                           basis van de Woningwet, is het ook op basis van de Leegstandwet
                           noodzakelijk dat de eigenaar actie onderneemt. Echter een gesanctioneerde
                           eigenaar beschikt niet over de bevoegdheid om dergelijke voorzieningen te
                           treffen. Omdat een gesanctioneerde geen rechtshandelingen mag aangaan,
                           passen deze bestaande wettelijke instrumenten in de gegeven situatie
                           niet.</al>
                    <al>Dat maakt dat een specifieke bevoegdheid, waarbij tot beheer kan worden
                           overgegaan, zonder dat er eerst specifieke handelingen worden verwacht
                           vanuit de eigenaar, passender is. Daarnaast is het ook van belang om de
                           huurder te beschermen. Het is immers niet de zittende huurder die nadelen
                           moet ondervinden van het feit dat zijn verhuurder is gesanctioneerd.
                           Wanneer de verhuurder is gesanctioneerd geldt voor de verhuurder dat hij
                           geen rechtshandelingen meer kan verrichten, terwijl het onderhouden van
                           een pand en het handhaven van de aangeboden voorzieningen in een huurhuis
                           vaak wel vergen dat een verhuurder moet kunnen handelen. Dit doel, het
                           beschermen van een zittende huurder met betrekking tot deze
                           aangelegenheden, wordt niet voldoende beschermd vanuit de huidige
                           Woningwet en de Leegstandwet. Ook dat maakt dat een specifieke wettelijke
                           bevoegdheid hier beter past. Tot slot is de omgang met betrekking tot
                           gesanctioneerden en het uiteindelijk kunnen verhalen van de
                           (beheer)kosten ook iets dat niet van gemeente tot gemeente moet
                           verschillen en een meer landelijke aanpak behoeft met nationale
                           prioriteit. Daarom is een specifieke bevoegdheid die wordt geattribueerd
                           aan de minister in de gegeven situatie
                           passender.</al>
                    <al>De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat
                           betreft onroerende zaken of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
                           voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, kan bij of na de
                           beheerovername besluiten de feitelijke uitvoering van het beheer op basis
                           van mandaat in handen te geven van een persoon die op grond van beroep of
                           bedrijf op het terrein van het registergoed werkzaam is, dan wel aan een
                           op dat terrein werkzame instelling. Dit mandaat impliceert dat de
                           Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of de Minister van
                           Infrastructuur en Waterstaat altijd eindverantwoordelijk blijft voor het
                           overgenomen beheer, dat deze voorwaarden aan het mandaat kan verbinden en
                           het mandaat in kan trekken, als dat nodig is. Voor de uitvoering van het
                           beheer wordt een redelijke beheervergoeding vastgesteld bij
                           mandaatbesluit.</al>
                    <al>Sanctieverordeningen bevatten veelal een uitsluiting van
                           aansprakelijkheid voor eventuele schade als gevolg van de
                              sanctiemaatregel.<noot id="n83" type="voet"><noot.nr>83</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 10 van Verordening (EU) nr. 269/2014
                                 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen
                                 met betrekking tot acties die de territoriale integriteit,
                                 soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of
                                 bedreigen.</noot.al></noot> Dit principe is echter niet van toepassing op de uitvoering van
                           de beheerovername op grond van het wetsvoorstel. Daarop zijn de algemene
                           regels in het Burgerlijk Wetboek inzake aansprakelijkheid van toepassing.
                           Dus bij schade aan een registergoed tijdens verhuur: als die veroorzaakt
                           is door de huurder of gebruiker, dan is die aansprakelijk en is de schade
                           voor zijn rekening. Schade ontstaan door onoordeelkundig uitgevoerd
                           beheer (bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden door beheerder) valt onder
                           de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van de beheerder (die deze
                           eventueel kan verhalen op de uitvoerders).</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.5.</nr>
                    <titel>Aantekeningen in registers</titel>
                  </kop>
                  <al>De uitgebreide inzet van het sanctie-instrument heeft de noodzaak doen
                        inzien om het voor bepaalde registers mogelijk te maken een link met
                        sancties te kunnen aangeven. Deze noodzaak laat zich vooral sterk voelen
                        ingeval van sancties waarbij er sprake is van een verplichte bevriezing van
                        tegoeden en economische middelen.<noot id="n84" type="voet"><noot.nr>84</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van
                              17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                              acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                              onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> In relatie tot de Rusland- en Belarussancties is in de betreffende
                        sanctieregelingen de bevoegdheid gecreëerd om aantekeningen te plaatsen in
                        het Handelsregister en het Octrooiregister als er een relatie is tussen de
                        onderwerpen van die registers en gesanctioneerde entiteiten en personen, en
                        in de kadastrale registraties als er sprake is van bevroren
                           registergoederen.<noot id="n85" type="voet"><noot.nr>85</noot.nr><noot.al>Zie respectievelijk de artikelen 2d, 2e en 2a van de
                              Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014, en de
                              artikelen 1ad, 1ae en 1aa van de Sanctieregeling Belarus
                              2006.</noot.al></noot> Deze bevoegdheid was noodzakelijk in het kader van de effectieve
                        tenuitvoerlegging van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014.<noot id="n86" type="voet"><noot.nr>86</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2022-17555" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2022/17555</extref>.</noot.al></noot> De namen en andere relevante data betreffende de personen en
                        entiteiten wiens tegoeden en economische middelen op grond van die
                        verordening bevroren behoren te zijn, moeten namelijk openbaar worden
                           gemaakt.<noot id="n87" type="voet"><noot.nr>87</noot.nr><noot.al>Overweging 9 van Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van
                              17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                              acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                              onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> Daarmee is in brede zin gevolg gegeven aan de aanbeveling van de
                        Nationaal Coördinator om een wettelijke grondslag te creëren voor het
                        plaatsen van een aantekening in het Handelsregister.<noot id="n88" type="voet"><noot.nr>88</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving), p. 6 en
                              14.</noot.al></noot> Deze bevoegdheid is op dit moment beperkt tot de Ruslandsancties,
                        waardoor het plaatsen van aantekeningen in deze registers in het kader van
                        andere sancties niet mogelijk is. Dit is echter wel wenselijk, mede omdat de
                        verplichting tot openbaarmaking van de namen en andere relevante data over
                        personen en entiteiten wiens tegoeden en economische middelen bevroren
                        behoren te zijn, niet beperkt is tot de Ruslandsancties.<noot id="n89" type="voet"><noot.nr>89</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld overweging 4 van Verordening (EU) 2020/1998 van
                              de Raad van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen
                              ernstige schendingen van de mensenrechten.</noot.al></noot> De regering stelt dan ook voor deze aantekenbevoegdheden te
                        verankeren in dit wetsvoorstel en daarbij uit te breiden naar een groter
                        aantal registers. De bevoegdheid voor de beheerders van de betreffende
                        registers zal van toepassing zijn op alle sanctieregimes en daarmee
                        toekomstbestendig.</al>
                  <al>In het verlengde van de aanbevelingen en constateringen van de Nationaal
                        Coördinator kan worden opgemerkt dat het plaatsen van een aantekening in een
                        register bijdraagt aan de mogelijkheden voor toezichthouders en
                        poortwachters, zoals notarissen, om zicht te houden op welke ondernemingen,
                        registergoederen en andere vermogensbestanddelen die in registers zijn
                        geregistreerd, verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens door de EU
                        vastgestelde sancties jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en
                        entiteiten. Het kan daarbij gaan om sancties waarbij er sprake is van een
                        verplichte bevriezing van tegoeden en economische middelen,<noot id="n90" type="voet"><noot.nr>90</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van
                              17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                              acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                              onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> maar ook om meer gerichte economische maatregelen die economische
                        beperkingen met zich meebrengen jegens bepaalde landen, regimes,
                        ondernemingen of personen en entiteiten, zoals een verbod op het overdragen
                        van intellectuele eigendomsrechten<noot id="n91" type="voet"><noot.nr>91</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 2bis van Verordening (EU) nr. 833/2014
                              van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar
                              aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne
                              destabiliseren.</noot.al></noot> aan deze partijen of het verstrekken van financiering.<noot id="n92" type="voet"><noot.nr>92</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 13 van Verordening (EU) nr. 36/2012 van
                              de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het
                              licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU)
                              nr. 442/2011.</noot.al></noot></al>
                  <al>Het plaatsen van een aantekening in een register draagt bij aan de
                        mogelijkheid voor burgers, toezichthouders en bedrijven (waaronder
                        poortwachters) om zicht te houden op welke ondernemingen, registergoederen
                        en andere vermogensbestanddelen die in registers zijn geregistreerd,
                        verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens door de EU vastgestelde
                        sancties jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en entiteiten. Het
                        opnemen van aantekeningen in registers draagt in die zin bij aan het
                           doenvermogen<noot id="n93" type="voet"><noot.nr>93</noot.nr><noot.al>‘Doenvermogen is het vermogen om in actie te komen en vol te
                              houden, zelfs bij tegenslagen. Het draait dan niet zozeer om mensen
                              hun cognitieve vermogens zoals intelligentie of digitale vaardigheden,
                              maar om hun niet-cognitieve vermogens’ (Kenniscentrum voor beleid en
                              regelgeving).</noot.al></noot> van burgers en bedrijven. De aantekeningen stellen eenieder namelijk
                        in staat om gemakkelijker te achterhalen of de partij waarmee zij handelen
                        in verband kan worden gebracht met sanctiemaatregelen. De registers die het
                        betreft zijn openbaar en goed toegankelijk voor partijen. Het verdient
                        daarbij wel de opmerking dat een aantekening een hulpmiddel is om breder
                        inzichtelijk te maken dat er sprake is van sanctionering. Het is dus een
                        aanvullend middel om de wet te kunnen kennen en te kunnen naleven. Het
                        naleven van sancties blijft de verantwoordelijkheid van burgers en
                        bedrijven, zoals in het algemeen als rechtsbeginsel geldt dat iedereen
                        geacht wordt de wet te kennen. De aantekening in een register is daarbij een
                        hulpmiddel om het naleven van sancties makkelijker te maken. Ook als een
                        aantekening niet aanwezig is, kan een natuurlijke persoon, rechtspersoon of
                        entiteit nog steeds gesanctioneerd zijn. Het ontbreken van een aantekening
                        ontslaat marktpartijen dus niet van de verplichting om zich te houden aan de
                        wet- en regelgeving ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen.
                        Hoe burgers en bedrijven dat doen, volgt in het algemeen niet uit de
                        sanctiemaatregelen, onderzoeksverplichtingen voor bepaalde partijen
                        niettegenstaande. Wel zal het zeker bij grensoverschrijdend zakendoen vaak
                        verstandig en vanzelfsprekend zijn om als bedrijf zelf verder onderzoek te
                        doen. In het bijzonder kan het voorkomen dat de noodzaak tot aantekeningen
                        nog moet worden onderzocht en daarna verwerkt, nadat personen of entiteiten
                        op internationale sanctielijsten worden geplaatst. In dit tijdsbestek moeten
                        partijen zich ook aan de geldende sanctiemaatregelen houden.</al>
                  <al>Aantekeningen hebben niet altijd automatisch effect of betekenis, omdat de
                        functie van aantekenen primair het leggen van een relatie is tussen
                        internationale sanctiemaatregelen jegens natuurlijke personen,
                        rechtspersonen en entiteiten en het geregistreerde gegeven. Afhankelijk van
                        de aard van het register, het geregistreerde gegeven en de vorm van de
                        aantekening, faciliteert dat marktpartijen in het bevriezen van tegoeden en
                        economische middelen, het voorkomen of verbreken van contracten, het
                        schorsen en ontslaan van bestuursleden of het voorkomen van de benoeming
                        ervan of het starten van een diepgravend due diligence onderzoek.
                        Marktpartijen moeten dan ook nog steeds zelf bepalen welk gevolg de
                        internationale sanctiemaatregel en de aantekening heeft voor de eigen
                        bedrijfsvoering. Dit is in lijn met de huidige regelingen in het kader van
                        de Ruslandsancties. Een aantekening in het Handelsregister wijst
                        bijvoorbeeld alleen op de bevriezing en het verbod financiële of economische
                        betrekkingen aan te gaan. De gevolgen die daaraan verbonden moeten worden,
                        volgen uit artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014.<noot id="n94" type="voet"><noot.nr>94</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2022-17555" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2022/17555</extref>.</noot.al></noot> Daarin is bepaald dat er geen tegoeden of economische middelen ter
                        beschikking gesteld mogen worden aan of ten behoeve van de in de lijst in
                        bijlage I vermelde natuurlijke personen ‘of met hen verbonden natuurlijke
                        personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen’ en dat alle aan deze
                        personen toebehorende tegoeden en economische middelen bevroren worden.<noot id="n95" type="voet"><noot.nr>95</noot.nr><noot.al>Er bestaan diverse indicatoren op basis waarvan verbondenheid
                              kan worden vastgesteld, waarbij een meerderheidsbelang van een
                              gesanctioneerde partij in een rechtspersoon de meest gangbare is. Zie
                              voor de verdere criteria op basis waarvan verbondenheid kan worden
                              vastgesteld de passages over eigendom en zeggenschap in de meest
                              recente versie van ‘Beste praktijken van de EU voor de doeltreffende
                              implementatie van beperkende maatregelen’ (Raadsdocument 11623/24). De
                              aanname van verbondenheid op basis van de daarin genoemde criteria is
                              een weerlegbaar rechtsvermoeden.</noot.al></noot> De aantekening in de basisregistratie kadaster duidt op het van
                        toepassing zijn van bevriezingsmaatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste
                        lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014.<noot id="n96" type="voet"><noot.nr>96</noot.nr><noot.al><extref doc="stcrt-2022-9666" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk> 2022/9666</extref>.</noot.al></noot> Wat bevriezen inhoudt volgt vervolgens uit de verordening.<noot id="n97" type="voet"><noot.nr>97</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1, onderdelen e en f, van Verordening (EU) 269/2014
                              voor de begripsbepaling van respectievelijk het bevriezen van
                              economische middelen en het bevriezen van tegoeden.</noot.al></noot></al>
                  <al-groep>
                    <al>Het wetsvoorstel regelt in de eerste plaats de bevoegdheid voor de
                           beheerders van een aantal openbare registers om een aantekening aan te
                           brengen bij de geregistreerde gegevens in het register (bijvoorbeeld bij
                           een rechtspersoon of een registergoed) waaruit blijkt dat er een relatie
                           is tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon,
                           entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie. Deze bevoegdheid
                           wordt door middel van wijzigingsbepalingen in de relevante
                           sectorwetgeving opgenomen die deze registers instellen en regelen.
                           Voorgesteld wordt om dit voor de volgende registers te regelen:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het Handelsregister (waaronder het UBO-register);<noot id="n98" type="voet"><noot.nr>98</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.4 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het UBO-register trusts;<noot id="n99" type="voet"><noot.nr>99</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.5 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de basisregistratie kadaster (BRK), de registratie voor schepen en
                                 de registratie voor luchtvaartuigen (hierna gezamenlijk: de
                                 kadastrale registraties);<noot id="n100" type="voet"><noot.nr>100</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.6 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van
                                    halfgeleiderprodukten;<noot id="n101" type="voet"><noot.nr>101</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.10 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het Register ruimtevoorwerpen;<noot id="n102" type="voet"><noot.nr>102</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.18 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot> en,</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>het Nederlands rassenregister (m.b.t. plantenrassen).<noot id="n103" type="voet"><noot.nr>103</noot.nr><noot.al>Zie artikel 10.24 van het wetsvoorstel en de
                                       artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Door aan te sluiten bij deze bestaande registers, wordt recht gedaan aan
                        het uitgangspunt dat de voor uitvoering van een regeling benodigde
                        informatievoorziening wordt afgestemd op de wetten inzake de
                        basisregistraties. Dit is zowel een juridische randvoorwaarde, alsook van
                        belang voor het beperken van de regeldruk voor burgers en bedrijven. Een
                        belangrijk uitgangspunt bij het inrichten van overheidsdienstverlening is
                        dan ook dat van ‘eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik’ van gegevens.
                        Oftewel: de overheid vraagt van burgers, bedrijven en instellingen geen
                        gegevens waarover zij al beschikt.<noot id="n104" type="voet"><noot.nr>104</noot.nr><noot.al>Zie ook Aanwijzing 5.31 en 5.32 van de Aanwijzingen voor de
                              regelgeving.</noot.al></noot> Er is daarbij wel steeds gekozen voor een geheel zelfstandige
                        bepaling en niet het aansluiten bij al bestaande aantekenbevoegdheden. De
                        reden hiervoor is dat de registers elk hun karakteristieken kennen met eigen
                        beheerders die elk verschillende bevoegdheden en taken hebben en deze
                        aantekenbevoegdheden veelal zien op het in onderzoek hebben van het
                        geregistreerde goed of recht of daaraan verbonden informatie.<noot id="n105" type="voet"><noot.nr>105</noot.nr><noot.al>Daarbij bestaan er verschillen in de formuleringen tussen de
                              verscheidene bepalingen. Deze bestaat eruit dat er een tweedeling
                              bestaat tussen bepalingen waarbij de beheerder op eigen gezag een
                              aantekening plaatst en die bepalingen waarbij het alleen op basis van
                              verstrekte informatie van een ander bestuursorgaan of toezichthouder
                              gebeurt.</noot.al></noot> De aantekenbevoegdheid die met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd
                        heeft een ander oogmerk. De aantekening is bedoeld een relatie kenbaar te
                        maken tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon,
                        entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie met het oogmerk een
                        verhoogde en verbeterde nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit
                        internationale sanctiemaatregelen.</al>
                  <al>Wat de registers waarvoor een aantekenbevoegdheid wordt voorgesteld gemeen
                        hebben is dat de daarin opgenomen gegevens van belang zijn om te voorkomen
                        dat burgers en bedrijven indirect zaken doen met personen of bedrijven die
                        op een sanctielijst staan. Dat kan namelijk het geval zijn wanneer een
                        burger of bedrijf ‘economische middelen’ ter beschikking stelt aan
                        bedrijven, die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van personen of
                        bedrijven op de sanctielijst. Bij het Handelsregister en de kadastrale
                        registraties betreft het de verbreding van de bestaande mogelijkheden tot
                        aantekening in het kader van de Rusland- en Belarussancties naar alle
                           sanctieregimes.<noot id="n106" type="voet"><noot.nr>106</noot.nr><noot.al>Op 1 juli 2022 is een wijzigingsregeling gepubliceerd waarmee de
                              aantekenbevoegdheid van de Kamer van Koophandel is geregeld om een
                              aantekening in het Handelsregister op te nemen in het kader van de
                              tenuitvoerlegging van de Europese sancties tegen Rusland en Belarus.
                              Ook is toen een aantekenbevoegdheid voor het Octrooicentrum Nederland
                              geregeld. Met deze aantekenbevoegdheid kan het Octrooicentrum actief
                              kenbaar maken dat bepaalde geregistreerde octrooien, aanvullende
                              beschermingscertificaten of topografieën van halfgeleiderproducten –
                              met inbegrip van aanvragen voor een dergelijke registratie – bevroren
                              of geschorst zijn krachtens de Europese sanctieverordeningen
                              (Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-104" soort="document" status="actief">36 045, nr. 104</extref>, p. 3–4).</noot.al></noot> Aanvullend is de regering voornemens om ook in de Basisregistratie
                        Voertuigen (Kentekenregister) en het Octrooiregister een mogelijke link met
                        sancties inzichtelijk te kunnen maken.<noot id="n107" type="voet"><noot.nr>107</noot.nr><noot.al>Het mogelijk maken van een aantekenbevoegdheid in het
                              Octrooiregister vereist aanpassing van de Rijksoctrooiwet 1995. Omdat
                              de Rijksoctrooiwet 1995 een Rijkswet is, kan deze niet via de
                              reguliere wetsprocedure worden aangepast. Dit vraagt derhalve om een
                              afzonderlijk Rijkswetstraject.</noot.al></noot> Voor het Kentekenregister is het voornemen om een
                        tenaamstellingsblokkade mogelijk te maken voor voertuigen die op grond van
                        internationale sanctiemaatregelen bevroren zijn. Dit heeft effectief tot
                        gevolg dat deze voertuigen niet overgeschreven kunnen worden, en belemmert
                        het verhandelen hiervan. Hiervoor is geen aanpassing op wetsniveau
                        noodzakelijk, maar alleen aanpassing van het Kentekenreglement (een algemene
                        maatregel van bestuur) die in een afzonderlijk traject zal worden
                        voorbereid. Voor het Octrooiregister wil de regering eveneens een
                        aantekenbevoegdheid creëren. Dit vereist aanpassing van de Rijksoctrooiwet
                        1995. Omdat de Rijksoctrooiwet 1995 een Rijkswet is, kan deze niet door het
                        onderhavige wetsvoorstel worden aangepast. Het creëren van deze
                        aantekenbevoegdheid vereist dan ook een separaat traject.</al>
                  <al>Het Handelsregister speelt daarbij een overkoepelende rol, gezien het tot
                        doel heeft om de rechtszekerheid in het economisch verkeer te bevorderen en
                        gegevens van algemene, feitelijke aard te verstrekken over de samenstelling
                        van ondernemingen en rechtspersonen.<noot id="n108" type="voet"><noot.nr>108</noot.nr><noot.al>Hieronder valt ook het UBO-register; het Handelsregister heeft
                              ook tot doel om uiteindelijk belanghebbenden (<nadruk type="cur">ultimate beneficial owners</nadruk>; UBOs) te registreren ter
                              voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het
                              witwassen van geld en terrorismefinanciering (artikel 2, onderdeel d,
                              van de Handelsregisterwet 2007). NB. het UBO-trustregister is
                              afzonderlijk vormgegeven en staat los van het Handelsregister. Wel is
                              de Kamer van Koophandel ook de beheerder van het UBO-trustregister,
                              dat als doel heeft om te voorkomen dat het financiële stelsel gebruikt
                              wordt voor witwassen en financieren van terrorisme (artikel 4, tweede
                              lid, Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
                              trusts en soortgelijke juridische constructies).</noot.al></noot> Daarbij geldt wel dat door de veelheid van geregistreerde informatie
                        en gegevens en de breedheid van het register, het Handelsregister wel
                        aantekeningen kan aanbrengen, maar dat de aantekeningen naar hun aard
                        onderling aanzienlijk kunnen verschillen. In het ene geval zal bijvoorbeeld
                        de aantekening – op aangeven van bijvoorbeeld een toezichthouder – aangeven
                        dat een natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt van een in het
                        Handelsregister geregistreerde onderneming een relatie heeft met een
                        gesanctioneerde rechtspersoon gevestigd in bijvoorbeeld de Russische
                        Federatie. In het andere geval zal de aantekening aangeven dat de aandelen
                        van de in het Handelsregister geregistreerde kapitaalvennootschap bevroren
                        zijn of dat een zogeheten <nadruk type="cur">firewall</nadruk> is
                        aangebracht waardoor de relatie met de gesanctioneerde entiteit effectief is
                        doorbroken. Deze veelheid aan mogelijkheden brengt met zich mee dat het
                        Handelsregister de aantekening op dossierniveau van de geregistreerde
                        rechtspersoon aanbrengt en niet op het niveau van ieder deelgegeven.</al>
                  <al>Een aantekening in de kadastrale registraties is van belang, zodat het voor
                        de gebruikers van deze registraties duidelijk is dat een registergoed
                        bevroren is. Het Kadaster draagt zorg voor een vergelijking van personen en
                        entiteiten op de sanctielijst met personen en entiteiten in de kadastrale
                        registraties en plaatst in het geval van een match een aantekening, zodat
                        het voor een ieder duidelijk is aan welke registergoedtransacties geen
                        medewerking mag worden verleend. De informatie over een relatie tussen een
                        gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en
                        het voorwerp van de registratie in een register moet onomstotelijke
                        duidelijkheid bieden, zodat de bewaarder van de kadastrale registraties geen
                        twijfel heeft over de plaatsing van de aantekening in de kadastrale
                        registratie. De aantekening dient om duidelijkheid te bieden of het
                        registergoed bevroren is.</al>
                  <al>Het Register ruimtevoorwerpen, het Nederlands rassenregister en het
                        register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van
                        halfgeleiderprodukten hebben gemeen dat zij gegevens bevatten over
                        ‘economische middelen’ die een aanzienlijke waarde kunnen hebben, zoals
                        voertuigen en intellectuele eigendomsrechten. Economische middelen zijn
                        activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend,
                        die geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of
                        diensten te verkrijgen. Bevriezing van economische middelen is erop gericht
                        om te voorkomen dat deze worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden,
                        goederen of diensten te verkrijgen.<noot id="n109" type="voet"><noot.nr>109</noot.nr><noot.al>Deze terminologie wordt in verscheidene sanctieregimes gebruikt.
                              Zie bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van
                              17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                              acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                              onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> Met de keuze voor deze registers zet de regering in op die
                        economische middelen waarvan het vanwege hun waarde van het grootste belang
                        is dat zij niet te gelde kunnen worden gemaakt wanneer zij onderwerp zijn
                        van sancties. Voor het Nederlands rassenregister en het register voor de
                        depots van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten geldt
                        bovendien het volgende. Voor het kwekersrecht voor het ingeschreven ras en
                        het depot oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, geldt dat
                        de inschrijving in het register doorslaggevend is voor de bescherming van
                        het betreffende intellectueel eigendomsrecht. Door het plaatsen van
                        aantekeningen worden niet alleen de verleende rechten bevroren maar ook
                        lopende aanvragen tot registratie. De Raad respectievelijk het bureau kunnen
                        tot het plaatsen van een aantekening overgaan op grond van eigen onderzoek,
                        of op basis van informatie die wordt gedeeld door bijvoorbeeld een
                        toezichthouder die toeziet op de naleving van internationale
                        sanctiemaatregelen.</al>
                  <al>Overwogen is om een aantekenbevoegdheid voor de Basisregistratie Personen
                        (BRP) te regelen, zodat beter in beeld kan worden gebracht of inwoners van
                        Nederland (ingezetenen) voorkomen op internationale sanctielijsten. Dit zou
                        het voor bepaalde poortwachters, zoals notarissen, gemakkelijker maken om te
                        controleren of een klant voorkomt op een internationale sanctielijst. De
                        regering heeft echter afgezien van deze mogelijkheid. De reden hiervoor is
                        dat dit in het licht van de grote juridische, organisatorische en technische
                        gevolgen voor de BRP, naar ratio van de verwachte ‘hits’ die naar
                        verwachting beperkt is, niet proportioneel is. Voorts hebben de
                        poortwachters in kwestie ook andere middelen tot hun beschikking om te
                        controleren of hun klanten voorkomen op internationale sanctielijsten.</al>
                  <al>De reikwijdte van de aantekenbevoegdheid is grotendeels vergelijkbaar bij
                        elk register waarbij de verschillen tussen de gekozen
                        bevoegdheidsformuleringen samenhangen met het voorwerp van de registratie en
                        de mate waarin bepaalde relaties tussen een gesanctioneerde natuurlijke
                        persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de
                        registratie zich daadwerkelijk kunnen voordoen. Voor elk van deze
                        aantekenbevoegdheden geldt dat als de relatie tussen de gesanctioneerde
                        natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van
                        de registratie zich niet langer voordoet, de aantekening wordt
                        verwijderd.</al>
                  <al>Overkoepelend regelt het voorstel de verplichting voor bestuursorganen en
                        toezichthouders die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter
                        uitvoering van sanctiemaatregelen om, als zij daarover beschikken,
                        informatie over een relatie tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon,
                        rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie in een
                        register door te geven aan de beheerder van dat register. Daarmee worden de
                        beheerders van de registers in staat gesteld de bevoegdheid uit te oefenen
                        om een aantekening te plaatsen bij het voorwerp van de registratie en de
                        daarmee samenhangende en geregistreerde informatie. De verwerking van
                        persoonsgegevens die in dit kader plaatsvindt dient ertoe om eraan bij te
                        dragen te voorkomen dat burgers en bedrijven onbedoeld internationale
                        sanctiemaatregelen schenden. Het schenden van internationale
                        sanctiemaatregelen kwalificeert als strafbaar feit. De
                        verstrekkingsverplichting is daarmee een noodzakelijke en evenredige
                        maatregel ter waarborging van de voorkoming van strafbare feiten.<noot id="n110" type="voet"><noot.nr>110</noot.nr><noot.al>Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, AVG.</noot.al></noot>Weliswaar zal in diverse gevallen de beheerder van het register ook
                        zelf een dergelijke relatie kunnen leggen (bijvoorbeeld wanneer de
                        rechthebbende op bijvoorbeeld een kwekersrecht zelf op een lijst voorkomt
                        van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen waarvan de
                        economische middelen en tegoeden bevroren moeten worden), maar in de meeste
                        gevallen zal de beheerder van het register tot een aantekening overgaan,
                        omdat er informatie van een bevoegde instantie, een toezichthouder of een
                        ander register wordt ontvangen. Het is daarbij van belang te onderkennen dat
                        in zulke gevallen de beheerder van het register niet zelfstandig tot een
                        verificatie van de aangeleverde informatie overgaat, maar vertrouwt op de
                        aangeleverde gegevens en inlichtingen.</al>
                  <al>Tot slot houdt het hier geregelde met betrekking tot het UBO-register en
                        het UBO-register trusts waarin uiteindelijke belanghebbenden worden
                        geregistreerd (<nadruk type="cur">Ultimate Benificial Ownership</nadruk>)
                        verband met het Wijzigingswetsvoorstel beperking toegang tot UBO-registers.
                        Het UBO-register en het UBO-register trusts zijn niet voor iedereen
                        toegankelijk. In het Wijzigingswetsvoorstel beperking toegang tot
                        UBO-registers wordt daarom geregeld dat ambtenaren, andere personen en
                        rechtspersonen belast met het toezicht op de naleving van de Sanctiewet 1977
                        ook toegang krijgen tot de UBO-informatie. Op basis van de Sanctiewet 1977
                        en de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 zijn financiële instellingen
                        verplicht om te waarborgen dat zij op het gebied van de administratieve
                        organisatie en interne controle maatregelen hebben getroffen ter naleving
                        van de sanctieregelgeving. Hieronder valt onder andere een adequate controle
                        van de administratie op het overeenkomen van de identiteit van relaties met
                        een (rechts)persoon of entiteit als bedoeld in de sanctieregelgeving. Om te
                        weten of een rechtspersoon of juridische constructie onder sancties valt,
                        moeten deze instellingen weten wie de uiteindelijke belanghebbenden of
                           <nadruk type="cur">UBO’s</nadruk> zijn van deze rechtspersoon of
                        juridische constructie. Als een rechtspersoon of juridische constructie voor
                        meer dan 50 procent eigendom is of gecontroleerd wordt door gesanctioneerde
                        personen, valt deze rechtspersoon of juridische constructie zelfstandig ook
                        onder sancties. Om dit onderzoek adequaat te kunnen verrichten is het van
                        belang dat deze instellingen toegang hebben tot de informatie uit de
                        UBO-registers. Dit geldt ook voor de autoriteiten die belast zijn met het
                        toezicht op financiële instellingen ter uitvoering van internationale
                        sanctiemaatregelen, namelijk de AFM en DNB. Ook voor een goede uitvoering
                        van deze toezichtstaak is het noodzakelijk dat zij toegang hebben tot de
                        informatie uit de UBO-registers. Dit wordt nader toegelicht in de memorie
                        van toelichting bij het Wijzigingswetsvoorstel beperking toegang tot
                        UBO-registers.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.6.</nr>
                    <titel>Verbeterde gegevensuitwisseling</titel>
                  </kop>
                  <al>Een onderdeel van het effectief uitvoeren en naleven van sancties door
                        overheidsinstellingen (zie paragraaf 7 voor een overzicht van de betrokken
                        actoren) ziet op het vaststellen van verbondenheid van personen en
                        entiteiten aan gesanctioneerde personen en entiteiten. Dit om ingewikkelde
                        eigendomsconstructies en daarmee het bezit van gesanctioneerden, in kaart te
                        brengen. Tot medio 2022 voerde elke bij de uitvoering betrokken organisatie
                        apart onderzoek uit ten behoeve van sanctienaleving, waaronder het onderzoek
                        naar de verbondenheid van personen en entiteiten gerelateerd aan
                        gesanctioneerden. Door uitwisseling van gegevens op dit vlak kunnen
                        betrokken instanties tot gezamenlijke inzichten komen.<noot id="n111" type="voet"><noot.nr>111</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-36200-V-56" soort="document" status="actief">36 200-V nr. 56</extref>, p.
                              8.</noot.al></noot> Het uitwisselen van gegevens is ook van belang voor andere
                        voorbeelden van uitvoering van de sanctiemaatregelen, zoals het afgeven van
                        financiële ontheffingen door bevoegde autoriteiten. Gegevensuitwisseling is
                        daarmee een essentieel aspect van de uitvoering en naleving van
                        internationale sanctiemaatregelen, en het toezicht daarop. De Nationaal
                        Coördinator heeft terecht geconstateerd dat gegevensuitwisseling tussen
                        instanties die betrokken zijn bij de implementatie van en het toezicht op
                        sancties, de effectiviteit van sancties kan verhogen.<noot id="n112" type="voet"><noot.nr>112</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> Ook heeft hij benadrukt dat het voor iedere ketenpartner duidelijk
                        moet zijn wat diens rol is in de informatie-uitwisseling en wat voor die rol
                        de juridische grondslag voor uitwisseling van gegevens is.<noot id="n113" type="voet"><noot.nr>113</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot></al>
                  <al>De Nationaal Coördinator heeft in dat licht aanbevolen om een sterkere
                        rechtsgrondslag te creëren voor gegevensuitwisseling, bij voorkeur door
                        aanpassing van de sanctieverordening en anders via nationale wet- en
                           regelgeving.<noot id="n114" type="voet"><noot.nr>114</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045, nr. 72</extref> (Rapport van
                              de nationaal coördinator sanctienaleving en handhaving), p.
                              6.</noot.al></noot> Daar wordt in dit wetsvoorstel aan tegemoet gekomen. Op de
                        verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van sanctiemaatregelen is
                        de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)<noot id="n115" type="voet"><noot.nr>115</noot.nr><noot.al>Verordening (EU) 2016/679. De AVG is niet van toepassing als de
                              verwerking geschiedt door ‘bevoegde autoriteiten als bedoeld in
                              artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 2016/68/EU ‘met het oog op de
                              voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare
                              feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de
                              bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare
                              veiligheid’. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel d, AVG,
                              wordt de gegevensverwerking dan beheerst door de Wet
                              politiegegevens.</noot.al></noot> van toepassing. Artikel 6 AVG regelt de grondslagen op basis waarvan
                        gegevensverwerking rechtmatig is. Voor dit wetsvoorstel is primair de
                        grondslag van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG relevant.<noot id="n116" type="voet"><noot.nr>116</noot.nr><noot.al>Niet uitgesloten is dat in sommige gevallen teruggevallen wordt
                              op de grondslag van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, AVG. Daarin is
                              bepaald dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een
                              taak in het algemeen belang of voor de uitoefening van openbaar
                              gezag.</noot.al></noot> In dit onderdeel is bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens
                        rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een
                        wettelijke plicht die op de verwerkingsverantwoordelijke rust.</al>
                  <al>Voor sanctiemaatregelen geldt dat deze wettelijke plichten in de meeste
                        gevallen voortvloeien uit het Unierecht of anders uit het recht van de
                        lidstaat. Idealiter is dit geregeld in de Europese sanctieverordeningen, en
                        in veel gevallen bieden deze al een voldoende grondslag om gegevens uit te
                        kunnen wisselen tussen overheidsorganisaties. Ook zijn er voor
                        toezichthouders al bestaande wettelijke grondslagen voor het uitwisselen van
                        informatie, zoals voor de Douane op grond van de Algemene Douanewet.<noot id="n117" type="voet"><noot.nr>117</noot.nr><noot.al>Ook zij gewezen op eventuele toekomstige sectorale
                              gegevensuitwisselingsbevoegdheden. Zo voorziet het in het Wetsvoorstel
                              gegevensverstrekking douane voor uitvoering politie- of toezichtstaken
                              voorgestelde artikel 1:40, tweede lid van de Algemene douanewet in de
                              bevoegdheid voor de inspecteur om gegevens, waaronder
                              persoonsgegevens, en inlichtingen met betrekking tot individuele
                              gevallen aan de FIOD te verstrekken voor de strafrechtelijke
                              handhaving van de rechtsorde en opsporing. Dit omsluit ook de
                              strafrechtelijke handhaving van sancties.</noot.al></noot> Dit laat ook onverlet de bestaande bevoegdheden van toezichthouders
                        en handhavingsinstanties om inlichtingen en gegevens te vorderen.<noot id="n118" type="voet"><noot.nr>118</noot.nr><noot.al>Hierbij kan gedacht worden aan de inlichtingenvordering op grond
                              van art. 5:16 Awb en de gegevensvorderingen op grond van art. 19,
                              eerste lid, Wet op de economische delicten en bepaalde bijzondere
                              opsporingsbevoegdheden op grond van het Wetboek van
                              Strafvordering.</noot.al></noot> Voor de situaties dat dit voor instanties niet of niet voldoende is
                        geregeld, is het noodzakelijk om een (aanvullende) grondslag te creëren in
                        deze wet. Deze aanvullende grondslag dient ertoe om beter uitvoering te
                        geven aan de sanctiemaatregelen. Zoals opgemerkt is dit ook aanbevolen door
                        de Nationaal Coördinator. Ook voor de sanctieregimes die niet voortvloeien
                        uit bindende besluiten van de EU is deze grondslag in deze wet nodig voor
                        een nationale gegevensuitwisselingsgrondslag. Het voorstel voorziet daarin
                        in artikel 8.2.5.</al>
                  <al>Tot slot verdient opmerking dat er bij de uitvoering van sanctiemaatregelen
                        ook sprake kan zijn van het verwerken van bijzondere categorieën van
                        persoonsgegevens en/of gegevens van strafrechtelijke aard. Bijzondere
                        persoonsgegevens zijn bijvoorbeeld persoonsgegevens waaruit iemands
                        politieke opvattingen blijken. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens
                        is in beginsel verboden.<noot id="n119" type="voet"><noot.nr>119</noot.nr><noot.al>Artikel 9, eerste lid, AVG.</noot.al></noot> Dit verwerkingsverbod geldt op grond van de Uitvoeringswet Algemene
                        verordening gegevensbescherming (UAVG) echter niet als de verwerking nodig
                        is ter voldoening aan een volkenrechtelijke verplichting.<noot id="n120" type="voet"><noot.nr>120</noot.nr><noot.al>Artikel 23, aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringswet Algemene
                              Verordening Gegevensbescherming in samenhang met artikel 9, tweede
                              lid, onderdeel g, van de Algemene Verordening
                              Gegevensbescherming.</noot.al></noot> Als die verwerking nodig is ter voldoening aan een volkenrechtelijke
                        verplichting, mogen eveneens gegevens van strafrechtelijke aard worden
                           verwerkt.<noot id="n121" type="voet"><noot.nr>121</noot.nr><noot.al>Artikel 32, aanhef en onderdeel e in samenhang met artikel 23,
                              aanhef en onderdeel a van de Uitvoeringswet Algemene Verordening
                              Gegevensbescherming.</noot.al></noot> Wanneer er sprake is van een juridisch bindende internationale
                        sanctiemaatregel, is die volkenrechtelijke verplichting een gegeven. Als het
                        ter voldoening aan een bindende internationale sanctiemaatregel nodig is om
                        bijzondere persoonsgegevens of gegevens van strafrechtelijke aard te
                        verwerken, is dit dus toegestaan op grond van de UAVG. Hierbij geldt wel dat
                        wanneer de volkenrechtelijke verplichting de vorm heeft van een bindende
                        EU-rechtshandeling, de AVG zelf al in de nodige uitzonderingsgronden
                        voorziet. Wanneer de verwerking van bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk
                        is om redenen van zwaarwegend algemeen belang op grond van het Unierecht,
                        dan is het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken niet van
                           toepassing.<noot id="n122" type="voet"><noot.nr>122</noot.nr><noot.al>Artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG.</noot.al></noot> Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en
                        strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen
                        alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of als de verwerking
                        is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen.<noot id="n123" type="voet"><noot.nr>123</noot.nr><noot.al>Artikel 10 AVG.</noot.al></noot> Verwerkingsgrondslagen in EU-sanctieverordeningen zijn in de regel
                        aan te merken als Unierechtelijke bepalingen die de verwerking van zulke
                        strafrechtelijke gegevens toestaan. Een bepaling bijvoorbeeld die bevoegde
                        autoriteiten verplicht om in het bijzonder vastgestelde gevallen van
                        sanctieschendingen of -omzeiling uit te wisselen, staat de verwerking van
                        strafrechtelijke gegevens toe. Nu de schending van EU-sancties een misdrijf
                        is, zijn de persoonsgegevens met betrekking tot een vastgestelde schending
                        daarvan per definitie persoonsgegevens betreffende strafbare feiten.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.6.1.</nr>
                      <titel>Gegevensuitwisseling op grond van Europese
                              sanctieverordeningen</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Naar aanleiding van de Nederlandse inzet in Brussel zijn, sinds de
                              aanname van het 7<sup>de</sup> sanctiepakket tegen Rusland en Belarus,
                              in de betreffende Europese sanctieverordeningen artikelen opgenomen
                              die gegevensuitwisseling ten behoeve van sanctienaleving tussen
                              bevoegde autoriteiten mogelijk maken.<noot id="n124" type="voet"><noot.nr>124</noot.nr><noot.al><extref soort="document" doc="kst-36200-V-56" status="actief">Kamerstukken II 2022/23, 36200-V, nr. 56
                                       | Overheid.nl &gt; Officiële bekendmakingen
                                       (officielebekendmakingen.nl)</extref>. Ook is daar waar dat
                                    nodig was met behulp van ministeriële regelingen op basis van de
                                    Sanctiewet 1977 gegevensverstrekking mogelijk gemaakt tussen
                                    betrokken instanties.</noot.al></noot>Inmiddels moeten bevoegde autoriteiten op basis daarvan
                              gegevens uitwisselen met elkaar en met bevoegde autoriteiten in andere
                              lidstaten, wanneer dit noodzakelijk is voor hun taken op grond van
                              Verordening 269/2014.Het geniet de voorkeur van de regering om deze
                              lijn te volgen en bepalingen over gegevensuitwisseling zoveel mogelijk
                              op Europees niveau geregeld te zien, om op die manier een gelijk
                              speelveld te creëren en Europese samenwerking te bevorderen. Dit is
                              dan ook de standaard inzet van Nederland bij nieuwe sanctieregimes en
                              herzieningen van bestaande regimes. Deze is in alle onderhandelingen
                              gericht op het opnemen van gegevensuitwisselingsgrondslagen. Nederland
                              hecht namelijk veel belang aan Europese bepalingen die
                              gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten mogelijk maken. Dit
                              is essentieel voor de effectieve naleving van sancties en voor het
                              voldoen aan de eisen die het privacy- en gegevensbeschermingsrecht op
                              dit gebied stellen. Sinds de aanname van het bovengenoemde
                                 7<sup>de</sup> sanctiepakket zijn zulke
                              gegevensuitwisselingsgrondslagen dan ook opgenomen in andere
                              sanctieregimes, zoals in ieder geval de regimes ten aanzien van de
                              situatie in Iran, Haïti, Soedan, Niger en Guatemala. In algemene zin
                              maakt Nederland zich, niet alleen in relatie tot nieuwe regimes en
                              herzieningen maar ook voor oudere sanctieverordeningen, in EU-verband
                              sterk voor technische verbeteringen die zorgen voor meer eenduidige
                              interpretatie en naleving van sancties. Zeker waar
                              sanctieverordeningen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de AVG
                              zijn vastgesteld, maakt opname van zulke
                              gegevensuitwisselingsartikelen ook onderdeel uit van die inzet.</al>
                      <al>Hoewel de formuleringen van gegevensuitwisselingsgrondslagen in de
                              verschillende sanctieregimes en -verordeningen soms nog uiteenlopen,
                              is de grondslag in Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad
                              illustratief (zie hieronder). Dit biedt op het moment van schrijven
                              ook het geldende kader voor de Nederlandse bevoegde autoriteiten over
                              gegevensuitwisseling voor de Rusland en Belarus sancties.</al>
                    </al-groep>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Gegevensuitwisseling op grond van Verordening (EU)
                                 269/2014</titel>
                      </kop>
                      <al>Het uitwisselen van gegevens tussen bevoegde autoriteiten bij de
                              Rusland en Belarus sancties wordt beheerst door Verordening (EU)
                                 269/2014.<noot id="n125" type="voet"><noot.nr>125</noot.nr><noot.al>Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart
                                    2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                                    acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                                    onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PbEU L
                                    078).</noot.al></noot></al>
                      <al>Bevoegde autoriteiten moeten op grond daarvan onverwijld informatie
                              verwerken en uitwisselen met andere bevoegde autoriteiten en met de
                              Commissie, wanneer dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van de taken
                              van de verwerkende autoriteit of de ontvangende autoriteit op grond
                              van de verordening.<noot id="n126" type="voet"><noot.nr>126</noot.nr><noot.al>Artikel 8, vierde lid, van Verordening (EU) Nr. 269/2014:
                                       ‘<nadruk type="cur">De bevoegde autoriteiten van de
                                       lidstaten, met inbegrip van handhavingsautoriteiten,
                                       douaneautoriteiten in de zin van Verordening (EU)
                                       nr. 952/2013 van het Europees
                                       Parlement en de Raad,
                                       bevoegde autoriteiten in de zin van Verordening (EU)
                                       nr. 575/2013, Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees
                                       Parlement en de Raad en
                                       Richtlijn 2014/65/EU, alsmede beheerders van officiële
                                       registers waarin natuurlijke personen, rechtspersonen,
                                       entiteiten en lichamen alsmede onroerende of roerende
                                       goederen worden geregistreerd, verwerken onverwijld
                                       informatie, inclusief persoonsgegevens en, indien nodig, de
                                       in de leden 1 en 1 bis bedoelde informatie, en wisselen deze
                                       onverwijld uit met andere bevoegde autoriteiten van hun
                                       lidstaat of andere lidstaten, en met de Commissie, indien die
                                       verwerking en uitwisseling noodzakelijk zijn voor het
                                       uitvoeren van de taken van de verwerkende autoriteit of de
                                       ontvangende autoriteit uit hoofde van deze verordening, met
                                       name wanneer zij gevallen vaststellen van een schending of
                                       omzeiling, of van pogingen tot schending of omzeiling, van de
                                       in deze verordening vastgestelde
                                    verbodsbepalingen’.</nadruk></noot.al></noot></al>
                      <al>Bevoegde autoriteiten moeten in dat verband met name gegevens
                              uitwisselen ‘wanneer zij gevallen vaststellen van een schending of
                              omzeiling, of van pogingen tot schending of omzeiling, van de in deze
                              verordening vastgestelde verbodsbepalingen’.<noot id="n127" type="voet"><noot.nr>127</noot.nr><noot.al>Artikel 8, vierde lid, van Verordening (EU) Nr. 269/2014.
                                    Onder bevoegde autoriteiten vallen ook handhavingsautoriteiten,
                                    beheerders van officiële registers douaneautoriteiten en de
                                    bevoegde autoriteiten op grond van de regelgeving inzake het
                                    voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering (AMLD), het
                                    prudentieel toezicht op banken (CRR) en markten voor financiële
                                    instrumenten (MiFID).</noot.al></noot></al>
                      <al>In Nederland zijn alle bevoegde autoriteiten die bij of krachtens de
                              Sanctiewet 1977 zijn aangewezen hiertoe bevoegd.<noot id="n128" type="voet"><noot.nr>128</noot.nr><noot.al>Artikel 2b, tweede lid, Sanctieregeling territoriale
                                    integriteit Oekraïne 2014.</noot.al></noot> Deze autoriteiten moeten derhalve gegevens uitwisselen met
                              elkaar en met bevoegde autoriteiten in andere lidstaten, wanneer dit
                              noodzakelijk is voor hun taken op grond van de Verordening.</al>
                      <al>De verwerking van persoonsgegevens moet plaatsvinden overeenkomstig
                              het in de verordening bepaalde, en overeenkomstig de Algemene
                              Verordening Gegevensbescherming (AVG).<noot id="n129" type="voet"><noot.nr>129</noot.nr><noot.al>Artikel 8, vijfde lid, van Verordening (EU) Nr. 269/2014:
                                       ‘<nadruk type="cur">Verwerking van persoonsgegevens geschiedt
                                       overeenkomstig deze verordening en met Verordeningen (EU)
                                       2016/679 en (EU) 2018/1725 van het Europees
                                       Parlement en de Raad slechts
                                       voor zover dit nodig is voor de toepassing van deze
                                       verordening en om te zorgen voor doeltreffende samenwerking
                                       tussen de lidstaten en met de Commissie met het oog op de
                                       toepassing van deze verordening’.</nadruk></noot.al></noot></al>
                      <al>Zoals de Autoriteit Persoonsgegevens in haar toets opmerkt, kunnen
                              dit in beginsel ook bevoegde autoriteiten zijn waarvan de activiteiten
                              normaal gesproken vallen onder de reikwijdte van de richtlijn
                                 politiegegevens.<noot id="n130" type="voet"><noot.nr>130</noot.nr><noot.al>Autoriteit Persoonsgegevens (20 mei 2025), Wetgevingstoets
                                    conceptwetsvoorstel Wet internationale sanctiemaatregelen
                                    (Z2025-012338), p. 13.</noot.al></noot> Als politiegegevens mogen worden verstrekt aan bevoegde
                              autoriteiten of derden, maar niet ten behoeve van de uitvoering van de
                                 politietaak,<noot id="n131" type="voet"><noot.nr>131</noot.nr><noot.al>Bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet
                                    2012.</noot.al></noot> zijn de gegevens vanaf de verstrekking geen gegevens meer
                              onder het bereik van de richtlijn politiegegevens, maar is regulier de
                              AVG op de verwerkingen van toepassing.</al>
                      <al>Zoals hierboven onder 3.6 is toegelicht, kan het ook gaan om de
                              verwerking van strafrechtelijke gegevens.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.6.2.</nr>
                      <titel>Aanvullende nationale regels voor gegevensuitwisseling</titel>
                    </kop>
                    <al>Aanvullend op de Nederlandse inzet in Brussel, zijn de noodzaak en de
                           mogelijkheid om nationale wet- en regelgeving aan te passen nader
                           onderzocht. Wat er nationaalrechtelijk nog noodzakelijk en mogelijk is,
                           verschilt per situatie. Deze verschillende situaties komen hierna aan de
                           orde.</al>
                    <al>Als sprake is van een Europese sanctieverordening – de meest
                              voorkomende situatie – dan wordt gegevensuitwisseling die nodig is ter
                              uitvoering van de verordening, zoals gezegd, beheerst door de
                              verordening. Dat Europese kader is dan ook leidend voor de Nederlandse
                              partijen – ook in het kader van toezicht en handhaving op basis van
                              artikel 10 van de Sanctiewet 1977 – die betrokken zijn bij de
                              uitvoering van sanctieregelgeving (zie ook voorbeeld hierboven). Per
                              verordening kan het verschillen welke specifieke gegevensverwerkingen
                              hieronder kunnen vallen. Het kan gaan om gegevens die berusten bij de
                              ene partij en die voor een goede uitvoering van de verordening door
                              een andere partij noodzakelijk zijn. In sommige gevallen zal die
                              andere partij om deze gegevens verzoeken, in andere gevallen kunnen er
                              afspraken gemaakt worden over een automatische verstrekking. De
                              gegevens die in het kader van de verordening uitgewisseld moeten
                              worden beslaan een breed veld. Het gaat daarbij onder andere om
                              persoonsgegevens, bijvoorbeeld om de verbondenheid vast te stellen van
                              personen met entiteiten, om eigendomsconstructies in kaart te brengen
                              of om het afgeven van financiële ontheffingen. Het Europees recht
                              heeft voorrang op het nationale recht van de lidstaten. In het geval
                              van strijdigheid tussen een bepaling uit een Europese
                              sanctieverordening of -besluit en een bepaling van nationaal recht,
                              heeft het EU-recht voorrang. Het nationale recht moet dan buiten
                              toepassing blijven en de met een verordening strijdige regelgeving
                              moet worden aangepast. Wanneer een sanctieverordening een
                              gegevensuitwisselingsbepaling bevat is het niet nodig – en gelet op
                              het overschrijfverbod ook niet mogelijk – om de gegevensuitwisseling
                              in die gevallen eveneens nationaal te regelen. Wel kan het nodig zijn
                              om nog uitvoeringsregels vast te stellen, bijvoorbeeld om de
                              gegevensuitwisseling te concretiseren.<noot id="n132" type="voet"><noot.nr>132</noot.nr><noot.al>Zo zullen bijvoorbeeld vaak de bevoegde autoriteiten
                                    worden aangewezen die bevoegd zijn tot het uitwisselen van
                                    gegevens op basis van een bepaalde sanctieverordening.
                                    Verordeningen treden namelijk niet in de procedurele autonomie
                                    van de lidstaten.</noot.al></noot> Dit wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor nadere regels,
                              waarin die concretisering kan plaatsvinden (artikel 8.3.1). Voor die
                              concretisering kan ook gebruik gemaakt worden van grondslagen in
                              andere wetgeving, als de uit te wisselen gegevens daar aanleiding toe
                              geven. Een voorbeeld illustreert dat. In het geval een bevoegde
                              autoriteit zijn taak alleen goed kan uitvoeren wanneer deze beschikt
                              over politiegegevens als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                              politiegegevens zou een algemene maatregel van bestuur op grond van
                              artikel 18 van de Wet politiegegevens een grondslag voor de
                              verstrekking van deze gegevens kunnen vormen.<noot id="n133" type="voet"><noot.nr>133</noot.nr><noot.al>Naast de incidentele verstrekking van politiegegevens op
                                    grond van artikel 19 van de Wet politiegegevens.</noot.al></noot></al>
                    <al>De situatie kan zich voordoen dat in Europese sanctieverordeningen
                              geen grondslagen zijn opgenomen voor het uitwisselen van de
                              noodzakelijke gegevens tussen verschillende instanties met een
                              (publiekrechtelijke) rol in het sanctiestelsel of dat er ontoereikende
                              grondslagen zijn opgenomen die niet uitputtend zijn geregeld. Voor die
                              gevallen is een generieke nationaalrechtelijke grondslag opgenomen in
                              artikel 8.2.5. Deze generieke grondslag geldt als een bevoegdheid om
                              gegevens uit te wisselen van en tussen bevoegde autoriteiten in
                              Nederland, maar ook daarbuiten.<noot id="n134" type="voet"><noot.nr>134</noot.nr><noot.al>Hierbij geldt dat op het moment dat gegevens worden
                                    doorgegeven naar een land zonder passend niveau van
                                    gegevensbescherming, voorzien moet worden in de vereiste
                                    noodzakelijke waarborgen zoals vereist in Hoofdstuk V van de
                                    AVG.</noot.al></noot> Vóór de daadwerkelijke verstrekking van gegevens moeten
                              bevoegde autoriteiten altijd de evenredigheid en noodzakelijkheid van
                              de gegevensuitwisseling afwegen. Dit is bij gegevensuitwisseling op
                              grond van Europese sanctieverordeningen niet anders. In die afweging
                              wordt onder andere gewogen in hoeverre de gegevens noodzakelijk zijn
                              voor een goede uitvoering van de sanctiemaatregelen.<noot id="n135" type="voet"><noot.nr>135</noot.nr><noot.al>Deze noodzakelijkheidstoets volgt uit artikel 52, eerste
                                    lid, van het EU-Handvest en artikel 5 AVG. Bij deze beoordeling
                                    wordt betrokken of de verwerking van gegevens kan bijdragen aan
                                    een goede uitvoering van de sanctiemaatregelen. Tevens wordt
                                    beoordeeld of niet met een minder ingrijpende verwerking,
                                    bijvoorbeeld een beperktere set van gegevens, hetzelfde doel kan
                                    worden bereikt. Als de noodzakelijkheid niet voldoende
                                    aannemelijk is, is weigeringsgrond b van toepassing.
                                    Verstrekking zou dan onevenredig zijn en artikel 5 AVG schenden.
                                    Voorts wordt beoordeeld in de gevallen waarin de uitwisseling is
                                    gebaseerd op artikel 8.2.5, eerste lid, van dit wetsvoorstel, of
                                    een van de weigeringsgronden bedoeld in artikel 8.2.5, tweede
                                    lid, onderdelen a tot en met e, van toepassing is.</noot.al></noot> Artikel 8.2.5, tweede lid, regelt dat de verstrekking van
                              gegevens geen doorgang kan vinden als een van de criteria van dat lid
                              is vervuld (zie verder de artikelsgewijze toelichting bij dat
                              artikel). Hoewel artikel 8.2.5 weliswaar voorziet in een bevoegdheid
                              om gegevens te verstrekken aan bepaalde ontvangers, moeten zij voor de
                              ontvangst en verdere verwerking van deze gegevens gebruikmaken van
                              andere, eigen, specifieke verwerkingsgrondslagen. Artikel 8.2.5
                              voorziet daar niet in. Voor de goede orde zij daarbij opgemerkt, dat
                              de hier voorgestelde generieke grondslag bedoeld is als restgrondslag.
                              Artikel 8.2.5 is niet van toepassing in geval de grondslag in een
                              Europese sanctieverordening, toereikend of ontoereikend, uitputtend
                              geregeld is, omdat toepassing van dat artikel in strijd zou zijn met
                              hetgeen uitputtend is geregeld in de verordening. Primair moet de
                              gegevensverwerking gebaseerd zijn op de Europese sanctieverordeningen
                              en is de Nederlandse insteek om deze te laten aanpassen, wanneer de
                              grondslagen daarin onvoldoende zijn.</al>
                    <al>Het kan ook voorkomen dat Europese sanctieverordeningen bevoegde
                              autoriteiten verplichten om gegevens te verstrekken. Het tweede lid
                              van artikel 8.1.1 verduidelijkt dat artikel 8.2.5 niet in de weg staat
                              aan het uitvoeren van dergelijke rechtstreeks geldende
                              sanctiebepalingen die opgenomen zijn in hoger recht. Om de
                              uitwisselingsgronden in Europese sanctieverordeningen en de generieke
                              grondslag nader toe te kunnen spitsen, voorziet dit wetsvoorstel met
                              artikel 8.3.1 in de mogelijkheid om de verplichte gegevensdeling bij
                              lagere regelgeving te concretiseren.Op grond van deze bepaling kunnen
                              in een sanctiebesluit of sanctieregeling de relevante verstrekkende en
                              ontvangende instanties worden gepreciseerd waar de Europese
                              sanctieverordeningen dan wel artikel 8.2.5 dat op een abstracter
                              niveau doen. Daarnaast kan ook geconcretiseerd worden welke gegevens
                              er gedeeld moeten worden.</al>
                    <al>Als internationale sanctiemaatregelen zijn neergelegd in een verdrag of
                           een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, anders dan een
                           bindende rechtshandeling van de EU, heeft het – evenals bij
                           EU-verordeningen en -besluiten – de voorkeur dat de gegevensuitwisseling
                           op dat niveau toereikend is uitgewerkt. Omdat niet alle bindende
                           internationale sanctiemaatregelen een gegevensuitwisselingsgrondslag
                           bevatten, geldt de hierboven genoemde generieke grondslag in artikel
                           8.2.5 ook voor deze gevallen. Daarnaast is het ook voor deze categorie
                           sanctiemaatregelen mogelijk om de gegevensuitwisselingen bij lagere
                           regelgeving te concretiseren (artikel 8.3.1).</al>
                    <al>Als sprake is van juridisch niet-bindende internationale
                           sanctiemaatregelen (aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of
                           internationale afspraken), en de uitvoering daarvan gegevensuitwisseling
                           vereist dan is de internationale grondslag daarin hoe dan ook niet
                           toereikend als gegevensuitwisselingsgrondslag, omdat het juridisch
                           niet-bindende maatregelen betreffen. Voor deze categorie
                           sanctiemaatregelen geldt dat de noodzakelijke
                           gegevensuitwisselingsgrondslagen in de nationale regelgeving moeten
                           worden neergelegd. De generieke gegevensuitwisselingsgrondslag in artikel
                           8.2.5 is zodanig geformuleerd dat dit artikel in deze gevallen als
                           wettelijke grondslag kan dienen, waarbij concretisering mogelijk is op
                           grond van artikel 8.3.2.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.7.</nr>
                    <titel>Centraal meldpunt sancties</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.7.1.</nr>
                      <titel>Meldingsplichten in Europese sanctieregelgeving</titel>
                    </kop>
                    <al>De Europese sanctieregelgeving bevat diverse meldingsplichten.<noot id="n136" type="voet"><noot.nr>136</noot.nr><noot.al>Hiernaast zijn op basis van de Sanctiewet 1977 zogenoemde
                                 Sanctiewet-instellingen verplicht om het te melden aan de
                                 toezichthouder wanneer de instelling constateert dat de identiteit
                                 van een relatie overeenkomt met een gesanctioneerde persoon of
                                 entiteit. Dit zijn de zogenoemde ‘hit’-meldingen.</noot.al></noot> Het gaat bijvoorbeeld om meldingsplichten voor bevroren tegoeden
                           en economische middelen. Deze meldingsplichten gelden voor de
                           instellingen die bevriezen. Ook is er een meldingsplicht voor de
                           gesanctioneerde instellingen en personen voor tegoeden en economische
                           middelen die ze in de EU bezitten. Daarnaast bevat het Europese
                           sanctieregime naar aanleiding van de agressie van Rusland tegen Oekraïne
                           diverse andere meldingsplichten, bijvoorbeeld over deposito’s en
                           oliecontracten. Deze meldingsplichten zijn op dit moment bij
                           verschillende meldkanalen belegd. Zo worden bevroren tegoeden door
                           financiële instellingen gemeld bij de DNB of de AFM, afhankelijk van waar
                           de instelling onder toezicht valt. Voor het melden van tegoeden en
                           economische middelen door gesanctioneerde personen en bedrijven
                           (zelfmeldplicht) zijn er op dit moment in Nederland vijf verschillende
                              meldkanalen.<noot id="n137" type="voet"><noot.nr>137</noot.nr><noot.al>Tegoeden worden gemeld bij het Ministerie van Financiën,
                                 schepen en vliegtuigen bij het Ministerie van Infrastructuur en
                                 Waterstaat, vastgoed bij het Ministerie van Volkshuisvesting en
                                 Ruimtelijke Ordening, kunst- en cultuurobjecten bij het Ministerie
                                 van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en bedrijfseigendommen bij het
                                 Ministerie van Economische Zaken.</noot.al></noot>Er lijkt bovendien een ontwikkeling in EU-wetgeving gaande waarbij
                           vaker meldingsplichten worden opgenomen in sanctieverordeningen, waaruit
                           de behoefte spreekt om informatie samen te laten brengen en te laten
                              analyseren.<noot id="n138" type="voet"><noot.nr>138</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 5 novodecies van Verordening (EU)
                                 nr. 2014/833, dat is geïntroduceerd in het 12<sup>e</sup>
                                 sanctiepakket tegen Rusland.</noot.al></noot> Zo is de in het sanctieregime tegen Rusland geïntroduceerde
                           zelfmeldplicht nu ook opgenomen in diverse andere sanctieregimes.<noot id="n139" type="voet"><noot.nr>139</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld Verordening (EU) 2023/1529 van de Raad van
                                 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de
                                 militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen
                                 Oekraïne en Verordening (EU) 2024/287 van de Raad van 12 januari
                                 2024 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de
                                 situatie in Guatemala.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.7.2.</nr>
                      <titel>Knelpunten in de huidige situatie</titel>
                    </kop>
                    <al>De huidige situatie brengt diverse knelpunten met zich mee. Zo is het
                           voor de melders niet altijd duidelijk bij welk kanaal ze hun informatie
                           moeten indienen. Bij de zelfmeldplicht kan het bijvoorbeeld zijn dat een
                           gesanctioneerde zowel over een bankrekening, huis en jacht beschikt in
                           Nederland. In dat geval moet bij drie verschillende meldpunten informatie
                           worden aangereikt. Het risico is dat de meldingen daarmee niet meteen bij
                           het juiste kanaal worden ingediend. Belanghebbenden geven dan ook aan dat
                           er sprake is van een versnipperd landschap. Een ander knelpunt is dat
                           bestaande meldpunten niet altijd de mogelijkheid hebben om meldingen op
                           juistheid te controleren en verder te analyseren om patronen te
                           ontdekken. De meldpunten zijn nu vooral een doorgeefluik, waarbij ze de
                           informatie via door de EU opgezette ICT systemen doorgeven aan de
                           Europese Commissie. Dit geldt zeker voor de meldpunten die nu bij
                           beleidsdepartementen liggen. Niet alle gemelde informatie wordt daarmee
                           voldoende effectief gebruikt voor zaken als sanctieontwikkeling,
                           beleidsevaluatie en -analyse en sanctienaleving (waaronder
                           anti-omzeiling). Ook wordt er vaak geen terugkoppeling gegeven richting
                           melders over de ingediende meldingen. Verder is bij nieuwe
                           meldingsplichten uit Europese sanctieverordeningen niet altijd meteen
                           duidelijk welk meldpunt het meest geschikt is, waardoor het inrichten van
                           meldingsplichten soms lang duurt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">3.7.3.</nr>
                      <titel>Centraal meldpunt sancties</titel>
                    </kop>
                    <al>Om ervoor te zorgen dat melders makkelijker aan hun meldingsplicht
                           kunnen voldoen en dat de gemelde informatie beter wordt gebruikt, wordt
                           voorzien in een centraal meldpunt sancties door het bestuursorgaan, dat
                           op grond van artikel 3.1.1 in een sanctiebesluit of sanctieregeling wordt
                           aangewezen om meldingen in ontvangst te nemen. In eerste instantie zal
                           dat de Minister van Buitenlandse Zaken zijn. Het centraal meldpunt moet
                           er voor zorgen dat op de juiste wijze opvolging wordt gegeven aan
                           meldingen, op het gebied van verificatie en informatiehuishouding. Op een
                           centrale plek kan er een completer beeld ontstaan van bevroren tegoeden
                           en economische middelen, kunnen analyses worden gemaakt en patronen
                           worden herkend en waar nodig, gesignaleerd voor handhaving. Deze analyses
                           moeten van zodanige kwaliteit zijn dat bestuursrechtelijke en
                           strafrechtelijke autoriteiten daar opvolging aan kunnen geven. De
                           analyses moeten als dat nodig is de basis kunnen vormen voor de aanvang
                           van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedure.
                           Bestuursrechtelijke autoriteiten zullen ook zelf op basis van de analyses
                           wellicht nog verdere informatie nodig hebben om bestuursrechtelijk te
                           kunnen optreden. Ten aanzien van een eventuele strafrechtelijke procedure
                           zal in veel gevallen nog opvolging plaats moeten vinden door een
                           opsporingsinstantie om te zorgen dat er door aanvullingen van eventuele
                           eigen informatie voldoende basis is voor het aanvangen van een
                           strafrechtelijke procedure. Hiertoe wordt in de wet geregeld dat het
                           meldpunt gegevens kan uitwisselen met de betrokken partijen, en <nadruk type="cur">vice versa</nadruk>.</al>
                    <al>Het inrichten van een centraal meldpunt heeft ook tot gevolg dat
                           effectiever wordt voldaan aan de meldingsvereisten op grond van diverse
                           EU-sanctieverordeningen, waaronder het snel en transparant kunnen
                           beleggen van nieuwe meldingsplichten. Voorts kan de bij het centraal
                           meldpunt gemelde informatie effectiever worden gebruikt omdat de analyses
                           van het meldpunt een bijdrage kunnen leveren aan sanctieontwikkeling,
                           beleidsevaluatie en -analyse en sanctienaleving (waaronder
                           anti-omzeiling). Eveneens wordt gefaciliteerd dat meer informatie bij de
                           juiste ketenpartij binnenkomt. Ook zorgt het centraal meldpunt ervoor dat
                           het voor burgers en bedrijven zo makkelijk mogelijk is om in Nederland
                           aan hun meldingsverplichtingen te voldoen, hetgeen bijdraagt aan het
                           doenvermogen. Het in te richten centraal meldpunt krijgt dan ook de
                           volgende voorziene taakstelling.</al>
                    <al>Het centraal meldpunt sancties is ontvangstpunt voor de meldingen
                           voortkomend uit de (toekomstige en bestaande) meldingsplichten van de VN-
                           en EU-sanctieregimes. Hierbij zal gelden dat een nieuwe meldingsplicht
                           bij het centraal meldpunt wordt belegd, tenzij een ander meldpunt beter
                           geschikt is voor het ontvangen van de meldingen omdat een soort melding
                           het toezicht en de handhaving ten goede komt vanwege noodzakelijk
                           specialistische kennis en aansluit bij bredere andere taken van het
                           betreffende meldpunt. Dat geldt bijvoorbeeld voor meldingen die
                           binnenkomen bij de Centrale Dienst In- en Uitvoer (CDIU) van de Douane.
                           Dit zijn bijvoorbeeld meldingen die gedaan worden door exporteurs, om
                           kenbaar te maken dat zij gebruik hebben gemaakt van een
                           uitzonderingsbepaling om bepaalde goederen te mogen exporteren, zoals op
                           humanitaire gronden. De meldingen zijn gerelateerd aan de im- en export
                           van gesanctioneerde goederen en vallen daarom rechtstreeks onder het
                           toezicht van de Douane. Daarnaast hebben deze meldingen een directe
                           relatie met CDIU-werkzaamheden, zoals vergunning- of
                           toestemmingsverlening. Het heeft daarom de voorkeur om deze bestaande
                           situatie, die goed functioneert, te behouden. Het wetsvoorstel creëert
                           een mogelijkheid om gegevens uit te wisselen tussen het centraal meldpunt
                           en de CDIU. Als informatie uit een melding bij de CDIU relevant is voor
                           het centraal meldpunt, dan kan de CDIU deze informatie dus delen. Dat
                           geldt ook andersom. In een sanctieregeling wordt per soort melding de
                           bevoegde autoriteit voor het ontvangen van meldingen vermeld. Dit
                           betekent ook dat als er per abuis bij het verkeerde bestuursorgaan wordt
                           gemeld, de melding op basis van de doorzendplicht naar het juiste orgaan
                           wordt doorgezet.</al>
                    <al>Het centraal meldpunt beschikt over een uniform centraal meldformulier,
                           ontvangt de meldingen, verstuurt een generieke ontvangstbevestiging,
                           registreert en verifieert de meldingen, combineert deze meldingen in één
                           overzicht en maakt vervolgens analyses van deze informatie. Dit
                           totaaloverzicht van de meldingen deelt het centraal meldpunt met de
                           relevante ministeries en de Europese Commissie. Om dit overzicht actueel
                           te kunnen houden is het essentieel dat het meldpunt over alle relevante
                           informatie beschikt en dat ook gemeld kan worden wanneer tegoeden en
                           economische middelen niet langer bevroren zijn. Met het oog op het
                           actueel houden van het overzicht is het ook essentieel dat andere bij
                           sanctienaleving betrokken bestuursorganen gegevens met het meldpunt
                           uitwisselen over bijvoorbeeld ontheffingen en de aanstelling van een
                           bewindvoerder. Daarnaast deelt het centraal meldpunt op basis van de in
                           dit voorstel opgenomen bevoegdheden op het gebied van
                           gegevensuitwisseling, informatie over onder andere meldingen en patronen
                           met de toezichthouders, openbare registers en handhavende instanties.
                           Daarnaast heeft het centraal meldpunt een voorlichtingsfunctie over de
                           invulling van de meldingsplicht. Dit helpt melders om beter zicht te
                           hebben op wat een meldingsplicht inhoudt en dus ook om beter aan de
                           meldingsplicht te voldoen. De beoordeling of een bepaalde partij onder
                           sancties valt en er een melding gedaan moet worden blijft primair de
                           verantwoordelijkheid van meldingsplichtigen zelf. Het meldpunt is ook
                           bevoegd om informatie op te vragen bij toezichthouders (dit geldt <nadruk type="cur">vice versa</nadruk>) en om gegevens uit te wisselen met
                           autoriteiten in EU-lidstaten. Daarnaast kan het informatie opvragen bij
                           instellingen die onder toezicht staan in het kader van artikel 10 van de
                           Sanctiewet 1977, bijvoorbeeld om meer duidelijkheid te krijgen over een
                           ingediende melding. Ook regelt de wet de doorbreking van de
                           geheimhoudingsplicht voor advocaten en notarissen om het doen van
                           meldingen door deze groepen te faciliteren. Voorts zal het meldpunt in
                           nauwe verbinding staan met andere organisaties zoals het BTI en de
                           Douane, waaronder CDIU. De werkzaamheden van BTI en CDIU vallen niet
                           onder de reikwijdte van het meldpunt maar er zal wel behoefte zijn aan
                           gegevensuitwisseling over en weer. Als dat nodig is zullen samenwerkings-
                           en gegevensuitwisselingsafspraken moeten worden gemaakt om elkaar te
                           versterken.</al>
                    <al>Er zijn ook alternatieven onderzocht. Het eerste overwogen alternatief
                           voor het inrichten van een centraal meldpunt betreft het in stand houden
                           van de bestaande decentrale meldkanalen in combinatie met het ontwikkelen
                           van een centraal digitaal meldformulier dat de melding automatisch
                           doorzet naar de juiste ontvanger, en het verder verbeteren van de
                           samenwerking en gegevensuitwisseling aan de achterkant. Dit alternatief
                           zou tegemoet komen aan de roep voor één duidelijk meldkanaal, maar niet
                           aan de wens om op een centrale plek de informatie te analyseren en
                           patronen te herkennen. Ten tweede is een centraal meldpunt overwogen met
                           beperktere bevoegdheden waaronder het ontvangen van meldingen, het
                           verrichten van beperkte analyses om te bepalen of de informatie compleet
                           is, voor welke organisatie die bestemd is en het registreren van de
                           meldingen. Dit alternatief is niet gekozen omdat, alhoewel hiermee
                           geborgd zou zijn dat de meldingen op een centraal punt in behandeling
                           zouden worden genomen, wederom niet tegemoet wordt gekomen aan de wens om
                           de ontvangen informatie zo optimaal mogelijk in te zetten, bijvoorbeeld
                           ten behoeve van sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en -analyse en
                           sanctienaleving. Ten slotte is ook aandacht besteed aan het verbreden van
                           de werkzaamheden van het meldpunt naar onder andere het verlenen van
                           ontheffingen (deze worden nu verleend door de verschillende bevoegde
                           bewindspersonen), het zijn van een vraagbaak voor ondernemers met vragen
                           over sancties (dit is momenteel onder andere belegd bij de Rijksdienst
                           voor Ondernemend Nederland (RVO)) en bestuursrechtelijke handhaving door
                           het centraal meldpunt sancties. Er is nu voor gekozen het meldpunt van
                           een duidelijke, nauw omschreven taakstelling te voorzien om de
                           totstandkoming zoveel mogelijk te bespoedigen. In een later stadium wordt
                           bekeken of het gewenst is bovengenoemde of andere werkzaamheden toe te
                           voegen. Dan zal ook worden bekeken of het centraal meldpunt blijft vallen
                           onder de Minister van Buitenlandse Zaken of dat het meer in de rede ligt
                           om een ander bestuursorgaan aan te wijzen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">3.8.</nr>
                    <titel>Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding
                           naar juridische beroepsgroepen</titel>
                  </kop>
                  <al>Sinds 2002 voorziet de Sanctiewet 1977 in bestuursrechtelijk toezicht dat
                        betrekking heeft op de controle van de administratieve organisatie en
                        interne controle (hierna: sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering) voor
                        bepaalde financiële instellingen.<noot id="n140" type="voet"><noot.nr>140</noot.nr><noot.al>De groepen die onder dit toezicht vallen is met de jaren
                              uitgebreid en inmiddels vallen daar ook trustkantoren en aanbieders
                              van cryptodiensten onder.</noot.al></noot> In het kort houdt dit toezicht in dat de partijen die daaronder
                        vallen moeten waarborgen dat zij op het gebied van hun bedrijfsvoering
                        maatregelen treffen ter naleving van de geldende sanctiemaatregelen en dat
                        zij hierop worden gecontroleerd door een toezichthouder. Door nadere
                        bedrijfsvoeringseisen te stellen aan private partijen die een belangrijke
                        rol in het economische verkeer vervullen, de zogeheten poortwachtersrol, en
                        daar risicogebaseerd en effectief toezicht op te houden, wordt ervoor
                        gezorgd dat de mate van sanctienaleving wordt vergroot. Hiermee voorkomen
                        private partijen dat zij zelf schendingen van sanctiemaatregelen begaan of
                        dat zij faciliterend optreden bij schendingen door derden.</al>
                  <al>In de Kamerbrief hoofdlijnen modernisering van het Nederlandse sanctiestel
                        van november 2022 is aangekondigd het toezicht op de bedrijfsvoering uit te
                        breiden naar in ieder geval bepaalde juridische beroepsgroepen en de regels
                        uit afdeling 5 van de Sanctiewet 1977, waaronder de bedrijfsvoeringsregels,
                        te moderniseren. Door aanname van Europese wetgevende voorstellen op het
                        terrein van het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering (hierna:
                        het AML-pakket) op 19 juni 2024, dat uiterlijk 10 juli 2027 drie jaar na
                        aanname inwerking treedt, wordt ten dele voorzien in de aangekondigde
                        uitbreiding en modernisering.</al>
                  <al>Het AML-pakket bevat, naast regels over de voorkoming van witwassen en
                        terrorismefinanciering, nadere bedrijfsvoeringsregels op het gebied van
                        gerichte financiële sancties voor de partijen die onder de reikwijdte
                        vallen. Deze bedrijfsvoeringsregels, die per verordening zijn geregeld,
                        overlappen en vervangen deels de nationaal gestelde regels uit de Sanctiewet
                        1977, zowel wat betreft de reikwijdte aan groepen instellingen die eronder
                        vallen als de regels waaraan zij zich moeten houden. Dit betekent dat het
                        Europese AML-pakket het huidige bedrijfsvoeringstoezicht uit de Sanctiewet
                        1977 (en een eventuele modernisering daarvan) bij vankrachtwording deels
                        buiten werking zal stellen.</al>
                  <al>Voor wat betreft de regels uit het AML-pakket die gaan over financiële
                        sancties ligt het accent op de naleving van gerichte financiële sancties
                        (kortgezegd, de bevriezingsmaatregelen en verboden op het ter beschikking
                        stellen van tegoeden en economische middelen aan personen en entiteiten op
                        de sanctielijst). Naast deze maatregelen, is er tegelijkertijd, in
                        toenemende mate, sprake van een veel breder scala aan verschillende typen
                        sancties. Het blijft daarom nodig om voor bepaalde groepen nadere regels te
                        stellen om ervoor te zorgen dat zij in hun bedrijfsvoering beter rekening
                        houden met al deze verschillende typen sancties, die verdergaan dan enkel de
                        controle op sanctielijsten, waaronder bijvoorbeeld de sectorale
                        sanctiemaatregelen. Van de huidige onder toezicht staande instellingen wordt
                        nu al verwacht dat zij rekening houden met het brede scala aan verschillende
                        typen sancties. In het licht van dit AML-pakket wordt daarom in een aparte
                        tranche nader uitgewerkt hoe het nationale systeem van
                        bedrijfsvoeringsregels zich moet verhouden tot de Europese regels. Het
                        voornemen is dat de aparte tranche (hierna: tweede tranche) met
                        noodzakelijke nationale bedrijfsvoeringsregels tegelijk in werking treedt
                        met het AML-pakket.</al>
                  <al>Omdat het nog enige tijd duurt voordat het AML-pakket samen met de
                        nationale noodzakelijke regels in werking treden, wordt voorgesteld om voor
                        de tussentijd, dus de periode tussen aanname van dit wetsvoorstel en het van
                        kracht worden van het pakket en de aanvullende regels, alleen de
                        hoogstnodige wijzigingen aan te brengen in het huidige sanctiewettoezicht op
                        de bedrijfsvoering uit de Sanctiewet 1977. Dit betekent dat de Sanctiewet
                        1977 voor wat betreft de onderdelen die zien op het sanctiewettoezicht zal
                        worden aangepast en zal blijven gelden totdat de hiervoor omschreven tweede
                        tranche in werking treedt. Onder hoogstnodige wijzigingen worden twee zaken
                        verstaan: de uitbreiding van het toezicht op bepaalde (juridische)
                        beroepsgroepen waaronder advocaten, notarissen, belastingadviseurs (en
                        administratiekantoren) en accountants en wijzigingen om het bestaande
                        toezicht op de bedrijfsvoering te versterken. De reden dat gekozen is om
                        deze wijzigingen door te voeren in afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 en
                        Sanctiewet 1977 pas volledig in te trekken bij de vankrachtwording van de
                        tweede tranche is dat de toezichthouders en de onder toezicht gestelde
                        instellingen al zijn gewend om met deze afdeling te werken. In zowel
                        beleidsuitingen van toezichthouders als beleid van de poortwachters zelf
                        wordt ook verwezen naar deze regelgeving. Door de Sanctiewet 1977 voor dit
                        onderdeel in stand te houden wordt geborgd dat er één verandermoment
                        optreedt, namelijk met de tweede tranche. Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977
                        blijft dus tijdelijk doorbestaan met het oog op uitvoerbaarheid en
                        naleefbaarheid.</al>
                  <al>In het rapport van de Nationaal Coördinator is aanbevolen om, bij wet in
                        formele zin, de groepen onder sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering uit
                        te breiden met bepaalde juridische beroepsgroepen waaronder advocaten,
                        notarissen en accountants. Om op een korte termijn nader invulling te geven
                        aan deze aanbeveling wordt voorgesteld om deze groepen onder het bestaande
                        sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering te brengen en toezichthouders aan
                        te wijzen.</al>
                  <al>Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om notarissen,
                        kandidaat-notarissen en toegevoegd-notarissen, (register) accountants en
                        belastingadviseurs en advocaten onder de reikwijdte van het toezicht op de
                        bedrijfsvoering te brengen.<noot id="n141" type="voet"><noot.nr>141</noot.nr><noot.al>Hierbij wordt aangesloten bij de reikwijdte uit de
                              Wwft.</noot.al></noot> BFT (notarissen, kandidaat-notarissen en toegevoegd-notarissen,
                        (register) accountants en belastingadviseurs) en een deken<noot id="n142" type="voet"><noot.nr>142</noot.nr><noot.al>In aanloop naar de komst van een landelijke toezichthouder
                              binnen de advocatuur wordt er voor gekozen niet alle 11 maar 1 deken
                              te belasten met het toezicht op grond van de Sanctiewet 1977. De deken
                              wordt daartoe door de algemene raad van de Nederlandse orde van
                              advocaten aangewezen.</noot.al></noot> (advocaten) wordt hierbij aangewezen als toezichthoudende
                        autoriteiten gezien zij al op grond van bestaande wet- en regelgeving,
                        waaronder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
                        (hierna: Wwft), toezicht houden. Ook krijgen de toezichthoudende
                        autoriteiten de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten aanzien van de
                        bedrijfsvoering van deze instellingen ter naleving van sancties. Ten slotte
                        wordt voorzien in het doorbreken van de geheimhoudingsplicht in de relatie
                        tussen het BFT en de aangewezen deken, en de onder hun toezicht staande
                        beroepsgroepen.</al>
                  <al>In aanvulling op de geïdentificeerde noodzaak uit het rapport van de
                        Nationaal Coördinator ziet het BFT toegevoegde waarde om meer bevoegdheden
                        te krijgen toe te zien op de naleving van sancties. Op dit moment kan
                        effectief toezicht op de naleving van de bedrijfsvoeringsnormen door het BFT
                        en de deken niet worden uitgeoefend, nu zij geen toezichthouder zijn op
                        grond van de Sanctiewet 1977. Dit kan in de praktijk leiden tot knelpunten,
                        nu deze instanties bij de uitoefening van hun toezichtstaken, die
                        voortvloeit uit andere wetgeving zoals de Wwft, kunnen constateren dat de
                        bedrijfsvoering van onder toezicht staande instellingen onvoldoende
                        ingericht is om sanctiemaatregelen adequaat te kunnen naleven, maar de
                        bevoegdheid of het instrumentarium om daar op te handhaven ontbreekt. Het
                        ontbreken van het bedrijfsvoeringstoezicht vergroot bovendien het risico op
                        schendingen van sanctiemaatregelen door de onder toezicht staande
                        instellingen met het oog op de snelle internationale ontwikkelingen.</al>
                  <al>Wat betreft het toezicht op de advocatuur is gekozen om één deken als
                        toezichthouder aan te laten wijzen door de algemene raad van de Nederlandse
                        orde van advocaten en op dit punt af te wijken van hoe dit is geregeld in de
                        Wwft waarbinnen het toezicht is belegd bij de lokale deken in het eigen
                        arrondissement. De reden hiervoor is gelegen in de uitvoerbaarheid. Het
                        inzicht is opgedaan dat het concentreren van kennis en toezichtervaring van
                        een meer gespecialiseerd onderwerp zoals sancties de effectiviteit van het
                        toezicht ten goede komt. Dit draagt mede bij aan de kennisopbouw over de
                        toepasselijke sanctiemaatregelen en het geldende nalevingskader.</al>
                  <al>Op dit moment worden de bedrijfsvoeringsregels ten aanzien van de al onder
                        toezicht gestelde instellingen (financiële sector, trustkantoren en
                        aanbieders van cryptodiensten) bepaald door de toezichthouders AFM en DNB.
                        Op grond van het huidige artikel 10f van de Sanctiewet 1977 en gezien de
                        technische aard is de bevoegdheid voor de Minister van Financiën tot het
                        stellen van regels overgedragen aan AFM en DNB. Op basis daarvan hebben AFM
                        en DNB de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 opgesteld die op dit moment
                        geldt. Door dit voorstel wordt deze praktijk voortgezet en tijdelijke
                        verankerd door op te nemen dat in plaats van de
                        minister de toezichthoudende autoriteiten
                        nadere regels kunnen stellen, met goedkeuring van de
                        minister. Zoals hieronder is aangegeven,
                        geldt dit laatste niet voor het college van toezicht dat nadere regels kan
                        opstellen voor het toezicht op advocaten.</al>
                  <al>Om de mate van naleving van sanctiemaatregelen door (juridische)
                        beroepsgroepen te vergroten en te voorkomen dat schendingen van
                        sanctiemaatregelen plaatsvinden, kunnen nadere bedrijfsvoeringsregels worden
                        gesteld door het BFT en het college van toezicht, een orgaan van de
                        Nederlandse orde van advocaten. Mede gezien de technische aard van
                        sanctienaleving en gezien er sprake is van een tijdelijke situatie tussen
                        het van kracht worden van het AML-pakket en de hierboven omschreven tweede
                        tranche, is er voor gekozen om deze regelgevende bevoegdheid tijdelijk bij
                        de toezichthouders en het college van toezicht neer te leggen en zo de
                        huidige systematiek van de Sanctiewet 1977 te handhaven. Het kunnen
                        opstellen van nadere regels sluit aan bij de bevoegdheden die het BFT en het
                        college van toezicht op grond van de beroepswetten hebben en de huidige
                        systematiek uit de Sanctiewet 1977 op basis waarvan AFM en DNB al een
                        regeling (Regeling toezicht Sanctiewet) hebben opgesteld voor de sectoren
                        onder hun toezicht. Tegelijkertijd wordt er een extra waarborg ingebouwd
                        door de regels te laten goedkeuren door de betreffende
                        minister. Gezien de onafhankelijke positie
                        van de advocatuur wordt de goedkeuring door de Staatssecretaris van Justitie
                        en Veiligheid niet voorgeschreven en is er voor gekozen om de regelgevende
                        bevoegdheid bij het college van toezicht te beleggen en niet bij de deken
                        belast met het toezicht. De regelgevende bevoegdheid van de toezichthouders
                        is van tijdelijke aard en komt te vervallen wanneer de tweede tranche
                        wetgeving in werking treedt waarbij het niet uitgesloten is dat de
                        toezichthouders in zekere mate regelgevend kunnen optreden ten aanzien van
                        technische aspecten van de sanctienaleving.</al>
                  <al>De nadere bedrijfsvoeringsregels zijn erop gericht dat (juridische)
                        beroepsgroepen hun bedrijfsvoering dusdanig inrichten dat zij in staat zijn
                        zich te houden aan de geldende sanctiemaatregelen. Te denken valt aan
                        vereisten ten aanzien van het opstellen van beleid en procedures, het
                        inschatten van risico’s op het overtreden van sancties, het op de hoogte
                        blijven van relevante sanctie-ontwikkelingen, het controleren van hun
                        klanten, diens uiteindelijke belanghebbenden en voor zover relevante
                        (rechts)personen op overeenkomsten met sancties, het inzicht verwerven in de
                        eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de klant en nadere procedures ten
                        aanzien van het adequaat kunnen uitvoeren van bevriezingen en uitvoering
                        geven aan meldingsplichten uit de Europese sanctieverordeningen.</al>
                  <al>Bij het opstellen van nadere regels ligt het voor de hand deze regels
                        zoveel als mogelijk aan te laten sluiten bij (de systematiek van) de
                        bedrijfsvoeringsregels uit de Wwft waarmee (juridische) beroepsgroepen al
                        bekend zijn. Dit vanwege de overeenkomsten in opzet en werking, alsook de
                        thematische overlap op het gebied van terrorismefinanciering. Desalniettemin
                        vraagt het naleven van sancties een zelfstandig kader waarin verschillen
                        bestaan ten opzichte van de naleving van de Wwft. Het ligt verder ook voor
                        de hand dat de toezichthouders en het college van toezicht in overleg zullen
                        treden bij het opstellen of aanpassen van deze regels om zo gebruik te maken
                        van de bestaande expertise en deze regels, waar mogelijk, op elkaar aan te
                        laten sluiten. Ook is het goed gebruik om inspraak te organiseren vanuit de
                        betrokken beroepsgroepen bij het vaststellen van de regels.</al>
                  <al>Ten slotte is het van belang dat er bij het opstellen van de regels
                        voldoende oog is voor nadelige en onbedoelde effecten die kunnen ontstaan in
                        de uitvoering daarvan. Te denken valt dan aan het uitsluiten van bepaalde
                        klantgroepen en het risico op (ervaren) discriminatie. Zo heeft het College
                        voor de Rechten van de Mens in een aantal oordelen aangegeven dat
                        sanctiescreening in de praktijk tot indirecte discriminatie leidt.<noot id="n143" type="voet"><noot.nr>143</noot.nr><noot.al>College voor de Rechten van de Mensen, oordelen <extref doc="https://oordelen.mensenrechten.nl/oordeel/2024-62" soort="URL" status="actief">2024-62</extref> en <extref doc="https://oordelen.mensenrechten.nl/oordeel/2024-63" soort="URL" status="actief">2024-63</extref> (25 juli 2024).</noot.al></noot> Hoewel het niet geheel is uit te sluiten dat klanten door
                        bijvoorbeeld nadere vragen (tijdelijk) hinder ondervinden van
                        sanctiemaatregelen, is het geenszins de bedoeling dat klanten uitgesloten
                        worden wanneer zij geen onderwerp zijn van sanctiemaatregelen. Een voorbeeld
                        is een klant met een naam die vergelijkbaar is met de naam van een persoon
                        op een sanctielijst en daardoor allerlei vragen krijgt, met soms een
                        dreiging om de dienstverlening te beëindigen. Dit past wat de regering
                        betreft niet bij een zorgvuldige bedrijfsvoering. Dit sluit ook aan bij de
                        genoemde oordelen van het College voor de Rechten van de Mens, waarbij het
                        College aangeeft dat het voorkomen dat gesanctioneerde personen of
                        entiteiten gebruik maken van Nederlandse (financiële) dienstverlening een
                        legitiem doel is voor indirect onderscheid.<noot id="n144" type="voet"><noot.nr>144</noot.nr><noot.al>Het College volgt hierbij de toets van het EHRM onder artikel 14
                              van het EVRM: 1) is er een onderscheid in behandeling? 2) Zo ja, is
                              dit onderscheid direct of indirect? Als er sprake is van een indirect
                              onderscheid, is het aan verweerder om aan te tonen dat dit toelaatbaar
                              is. Daarvoor moet er ten eerste sprake zijn van een legitiem doel
                                 (<nadruk type="cur">Molla Sali v. Greece</nadruk> [GC], 2018, § 135; Fabris v. France [GC], 2013, § 56). Er moet worden aangetoond dat
                              er een ‘link’ is ‘between the legitimate aim pursued and the
                              differential treatment alleged by the applicant.’ Ten tweede is onder
                              artikel 14 EVRM vereist dat er een ‘fair balance’ is ‘between the
                              protection of the interests of the community and respect for the
                              rights and freedoms of the individual (<nadruk type="cur">the Belgian
                                 linguistic case</nadruk>, 1968, § 10 of ‘the Law’ part). Daarvoor
                              is vereist dat er ‘a reasonable relationship of proportionality
                              between the means employed and the aim sought to be realised’ (<nadruk type="cur">Molla Sali v. Greece</nadruk> [GC], 2018, § 135; <nadruk type="cur">Fabris v. France</nadruk> [GC], 2013, § 56)
                              bestaat.</noot.al></noot> Tegelijkertijd geeft het College aan dat er daarbij wel een
                        objectieve rechtvaardiging moet zijn om indirect onderscheid te maken. Ook
                        moet het middel om een sanctieschending te voorkomen in een redelijke
                        verhouding staan tot het doel.<noot id="n145" type="voet"><noot.nr>145</noot.nr><noot.al><nadruk type="cur">Molla Sali v. Greece</nadruk> [GC], 2018, §
                              135; <nadruk type="cur">Fabris v. France</nadruk> [GC], 2013, § 56).</noot.al></noot> De wijze van uitvoering, bijvoorbeeld de sanctiescreening, moet met
                        andere woorden proportioneel zijn.</al>
                  <al>Naast het regelen van het toezicht op juridische beroepsgroepen wordt een
                        aantal noodzakelijke wijzigingen ten aanzien van het bestaande
                        bedrijfsvoeringstoezicht aangebracht. Dit zijn de wijzigingen die op termijn
                        nodig zijn om het bestaande toezicht te versterken, in aanloop naar het in
                        werking treden van het AML-pakket en de aanvullende nationale regels. Het
                        gaat om het verankeren in de wet van een grondslag voor risicogebaseerd
                        toezicht, het creëren van een grondslag voor de publicatie van
                        handhavingsmaatregelen en het updaten en daarmee versterken van de
                        gegevensuitwisselingsartikelen. Uitgangpunt hier is om zoveel als mogelijk
                        aan te sluiten bij de systematiek uit de Wwft omdat de toezichthouders hier
                        al goed bekend mee zijn en de inrichting en wijze van het toezicht een grote
                        overlap kent.</al>
                  <al>Er wordt een nieuw artikel ingevoegd om de huidige praktijk van het houden
                        van risicogebaseerd toezicht te verankeren, naar analogie van de Wwft. Op
                        dit moment houden AFM en DNB al risicogebaseerd toezicht op grond van de
                        Wwft en Sanctiewet 1977. Met dit artikel wordt deze werkwijze ten aanzien
                        van de Sanctiewet 1977 bij wet verankerd voor de toezichthoudende
                        autoriteiten, zodat zij een grondslag hebben om hun beperkte
                        toezichtmiddelen zo effectief mogelijk in te kunnen zetten. De
                        toezichthouder houdt risicogebaseerd en effectief toezicht en stemt haar
                        prioriteiten af op de gepercipieerde risico’s onder haar toezichtspopulatie.
                        De wijze waarop de toezichthouder dit doet bepaalt zij zelf. Dit kan
                        bijvoorbeeld door gebruikmaking van vragenlijsten om de mate van naleving te
                        kunnen inschatten en zo te bepalen hoe hun toezichtmiddelen in te
                        zetten.</al>
                  <al>Verder wordt het bestaande toezicht versterkt doordat
                        handhavingsmaatregelen kunnen worden gepubliceerd. Dit betekent dat
                        handhavingsmaatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten worden
                        genomen op basis van de Sanctiewet 1977, onder specifieke voorwaarden,
                        openbaar gemaakt worden. Met dit voorstel wordt aangesloten bij de
                        publicatiesystematiek uit de Wwft, Wet op het financieel toezicht en de Wet
                        toezicht trustkantoren 2018. De huidige toezichthouders AFM en DNB houden in
                        het kader van hun integriteitstoezicht toezicht op de naleving van onder
                        meer de Wet op het financieel toezicht, de Wwft en de Wet toezicht
                        trustkantoren 2018 en deze wetten bevatten al een publicatieregime. Het
                        publicatieregime uit de Wwft geldt ook voor de deken en het BFT die op basis
                        hiervan genomen maatregelen publiceren. Door opname hiervan wordt dit nu
                        gelijkgetrokken voor de Sanctiewet 1977 met gelijkluidende voorwaarden. De
                        publicatie van deze handhavingsmaatregelen dient, net als bij de
                        publicatieregimes in de Wet op het financieel toezicht, Wwft en de Wet
                        toezicht trustkantoren 2018, het doel om het informeren van het publiek,
                        versterken van de preventie door te waarschuwen en het geven van inzicht in
                        de handhavingspraktijk.</al>
                  <al>Het openbaar maken van handhavingsmaatregelen draagt bij aan de kenbaarheid
                        aan het publiek om kennis te kunnen nemen van het optreden van de
                        toezichthouders en de gronden daarvoor. Ook zorgt deze openbaarmaking voor
                        meer inzicht bij instellingen die onder toezicht staan, zodat zij weten
                        welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en voor meer inzicht in de
                        invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft (norminformerend).
                        Verder wordt hiermee ook het belang van personen gediend die door een
                        inbreuk schade hebben geleden, zodat zij eventueel hun rechten jegens de
                        overtreder geldend kunnen maken. Bovendien is er een ontmoedigende werking
                        op andere instellingen onder toezicht om overtredingen te begaan
                        (preventieve werking).</al>
                  <al>Tot slot worden de huidige gegevensuitwisselingsartikelen, die inmiddels
                        verouderd zijn, geactualiseerd en versterkt. Ook ten aanzien van deze
                        artikelen wordt zeer nauw aangesloten bij de Wwft-systematiek. Dit houdt in
                        dat er, net als in de huidige situatie, sprake zal zijn van een algemene
                        geheimhoudingsplicht die ook geldt voor alle toezichthouders. Deze
                        geheimhoudingsplicht kan door de AFM, DNB en het BFT (met uitzondering van
                        toezicht op het notariaat) onder specifieke voorwaarden worden doorbroken
                        bij het uitwisselen van gegevens met de in de wet genoemde instanties en
                        toezichthouders. Aan de in de wet genoemde instanties worden ook
                        verschillende ministers toegevoegd gezien
                        hun verantwoordelijkheden voor de naleving van sancties op hun
                        deelgebieden.</al>
                  <al>Voor AFM en DNB wordt ook voorzien in het kunnen uitwisselen van gegevens
                        met het organisatieonderdeel van DNB dat belast is met het vervullen van
                        haar monetaire taak en haar taak als resolutie-autoriteit. Dit is
                        noodzakelijk gezien ook deze organisatieonderdelen gehouden is de geldende
                        sanctiemaatregelen na te leven en in deze hoedanigheid bijvoorbeeld
                        rekeningen kan aanhouden voor banken.</al>
                  <al>Voor de deken en voor het toezicht van het BFT op het notariaat wordt niet
                        voorzien in een doorbreking van hun geheimhoudingplicht als het gaat om het
                        kunnen uitwisselen van gegevens met andere (toezichthoudende) instanties,
                        conform de Wwft-systematiek. Dit hangt samen met het vertrouwelijke karakter
                        van de gegevens die zij kunnen verkrijgen op grond van hun toezichthoudende
                        rol uit deze afdeling.</al>
                  <al>De gegevens die onder voorwaarden uitgewisseld kunnen worden door AFM, DNB
                        en BFT, zijn de gegevens die zij verkrijgen op grond van hun toezicht uit
                        dit hoofdstuk. Het gaat dan bijvoorbeeld om gegevens over instellingen en de
                        beoordeling van hun bedrijfsvoering en processen. Dit moet worden
                        onderscheiden van andersoortige gegevens waarvoor
                        gegevensuitwisselingsgrondslagen zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit
                        wetsvoorstel als het betrekking heeft op meldingsplichten en meldingen,
                        hoofdstuk 8 van dit wetsvoorstel als het betrekking heeft op de algemene
                        gegevensuitwisselingsgrondslagen en de bepalingen uit de Europese
                        sanctieverordeningen. De gegevens uit dit hoofdstuk kunnen niet verder
                        uitgewisseld worden dan de bepalingen toelaten. Door nauwe aansluiting bij
                        de Wwft-systematiek wordt de geheimhoudingsplicht versterkt en wordt beter
                        gespecificeerd met welke instanties en toezichthouders gegevens kunnen
                        worden uitgewisseld. Ook wordt het voor de toezichthouders makkelijker om
                        vast te stellen dat zij gegevens mogen uitwisselen.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Verhouding tot hoger recht</titel>
                </kop>
                <al>Met de modernisering van het sanctiestelsel geeft de regering gevolg aan de
                     grondwettelijke opdracht om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te
                        bevorderen.<noot id="n146" type="voet"><noot.nr>146</noot.nr><noot.al>Artikel 90 Grondwet.</noot.al></noot> De grondwettelijk ingebedde bevordering van de internationale
                     rechtsorde is niet alleen een doelstelling van buitenlandbeleid, maar plaatst
                     de Nederlandse constitutionele orde in een bredere internationale rechtsorde
                     van vrede en veiligheid. De internationale rechtsorde is daarmee van grote
                     betekenis voor Nederlandse burgers en bedrijven, als dragers van rechten én
                        plichten.<noot id="n147" type="voet"><noot.nr>147</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.raadvanstate.nl/jaarverslag2021/beschouwing/internationale-samenwerking-onder-druk/" soort="URL" status="actief">Inleiding: internationale samenwerking onder
                              druk – Jaarverslag 2021 (raadvanstate.nl)</extref>. Zie in dit verband
                           ook artikelen 93 en 94 Grondwet.</noot.al></noot> Door sancties na te leven draagt iedereen bij aan de ondersteuning van
                     de beginselen van het internationaal recht, de handhaving van vrede, de
                     voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid.
                     Evenwel kunnen de totstandkoming en toepassing van sancties ook een beperking
                     van bepaalde fundamentele rechten inhouden. In dit hoofdstuk wordt allereerst
                     ingegaan op de verhouding tot deze fundamentele rechten in het algemeen, waarna
                     wordt stilgestaan bij de verhouding van dit wetsvoorstel tot het eigendomsrecht
                     en de vrijheid van ondernemerschap (paragraaf 4.1). Vervolgens komen de
                     verhouding van het voorstel tot een aantal lopende Europese wetstrajecten en de
                     Rijkssanctiewet aan de orde in paragraaf 4.2 en 4.3.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">4.1.</nr>
                    <titel>Fundamentele rechten</titel>
                  </kop>
                  <al>De toepassing van sancties kan gevolgen hebben voor de fundamentele rechten
                        van een gesanctioneerde persoon of entiteit. De regering moet bij de
                        uitvoering van internationale sanctiemaatregelen dan ook acht slaan op haar
                        andere internationale verplichtingen, met name waar het de eerbiediging van
                        fundamentele rechten betreft.<noot id="n148" type="voet"><noot.nr>148</noot.nr><noot.al>HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8351, Sanctieregeling
                              Iran, r.o. 3.6.2.</noot.al></noot> Bij de totstandkoming van sancties in bijvoorbeeld EU-verband moet
                        de Uniewetgever het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
                        (EU-Handvest) eerbiedigen.<noot id="n149" type="voet"><noot.nr>149</noot.nr><noot.al>Artikel 51, eerste lid, EU-Handvest.</noot.al></noot></al>
                  <al>De sanctiemaatregelen die voortvloeien uit internationale
                        sanctiemaatregelen vallen strikt genomen buiten de reikwijdte van de
                        toelichting op het onderhavige wetsvoorstel, dat alleen de implementatie en
                        uitvoering daarvan regelt. Internationale verdragen die mensenrechten
                        waarborgen, waaronder in het bijzonder het Europees Verdrag tot Bescherming
                        van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), het
                        Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en
                        het EU-Handvest, voor zover uitvoering wordt gegeven aan EU-sancties,<noot id="n150" type="voet"><noot.nr>150</noot.nr><noot.al>Artikel 51, eerste lid, EU-Handvest.</noot.al></noot> zijn van toepassing op dit wetsvoorstel. In het navolgende worden
                        enkele fundamentele rechten besproken en worden de beperkingen op de
                        fundamentele rechten door dit wetsvoorstel zelf gerechtvaardigd op basis van
                        de relevante rechtvaardigheidsgronden.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.1.1.</nr>
                      <titel>Recht op eigendom</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bevat het recht op
                           eigendom en het ongestoord genot daarvan.<noot id="n151" type="voet"><noot.nr>151</noot.nr><noot.al>Zie ook Artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van
                                 de Europese Unie.</noot.al></noot> Het artikel is opgedeeld in drie regels: de eerste zin van de
                           eerste alinea wijst op het recht op ongestoord eigendomsgenot. De tweede
                           zin van de eerste alinea op bescherming tegen de ontneming van eigendom
                           en de tweede alinea op de mogelijkheid van regulering van eigendom.<noot id="n152" type="voet"><noot.nr>152</noot.nr><noot.al>EHRM 23 september 1982, nrs. 7151/75 en 7152/75 (Sporrong en
                                 Lönnroth/Zweden), Serie A nr. 52, p. 26, paragraaf 61.</noot.al></noot> De eerste regel is het algemene uitgangspunt, terwijl de twee
                           volgende regels daarvan een uitwerking zijn. De Staat moet zich in eerste
                           instantie ten opzichte van burgers en rechtspersonen onthouden van
                           inbreuken op het eigendomsrecht, maar artikel 1 bevat uitdrukkelijk
                           beperkingsgronden. Zo is in de eerste alinea van artikel 1 van het Eerste
                           Protocol bij het EVRM opgenomen dat eigendomsontneming gerechtvaardigd
                           kan zijn wanneer dit gebeurt in het algemeen belang en onder de
                           voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van
                           internationaal recht. Waar het gaat om de invulling van wat in het
                           algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen,
                           komt de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe.<noot id="n153" type="voet"><noot.nr>153</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld EHRM 29 april 1999 (Chassagnou
                                 e.a./Frankrijk), Rep. 1999-III p. 23–224, NJ 1999, 649, paragraaf
                                 75; EHRM 26 september 2000 (Andrews/Verenigd Koninkrijk).</noot.al></noot> Eigendomsontneming kan beschouwd worden als de meest vergaande
                           inbreuk op het recht op eigendom. Minder vergaand is de regulering van
                           eigendom (de derde hoofdregel uit artikel 1 Eerste Protocol bij het
                           EVRM), waarbij de gebruiksmogelijkheden van het eigendom beperkt worden
                           zonder dat het beschikkingsrecht daarover geheel ontzegd wordt. In de
                           tweede alinea van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is
                           opgenomen dat de bepalingen over eigendomsontneming op geen enkele manier
                           het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die
                           het noodzakelijk acht om het gebruik van eigendom te reguleren in
                           overeenstemming met het algemeen belang. De tweede alinea ziet daarom
                           meer specifiek op de regulering van het gebruik van eigendom. Er zijn
                           eigendomsinmengingen denkbaar waarbij niet duidelijk is of deze onder
                           ontneming of onder regulering vallen. Het EHRM past dan vaak de eerste
                           hoofdregel toe, het algemene beginsel van ongestoord eigendomsgenot.</al>
                    <al>Wanneer er sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht, moet
                           getoetst worden of er een rechtvaardiging voor deze inmenging is. In de
                           meer recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de
                           Mens (EHRM) is deze toets in beginsel voor alle soorten van inmenging
                           vergelijkbaar. In alle gevallen moet een inbreuk op het eigendomsrecht
                              <nadruk type="cur">bij wet zijn voorzien</nadruk> en een <nadruk type="cur">legitiem doel in het algemeen belang</nadruk> dienen.
                           Verder is vereist dat in de regulering een redelijke mate van
                           evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee
                           nagestreefd wordt.<noot id="n154" type="voet"><noot.nr>154</noot.nr><noot.al>EHRM 5 januari 2000, NJ 2000, 571 (Beyeler/Italië), paragraaf
                                 114.</noot.al></noot> Aan dit vereiste van <nadruk type="cur">proportionaliteit</nadruk> is niet voldaan, als er sprake is van een
                           individuele en buitensporige last voor de betrokken persoon.<noot id="n155" type="voet"><noot.nr>155</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld het arrest inzake Sporrong en
                                 Lönnroth/Zweden, Serie A nr. 52, p. 26, paragraaf 69, en EHRM
                                 21 februari 1986, Serie A nr. 98 (James e.a.), p. 34, paragraaf
                                 50.</noot.al></noot> Voorts speelt een rol of in strijd met eerder door de overheid
                           gewekte verwachtingen wordt gehandeld.<noot id="n156" type="voet"><noot.nr>156</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld EHRM 19 oktober 2000 (Ambruosi/Italië),
                                 paragraaf 32.</noot.al></noot> Er is sprake van strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het
                           EVRM als niet wordt voldaan aan één of meer van de hiervoor onderscheiden
                           rechtvaardigingsvereisten. Het EHRM laat in beginsel een ruime
                           beoordelingsmarge toe bij de toetsing of voldaan is aan de
                           rechtvaardigingsvereisten.</al>
                    <al>De inbreuk op het eigendomsrecht vindt plaats door de internationale
                           sanctiemaatregel namelijk het bevriezen van economische middelen. Deze
                           maatregel valt buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel, omdat de
                           betreffende internationale sanctiemaatregel via het instrument van de
                           EU-Verordening rechtstreeks verplichtingen met zich brengt. Het gaat
                           bijvoorbeeld om het bevriezen van tegoeden en economische middelen die
                           als ‘eigendom’ gekwalificeerd kunnen worden onder het EVRM. Hierdoor
                           wordt de eigenaar belemmerd in de vrije beschikking over zijn eigendom.
                           De beperkende maatregel van ‘bevriezing’ houdt geen onteigening in, in de
                           zin van de tweede zin van de eerste alinea van artikel 1 van het Eerste
                           Protocol bij het EVRM: het eigendom wordt niet ontnomen, maar de
                           beschikkingsmacht wordt (tijdelijk) ingeperkt.<noot id="n157" type="voet"><noot.nr>157</noot.nr><noot.al>Het verdient daarbij kanttekening dat een zeer langdurige
                                 tegoedenbevriezing onder omstandigheden wel kan kwalificeren als
                                 onteigening in de zin van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM.
                                 Zo oordeelde het EHRM in <nadruk type="cur">Alisic and others v.
                                    Bosnia and Herzegovina, Croatia, Serbia, Slovenia and the Former
                                    Yugoslav Republic of Macedonia</nadruk>, par. 99,
                                 nr. 60642/08.</noot.al></noot> Het is dus een vorm van regulering als bedoeld in artikel 1,
                           tweede alinea, van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat deze
                           tijdelijkheid soms langdurig kan zijn, doet hier niet aan af. De inbreuk
                           op het eigendomsrecht die via een internationale sanctiemaatregel
                           plaatsvindt wordt derhalve gewaarborgd op het niveau van de Unie. Omdat
                           de nationale maatregelen die daar uitvoering aan geven vereist zijn door
                           het EU-recht, genieten zulke maatregelen het vermoeden van gelijkwaardige
                           bescherming met EVRM-rechten (<nadruk type="cur">Bosphorus</nadruk>-presumptie).<noot id="n158" type="voet"><noot.nr>158</noot.nr><noot.al>Zie Bosphorus arrest, nr. 45036/98, 30 juni 2005,
                                 §155–156.</noot.al></noot> Met deze presumptie wordt verondersteld dat het Unierecht
                           dezelfde mate van bescherming biedt als het EVRM. Daarbij hebben de
                           lidstaten op grond van de <nadruk type="cur">Kadi</nadruk>-rechtspraak de
                           verplichting om internationale sanctiemaatregelen uit te voeren.</al>
                    <al>De benoeming van een bewindvoerder als bedoeld in hoofdstuk 5 van het
                           wetsvoorstel is een inperking van het eigendomsrecht van de eigenaar of
                           eigenaren van de onderneming of het betreffende registergoed.<noot id="n159" type="voet"><noot.nr>159</noot.nr><noot.al>Deze redenering geldt <nadruk type="cur">ceteris paribus</nadruk> voor de bijzondere handhavingsbevoegdheid in § 7.1.3 van
                                 het wetsvoorstel.</noot.al></noot> In dat geval kan immers de persoon die door de
                           minister wordt aangewezen feitelijke en
                           rechtshandelingen stellen, die normaal alleen gesteld kunnen worden door
                           de eigenaar. Deze inperking is echter relatief beperkt, omdat er al een
                           beperking geldt op grond van een EU-sanctieverordening. Bovendien is het
                           een tijdelijke maatregel die niet langer duurt dan nodig en in ieder
                           geval niet langer dan de toepasselijkheid van de sanctiemaatregel. Ook de
                           regeling over beheerovername van registergoederen, zoals in dit
                           wetsvoorstel geregeld in artikel 6.1, kan worden beschouwd als een
                           (tijdelijke en relatief beperkte) verdere inperking van de
                           beschikkingsmacht van de eigenaar. De eigenaar moet namelijk, in
                           voorkomend geval, aan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
                           Ordening voor wat betreft onroerende zaken of Onze Minister van
                           Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en
                           luchtvaartuigen, aan een persoon die op grond van beroep of bedrijf op
                           het terrein van het registergoed werkzaam is of aan een op dat terrein
                           werkzame instelling, verplicht het beheer van het betrokken registergoed
                           overgeven. Als gevolg daarvan kan de eigenaar geen enkele beheermaatregel
                           (zelf) nemen. Ook een dergelijke inmenging kwalificeert niet als
                           onteigening, maar als een vorm van regulering. Het kenmerk van regulering
                           van eigendom is dat niet elke mogelijkheid om over het eigendom te
                           beschikken of haar (nuttig) te gebruiken verloren gaat, maar dat die
                           beschikkingsmogelijkheid of gebruiksmogelijkheden enkel beperkt worden.<sup /><noot id="n160" type="voet"><noot.nr>160</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld EHRM 5 maart 2019 nrs. 19620/05, 41487/05,
                                 17613/08 en 19316/08 (Uzan e.a./Turkije), paragraaf 194.</noot.al></noot>Hierbij moet met betrekking tot het ingrijpen bij bedrijven in het
                           oog gehouden worden dat op het moment dat een bedrijf dreigt om te vallen
                           door de werking van een internationale sanctiemaatregel en dat wordt
                           voorkomen door ingrijpen met een bewindvoerder, de eigenaar onder de
                           streep beter af is in eigendomspositie door het ingrijpen in het
                           eigendomsrecht. Gezien het cumulerende effect van de beperkingen moet
                           worden bezien, is de totale inbreuk op het eigendomsrecht relatief
                           beperkt te noemen. Daarbij geldt dat de (gesanctioneerde) eigenaar al
                           weinig handelingsmogelijkheden heeft door de beperkende maatregel van
                           bevriezing. Een bevriezing is immers een beperking van het
                           eigendomsrecht, namelijk het gebod voor eenieder om te voorkomen dat de
                           economische middelen en tegoeden van een gesanctioneerde persoon gebruikt
                           of te gelde gemaakt kunnen worden. Dit geldt ook voor registergoederen,
                           zij het daarbij dat geen sprake zal zijn van failleren maar van
                           beschadigen en in het ergste geval tenietgaan.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Bij wet voorzien</titel>
                      </kop>
                      <al>Onder de toets of de inmenging bij wet is voorzien wordt begrepen dat
                              deze ook niet in strijd mag komen met het rechtszekerheidsbeginsel en
                              met het verbod van willekeur.<noot id="n161" type="voet"><noot.nr>161</noot.nr><noot.al>EHRM (GK) 25 oktober 2012, nr. 71243/01 (Vistiņš and
                                    Perepjolkins/Latvia) paragraaf 96; EHRM 13 juli 2021,
                                    nr. 28241/18 (Yel e.a./Turkije), paragraaf 89.</noot.al></noot> De inmenging moet een voldoende precieze en toegankelijke
                              nationale wettelijke basis hebben en moet voorzienbaar zijn.<noot id="n162" type="voet"><noot.nr>162</noot.nr><noot.al>EHRM (GK) 11 december 2018, nr. 36480/07 (Lekić/Slovenië)
                                    paragraaf 95; EHRM (GK) 5 januari 2000 (Beyeler/Italië)
                                    paragraaf 109.</noot.al></noot> De wettelijke grondslag voor de beperking van het recht op een
                              ongestoord genot van eigendom is de betreffende internationale
                              sanctiemaatregel. Het onderwerp zijn van een internationale
                              sanctiemaatregel is een beperking van het eigendomsrecht. In
                              EU-besluiten en -verordeningen is bepaald welke inperking op de vrije
                              beschikkingsbevoegdheid wordt opgelegd (de sancties, bevriezing van
                              tegoeden en economische middelen) en aan welke entiteiten (lijst in de
                              bijlage). Gegeven de rechtstreekse werking van de EU-verordeningen en
                              de verplichting van de lidstaten tot effectieve controle op de
                              naleving, vormen de betrokken bevoegdheden in het wetsvoorstel slechts
                              een aanvullende wettelijke grondslag voor de inbreuk op het
                              eigendomsrecht. De mogelijke inbreuk op het eigendomsrecht door de
                              beheerovername of benoeming van een bewindvoerder is voorzienbaar en
                              vooraf kenbaar door het opnemen van de bevoegdheid in een wet in
                              formele zin. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde dat de inbreuk bij
                              wet voorzien is.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Legitiem doel in het algemeen belang</titel>
                      </kop>
                      <al>Het is aan de nationale autoriteiten om de eerste beoordeling te
                              maken van het bestaan van een legitiem doel in het algemeen belang dat
                              een maatregel van inmenging rechtvaardigt. Het oordeel van de
                              nationale autoriteiten over wat in het algemeen belang is, zal het
                              EHRM in beginsel accepteren, tenzij deze beoordeling kennelijk zonder
                              enige redelijke grond is.<noot id="n163" type="voet"><noot.nr>163</noot.nr><noot.al>EHRM 21 februari 1986, Serie A nr. 98 (James e.a.), p. 34,
                                    paragrafen 40-46; EHRM (GK) 13 december 2016, nr. 53080/13
                                    (Béláné Nagy/Hongarije) paragraaf 113.</noot.al></noot> Het begrip ‘algemeen belang’ is noodzakelijkerwijs ook
                                 breed.<noot id="n164" type="voet"><noot.nr>164</noot.nr><noot.al>EHRM (GK) 25 oktober 2012, nr. 71243/01 (Vistiņš and
                                    Perepjolkins/Latvia) paragraaf 106.</noot.al></noot> Voorop staat de doelstelling van internationale
                              sanctiemaatregelen: het tot stand brengen respectievelijk bevorderen
                              van een beleidswijziging in een ander land of gedragsverandering van
                              een entiteit, ter handhaving en bevordering van de vrede, de
                              ondersteuning van de democratische rechtsstaat, mensenrechten en de
                              beginselen van het internationaal recht, en ter voorkoming van
                              conflicten, versterking van de internationale veiligheid en de
                              bestrijding van terrorisme. De aanwijzing van gesanctioneerden die
                              worden onderworpen aan de bedoelde inperkingen van hun eigendomsrecht,
                              is gebaseerd op de conclusie dat deze hun (omvangrijke) tegoeden en
                              economische middelen (kunnen) inzetten om het ongewenste beleid of
                              gedrag in stand te houden.</al>
                      <al>De bevoegdheden tot benoeming van een bewindvoerder in hoofdstuk 5
                              van het wetsvoorstel hebben als doel om ernstige maatschappelijke,
                              economische of werkgelegenheidseffecten van de sanctiemaatregel voor
                              de Nederlandse samenleving te mitigeren. Hiermee kan in de praktijk
                              ook de bescherming van (sociale) grondrechten van derden gemoeid zijn.
                              Daarbij gaat het dan, afhankelijk van het individuele geval,
                              bijvoorbeeld om de bevordering van voldoende werkgelegenheid (artikel
                              19, eerste lid, van de Grondwet), de bescherming en verbetering van
                              het leefmilieu (artikel 21 van de Grondwet en artikel 37 van het
                              EU-Handvest) en de bevordering van voldoende woongelegenheid (artikel
                              22, tweede lid, van de Grondwet). Het mitigeren van de genoemde
                              ernstige effecten voor de Nederlandse samenleving is volgens de
                              regering een legitiem doel.</al>
                      <al>De bevoegdheden inzake beheer, bedoeld in artikel 6.1 van het
                              wetsvoorstel, hebben tot doel maatschappelijk ongewenste effecten van
                              (langdurige) bevriezing te voorkomen. Zo kan bij gebrek aan onderhoud
                              van vastgoed, het vastgoed zodanig verslechteren, dat niet (meer)
                              wordt voldaan aan wettelijk gestelde minimum bouwveiligheidseisen,
                              hetgeen onaanvaardbare risico’s oplevert voor de veiligheid en
                              gezondheid van bewoners (in het geval van woningen) of gebruikers (in
                              het geval van bedrijfsvastgoed), alsook voor de omgeving. Een
                              combinatie van langdurige leegstand en achterstallig onderhoud brengt
                              bovendien risico’s met zich mee als inbraak, vernieling,
                              brandstichting en in meer algemene zin verloedering van de omgeving
                              met de daarbij horende ongewenste gevolgen voor de leefbaarheid en
                              veiligheid. Langdurige leegstand kan er ook toe leiden dat het gebouw
                              wederrechtelijk in gebruik wordt genomen door krakers, waardoor vaak
                              schade aan de eigendom ontstaat. Om deze negatieve effecten van
                              bevriezing te voorkomen moet het mogelijk zijn dat (tijdelijk) beheer
                              van het bevroren registergoed kan plaatsvinden. Dat is volgens de
                              regering een legitiem doel. Per geval zal moeten worden afgewogen en
                              beargumenteerd of sprake is van risico op maatschappelijke schade, of
                              tijdelijk beheer geschikt is om dat risico te voorkomen en op welke
                              wijze het beheer vervolgens ingevuld wordt.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Proportionaliteit</titel>
                      </kop>
                      <al-groep>
                        <al>Artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Protocol bij het EVRM,
                                 vereist dat er een evenwicht bestaat tussen het doel dat wordt
                                 nagestreefd en de ernst van de inbreuk op het eigendomsrecht. Er
                                 moet een duidelijke belangenafweging op nationaal niveau hebben
                                 plaatsgevonden, bij gebreke waarvan een schending van artikel 1 van
                                 het Eerste Protocol bij het EVRM zou kunnen worden vastgesteld.
                                 Vastgesteld wordt dat de inbreuk op het eigendomsrecht die wordt
                                 gemaakt door een beheerovername van bevroren registergoederen niet
                                 als heel ingrijpend wordt gekwalificeerd: de (gesanctioneerde)
                                 eigenaar heeft al weinig of geen handelingsmogelijkheden door de
                                 beperkende sanctiemaatregel van bevriezing. Een bevriezing is een
                                 beperking van het eigendomsrecht, namelijk het voorkomen dat
                                 economische middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze
                                 tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, onder meer door deze
                                 te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren.<noot id="n165" type="voet"><noot.nr>165</noot.nr><noot.al>Zie bijv. artikel 1, onderdeel e, van Verordening (EU)
                                       2014/269.</noot.al></noot> Een beheermaatregel op grond van dit wetsvoorstel is
                                 uitsluitend mogelijk als eerst een sanctiemaatregel is opgelegd
                                 waarbij de registergoederen bevroren zijn. Omdat ten gevolge van de
                                 beheermaatregel wel noodzakelijke kosten gemaakt kunnen worden ten
                                 aanzien van het bevroren eigendom die uiteindelijk voor rekening
                                 van de eigenaar komen, kan deze beheermaatregel ook wat dat betreft
                                 gezien worden als een beperking van het eigendomsrecht. Hierbij
                                 moet wel opgemerkt worden dat de inkomsten uit onder meer verhuur
                                 door de beheerder – na aftrek van de beheerkosten – op een bevroren
                                 rekening gestort worden waarover de eigenaar weer kan beschikken
                                 als de sanctiemaatregel wordt ingetrokken. In bepaalde gevallen kan
                                 door de beheermaatregel ook schade aan het vastgoed worden
                                 voorkomen. Uiteindelijk zorgt de beheermaatregel ervoor dat de
                                 bevroren registergoederen gebruikt kunnen worden en dat de
                                 negatieve gevolgen van de bevriezing voor de eigenaar, derden en de
                                 samenleving als geheel kunnen worden voorkomen. Daarmee is er bij
                                 de beheermaatregel een <nadruk type="cur">fair balance</nadruk>
                                 tussen de belangen van de eigenaar wiens registergoederen zijn
                                 bevroren en de algemene belangen van de leefbaarheid en veiligheid,
                                 alsmede de belangen van de gebruikers van de bevroren
                                 registergoederen.</al>
                        <al>In het kader van de proportionaliteit in een individueel geval
                                 heeft het EHRM geoordeeld dat personen die worden getroffen door
                                 een maatregel een redelijke rechtsbescherming moet worden geboden
                                 om hun zaak voor te leggen aan de verantwoordelijke autoriteiten en
                                 de maatregelen daadwerkelijk aan te vechten.<noot id="n166" type="voet"><noot.nr>166</noot.nr><noot.al>EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R.L. e.a./Italië,
                                       zaaknummer 1828/06, r.o. 302; EHRM, 24 oktober 1986,
                                       AGOSI/Verenigd Koninkrijk, zaaknummer 9118/80, r.o. 55,
                                       58–60; EHRM, 5 mei, 1995, Air Canada/Verenigd Koninkrijk,
                                       zaaknummer 18465/91, r.o. 46.</noot.al></noot> Een beheermaatregel wordt vastgelegd in een besluit van de
                                 betrokken minister. Dit is een
                                 besluit in de zin van de Awb waartegen belanghebbenden in bezwaar
                                 en beroep kunnen gaan. De minister
                                 zal in het besluit tot oplegging van de beheermaatregel moeten
                                 onderbouwen waarom deze maatregel in het individuele geval
                                 proportioneel is. Hiertegen kan een belanghebbende bezwaar indienen
                                 en ials hij het niet eens is met de uitkomst van de
                                 bezwaarprocedure in twee instanties in beroep gaan bij de
                                 bestuursrechter.</al>
                      </al-groep>
                      <al>Dezelfde redenering gaat op ten aanzien van de inzet van de
                              bevoegdheden op het gebied van bewind in hoofdstuk 5. Er moet sprake
                              zijn van nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of
                              continuïteit van de onderneming als gevolg van de toepassing van een
                              sanctiemaatregel. Daarmee is er dus al sprake van een aantasting van
                              de (eigendomsrechtelijke) belangen van de eigenaar van de betreffende
                              onderneming. Verder geldt dat de bevoegdheden pas kunnen worden
                              ingezet als de toepassing van de sanctiemaatregel ernstige nadelige
                              consequenties voor anderen tot gevolg heeft. Nadelige consequenties
                              bovendien die vaak ook gevolgen hebben voor de (sociale) grondrechten
                              van anderen. Om die reden vindt de regering inmenging die inzet van de
                              bevoegdheden oplevert in het algemeen proportioneel. Verder zal de
                              evenredigheid van de inzet van de bevoegdheden ook steeds per geval
                              moeten worden beoordeeld. Hierbij moet de
                              minister nagaan of de ernstige
                              maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten de inzet van
                              de bevoegdheden in het concrete geval rechtvaardigen.</al>
                      <al>De sancties van de EU bevatten in voorkomend geval
                              ontheffingsmogelijkheden: de bevoegde autoriteiten in de lidstaat
                              kunnen toestemming geven voor vrijgave van bevroren tegoeden of
                              economische middelen, in bepaalde gevallen en onder gestelde
                                 voorwaarden.<noot id="n167" type="voet"><noot.nr>167</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 4 t/m 6 van Verordening (EU)
                                    nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende
                                    beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de
                                    territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid
                                    van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot> Dit kan mogelijk als een alternatieve en minder ingrijpende
                              maatregel worden gezien dan de beheerovername of de benoeming van een
                              bewindvoerder (bijvoorbeeld vrijgave als dit alleen bestemd is voor de
                              betaling van honoraria of kosten voor alleen het aanhouden of beheren
                              van bevroren tegoeden of economische middelen).<noot id="n168" type="voet"><noot.nr>168</noot.nr><noot.al>Artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van Verordening (EU)
                                    nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende
                                    beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de
                                    territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid
                                    van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.</noot.al></noot></al>
                      <al>De ontheffingsmogelijkheid is een voorziening met een ander doel en
                              om diverse redenen geen geschikt alternatief. Als een gesanctioneerde
                              eigenaar geen ontheffing vraagt, komt beheer of de aanstelling van een
                              bewindvoerder of de inrichting van een andere vorm van een firewall
                              niet tot stand, ook niet waar dat uit maatschappelijk oogpunt dringend
                              gewenst is. De ontheffing is afhankelijk van de bereidwilligheid van
                              de gesanctioneerde eigenaar, terwijl het algemeen belang dat in geding
                              is, vereist dat ook beheer moet kunnen plaatsvinden als de eigenaar
                              dat niet wil.</al>
                      <al>Met het vrijgeven is niet verzekerd dat het beheer op maatschappelijk
                              verantwoorde wijze plaatsvindt: de ontheffing is gericht op
                              bescherming van belangen van betrokken derden, niet op het publiek
                              belang. Voorts bevat de ontheffingsmogelijkheid gebruikelijk een
                              aantal voorwaarden waaraan een ontheffing moet voldoen, die in veel
                              gevallen belemmerend zijn (zoals de voorwaarde dat de ontheffing niet
                              ten goede komt aan een gesanctioneerde persoon, rechtspersoon,
                              entiteit of lichaam). Daarbij is het zo dat het de verwachting is dat
                              opeenvolgende ontheffingsprocedures tijdrovender, administratief meer
                              belastend en minder efficiënt zouden zijn dan een eenmalige
                              beheerovername. Ontheffingen moeten worden verleend voor afzonderlijke
                              beheer- en betalingshandelingen. Tot slot wordt nog opgemerkt dat uit
                              de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de enkele omstandigheid dat
                              minder belastende alternatieve maatregelen waarmee eenzelfde doel kan
                              worden bereikt denkbaar zijn, op zichzelf geen grond oplevert voor het
                              oordeel dat er geen evenwichtige verhouding is tussen het doel en de
                              middelen om dat doel te bereiken zolang de beoordelingsmarge van de
                              verdragspartij niet overschreden wordt.<noot id="n169" type="voet"><noot.nr>169</noot.nr><noot.al>Zie EHRM 19 december 1989, Serie A nr. 169 (Mellacher
                                    e.a./Oostenrijk), p. 28, paragraaf 53, alsook EHRM 21 februari
                                    1986, James e.a./Verenigd Koninkrijk, nr. 8793/79, paragraaf 51,
                                    en EHRM 7 mei 2013, <nadruk type="cur">Koufaki en
                                       Adedy/Griekland</nadruk>, nr. 57665/12, nr. 57657/12,
                                    paragraaf 48.</noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.1.2.</nr>
                      <titel>Vrijheid van ondernemerschap</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 16 van het EU-handvest bevat de vrijheid van ondernemerschap.
                           Dit ziet met name op het recht voor elke onderneming om, binnen de
                           grenzen van de aansprakelijkheid voor eigen handelingen, vrij te
                           beschikken over de haar ter beschikking staande economische, technische
                           en financiële middelen. De vrijheid van ondernemerschap heeft geen
                           absolute gelding, maar moet in relatie tot haar maatschappelijke functie
                           worden beschouwd.<noot id="n170" type="voet"><noot.nr>170</noot.nr><noot.al>HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:989, paragraaf 50 en
                                 aldaar aangehaalde rechtspraak.</noot.al></noot> De mogelijkheid voor de Minister van Economische Zaken om een of
                           meer personen aan te wijzen die opdrachten kan of kunnen verstrekken aan
                           een onderneming, zoals voorzien in artikel 5.3 van het wetsvoorstel,
                           grijpt in op de vrijheid van ondernemerschap. Het achterliggende doel van
                           het aanstellen van een bewindvoerder is het ondervangen van risico’s op
                           economische, fysieke en sociaalmaatschappelijke schade. De opdrachten van
                           de bewindvoerder strekken ertoe de continuïteit van de onderneming te
                           waarborgen of dienen de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van
                           de onderneming. Daarbij komt dat, na de aanstelling van de bewindvoerder,
                           de Staat de aansprakelijkheid van de onderneming overneemt ten aanzien
                           van de door de bewindvoerder verstrekte opdrachten. Dit alles komt ten
                           bate van de betrokken onderneming. De potentiële inbreuk op de vrijheid
                           van ondernemerschap is dan ook proportioneel indachtig het hierboven
                           omschreven.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.1.3</nr>
                      <titel>Privacy en de bescherming van persoonsgegevens</titel>
                    </kop>
                    <al>Het mogelijk maken en verder bestendigen van verdere
                           gegevensuitwisseling ten behoeve van sanctienaleving tussen bevoegde
                           autoriteiten (zie uitgebreider daarover paragraaf 3.6) moet voldoen aan
                           de juridische randvoorwaarden op het gebied van privacy en de bescherming
                           van persoonsgegevens. De versterkte gegevensuitwisseling moet zich
                           hiertoe verhouden. Hieronder wordt in dat kader achtereenvolgens ingegaan
                           op de verhouding van het wetsvoorstel tot het EVRM, het IVBPR, het
                           EU-Handvest, de Grondwet, de AVG en de UAVG. Hierbij moet aangetekend
                           worden dat de gegevensuitwisseling die mogelijk gemaakt wordt in dit
                           wetsvoorstel uitdrukkelijk bedoeld is als aanvulling op de
                           gegevensverwerkingsmogelijkheden op grond van Europese
                           sanctieverordeningen (zie paragraaf 3.6.2). De
                           gegevensuitwisselingsgrondslagen op basis van die verordeningen zullen in
                           veel gevallen dan ook moeten volstaan. De mogelijkheden die er al zijn
                           worden toegelicht in paragraaf 3.6.1.</al>
                    <al>Artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR beschermen het recht op respect voor
                           het privéleven. Artikel 8 EVRM bepaalt dat inmenging in de uitoefening
                           van dit recht alleen is toegestaan voor zover dit bij wet is voorzien en
                           in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de
                           nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn
                           van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de
                           bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming
                           van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 7 van het EU-Handvest
                           bevat het Unierechtelijke equivalent van dit grondrecht. Artikel 10,
                           eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat een ieder, behoudens bij of
                           krachtens de wet te stellen beperkingen, recht heeft op de eerbiediging
                           van zijn persoonlijke levenssfeer. Delegatie van de beperkingsbevoegdheid
                           is dus toegestaan, maar een grondslag in een wet in formele zin is
                              geboden.<noot id="n171" type="voet"><noot.nr>171</noot.nr><noot.al>HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328 <nadruk type="cur">(Zwolsman</nadruk>), r.o. 6.4.2.</noot.al></noot> Het wetsvoorstel voorziet in een aantal van zulke grondslagen. Zo
                           biedt artikel 8.2.2 de grondslag voor de Minister van Economische Zaken
                           om gegevens te verwerken voor zover dit noodzakelijk is om overeenkomstig
                           dit wetsvoorstel de eigendomsverhoudingen van of zeggenschap over in
                           Nederland gevestigde ondernemingen vast te stellen of te beoordelen ten
                           aanzien van de verenigbaarheid met sanctiemaatregelen. Artikel 8.2.1
                           schept de mogelijkheid voor het centraal meldpunt sancties om gegevens
                           over meldingen te verstrekken aan andere bevoegde autoriteiten. Artikel
                           8.2.5 biedt een generieke grondslag om gegevens uit te wisselen van en
                           tussen bevoegde autoriteiten (zie uitgebreider paragraaf 3.6.2).
                           Paragraaf 8.3 van het wetsvoorstel voorziet daarbij in de mogelijkheid om
                           bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling nadere regels
                           te stellen op het gebied van gegevensverwerking ter uitvoering van
                           internationale sanctiemaatregelen. Dit past binnen de grondwettelijke
                           mogelijkheid om de beperking van artikel 10 van de Grondwet te delegeren
                           en biedt daarvoor een voldoende specifieke formeelwettelijke grondslag.
                           Overkoepelend moet hierbij opgemerkt worden dat de AVG-rechten in deze
                           gevallen onverkort van toepassing zijn.</al>
                    <al>De inmenging in het privéleven die de gegevensverwerkingsgrondslagen op
                           grond van dit wetsvoorstel mogelijk maken is gerechtvaardigd. De
                           inmenging is immers bij de wet voorzien, waarbij opmerking verdient dat
                           de Europese sanctieverordeningen leidend zijn en ook wet zijn in de zin
                           van het EVRM. Voorts dient de inmenging het legitieme doel van het
                           voorkomen van strafbare feiten. De schending van sanctiemaatregelen is
                           immers een strafbaar feit. Indirect spelen hierbij ook de legitieme
                           doeleinden die gediend worden met de sanctiemaatregelen zelf (zie
                           paragraaf 1): de handhaving of het herstel van de vrede, de ondersteuning
                           van de democratische rechtsstaat, mensenrechten, de beginselen van het
                           internationaal recht, het voorkomen van conflicten, de versterking van de
                           internationale veiligheid en de bestrijding van terrorisme. Deze
                           doeleinden vallen deels samen met de legitieme belangen van nationale en
                           openbare veiligheid in artikel 8 EVRM.</al>
                    <al>Het specifieke recht op bescherming van persoonsgegevens als grondrecht
                           is daarnaast vastgelegd in artikel 8 van het EU-Handvest. Op basis van
                           dit artikel moeten gegevens eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde
                           doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een
                           andere gerechtvaardigde grondslag. Dit wetsvoorstel voorziet in zo’n
                           grondslag. Verder bepaalt dit artikel dat eenieder recht heeft op toegang
                           tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een
                           onafhankelijke autoriteit toeziet op de naleving van de regels. Een
                           inbreuk op dit grondrecht moet bij wet worden gesteld en de wezenlijke
                           inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het
                           evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, als zij
                           noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende
                           doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van
                           rechten en vrijheden van anderen.<noot id="n172" type="voet"><noot.nr>172</noot.nr><noot.al>Zie artikel 52, eerste lid, van het EU-Handvest.</noot.al></noot> De vereisten die gelden op grond van het EU-Handvest worden nader
                           ingevuld door de AVG en de UAVG, waarin regels worden vastgesteld ter
                           bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun
                           persoonsgegevens. Bij de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering
                           van Europese sanctieverordeningen moet getoetst worden of de inbreuk op
                           de grondrechten die dit met zich brengt noodzakelijk is. Daarnaast moet
                           de inbreuk daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende
                           doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van
                           rechten en vrijheden van anderen.<noot id="n173" type="voet"><noot.nr>173</noot.nr><noot.al>Artikel 52, eerste lid, van het EU-Handvest.</noot.al></noot> Deze belangenafweging wordt gedaan door de partijen die de
                           persoonsgegevens verwerken.</al>
                    <al>Tot slot is het niet zo dat de verwerking van persoonsgegevens op basis
                           van dit wetsvoorstel – ter uitvoering van en in aanvulling op
                           EU-sanctieverordeningen – waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de
                           rechten en vrijheden van natuurlijke personen.<noot id="n174" type="voet"><noot.nr>174</noot.nr><noot.al>Artikel 35, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2016/679 van
                                 het Europees Parlement en de Raad
                                 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke
                                 personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
                                 betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking
                                 van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
                                 Voor de beantwoording van de vraag of een verwerking waarschijnlijk
                                 een hoog risico inhoudt gelden de Richtsnoeren voor
                                 gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een
                                 verwerking ‘waarschijnlijk een hoog risico inhoudt’ van de European
                                 Data Protection Board.</noot.al></noot> Er hoeft daarom geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling
                              (<nadruk type="cur">Data Protection Impact Assessment</nadruk>, hierna
                           DPIA) te worden uitgevoerd op het wetsvoorstel als zodanig. Niettemin kan
                           de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen natuurlijk wel
                           degelijk risico’s met zich brengen voor de rechten en vrijheden van
                           natuurlijke personen. De regering acht het dan ook raadzaam dat
                           uitvoeringsorganisaties DPIA’s uitvoeren voor de
                           persoonsgegevensverwerkingen waarvoor zij verwerkingsverantwoordelijk
                           zijn ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen in den brede.
                           Die verwerkingen zullen immers veelal voortvloeien uit de
                           rechtsgrondslagen in Europese sanctieverordeningen en zijn derhalve niet
                           beperkt tot wat dit wetsvoorstel regelt (zie hierover uitgebreid
                           paragraaf 3.6). Het verrichten van een uitvoeringsDPIA is in het
                           bijzonder geboden als er sprake zou zijn van het verwerken van gevoelige
                           gegevens of gegevens van zeer persoonlijke aard, of in voorkomend geval
                           van matching of samenvoeging van datasets.<noot id="n175" type="voet"><noot.nr>175</noot.nr><noot.al>Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en
                                 bepaling of een verwerking ‘waarschijnlijk een hoog risico inhoudt’
                                 van de European Data Protection Board, p. 11–12. NB. er is hier
                                 geen sprake van een verwerking waarvoor op basis van het Besluit
                                 inzake lijst van verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor een
                                 gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) verplicht is van de
                                 Autoriteit Persoonsgegevens (<extref doc="stcrt-2019-64418" soort="document" status="actief"><nadruk type="cur">Stcrt.</nadruk>
                                 2019, 64418</extref>).</noot.al></noot> Gezien de taken van het centraal meldpunt sancties (zie paragraaf
                           3.7), namelijk het ontvangen, delen en analyseren van informatie, zal het
                           centraal meldpunt uitdrukkelijk een uitvoeringsDPIA moeten doen. Daarbij
                           zal in ieder geval aan de orde moeten komen in hoeverre de
                           gegevensverwerking door het centraal meldpunt sancties gepseudonimiseerd
                           zal kunnen plaatsvinden. Bij dit alles geldt overkoepelend dat het in het
                           algemeen doelmatig is om DPIA’s niet uit te voeren bij het ontwerpen van
                           de wetgeving, maar na de vaststelling daarvan. Als een DPIA wordt
                           uitgevoerd tijdens het opstellen van wetgeving die een rechtsgrond voor
                           een verwerking biedt, zal die beoordeling waarschijnlijk moeten worden
                           herzien voordat de verwerkingen worden uitgevoerd, aangezien de
                           goedgekeurde wetgeving dusdanig van de voorgestelde wetgeving kan
                           afwijken dat de afwijking gevolgen heeft voor privacy- en
                           gegevensbeschermingskwesties. Bovendien zijn er op het moment dat de
                           wetgeving wordt aangenomen mogelijk niet genoeg technische gegevens
                           beschikbaar met betrekking tot de feitelijke verwerking, zelfs als deze
                           gepaard ging met een DPIA. In dergelijke gevallen kan het nog steeds
                           nodig zijn om een specifieke DPIA uit te voeren voordat de werkelijke
                           verwerkingen worden uitgevoerd. Aldus de <nadruk type="cur">European Data
                              Protection Board</nadruk>.<noot id="n176" type="voet"><noot.nr>176</noot.nr><noot.al>Idem, p. 16.</noot.al></noot></al>
                    <al>Voor politie en justitie zijn in dit verband relevant de Wet
                           politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze
                           wetten vloeien voort uit de Richtlijn gegevensbescherming bij
                              rechtshandhaving.<noot id="n177" type="voet"><noot.nr>177</noot.nr><noot.al>Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees
                                 Parlement en de Raad van 27 april
                                 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband
                                 met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten
                                 met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de
                                 vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van
                                 straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot
                                 intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</noot.al></noot> Waar de AVG geldt bij privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke
                           rechtsverhoudingen, gelden de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en
                           strafvorderlijke gegevens in het strafrechtelijke domein. Voor de
                           strafrechtelijke handhaving van sanctiemaatregelen op grond van dit
                           wetsvoorstel is de Wet politiegegevens van belang. De rollen die de
                           Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de Financial
                           Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) heeft in het sanctielandschap vallen
                           voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens onder het kader van
                           de Wet politiegegevens. Politiegegevens kunnen op grond van de Wet
                           politiegegevens alleen structureel worden verstrekt aan bevoegde
                           autoriteiten buiten het politiedomein, als de Wet politiegegevens of het
                           Besluit politiegegevens daarin voorziet. Dat is ten aanzien van de
                           uitvoering van sancties slechts beperkt het geval, namelijk binnen de
                           samenwerkingsverbanden Financieel Expertise Centrum (FEC) en de infobox
                           Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) (zie uitgebreider paragraaf
                           5.1). Wel kent de Wet politiegegevens de mogelijkheid om incidenteel aan
                           derden politiegegevens te verstrekken, voor zover dit noodzakelijk is met
                           het oog op een zwaarwegend algemeen belang, en in overeenstemming met het
                           Openbaar Ministerie. Dit kan onder meer met het doel strafbare feiten te
                           voorkomen en op te sporen, en ten behoeve van het uitoefenen van toezicht
                           op het naleven van regelgeving.<noot id="n178" type="voet"><noot.nr>178</noot.nr><noot.al>Artikel 19 Wet politiegegevens.</noot.al></noot> Deze mogelijkheid om incidenteel aan derden politiegegevens te
                           verstrekken kan daarmee ook incidenteel benut worden met betrekking tot
                           het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen en het voorkomen en
                           opsporen van sanctieschendingen.</al>
                    <al>Zoals toegelicht in paragraaf 2.4 werken verordeningen rechtstreeks door
                           in de nationale rechtsorde. Voor zover sanctieverordeningen geen
                           uitdrukkelijke grondslag bieden voor de verwerking van persoonsgegevens,
                           is het op basis van de delegatiegrondslagen in artikel 8.3.1 mogelijk om
                           een specifieke gegevensverstrekking tussen bevoegde autoriteiten te
                           verduidelijken en concretiseren in een sanctiebesluit of -regeling. Bij
                           het benutten van die grondslag voor gedelegeerde regelgeving, moet de
                           toelichting aandacht besteden aan de verenigbaarheid met het hogere recht
                           (waaronder de grondrechten) van die concrete verwerkingen.</al>
                    <al>Verder is er overkoepelend een restgrondslag opgenomen in artikel 8.2.5
                           voor de verstrekking van gegevens aan bij de sanctieregelgeving betrokken
                           instanties. Zoals ook toegelicht in paragraaf 3.6 en in de
                           artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.2.5, vindt hier de afweging
                           voor de verenigbaarheid met het hogere recht plaats bij de concrete
                           verstrekking.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.1.4.</nr>
                      <titel>Recht op een eerlijk proces en het recht op advocatuurlijke
                              bijstand zonder overheidsinmenging</titel>
                    </kop>
                    <al>Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of
                           bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
                           vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling
                           van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en
                           onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (zie voor een bespreking
                           van de rechtsbescherming meer in het algemeen, hoofdstuk 6).<noot id="n179" type="voet"><noot.nr>179</noot.nr><noot.al>Artikel 6, eerste lid, EVRM.</noot.al></noot> Eenieder tegen wie vervolging is ingesteld heeft daarbij het
                           recht zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een
                           raadsman naar eigen keuze. Als hij niet over de daarvoor benodigde
                           middelen bezit, heeft hij het recht om kosteloos door een toegevoegd
                           advocaat te kunnen worden bijgestaan, als de belangen van een behoorlijke
                           rechtspleging dit vereisen.<noot id="n180" type="voet"><noot.nr>180</noot.nr><noot.al>Artikel 6, derde lid, onderdeel c, EVRM.</noot.al></noot> Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de
                           Mens (EHRM) blijkt dat advocatuurlijke bijstand zonder overheidsinmenging
                           hier onderdeel van uitmaakt. Het EHRM spreekt in dit kader in zijn
                           rechtspraak over de ‘de onafhankelijkheid van de advocatuur ten opzichte
                           van de staat’.<noot id="n181" type="voet"><noot.nr>181</noot.nr><noot.al>Zie o.a. EHRM 22 maart 2007,
                                 ECLI:CE:ECHR:2007:0322JUD005951900 (<nadruk type="cur">Staroszczyk
                                    t. Polen</nadruk>), par. 133; EHRM 19 december 1989,
                                 ECLI:CE:ECHR:1989:1219JUD000978382 (<nadruk type="cur">Kamasinski
                                    t. Oostenrijk</nadruk>), par. 65; EHRM 24 november 1993,
                                 ECLI:CE:ECHR:1993:1124JUD001397288 (<nadruk type="cur">Imbrioscia
                                    t. Zwitserland</nadruk>), par. 41, EHRM 21 april 1998,
                                 ECLI:CE:ECHR:1998:0421JUD002260093 (<nadruk type="cur">Daud t.
                                    Portugal</nadruk>), par. 38.</noot.al></noot> Vanuit het Toezicht op de Advocatuur is in de internetconsultatie
                           ook op het belang hiervan gewezen. Gelet op de noodzakelijke
                           onafhankelijkheid van de advocatuur wordt het niet als passend gezien dat
                           advocatenkantoren onderwerp zouden kunnen zijn van bewind in de zin van
                           dit wetsvoorstel (zie uitgebreid daarover paragraaf 3.4.1). Dit is ten
                           opzichte van de geconsulteerde versie van het wetsvoorstel verduidelijkt.
                           Dit instrumentarium zou ten aanzien van de advocatuur bovendien van
                           minder waarde zijn, nu advocaten met de inwerkingtreding van dit
                           wetsvoorstel onder de reikwijdte van het bestuursrechtelijk
                           sanctiewettoezicht worden gebracht (zie paragraaf 3.8).</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">4.2.</nr>
                    <titel>Verhouding tot (lopende) Europese wetstrajecten</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Het onderhavige wetsvoorstel is relevant in het licht van een aantal
                           voorstellen die op dit moment worden behandeld binnen de EU, of waarvan
                           de behandeling recentelijk is afgerond:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de verordening over de voorkoming van het gebruik van het
                                 financiële stelsel voor het witwassen van geld of financieren van
                                 terrorisme (AMLR);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de richtlijn over de door de lidstaten in te voeren mechanismen
                                 ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het
                                 witwassen van geld of financieren van terrorisme (AMLD6);</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de verordening betreffende bij geldovermakingen en overdrachten
                                 van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van
                                 Richtlijn (EU) 2015/849;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de verordening tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 260/2012
                                 en (EU) 2021/1230 wat betreft instantovermakingen in euro;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de richtlijn strafbaarstelling schending van beperkende
                                 maatregelen van de EU;<noot id="n182" type="voet"><noot.nr>182</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021PC0420" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52021PC0420 – EN –
                                          EUR-Lex (europa.eu)</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021PC0423" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52021PC0423 – EN –
                                          EUR-Lex (europa.eu)</extref> en <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM:2022:684:FIN" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52022PC0684 – EN –
                                          EUR-Lex (europa.eu)</extref>.</noot.al></noot></al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de richtlijn ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen;
                                 en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>•</li.nr>
                        <al>de mededeling en het voorstel voor een verordening tot
                                 vaststelling van een nieuw Douanewetboek van de Unie.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                  </al-groep>
                  <al>Het belang van de verhouding van dit wetsvoorstel tot bovengenoemde
                        trajecten is tweeledig. Enerzijds moet het voorstel binnen de EU-rechtelijke
                        kaders passen, zijnde hoger recht. Anderzijds bevatten deze Europese
                        rechtshandelingen ook verplichtingen die zien op de uitvoering van
                        internationale sanctiemaatregelen in het algemeen. Dat betekent dat deze
                        niet (langer) in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen kunnen of hoeven te
                        worden.</al>
                  <al>De eerste drie hierboven genoemde voorstellen zijn aangenomen en onderdeel
                        van het zogenoemde Anti-money laundering and countering the financing of
                        terrorism pakket (AML/CFT-pakket). Vanwege hun onderlinge verwevenheid
                        worden deze hieronder gezamenlijk behandeld.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.2.1.</nr>
                      <titel>Het Europese AML/CFT-pakket (AMLR, AMLD en TFR)</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 19 juni 2024 zijn de laatste twee onderdelen, AML-verordening en
                           AML-richtlijn, van het Europese AML/CFT-pakket gepubliceerd in het
                           Publicatieblad van de EU. De belangrijkste regels hieruit die verband
                           houden met de naleving van sancties worden 10 juli 2027 van toepassing.
                           Hierin zitten wijzigingen op het gebied van gerichte financiële sancties
                           die raken aan de modernisering van de Sanctiewet 1977. De grootste
                           wijziging, die relevant is voor de Sanctiewet 1977, is dat in de
                           AML-verordening ook bedrijfsvoeringsregels zijn opgenomen over de
                           naleving van gerichte financiële sancties door private partijen. Door het
                           regelen van specifieke bedrijfsvoeringsregels in een Europese verordening
                           wordt het bestaande Sanctiewet-toezicht op de bedrijfsvoering (uit de
                           Sanctiewet 1977) deels vervangen vanaf 10 juli 2027. Tegelijkertijd wordt
                           hiermee het toezicht op de naleving van sancties uitgebreid naar meer
                           partijen, zullen toezichthouders moeten worden aangewezen en zijn de
                           regels waaraan de private partijen zich moeten houden nader
                           gemoderniseerd en geharmoniseerd.</al>
                    <al>Het AML/CFT-pakket beslaat echter niet het volledige terrein van de
                           naleving van sancties. De bedrijfsvoeringsregels uit het AML/CFT-pakket
                           zijn namelijk gericht op de naleving van gerichte financiële sancties.
                           Naast gerichte financiële sancties zullen personen en bedrijven in Europa
                           zich ook moeten vergewissen van sectorale maatregelen die direct kunnen
                           raken aan de door hen uitgevoerde activiteiten. Het zal daarom nodig zijn
                           om voor sommige groepen nationaal nadere regels te (blijven) stellen om
                           ervoor te zorgen dat zij beter rekening houden met alle voor hen geldende
                           sanctiemaatregelen in hun bedrijfsvoering. Er is voor gekozen om een
                           tweede tranche wetgeving te starten als onderdeel van de Wet
                           internationale sanctiemaatregelen waarin het huidige toezicht op de
                           bedrijfsvoering uit de Sanctiewet 1977 wordt aangepast in het licht van
                           de Europeesrechtelijke ontwikkelingen. Doordat deze verordening nadere
                           eisen stelt aan onderdelen van de bedrijfsvoering is de ruimte en
                           wenselijkheid beperkt om ten aanzien van hetgeen is bepaald nog nationaal
                           nadere voorschriften uit te vaardigen. Daarbij is het van belang op te
                           merken dat de Europese wetgever heeft aangegeven dat deze verordening
                           niet de bestaande verplichtingen om cliënten te controleren in het kader
                           van financiële sancties die voortvloeien uit andere EU-regels of
                           nationale wetgeving vervangen.<noot id="n183" type="voet"><noot.nr>183</noot.nr><noot.al>Overweging 34 van Verordening (EU) 2024/1624, betreffende de
                                 voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering (PB L 1624,
                                 31.5.2024).</noot.al></noot></al>
                    <al>Ook de AML-richtlijn bevat regels over gerichte financiële sancties die
                           geïmplementeerd moeten worden door de lidstaten. Deze zien onder andere
                           op het (laten) uitvoeren van een national risk assessment, de rol van de
                           UBO-registers, de Financial Intelligence Unit en het samenwerken tussen
                           bevoegde autoriteiten. De regels uit het AML/CFT-pakket worden in een
                           apart wetsvoorstel geïmplementeerd in Nederland.</al>
                    <al>Vooruitlopend op de aanname van de AMLR en AMLD nam de EU, als onderdeel
                           van het AML/CFT-pakket, de Verordening betreffende bij geldovermakingen
                           en overdrachten van bepaalde cryptoactiva te voegen informatie aan. Dit
                           staat beter bekend onder de naam <nadruk type="cur">Transfer of Funds
                              Regulation</nadruk> (TFR). Ook in deze verordening staan
                           verplichtingen opgenomen die raken aan de naleving van sanctiemaatregelen
                           voor de (intermediaire) betalingsdienstaanbieders en aanbieders van
                           cryptoactivadiensten die hieronder vallen. Zo bevat het een verplichting
                           om te beschikken over interne beleidsregels, procedures en controles ter
                           uitvoering van beperkende maatregelen wanneer deze aanbieders geld
                           overmaken of crypto-activa overdragen (zie paragraaf 5.4).</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.2.2.</nr>
                      <titel>Verordening betreffende instantovermakingen in Euro</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 8 april 2024 is Verordening (EU) 2024/886 wat betreft
                           instantovermakingen in euro’s van kracht geworden.<noot id="n184" type="voet"><noot.nr>184</noot.nr><noot.al>Verordening 2024/886 van het Europees
                                 Parlement en de Raad van 13 maart
                                 2024 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 260/2012 en (EU)
                                 2021/1230 en Richtlijnen 98/26/EG en (EU) 2015/2366.</noot.al></noot> Deze verordening wijzigt, onder andere, de verordening
                           betreffende de gemeenschappelijke eurobetalings­ruimte (SEPA) van 2012
                           met betrekking tot standaard­overmakingen in euro, door daaraan
                           specifieke bepalingen toe te voegen voor instantovermakingen in euro.
                           Hiermee wordt de onmiddellijke uitvoering van overmakingen in euro’s
                           tussen betalingsdienstaanbieders binnen de Unie verder gereguleerd.</al>
                    <al>Om te voorkomen dat de onmiddellijke uitvoering van overmakingen tussen
                           Europese betalingsdienstaanbieders wordt belemmerd, is bepaald dat geen
                           sanctie-screening meer mag worden toegepast bij de onmiddellijke
                           uitvoering van overmakingen. Tegelijkertijd worden er eisen gesteld aan
                           de screening op gerichte financiële sancties die de
                           betalingsdienstaanbieders moeten toepassen ten aanzien van hun
                           betalingsdienstgebruikers. De ratio hierachter is dat elke afzonderlijke
                           betalingsdienstaanbieder ervoor zorgt dat gerichte financiële
                           sanctiemaatregelen effectief worden toegepast zodat de screening van
                           onderlinge onmiddellijke geldovermakingen achterwege kan blijven. Doordat
                           deze verordening nadere eisen stelt aan de screening is de ruimte en
                           wenselijkheid beperkt om ten aanzien van hetgeen is bepaald nog nationaal
                           nadere voorschriften uit te vaardigen. Tegelijkertijd heeft de Europese
                           wetgever hierbij tevens aangegeven dat deze verordening moet worden
                           toegepast onverminderd de nationale beperkende maatregelen en beperkende
                           maatregelen van de Unie op basis waarvan passende maatregelen kunnen
                           worden voorgeschreven.<noot id="n185" type="voet"><noot.nr>185</noot.nr><noot.al>Overweging 18 van Verordening (EU) 2023/1113 van het Europees
                                 Parlement en de Raad van 31 mei
                                 2023 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde
                                 cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van Richtlijn
                                 (EU) 2015/849 (Voor de EER relevante tekst), PB L 150 van 9.6.2023,
                                 blz. 1.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.2.3.</nr>
                      <titel>Richtlijn strafbaarstelling schending beperkende maatregelen van
                              de EU</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 28 november 2022 is schending van beperkende maatregelen van de Unie
                           aangemerkt als vorm van bijzonder zware criminaliteit met een
                           grensoverschrijdende dimensie.<noot id="n186" type="voet"><noot.nr>186</noot.nr><noot.al>Besluit (EU) 2022/2332 van de Raad van 28 november 2022
                                 betreffende het aanmerken van de schending van beperkende
                                 maatregelen van de Unie als een vorm van criminaliteit die voldoet
                                 aan de in artikel 83, eerste lid, van het Verdrag betreffende de
                                 werking van de Europese Unie genoemde criteria (PbEU L 308/18).</noot.al></noot> Hierdoor is het mogelijk om minimumvoorschriften vast te stellen
                           betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met
                           de schending van beperkende maatregelen van de Unie.<noot id="n187" type="voet"><noot.nr>187</noot.nr><noot.al>Artikel 83, eerste lid VWEU.</noot.al></noot> Op grond daarvan is op 24 april 2024 de richtlijn
                           strafbaarstelling schending beperkende maatregelen van de EU aangenomen
                           (hierna: richtlijn strafbaarstelling).<noot id="n188" type="voet"><noot.nr>188</noot.nr><noot.al>Richtlijn (EU) 2024/1226 van het Europees
                                 Parlement en de Raad van 24 april
                                 2024 betreffende de definitie van strafrechtelijke delicten en van
                                 sancties voor de schending van beperkende maatregelen van de Unie
                                 en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/1673.</noot.al></noot> Nederland is vanaf het begin van de onderhandelingen een groot
                           voorstander geweest van de EU-brede harmonisatie op dit terrein.
                           Aanleiding voor de richtlijn zijn de grote verschillen tussen lidstaten
                           in de mogelijkheid (strafrechtelijk) op te treden tegen overtreding van
                           beperkende EU-maatregelen. Door harmonisatie van de strafbaarstelling
                           wordt het risico op forumshopping beperkt. Daarnaast verbetert het
                           voorstel mogelijkheden tot internationale samenwerking tussen lidstaten.
                           Het voorstel moedigt stafrechtelijke handhaving aan maar sluit
                           bestuursrechtelijke handhaving niet uit.<noot id="n189" type="voet"><noot.nr>189</noot.nr><noot.al>Zie hierover uitgebreider het BNC Fiche richtlijn
                                 strafbaarstelling schending van beperkende maatregelen van de EU
                                    (<extref soort="document" doc="kst-22112-3597" status="actief">Kamerstukken II 2022/23, 22112, nr. 3597</extref>).</noot.al></noot></al>
                    <al>Naast het voorzien in minimumvoorschriften en sancties, verplicht de
                           richtlijn strafbaarstelling ook tot het nemen van de nodige maatregelen
                           om de bevriezing en confiscatie van de opbrengsten van sanctieschendingen
                           mogelijk te maken.<noot id="n190" type="voet"><noot.nr>190</noot.nr><noot.al>Artikel 10, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                 2024/1226.</noot.al></noot> Ook verplicht de richtlijn tot de nodige maatregelen om
                           gesanctioneerde tegoeden of goederen te bevriezen en te confisqueren
                           wanneer een gesanctioneerde persoon of een vertegenwoordiger van een
                           gesanctioneerde entiteit beperkende maatregelen schendt.<noot id="n191" type="voet"><noot.nr>191</noot.nr><noot.al>Artikel 10, tweede lid, van Richtlijn (EU)
                                 2024/1226.</noot.al></noot> Voorts voegt de richtlijn de schending van EU-sancties toe aan de
                           lijst met gronddelicten in de richtlijn voor de strafrechtelijke aanpak
                           van witwassen (2018/1673), waardoor regels en bevoegdheden met betrekking
                           tot die gronddelicten ook gelden voor de schending van EU-sancties.<noot id="n192" type="voet"><noot.nr>192</noot.nr><noot.al>Zo moeten autoriteiten die bevoegd zijn op grond van
                                 richtlijn (EU) 2019/1153 tot gebruik van financiële en andere
                                 informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen
                                 van bepaalde strafbare feiten, op verzoek
                                 rechtshandhavingsinformatie verstrekken aan de FIU, wanneer die
                                 informatie nodig is voor het voorkomen, opsporen en bestrijden van
                                 witwassen, daaraan gerelateerde gronddelicten en
                                 terrorismefinanciering (artikel 8). Deze verplichting ziet dus ook
                                 op het schenden van EU-sancties.</noot.al></noot> Tot slot verplicht de richtlijn om ervoor te zorgen dat er
                           doeltreffende en evenredige onderzoeksmiddelen zijn om sanctieschendingen
                           te onderzoeken en te vervolgen. Waar passend omvatten die middelen
                           speciale onderzoeksmiddelen, zoals die welke worden ingezet bij de
                           bestrijding van georganiseerde criminaliteit.<noot id="n193" type="voet"><noot.nr>193</noot.nr><noot.al>Artikel 13 van Richtlijn (EU) 2024/1226.</noot.al></noot></al>
                    <al>In Nederland is de overtreding van internationale sanctiemaatregelen al
                           strafbaar op grond van de Sanctiewet 1977 in combinatie met de Wet op de
                           economische delicten. De Wet internationale sanctiemaatregelen blijft
                           vasthouden aan deze systematiek. Op 28 april 2025 is mede in dat licht
                           medegedeeld dat de richtlijn is geïmplementeerd door middel van bestaande
                              regelgeving.<noot id="n194" type="voet"><noot.nr>194</noot.nr><noot.al>Mededeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van
                                 15 april 2025, nr. 6308962, houdende bekendmaking van de
                                 implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1226 van het Europees
                                 Parlement en de Raad van 24 april
                                 2024 inzake de definitie van strafrechtelijke delicten en van
                                 sancties voor de schending van beperkende maatregelen van de Unie
                                 en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/1673, <extref doc="stcrt-2025-12900" soort="document" status="actief">Staatscourant 2025, nr. 12900</extref>, 28 april
                                 2025.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.2.4.</nr>
                      <titel>Confiscatierichtlijn</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 24 april 2024 is ook de richtlijn betreffende ontneming en
                           confiscatie van vermogensbestanddelen vastgesteld (hierna:
                              Confiscatierichtlijn).<noot id="n195" type="voet"><noot.nr>195</noot.nr><noot.al>Richtlijn (EU) 2024/1260 van het Europees
                                 Parlement en De Raad van 24 april
                                 2024 betreffende ontneming en confiscatie van
                                 vermogensbestanddelen.</noot.al></noot> Hoewel dit wetsvoorstel niet dient ter implementatie van de
                           Confiscatierichtlijn, betreft de Confiscatierichtlijn deels het onderwerp
                           sancties. Dat wordt hieronder kort toegelicht, ook om duidelijk te maken
                           dat de daarin vervatte materie voor wat betreft sancties, dus niet in dit
                           voorstel geregeld hoeft te worden. De Confiscatierichtlijn stelt
                           minimumvoorschriften voor confiscatie in het kader van procedures in
                           strafzaken en is ook van toepassing op de strafbare feiten die vallen
                           onder de richtlijn strafbaarstelling. Hierdoor is het mogelijk om
                           tegoeden te confisqueren van partijen die de EU-sancties niet
                              naleven.<noot id="n196" type="voet"><noot.nr>196</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II2021/22, <extref doc="kst-22112-3467" soort="document" status="actief">22 112, nr. 3467</extref>, p.
                                 3.</noot.al></noot> Lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om de snelle
                           opsporing en identificatie mogelijk te maken van goederen die het
                           voorwerp zijn of worden van bevriezings- of confiscatiebevelen op grond
                           van de richtlijn strafbaarstelling.<noot id="n197" type="voet"><noot.nr>197</noot.nr><noot.al>Artikel 4, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                 2024/1260.</noot.al></noot></al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen
                                 (ARO’s)</titel>
                      </kop>
                      <al>Krachtens het Kaderbesluit van 2007 van de Raad betreffende de
                              bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelenmoeten de lidstaten
                              bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen (<nadruk type="cur">Asset Recovery Offices, </nadruk>hierna: ARO’s)
                                 oprichten.<noot id="n198" type="voet"><noot.nr>198</noot.nr><noot.al>Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007
                                    betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de
                                    ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de
                                    opsporing en identificatie van opbrengsten van misdrijven of
                                    andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in
                                    misdrijven (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103).</noot.al></noot> De Confiscatierichtlijn vervangt onder meer dat Kaderbesluit
                              en bevat ook bepalingen over ARO’s. In aanvulling op de huidige regels
                              krijgen ARO’s onder meer de taak gegevens uit te wisselen met ARO’s in
                              andere lidstaten, ook in het kader van het voorkomen, opsporen en
                              onderzoeken van de schending van EU-sancties. Om de opsporing van
                              strafbare feiten die verband houden met de schending van EU-sancties
                              te vergemakkelijken, krijgen ARO’s de bevoegdheid om goederen van
                              gesanctioneerde personen op te sporen en te identificeren, als dat
                              nodig is om de opsporing van sanctieschendingen te vergemakkelijken.
                              Nationale bevoegde autoriteiten moeten daartoe een verzoek doen dat is
                              gebaseerd op aanwijzingen en redelijke gronden om aan te nemen dat een
                              dergelijk strafbaar feit is gepleegd.<noot id="n199" type="voet"><noot.nr>199</noot.nr><noot.al>Artikel 5, eerste lid, en overweging 15 van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> Voor hun taken op het gebied van sancties, moeten ARO’s ook
                              toegang hebben tot bepaalde openbare registers.<noot id="n200" type="voet"><noot.nr>200</noot.nr><noot.al>Artikel 6, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> Voorts moeten ARO’s gegevens kunnen uitwisselen met ARO’s in
                              andere lidstaten, ook met betrekking tot sanctieschendingen.<noot id="n201" type="voet"><noot.nr>201</noot.nr><noot.al>Artikel 9, eerste en derde lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> In dat verband moeten ARO’s ook de bevoegdheid hebben
                              onmiddellijk op te treden om goederen veilig te stellen met het oog op
                              de tijdelijke bevriezing van het betrokken voorwerp.<noot id="n202" type="voet"><noot.nr>202</noot.nr><noot.al>Artikel 11, tweede lid, van Richtlijn (EU) 2024/1260. Het
                                    gaat hier om bevriezing in strafrechtelijke zin, en niet om
                                    bevriezing op grond van beperkende maatregelen van de
                                    Unie.</noot.al></noot> Het kabinet heeft de uitbreiding van de bevoegdheden van de
                              ARO’s om sanctieovertredingen te kunnen detecteren en vermogen te
                              kunnen bevriezen en confisqueren van partijen die sancties niet
                              naleven verwelkomd. Dit is belangrijk om ervoor te zorgen dat sancties
                              effect hebben.<noot id="n203" type="voet"><noot.nr>203</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II2021/22, <extref doc="kst-22112-3467" soort="document" status="actief">22 112,
                                    nr. 3467</extref>, , p. 12.</noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Geconfisqueerde goederen en het gebruik daarvan</titel>
                      </kop>
                      <al>De Confiscatierichtlijn moedigt lidstaten aan om de nodige
                              maatregelen te treffen op basis waarvan geconfisqueerde goederen waar
                              passend kunnen worden gebruikt voor het algemeen belang of
                              maatschappelijke doeleinden.<noot id="n204" type="voet"><noot.nr>204</noot.nr><noot.al>Artikel 19, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> In dat kader biedt de Confiscatierichtlijn lidstaten ook de
                              mogelijkheid om in verband met sanctieschendingen geconfisqueerde
                              hulpmiddelen, opbrengsten of goederen te gebruiken om bij te dragen
                              aan mechanismen ter ondersteuning van derde landen die getroffen zijn
                              door situaties waarvoor beperkende maatregelen van de Unie zijn
                              genomen. Het gaat dan met name om aanvalsoorlogen.<noot id="n205" type="voet"><noot.nr>205</noot.nr><noot.al>Artikel 19, tweede lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> De Commissie moet de samenwerking tussen de lidstaten
                              onderling en met derde landen vergemakkelijken en kan richtsnoeren
                              verstrekken over de meest doeltreffende procedures en financiële
                              mechanismen die beschikbaar zijn om dergelijke derde landen te
                              ondersteunen, teneinde het gebruik van geconfisqueerde hulpmiddelen,
                              opbrengsten of goederen voor dat doel te bevorderen. <noot id="n206" type="voet"><noot.nr>206</noot.nr><noot.al>Overweging 39 van Richtlijn (EU) 2024/1260.</noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Bureaus voor vermogensbeheer (AMO’s)</titel>
                      </kop>
                      <al>Nadat vermogensbestanddelen zijn bevroren of geconfisqueerd moet elke
                              lidstaat het beheer van dit vermogen onderbrengen bij een daarvoor
                              aangewezen Bureau voor vermogensbeheer (<nadruk type="cur">Asset
                                 Management Office</nadruk>, hierna: AMO).<noot id="n207" type="voet"><noot.nr>207</noot.nr><noot.al>Artikel 22, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> AMO’s hebben onder meer tot taak om te zorgen voor een
                              efficiënt beheer van bevroren en geconfisqueerde goederen, hetzij door
                              die rechtstreeks te beheren, hetzij door steun en expertise te
                              verlenen aan andere bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn
                              voor het beheer van bevroren en geconfisqueerde goederen.<noot id="n208" type="voet"><noot.nr>208</noot.nr><noot.al>Artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> Deze regels zijn ook van toepassing op voorwerpen die zijn
                              geïdentificeerd in het kader van de uitvoering van beperkende
                              maatregelen van de Unie, voor zover deze zijn bevroren in verband met
                              strafrechtelijke onderzoeken, zoals de schending van EU-sancties.<noot id="n209" type="voet"><noot.nr>209</noot.nr><noot.al><extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52022PC0245#footnote5" soort="URL" status="actief">IMMC.COM%282022%29245%20final.NLD.xhtml.1_NL_ACT_part1_v2.docx
                                       (europa.eu)</extref>.</noot.al></noot> Lidstaten kunnen daarbij vereisen dat de kosten voor het
                              beheer van bevroren goederen ten minste gedeeltelijk ten laste komen
                              van de uiteindelijk begunstigde.<noot id="n210" type="voet"><noot.nr>210</noot.nr><noot.al>Artikel 20, eerste lid, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot> Ook moeten lidstaten ervoor zorgen dat goederen die het
                              voorwerp zijn van een bevriezingsbevel nog vóór een definitief
                              confiscatiebevel kunnen worden overgedragen of verkocht als de opslag-
                              of onderhoudskosten van de goederen niet in verhouding staan tot de
                              marktwaarde ervan.<noot id="n211" type="voet"><noot.nr>211</noot.nr><noot.al>Artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU)
                                    2024/1260.</noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">4.2.5.</nr>
                      <titel>Mededeling en Verordening nieuw Douanewetboek van de Unie</titel>
                    </kop>
                    <al>In de uitvoering van internationale sancties is het toezicht van de
                           Douane onderhevig aan de bevoegdheden en werkwijze die het Douanewetboek
                           van de Unie voorschrijft. Op 17 mei 2023 heeft de Europese Commissie haar
                           voorstel voor een hervorming van het Douanewetboek van de Unie
                              gepubliceerd.<noot id="n212" type="voet"><noot.nr>212</noot.nr><noot.al>COM(2023) 257 en COM(2023) 258.</noot.al></noot> Dit voorstel moet leiden tot een toekomstbestendige, eenvoudigere
                           en meer data-gedreven douane-unie. Dit wetboek schept het kader waaronder
                           de Douane kan handelen en haar toezicht kan regelen op de goederen die de
                           douane-unie binnenkomen en verlaten. De handhaving van internationale
                           sanctiemaatregelen is onderdeel van dit toezicht en douaneautoriteiten
                           worden verplicht alle nodige maatregelen te nemen om aan EU-sancties te
                           voldoen, rekening houdend met de richtsnoeren van de
                              EU-douaneautoriteit.<noot id="n213" type="voet"><noot.nr>213</noot.nr><noot.al>Artikel 201, tweede lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot></al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Risicoprioritering</titel>
                      </kop>
                      <al>In het voorstel krijgt de Commissie de rol om gemeenschappelijke
                              prioritaire controlegebieden en gemeenschappelijke risicocriteria en
                              -normen vast te stellen voor elk soort risico.<noot id="n214" type="voet"><noot.nr>214</noot.nr><noot.al>Artikel 51, eerste lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> De handhaving van sancties tegen Rusland wordt als een
                              voorbeeld genoemd van een besluit over risicoprioritering.<noot id="n215" type="voet"><noot.nr>215</noot.nr><noot.al><extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52023DC0257" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52023DC0257 – EN –
                                       EUR-Lex (europa.eu)</extref></noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Samenwerking Douane met andere autoriteiten</titel>
                      </kop>
                      <al>Het voorstel bevat ook een kader voor de samenwerking tussen
                              douaneautoriteiten en andere autoriteiten op nationaal niveau op het
                              gebied van andere door de douaneautoriteiten toegepaste
                                 wetgeving.<noot id="n216" type="voet"><noot.nr>216</noot.nr><noot.al>Artikel 240, eerste lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> Ook kunnen douaneautoriteiten overeenkomstig de andere door de
                              douaneautoriteiten toegepaste wetgeving, bepaalde maatregelen nemen.
                              Deze omvatten onder meer het waarschuwen van andere autoriteiten voor
                              risico’s die relevant zijn voor hun werkzaamheden, en het verrichten
                              van follow-up wanneer het goederenverkeer inbreuk maakt op andere door
                              de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.<noot id="n217" type="voet"><noot.nr>217</noot.nr><noot.al>Artikel 242, eerste lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> Dit is ook voor de uitvoering van sancties relevant.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Sanctie-taken EU-hub voor douanegegevens</titel>
                      </kop>
                      <al>De EU-hub voor douanegegevens biedt een beveiligde omgeving van
                              elektronische diensten voor het gebruik van gegevens voor
                              douanedoeleinden en heeft in die voorgestelde opzet ook een rol met
                              betrekking tot het toezicht op handelssancties. Personen kunnen onder
                              voorwaarden toegang krijgen tot de EU-hub voor douanegegevens
                              opgeslagen gegevens. Eén van de voorwaarden voor toegang is om te
                              voldoen aan de rapportageverplichtingen van die persoon uit hoofde van
                              andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.<noot id="n218" type="voet"><noot.nr>218</noot.nr><noot.al>Artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel.</extref></noot.al></noot> Hieronder vallen ook de rapportageverplichtingen met
                              betrekking tot EU-handelssancties. Een douaneautoriteit kan de in de
                              EU-hub voor douanegegevens opgenomen gegevens onder meer verwerken
                              voor het vervullen van haar taken met betrekking tot de uitvoering van
                              andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.<noot id="n219" type="voet"><noot.nr>219</noot.nr><noot.al>Artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> Ook de Commissie kan deze gegevens verwerken, voor zover dit
                              noodzakelijk is voor het doel om toe te zien op de uitvoering en het
                              waarborgen van de uniforme toepassing van andere door de
                              douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.<noot id="n220" type="voet"><noot.nr>220</noot.nr><noot.al>Artikel 31, vierde lid, onderdeel g, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel.</extref></noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Sanctie-taken EU-douaneautoriteit</titel>
                      </kop>
                      <al>Het voorstel voorziet in de oprichting van een EU-douaneautoriteit.
                              Onderdeel van haar taken is het ondersteunen van de Commissie en de
                              lidstaten in het tegengaan van sanctieomzeiling.<noot id="n221" type="voet"><noot.nr>221</noot.nr><noot.al>Overweging 51 van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> De EU-douaneautoriteit krijgt meer algemeen de taak bij te
                              dragen aan de correcte toepassing van EU-sancties, door toe te zien op
                              de uitvoering ervan op de onder haar bevoegdheid vallende
                                 gebieden.<noot id="n222" type="voet"><noot.nr>222</noot.nr><noot.al>Artikel 201, eerste lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> Ook krijgt de EU-douaneautoriteit de bevoegdheid om de
                              douaneautoriteiten passende richtsnoeren te verstrekken op het gebied
                              van sancties.<noot id="n223" type="voet"><noot.nr>223</noot.nr><noot.al>Artikel 201, eerste lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot> De douaneautoriteiten moeten tot slot de EU-douaneautoriteit,
                              de Commissie en de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de
                              uitvoering van sancties, in kennis stellen van elk vermoeden en van
                              elk geval van sanctieontwijking en van de risicobeperkende maatregelen
                              die zij in dat verband hebben genomen. <noot id="n224" type="voet"><noot.nr>224</noot.nr><noot.al>Artikel 202, tweede lid, van het <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52023PC0258" soort="URL" status="actief">voorstel</extref>.</noot.al></noot></al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">4.3.</nr>
                    <titel>Rijkssanctiewet</titel>
                  </kop>
                  <al>Sanctiemaatregelen van de EU werken niet automatisch door op grond van het
                        EU-recht in de autonome landen van het Caribische deel van het Koninkrijk
                        (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). Om de eenheid van het buitenlandse beleid
                        van het Koninkrijk te waarborgen, regelt de Rijkssanctiewet<noot id="n225" type="voet"><noot.nr>225</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-2016-261" soort="document" status="actief">Stb.
                                 2016, 261</extref>.</noot.al></noot> de toepassing van Europese sanctiemaatregelen in Aruba, Curaçao en
                        Sint Maarten. De Rijkssanctiewet is op 1 januari 2017 in zijn geheel in
                        werking getreden voor Curaçao en gedeeltelijk voor Aruba, Sint Maarten en
                           Nederland.<noot id="n226" type="voet"><noot.nr>226</noot.nr><noot.al>Besluit van 15 november 2016 tot vaststelling van het tijdstip
                              van inwerkingtreding van de Rijkssanctiewet (<extref doc="stb-2016-452" soort="document" status="actief">Stb. 2016,
                                 452</extref>).</noot.al></noot></al>
                  <al>De gedeeltelijke inwerkingtreding voor Aruba, Sint Maarten en Nederland is
                        beperkt tot de bepaling dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten betrokken worden
                        bij de standpuntbepaling van Nederland met het oog op de totstandkoming van
                        GBVB-besluiten en verordeningen.<noot id="n227" type="voet"><noot.nr>227</noot.nr><noot.al>Artikel 3 van de Rijkssanctiewet.</noot.al></noot></al>
                  <al>Voor Curaçao geldt aanvullend dat bestaande en toekomstige Europese
                        sanctieverordeningen rechtstreeks van overeenkomstige toepassing zijn op
                           Curaçao.<noot id="n228" type="voet"><noot.nr>228</noot.nr><noot.al>Artikel 1, eerste lid, en artikel 4 van de
                              Rijkssanctiewet.</noot.al></noot> Curaçao moet daarbij alle voorzieningen treffen die noodzakelijk
                        zijn voor de uitvoering van Europese sanctieverordeningen (zoals
                        handelsbeperkingen en bevriezing van tegoeden) en sanctiebesluiten (zoals
                        wapenembargo’s en visumbeperkingen).<noot id="n229" type="voet"><noot.nr>229</noot.nr><noot.al>Artikel 2 van de Rijkssanctiewet.</noot.al></noot></al>
                  <al>De rechtstreekse overeenkomstige toepassing van Europese
                        sanctieverordeningen geldt niet voor Aruba en Sint Maarten.<noot id="n230" type="voet"><noot.nr>230</noot.nr><noot.al>Aangezien artikel 1, eerste lid, van de Rijkssanctiewet voor
                              beide Caribische landen niet in werking is getreden (<extref doc="stb-2016-452" soort="document" status="actief">Stb. 2016,
                                 452</extref>).</noot.al></noot> Aruba en Sint Maarten voorzien derhalve in (eigen) nationale
                        regelgeving op grond waarvan sanctiebesluiten en verordeningen daar van
                        toepassing zijn. In Aruba gebeurt dit op basis van de Sanctieverordening
                           2006.<noot id="n231" type="voet"><noot.nr>231</noot.nr><noot.al>Landsverordening houdende regels met betrekking tot het treffen
                              van maatregelen ter voldoening aan of uitvoering van internationale
                              verplichtingen (AB 2007 no. 24).</noot.al></noot> In Sint Maarten is de wettelijke basis hiervoor de
                        Sanctielandsverordening houdende regels om ter uitvoering van internationale
                        verplichtingen beperkingen vast te stellen voor de betrekkingen met bepaalde
                        staten, gebieden, individuele personen, groepen en organisaties.<noot id="n232" type="voet"><noot.nr>232</noot.nr><noot.al>Landsverordening houdende regels om ter uitvoering van
                              internationale verplichtingen beperkingen vast te stellen voor de
                              betrekkingen met bepaalde staten, gebieden, individuele personen,
                              groepen en organisaties (AB 2019, 25).</noot.al></noot></al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Verhouding tot andere nationale regelgeving</titel>
                </kop>
                <al>In dit hoofdstuk wordt aangeduid hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot
                     aanverwante nationale regelgeving en regelgeving die op het moment van
                     schrijven nog in voorbereiding is. Hierbij is de keuze gemaakt om in dit
                     hoofdstuk alleen in te gaan op regelgeving die raakt aan het wetsvoorstel maar
                     hierdoor niet gewijzigd wordt. Dit laatste komt aan de orde in hoofdstuk 10 van
                     het artikelsgewijze deel van deze toelichting. De verhouding tot regelgeving in
                     de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba(BES) komt in paragraaf 8.3
                     van het algemeen deel van deze toelichting aan bod. De
                     rechtsbeschermingsaspecten worden besproken in hoofdstuk 6.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.1.</nr>
                    <titel>Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden</titel>
                  </kop>
                  <al>Op 19 juni 2024 is de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
                        (WGS) door de Eerste Kamer aangenomen. Deze wet strekt er toe om de
                        verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens door
                        samenwerkingsverbanden van een adequate juridische basis te voorzien. In
                        twee van deze samenwerkingsverbanden worden gezamenlijk gegevens verwerkt op
                        het gebied van sancties: het Financieel-Expertisecentrum (FEC) en de Infobox
                        Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV).</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">5.1.1.</nr>
                      <titel>Financieel-Expertisecentrum (FEC)</titel>
                    </kop>
                    <al>Het FEC is een samenwerkingsverband van diverse overheidsorganisaties
                           dat als doel heeft de integriteit van de financiële sector te versterken.
                           De deelnemers in het FEC treden gezamenlijk op tegen bedreigingen en
                           risico’s ten aanzien van de integriteit van de financiële sector, houden
                           toezicht op de naleving van de hiervoor relevante regelgeving of
                           handhaven deze waar nodig. Deelnemers aan het FEC zijn het Openbaar
                           Ministerie, de Politie, de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU),
                           de Rijksbelastingdienst, de FIOD, de AFM, DNB en het BFT.</al>
                    <al>Verschillende leden van het FEC houden zich dus bezig met de handhaving
                           van sancties. Het gaat bijvoorbeeld om de toezichtstaken van DNB en AFM
                           op grond van de Sanctiewet 1977.<noot id="n233" type="voet"><noot.nr>233</noot.nr><noot.al>Artikel 2.3, eerste lid, onderdelen f en g, van de Wet
                                 gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden.</noot.al></noot> Verder maakt de strafrechtelijke handhaving van
                           sanctieschendingen onderdeel uit van de algemene taken en bevoegdheden
                           van het Openbaar Ministerie, en de bijzondere opsporingstaak van de
                              FIOD.<noot id="n234" type="voet"><noot.nr>234</noot.nr><noot.al>Artikel 2.3, eerste lid, onderdelen a en e, van de Wet
                                 gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden, in samenhang met
                                 respectievelijke artikel 124 van de Wet op de rechterlijke
                                 organisatie en artikel 3 van de Wet op de bijzondere
                                 opsporingsdiensten.</noot.al></noot> Ook kunnen meldingen van ongebruikelijke transacties bij de
                           FIU-NL betrekking hebben op financiële diensten of transacties waarbij
                           gesanctioneerde personen of entiteiten betrokken zijn (zie ook paragraaf
                              6),<noot id="n235" type="voet"><noot.nr>235</noot.nr><noot.al>Artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
                                 gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden, in samenhang met
                                 artikel 13 Wwft.</noot.al></noot> waardoor ook die gegevens binnen het FEC verwerkt kunnen
                              worden.<noot id="n236" type="voet"><noot.nr>236</noot.nr><noot.al>Artikel 2.2, eerste lid, van de Wet gegevensverwerking in
                                 samenwerkingsverbanden.</noot.al></noot></al>
                    <al>De politie en de FIOD kunnen in dit verband ook politiegegevens
                           vertrekken aan het FEC. Politiegegevens moeten verstrekt worden, voor
                           zover noodzakelijk voor het doel van het FEC, tenzij zwaarwegende redenen
                           zich daartegen verzetten.<noot id="n237" type="voet"><noot.nr>237</noot.nr><noot.al>Artikel 20, derde lid, van de Wet politiegegevens. Zie ook:
                                 Kamerstukken II 2019/20, <extref doc="kst-35447-3" soort="document" status="actief">35 447, nr. 3</extref>, p. 133–134.</noot.al></noot> Het Openbaar Ministerie kan in dit kader ook justitiële en
                           strafvorderlijke gegevens verstrekken, en moet dit doen voor zover
                           noodzakelijk voor het doel van het FEC, tenzij zwaarwegende redenen zich
                           daartegen verzetten.<noot id="n238" type="voet"><noot.nr>238</noot.nr><noot.al>Zie respectievelijk artikel 8b en artikel 39fa van de Wet
                                 justitiële en strafvorderlijke gegevens.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">5.1.2.</nr>
                      <titel>Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV)</titel>
                    </kop>
                    <al>De iCOV is een samenwerkingsverband van diverse overheidsorganisaties,
                           waaronder het Openbaar Ministerie, de politie, de Koninklijke
                           Marechaussee, de FIU, de bijzondere opsporingsdiensten en DNB. De iCOV
                           stelt rapportages samen die bijdragen aan de bestrijding van diverse
                           vormen van financieel-economische criminaliteit. Het gaat daarbij voor
                           het overgrote deel om verschijnselen die een ondermijnend karakter hebben
                           en hun tentakels uitsteken tot diep in de verschillende sectoren van de
                           samenleving. De rapportages van iCOV maken inzichtelijk waar het
                           criminele of fiscale ontdoken vermogen wordt verborgen. Ze tonen tevens
                           welke sleutelfiguren zich hiermee bezighouden. Het geldspoor volgen is
                           daarbij van onschatbare waarde om de daadwerkelijk belanghebbenden te
                           traceren en de modus operandi bloot te leggen. Dit is allereerst van
                           belang bij het oplossen van strafrechtelijke, fiscale of bestuurlijke
                           cases. Maar de rapportages dragen ook bij aan een meer strategisch
                           inzicht over waar bepaalde problemen zich voordoen en wat de kenmerken
                           hiervan zijn. Dit maakt een effectievere inzet van mensen en middelen
                           mogelijk en zorgt dat barrières kunnen worden opgeworpen tegen (de
                           facilitering van) criminele geldstromen. Er speelt nog een ander belang.
                           Door crimineel of fiscaal ontdoken vermogen af te pakken, wordt de
                           stimulans om met ondermijnende activiteiten door te gaan
                           onaantrekkelijker gemaakt.</al>
                    <al>De deelname van DNB in de iCOV is expliciet mede vanuit de uitoefening
                           van haar taak op grond van de Sanctiewet 1977.<noot id="n239" type="voet"><noot.nr>239</noot.nr><noot.al>Artikel 2.11, eerste lid, onderdeel i, van de Wet
                                 gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden.</noot.al></noot> Voor de overige deelnemers geldt dat de uitoefening van hun
                           bevoegdheden op sanctiegebied, onderdeel uitmaken van de taakuitoefening
                           waarvoor ze aan de iCOV deelnemen. Zo maakt de strafrechtelijke
                           handhaving van sanctieschendingen onderdeel uit van de algemene taken en
                           bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, en de bijzondere
                           opsporingstaken van bijzondere opsporingsdiensten zoals de FIOD en de
                           Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en
                              Transport.<noot id="n240" type="voet"><noot.nr>240</noot.nr><noot.al>Artikel 2.11, eerste lid, onderdelen a en g, van de Wet
                                 gegevensverwerking in samenwerkingsverbanden, in samenhang met
                                 respectievelijke artikel 124 van de Wet op de rechterlijke
                                 organisatie en de artikelen 2 en 3 van de Wet op de bijzondere
                                 opsporingsdiensten.</noot.al></noot> Ook kunnen meldingen van ongebruikelijke transacties bij de
                           FIU-NL een sanctiecomponent hebben,<noot id="n241" type="voet"><noot.nr>241</noot.nr><noot.al>Artikel 2.10 van de Wet gegevensverwerking in
                                 samenwerkingsverbanden, in samenhang met artikel 13 Wwft.</noot.al></noot> waardoor ook die gegevens binnen de iCOV verwerkt kunnen
                              worden.<noot id="n242" type="voet"><noot.nr>242</noot.nr><noot.al>Artikel 2.2, eerste lid, van de Wet gegevensverwerking in
                                 samenwerkingsverbanden.</noot.al></noot></al>
                    <al>De politie, de Koninklijke Marechaussee en de bijzondere
                           opsporingsdiensten kunnen in dit verband ook politiegegevens verstrekken
                           aan de iCOV. Politiegegevens moeten verstrekt worden, voor zover
                           noodzakelijk voor het doel van de iCOV, tenzij zwaarwegende redenen zich
                           daartegen verzetten.<noot id="n243" type="voet"><noot.nr>243</noot.nr><noot.al>Artikel 20, derde lid, van de Wet politiegegevens. Zie ook:
                                 Kamerstukken II 2019–2020, <extref doc="kst-35447-3" soort="document" status="actief">35 447, nr. 3</extref>, p. 133–134.</noot.al></noot> Het Openbaar Ministerie kan in dit kader ook justitiële en
                           strafvorderlijke gegevens verstrekken, en moet dit doen voor zover
                           noodzakelijk voor het doel van de iCOV, tenzij zwaarwegende redenen zich
                           daartegen verzetten.<noot id="n244" type="voet"><noot.nr>244</noot.nr><noot.al>Zie respectievelijk artikel 8b en artikel 39fa van de Wet
                                 justitiële en strafvorderlijke gegevens.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">5.1.3.</nr>
                      <titel>Wijziging Sanctiewet 1977</titel>
                    </kop>
                    <al>Met de inwerkingtreding van de WGS is ook de Sanctiewet 1977 gewijzigd,
                           door daarin een uitzonderingsbepaling op de geheimhoudingsplicht toe te
                           voegen voor de verstrekking aan een samenwerkingsverband in de zin van de
                              WGS.<noot id="n245" type="voet"><noot.nr>245</noot.nr><noot.al>Artikel 10i van de Sanctiewet 1977. Dit artikel wordt in dit
                                 wetsvoorstel gewijzigd om aan te sluiten bij de wijzigingen van
                                 afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 (artikel 10.8, onderdeel
                                 N).</noot.al></noot> Dit maakt het mogelijk dat de AFM en DNB vanuit hun
                           Sanctiewet-taken kunnen deelnemen aan samenwerkingsverbanden en dat zij
                           gegevens die zij op grond van de Sanctiewet 1977 verkrijgen, ook kunnen
                           uitwisselen in FEC en iCOV verband.<noot id="n246" type="voet"><noot.nr>246</noot.nr><noot.al>Zie uitgebreider: Kamerstukken II 2019/20, <extref doc="kst-35447-3" soort="document" status="actief">35 447,
                                    nr. 3</extref>, p. 11, 34–35 en 133–134.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.2.</nr>
                    <titel>Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid</titel>
                  </kop>
                  <al>De Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid regelt een
                        aantal taken van de Minister van Justitie en Veiligheid op het terrein van
                        de bestrijding van terrorisme en bescherming van de nationale veiligheid en
                        de daarmee gepaard gaande verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens.<noot id="n247" type="voet"><noot.nr>247</noot.nr><noot.al>Wet van 6 december 2023, houdende regels inzake de coördinatie
                              ten aanzien van terrorismebestrijding en de bescherming van de
                              nationale veiligheid ten behoeve van het verhogen van de weerbaarheid
                              tegen dreigingen en risico’s (<extref doc="stb-2023-454" soort="document" status="actief">Stb. 2023, 454</extref>).</noot.al></noot> Deze wet bevat ook een grondslag op basis waarvan
                        overheidsorganisaties (persoons)gegevens kunnen verstrekken aan de Minister
                        van Justitie en Veiligheid ten behoeve van zijn coördinatietaak op grond van
                        de wet. De Minister van Buitenlandse Zaken kan in dat verband de
                        (persoons)gegevens die worden verwerkt in verband met zijn taken en
                        bevoegdheden op grond van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde
                        regels aan de Minister van Justitie en Veiligheid verstrekken.<noot id="n248" type="voet"><noot.nr>248</noot.nr><noot.al>Artikel 6, aanhef en onderdeel a, van de Wet coördinatie
                              terrorismebestrijding en nationale veiligheid.</noot.al></noot> Het doel van deze gegevensverstrekking moet verenigbaar zijn met het
                        doel waarvoor deze gegevens zijn verzameld. Op zijn beurt kan de Minister
                        van Justitie en Veiligheid ten behoeve van zijn coördinatietaak ook
                        (persoons)gegevens verstrekken aan de Minister van Buitenlandse Zaken.<noot id="n249" type="voet"><noot.nr>249</noot.nr><noot.al>Artikel 7, eerste lid en onderdeel a, van de Wet coördinatie
                              terrorismebestrijding en nationale veiligheid.</noot.al></noot> De Minister van Justitie en Veiligheid kan hierbij ook bijzondere
                        persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard
                           verwerken.<noot id="n250" type="voet"><noot.nr>250</noot.nr><noot.al>Artikel 8 van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en
                              nationale veiligheid.</noot.al></noot></al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.3.</nr>
                    <titel>Wetsvoorstel personeelsbehoud bij Crisis</titel>
                  </kop>
                  <al>Momenteel is ook het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis in
                        voorbereiding. Dit wetsvoorstel heeft als doel om levensvatbare bedrijven in
                        een crisis buiten het ondernemersrisico te ondersteunen bij het behouden van
                        zoveel mogelijk werknemers. Een van de omstandigheden die door de Minister
                        van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (in overeenstemming met de Minister van
                        Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris Buitenlandse Handel) op grond van
                        dat wetsvoorstel als crisis kan worden aangewezen is ‘<nadruk type="cur">een
                           door een buitenlandse overheid aan Nederland of in Nederland gevestigde
                           ondernemingen opgelegde sanctie, voor zover het aanwijzen van de sanctie
                           als crisis in overeenstemming is met het Nederlandse
                           buitenlandbeleid</nadruk>’. Aangezien de in het onderhavige wetsvoorstel
                        omschreven sanctiemaatregelen (artikel 1.1) hier niet onder vallen, kunnen
                        deze ook niet als crisis in de zin van het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij
                        crisis worden aangewezen. De internationale sanctiemaatregelen waaraan op
                        grond van dit wetsvoorstel uitvoering kan worden gegeven, zijn immers geen
                        door een buitenlandse overheid opgelegde sancties. De instrumenten uit het
                        Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis kunnen daarom niet worden ingezet
                        op basis van een sanctiemaatregel in de zin van dit wetsvoorstel.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">5.4.</nr>
                    <titel>Uitvoeringswetsvoorstel verordening bij geldovermakingen en
                           overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Begin 2025 zijn de Uitvoeringswet verordening cryptoactiva, de
                        Uitvoeringswet verordening bij geldovermakingen en overdrachten van
                        cryptoactiva te voegen informatie en het Uitvoeringsbesluit MiCA en TFR in
                        werking getreden ter implementatie en uitvoering van Europese regelgeving
                        die geldt voor aanbieders van cryptodiensten.</al>
                  <al>Als gevolg hiervan is de definitie van cryptoaanbieders aangepast in
                        artikel 10 van de Sanctiewet 1977. Daarnaast is artikel 8 Wwft aangepast dat
                        ziet op vereisten binnen het verscherpte cliëntenonderzoek door aanbieders
                        van cryptoactivadiensten.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Rechtsbescherming</titel>
                </kop>
                <al>In deze paragraaf wordt overkoepelend ingegaan op de effecten van het
                     wetsvoorstel op de rechtsbescherming. Ook zal in bredere zin worden stilgestaan
                     bij de rechtsbescherming ten aanzien van internationale sanctiemaatregelen meer
                     in het algemeen.<noot id="n251" type="voet"><noot.nr>251</noot.nr><noot.al>Hiermee geeft de regering gevolg aan de door de Tweede Kamer
                           unaniem aangenomen motie van het lid Van Nispen (SP) van 13 december 2023
                           om bij nieuwe wetgeving een specifieke rechtsbeschermingsparagraaf op te
                           nemen (Kamerstukken II 2022/23, <extref doc="kst-29279-750" soort="document" status="actief">29 279 nr. 750</extref>).</noot.al></noot></al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.1.</nr>
                    <titel>Rechtsbescherming bij EU-sancties</titel>
                  </kop>
                  <al>EU-sanctiemaatregelen, in EU-sanctieverordeningen en -besluiten, dienen de
                        nodige bepalingen over juridische waarborgen te bevatten.<noot id="n252" type="voet"><noot.nr>252</noot.nr><noot.al>Artikel 215, derde lid, VWEU.</noot.al></noot> Deze zien onder meer op de mogelijkheid om herziening van de
                        plaatsing op een EU-sanctielijst te verzoeken en informatie over de
                        toepasselijke procedures. Tegen EU-besluiten op grond van artikel 29 VEU en
                        EU-Verordeningen op grond van artikel 215 VWEU, kunnen natuurlijke en
                        rechtspersonen beroep instellen bij het EU-Gerecht, en eventueel een hogere
                        voorziening bij het EU-Hof.<noot id="n253" type="voet"><noot.nr>253</noot.nr><noot.al>Artikel 263, vierde lid, VWEU en artikel 275, tweede lid,
                              VWEU.</noot.al></noot></al>
                  <al>Door natuurlijke en rechtspersonen kan ook tegen nationale handelingen ter
                        uitvoering van EU-sanctiemaatregelen beroep worden ingesteld bij de
                        nationale rechter. De nationale rechter kan de genoemde nationale
                        handelingen toetsen aan zowel nationale als EU-rechtsnormen. Ook kan de
                        nationale rechter prejudiciële vragen stellen over de uitleg of geldigheid
                        van deze sanctiemaatregelen aan het EU-Hof.<noot id="n254" type="voet"><noot.nr>254</noot.nr><noot.al>Artikel 267 VWEU en HvJ EU, zaak C-72/15, Rosneft en HvJEU, Zaak
                              C-158/14, A e.a.</noot.al></noot></al>
                  <al>Het EU-Hof toetst aan de eerbiediging van de grondrechten, zoals die binnen
                        de EU gelden, zowel als het gaat om autonome EU-sancties en EU-sancties die
                        uitvoering geven aan VN Veiligheidsraad-resoluties. Het EU-Hof heeft zich
                        (namelijk) bevoegd verklaard om de EU-handelingen die uitvoering geven aan
                        VN Veiligheidsraad-resoluties te toetsen aan de eerbiediging van de
                        grondrechten. Het EU-Hof is niet bevoegd de rechtmatigheid van een VN
                        Veiligheidsraad-resolutie zelf te toetsen.<noot id="n255" type="voet"><noot.nr>255</noot.nr><noot.al>HvJ EU, zaak C-402/05, Kadi.</noot.al></noot></al>
                  <al>De EU-rechter moet kunnen nagaan of de gronden voor een plaatsing op een
                        EU-sanctielijst gestaafd worden door informatie of bewijs en hij mag toetsen
                        of de grondrechten (zoals de rechten van verdediging en effectieve
                        rechterlijke bescherming) worden nageleefd. Ten minste één van de
                        aangevoerde redenen voor de plaatsing op een EU-sanctielijst, moet als
                        toereikende grondslag kunnen dienen voor dat plaatsingsbesluit. Dit wordt
                        door de EU-rechter grondig getoetst, waarbij de aangevoerde redenen voor
                        sanctionering voldoende nauwkeurig en concreet moeten zijn.<noot id="n256" type="voet"><noot.nr>256</noot.nr><noot.al>HvJ EU, gevoegde zaken C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P,
                              Kadi II, punt 130.</noot.al></noot> Het onderhavige wetsvoorstel brengt hierin geen verandering.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.2.</nr>
                    <titel>Bestuursrechtelijke rechtsbescherming</titel>
                  </kop>
                  <al>Het is algemeen wetgevingsbeleid, dat in een bijzondere wet in beginsel
                        geen bepalingen over bestuursrechtelijke rechtsbescherming worden opgenomen.
                        In beginsel wordt volstaan met het in de Awb en de Wet administratieve
                        rechtspraak BES (WarBES) neergelegde stelsel van rechtsbescherming.<noot id="n257" type="voet"><noot.nr>257</noot.nr><noot.al>Aanwijzing 5.48 van de Aanwijzingen voor de
                              regelgeving.</noot.al></noot> Zo staat de rechtsgang van bezwaar en beroep open tegen
                        aanwijzingsbeschikkingen (artikel 7.1.3), besluiten tot het opleggen van een
                        last onder bestuursdwang (artikel 7.1.4) of het opleggen van een
                        bestuurlijke boete (artikel 7.1.5). Ook staat bestuursrechtelijke
                        rechtsbescherming open tegen een besluit tot beheerovername van een
                        registergoed. Overigens de afzonderlijke beheerhandelingen die een beheerder
                        kan verrichten met betrekking tot het in beheer gekregen registergoed zijn
                        alle handelingen die volgens het burgerlijk recht tot de rechten en plichten
                        van een eigenaar behoren (zie artikel 6.1, vierde lid). Deze afzonderlijke
                        beheerhandelingen zijn derhalve geen besluiten in de zin van de Awb. Voorts
                        staat, voor het plaatsen van een aantekening in een register, de rechtsgang
                        van bezwaar en beroep open. Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen
                        een aantekening, moet hij dit kenbaar maken bij de beheerder van het
                        register. De beheerder zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan
                        dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst
                        hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling
                        daarvan aan de afzender.<noot id="n258" type="voet"><noot.nr>258</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet
                              bestuursrecht.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de
                        informatie die is gedeeld met het register te delen met de afzender,
                        voorzien van een rechtsmiddelenclausule. Omdat de beheerder van het register
                        waar oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten worden
                        geregistreerd zelf actief zorgdraagt voor een aantekening geldt de
                        doorzendplicht niet voor hem.</al>
                  <al>Wel wijkt dit wetsvoorstel op twee punten af van het algemene kader van de
                        Awb inzake rechtsbescherming. Dat betreft allereerst de rechterlijke
                        competentieverdeling, waarbij voor afdeling 5 van de Sanctiewet 1977,<noot id="n259" type="voet"><noot.nr>259</noot.nr><noot.al>Zie de artikelen 7 en artikel 11 van Bijlage 2 Awb.</noot.al></noot> de bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij de rechtbank Rotterdam
                        en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geconcentreerd blijft
                        en voor bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
                        voor dezelfde rechterlijke competentieverdeling wordt gekozen. Ook wordt
                        ervoor gekozen om de bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij de rechtbank
                        Rotterdam en het CBb te concentreren als de Minister van Economische Zaken,
                        in overeenstemming met de minister die het
                        mede aangaat, ingrijpt bij ontduiking of ondermijning (artikel 7.1.7). Ten
                        tweede wordt bij de regels over de continuïteit en afwikkeling van
                        ondernemingen administratief beroep opengesteld. Overigens verdient nog
                        opmerking dat de strafrechtelijke handhaving op het gebied van sancties
                        eveneens geconcentreerd is. Omdat de officier van justitie van het
                        functioneel parket met de vervolging van sanctieschendingen is belast, zijn
                        de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel
                        en de rechtbank Rotterdam bevoegd.<noot id="n260" type="voet"><noot.nr>260</noot.nr><noot.al>Artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van
                              Strafvordering.</noot.al></noot></al>
                  <al>Er is in dit geval een goede reden om, in afwijking van de in de Awb
                        opgenomen hoofdregel van bestuursprocesrecht, beroep bij een andere
                        rechtbank dan volgens de regels over relatieve competentie mogelijk te maken
                        en hoger beroep open te stellen bij een andere bestuursrechter dan de
                        Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hier heeft ook de Raad
                        voor de Rechtspraak toe geadviseerd. Uit het Toetsingskader wettelijke
                           concentratie<noot id="n261" type="voet"><noot.nr>261</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/toetsingskader-wettelijke-concentratie.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/toetsingskader-wettelijke-concentratie.pdf</extref></noot.al></noot> volgt dat concentratie van het beroep in eerste aanleg bij een
                        specifieke rechtbank is aangewezen als er specifieke deskundigheid is
                        vereist voor de behandeling van de beroepszaken en het gaat om een beperkt
                        aantal zaken per jaar. Verder geldt dat ook voor het aanwijzen van de
                        hogerberoepsrechter moet worden bezien of het wenselijk is niet de algemene
                        maar een van de hogerberoepsrechters bevoegd te maken. De Raad voor de
                        Rechtspraak heeft gelet hierop geadviseerd om te voorzien in een bijzondere
                        bevoegdheidsregeling voor het beroep en het hoger beroep en in verband
                        daarmee bijlage 2 bij de Awb aan te passen. Ten aanzien van de
                        bestuursorganen die in het kader van dit wetsvoorstel bevoegdheden krijgen
                        toebedeeld die vergelijkbaar zijn met die waarvoor in bijlage 2 van de Awb
                        al in concentratie is voorzien, past het volgens de Raad om deze te
                        concentreren bij de desbetreffende rechtbank en appelinstantie. Als
                        voorbeeld noemde de Raad concentratie in eerste aanleg bij de rechtbank
                        Rotterdam en in hoger beroep bij het CBb van besluiten van de AFM, DNB en
                        BFT inzake dit wetsvoorstel.</al>
                  <al>Het is daarom wenselijk om ook hier te voorzien in een bijzondere
                        competentie voor de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg en in hoger beroep
                        bij het CBb omdat er een samenhang bestaat met de Wet op het financieel
                        toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018 en ook met de Wet
                        veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames, waarvoor de rechtbank
                        Rotterdam en het CBb al bevoegd zijn. Het zou onwenselijk zijn als er in het
                        kader van dit wetsvoorstel een versnippering zou ontstaan van bevoegdheden
                        en daarmee ook een verschil in expertise. De Raad wees er verder op dat in
                        de Sanctiewet 1977 ook, en op goede gronden, al is gekozen voor deze
                           rechtsgang.<noot id="n262" type="voet"><noot.nr>262</noot.nr><noot.al>Zie in dit verband ook aanwijzing 5.50 van de Aanwijzingen voor
                              de regelgeving.</noot.al></noot> Nu de verwachting is dat dit wetsvoorstel niet tot een substantiële
                        extra instroom van zaken zal leiden is ook aan de tweede voorwaarde van het
                        hiervoor gemelde Toetsingskader voldaan, zodat er ook geen kwantitatieve
                        belemmering is voor concentratie van het beroep bij één rechtbank.</al>
                  <al>In het kader van de regels met betrekking tot de continuïteit en
                        afwikkeling van ondernemingen, wordt administratief beroep opengesteld. Uit
                        het stelsel van de Awb en de WarBES volgt dat de bezwaarschriftprocedure
                        regel en administratief beroep uitzondering is.<noot id="n263" type="voet"><noot.nr>263</noot.nr><noot.al>Aanwijzing 5.54 van de Aanwijzingen voor de
                              regelgeving.</noot.al></noot> Administratief beroep geldt alleen voor de opdrachten van een
                        aangewezen persoon. Tegen het aanwijzingsbesluit kan gewoon bezwaar en
                        beroep worden ingesteld.</al>
                  <al>Net als in het kader van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en
                        overnames die ook regels stelt over de continuïteit van ondernemingen, wordt
                        ervoor gekozen om, voor besluiten met betrekking tot de continuïteit en
                        afwikkeling van ondernemingen, de bestuursrechtelijke rechtsbescherming te
                        concentreren bij de rechtbank Rotterdam en het CBb.</al>
                  <al>Voor zover er bezwaren bestaan tegen de opdrachten van een aangewezen
                        persoon en het bestuur bijvoorbeeld van oordeel is dat een opdracht niet in
                        het belang van de betrokken onderneming is, staat tegen opdrachten van een
                        aangewezen persoon administratief beroep open bij de Minister van
                        Economische Zaken (zie artikel 5.4, vierde lid). Hiermee komt tot
                        uitdrukking dat de aangewezen persoon een bestuursorgaan is en dat een door
                        deze persoon verstrekte opdracht een beschikking in de zin van de Awb is,
                        waartegen rechtsbescherming open staat. De keuze voor administratief beroep
                        als eerste stap in het kader van rechtsbescherming hangt samen met de
                        aanwijzing die de Minister van Economische Zaken doet van de aangewezen
                        persoon: door middel van administratief beroep wordt een vorm van toezicht
                        op het handelen van de aangewezen persoon gerealiseerd. De aangewezen
                        persoon fungeert immers als ‘vooruitgeschoven bestuursorgaan’ dat binnen de
                        onderneming op operationeel niveau aanwijzingen kan geven om de belangen die
                        de Minister van Economische Zaken heeft geïdentificeerd te borgen en de
                        negatieve maatschappelijke effecten die de Minister van Economische zaken
                        onacceptabel vond te mitigeren. Het is dan ook voor de hand liggend dat als
                        eerste de Minister van Economische Zaken, die de aangewezen persoon heeft
                        aangewezen, in individuele gevallen kan corrigeren.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">6.3.</nr>
                    <titel>Rechten van betrokkenen in de zin van de AVG</titel>
                  </kop>
                  <al>De AVG voorziet in de mogelijkheid om bepaalde rechten van betrokkenen te
                        beperken, als dat gebeurt bij Unierecht of lidstatelijk recht die een
                        noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van enkele in de
                        AVG vermelde belangen. Het beperken van de rechten van betrokkenen behoeft
                        geen grondslag in dit wetsvoorstel, omdat de Uitvoeringswet Algemene
                        verordening gegevensbescherming (UAVG) hiervoor de noodzakelijke grondslagen
                        biedt. Allereerst biedt artikel 47 UAVG een algemene uitzondering op de
                        rechten van betrokkene bij openbare registers. Het inzagerecht, recht op
                        rectificatie, recht op beperking van de verwerking en de kennisgevingsplicht
                        inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking
                        zijn niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers, als
                        bij of krachtens die wet een bijzondere procedure voor de verbetering,
                        aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is geregeld.<sup /><noot id="n264" type="voet"><noot.nr>264</noot.nr><noot.al>Artikel 47, eerste lid, UAVG.</noot.al></noot> Het recht van bezwaar is geheel niet van toepassing op bij de wet
                        ingestelde openbare registers.<noot id="n265" type="voet"><noot.nr>265</noot.nr><noot.al>Artikel 47, tweede lid, UAVG.</noot.al></noot></al>
                  <al>Ten tweede voorziet artikel 41 UAVG al in de mogelijkheid voor de
                        verwerkingsverantwoordelijke om de rechten van betrokkene buiten toepassing
                        te laten wanneer dit noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van een
                        aantal daar genoemde belangen. In het stelsel van de aantekeningen in
                        registers gaat het om een taak op het gebied van toezicht, inspectie of
                        regelgeving die (al dan niet incidenteel) verband houdt met de uitoefening
                        van openbaar gezag ter waarborging van de nationale veiligheid, de
                        landsverdediging, de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de
                        vervolging van strafbare feiten, of andere belangrijke doelstellingen van
                        algemeen belang van de EU of van Nederland.<noot id="n266" type="voet"><noot.nr>266</noot.nr><noot.al>Artikel 41, eerste lid, onderdeel h, in samenhang met de
                              onderdelen a, b, d en e, UAVG.</noot.al></noot> De verwerkingsverantwoordelijke kan zodoende op basis van de UAVG de
                        rechten van betrokkene desnoods buiten toepassing laten. Naar het zich laat
                        aanzien, zal er in de regel in ieder geval reden zijn om het inzagerecht
                        buiten toepassing te verklaren. Het informatierecht en het recht op
                        rectificatie daarentegen zullen in beginsel onverkort van toepassing kunnen
                        blijven.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Uitvoering</titel>
                </kop>
                <al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoeringsaspecten van het
                     wetsvoorstel, waaronder de financiële gevolgen. Duidelijk maken welke nationale
                     instanties belast zijn met de uitvoering van bestaande en toekomstige
                     internationale sanctiemaatregelen, is essentieel om nog beter te kunnen voldoen
                     aan de eisen die gesteld worden vanuit internationale sanctiemaatregelen, en
                     dus om de daarmee beoogde resultaten te verwezenlijken. Allereerst wordt
                     ingegaan op wie de uitvoerders zijn. Vervolgens wordt ingegaan op de resultaten
                     van de uitgevoerde uitvoeringstoetsen en wat daarmee is gedaan.</al>
                <al>Op grond van de Sanctiewet 1977 zijn in sanctieregelingen verschillende
                     bevoegde instanties aangewezen die uitvoering geven aan de verschillende
                     EU-sanctieverordeningen en -besluiten. Zoals aangegeven blijft deze systematiek
                     in stand. Met dit wetsvoorstel krijgt een aantal extra organisaties een rol bij
                     de uitvoering van sancties en wordt een nieuw organisatieonderdeel, het
                     centraal meldpunt sancties, ingericht (zie daarover paragraaf 3.7). Ook wordt
                     de rol van een aantal organisaties die al betrokken zijn bij de uitvoering van
                     internationale sanctiemaatregelen op enigerlei wijze aangepast. De volgende
                     tabel bevat een vergelijking tussen de bestaande en de voorgestelde nieuwe
                     rolverdeling binnen het Nederlandse sanctielandschap.<noot id="n267" type="voet"><noot.nr>267</noot.nr><noot.al>Voor een overzicht van alle Nederlandse bevoegde autoriteiten per
                           sanctieverordening zie: <extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/a1ad9114-0c3f-4742-91c1-2863fa33e271/file" soort="URL" status="actief">file (overheid.nl)</extref>.</noot.al></noot></al>
                <table tabstyle="zebra1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" colsep="1">
                  <tgroup tgroupstyle="zebra1" cols="3" char="" charoff="50" align="left">
                    <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="85*" />
                    <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="184*" />
                    <colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="191*" />
                    <thead valign="bottom">
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Organisatie</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Huidige rol in het sanctiestelsel</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Verandering(en) bij modernisering</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </thead>
                    <tbody valign="top">
                      <row rowsep="1">
                        <entry namest="col1" nameend="col3" colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="vet">Toezicht en handhaving</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Douane</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Douane houdt toezicht op de in- en uitvoer van goederen en
                                    diensten, en controleert of goederen onder de sanctiemaatregelen
                                    vallen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Douane zal aangewezen worden als bestuursrechtelijke
                                    handhavingsinstantie.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bureau Toetsing Investeringen (BTI)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>BTI is toezichthouder op de naleving van de Europese sancties
                                    voor zover het gaat om de eigendom van of zeggenschap over
                                    niet-beursgenoteerde in Nederland gevestigde ondernemingen. Het
                                    BTI ziet erop toe dat Nederlandse ondernemingen die in eigendom
                                    zijn van, onder zeggenschap staan van, of handelen op aanwijzing
                                    van een gesanctioneerde entiteit of persoon, geen (verboden)
                                    transacties kunnen uitvoeren met een gesanctioneerde
                                    moedermaatschappij of eigenaar of minderheidsaandeelhouder. Dit
                                    houdt bijvoorbeeld in dat zo’n onderneming geen dividend mag
                                    uitkeren aan een moedermaatschappij of gelden mag ontvangen voor
                                    hun bedrijfsactiviteiten. Ook betekent dit dat elke vorm van
                                    zeggenschap door gesanctioneerde partijen over een onderneming
                                    moet worden geblokkeerd. Ook is BTI meldpunt voor de eigendom en
                                    zeggenschap van niet-beursgenoteerde ondernemingen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het BTI zal aangewezen worden als bestuursrechtelijke
                                    handhavingsinstantie. De meldingsplichten zullen overgaan naar
                                    het CMS.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Koninklijke Marechaussee</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Koninklijke Marechaussee voert onder verantwoordelijkheid
                                    van de Minister van Justitie en Veiligheid de grenscontroles aan
                                    de buitengrenzen uit. Personen die onder de sanctiemaatregelen
                                    vallen, mogen Nederland niet in.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De ILT houdt toezicht op het naleven van sanctiemaatregelen op
                                    het gebied van luchtvaart en maritieme zaken.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed controleert samen
                                    met de Douane de import en export van kunst- en
                                    cultuurgoederen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry namest="col1" nameend="col3" colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="vet">Toezicht op Sanctiewetinstellingen
                                    </nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Autoriteit Financiële Markten (AFM)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De AFM houdt toezicht op de naleving van de op grond van de
                                    Sanctiewet 1977 gestelde regels met betrekking tot het
                                    financieel verkeer door beheerders van beleggingsinstellingen,
                                    beleggingsondernemingen en aanbieders van cryptoactivadiensten.
                                    AFM ontvangt zogenoemde hit-meldingen.<noot id="n268" type="tabel"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Als een instelling constateert dat de identiteit van
                                          een relatie overeenkomt met een gesanctioneerde
                                          (rechts)persoon of entiteit, moet de instelling dit
                                          momenteel op grond van artikel 3 van de Regeling toezicht
                                          Sanctiewet 1977 onverwijld melden aan de
                                          toezichthouder.</noot.al></noot></al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>In het voorstel wordt beter aangesloten bij de definities uit
                                    de Wwft. Hierdoor wordt voorkomen dat beleggingsinstellingen of
                                    icbe’s die in Nederland gevestigd zijn buiten het toezicht
                                    vallen als hun beheerders in het buitenland gevestigd zijn. AFM
                                    ontvangt niet meer de hit-meldingen, die worden bij het centraal
                                    meldpunt sancties gedaan.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Nederlandsche Bank (DNB)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>DNB houdt toezicht op de naleving van de op grond van de
                                    Sanctiewet 1977 gestelde regels met betrekking tot het
                                    financieel verkeer door banken, wisselinstellingen,
                                    pensioenfondsen, verzekeraars, trustkantoren, elektronisch
                                    geldinstellingen, betaaldienstverleners en aanbieders van
                                    cryptodiensten. DNB ontvangt zogenoemde hit-meldingen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>DNB ontvangt niet meer de hit-meldingen, die worden bij het
                                    centraal meldpunt sancties gedaan.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Europese Centrale Bank (ECB)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De ECB houdt als financieel toezichthouder toezicht op de
                                    belangrijke banken die inbreuk maken op rechtstreeks
                                    toepasselijk Unierecht of op besluiten of verordeningen van de
                                    ECB.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bureau Financieel Toezicht (BFT)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>BFT wordt toezichthouder op het bedrijfsvoeringstoezicht voor
                                    (kandidaat-)notarissen en toegevoegd-notarissen,
                                    (register-)accountants, en belastingadviseurs. Ook zal BFT
                                    aangewezen worden als bestuursrechtelijke
                                    handhavingsinstantie.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De aangewezen deken zoals bedoeld in de Advocatenwet (de
                                    deken)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Een deken zal worden aangewezen als toezichthouder op het
                                    bedrijfsvoeringstoezicht voor advocaten.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU-NL)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De FIU-NL fungeert als meldpunt voor meldingen van
                                    ongebruikelijke transacties op grond van de Wwft. Financiële
                                    instellingen moeten verzoeken om financiële diensten of
                                    transacties waarbij gesanctioneerde personen of entiteiten
                                    betrokken zijn, op grond van het Besluit melding transacties
                                    financiering terrorisme ook melden bij de FIU-NL. Specifiek
                                    moeten financiële instellingen in het kader van het
                                    sanctieregime tegen Noord-Korea redelijke vermoedens van
                                    financiering van proliferatie melden bij de FIU-NL.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry namest="col1" nameend="col3" colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="vet">Strafrechtelijke handhaving</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Openbaar Ministerie (OM)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het OM geeft leiding aan strafrechtelijke onderzoeken naar
                                    vermeende overtredingen van sanctiemaatregelen en is belast met
                                    de vervolging daarvan. Daarvoor wordt samengewerkt met
                                    instanties zoals de politie, andere opsporingsdiensten en
                                    toezichthouders.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Door de introductie van bestuursrechtelijke handhaving zullen
                                    het OM en de bestuursrechtelijke handhavingsinstanties het
                                    boete- respectievelijk vervolgingsbeleid op elkaar af moeten
                                    stemmen, om dubbele vervolging te voorkomen.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De FIOD legt zich als opsporingsdienst toe op de
                                    strafrechtelijke handhaving van de Sanctiewet 1977. De FIOD kan
                                    onder gezag van een officier van justitie strafrechtelijk
                                    onderzoek doen naar overtredingen van de Sanctiewet 1977. Dat
                                    betreft het hele spectrum van het sanctiedomein, zoals
                                    financiële sancties en onder de sanctiemaatregelen vallende
                                    goederenbewegingen of dienstverlening. Tijdens een
                                    opsporingsonderzoek kan de FIOD beslag leggen. De FIOD is niet
                                    belast met het bevriezen van tegoeden, maar kan wel beslag
                                    leggen als tijdens een onderzoek blijkt dat een tegoed ten
                                    onrechte niet is bevroren.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry namest="col1" nameend="col3" colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="vet">Overige rollen (o.a. meldingsplichten,
                                       ontheffingen, vergunningen en beheer en bewind)
                                    </nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Financiën</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of
                                    informatie van financiële aard. Bevoegd tot ontvangen bepaalde
                                    sanctiemeldingen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Niet langer bevoegd voor de sanctiemeldingen; deze meldingen
                                    worden bij het centraal meldpunt gedaan.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Buitenlandse Zaken</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Minister van Buitenlandse Zaken krijgt de bevoegdheid om
                                    meldingen te ontvangen en daaraan verwante bevoegdheden uit te
                                    oefenen (centraal meldpunt sancties).</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
                                    (VRO)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische
                                    middelen of informatie anders dan van financiële aard voor zijn
                                    competentiegebied. Bevoegd tot ontvangen bepaalde
                                    sanctiemeldingen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Minister van VRO krijgt de bevoegdheid om een onroerende
                                    zaak die is bevroren uit hoofde van een sanctiemaatregel in
                                    beheer te (laten) nemen. Niet langer bevoegd voor de
                                    sanctiemeldingen; deze meldingen worden bij het centraal
                                    meldpunt gedaan.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Economische Zaken (EZ)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische
                                    middelen of informatie anders dan van financiële aard voor zijn
                                    competentiegebied.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Minister van EZ krijgt de bevoegdheid om (al dan niet op
                                    verzoek) een of meer personen aan te wijzen die opdrachten
                                    kunnen verstrekken aan een in Nederland gevestigde
                                    onderneming.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische
                                    middelen of informatie anders dan van financiële aard voor zijn
                                    competentiegebied. Bevoegd tot ontvangen bepaalde
                                    sanctiemeldingen.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Minister van IenW krijgt de bevoegdheid om teboekgestelde
                                    schepen of luchtvaartuigen die zijn bevroren uit hoofde van een
                                    sanctiemaatregel in beheer te (laten) nemen. Niet langer bevoegd
                                    voor de sanctiemeldingen; deze meldingen worden bij het centraal
                                    meldpunt gedaan.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>RVO heeft een Sanctieloket Rusland dat is bedoeld voor
                                    ondernemers die te maken hebben met de sancties tegen Rusland en
                                    Belarus, en met andere gevolgen van de oorlog in Oekraïne. Het
                                    loket bevat informatie over de diverse sancties. Daarnaast heeft
                                    het Sanctieloket Rusland ook een apart telefoonnummer voor
                                    ondernemers die persoonlijk advies of steun nodig hebben. RVO
                                    verzorgt het voorportaal (<nadruk type="cur">front
                                       office</nadruk>) van het Loket Kennisveiligheid (de
                                    backoffice stemt af met vertegenwoordigers van de betrokken
                                    ministeries).</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Onderdeel van RVO is het Octrooicentrum Nederland. Het
                                    Octrooicentrum Nederland krijgt als beheerder van het register
                                    voor de depots van oorspronkelijke topografieën van
                                    halfgeleiderprodukten de bevoegdheid om een aantekening te maken
                                    van een relatie die bestaat tussen een chipsrecht en een
                                    gesanctioneerde persoon of entiteit.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry namest="col1" nameend="col3" colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="vet">Beheerders van openbare
                                    registers</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Kamer van Koophandel (KvK)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De KvK is bevoegd om bij in het Handelsregister ingeschreven
                                    onderneming of rechtspersoon een aantekening op te nemen van een
                                    relatie die bestaat tussen enig in het Handelsregister opgenomen
                                    gegeven over die onderneming of rechtspersoon en natuurlijke
                                    personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen
                                    verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of
                                    lichamen, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU)
                                    nr. 269/2014.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De bevoegdheid van de KvK wordt verbreed tot de bevoegdheid om
                                    bij een in het Handelsregister (waaronder het UBO-register)
                                    ingeschreven onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
                                    belanghebbende of in het UBO-trustregister geregistreerde trust
                                    of geregistreerde uiteindelijk belanghebbende van een trust een
                                    aantekening op te nemen van een relatie die bestaat tussen een
                                    in het Handelsregister opgenomen gegeven over die onderneming,
                                    rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende en gesanctioneerde
                                    entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen zijn
                                    bevroren of waarvan het aangaan of voortzetten van de
                                    economische of financiële betrekkingen beperkt of verboden
                                    is.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Dienst voor het Kadaster en de openbare registers</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Dienst voor het Kadaster en de openbare registers is bevoegd
                                    om in de basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen
                                    en de registratie voor luchtvaartuigen een aantekening te
                                    stellen als het een registergoed betreft dat bevroren moet
                                    worden op grond van artikel 2, eerste lid, van Verordening (EU)
                                    nr. 269/2014.</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De bevoegdheid van de Dienst voor het Kadaster en de openbare
                                    registers wordt verbreed tot de bevoegdheid om in de
                                    basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen en de
                                    registratie voor luchtvaartuigen een aantekening te stellen als
                                    het een registergoed betreft dat bevroren is of moet worden op
                                    grond van een sanctiemaatregel.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Minister van Economische Zaken (ruimtevoorwerpenregister)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Minister van EZ krijgt als beheerder van het
                                    ruimtevoorwerpenregister de bevoegdheid daarin een aantekening
                                    op te nemen als er sprake is van een relatie tussen dat
                                    geregistreerd ruimtevoorwerp en gesanctioneerde entiteiten
                                    waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren of
                                    waarvan het aangaan of voortzetten van de economische of
                                    financiële betrekkingen beperkt of verboden is.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Raad voor Plantenrassen</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Geen</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Raad voor Plantenrassen krijgt de bevoegdheid een
                                    aantekening op te nemen in het nationaal rassenregister bij het
                                    ras waarvoor een kwekersrecht is verleend, als er sprake is van
                                    een relatie tussen dat geregistreerde ras en kwekersrecht en
                                    gesanctioneerde entiteiten waarvan de tegoeden en economische
                                    middelen zijn bevroren of waarvan het aangaan of voortzetten van
                                    de economische of financiële betrekkingen beperkt of verboden
                                    is.</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </tbody>
                  </tgroup>
                </table>
                <al>Mede naar aanleiding van het rapport van de Nationaal Coördinator heeft het
                     Ministerie van Buitenlandse Zaken de nationale coördinerende rol ten aanzien
                     van sancties versterkt. Er is een nauwere Rijksbrede samenwerking opgebouwd
                     waarin alle organisaties met een rol in sanctienaleving bijdragen vanuit hun
                     eigen verantwoordelijkheid. Om een doeltreffend, geïntegreerd en samenhangend
                     handhavingssysteem op het gebied van de uitvoering van sancties te
                     bewerkstelligen, werken deze organisaties met elkaar samen in de uitvoering van
                     hun sanctietaken. Daarvoor wisselen bevoegde autoriteiten ook onderling
                     informatie uit voor operationele en strategische doeleinden (zie ook paragraaf
                     3.6). Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het bewerkstelligen van effectieve
                     handhaving bij overtredingen, effectieve (internationale) samenwerking op het
                     gebied van opsporing, vervolging, het verlenen van ontheffingen en het opzetten
                     van nieuwe vormen van samenwerking en uitvoering. Een voorbeeld van dit laatste
                     is het door de Ministerraad in november 2022
                     ingestelde Samenwerkingsplatform Sanctienaleving (SPS). In het SPS komen de
                     overheidspartners met een rol in de sanctienalevingsketen regelmatig bijeen om
                     casuïstiek te delen, dubbel werk te voorkomen en gegevensuitwisseling tussen de
                     sanctiepartners te bevorderen. Tot slot werken veel van de betrokken instanties
                     ook bilateraal samen en in andere bestaande verbanden, zoals het FEC en de iCOV
                     (zie ook paragraaf 5.1).</al>
                <al>Uitvoeringsorganisaties waarvoor het wetsvoorstel ingrijpende gevolgen heeft,
                     zijn gevraagd een uitvoeringstoets te doen. De resultaten van de ontvangen
                     uitvoeringstoetsen en wat hiermee is gedaan, worden hieronder besproken. Voor
                     de financiële gevolgen geldt dat bij de Voorjaarsbesluitvorming 2025
                     structureel EUR 36,5 miljoen is vrijgemaakt voor de instandhouding en verdere
                     versterking van de sanctienaleving in Nederland. Deze middelen zijn deels ook
                     bedoeld voor al lopende financieringsbehoeften voor toezicht op en de
                     handhaving van de sanctieverordeningen. De middelen zĳn toegevoegd aan de
                     begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als coördinerend
                     departement. Van deze middelen wordt oplopend tot structureel 31 miljoen euro
                     overgeboekt naar andere departementen.<noot id="n269" type="voet"><noot.nr>268</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-36725-1" soort="document" status="actief">36 725, nr. 1</extref>, p. 65–66.</noot.al></noot> Met de resterende middelen op de begroting van het Ministerie van
                     Buitenlandse Zaken wordt het centraal meldpunt sancties ingericht. In het
                     volgende overzicht is te zien welk bedrag voor welke instantie beschikbaar
                     komt:</al>
                <table tabstyle="zebra1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" colsep="1">
                  <tgroup tgroupstyle="zebra1" cols="7" char="" charoff="50" align="left">
                    <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="151*" />
                    <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="54*" />
                    <colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="54*" />
                    <colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="54*" />
                    <colspec colnum="5" colname="col5" colwidth="54*" />
                    <colspec colnum="6" colname="col6" colwidth="54*" />
                    <colspec colnum="7" colname="col7" colwidth="54*" />
                    <thead valign="bottom">
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0" />
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2025</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2026</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col4" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2027</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col5" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2028</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col6" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2029</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="right" colname="col7" morerows="0" rotate="0">
                          <al>2030</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </thead>
                    <tbody valign="top">
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" thscope="row" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bureau Financieel Toezicht (BFT) en Nederlandse Orde van
                                    Advocaten (NOvA) – (J&amp;V)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>–</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    600</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col4" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    2.200</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col5" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    2.200</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col6" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    2.200</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col7" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    2.200</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" thscope="row" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Bureau Toetsing Investeringen (BTI) – (EZ)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>–</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    280</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col4" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    580</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col5" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    580</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col6" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    580</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col7" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    580</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" thscope="row" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Centraal Meldpunt Sancties (CMS) – (BZ)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    1.100</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    1.100</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col4" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    5.500</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col5" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    5.500</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col6" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    5.500</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col7" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    5.500</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" thscope="row" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Kamer van Koophandel (KvK) – (EZ)</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    512</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col3" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    62</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col4" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    62</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col5" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    62</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col6" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    62</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="bottom" align="right" colname="col7" morerows="0" rotate="0">
                          <al>€
                                    62</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </tbody>
                  </tgroup>
                </table>
                <table tabstyle="zebra1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" colsep="1">
                  <tgroup tgroupstyle="zebra1" cols="2" char="" charoff="50" align="left">
                    <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="85*" />
                    <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="369*" />
                    <thead valign="bottom">
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Organisatie</al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Resultaten en opvolging uitvoeringstoetsen</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </thead>
                    <tbody valign="top">
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Autoriteit Financiële Markten
                                    (AFM)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De AFM verwacht in staat te zijn zonder extra capaciteit
                                    uitvoering te kunnen geven aan het wetsvoorstel. Als een grotere
                                    inzet voor de uitvoering van het wetsvoorstel nodig mocht zijn,
                                    zal deze verhoogde inzet ten koste gaan van andere
                                    toezichtactiviteiten van de AFM op het terrein van de Wwft en de
                                    Sanctiewet 1977.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Bureau Financieel Toezicht
                                    (BFT)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het BFT concludeert de uitbreiding van het toezicht
                                    uitvoerbaar, maar pleit tegen het opnemen van
                                    ontheffingsmogelijkheden vanwege praktische bezwaren. Hieraan is
                                    tegemoetgekomen. In artikel 10b, derde lid, van de Sanctiewet
                                    1977 was een ontheffingsmogelijkheid opgenomen van de regels die
                                    zijn gesteld voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de
                                    administratieve organisatie en interne controle. Deze
                                    ontheffingsmogelijkheid is geschrapt.</al>
                          <al>Het BFT moet beschikken over voldoende middelen (ca 0,9 mln
                                    structureel) en capaciteit om de uitbreiding van de
                                    toezichtswerkzaamheden effectief uit te voeren.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Bevorderen van compliant
                                    gedrag</nadruk>
                          </al>
                          <al>Om invulling te kunnen geven aan het bedrijfsvoeringstoezicht
                                    zullen regels worden vastgesteld conform artikel 10b van de
                                    Sanctiewet 1977, waarbij samenwerking met andere toezichthouders
                                    wordt nagestreefd voor een uniforme uitvoering. Daarnaast zal er
                                    voorlichting worden gegeven aan de onder toezicht staande
                                    instellingen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Toezichtsonderzoeken</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het BFT zal risicogestuurde onderzoeken uitvoeren, waarbij
                                    gekeken wordt naar de naleving van de Sanctiewet 1977 op basis
                                    van eigen analyses en ontvangen signalen. Naast deze onderzoeken
                                    zullen schriftelijke en deelonderzoeken worden uitgevoerd die
                                    zich richten op specifieke aspecten van de wet.</al>
                          <al>In het kader van de toezicht- en handhavingstaken zal het BFT
                                    gebruik gaan maken van de volgende interventie-instrumenten:
                                    onderzoeksrapporten (beoordeling van rapportages door de
                                    afdeling Juridische Zaken), formele afdoeningen (aanwijzingen
                                    aan instellingen die niet voldoen aan verplichtingen), lasten
                                    onder dwangsom en bestuurlijke boetes voor overtredingen,
                                    publicatie van sancties en procedures voor bezwaar en beroep,
                                    tuchtrechtelijke klachten (toezicht op notarissen en
                                    accountants, met mogelijkheid tot tuchtklachten) en informele
                                    afdoeningen (zoals normoverdragende gesprekken en
                                    waarschuwingen).</al>
                          <al>BFT heeft aangegeven dat voor de uitvoering van het
                                    wetsvoorstel aanvullende capaciteit en financiële middelen
                                    benodigd zijn. Hierin is onderscheid gemaakt tussen éénmalige en
                                    structurele middelen. De eenmalige activiteiten betreffen
                                    personele inzet (opstellen van regelgeving/leidraad, herziening
                                    werkprocessen, opstellen voorlichtende documentatie, aanpassen
                                    van de website) en de ondersteunende werkzaamheden. Totaal wordt
                                    hiervoor in
                                    2025
                                    € 262.000 geraamd.</al>
                          <al>De structurele activiteiten (vanaf 2027) voor de uitvoering van
                                    het wetsvoorstel worden begroot op tenminste 6,2 fte
                                    (€ 908.000/jaar). Dit betreft medewerkers voor voorlichting,
                                    analyse, onderzoek, handhaving en ondersteuning. In de praktijk
                                    zal er sprake zijn van gefaseerde groei. Het eerste jaar zal
                                    vooral gericht zijn op voorlichting, schriftelijke onderzoeken
                                    en informele handhavingsinterventies. Na verloop van tijd zullen
                                    de integrale onderzoeken en formele handhavingsinterventies
                                    toenemen. De extra geraamde gelden benodigd voor de nieuwe taak
                                    bedragen in
                                    2025
                                    € 545.000, in
                                    2026
                                    € 727.000 en in 2027 en
                                    volgende
                                    € 908.000.</al>
                          <al>Voor het bepalen van de kosten is het vertrekpunt de
                                    Handleiding Overheidstarieven (HOT) 2024 (november 2023) van het
                                    Ministerie van Financiën én ramingen gebaseerd op de situatie in
                                    2024. Ontwikkelingen vanaf 2025 (bijvoorbeeld loonstijgingen)
                                    zijn niet meegenomen. Wel zijn ontwikkelingen (bijvoorbeeld
                                    nieuwe CAO) in 2024 meegenomen. Zie onderstaande tabel voor de
                                    fte-verdeling vanaf 2027.</al>
                          <al>
                            <plaatje>
                              <illustratie kleur="nee" type="lijn" uitlijning="start" formaat="png" naam="stcrt-2026-10692-002.png" breedte="114mm" hoogte="19mm" />
                            </plaatje>
                          </al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Bureau Toetsing Investeringen (BTI)
                                    </nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het wetsvoorstel geeft aanvullende bestuursrechtelijke
                                    bevoegdheden aan de Minister van Economische Zaken en in het
                                    bijzonder aan de ambtenaren van BTI. Zij zullen daarmee naar het
                                    oordeel van BTI beter zijn toegerust om de taak van
                                    toezichthouder op de naleving van sancties te verrichten.
                                    Daarmee wordt de uitvoering en toezicht op de naleving van de
                                    internationale sanctieregimes verbeterd en versterkt. Het
                                    wetsvoorstel leidt tevens tot extra verantwoordelijkheden zoals
                                    bijvoorbeeld bij de verwerking van persoonsgegevens en bij de
                                    aanwijzing van bewindvoerders. Deze extra bevoegdheden en
                                    verantwoordelijkheden moeten worden geregeld, maar zijn beslist
                                    uitvoerbaar voor de Minister van Economische Zaken.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Meldingen</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het BTI verwacht dat meldingen die voorheen bij het BTI
                                    meldpunt sancties werden ingediend – bij het centraal meldpunt
                                    sancties zullen worden gedaan. Het gaat om een minimaal aantal
                                    meldingen (circa 10) dat een te verwaarlozen impact had op de
                                    omvang van de werkzaamheden van BTI.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Continuïteit en afwikkeling van
                                       ondernemingen</nadruk>
                          </al>
                          <al>De Minister van Economische Zaken wijst een bewindvoerder aan
                                    bij een in Nederland gevestigde onderneming. Dit zal leiden tot
                                    nieuwe en aanvullende werkzaamheden voor het BTI Sanctieteam en
                                    de directie Wetgeving Juridische Zaken (WJZ) van het Ministerie
                                    van Economische Zaken. Het gaat hierbij om het beoordelen van
                                    verzoeken van ondernemingen, het adviseren daarover, het
                                    selecteren en aanwijzen van bewindvoerders en het scherp
                                    toezicht houden op geselecteerde ondernemingen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Aanwijzing van toezichthouders</nadruk>
                          </al>
                          <al>Momenteel zijn de ambtenaren van BTI op grond van de Regeling
                                    toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 aangewezen om
                                    toezicht te houden op de naleving van de sancties voor zover het
                                    gaat om de eigendom van of zeggenschap over niet-beursgenoteerde
                                    ondernemingen. Het wetsvoorstel geeft nieuwe bevoegdheden aan
                                    toezichthouders zoals het geven van een aanwijzingsbeschikking,
                                    het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen
                                    van een bestuurlijke boete. Deze nieuwe taken zullen moeten
                                    worden geregeld in de bedrijfsvoering van BTI.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Gegevensverwerking en
                                    -verstrekking</nadruk>
                          </al>
                          <al>De gegevensverwerking en verstrekking zijn nadrukkelijk van
                                    toepassing op het Ministerie van Economische Zaken en geven aan
                                    de ambtenaren van BTI meer duidelijkheid over bevoegdheden en
                                    verplichtingen. Het toepassen van deze bevoegdheden en het
                                    verwerken van gegevens leidt tot een extra beroep op de
                                    capaciteit van BTI.</al>
                          <al>De inzet van het Ministerie van Economische Zaken en BTI gaat
                                    niet slechts om de huidige sanctieregimes tegen Rusland en
                                    Belarus, maar ook om andere sanctieregimes waarbij toezicht op
                                    eigendom en zeggenschap van Nederlandse ondernemingen geldt. Het
                                    wetsvoorstel zal leiden tot extra inzet op toezicht door BTI en
                                    tot extra coördinatie tussen BTI en Beleidsdirecties van het
                                    Ministerie van Economische Zaken. Ook vergt dit extra capaciteit
                                    van WJZ.</al>
                          <al>In 2026
                                    zal
                                    €280.000 nodig zijn om voor te kunnen bereiden op de extra taken
                                    die het BTI in 2027 toebedeeld zal krijgen.</al>
                          <al>Het Ministerie van Economische Zaken schat dat met ingang van
                                    het wetsvoorstel – waarbij is uitgegaan van uitvoering
                                    wettelijke verplichting per 2027 – structureel een intensivering
                                    ter waarde van ongeveer 580.000 EUR benodigd zal zijn (4 FTE).
                                    Deze intensivering betreft de uitvoering van additionele
                                    wettelijke taken: de uitbreiding van de bestuursrechtelijke
                                    bevoegdheden van het BTI, onderdeel sanctienaleving, waaronder
                                    bijvoorbeeld het aanstellen van bewindvoerders bij bedrijven. Om
                                    effectiviteit van de modernisering van de Sanctiewet 1977 en van
                                    de naleving van de sanctieverordeningen te vergroten, zal het
                                    BTI (onderdeel sanctienaleving) pro-actiever gaan toezicht
                                    houden (denk hierbij bijvoorbeeld aan het uitvoeren van
                                    quick-scans bij aankondiging van mogelijke nieuwe <nadruk type="cur">listings</nadruk>, voordat die in werking treden).
                                    Risico’s van onvoldoende intensivering zijn ondermijning van de
                                    effectiviteit van de sancties en mogelijke negatieve
                                    consequenties voor het Nederlandse bedrijfsleven.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Centraal meldpunt sancties </nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De benodigde kosten voor het centraal meldpunt sancties worden
                                    tijdens de aanloopperiode geschat op in
                                    totaal
                                    € 2,2 miljoen
                                    (€ 1,1 mln in 2025 en 2026, daarna (vanaf 2027) bedragen de
                                    jaarlijkse kosten naar
                                    verwachting
                                    € 5,5 miljoen.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">De Nederlandsche Bank (DNB)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>DNB concludeert dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is en geen
                                    grote handhavingscomplicaties met zich brengt. DNB doet daarbij
                                    enkele inhoudelijke aanbevelingen, waaronder: verbreding van de
                                    reikwijdte van bepaalde artikelen in het wetsvoorstel, het
                                    opnemen van een duidelijke regeling voor het toezicht op de
                                    naleving van meldingsplichten, aanpassingen in de
                                    informatieverstrekking door het centraal meldpunt sancties aan
                                    DNB en wijzigingen in de meldingsplichten in bestaande
                                    regelgeving om het centraal meldpunt sancties als centraal
                                    meldpunt te integreren. Een aantal van deze punten is verwerkt
                                    in het wetsvoorstel. Verschillende punten over het centraal
                                    meldpunt sancties worden meegenomen in de uitwerking van dit
                                    meldpunt.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Continuïteit en afwikkeling van
                                       ondernemingen</nadruk>
                          </al>
                          <al>DNB merkt op dat in de bepalingen over de continuïteit en
                                    afwikkeling van ondernemingen alleen de Wet op het financieel
                                    toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018 worden genoemd.
                                    DNB adviseert ook relevante andere wetten, zoals de Pensioenwet
                                    en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, op te nemen om de
                                    reikwijdte te verbreden. Hier is gevolg aan gegeven.</al>
                          <al>Er wordt ook gesuggereerd dat de bevoegdheden van DNB en de
                                    Minister van Economische Zaken duidelijker gedefinieerd moeten
                                    worden, zodat er overeenstemming is over het uitoefenen van
                                    bevoegdheden met betrekking tot onder toezicht staande
                                    instellingen. Deze aanbeveling is overgenomen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Wijzigingen van de Sanctiewet
                                    1977</nadruk>
                          </al>
                          <al>De voorgestelde aanpassingen in het toezicht op de
                                    bedrijfsvoering verduidelijken volgens DNB haar rol als
                                    toezichthouder. DNB adviseert om de formulering in de wet zo aan
                                    te passen dat duidelijk wordt dat DNB verantwoordelijk is voor
                                    het toezicht op naleving van sancties in het financiële verkeer.
                                    Dit is opgepakt door in afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 (die
                                    blijft doorbestaan tot de tweede tranche deze intrekt) zo aan te
                                    passen dat daaruit de verantwoordelijk toezichthouders
                                    blijken.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">De deken in het eigen arrondissement op
                                       grond van de Advocatenwet (de deken) </nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Nederlandse Orde van advocaten (hierna: ‘NOvA’) heeft samen
                                    met de dekens (toezichthouder op de advocatuur) en met input van
                                    het college van toezicht (hierna: ‘CvT’) een uitvoeringstoets
                                    opgesteld. Een door de algemene raad van de Nederlandse orde van
                                    advocaten bij besluit aan te wijzen deken wordt als
                                    toezichthouder aangewezen.</al>
                          <al>Uit de uitvoeringstoets kan worden opgemaakt dat de nieuwe
                                    bevoegdheden en verplichtingen voortvloeiende uit het
                                    wetsvoorstel, leiden tot een toename van zowel personele als
                                    materiële kosten bij de toezichthouder, de NOvA en de
                                    advocatenkantoren tezamen.</al>
                          <al>De regeldruk en de impact van dit wetsvoorstel op de advocatuur
                                    is groot. Het stevig aan te passen toezichtmodel (terwijl een
                                    transitie naar een nieuw toezicht op de advocatuur aanstaand
                                    lijkt), het nieuwe stelsel van bedrijfsvoeringsregels – waarbij
                                    het CvT een nieuwe rol erbij krijgt – en een nieuw centraal
                                    meldpunt, zullen extra kosten meebrengen</al>
                          <al>Volgens de NOvA wijkt het wetsvoorstel fundamenteel af van het
                                    huidige systeem van toezicht dat is opgenomen in de
                                    Advocatenwet, door uit te gaan van aanwijzing van één deken die
                                    toezicht zal gaan houden, in plaats van de in de Advocatenwet
                                    huidige neergelegde systematiek van aanwijzing van de deken per
                                    arrondissement als toezichthouder. De deken van de Orde van
                                    Advocaten in het arrondissement waarbinnen een advocaat kantoor
                                    houdt, is immers de wettelijk toezichthouder.<noot id="n270" type="tabel"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Zie artikel 45a Advocatenwet.</noot.al></noot> In reactie hierop is om moverende redenen gekozen voor
                                    het aanwijzen van één deken door de algemene raad van de
                                    Nederlandse orde van advocaten. Zoals in paragraaf 3.8 is
                                    aangegeven is goed uitlegbaar om bij een gespecialiseerd
                                    onderwerp zoals het naleven van sancties kennis en
                                    toezichtervaring te concentreren.</al>
                          <al>Daarnaast wordt in het voorgestelde artikel 10b van de
                                    Sanctiewet 1977 de regelgevende bevoegdheid ten aanzien van de
                                    bedrijfsvoering bij het CvT belegd. Deze
                                    regelgevingsbevoegdheid- strookt volgens de NOvA niet met de
                                    wettelijk verankerde verdeling van bevoegdheden. In deze
                                    verdeling heeft de NOvA als publiekrechtelijke
                                    beroepsorganisatie tot taak, door middel van verordeningen, voor
                                    advocaten verbindende regels te creëren en ziet de deken als
                                    toezichthouder toe op naleving van deze bepalingen.<noot id="n271" type="tabel"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Zie artikel 28 Advocatenwet.</noot.al></noot> Het CvT is systeemtoezichthouder en kan vanuit die rol
                                    beleidsregels voor de uitoefening van het toezicht
                                    vaststellen.</al>
                          <al>De dekens en de NOvA adviseren om het voorstel aan te laten
                                    sluiten bij de huidige systematiek van de Advocatenwet, door in
                                    het voorgestelde artikel 9a Sw de deken in de zin van artikel
                                    22, tweede lid, Advocatenwet aan te wijzen als toezichthoudende
                                    instantie en het College van Afgevaardigden (CvA) de bevoegdheid
                                    te geven om nadere regels te stellen in het voorgestelde artikel
                                    10b Sw. In reactie hierop is ervoor gekozen om aan te sluiten
                                    bij de Wwft systematiek. Op grond van artikel 28, vijfde lid,
                                    Advocatenwet is, kortgezegd, bepaald dat de CVA geen
                                    verordeningen vaststelt ten aanzien van de uitoefening van het
                                    Wwft-toezicht door de deken. In onderhavig wetsvoorstel wordt,
                                    gezien de samenhang tussen de naleving van de Wwft en de
                                    Sanctiewet 1977, deze lijn doorgetrokken. Om die reden is ervoor
                                    gekozen om de bevoegdheid nadere regels te stellen bij het CvT
                                    te beleggen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Toezichtstructuur</nadruk>
                          </al>
                          <al>In beginsel wordt uitgegaan van nalevingstoezicht door een,
                                    door de algemene raad aan te wijzen, deken (hierna: ‘de
                                    deken’) en van bedrijfsvoeringsregels die door het CvT zijn
                                    opgesteld.</al>
                          <al>Naast het bestaande tuchtrecht heeft de deken toegang tot
                                    bestuursrechtelijke middelen en zal deze steeds vaker gebruiken.
                                    In het geval één aangewezen deken de bevoegdheid krijgt dit
                                    toezicht uit te oefenen, rijst de vraag welke Raad van
                                    Discipline bevoegd is om de tuchtrechtelijke kwesties van deze
                                    deken te behandelen. Daarnaast rijst de vraag of de aangewezen
                                    deken mee kan klagen met een andere deken bij een cumulatieve
                                    normschending van de betrokken advocaat.</al>
                          <al>Wat betreft de wetgeving en beleid, moet de Advocatenwet worden
                                    aangepast om de nieuwe bevoegdheden van de deken en de
                                    samenwerking tussen verschillende arrondissementen te
                                    verduidelijken.</al>
                          <al>Ten aanzien van de expertise op het gebied van de (veelal
                                    internationale) sanctieregelgeving en de toepassing ervan in het
                                    toezichtkader, zal een kenniscentrum moeten worden belegd bij de
                                    betreffende deken. Denkbaar is dat deze expertise centraal
                                    belegd wordt bij de Landelijke Organisatie Toezicht
                                    Advocatuur.</al>
                          <al>Daarnaast zullen de huidige ICT-systemen aangepast moeten
                                    worden om de nieuwe toezichtsstructuren te ondersteunen, vooral
                                    om gegevens uit verschillende arrondissementen toegankelijk te
                                    maken voor de deken.</al>
                          <al>De financiële gevolgen voor de arrondissementsdeken worden door
                                    de markt (advocatuur) bekostigd en komen derhalve niet ten laste
                                    van de Rijksbegroting.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Douane</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De impact van het wetsvoorstel op de Douane is beperkt. Voor de
                                    Douane zijn met name de introductie van bestuursrechtelijke
                                    handhaving, het mogelijk maken van beheer en bewind van
                                    (langdurig) bevroren tegoeden en economische middelen en het
                                    verder verbeteren van de mogelijkheden om informatie uit te
                                    wisselen van belang. Het wetsvoorstel zoals dat aan de Douane
                                    ter toets was voorgelegd, bevatte de mogelijkheid om de Douane
                                    in een sanctiebesluit of sanctieregeling aan te wijzen als
                                    bestuursorgaan dat bestuursrechtelijk handhavend kan optreden
                                    tegen overtredingen van sanctiemaatregelen. Voordat deze
                                    mogelijkheid kan worden geëffectueerd, zal volgens de Douane
                                    eerst wel een aantal (implementatie-)vragen beantwoord moeten
                                    worden. Als de Douane als toezichthouder wordt aangewezen om
                                    bestuursrechtelijk te handhaven, zorgt dit volgens de Douane
                                    voor een structuurwijziging die 12–24 maanden vraagt.</al>
                          <al>Mede op basis van deze uitvoeringstoets van de Douane en nader
                                    overleg tussen de Douane en het Ministerie van Buitenlandse
                                    Zaken, is de structuur van de bepalingen over
                                    bestuursrechtelijke handhaving aangepast. De Douane wordt in het
                                    wetsvoorstel direct aangewezen als bestuursrechtelijke
                                    handhavingsinstantie.</al>
                          <al>De bepalingen ten aanzien van beheer en bewind en
                                    informatie-uitwisseling hebben geen wezenlijk effect op de
                                    Douane.</al>
                          <al>Het wetsvoorstel brengt ook enige uitvoeringskosten voor de
                                    Douane met zich.</al>
                          <al>Voor het opleggen van bestuurlijke boetes heeft de Douane 2 fte
                                    (€ 262.000) nodig vanaf 2027. Verder is voor het behandelen van
                                    bezwaren 1 fte
                                    (€ 131.000) benodigd vanaf 2027.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">De Dienst voor het Kadaster en de openbare
                                       registers (het Kadaster)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het wetsvoorstel is voor het Kadaster uitvoerbaar. De
                                    aantekenbevoegdheid van de bewaarder op grond van het
                                    wetsvoorstel past bij de aantekenbevoegdheden die de bewaarder
                                    (al) heeft op grond van de Kadasterwet. Verder zijn er
                                    vooralsnog geen wijzigingen of aanpassingen nodig in de
                                    ICT-systemen van het Kadaster en zijn de personele gevolgen te
                                    overzien.</al>
                          <al>Van de Kamer van Koophandel (KvK) of de inspecteur en ontvanger
                                    (Belastingdienst) ontvangt de bewaarder informatie die het
                                    mogelijk maakt voor de bewaarder om een aantekening te plaatsen
                                    in de kadastrale registraties. De bewaarder hoeft zelf geen
                                    onderzoek (te) doen naar de juistheid van de informatie. Hij mag
                                    ontvangen informatie alleen gebruiken voor het stellen van een
                                    aantekening. De bewaarder mag (ook) op basis van de
                                    sanctielijsten zelf overgaan tot het plaatsen van een
                                    aantekening.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Organisatorische aspecten
                                       (werkprocessen)</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het wetsvoorstel heeft impact op de werkprocessen van het
                                    Kadaster. Hoewel de bewaarder inmiddels enigszins bekend is met
                                    het (kunnen) stellen van aantekeningen in de registraties naar
                                    aanleiding van de sancties tegen Rusland in verband met de
                                    oorlog in Oekraïne, zijn hierbij nog de volgende aandachtspunten
                                    te benoemen.</al>
                          <al>Volgens het Kadaster zouden updates van sanctielijsten aan de
                                    bewaarder gemeld moeten worden door degene die hierover gaat.
                                    Dit zou centraal gecoördineerd moeten worden waardoor meteen
                                    alle betrokken instanties geïnformeerd zijn. De regering
                                    begrijpt deze wens, maar ziet zulke centrale coördinatie als een
                                    onnodige vertraging tussen de aanpassing van een sanctielijst en
                                    de doorvoering van de aanpassing door het Kadaster. De
                                    actualisaties van sanctielijsten zijn bovendien al centraal
                                    beschikbaar via het Publicatieblad van de EU. Naar het oordeel
                                    van de regering zou het Kadaster zich eenvoudig kunnen
                                    inschrijven voor notificaties van actualisaties van de
                                    zogenoemde <nadruk type="cur">consolidated list.</nadruk></al>
                          <al>Volgens het Kadaster zou het zo moeten zijn dat de bewaarder
                                    alleen informatie over rechtspersonen geleverd krijgt wanneer
                                    sprake is van een rechtspersoon waarin een gesanctioneerde een
                                    overwegend belang heeft en het onroerend goed van die
                                    rechtspersoon daardoor bevroren moet worden. Dan is duidelijk
                                    voor de bewaarder (‘zonder twijfel’) dat als de informatie van
                                    de KvK/Belastingdienst een treffer oplevert in de registraties
                                    van het Kadaster, er terstond een aantekening gesteld moet
                                    worden. En dan zou het ook zo moeten zijn dat als er géén sprake
                                    meer is van een overwegend belang van een gesanctioneerde, dit
                                    aan de bewaarder wordt gemeld waardoor de aantekening terstond
                                    ongedaan gemaakt kan worden.</al>
                          <al>In de toelichting staat dat als er geen sprake meer is van een
                                    bevroren registergoed, de aantekening wordt verwijderd. In het
                                    voorgelegde voorgestelde artikel 118b van de Kadasterwet was
                                    echter niet opgenomen op basis van welke informatie dit kan/moet
                                    plaatsvinden respectievelijk welke instantie hierover informatie
                                    doorgeeft aan de bewaarder zodat de aantekening kan worden
                                    verwijderd. Bovendien was in het betreffende artikel ook <nadruk type="cur">de bevoegdheid</nadruk> van de bewaarder om de
                                    aantekening te verwijderen, niet opgenomen. Dit was voor KvK en
                                    de beheerder van het UBO-register wel geregeld. Het Kadaster
                                    achtte het dan ook wenselijk dat de wetgever op dit punt het
                                    voorstel en/of de toelichting aanvult. Het voorgestelde artikel
                                    118b van de Kadasterwet is aangepast om aan de bovenstaande
                                    kritiekpunten van het Kadaster op de eerdere versie van het
                                    wetsontwerp tegemoet te komen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Gegevensuitwisseling
                                       afnemers/ketenpartners</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het wetsvoorstel heeft <nadruk type="cur">in beginsel</nadruk>
                                    geen consequenties voor de afnemers/ketenpartners van het
                                    Kadaster. In verband met komende wetgeving is voor de
                                    aantekening van bevroren registertegoeden nog wel een
                                    aandachtspunt. In de toelichting staat dat de aantekening
                                    bedoeld is om een relatie kenbaar te maken tussen een
                                    gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of
                                    lichaam en het voorwerp van de registratie met het oogmerk een
                                    verhoogde en verbeterde naleving van de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit internationale sanctiemaatregelen. Die
                                    verplichtingen gelden in beginsel voor alle burgers, bedrijven
                                    en overheidspartijen. Met ingang van de voorgestelde wijziging
                                    van het Kadasterbesluit in verband met het beperken van de
                                    zoekingang op naam,<noot id="n272" type="tabel"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://www.internetconsultatie.nl/kadasterbesluitmaatregelen/b1" soort="URL" status="actief">https://www.internetconsultatie.nl/kadasterbesluitmaatregelen/b1</extref>.</noot.al></noot> is het op termijn niet meer voor eenieder mogelijk om in
                                    de registers van het Kadaster te kunnen zoeken op naam. Dit
                                    betekent dat het voor burgers en diverse bedrijven lastiger
                                    wordt om te ontdekken of een natuurlijke persoon met wie zij
                                    zaken willen doen, een gesanctioneerde is met een bevroren
                                    registergoed op naam, omdat zij aan de hand van de naam van een
                                    natuurlijke persoon, niet meer de registers van het Kadaster
                                    kunnen bevragen. Dit is naar het oordeel van de regering geen
                                    belemmering omdat de personen die het Kadaster ten behoeve van
                                    burgers en bedrijven raadplegen, zoals notarissen, deze toegang
                                    behouden.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Gegevensverwerking (bescherming
                                       persoonsgegevens)</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het Kadaster heeft een Privacy Risico Analyse uitgevoerd
                                    waarmee de privacy risico’s die de invoering van artikel 118b in
                                    de Kadasterwet oplevert voor de rechten en vrijheden van
                                    betrokkenen in kaart zijn gebracht. Het voornaamste risico op
                                    grond van de analyse ziet op het niet direct voldoen aan de
                                    verwerkingsbeginselen die volgen uit artikel 5 AVG. Navolgende
                                    privacy aangelegenheden moeten nader uitgedacht worden om de
                                    privacy van betrokkenen zo veel als mogelijk te kunnen
                                    borgen:</al>
                          <al>– De wijze waarop persoonsgegevens worden uitgewisseld tussen
                                    partijen. Om datalekken te voorkomen en de kans hierop te
                                    verkleinen zullen technische en organisatorische maatregelen
                                    getroffen moeten worden. Hierbij ziet het belangrijkste risico
                                    op een (mogelijke) onveilige manier waarop gegevens vanuit de
                                    KvK en/of de Belastingdienst toekomen aan het Kadaster. Voor het
                                    Kadaster is niet duidelijk hoe de uitwisseling van gegevens gaat
                                    geschieden.</al>
                          <al>– Het tijdig vernietigen van de aantekening zodra de
                                    bewaartermijn is verstreken. Niet helder is hoe het Kadaster
                                    binnen interne dossiers en de openbare registers wenst om te
                                    gaan met de situatie waarin de aantekening wordt verwijderd
                                    waardoor een registergoed niet meer bevroren is. Om het risico
                                    aangaande een tijdige en eenduidige vernietiging te mitigeren,
                                    zal de wetgever moeten besluiten op basis van welk signaal moet
                                    worden vernietigd door het Kadaster en hoe doorwerking tussen
                                    partijen onderling zich verhoudt.</al>
                          <al>– Tot slot is dataminimalisatie een risico. Op grond van het
                                    huidige wetsvoorstel ontvangt de bewaarder regelmatig meer
                                    informatie dan nodig voor het behalen van het doel van deze
                                    verwerking. Vanuit privacy oogpunt levert het voorgaande
                                    strijdigheid op met artikel 5 AVG, omdat organisaties niet meer
                                    gegevens mogen verzamelen dan strikt noodzakelijk voor het
                                    beoogde doel.</al>
                          <al>De regering onderkent het belang van deze resultaten van de
                                    door het Kadaster uitgevoerde Privacy Risico Analyse.
                                    Voorgestelde artikel 118b in de Kadasterwet is – mede ook naar
                                    aanleiding van de toets van de Autoriteit Persoonsgegevens –
                                    aangepast om hieraan tegemoet te komen (zie ook paragraaf 9.3.3
                                    van het algemeen deel van deze toelichting). Daarbij zij
                                    opgemerkt dat het beperken van de privacyrisico’s deels ook in
                                    de praktijk zijn beslag zal moeten krijgen.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Financial Intelligence Unit – Nederland
                                       (FIU-NL)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De inschatting is dat de impact van het voorstel voor FIU-NL
                                    beperkt is en dat er geen beperkingen zijn voor de uitvoering
                                    daarvan. De FIU-NL heeft een aantal aspecten uit het
                                    wetsvoorstel geanalyseerd die mogelijk impact hebben op de
                                    FIU-NL. Het aspect gegevensverwerking door het centraal meldpunt
                                    sancties heeft daarbij volgens de FIU-NL weinig tot neutraal
                                    impact. Het centraal meldpunt sancties kan gegevens verstrekken
                                    aan aangewezen partijen bij sanctieregeling of -besluit,
                                    waaronder de FIU-NL. Hierdoor kan een kleine toename ontstaan
                                    aan meldingen bij de FIU-NL na de centralisatie van de
                                    meldingsplichten. Daarnaast zijn toezichthoudende autoriteiten
                                    bevoegd informatie te delen waarbij de geheimhouding uit artikel
                                    10g van de Sanctiewet 1977 kan worden doorbroken. Deze
                                    informatie kan ook gedeeld worden met de FIU-NL. De
                                    toezichthouders op het wetsvoorstel kunnen informatie delen met
                                    de Minister van Justitie en Veiligheid en FIU-NL ten behoeve van
                                    haar taakstelling. De impact hiervan op FIU-NL is beperkt. De
                                    overige aspecten van het voorstel hebben weinig tot geen impact
                                    op de FIU-NL.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Inspectie Overheidsinformatie en
                                       Erfgoed</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Inspectie beschouwt het wetsvoorstel op dit moment als
                                    uitvoerbaar. Het introduceren van bestuursrechtelijke
                                    handhaving, het verbeteren van informatie-uitwisseling en het
                                    opzetten van een centraal meldpunt, kan volgens de Inspectie
                                    bijdragen aan effectiever toezicht en handhaving, en daarmee aan
                                    een betere bescherming van cultureel erfgoed. Het effect van
                                    toekomstige ontwikkelingen, zoals het aantal voor de Inspectie
                                    relevante sanctiemaatregelen, of de concrete invulling van
                                    nadere regelgeving, kan echter nog niet volledig worden
                                    ingeschat.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Handhaving en capaciteitsinzet</nadruk>
                          </al>
                          <al>De Inspectie werkt samen met andere instanties, zoals de Douane
                                    en de politie, om gesanctioneerd internationaal verkeer in
                                    cultuurgoederen te controleren. De benodigde handhaving is
                                    afhankelijk van het aantal sancties dat specifiek
                                    cultuurgoederen betreft. De Inspectie beschikt momenteel over
                                    voldoende capaciteit om toezicht te houden.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Beoordeling van
                                       handhavingsbevoegdheden</nadruk>
                          </al>
                          <al>Momenteel worden sanctiemaatregelen strafrechtelijk gehandhaafd
                                    via de Wet op de economische delicten. Het wetsvoorstel biedt de
                                    mogelijkheid om aanvullende bestuursrechtelijke
                                    handhavingsbevoegdheden in te voeren. Dit betekent dat
                                    aangewezen bestuursorganen meer bevoegdheden kunnen krijgen om
                                    sancties te handhaven. De Inspectie verwacht dat
                                    strafrechtelijke handhaving een belangrijke rol zal blijven
                                    spelen, vooral als het gaat om inbeslagneming van
                                    cultuurgoederen. Bestuursrechtelijke handhaving kan echter
                                    aanvullend zijn en biedt meer flexibiliteit bij het reageren op
                                    overtredingen.</al>
                          <al>
                            <nadruk type="cur">Centraal meldpunt en
                                    gegevensdeling</nadruk>
                          </al>
                          <al>Het voorstel voor een centraal meldpunt sancties wordt gezien
                                    als een belangrijke verbetering in het toezicht en de handhaving
                                    van sancties. Het zal de meldingsplicht stroomlijnen en
                                    efficiëntie bevorderen. Er moeten echter nog afspraken gemaakt
                                    worden over de samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen
                                    de Inspectie en het meldpunt, vooral met betrekking tot de
                                    behandeling van bevroren goederen met culturele waarde. De
                                    Inspectie verwacht geen knelpunten in de gegevensverwerking en
                                    -uitwisseling, zolang dit goed is ingericht.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Inspectie voor Leefomgeving en Transport
                                       (ILT)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De ILT heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op het
                                    wetsvoorstel. Over het algemeen lijkt het wetsvoorstel voor de
                                    ILT grotendeels uitvoerbaar te zijn. Volgens de ILT lijkt het
                                    wetsvoorstel echter te stellen dat de ILT de taak wordt
                                    toebedeeld om onderhoud te plegen aan bevroren (lucht)vaartuigen
                                    die in het kader van de sanctiewetgeving bevroren zijn. Deze
                                    taak is zeer ongewenst aangezien de kosten voor onderhoud of het
                                    inhuren van een partij, erg hoog zijn. Daarnaast komt hierbij de
                                    rol van onafhankelijke toezichthouder in de knel die juist
                                    toezicht houdt op het onderhoud van toestellen. Volgens de ILT
                                    is het voorstel op dit punt niet uitvoerbaar als dit zo
                                    geïnterpreteerd moet worden. Artikel 6.1 van het wetsvoorstel
                                    voorziet in de bevoegdheid voor de Minister van Infrastructuur
                                    en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, om
                                    aan een eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd is
                                    tot het in beheer of gebruik geven van een registergoed mede te
                                    delen dat het beheer van het registergoed over wordt genomen
                                    door die minister, dan wel aan
                                    een persoon of instelling die door die
                                    minister is aangewezen. Hoewel
                                    het dus mogelijk is om een beheerovername bij de ILT te
                                    beleggen, zal dit niet per definitie het geval zijn.</al>
                          <al>Verder vraagt de ILT aandacht voor de manier van
                                    gegevensuitwisseling tussen organisaties. De invulling van de
                                    ministeriële regeling moet duidelijk maken in welke mate er
                                    gegevens uitgewisseld kunnen worden. Deze vraag lijkt uit te
                                    gaan van een verkeerd begrip van het wetsvoorstel. Dit onderwerp
                                    kan weliswaar in voorkomend geval bij ministeriële regeling
                                    worden geregeld, maar de hoofdregel is dat gegevensuitwisseling
                                    tussen bevoegde autoriteiten beheerst wordt door de Europese
                                    sanctieverordeningen (zie hierover uitgebreid paragraaf
                                    3.6).</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">Kamer van Koophandel (KvK)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>Het wetsvoorstel is uitvoerbaar voor de KvK op voorwaarde dat
                                    er tijdig voldoende duidelijke antwoorden zijn op de vragen over
                                    de invulling van deze wetgeving, zoals de mogelijkheid voor
                                    bezwaar en beroep. De impact van het wetsvoorstel op de
                                    stakeholders, klanten, IT-systemen en bedrijfsvoeringsprocessen
                                    is beperkt.</al>
                          <al>De KvK heeft in het kader van de uitvoeringstoets een aantal
                                    punten opgesomd, inclusief de gevolgen voor de uitvoerbaarheid.
                                    De belangrijkste van deze punten zijn hier opgenomen en door de
                                    regering van een reactie voorzien.</al>
                          <al>De KvK geeft in haar uitvoeringstoets aan dat er op dit moment
                                    geen openbare lijst op kvk.nl komt, omdat het wetsvoorstel
                                    spreekt van een aantekening <nadruk type="cur">in</nadruk> het
                                    register. Het wetsvoorstel zou volgens de KvK niet voorzien in
                                    een openbare lijst omwille van privacyoverwegingen. De KvK
                                    beschouwt een openbare lijst niettemin als een transparante en
                                    eenvoudige oplossing voor alle doelgroepen en een extra manier
                                    om sanctie-aantekeningen te ontsluiten. De regering weerspreekt
                                    deze zienswijze en merkt te dien aanzien op dat het
                                    aantekeningenstelsel juist tot doel heeft om de openbaarheid van
                                    sanctiemaatregelen te vergroten. Het bijhouden van een openbare
                                    lijst is daarom niet in strijd met privacyoverwegingen en een
                                    keuze die door de betreffende registerbeheerder gemaakt kan
                                    worden.</al>
                          <al>De KvK is ook de opvatting toegedaan dat de tekst van een
                                    sanctie-aantekening in het Handelsregister geen
                                    persoonsgevoelige gegevens zou mogen bevatten, omdat de relatie
                                    tot de gesanctioneerde persoon of entiteit op KvK-nummer is, en
                                    niet opgaat bij een natuurlijke persoon. Het gevolg is, volgens
                                    de KvK, een risico bij de eenpersoonsvennootschap. De regering
                                    ziet dit risico niet, omdat sancties die van toepassing zijn op
                                    personen immers openbaar zijn. Het plaatsen van een aantekening
                                    bij een eenpersoonsvennootschap laat enkel zien dat de betrokken
                                    persoon onderwerp is van sanctiemaatregelen.</al>
                          <al>De KvK geeft voorts aan te willen realiseren dat de
                                    sanctie-aantekening voor het Handelsregister altijd leidt tot
                                    sanctie-aantekening voor het UBO-register en andersom. Daarvoor
                                    zou een wettelijke bepaling nodig zijn en opgeroepen wordt om
                                    dit in de toelichting te verduidelijken. De regering heeft het
                                    voorgestelde artikel 16c van de Handelsregisterwet opnieuw tegen
                                    het licht gehouden tegen de achtergrond van deze opmerking. De
                                    conclusie daarvan is dat deze bepaling de beheerder niet in de
                                    weg staat om aantekeningen simultaan in het Handelsregister
                                    (waaronder het UBO-register) op te nemen.</al>
                          <al>De KvK geeft aan dat vooraf een limitatieve lijst zal worden
                                    bepaald met de verschillende soorten sanctie-aantekeningen die
                                    KvK kan plaatsen op alle producten. Het type sanctiemaatregel
                                    zou moeten worden aangeleverd door de bevoegde instantie. De KvK
                                    wil alleen verschillende teksten gebruiken als die uitputtend
                                    zijn beschreven in de wet of de toelichting. Het gevolg hiervan
                                    is dat als de KvK in de sanctie-aantekeningen moet aangeven wat
                                    de verbintenis is met de sanctie (zoals bestuurder staat op
                                    sanctielijst etc.) dit alleen uitvoerbaar is als in de wet of de
                                    toelichting de mogelijke typen sanctie-aantekening uitputtend
                                    staan benoemd. Aan deze opmerking heeft de regering gevolg
                                    gegeven door in het voorgestelde artikel 16c van de
                                    Handelsregisterwet te specificeren wat de precieze verbintenis
                                    tussen de gesanctioneerde entiteit en het onderwerp van het
                                    Handelregister moet zijn.</al>
                          <al>KvK geeft aan geen handhavende inspanningen (controle) te
                                    zullen verrichten. Het gevolg is volgens de KvK dat de
                                    organisaties met bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden al
                                    dan niet zullen moeten overgaan tot handhaving. Hieronder
                                    schaart de KvK het centraal meldpunt sancties. De regering merkt
                                    in reactie voor de goede orde op dat het centraal meldpunt
                                    sancties geen handhavende bevoegdheden zal krijgen aangaande
                                    meldingsplichten.</al>
                          <al>KvK geeft aan geen controle/melding te doen bij de Afgifte van
                                    exportdocumenten voor een organisatie met een
                                    sanctie-aantekening. Het gevolg hiervan is volgens de KvK dat er
                                    een risico is dat exportdocumenten worden afgegeven voor een
                                    organisatie met een sanctie-aantekening.</al>
                          <al>De KvK geeft aan niet actief de gegevens over
                                    sanctie-aantekeningen aan het RDW te verstrekken voor bevriezing
                                    van bezittingen. Volgens de KvK is er in het wetsvoorstel alleen
                                    verstrekking door KvK aan het Kadaster genoemd. De regering
                                    merkt in reactie hierop op dat op grond van de doorgifteplicht
                                    aan registers (artikel 8.2.4) ook voor de KvK geldt dat als dat
                                    relevant is de informatie wordt doorgestuurd aan de RDW.</al>
                          <al>KvK is niet de instantie voor bezwaar en beroep over
                                    sanctie-aantekeningen. KvK kan alleen overgaan tot plaatsen van
                                    aantekeningen als duidelijk is wat de bezwaar- en
                                    beroepsprocedure is. Het gevolg hiervan is dat de KvK geen
                                    aantekeningen kan plaatsen zolang dit niet duidelijk is, wat de
                                    uitvoerbaarheid zeer beperkt. De regering merkt in reactie
                                    hierop op dat als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een
                                    aantekening, hij dit kenbaar moet maken bij de KvK. De KvK zal
                                    op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan dat de
                                    informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is
                                    geplaatst hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder
                                    gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.<noot id="n273" type="tabel"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet
                                          bestuursrecht.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand
                                    nemen door de informatie die is gedeeld met het register te
                                    delen met de afzender, voorzien van een
                                    rechtsmiddelenclausule.</al>
                          <al>De kosten voor registratie en verstrekking van een
                                    sanctie-aantekening in het Trustregister zijn erg hoog in
                                    verhouding tot het aantal registraties. Voor een
                                    kosten-efficiëntere inzage van sanctie-aantekeningen uit het
                                    UBO-register Trusts is volgens de KVK dan ook een andere
                                    oplossing wenselijk, zoals een wettelijke grondslag voor een
                                    openbare lijst.</al>
                          <al>Het wetsvoorstel brengt een aantal aanvullende taken met zich
                                    voor de KvK. Deze vergen zowel structurele als incidentele
                                    middelen. Structureel is personele capaciteit nodig voor de
                                    handmatige (de-)registratie van sanctie-aantekeningen door een
                                    KvK-medewerker in het Handelsregister, UBO-register en
                                    UBO-register Trusts. Hierbij is uitgegaan van maximaal 10
                                    aantekeningen per jaar. Dit vergt de volgende eenmalige
                                    werkzaamheden:</al>
                          <al>– Het opstellen van processen en werkinstructies voor
                                    aanlevering, (de-)registratie en uitlevering van
                                    sanctie-aantekeningen.</al>
                          <al>– UBO-autorisatie voor instanties die toezicht houden op de
                                    naleving van de Sanctiewet 1977. Als nieuwe instellingen bij
                                    algemene maatregel van bestuur tot sanctie-instelling worden
                                    aangewezen moet KvK die objectief kunnen herkennen voor het
                                    toekennen van UBO-autorisaties om autorisatie voor inzage te
                                    geven.</al>
                          <al>–Security- en privacyaspecten, fraudebestendigheid en
                                    gegevensuitwisseling. Sanctie-aantekeningen bevatten
                                    privacygevoelige informatie, wat hoge eisen stelt aan de
                                    uitwisseling van deze data; dit geldt zowel de handmatige
                                    aanlevering vanuit de bevoegde instanties aan KvK als de
                                    aanlevering vanuit KvK aan het Kadaster.</al>
                          <al>De kosten voor de benodigde aanpassingen zijn begroot op
                                    eenmalig
                                    € 450.000 en
                                    structureel
                                    € 62.000 per jaar. Bij deze berekening is gebruikgemaakt van de
                                    uurtarieven van de
                                    Rijksoverheid zoals die zijn
                                    vastgelegd in de Handleiding Overheidstarieven (HOT). Dit
                                    betreft een raming. De werkelijke kosten worden berekend op
                                    basis van nacalculatie binnen een bandbreedte van 10%.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">De Raad voor Plantenrassen</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De Raad voor Plantenrassen beoordeelt de uitvoerings- en
                                    financiële consequenties van het wetsvoorstel voor haar
                                    werkzaamheden als gering. Het plaatsen of verwijderen van een
                                    aantekening in het Nederlands Rassenregister op basis van
                                    aangiften van derden is technisch goed te doen.</al>
                        </entry>
                      </row>
                      <row rowsep="1">
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                          <al>
                            <nadruk type="halfvet">De Belastingdienst, inclusief de Fiscale
                                       Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD)</nadruk>
                          </al>
                        </entry>
                        <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                          <al>De FIOD doet onderzoek naar schendingen van sancties en draagt
                                    daardoor bij aan een effectieve uitvoering van de internationale
                                    sanctiemaatregelen. Specifiek voor het wetsvoorstel concludeert
                                    de FIOD in de uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel uitvoerbaar
                                    is. Wel merkte de FIOD op dat er geen zicht is op structurele
                                    financiering en na 2026 geen budget beschikbaar voor de
                                    continuering van de werkzaamheden op het gebied van sancties.
                                    Inmiddels is in structurele financiering voorzien. Met de
                                    Voorjaarsnota 2025 is structureel 36,5 miljoen euro vrĳgemaakt
                                    voor versterken van de sanctienaleving in Nederland. Daarnaast
                                    acht de FIOD het van belang dat er duidelijkheid komt over het
                                    opdrachtgeverschap. Dit behoeft geen regeling bij wet, want dit
                                    kan besloten worden op basis van de Wet op de bijzondere
                                       opsporingsdiensten.<noot id="n274" type="tabel"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de
                                          bijzondere opsporingsdiensten.</noot.al></noot></al>
                          <al>Ook buiten de FIOD geldt voor de Belastingdienst dat het
                                    wetsvoorstel de mogelijkheden verbetert die bevoegde
                                    autoriteiten, zoals toezichthouders en handhavingsinstanties,
                                    hebben om informatie uit te wisselen. Tevens moet als gevolg van
                                    het wetsvoorstel op termijn een geautomatiseerde complexe
                                    beveiligde verbinding geïmplementeerd worden. De incidentele
                                    uitvoeringskosten die daarvoor nodig zijn en dus met de
                                    uitvoering van het wetsvoorstel samenhangen bedragen in 2025
                                    eenmalig
                                    € 430.000. Dit is wenselijk in 2025 zodat het kan meelopen in de
                                    geplande activiteiten in het IV-portfolio.</al>
                        </entry>
                      </row>
                    </tbody>
                  </tgroup>
                </table>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Gevolgen</titel>
                </kop>
                <al>Naast de in hoofdstuk 3 beschreven gewenste effecten van het wetsvoorstel, is
                     de verwachting dat deze nieuwe wet in bredere zin gevolgen zal hebben binnen en
                     buiten Nederland. Voor Nederlandse burgers en bedrijven, en ook voor de
                     duurzame ontwikkelingsdoelen (<nadruk type="cur">Sustainable Development
                        Goals</nadruk>, hierna: SDG’s) en brede welvaart. In dit hoofdstuk wordt
                     achtereenvolgens stilgestaan bij de brede welvaartseffecten en de gevolgen van
                     sanctienaleving voor de SDG’s. Vervolgens wordt ingegaan op de
                     regeldrukeffecten van het wetsvoorstel, waarbij ook aandacht wordt besteed aan
                     het doenvermogen van burgers. In paragraaf 8.3 worden de financiële gevolgen in
                     kaart gebracht. Paragraaf 8.4 sluit af met de gevolgen voor Caribisch
                     Nederland.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">8.1.</nr>
                    <titel>Sanctienaleving, brede welvaart en SDG’s</titel>
                  </kop>
                  <al>Het vanuit de brede welvaart en de SDG-doelen kijken naar wet- en
                        regelgeving gaat erover dat keuzes die gemaakt worden om de welvaart in het
                        ‘hier en nu’ op peil te houden ook gevolgen hebben voor de welvaart van
                        toekomstige generaties (later) en voor mensen in andere landen, met name
                        ontwikkelingslanden (elders). Het is daarom belangrijk dat de manier waarop
                        sanctienaleving in Nederland ingevuld wordt zoveel mogelijk dienstbaar is
                        aan het verhogen van brede welvaart en het behalen van de Duurzame
                        Ontwikkelingsdoelen (<nadruk type="cur">Sustainable Development
                        </nadruk>Goals, SDG’s), in Nederland en wereldwijd.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Het instellen van sancties is een instrument dat kan worden ingezet
                           wanneer met diplomatie en dialoog geen resultaten (meer) kunnen worden
                           bereikt die wel essentieel zijn voor de veiligheid, goed bestuur, het
                           naleven van mensenrechten en het tegengaan van geweld. In het algemeen
                           kan dus gesteld worden dat sanctienaleving bijdraagt aan SDG 16 dat
                           bovenstaande nastreeft.</al>
                    <al>In het bijzonder dient sanctienaleving subdoelen 16.3 en 16.4 door het
                           bevorderen van de rechtsregels op nationaal en internationaal niveau en
                           het indijken van onwettige financiële en wapenstromen.<noot id="n275" type="voet"><noot.nr>269</noot.nr><noot.al><extref doc="https://unric.org/nl/duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen/sdg-16/" soort="URL" status="actief">SDG 16 – Verenigde Naties – Nederlands
                                    (unric.org)</extref>.</noot.al></noot> De noodzaak hiertoe wordt temeer onderstreept door de resultaten
                           uit de laatste voortgangsrapportage over SDG 16 op mondiaal niveau. Het
                           jaar 2022 zag een toename van meer dan 50 procent in het aantal
                           conflict-gerelateerde burgerdoden, de grootste stijging sinds het
                           aannemen van de 2030 agenda in 2015. 90 procent van de sterfgevallen vond
                           daarbij plaats in Europa en Afrika ten zuiden van de Sahara, en 4 van de
                           10 burgerdoden vielen in Oekraïne.<noot id="n276" type="voet"><noot.nr>270</noot.nr><noot.al><extref doc="https://unstats.un.org/sdgs/report/2023/The-Sustainable-Development-Goals-Report-2023.pdf" soort="URL" status="actief">The-Sustainable-Development-Goals-Report-2023.pdf
                                    (un.org)</extref>, p. 44.</noot.al></noot></al>
                  </al-groep>
                  <al>De uiteindelijke doelstelling van internationale sanctiemaatregelen is om
                        gedragsverandering van de gesanctioneerde entiteit te bewerkstelligen. Het
                        sanctie-instrumentarium draagt bij aan het beëindigen van geweld en
                        conflicten en het handhaven van de vrede. Dit leidt tot een veiligere wereld
                        die als fundament dient ter bevordering van de SDG’s.</al>
                  <al>De manier van sanctienaleving, <nadruk type="cur">timing</nadruk> en
                        precisie is van belang om mogelijke onbedoelde neveneffecten zo klein
                        mogelijk te houden. Deze effecten kunnen zowel in Nederland als in de landen
                        waar sancties tegen gericht zijn plaatsvinden en hebben in het algemeen
                        (bedoeld of onbedoeld) gevolgen voor SDG 8 dat gaat over economische groei
                        en waardig werk. De regering zet zich er voor in dat de gevolgen van
                        sancties voor de lokale bevolking in het gesanctioneerde land zo klein
                        mogelijk blijven. In het geval van ernstige (maatschappelijke) gevolgen voor
                        in Nederland geregistreerde ondernemingen kan de Staat ingrijpen om
                        bijvoorbeeld de continuïteit en/of afwikkeling van de betrokken onderneming
                        te managen.</al>
                  <al>De Monitor Brede Welvaart &amp; SDG’s 2023 van het Centraal Bureau voor de
                        Statistiek toont onder de brede welvaartsgevolgen voor mensen van andere
                        landen (dimensie ‘elders’) aan dat onder invloed van de geopolitieke
                        spanningen (zoals de oorlog in Oekraïne) verschuivingen in handelsstromen
                        zijn opgetreden.<noot id="n277" type="voet"><noot.nr>271</noot.nr><noot.al>Bijlage bij <extref soort="document" doc="kst-34298-39" status="actief">Kamerstukken II 2022/23, 34298, nr. 39 |
                                 Overheid.nl &gt; Officiële bekendmakingen
                                 (officielebekendmakingen.nl)</extref>.</noot.al></noot></al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">8.2.</nr>
                    <titel>Regeldruk en doenvermogen</titel>
                  </kop>
                  <al>Naar verwachting heeft het wetsvoorstel zeer beperkte negatieve
                        regeldrukeffecten. De Europese sanctieverordeningen waarin
                        sanctiemaatregelen in de regel zijn vastgesteld werken immers rechtstreeks.
                        Wel zijn er als gevolg van dit wetsvoorstel regeldrukeffecten voor
                        ondernemingen die de Minister van Economische Zaken verzoeken om een
                        bewindvoerder aan te stellen. Een onderneming is hier weliswaar niet toe
                        verplicht, maar de kosten die voortkomen uit de wettelijke verplichtingen
                        als gevolg van zo’n verzoek moeten worden beschouwd als regeldrukkosten.
                        Verder is de verwachting dat de mogelijkheid om een aantekening te plaatsen
                        in diverse openbare registers als er een relatie is tussen het onderwerp van
                        het register en een gesanctioneerde persoon of entiteit, de ervaren
                        regeldruk kan doen afnemen en het doenvermogen wordt verhoogd. Dit geldt ook
                        voor het in het leven roepen van een centraal meldpunt sancties. Om dit op
                        een inclusieve wijze te toetsen, zijn in aanloop naar dit wetsvoorstel
                        verschillende contactmomenten geweest met de voorziene groep die gebruik zal
                        gaan maken van het aantekeningenstelsel en het centraal meldpunt sancties.
                        Daarnaast is de doenvermogencoördinator van het Ministerie van Buitenlandse
                        Zaken geraadpleegd. Ten slotte zijn er regeldrukkosten voor de juridische
                        beroepsgroepen waarvoor het toezicht op de bedrijfsvoering zal gaan gelden
                        ter adequate naleving van sancties.</al>
                  <al>Internationale sanctiemaatregelen kunnen leiden tot lastendruk voor
                        Nederlandse burgers en bedrijven, en daarmee tot kosten voor burgers en
                        bedrijven om de verplichtingen die voortvloeien uit internationale
                        sanctiemaatregelen correct na te leven. Aangezien eenieder wordt geacht zich
                        aan de geldende sanctiemaatregelen te houden, doen deze ook een beroep op
                        het doenvermogen van burgers. Het gaat dan bijvoorbeeld om
                        informatieverplichtingen, zoals het moeten voldoen aan meldingsplichten uit
                        Europese sanctieverordeningen.<noot id="n278" type="voet"><noot.nr>272</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 8, eerste lid, van Verordening (EU)
                              nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende
                              maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit,
                              soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of
                              bedreigen (PbEU L 78/6).</noot.al></noot> Ook worden er in financieel-rechtelijke verordeningen aan financiële
                        marktpartijen extra eisen gesteld aan de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld om
                        beheersmaatregelen te nemen om het risico op schending of omzeiling van
                        gerichte financiële sancties tegen te gaan.<noot id="n279" type="voet"><noot.nr>273</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 38 van Verordening (EU) 2023/1113 van
                              het Europees Parlement en de Raad van
                              31 mei 2023 betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van
                              bepaalde cryptoactiva te voegen informatie en tot wijziging van
                              Richtlijn (EU) 2015/849 (PbEU L 150/32).</noot.al></noot> De snelheid waarmee sanctiepakketten elkaar soms opvolgen kan voor
                        burgers en bedrijven bovendien tot meer dan gebruikelijke kennisnamekosten
                        leiden. Ook bieden sanctieverordeningen in de regel de mogelijkheid voor
                        bevoegde autoriteiten om toestemming te verlenen voor het verrichten van een
                        in beginsel op grond van die verordening verboden handeling, bijvoorbeeld
                        voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische
                           middelen.<noot id="n280" type="voet"><noot.nr>274</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 5 van Verordening (EU) nr. 269/2014 van
                              de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met
                              betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit
                              en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PbEU L 78/6).</noot.al></noot> Deze niet-uitputtend bedoelde voorbeelden illustreren dat de
                        naleving van sancties zeker niet zonder regeldrukeffecten is. De
                        regeldrukeffecten van de sanctieverordeningen staan echter los van de
                        regeldrukeffecten van dit wetsvoorstel.<noot id="n281" type="voet"><noot.nr>275</noot.nr><noot.al>Vgl. Kamerstukken II 2023–2024, <extref doc="kst-36495-3" soort="document" status="actief">36 495, nr. 3</extref>, p.
                              32.</noot.al></noot> Voor het wetsvoorstel als zodanig geldt dat bedrijven die in hun
                        werkzaamheden te maken hebben met internationale sanctiemaatregelen hier
                        kennis van zullen willen nemen. Conform de Rijksbrede methodiek wordt de
                        benodigde tijd voor deze eenmalige kennisname geschat op 60 minuten per
                        bedrijf en 15 minuten per burger. Aannemende dat de kennisname bij de
                        relevante bedrijven plaats zal vinden door hoogopgeleide medewerkers, die
                        een intern uurtarief
                        van
                        € 54,– kennen, zijn de kosten per relevant
                        bedrijf
                        € 3.240. Omdat de wet in de praktijk niet voor alle bedrijven relevant zal
                        zijn, is het niet mogelijk om een inschatting te geven van de totale
                        eenmalige kennisnamekosten. De overige onderdelen van het wetsvoorstel
                        brengen geen regeldruk met zich, omdat de normen alleen tot
                        overheidspartijen zijn gericht, of de bestuursrechtelijke en
                        strafrechtelijke handhaving van sanctiemaatregelen betreffen. Kosten die aan
                        burgers en bedrijven zelf te wijten zijn, omdat zij de wet overtreden,
                        worden niet meegenomen bij de berekening van de regeldruk.<noot id="n282" type="voet"><noot.nr>276</noot.nr><noot.al>Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, <nadruk type="cur">Bijlagen bij Handboek Meting Regeldrukkosten</nadruk>, p. 9.</noot.al></noot></al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">8.2.1.</nr>
                      <titel>Bewindvoerder op verzoek van onderneming</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Dit wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid voor het bestuur of de
                              raad van commissarissen van een in Nederland gevestigde onderneming om
                              de Minister van Economische Zaken te verzoeken om een of meer personen
                              aan te wijzen als bewindvoerder als de financiële stabiliteit of de
                              continuïteit van de onderneming in het geding is door de gevolgen van
                              een sanctiemaatregel. Een bedrijf richt een dergelijk verzoek aan de
                              Minister van Economische Zaken die vervolgens een besluit neemt op dit
                              verzoek in overeenstemming met de
                              minister wiens portefeuille verband
                              houdt met de sector waarin het bedrijf opereert. Voor mkb-bedrijven
                              zal dit in de regel bijvoorbeeld alleen de Minister van Economische
                              Zaken zijn, terwijl de Minister van Economische Zaken voor bedrijven
                              in de maritieme sector de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
                              zal betrekken. Een dergelijk verzoek om een bewindvoerder is in
                              principe vormvrij. Inhoudelijk moet het verzoek worden onderbouwd aan
                              de hand van:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>een toelichting op de toepasselijke sanctieverplichting;</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>een met relevante financiële en bedrijfsdata onderbouwde uitleg
                                    van de gevolgen van de verplichting voor de financiële
                                    stabiliteit of de continuïteit van de onderneming; en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>een weergave van de inspanningen die de onderneming heeft
                                    verricht om de negatieve gevolgen van de verplichting te
                                    mitigeren, met inbegrip van maatregelen om de zeggenschap of
                                    eigendomsverhoudingen te verbreken met een of meer natuurlijke
                                    personen, rechtspersonen of entiteiten die onderhevig zijn aan
                                    sancties.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>Als de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de
                           minister die het mede aangaat positief
                           besluit, wijst hij een of meer personen aan met kennis en ervaring op het
                           gebied van het beheren, herstructureren of afwikkelen van ondernemingen,
                           die opdrachten kan of kunnen verstrekken aan de onderneming. In dat geval
                           zijn alle bestuurders, commissarissen, feitelijke leidinggevenden en
                           andere werknemers verplicht opvolging te geven aan de opdrachten van de
                           aangewezen personen en moeten zij de aangewezen persoon op verzoek alle
                           daarvoor benodigde informatie en medewerking verlenen. Deze medewerkings-
                           en informatieverplichtingen gelden als regeldrukkosten. Daar staat
                           tegenover dat het aanstellen van een aangewezen persoon ook een verlaging
                           van de regeldruk met zich kan brengen. De aangewezen persoon kan met zijn
                           handelen immers de nalevingskosten van de sanctiemaatregel door de
                           onderneming doen afnemen. Tegen een opdracht van een aangewezen persoon
                           kan administratief beroep worden ingesteld bij de Minister van
                           Economische Zaken. Dit administratief beroep wordt ingediend bij een
                           ander orgaan dan het oorspronkelijke besluit en is daarmee geen
                           ‘voortzetting’ van de oorspronkelijke besluitvormingsprocedure en wordt
                           niet gekwalificeerd als regeldrukkosten.</al>
                    <al>Omdat niet geput kan worden uit ervaringscijfers, wordt voor de
                           berekening van de regeldrukkosten voor een bewindvoerder op verzoek
                           gewerkt met schattingen van het aantal (toegekende) aanvragen in twee
                           scenario’s. Scenario 1 gaat uit van tien aanvragen en scenario 2 gaat uit
                           van twintig aanvragen. In beide gevallen wordt verondersteld dat 70% van
                           de verzoeken wordt ingewilligd, en er dus respectievelijk zeven en
                           veertien keren een bewindvoerder zal worden aangewezen.</al>
                    <al>Allereerst zal een hoogopgeleide medewerker kennis moeten nemen van de
                           regeling, aangezien de verwachting is dat deze slechts zelden gebruikt
                           zal worden. Dit zal naar verwachting zestig minuten in beslag nemen.
                           Daarna moet informatie door de medewerker worden verzameld om de aanvraag
                           te kunnen indienen. Dit zal naar verwachting 120 minuten in beslag nemen.
                           De informatie moet daarna goed verwerkt worden om tot een goed
                           gemotiveerde aanvraag te komen. Dit zal naar verwachting 240 minuten in
                           beslag nemen van de tijd van de persoon in kwestie. Als laatste moet de
                           aanvraag worden opgestuurd. Dit zal naar verwachting vijf minuten in
                           beslag nemen. De regering gaat ervan uit dat er interne vergaderingen
                           nodig zullen zijn om tot een gemotiveerde aanvraag te komen. Dit zal naar
                           verwachting zeshonderd minuten in beslag nemen. Het doen van een aanvraag
                           zal in totaal dus ongeveer 1025 minuten kosten. Dit werk zal grotendeels
                           worden gedaan door hoogopgeleide medewerkers, die een intern uurtarief
                           van
                           € 54,– kennen. Dit betekent dat een aanvraag
                           gemiddeld
                           € 922,50 kost. In het scenario waarin uitgegaan wordt van tien aanvragen,
                           zijn de totale regeldrukkosten voor de aanvraag
                           dus
                           € 9.225,–. Ingeval van twintig aanvragen komen de kosten uit
                           op
                           €  18.450,–.</al>
                    <al>Bij een ingewilligd verzoek zal een bewindvoerder worden aangewezen die
                           opdrachten kan verstrekken aan de onderneming en verzoeken kan doen tot
                           informatie. Ook het leveren van de informatie aan de niet op verzoek
                           aangestelde bewindvoerder en de kosten van het meewerken aan deze
                           opdrachten behoren tot regeldrukkosten. De kosten van deze opdrachten en
                           verzoeken zullen afhangen van de precieze kenmerken van de onderneming,
                           de sector en de (complexiteit van de) casus. De regering kan op dit
                           moment dus geen afgewogen inschatting maken van de kosten, zelfs niet met
                           een scenarioanalyse.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">8.2.2</nr>
                      <titel>Aantekeningen in registers en centraal meldpunt sancties</titel>
                    </kop>
                    <al>Het wetsvoorstel kent twee onderdelen die zien op het toegankelijker en
                           eenvoudiger maken van informatie die betrekking heeft op de naleving van
                           internationale sanctiemaatregelen, namelijk aantekeningen in registers en
                           het centraal meldpunt sancties. Dit draagt bij aan het doenvermogen van
                           de betrokken partijen. Om dit op een inclusieve wijze te toetsen, zijn in
                           aanloop naar dit wetsvoorstel verschillende contactmomenten geweest met
                           de partijen die gebruik zullen gaan maken van het aantekeningenstelsel en
                           het centraal meldpunt sancties (het bedrijfsleven en poortwachters).
                           Daarnaast is de doenvermogencoördinator van het Ministerie van
                           Buitenlandse Zaken geraadpleegd.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Het plaatsen van een aantekening in een register draagt bij aan de
                              mogelijkheid voor burgers, toezichthouders en bedrijven (waaronder
                              poortwachters) om zicht te houden op welke ondernemingen,
                              registergoederen en andere vermogensbestanddelen die in registers zijn
                              geregistreerd, verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens door
                              de EU vastgestelde sancties jegens natuurlijke personen,
                              rechtspersonen en entiteiten. Het opnemen van aantekeningen in
                              registers draagt in die zin bij aan het doenvermogen<noot id="n283" type="voet"><noot.nr>277</noot.nr><noot.al>‘Doenvermogen is het vermogen om in actie te komen en vol
                                    te houden, zelfs bij tegenslagen. Het draait dan niet zozeer om
                                    mensen hun cognitieve vermogens zoals intelligentie of digitale
                                    vaardigheden, maar om hun niet-cognitieve vermogens’
                                    (Kenniscentrum voor beleid en regelgeving).</noot.al></noot> van burgers en bedrijven. De aantekeningen stellen eenieder
                              namelijk in staat om gemakkelijker te achterhalen of de partij waarmee
                              zij handelen in verband kan worden gebracht met sanctiemaatregelen. De
                              registers die het betreft zijn openbaar en goed toegankelijk voor
                              partijen. Het verdient daarbij wel de opmerking dat een aantekening
                              een hulpmiddel is om breder inzichtelijk te maken dat er sprake is van
                              sanctionering. Het is dus een aanvullend middel om de wet te kunnen
                              kennen en te kunnen naleven. Het naleven van sancties blijft de
                              verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven, zoals in het algemeen
                              als rechtsbeginsel geldt dat iedereen geacht wordt de wet te kennen.
                              De aantekening is daarbij een hulpmiddel om de naleving te
                              vermakkelijken. Ook als een aantekening niet aanwezig is, kan een
                              natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit nog steeds
                              gesanctioneerd zijn. Het ontbreken van een aantekening ontslaat
                              marktpartijen dus niet van de verplichting om zich te houden aan de
                              wet- en regelgeving ter uitvoering van internationale
                              sanctiemaatregelen. Hoe burgers en bedrijven dat doen, volgt in het
                              algemeen niet uit de sanctiemaatregelen, onderzoeksverplichtingen voor
                              bepaalde partijen niettegenstaande. Wel zal het zeker bij
                              grensoverschrijdend zakendoen vaak verstandig en vanzelfsprekend zijn
                              om als bedrijf zelf verder onderzoek te doen. In het bijzonder kan het
                              voorkomen dat de noodzaak tot aantekeningen nog moet worden onderzocht
                              en daarna verwerkt, nadat personen of entiteiten op internationale
                              sanctielijsten worden geplaatst. In dit tijdsbestek moeten partijen
                              zich ook aan de geldende sanctiemaatregelen houden.</al>
                      <al>Het doen van zoekopdracht in een register kan worden uitgevoerd door
                              administratief personeel
                              (€ 39,– per uur) en kwalificeert als de handeling ‘verkrijgen van
                              gegevens’ (matig), waardoor dit gemiddeld tien minuten in beslag zal
                                 nemen.<noot id="n284" type="voet"><noot.nr>278</noot.nr><noot.al>Volgens het Handboek Meting Regeldrukkosten (versie 2.1.
                                    d.d. 29-11-2023).</noot.al></noot> Dat komt uit op een gemiddeld kostenplaatje
                              van
                              € 6,50 per zoekopdracht.</al>
                    </al-groep>
                    <al>In de preconsultatie (zie paragraaf 9.1) is door verschillende
                           consultatiepartijen de wens uitgesproken om terecht te kunnen bij één
                           loket voor het doen van meldingen over de naleving van internationale
                           sanctiemaatregelen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om meldingsplichten
                           uit EU-sanctieverordeningen waaraan burgers en bedrijven moeten voldoen.
                           Omdat het Nederlandse sanctiestelsel in beginsel een decentraal karakter
                           heeft, moeten deze meldingen vaak bij verschillende nationale
                           autoriteiten worden gedaan. Ter illustratie, om in Nederland uitvoering
                           te geven aan de zogenoemde ‘zelfmeldplicht’ zijn vijf verschillende
                           meldpunten ingericht bij vijf verschillende ministeries.<noot id="n285" type="voet"><noot.nr>279</noot.nr><noot.al>De zelfmeldplicht houdt in dat gesanctioneerde
                                 (rechts)personen, entiteiten of lichamen hun tegoeden of
                                 economische middelen binnen zes weken melden bij de bevoegde
                                 autoriteit van de lidstaat waar deze tegoeden of economische
                                 middelen zich bevinden. In Nederland zijn daartoe vijf meldpunten
                                 ingericht: Financiële tegoeden melden bij het Ministerie van
                                 Financiën; vastgoed bij het Ministerie van Volkshuisvesting en
                                 Ruimtelijke Ordening; niet-beursgenoteerde bedrijven bij het
                                 Ministerie van Economische Zaken; kunst- en cultuurobjecten bij het
                                 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; en vaartuigen en
                                 vliegtuigen bij het Ministerie van Infrastructuur en
                                 Waterstaat.</noot.al></noot> Het kan daardoor voorkomen dat een meldingsplichtige bij meerdere
                           meldpunten een meldingsformulier moet invullen om te kunnen voldoen aan
                           zijn meldingsplicht. De regering komt tegemoet aan de wens tot meer
                           centralisatie omtrent sanctiemeldingen door het inrichten van een
                           centraal meldpunt sancties. Daarmee wordt voorzien in één loket voor het
                           doen van huidige en toekomstige sanctiemeldingen. Dit vereenvoudigt het
                           doen van meldingen voor het bedrijfsleven en burgers, omdat zij niet meer
                           op zoek hoeven te gaan naar het juiste meldpunt en/of hun meldingen op
                           verschillende punten hoeven in te dienen; zij kunnen voor al hun
                           meldingen (met uitzondering van de meldingen bij CDIU van de Douane)
                           terecht bij het centraal meldpunt sancties. Dit levert tijdswinst op voor
                           meldingsplichtigen omdat zij niet langer hoeven uit te zoeken bij welk
                           meldpunt zij precies hun melding(en) moeten doen. Daarnaast zou voor
                           bepaalde meldingsplichten kunnen worden volstaan met het invullen van een
                           enkel formulier, in plaats van meerdere formulieren bij verschillende
                           meldpunten. Het doen van de melding wordt daarmee voor meldingsplichtigen
                           vereenvoudigd hetgeen zal bijdragen aan het doenvermogen van burgers en
                           bedrijven om te voldoen aan hun meldingsplichten, doordat het voorstel
                           meer duidelijkheid biedt over waar zaken gemeld kunnen worden. Zo wordt
                           het eenvoudiger en overzichtelijker om een melding te doen.</al>
                    <al>Dat neemt niet weg, dat het voor burgers en (mkb-)bedrijven die voor het
                           eerst rekening moeten houden met internationale sanctiemaatregelen,
                           belangrijk is om regelhulp te kunnen krijgen. De RVO zal de rol die het
                           al heeft als Sanctieloket Rusland voor vragen van ondernemers, dan ook
                           voortzetten. De website van de RVO biedt daarbij een overzicht van welke
                           sancties er zijn, is gericht op ondernemers die willen weten of hun
                           bedrijf met sancties te maken krijgt, biedt antwoord op een aantal veel
                           gestelde vragen en verwijst zo nodig door naar de juiste
                              organisatie.<noot id="n286" type="voet"><noot.nr>280</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rvo.nl/onderwerpen/sanctieloket-rusland" soort="URL" status="actief">Sanctieloket Rusland
                                 (rvo.nl)</extref>.</noot.al></noot>In bredere zin blijft de regering ook lopende het
                           moderniseringstraject informatie over de naleving van sanctiemaatregelen
                           voor burgers en bedrijven online beschikbaar stellen, zoals de door het
                           Ministerie van Financiën opgestelde Leidraad Financiële
                           Sanctieregelgeving, waarin het uitlegt hoe personen, bedrijven en
                           organisaties om moeten gaan met financiële sancties. In dat verband wordt
                           ook gewezen op een aantal specifieke handreikingen voor financiële
                           sectorpartijen, zoals de door de AFM en DNB opgestelde <nadruk type="cur">Leidraden Wwft en Sw</nadruk>, en de <nadruk type="cur">Handreiking
                              Sanctiewet voor Pensioenfondsen</nadruk>, de <nadruk type="cur">Q&amp;A Sanctiewet voor schadeverzekeraars</nadruk> en de
                           <nadruk type="cur">Q&amp;A Sanctiecheck wisselinstellingen</nadruk> van DNB.<noot id="n287" type="voet"><noot.nr>281</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://www.dnb.nl/media/g23b1w3t/naleving-sanctiewet-voor-pensioenfondsen.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.dnb.nl/media/g23b1w3t/naleving-sanctiewet-voor-pensioenfondsen.pdf</extref>,
                                    <extref doc="https://www.dnb.nl/voor-de-sector/open-boek-toezicht/sectoren/wisselinstellingen/integriteitstoezicht/qa-s-wisselinstellingen/sanctiecheck/" soort="URL" status="actief">Sanctiecheck
                                 (dnb.nl)</extref>.</noot.al></noot>Handelaren in en exporteurs van strategische goederen vinden in
                           het <nadruk type="cur">Handboek strategische goederen en diensten</nadruk> van het Ministerie van Buitenlandse Zaken de nodige informatie,
                           waaronder contactgegevens.<noot id="n288" type="voet"><noot.nr>282</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen/documenten/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen" soort="URL" status="actief">https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen/documenten/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen</extref>.
                                 Zie ook: <extref doc="https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/douane_voor_bedrijven/veiligheid_gezondheid_economie_en_milieu_vgem/cdiu/cdiu_sanctiemaatregelen/" soort="URL" status="actief">https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/douane_voor_bedrijven/veiligheid_gezondheid_economie_en_milieu_vgem/cdiu/cdiu_sanctiemaatregelen/</extref>.</noot.al></noot> Alle sanctiemaatregelen van de EU zijn per land of thema
                           beschikbaar, via de Engelstalige website ‘EU Sanctions Map’.<noot id="n289" type="voet"><noot.nr>283</noot.nr><noot.al><extref soort="URL" doc="https://www.sanctionsmap.eu/#/main" status="actief">https://www.sanctionsmap.eu/#/main</extref>.</noot.al></noot> Ten slotte stelt de Europese Commissie specifieke richtsnoeren
                           beschikbaar betreffende de sancties die zijn vastgesteld naar aanleiding
                           van de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne en de betrokkenheid
                           van Belarus daarbij.<noot id="n290" type="voet"><noot.nr>284</noot.nr><noot.al><extref soort="URL" doc="https://finance.ec.europa.eu/eu-and-world/sanctions-restrictive-measures/sanctions-adopted-following-russias-military-aggression-against-ukraine/guidance-documents_en?page=0" status="actief">https://finance.ec.europa.eu/eu-and-world/sanctions-restrictive-measures/sanctions-adopted-following-russias-military-aggression-against-ukraine/guidance-documents_en?page=0</extref>.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">8.2.3.</nr>
                      <titel>Uitbreiding bestuursrechtelijk toezicht naar juridische
                              beroepsgroepen</titel>
                    </kop>
                    <al>Juridische beroepsgroepen moeten zich op dit moment al, net als elk
                           ander bedrijf, houden aan de in Nederland geldende sanctiemaatregelen. Om
                           de sanctiemaatregelen adequaat na te kunnen leven is het al nodig dat
                           juridische beroepsgroepen begrijpen welke sanctiemaatregelen voor hen van
                           toepassing zijn, welke risico’s zij lopen op het niet goed naleven en
                           maatregelen te formuleren hoe binnen de kaders van de sanctiemaatregelen
                           te handelen. De sanctiemaatregelen schrijven echter niet voor hoe zij
                           nageleefd kunnen worden en welke maatregelen vereist zijn om een adequate
                           naleving te realiseren. Door het toezicht op de bedrijfsvoering uit te
                           breiden naar juridische beroepsgroepen (zie hierover uitgebreider
                           paragraaf 3.8) krijgen zij een duidelijker handelingskader welke
                           maatregelen te treffen om sanctiemaatregelen na te leven. Daarbij wordt
                           aan het BFT en het college van toezicht van de Nederlandse orde van
                           advocaten de bevoegdheid toegekend om bedrijfsvoeringsregels op te
                           stellen. Hierop worden de juridische beroepsgroepen door de betreffende
                           toezichthouders, respectievelijk BFT en de aan te wijzen deken,
                           getoetst.</al>
                    <al>Het uitgangspunt bij het opstellen van deze bedrijfsvoeringsregels is
                           dat deze nauw aansluiten bij de huidige (nalevings)praktijk van de
                           betreffende juridische beroepsgroep. Dit betekent ook aansluiting bij de
                           Wwft, waar deze juridische beroepsgroepen al onder vallen, zodat de
                           inspanningen die op basis van die wet al verricht worden, ook ingezet
                           worden voor de naleving van sanctiemaatregelen. Zo kan voor het opstellen
                           van beleid en procedures en voor het doen van onderzoek naar klanten,
                           worden geleund op de activiteiten die al worden ontplooid op grond van de
                           Wwft. Voor wat betreft het voorkomen van terrorismefinanciering, dat
                           expliciet binnen het bereik van de Wwft valt, geldt al dat het meenemen
                           van de naleving van sanctiemaatregelen op deze gebieden een vereiste
                           is.</al>
                    <al>Zowel de Nederlandse orde van advocaten als het BFT hebben een leidraad
                           uitgevaardigd waarin uiteen is gezet op welke wijze de juridische
                           beroepsgroepen zich moeten houden aan de verplichtingen die de Wwft aan
                           hen stelt. In beide voornoemde leidraden wordt geadviseerd om daarbij ook
                           de verplichtingen uit de Sanctiewet 1977 te betrekken, omdat eenieder
                           zich al aan de naleving van deze wet moet houden.</al>
                    <al>Omdat juridische beroepsgroepen in de praktijk al handelingen moeten
                           verrichten om te kunnen voldoen aan de geldende sanctiemaatregelen, en
                           omdat er een synergie bestaat met de inspanningen onder de Wwft, zijn de
                           regeldrukkosten voor de naleving van sancties beperkt. Vast staat wel
                           dat, als gevolg van het geven van een duidelijker handelingskader,
                           juridische beroepsgroepen hun bestaande beleid, procedures en maatregelen
                           tegen het licht zullen moeten houden om dit in overeenstemming te brengen
                           met de gestelde bedrijfsvoeringsregels. Dit brengt kennisnamekosten met
                           zich.</al>
                    <al>Daarnaast zullen juridische beroepsgroepen structurele kosten maken om
                           te voldoen aan verzoeken van de toezichthouder en, als zij geselecteerd
                           worden voor een toezichtsonderzoek, tijd moeten vrijmaken voor een
                           toezichtsbezoek en/of onderzoek. Dit zal echter voor het gros van de
                           instellingen niet aan de orde zijn gezien het toezicht risicogebaseerd
                           van aard is. Dat wil zeggen dat de toezichthouders de inzet van hun
                           middelen afstemmen op de vastgestelde risico’s onder hun
                           toezichtspopulatie. Ten slotte is het aannemelijk dat de toezichthouders
                           het naleven van de Wwft en de sanctiemaatregelen zoveel als mogelijk in
                           een onderzoek zullen onderbrengen gegeven de samenloop hiervan. Door deze
                           samenloop zijn de regeldrukeffecten beperkter dan in het geval het kader
                           meer af zou wijken van de Wwft.</al>
                    <al>De bovenstaande omschreven kennisnamekosten en kosten voor het toezicht
                           brengen regeldrukkosten met zich mee voor twee groepen: juridische
                           beroepsgroepen onder toezicht van BFT<noot id="n291" type="voet"><noot.nr>285</noot.nr><noot.al>Het gaat om (kandidaat-)notarissen en toegevoegd notarissen,
                                 belastingadviseurs, registeraccountants en
                                 accountants-administratieconsulenten, dan wel degene die anderszins
                                 zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig daarmee
                                 vergelijkbare activiteiten verricht, zoals administratiekantoren en
                                 bedrijfseconomisch adviseurs.</noot.al></noot> en advocaten onder toezicht van de aan te wijzen deken. Het gaat
                           hierbij om respectievelijk 50.000 beroepsuitoefenaars en bedrijven in de
                           eerste groep en 18.513 in de tweede groep.<noot id="n292" type="voet"><noot.nr>286</noot.nr><noot.al>Cijfers op basis van de jaarverslagen 2023 van Bureau
                                 Financieel toezicht en de Nederlandse Orde van Advocaten.</noot.al></noot></al>
                    <al>Voor wat betreft de kennisnamekosten wordt ingeschat dat de eenmalige
                           kosten voor de herziening van beleid, procedures en maatregelen per
                           bedrijf of beroepsuitoefenaar gemiddeld
                           genomen
                           € 1.512,– zullen bedragen. Daarbij wordt uitgegaan van een uurtarief
                           van
                           € 54,– en een tijdsbesteding van 28 uur voor het vernieuwen, afstemmen en
                           implementeren van dit beleid en deze procedures en maatregelen.<noot id="n293" type="voet"><noot.nr>287</noot.nr><noot.al>Het gemiddeld uurloon is gebaseerd op het bruto uurloon voor
                                 hoogopgeleide kenniswerkers zoals opgenomen in bijlage 5 bij het
                                 Handboek meting regeldruk, versie d.d. 29 november 2023.</noot.al></noot></al>
                    <al>Ervaringscijfers op basis van de Wwft laten zien dat de toezichthouders
                           ten aanzien van hun populaties ongeveer 120 onderzoeken voor wat betreft
                           de eerste groep en 75 onderzoeken voor wat betreft de tweede groep
                           uitvoeren in een jaar.<noot id="n294" type="voet"><noot.nr>288</noot.nr><noot.al>Inschatting op basis het jaarverslag van Bureau Financieel
                                 toezicht 2023 en het Jaarplan toezicht op de Advocatuur 2023. Het
                                 betreft hier verschillende type (deel)onderzoeken, waarbij er
                                 sprake is van een toezichtsbezoek of een schriftelijk onderzoek.
                                 Daarnaast zijn deze onderzoeken soms breder in reikwijdte waarbij
                                 ook wordt gekeken naar het gebruik van de derdengeldenrekening en
                                 de aanname contante betalingen.</noot.al></noot> Als dit aantal, gezien de samenhang tussen de Wwft en de naleving
                           van sanctiemaatregelen, wordt doorgetrokken dan is de verwachting dat een
                           select aandeel van de toezichtpopulatie te maken krijgt met een
                           onderzoek. De kosten hiervan zullen afhangen van de omvang en diepgang
                           van het betreffende onderzoek. De inschatting is dat op basis van een
                           gemiddeld onderzoek, als een beroepsuitoefenaar of bedrijf wordt
                           geselecteerd,
                           € 486,– bedraagt. Hierbij wordt uitgegaan van een uurtarief
                           van
                           € 54,– en een tijdsbesteding van negen uur. Uitgaande van 195 onderzoeken
                           in een jaar bedraagt
                           dit
                           € 94.770,– waarbij niet van te voren in te schatten is bij welke
                           beroepsuitoefenaars of bedrijven deze kosten zullen landen.</al>
                    <al>Ten slotte zullen de juridische beroepsgroepen gehoor moeten geven aan
                           verzoeken van de toezichthouder. Hierbij is het voorstelbaar, gezien de
                           huidige risico gebaseerde praktijk, dat de toezichthouders periodiek
                           schriftelijk vragen stellen over de mate van naleving van
                           sanctiemaatregelen door bedrijven of beroepsuitoefenaars. Ook het
                           invullen en beantwoorden van zulke vragen brengen structurele kosten met
                           zich die mede afhankelijk zijn van de aard en complexiteit van de
                           activiteiten van het betreffende bedrijf of beroepsuitoefenaar. Gemiddeld
                           genomen wordt uitgegaan van een bedrag
                           van
                           € 162,– per jaar bij een uurtarief
                           van
                           € 54,– en een tijdsbesteding van drie uur.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">8.3.</nr>
                    <titel>Gevolgen voor Caribisch Nederland</titel>
                  </kop>
                  <al>De Caribische delen van het Koninkrijk hebben ook groot belang bij een
                        functionerende internationale rechtsorde. De Sanctiewet 1977 is bij
                        gelegenheid van de herziening van de Koninkrijksverhoudingen op 10 oktober
                        2010 ook van toepassing verklaard in de openbare lichamen Bonaire, Sint
                        Eustatius en Saba (BES), met uitzondering van de normen die gelden voor
                           Sw-instellingen.<noot id="n295" type="voet"><noot.nr>289</noot.nr><noot.al>Afdeling 7 Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> Hiervoor is indertijd gekozen om op overeenkomstige wijze als in
                        Europees Nederland uitvoering te kunnen geven aan internationale sancties.
                        De toepassingsverklaring zou omzetting van resoluties van de
                        VN-Veiligheidsraad, die voor het gehele Koninkrijk verplichtingen met zich
                        brengen, voor de BES vereenvoudigen. Vanuit het oogpunt van eenheid van
                        buitenlandsbeleid werd het daarbij als wenselijk gezien om GBVB-besluiten en
                        -verordeningen ook in de BES na te leven, ook al strekt het GBVB zich niet
                        uit tot het Caribisch deel van het Koninkrijk.<noot id="n296" type="voet"><noot.nr>290</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2008/09, <extref doc="kst-31959-3" soort="document" status="actief">31 959, nr. 3</extref>, p.
                              31–32.</noot.al></noot> Omdat de Wet op de economische delicten niet van toepassing is in
                        Caribisch Nederland, bevat de Sanctiewet 1977 voor de BES een aantal
                        bepalingen van strafrechtelijke aard.<noot id="n297" type="voet"><noot.nr>291</noot.nr><noot.al>Artikelen 14b en 14c Sanctiewet 1977. Zie uitgebreider: <extref soort="document" doc="kst-31959-3" status="actief">Kamerstukken II
                                 2008/09, 31959, nr. 3 | Overheid.nl &gt; Officiële bekendmakingen
                                 (officielebekendmakingen.nl)</extref>.</noot.al></noot></al>
                  <al>De normen die gelden voor Sanctiewet-instellingen op grond van de
                        Sanctiewet 1977 zijn als zodanig niet van toepassing op de BES. Op basis van
                        sectorale wetgeving geldt een deel daarvan echter wél voor financiële
                        sectorpartijen op de BES, dit vanwege de grote mate van verwevenheid van de
                        financiële sector van de openbare lichamen met Curaçao en Sint Maarten.<noot id="n298" type="voet"><noot.nr>292</noot.nr><noot.al><extref soort="document" doc="kst-32785-3" status="actief">Kamerstukken II 2010/11, 32785, nr. 3 | Overheid.nl &gt; Officiële
                                 bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)</extref>, p.
                              2.</noot.al></noot> In het bijzonder geldt voor financiële ondernemingen op de BES
                        momenteel ook al een sanctiemeldingsplicht bij de DNB op grond van de
                           Wwft-BES.<noot id="n299" type="voet"><noot.nr>293</noot.nr><noot.al>Artikel 3.13 Wwft-BES.</noot.al></noot> Deze ziet op tegoeden die op grond van de sanctiewetgeving bevroren
                        moeten worden. In het Europese deel van Nederland is deze materie geregeld
                        in de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 op grond van de Sanctiewet 1977.
                        Aangezien de bepaling met de desbetreffende grondslag in de Sanctiewet 1977
                        niet van kracht is in de openbare lichamen, is ervoor gekozen deze
                        meldingsplicht te regelen in de Wwft-BES, zodat zowel de meldingsplicht voor
                        ongebruikelijke transacties als de sanctiewetmeldingsplicht voor financiële
                        ondernemingen in een regeling gebundeld zijn.<noot id="n300" type="voet"><noot.nr>294</noot.nr><noot.al><extref soort="document" doc="kst-32785-3" status="actief">Kamerstukken II 2010/11, 32785, nr. 3 | Overheid.nl &gt; Officiële
                                 bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)</extref>, p. 19–20.</noot.al></noot> Ook zijn de toezichtautoriteiten op grond van de Wet financiële
                        markten BES (Wfm-BES) bevoegd tot intrekking van de vergunning als de
                        vergunninghouder de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde regels niet
                           naleeft,<noot id="n301" type="voet"><noot.nr>295</noot.nr><noot.al>Artikel 2:14, onderdeel f, van de Wet financiële markten BES
                              (Wfm BES).</noot.al></noot> en is de verplichte naleving van de van de bij of krachtens de
                        Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels
                        onderdeel van de verplichte integere bedrijfsuitoefening.<noot id="n302" type="voet"><noot.nr>296</noot.nr><noot.al>Artikel 3:8, tweede lid, onderdeel b, Wfm BES en artikel 3:13
                              Besluit financiële markten BES.</noot.al></noot> Op de naleving hiervan wordt toegezien door de AFM en DNB.</al>
                  <al>De regering stelt voor om dit wetsvoorstel ook van toepassing te laten zijn
                        in de BES, met de bestaande uitzondering van de normen die gelden voor
                        Sanctiewet-instellingen. Op dat onderwerp zullen de bestaande normen in de
                        sectorale wetgeving van kracht blijven. Dit is in lijn met het uitgangspunt
                        van ‘comply or explain’: alle Europees-Nederlandse beleidsintensiveringen en
                        de daaruit voortvloeiende wetgeving en financiële gevolgen zijn van
                        toepassing voor Caribisch Nederland, tenzij er redenen zijn om dat niet te
                           doen.<noot id="n303" type="voet"><noot.nr>297</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-36200-IV-85" soort="document" status="actief">36 200-IV, nr. 85</extref>
                              (Toepassing van het principe <nadruk type="cur">comply or
                                 explain</nadruk>).</noot.al></noot> Zodoende zijn de voorgestelde wijzigingen onverkort van toepassing
                        voor marktpartijen op de BES. De op grond van de Sanctiewet 1977 bevoegde
                        opsporingsambtenaren en toezichthouders blijven ook op grond van dit
                        wetsvoorstel ter zake bevoegd.</al>
                  <al>Op grond van artikel 209 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint
                        Eustatius en Saba zijn de bestuurscolleges hierover geconsulteerd. In
                        reactie daarop heeft het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) aangegeven akkoord
                        te zijn met de inhoud en de strekking van het wetsvoorstel. Het is het OLB
                        gebleken dat het wetsvoorstel voornamelijk consequenties heeft voor
                        Sanctiewet-instellingen, niet zijnde het OLB. Bovendien zijn de wijzigingen
                        grotendeels al van kracht op de BES via andere wetgeving, waardoor de
                        wijzigingen alleen maar meer in lijn zijn met de uitvoeringspraktijk. Dit
                        ziet het OLB als positief.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">9.</nr>
                  <titel>Advies en consultatie</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.1</nr>
                    <titel>Preconsultatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel is in preconsultatie gegeven van 14 juli 2023 tot en met
                        25 augustus 2023.<noot id="n304" type="voet"><noot.nr>298</noot.nr><noot.al><extref doc="https://internetconsultatie.nl/sanctiestelsel/b1" soort="URL" status="actief">Overheid.nl | Consultatie Preconsultatie
                                 Modernisering van het Nederlandse sanctiestelsel
                                 (internetconsultatie.nl)</extref>.</noot.al></noot> Het betrof een beleidsnota met een aantal eerste voorstellen,
                        inclusief concrete vragen voor respondenten. Hierop zijn 20 reacties
                        ontvangen, waarvan 19 openbare reacties. Daarnaast heeft van 21 tot en met
                        24 augustus 2023 de Week van de Modernisering van het Nederlandse
                        Sanctiestelsel plaatsgevonden. Op uitnodiging van het Ministerie van
                        Buitenlandse Zaken kwamen verschillende experts en vertegenwoordigers van
                        brancheorganisaties bij elkaar om te spreken over de modernisering van het
                        Nederlandse sanctiestelsel en de voorstellen die daartoe al waren
                        gepubliceerd tijdens de preconsultatie. De reacties op de preconsultatie en
                        tijdens de Week van de Modernisering van het Nederlandse Sanctiestelsel
                        waren zeer waardevol voor de verdere vormgeving van het wetsvoorstel.</al>
                  <al>In de beleidsnota is aangegeven dat de regering voornemens is om
                        bestuursrechtelijke handhaving mogelijk te maken voor bepaalde
                        sanctieschendingen, naast de bestaande mogelijkheden om strafrechtelijk te
                        handhaven. Daarbij is vermeld dat daarvoor een, zo veel als mogelijk,
                        flexibel systeem zal worden gehanteerd dat rekening houdt met toekomstige
                        sanctieregels. De respondenten hebben aangegeven positief te staan tegenover
                        het regelen van bestuursrechtelijke handhaving, mits duidelijkheid bestaat
                        over de specifieke regels. Daarnaast is in deze toelichting op verzoek van
                        een andere respondent aandacht voor het voorstel voor een richtlijn van
                        december 2022 van het Europees Parlement en
                        de Raad betreffende de definitie van strafbare feiten en sancties voor de
                        schending van beperkende maatrelen van de Unie.<noot id="n305" type="voet"><noot.nr>299</noot.nr><noot.al>Zie <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021PC0420" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52021PC0420 – EN – EUR-Lex
                                 (europa.eu)</extref>, <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52021PC0423" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52021PC0423 – EN – EUR-Lex
                                 (europa.eu)</extref> en <extref doc="https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM:2022:684:FIN" soort="URL" status="actief">EUR-Lex – 52022PC0684 – EN – EUR-Lex
                                 (europa.eu)</extref>. Inmiddels is dit voorstel tot richtlijn
                              verheven.</noot.al></noot></al>
                  <al>Een aantal vragen in de beleidsnota ging over het onderwerp beheer en
                        bewind van langdurig bevroren tegoeden en economische middelen. Bijna alle
                        respondenten geven aan positief te zijn over een dergelijk mechanisme. De
                        respondenten hebben de behoefte geuit aan een uitgebreide toelichting op dit
                        onderwerp, om zo eventuele onduidelijkheid in de praktijk zo veel als
                        mogelijk weg te nemen. Dit zag met name ook op de mogelijke situaties waarin
                        beheer en bewind ingesteld zou kunnen worden. De regering heeft geprobeerd
                        daaraan tegemoet te komen. Ook zijn er als onderdeel van de preconsultaties
                        een aantal voorstellen gedaan (zoals de beheer en bewind systematiek
                        inzetten voor het eventueel gebruiken van bevroren tegoeden voor wederopbouw
                        Oekraïne, evenals het helpen van Nederlandse entiteiten bij doorbreken van
                        banden met gesanctioneerde partijen), waarvan de regering de voorkeur geeft
                        hier Europese mogelijkheden en oplossingen voor te zoeken. Het is daarom
                        geen onderdeel van dit wetsvoorstel.<noot id="n306" type="voet"><noot.nr>300</noot.nr><noot.al>Zie paragraaf 3.4. over het beheer van (langdurig) bevroren
                              economische middelen.</noot.al></noot> Allerlaatst is door verschillende respondenten gewezen op de
                        spanning tussen het stelsel van beheer en bewind en het eigendomsrecht. De
                        regering heeft daar bijzondere aandacht voor gehad in dit wetsvoorstel.<noot id="n307" type="voet"><noot.nr>301</noot.nr><noot.al>Hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 4.1.1. van deze
                              memorie van toelichting.</noot.al></noot></al>
                  <al>Een ander punt van aandacht tijdens de preconsultatie betrof het
                        centraliseren van informatie, in het bijzonder sanctiemeldingen. Vrijwel
                        alle respondenten zien meerwaarde in een dergelijke centralisatie. De
                        respondenten geven daarbij aan dat centralisering van meldingen kan leiden
                        tot effectievere naleving. De regering komt hieraan tegemoet en introduceert
                        met dit wetsvoorstel een centraal meldpunt sancties.</al>
                  <al>Als laatste is in de beleidsnota aangegeven dat de regering voornemens is
                        om de aantekenbevoegdheden die al bestaan in het kader van de
                        Ruslandsancties te verankeren en uit te breiden naar een groter aantal
                        registers. Het kabinet heeft daarbij expliciet gevraagd of aantekeningen in
                        registers in de optiek van respondenten een geschikt middel zijn om de
                        publieke kenbaarheid van sanctiemaatregelen te vergroten, en of de
                        geïdentificeerde openbare registers daarvoor voldoende uitputtend zijn. De
                        meeste respondenten hebben aangegeven dat deze aantekeningen bijdragen aan
                        de openbare kenbaarheid van internationale sanctiemaatregelen. Er zijn geen
                        aanvullende openbare registers gesuggereerd. Wel werd door een aantal
                        respondenten aandacht gevraagd voor de kaders, randvoorwaarden en
                        aanverwante ontwikkelingen. De regering heeft daar in de toelichting
                        aandacht aan besteed.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.2</nr>
                    <titel>Internetconsultatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Het wetsvoorstel is gepubliceerd op <extref soort="URL" doc="http://www.internetconsultatie.nl" status="actief">www.internetconsultatie.nl</extref> waarbij eenieder van 7 juni tot en
                        met 9 augustus 2024 in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het
                        ontwerp naar voren te brengen. Op het wetsvoorstel zijn in totaal 22
                        zienswijzen ontvangen. Voor zover deze reacties openbaar gemaakt mochten
                        worden, zijn deze te vinden op de website <extref doc="http://www.internetconsultatie.nl/" soort="URL" status="actief">www.internetconsultatie.nl</extref>. Tijdens de internetconsultatie zijn
                        ook wederom op uitnodiging van het Ministerie van Buitenlandse Zaken experts
                        en vertegenwoordigers van brancheorganisaties bij elkaar gebracht om inbreng
                        op te halen. Ongeveer 80 genodigden namen op 5 augustus 2024 in dat verband
                        deel aan de Dag van de Modernisering van het Sanctiestelsel. Tijdens deze
                        dag is ook de bedrijfseffectentoets/MKB-toets verricht. Deze had de vorm van
                        een panelgesprek, waarin deelnemers uit het bedrijfsleven gevraagd werd
                        actief mee te denken over de vormgeving van het wetsvoorstel. De deelnemers
                        konden op basis van praktijkervaring concreet aangeven of het wetsvoorstel
                        werkbaar en uitvoerbaar is. Ook werden de deelnemers aangemoedigd om aan te
                        geven waar eventuele knelpunten zitten en hoe de regeldruk zoveel mogelijk
                        beperkt of voorkomen kan worden.</al>
                  <al>De reacties op zowel de internetconsultatie als tijdens de Dag van de
                        Modernisering van het Sanctiestelsel hebben geleid tot wijziging van het
                        wetsvoorstel en de memorie van toelichting. In het consultatieverslag dat
                        openbaar zal worden gemaakt via <extref soort="URL" doc="http://www.internetconsultatie.nl" status="actief">www.internetconsultatie.nl</extref> wordt ingegaan op de ingebrachte
                        zienswijzen. Dit deel van de toelichting beperkt zich tot de belangrijkste
                        onderdelen waarop gereageerd is.</al>
                  <al>Meerdere partijen benadrukken het belang van de uitvoering en
                           uitvoerbaarheid van internationale sanctiemaatregelen, net als het belang
                           van het tegengaan van de negatieve maatschappelijke bijeffecten daarvan.
                           Ook het belang van de modernisering van het sanctiestelsel
                           respectievelijk het hebben van een adequaat sanctiestelsel wordt breed
                           onderschreven. Een aantal partijen noemt in dit kader in het bijzonder
                           het belang van een goede informatievoorziening.</al>
                  <al>Tegelijkertijd hebben een aantal partijen uitdrukkelijk aandacht
                           gevraagd voor de negatieve bijeffecten die geldende internationale
                           sanctiemaatregelen met zich kunnen brengen. Zo is vanuit het
                           maatschappelijk middenveld gevraagd om een onafhankelijke periodieke
                           meting van de gevolgen voor burgers (inclusief mkb) van het
                           poortwachterstoezicht. Ook is door meerdere partijen aandacht gevraagd
                           voor de discriminatie die burgers ervaren in hun contacten met banken en
                           betaalinstellingen bij het vervullen van hun poortwachtersrol. Als er
                           discriminatie plaatsvindt is dit eenvoudigweg onacceptabel. Artikel 1 van
                           de Grondwet is hier duidelijk over: discriminatie is verboden. Dit is een
                           breder vraagstuk waarop vanuit het Ministerie van Financiën en in
                           samenwerking met de DNB en de Nederlandse Vereniging van Banken een
                           aantal concrete actielijnen op lopen. Een daarvan is het verbeteren van
                           de toepassing van de Wwft en de sanctiewetgeving. Tevens zal het kabinet
                           aandacht houden voor het voorkomen van discriminatie bij de herziening
                           van de sanctiewetgeving (tweede tranche).<noot id="n308" type="voet"><noot.nr>302</noot.nr><noot.al>Zie uitgebreider: <extref doc="https://open.overheid.nl/documenten/d08e105a-f2a9-4184-bbb3-b86e46f589b5/file" soort="URL" status="actief">Brief – Voortgang aanpak ervaren
                                    discriminatie door banken</extref>.</noot.al></noot></al>
                  <al>Ten slotte is door meerdere betrokkenen verzocht om meer helderheid te
                           scheppen over de toepassing van internationale sanctiemaatregelen bij
                           complexe eigendoms- en/of zeggenschapsstructuren van ondernemingen. Op
                           dit vlak zal de bestaande praktijk gecontinueerd worden. Het Bureau
                           Toezicht Investeringen (BTI) bij het Ministerie van Economische Zaken
                           geeft op verzoek al bestuurlijke rechtsoordelen. BTI zal vaker een
                           bestuurlijk rechtsoordeel opstellen, doch uitsluitend op verzoek van een
                           onderneming, om te beoordelen wat de sanctiestatus van een onderneming
                           is. Het oordeel kan vervolgens leiden tot een aantekening in het
                           Handelsregister.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.1.</nr>
                      <titel>Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen</titel>
                    </kop>
                    <al>De reacties op de voorgenomen introductie van bestuursrechtelijke
                           handhaving zijn eensluidend positief. Vanuit het bedrijfsleven (o.a.
                           VNO-NCW en MKB-Nederland) wordt de introductie van bestuursrechtelijke
                           handhaving verwelkomd. Wel is daarbij aandacht gevraagd voor de
                           verhouding tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving. De
                           toelichting is op dit punt verduidelijkt. Een aantal consultatiereacties
                           van meer gedetailleerde aard wordt uitgebreider besproken in het
                           consultatieverslag.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.2.</nr>
                      <titel>Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of
                              ontduiking van sanctiemaatregelen</titel>
                    </kop>
                    <al>Ten aanzien van de bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige
                           niet-naleving of ontduiking van sanctiemaatregelen is er gevraagd om
                              <nadruk type="cur">guidance</nadruk> over hoe om te gaan met een
                           relatie die onderworpen is aan de bijzondere handhavingsbevoegdheid, is
                           verzocht om aanvullende kaders voor wanneer de inzet van deze bevoegdheid
                           gerechtvaardigd is, en is gevraagd naar de status van vervangend
                           bestuurders en de verhouding van de bevoegdheid tot de mogelijkheid die
                           het Openbaar Ministerie op basis van de Wet op de economische delicten
                           heeft om voorlopige maatregelen op te leggen. Op deze punten is de
                           toelichting verduidelijkt. Voor meer informatie zij verwezen naar het
                           consultatieverslag.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.3.</nr>
                      <titel>Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanuit het bedrijfsleven is positief gereageerd op de introductie van
                           het instrument van beheer van (langdurig) bevroren economische middelen.
                           Eén van de geconsulteerde partijen heeft daarbij expliciet opgemerkt dat
                           de maatregelen die een onderneming op grond van de internationale
                           sanctiemaatregel zelf al moet nemen, zoals het bevriezen van
                           dividenduitkeringen en het bevriezen van stemrechten van de
                           desbetreffende aandeelhouder, onvoldoende zijn. De introductie van dit
                           instrument wordt dan ook verwelkomd.</al>
                    <al>Wel wordt vanuit verschillende hoeken gepleit voor uitzonderingen dan
                           wel aanvullingen op de personele reikwijdte van het instrument. Naar
                           aanleiding van deze reacties heeft het kabinet het wetsontwerp op dit
                           punt opnieuw tegen het licht gehouden, met de uitkomst dat de reikwijdte
                           van het instrumentarium beperkt is. Voor financiële ondernemingen geldt
                           kort gezegd dat er al verscheidene (sub)sectorale bevoegdheden zijn die
                           qua karakter soortgelijk zijn aan het voorgestelde instrumentarium. Het
                           bestaan van die bevoegdheden rechtvaardigt een aantal specifieke
                           uitzonderingen en reikwijdtebepalingen die elders in de toelichting nader
                           uiteen zijn gezet. Voor de advocatuur geldt dat de onafhankelijkheid van
                           de juridische professie met zich brengt dat het niet passend wordt geacht
                           om deze beroepsgroep onderhevig te kunnen laten zijn aan het voorgestelde
                           instrumentarium.</al>
                    <al>Verscheidene partijen hebben bovendien verzocht de bevoegdheid tot het
                           aanwijzen van een bewindvoerder voor ondernemingen neer te leggen bij één
                           bewindspersoon. Hier is gevolg aan gegeven door te bepalen dat de
                           Minister van Economische Zaken het besluit neemt en dit doet in
                           overeenstemming met de bewindspersoon die het mede aangaat.</al>
                    <al>Verder is gevraagd om aandacht te besteden aan verschillende
                           rechtsvormen en over de verhouding van de figuur van de bewindvoerder tot
                           verschillende ondernemingsstructuren, respectievelijk
                           vennootschapsorganen. Hierop wordt elders in deze toelichting en in het
                           consultatieverslag ingegaan.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.4.</nr>
                      <titel>Aantekeningen in registers</titel>
                    </kop>
                    <al>Partijen uit verschillende sectoren uiten zich positief over het
                           voornemen om de mogelijkheid tot het plaatsen van aantekeningen uit te
                           breiden naar alle sanctieregimes en een groter aantal openbare registers.
                           Er wordt tegelijkertijd terecht gewezen op de mogelijke gevolgen van
                           dergelijke aantekeningen. Het kabinet is zich hiervan bewust en wijst
                           daarbij ook op de aard van de verschillende registers. In een aantal
                           gevallen, zoals bij de kadastrale registraties, gaat het bijvoorbeeld om
                           het kenbaar maken van een internationale bevriezingsmaatregel aan het
                           bredere publiek. Een aantekening wordt in dat geval alleen geplaatst als
                           onomstotelijk vaststaat dat het betrokken geregistreerde voorwerp
                           bevroren is. In het geval van het Handelsregister kan ook een aantekening
                           worden geplaatst zonder dat de ingeschreven onderneming als zodanig
                           bevroren is. Met de aantekening wordt het dan mogelijk voor burgers en
                           bedrijven om op eenvoudige wijze informatie in te winnen over de vraag of
                           sprake is van een (rechts)relatie met een gesanctioneerde (verbonden)
                           persoon, entiteit of lichaam.</al>
                    <al>Een onderwerp waar in dit kader ook aandacht voor wordt gevraagd is de
                           noodzakelijke rechtsbescherming. Het is belangrijk dat belanghebbenden de
                           mogelijkheid hebben om beroep aan te tekenen tegen een aantekening. Als
                           een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit
                           kenbaar maken bij de beheerder van het betreffende register. Deze zal, op
                           grond van de doorzendplicht in het bestuursrecht, het bestuursorgaan dat
                           de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst
                           hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling
                           daarvan aan de afzender. Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling
                           ter hand nemen door de informatie die is gedeeld met het register te
                           delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule. Het
                           kabinet wil er tot slot op wijzen dat aantekeningen in registers een
                           hulpmiddel zijn voor eenieder om een goede naleving van internationale
                           sanctiemaatregelen te vergemakkelijken. Hoewel het kabinet ernaar streeft
                           dat de aantekeningen in de verschillende registers zo volledig mogelijk
                           zijn, kan dit niet worden verzekerd. Dat zou een <nadruk type="cur">real-time</nadruk> verwerking van aantekeningen moeten betekenen en
                           is op dit moment praktisch niet haalbaar.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.5.</nr>
                      <titel>Centraal meldpunt sancties</titel>
                    </kop>
                    <al>Een groot aantal partijen verwelkomt de oprichting van het centraal
                           meldpunt sancties. De komst van het centraal meldpunt sancties voorziet
                           wat het kabinet betreft dus duidelijk in een behoefte. Enkele partijen
                           werpen vragen op over hoe het meldpunt met de meldingen om zal gaan. Ook
                           is aandacht gevraagd voor de taakverdeling tussen het centraal meldpunt
                           en andere partijen, zoals de CDIU bij de Douane en de FIU-NL. Naar
                           aanleiding van deze en andere vragen zijn zowel het wetsvoorstel als de
                           toelichting aangepast.</al>
                    <al>Een aantal partijen roept op tot het verbreden van de taken van het
                           centraal meldpunt sancties naar een centraal informatiepunt over sancties
                           en/of een centrale sanctieautoriteit. Een bredere informatietaak is
                           overwogen en heeft mogelijk ook meerwaarde gezien de centrale
                           loketfunctie. Het geven van informatie is en blijft momenteel echter nog
                           bij meerdere partijen belegd. Er is in dit stadium dus gekozen voor een
                           gedeeltelijke centralisatie richting het centraal meldpunt. In de
                           toekomst is het echter zonder deze wet te wijzigen mogelijk het centraal
                           meldpunt sancties in taken uit te breiden, door de sanctieregelingen aan
                           te passen. Als het gaat om de verbreding tot een centrale
                           sanctieautoriteit, hangt die keuze samen met de keuze op dit moment niet
                           één bestuursorgaan aan te wijzen dat belast is met de bestuursrechtelijke
                           handhaving van alle soorten sanctieschendingen. Een ontwikkeling richting
                           een meeromvattende autoriteit is voor de toekomst echter zeker niet uit
                           te sluiten en hangt ook samen met de inrichtingskeuzes ten aanzien van
                           aanpalende beleidsvelden. Het kabinet zal hiernaar in de komende periode
                           onderzoek doen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.6.</nr>
                      <titel>Verbeterde gegevensuitwisseling</titel>
                    </kop>
                    <al>Het bedrijfsleven is een voorstander van de verbeterde
                           gegevensuitwisseling waarin het wetsvoorstel voorziet omdat dit de
                           rechtszekerheid voor bedrijven verbetert. Op enkele punten is gevraagd om
                           een verduidelijking van de reikwijdte. Daarin is voorzien.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.2.7.</nr>
                      <titel>Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding
                              naar juridische beroepsgroepen</titel>
                    </kop>
                    <al>In de consultatiereacties onderschrijven alle partijen het belang van
                           modernisering van het sanctiestelsel, maar worden vragen gesteld over de
                           precieze invulling van het bedrijfsvoeringstoezicht. Financiële
                           instellingen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Banken, de
                           Verenigde Betaalinstellingen Nederland en het Verbond van Verzekeraars,
                           pleiten voor een risicogebaseerde benadering en vragen om nauwe
                           aansluiting bij bestaande regelgeving in het kader van de Wwft en
                           relevante Europese wetgeving. Zij benadrukken het belang van duidelijke
                           definities van begrippen als ‘relatie’ en ‘verbonden personen’ om een
                           eenduidige toepassing van de regelgeving te waarborgen. Tevens wordt
                           gewezen op het risico van dubbele of inefficiënte controles als gevolg
                           van overlappende regelgevende kaders en verschillende toezichthouders.
                           Deze aandachtspunten worden onderkend en raken enerzijds aan de
                           praktische inrichting van het toezicht, en anderzijds aan de nadere
                           uitwerking van regelgeving door de AFM, DNB, het BFT en het College van
                           Toezicht van de Nederlandse orde van advocaten.</al>
                    <al>De juridische beroepsgroepen, waaronder de Nederlandse Orde van
                           advocaten, Netwerk Notarissen en de Koninklijke Nederlandse
                           Beroepsorganisatie van Accountants, brengen aanvullende aandachtspunten
                           in met betrekking tot de uitbreiding van het bedrijfsvoeringstoezicht
                           naar hun sectoren. De Nederlandse orde van advocaten pleit voor
                           aansluiting bij de bestaande toezichtsystematiek van de Advocatenwet. Van
                           deze lijn wordt gemotiveerd afgeweken door in het wetsvoorstel te
                           voorzien in aanwijzing van één deken die belast wordt met het
                           sanctietoezicht, zodat gespecialiseerde kennis en expertise op het
                           terrein van sanctieregelgeving centraal kunnen worden geborgd en niet
                           versnipperd raken over de verschillende arrondissementen.</al>
                    <al>De Nederlandse orde van advocaten en Netwerk Notarissen vragen om
                           duidelijke waarborgen bij de doorbreking van de geheimhoudingsplicht.
                           Voor de geheimhoudingsplicht sluit het wetsvoorstel aan voor het toezicht
                           op de bedrijfsvoering bij de systematiek uit de Wwft: werkzaamheden die
                           betrekking hebben op de bepaling van de rechtspositie, vertegenwoordiging
                           en verdediging in rechte vallen buiten de reikwijdte van het toezicht.
                           Daarnaast worden artikelen 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a,
                           derde lid, van de Wet op het notarisambt, van overeenkomstige toepassing
                           verklaard. Hierdoor zijn de advocaat en de notaris niet gehouden aan hun
                           geheimhoudingsplicht ten behoeve van het toezicht door respectievelijk de
                           deken en BFT.</al>
                    <al>De Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants wijst op
                           mogelijke samenloop tussen sanctiewetgeving en de controleplicht van
                           accountants. Gelet op het primaat van rechtstreeks werkende Europese
                           sanctieverordeningen prevaleren dergelijke verboden boven nationale
                           verplichtingen. Verder pleit de Koninklijke Nederlandse
                           Beroepsorganisatie van Accountants voor uniforme definities tussen
                           sanctieregelgeving en de Wwft en vraagt zij aandacht voor de
                           uitvoerbaarheid, met name bij kleinere kantoren. Dit laatste wordt
                           onderkend in die zin dat bij de invulling van het toezicht rekening
                           gehouden wordt met de aard en omvang van de instellingen.</al>
                    <al>Ook vraagt de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants
                           om coördinatie van meldplichten via één centraal meldpunt en tijdige
                           terugkoppeling bij meldingen. Zoals in het wetsvoorstel is gemotiveerd,
                           is het de bedoeling dat meldingen centraal worden ontvangen bij het
                           meldpunt. Daarbij wordt voorzien in een bevestiging van ontvangst
                           richting meldende partijen. Het meldpunt krijgt tevens een
                           voorlichtingsfunctie over de invulling van de meldingsplicht. Netwerk
                           Notarissen vraagt daarnaast om verdere verduidelijking bij de beoordeling
                           van complexe eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen.</al>
                    <al>De overige punten die in bovenstaande alinea’s niet direct zijn
                           geadresseerd, hangen samen met de nadere uitwerking van de
                           bedrijfsvoeringsregels die door de AFM, DNB, het BFT en het College van
                           Toezicht van de Nederlandse orde van advocaten zullen worden vastgesteld.
                           Deze aandachtspunten zullen bij de betreffende toezichthouders en het
                           College van Toezicht aan de orde worden gesteld. Daarnaast komen deze
                           onderwerpen aan de orde bij de voorbereiding van de tweede tranche
                           wetgeving met betrekking tot de bedrijfsvoering en het daarop gerichte
                           toezicht.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <nr status="officieel">9.3</nr>
                    <titel>Adviezen</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.3.1.</nr>
                      <titel>Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Op 8 augustus 2024 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)
                              advies uitgebracht over dit wetsvoorstel. Het ATR beoordeelt de
                              regeldrukgevolgen aan de hand van het volgende toetsingskader:</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>1.</li.nr>
                          <al>Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en
                                    is wetgeving het meest aangewezen instrument?</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>2.</li.nr>
                          <al>Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>3.</li.nr>
                          <al>Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de
                                    doelgroepen die de wetgeving moeten naleven?</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>4.</li.nr>
                          <al>Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld
                                    gebracht?</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </al-groep>
                    <al>De noodzaak van het voorstel beschouwt het ATR als gegeven door het
                              feit dat de Sanctiewet 1977 verouderd is. Het nut van het voorstel
                              ziet het ATR beschreven in de toelichting, waarin wordt beschreven hoe
                              de voorgestelde maatregelen bijdragen aan de effectiviteit van
                              internationale sanctiemaatregelen. Naar het oordeel van het ATR is de
                              mate waarin de voorgestelde wijzigingen hieraan bijdragen echter niet
                              duidelijk, waardoor in een evaluatie ook niet goed kan worden bepaald
                              of de modernisering van het sanctiestelsel de gewenste effecten heeft.
                              Het ATR heeft daarom geadviseerd om in de toelichting bij het voorstel
                              inzicht te bieden in de mate waarin de effectiviteit van het
                              sanctieregelgeving zal toenemen. De regering heeft dit adviespunt ter
                              harte genomen en is naar aanleiding hiervan in de toelichting waar
                              mogelijk uitgebreider ingegaan op de mate waarin de voorgestelde
                              maatregelen bijdragen aan de effectiviteit van internationale
                              sanctiemaatregelen. Ook is gepreciseerd welke aspecten in de
                              wetsevaluatie aan bod moeten komen.</al>
                    <al>Met betrekking tot eventuele minder belastende alternatieven, heeft
                              het ATR geconstateerd dat de toelichting hier aandacht aan besteedt.
                              Zo is bij de uitbreiding van bestuursrechtelijk toezicht naar
                              juridische beroepsgroepen aansluiting gezocht bij de Wwft en de
                              toezichthouders van de Wwft. Ook bij het centraal meldpunt zijn minder
                              centrale varianten overwogen maar verworpen. Voorts is overwogen om
                              ontheffingen die nu door de verschillende
                              ministers worden verleend, te
                              centraliseren. Hetzelfde geldt voor de vraagbaakfunctie en de
                              bestuursrechtelijke handhaving. In dat licht adviseert het ATR zo veel
                              mogelijk te kiezen voor één organisatie die niet alleen meldpunt is,
                              maar ook de andere hierboven genoemde bevoegdheden krijgt. De regering
                              volgt het ATR niet in dit advies, en is van opvatting dat de regeldruk
                              daar ook niet mee geholpen zou zijn geweest. Bestuursrechtelijk
                              toezicht brengt meer regeldruk met zich voor onder toezicht staande
                              instellingen wanneer daarbij niet aangesloten wordt bij de
                              Wwft-groepen (op termijn: AML-groepen). De synergetische voordelen van
                              aansluiten bij de Wwft-toezichthouders worden ook al benoemd in de
                              toelichting. Bestuursrechtelijke handhaving is voorts volgend en niet
                              leidend bij de rol die een autoriteit binnen het sanctiestelsel heeft.
                              Het ligt daarmee niet voor de hand om een centrale autoriteit bevoegd
                              te maken tot het handhaven van normen, wanneer het toezicht op de
                              naleving daarvan elders belegd is (bijvoorbeeld Douane en BFT). Het
                              alternatief zou meer regeldruk met zich brengen voor bedrijven,
                              doordat ze met twee verschillende overheidsorganisaties te maken
                              krijgen op dezelfde norm. Ook zou dit voor toenemende
                              afstemmingslasten leiden voor de betreffende overheidspartijen. Het in
                              de toekomst beleggen van de vraagbaakfunctie bij het centraal meldpunt
                              sancties houdt de regering op dit moment nog in overweging. Dat geldt
                              ook voor het beleggen van de ontheffingsbevoegdheden. Dit kan in de
                              toekomst gaande de bredere modernisering van het sanctiestelsel
                              eventueel worden meegenomen.</al>
                    <al>Op het gebied van de werkbaarheid van het voorstel concludeert het
                              ATR dat het onderwerp voldoende aandacht heeft gekregen. Zowel het
                              centraal meldpunt als het uniforme meldformulier hebben niet alleen
                              voordelen voor de overheid, maar maken toekomstige meldingen ook
                              eenvoudiger. De mogelijkheid van een invoeringstoets was echter niet
                              vermeld en het ATR heeft geadviseerd om een jaar na inwerkingtreding
                              van het wetsvoorstel een invoeringstoets uit te voeren om na te gaan
                              of het raadplegen van de registers, de meldingen en de aanvragen voor
                              een bewindvoerder in de praktijk goed werkbaar zijn. De regering neemt
                              dit adviespunt in dank over, met dien verstande dat het tijdstip
                              waarop de invoeringstoets zal worden verricht nader bepaald zal moeten
                              worden. Vastgehouden zal worden aan het uitgangspunt dat de
                              invoeringstoets wordt uitgevoerd op het vroegst mogelijke moment
                              waarop iets nuttigs gezegd kan worden over de werking van de
                              regelgeving in de praktijk.<noot id="n309" type="voet"><noot.nr>303</noot.nr><noot.al>Zie hierover o.m. Kamerstukken II 2024/25, <extref doc="kst-36600-VI-12" soort="document" status="actief">36 600
                                       VI, nr. 12</extref>, p. 2.</noot.al></noot></al>
                    <al>Op het punt van de regeldrukkosten adviseert het ATR ten slotte om de
                              regeldrukberekening op een aantal punten aan te vullen, overeenkomstig
                              de Rijksbrede systematiek. Hier is in de regeldrukparagraaf gevolg aan
                              gegeven.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.3.2.</nr>
                      <titel>Raad voor de Rechtspraak</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 5 september 2024 heeft de Raad voor de Rechtspraak (hierna: de Raad)
                           advies uitgebracht over het wetsvoorstel. De Raad maakt adviesopmerkingen
                           over de grondslagen om uitvoering te geven aan internationale
                           sanctiemaatregelen, over de bestuursrechtelijke rechtsbescherming en over
                           de geheimhoudingsplicht voor juridische beroepsgroepen. De Raad verwacht
                           op basis van het wetsvoorstel geen substantiële werklastverzwaring voor
                           de rechterlijke macht.</al>
                    <al>Met betrekking tot de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
                           wijst de Raad er in het kader van het legaliteitsbeginsel en in het
                           belang van rechtszekerheid op, dat in het geval (met spoed) een
                           ministeriële regeling wordt opgesteld, de inhoud van die regeling kenbaar
                           en toegankelijk moet worden gemaakt voor degenen die het aangaat. Dat is
                           noodzakelijk teneinde een (rechts)persoon (strafrechtelijk) aansprakelijk
                           te kunnen stellen voor het overtreden van een voorschrift gesteld bij de
                           ministeriële regeling in kwestie.</al>
                    <al>De regering onderschrijft het belang hiervan. Grondwettelijk kunnen deze
                           ministeriële regelingen als zogeheten andere vanwege het Rijk
                           vastgestelde algemeen verbindende voorschriften niet in werking treden
                           voordat zij bekend zijn gemaakt.<noot id="n310" type="voet"><noot.nr>304</noot.nr><noot.al>Artikel 89, derde en vierde lid, van de Grondwet.</noot.al></noot> Op grond van de Bekendmakingswet worden bij ministeriële regeling
                           vastgestelde algemeen verbindende voorschriften door plaatsing in de
                           Staatscourant bekendgemaakt.<noot id="n311" type="voet"><noot.nr>305</noot.nr><noot.al>Artikel 5, aanhef en onderdeel a, van de
                                 Bekendmakingswet.</noot.al></noot> Dat is voor sanctieregelingen niet anders en is dan ook vaste
                           praktijk. Hierbij verdient nog aantekening dat het een wet in formele zin
                           is waarin bepaald wordt dat de inhoud van sanctieregelingen strafbaar is.
                           Dat wordt namelijk bepaald in de Wet op de economische delicten.<noot id="n312" type="voet"><noot.nr>306</noot.nr><noot.al>Artikel 1 van de Wet op de economische delicten.</noot.al></noot> De wet bepaalt ook de op te leggen straf.</al>
                    <al>De Raad maakt in dit verband ook een opmerking over artikel 7.1.2 van
                           het wetsvoorstel. Deze bepaling bevat de grondslag om bestuursorganen met
                           bepaalde handhavende bevoegdheden (artikel 7.1.2) aan te wijzen. De Raad
                           vindt het minder passend de aanwijzing van het bevoegde bestuursorgaan
                           pas bij nader besluit of regeling te laten plaatsvinden omdat hier sprake
                           is van verstrekkende bevoegdheden, zoals bijvoorbeeld het opleggen van
                           bestuurlijke boetes of het aanwijzen van personen die het bestuur van een
                           onderneming overnemen. In theorie kan zo elk bestuursorgaan worden
                           opgedragen deze verstrekkende bevoegdheden uit te oefenen, aldus de Raad.
                           De Raad adviseert dan ook om in de wet in formele zin te regelen welke
                           bestuursorganen bij nader besluit of regeling kunnen worden aangewezen
                           als het bevoegde bestuursorgaan voor de betreffende sanctieregeling.</al>
                    <al>De regering volgt de Raad op dit punt ten dele. De bestuursorganen
                           waarvan bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel al duidelijk is dat zij
                           een bestuursrechtelijke handhavingstaak zullen krijgen, zijn in het
                           wetsvoorstel zelf opgenomen. Daarbij is de mogelijkheid behouden om bij
                           sanctiebesluit of sanctieregeling aanvullende bestuursorganen aan te
                           wijzen met bestuursrechtelijk handhavende bevoegdheden. Er geldt wel een
                           aantal nuances bij de opmerking van de Raad. Allereerst is er, anders dan
                           de Raad stelt, in artikel 7.1.2 geen sprake van het aanwijzen van een
                           bestuursorgaan dat de bevoegdheid zou hebben om personen aan te wijzen
                           die het bestuur van een onderneming kunnen overnemen. De grondslag is
                           beperkt tot het aanwijzen van bestuursorganen die een bestuurlijke boete,
                           aanwijzingsbeschikking of last onder bestuursdwang kunnen opleggen. In
                           die zin was en is de bepaling beperkt tot de klassieke
                           bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden. Het is daarbij niet mogelijk
                           om uitputtend op voorhand te bepalen welke bestuursorganen het best
                           geëquipeerd zijn om uitvoering te geven aan (een onderdeel van) een
                           bepaalde internationale sanctiemaatregel. Het is tot slot een misvatting
                           om te denken dat het mogelijk is om voor een sanctieregeling een enkel
                           bestuursorgaan aan te wijzen. De reden hiervoor is dat sanctieregelingen
                           vaak uitvoering geven aan normen die verspreid liggen over de werkvelden
                           van meerdere bestuursorganen.</al>
                    <al>Met betrekking tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming merkt de
                           Raad op dat uit het Toetsingskader wettelijke concentratie<noot id="n313" type="voet"><noot.nr>307</noot.nr><noot.al><extref doc="https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/toetsingskader-wettelijke-concentratie.pdf" soort="URL" status="actief">https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/toetsingskader-wettelijke-concentratie.pdf</extref>.</noot.al></noot> volgt dat concentratie van het beroep in eerste aanleg bij een
                           specifieke rechtbank is aangewezen als er specifieke deskundigheid is
                           vereist voor de behandeling van de beroepszaken en het gaat om een
                           beperkt aantal zaken per jaar. Verder geldt dat ook voor het aanwijzen
                           van de hogerberoepsrechter moet worden bezien of het wenselijk is niet de
                           algemene maar een van de bijzondere bestuursrechtelijke
                           hogerberoepsrechters bevoegd te maken. De Raad adviseert gelet hierop om
                           in het wetsvoorstel te voorzien in een bijzondere bevoegdheidsregeling
                           voor het beroep en het hoger beroep en in verband daarmee bijlage 2 bij
                           de Awb aan te passen. Ten aanzien van de bestuursorganen die in het kader
                           van het wetsvoorstel bevoegdheden krijgen toebedeeld die vergelijkbaar
                           zijn met die waarvoor in bijlage 2 van de Awb al in concentratie is
                           voorzien, past het volgens de Raad om deze te concentreren bij de
                           desbetreffende rechtbank en appelinstantie. De Raad acht het daarom
                           wenselijk om ook hier te voorzien in een bijzondere competentie voor de
                           rechtbank Rotterdam in eerste aanleg en in hoger beroep bij het College
                           van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) omdat er vaak een samenhang
                           bestaat met de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht
                           trustkantoren 2018, waarvoor de rechtbank Rotterdam en het CBb al bevoegd
                           zijn. Het zou in de optiek van de Raad onwenselijk zijn als er in het
                           kader van het wetsvoorstel een versnippering zou ontstaan van
                           bevoegdheden en daarmee ook een verschil in expertise. De Raad wijst er
                           verder op dat in de Sanctiewet 1977 ook, en op goede gronden, al is
                           gekozen voor deze rechtsgang. De regering heeft het wetsvoorstel
                           overeenkomstig dit adviespunt aangepast en voorgelegd aan de Raad voor de
                           Rechtspraak voor een nadere werklastbeoordeling door het CBb. Uitkomst
                           van de nadere werklastbeoordeling is dat de Raad geen significant
                           werklasteffect ziet voor de Rechtspraak.</al>
                    <al>De Raad merkt op dat in artikel 3.2.2, eerste lid, een grondslag wordt
                           gegeven voor doorbreking van de vertrouwelijkheid tussen advocaat en
                           cliënt als ook tussen notaris en cliënt. Uit de toelichting blijkt
                           volgens de Raad echter niet duidelijk of dit ook geldt in gevallen waarin
                           sprake is van punitieve sancties. Categorie v van (het voorgestelde)
                           artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977, te weten
                           ‘werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de
                           werkzaamheden van de in onderdeel q beschreven beroepsgroepen’, is naar
                           opvatting van de Raad zodanig ruim geformuleerd dat daaronder ook fiscale
                           sancties zouden kunnen vallen. Daarbij wordt opgemerkt dat het doorbreken
                           van de vertrouwelijkheid als het om punitieve sancties gaat op gespannen
                           voet staat met het bepaalde in artikel 6 EVRM. Geadviseerd wordt daarom
                           om het wetsvoorstel op dit punt aan te vullen dan wel van een nadere
                           toelichting te voorzien.</al>
                    <al>De regering merkt op dat het al dan niet doorbreken van de
                           geheimhoudingsplicht niet volgt uit dit wetsvoorstel als zodanig, maar
                           wordt beheerst door de toepasselijke Europese sanctieverordening. Zo
                           geldt de doorbreking van de geheimhoudingsplicht alleen als dat in een
                           juridisch bindende internationale sanctiemaatregel is bepaald, waarbij de
                           doorbreking geldt voor meldingsplichten en het Sanctiewet-toezicht. Die
                           meldingsplicht geldt voor beperkende maatregelen en maatregelen ten
                           behoeve van de uitvoering daarvan, met betrekking tot de handhaving of
                           het herstel van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van
                           de internationale rechtsorde of de bestrijding van terrorisme. Deze
                           maatregelen betreffen geen punitieve sancties.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.3.3.</nr>
                      <titel>Autoriteit Persoonsgegevens (AP)</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 20 mei 2025 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) haar toets
                           uitgebracht over het wetsvoorstel. De AP onderschrijft de inzet op een
                           helder gemoderniseerd kader voor onder andere de verwerking van
                           persoonsgegevens in het verband van de uitvoering van internationale
                           sanctiemaatregelen, maar had enkele aanmerkingen die om aanpassing van
                           het concept vroegen. De opmerkingen van de AP en de wijze waarop de
                           regering hieraan opvolging geeft staan in onderstaande tabel.</al>
                    <table tabstyle="zebra1" frame="all" pgwide="1" rowsep="1" colsep="1">
                      <tgroup tgroupstyle="zebra1" cols="2" char="" charoff="50" align="left">
                        <colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="227*" />
                        <colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="227*" />
                        <thead valign="bottom">
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Opmerking</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Opvolging</al>
                            </entry>
                          </row>
                        </thead>
                        <tbody valign="top">
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">1.1 Delegatiegrondslagen</nadruk>
                              </al>
                              <al>De artikelen 2.1.1 en 2.2.1 bevatten delegatiegrondslagen
                                          voor het bij algemene maatregel van bestuur of
                                          ministeriële regeling stellen van regels ter uitvoering
                                          van internationale sanctiemaatregelen. Specifiek voor de
                                          verwerking van gegevens bepaalden de artikelen 8.3.1 en
                                          8.3.2 van het aan de AP voorgelegde concept dat bij
                                          algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
                                          regels gesteld <nadruk type="cur">kunnen</nadruk> worden
                                          over de verwerking van gegevens voor zover dat nodig is
                                          ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen.</al>
                              <al>De AP begrijpt dat inherent hieraan is dat niet op
                                          voorhand vaststaat wat toekomstige internationale
                                          sanctiemaatregelen precies zullen inhouden, terwijl deze
                                          maatregelen, als ze eenmaal zijn aangenomen, doorgaans op
                                          zeer korte termijn geïmplementeerd moeten worden in de
                                          Nederlandse rechtsorde. Dit brengt mee dat wettelijke
                                          bepalingen ter uitvoering van internationale
                                          sanctiemaatregelen een voldoende ruime reikwijdte dienen
                                          te hebben, om zo de implementatie van internationale
                                          sanctiemaatregelen te kunnen faciliteren. De AP is
                                          desalniettemin van oordeel dat het bij de delegatie van
                                          regelgevende bevoegdheid wel mogelijk is om meer concreet
                                          en nauwkeurig aan te geven waarover in elk geval regels
                                          moeten worden gesteld betreffende de verwerking van
                                          persoonsgegevens. In de artikelsgewijze toelichting bij de
                                          artikelen 8.3.1 en 8.3.2 is immers al aangegeven dat in de
                                          nadere regeling nog nader invulling zal worden gegeven aan
                                          de doeleinden van de verwerking, dat daarin concrete
                                          gegevensverstrekkingen beschreven kunnen worden en dat
                                          regels kunnen worden gesteld over andere verwerkingen,
                                          zoals het bewaren en vernietigen van gegevens.</al>
                              <al>De AP concludeerde dat het concept in de toepassing
                                          onvoldoende voorspelbaar was, zodat aanpassing van de
                                          wettekst nodig was in de zin dat de betreffende
                                          delegatiebepalingen imperatief geformuleerd moesten worden
                                          en daarin de onderwerpen benoemd zouden moeten worden
                                          waarvoor bij algemene maatregel van bestuur of
                                          ministeriële regeling in elk geval regels moeten worden
                                          gesteld.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Het advies van de AP om de delegatiegrondslagen in de
                                          artikelen 8.3.1 en 8.3.2 imperatief te formuleren is
                                          overgenomen voor artikel 8.3.2, dat betrekking heeft op de
                                          uitvoering van internationale sanctiemaatregelen uit
                                          aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en
                                          internationale afspraken. Voor deze juridisch
                                          niet-bindende sanctiemaatregelen geldt dat de
                                          noodzakelijke gegevensverwerkingsgrondslagen in de
                                          nationale regelgeving zullen worden neergelegd, om daarmee
                                          te voorzien in een rechtmatige verwerkingsgrondslag als
                                          bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG. Op
                                          voorhand valt niet uitputtend vast te stellen welke regels
                                          over gegevensverwerking nodig zijn voor een goede
                                          uitvoering van de toepasselijke internationale
                                          sanctiemaatregelen. Wel ligt het voor de hand dat er in
                                          ieder geval regels worden gesteld over de doeleinden van
                                          de gegevensverwerking en over gegevensuitwisselingen die
                                          nodig zijn voor een gedegen uitvoering. Overeenkomstig het
                                          advies van de AP, wordt deze specificering neergelegd in
                                          artikel 8.3.2.</al>
                              <al>Het advies van de AP is niet overgenomen voor artikel
                                          8.3.1. Dit artikel heeft betrekking op internationale
                                          sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van
                                          volkenrechtelijke organisaties. Voor deze categorie geldt
                                          voor Nederland als uitgangspunt dat de grondslagen tot
                                          gegevensverwerking toereikend zijn opgenomen in het
                                          verdrag of bindende besluit. Nederland zal zich daar in
                                          internationaal verband telkens voor inspannen. De
                                          voorgestelde delegatiegrondslag in artikel 8.3.1 is
                                          bedoeld voor die gevallen waarin er geen grondslagen in
                                          het verdrag of bindende besluit zijn opgenomen. Daarnaast
                                          biedt de grondslag uit artikel 8.3.1 ruimte voor gevallen
                                          waarin de internationale grondslag weliswaar toereikend
                                          is, maar nadere concretisering wenselijk is, bijvoorbeeld
                                          om handelingsverlegenheid weg te nemen als de
                                          internationale grondslag in ruime zin is geformuleerd.
                                          Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een regeling
                                          waarin wordt geconcretiseerd welke gegevensuitwisselingen
                                             <nadruk type="cur">in ieder geval</nadruk> mogelijk
                                          zijn op basis van de grondslag uit het verdrag of bindende
                                          besluit. Het gebruik van de grondslag uit artikel 8.3.1
                                          zal niet altijd nodig zijn. Om die reden is het advies van
                                          de AP om de grondslag imperatief te formuleren niet
                                          overgenomen voor artikel 8.3.1. Het advies om de
                                          onderwerpen te benoemen waarover regels worden gesteld is
                                          om eenzelfde reden niet overgenomen. De inhoud van de te
                                          stellen regels zal telkens afhankelijk zijn van de regels
                                          die al zijn opgenomen in het verdrag en bindende besluit.
                                          Het nader specificeren van de onderwerpen vergt dan ook
                                          maatwerk dat niet op wetsniveau kan worden geboden.</al>
                              <al>Voor de volledigheid merkt de regering op dat de
                                          grondslagen in hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel op
                                          zichzelf al voldoende ruimte bieden voor het stellen van
                                          regels over gegevensverwerking. Met de gespecificeerde
                                          grondslagen in artikelen 8.3.1 en 8.3.2 wordt een eerste
                                          invulling gegeven aan het doelbindingsvereiste van artikel
                                          5, eerste lid, onderdeel b, AVG (zie ook de
                                          artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 8.3.1 en
                                          8.3.2) en wordt voor de gevallen waarin een internationale
                                          verwerkingsgrondslag ontbreekt of ontoereikend is, buiten
                                          twijfel gesteld dat sprake is van een rechtmatige
                                          verwerkingsgrondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                                          onderdeel c, AVG.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">1.2 Bijzondere categorieën van
                                             persoonsgegevens en persoonsgegevens van
                                             strafrechtelijke aard</nadruk>
                              </al>
                              <al>De AP heeft geconstateerd dat het concept geen regeling
                                          bevatte voor het verwerken van bijzondere categorieën van
                                          persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke
                                          aard ten behoeve van de uitvoering van internationale
                                          sanctiemaatregelen. Ook in de toelichting was hierover
                                          niets opgenomen. De AP was daarbij van oordeel dat het in
                                          algemene zin wel aannemelijk is dat bij de uitvoering van
                                          internationale sanctiemaatregelen in bepaalde mate
                                          verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
                                          en/of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard aan de
                                          orde zal zijn.</al>
                              <al>De AP concludeerde dat aanpassing van de wettekst nodig
                                          is in de zin dat daarin een grondslag wordt opgenomen voor
                                          het verwerken van bijzondere categorieën van
                                          persoonsgegevens en/of persoonsgegevens van
                                          strafrechtelijke aard en de toelichting op dit punt moet
                                          worden aangevuld.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Het algemeen deel van deze toelichting is aangevuld met
                                          een passage waarin wordt aangegeven dat er bij de
                                          uitvoering van sanctiemaatregelen inderdaad ook sprake kan
                                          zijn van het verwerken van bijzondere categorieën van
                                          persoonsgegevens en/of gegevens van strafrechtelijke aard.
                                          Er is niet voor gekozen om te voorzien in een specifieke
                                          grondslag, omdat het bij zulke verwerkingen ter uitvoering
                                          van internationale sanctiemaatregelen steeds gaat om
                                          verwerkingen ter voldoening aan volkenrechtelijke
                                          verplichtingen. De Uitvoeringswet AVG (UAVG) bevat op dit
                                          punt daarom al voldoende uitzonderingsgronden. Hierbij
                                          verdient het nog opmerking dat als de volkenrechtelijke
                                          verplichting de vorm heeft van een bindende
                                          EU-rechtshandeling, de AVG zelf al voorziet in de nodige
                                          uitzonderingsgronden in artikel 9, tweede lid, onderdeel
                                          g, en in artikel 10. Tot slot is naar aanleiding van deze
                                          opmerking voorzien in de mogelijkheid om ter uitvoering
                                          van een niet-bindende internationale sanctiemaatregel ook
                                          regels te stellen over de verwerking van bijzondere
                                          persoonsgegevens en gegevens van strafrechtelijke aard
                                          (zie uitgebreider: paragraaf 3.6).</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">2. Centraal meldpunt sancties –
                                             gebruik persoonsgegevens voor analysetaak</nadruk>
                              </al>
                              <al>Het voorstel voorziet in de grondslag voor een bij het
                                          Ministerie van Buitenlandse Zaken in te richten centraal
                                          meldpunt sancties (CMS). De hoofdtaak van het CMS is het
                                          verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de
                                          gegevens die het CMS verkrijgt naar aanleiding van
                                          sanctiemeldingen om te bezien of deze gegevens van belang
                                          kunnen zijn voor de uitvoering en ontwikkeling van
                                          sanctiemaatregelen. Zo kunnen de analyses van het CMS een
                                          bijdrage leveren aan sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie
                                          en
                                          -analyse en sanctienaleving (waaronder anti- omzeiling) en
                                          kunnen ze de basis vormen voor de aanvang van
                                          bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures. Ook in
                                          EU-verband wordt belang gehecht aan het analyseren van
                                          meldingen, zoals ook blijkt uit de analyseplichten die in
                                          sanctieverordeningen kunnen zitten.<noot id="n314" type="tabel"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Artikel 5 novodecies, derde lid, Verordening
                                                (EU) nr. 2014/833.</noot.al></noot> Naar het oordeel van de AP was het doel van de in
                                          het concept voorgestelde analysetaak ruimer dan het doel
                                          van de in Europese dan wel internationale
                                          sanctiemaatregelen genoemde analysetaak. De AP was daarom
                                          van oordeel dat, voor zover het doel van de voorgestelde
                                          analysetaak inderdaad ruimer is dan in Europese dan wel
                                          internationale sanctiemaatregelen is voorgeschreven, op
                                          nationaal niveau moet worden voorzien in een op zichzelf
                                          staande onderbouwing van de noodzaak hiervoor. Daarnaast
                                          is het volgens de AP de vraag of voor het uitvoeren van
                                          analyses door het CMS verwerking van persoonsgegevens
                                          noodzakelijk is. Als verwerking van persoonsgegevens
                                          hiervoor inderdaad noodzakelijk is, moet deze noodzaak in
                                          de toelichting worden onderbouwd en moet daarbij worden
                                          ingegaan op de mogelijkheid om dit gepseudonimiseerd te
                                          doen.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>De onderbouwing voor de analyse taak van het CMS wordt
                                          gevonden in de noodzaak voor lidstaten om op effectieve
                                          wijze uitvoering te geven aan het EU-recht. Dit geldt
                                          zowel voor de uitvoering van het Gemeenschappelijk
                                          Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), <noot id="n315" type="tabel"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Daarbij zij specifiek nog gewezen op artikel
                                                24, derde lid, VEU. Daarin wordt bepaald dat
                                                lidstaten geven in een geest van loyaliteit en
                                                wederzijdse solidariteit hun actieve en
                                                onvoorwaardelijke steun geven aan het
                                                GBVB.</noot.al></noot> dus de naleving, als voor de bijdrage die
                                          Nederland als lidstaat levert aan de verdere ontwikkeling
                                          van het GBVB door bij te dragen aan de totstandkoming van
                                             EU-sancties.<noot id="n316" type="tabel"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Waarvoor Nederland als lidstaat op grond van
                                                artikel 30, eerste lid, VEU initiatieven kan doen en
                                                voorstellen kan voorleggen.</noot.al></noot> Zo kan uit analyse van meldingsinformatie het
                                          beeld naar voren komen van een bepaalde sector die voor
                                          sanctionering in aanmerking komt wegens omzeilingsrisico,
                                          of kan een persoon of entiteit in beeld komen als mogelijk
                                          onderwerp voor oplijsting. Dit heeft zich eerder
                                          voorgedaan in het kader van het Samenwerkingsplatform
                                          Sanctienaleving. De verwerking van persoonsgegevens is
                                          noodzakelijk om deze taak te kunnen vervullen. In geval
                                          van sectoren zal het naar verwachting mogelijk zijn dit
                                          gepseudonimiseerd te doen.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3. Aantekeningen in registers
                                          </nadruk>
                              </al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.1 Gegevensverstrekking aan
                                             beheerder</nadruk>
                              </al>
                              <al>De begrippen ‘relatie’ en ‘verbonden’ zijn onvoldoende
                                          concreet en de betekenis blijkt niet uit de wetstekst en
                                          de toelichting. Hierdoor is niet eenduidig vast te stellen
                                          of er al dan niet sprake is van een verplichting tot het
                                          verstrekken van gegevens. Aangezien beide begrippen
                                          randvoorwaarden zijn voor de toepassing van de wettelijke
                                          bepaling, is een eenduidige invulling van de termen – al
                                          dan niet in gedelegeerde regelgeving – cruciaal voor een
                                          voldoende voorspelbaarheid in de toepassing. De AP
                                          concludeert dat dit omwille van rechtszekerheid moet
                                          worden aangepast.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Aan deze opmerking is waar mogelijk opvolging gegeven. De
                                          begrippen ‘relatie’ en ‘verbondenheid’ zijn vervangen door
                                          de begrippen ‘eigendom’ en ‘zeggenschap’ bij het
                                          Handelsregister (waaronder het UBO-register) en de
                                          kadastrale registraties. Met deze begripskeuze wordt
                                          nauwer aangesloten bij de formuleringen in de Europese
                                          sanctieverordeningen.</al>
                              <al>In die registers waar de begrippen eigendom en
                                          zeggenschap niet zonder meer passend zijn, is vastgehouden
                                          aan de (bredere) begrippen ‘relatie’ en ‘verbondenheid’.
                                          Dat geldt ook voor de doorgifteplicht, omdat deze voor
                                          alle registers moet functioneren. De reden dat de
                                          begrippen eigendom en zeggenschap niet voor alle registers
                                          passend is, is omdat de relatie tussen een gesanctioneerde
                                          persoon of entiteit in sommige gevallen vanwege het
                                          onderwerp van het register naar de aard een andere is. Dit
                                          geldt specifiek voor het register voor de depots van
                                          oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten,
                                          het ruimtevoorwerpenregister en het Nederlands
                                          rassenregister (m.b.t. plantenrassen).</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.2
                                             Verwerkingsverantwoordelijkheid</nadruk>
                              </al>
                              <al>De toelichting gaf naar het oordeel van de AP een diffuus
                                          beeld van de verwerkingsverantwoordelijkheidsverdeling in
                                          de relatie aanleveraar – beheerder. De AP concludeerde dat
                                          in de toelichting helder moest worden uiteengezet dat
                                          aanleveraars en beheerders verwerkingsverantwoordelijk
                                          zijn voor hun verwerkingen en wat daarvan de consequenties
                                          zijn.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>De verwerkingsverantwoordelijkheidsverdeling is in de
                                          artikelsgewijze toelichting steeds waar relevant
                                          verduidelijkt. In de kern komt het erop neer dat zowel de
                                          aanleverende partij als de beheerder allebei eigenstandig
                                          verwerkingsverantwoordelijke zijn in de zin van de AVG. De
                                          aanleverende partij is verwerkingsverantwoordelijke voor
                                          de informatie die geleverd wordt aan de beheerder en de
                                          verwerking van het aanleveren zelf. De beheerder die deze
                                          informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een
                                          aantekening plaatst, is verwerkingsverantwoordelijke voor
                                          die verwerkingen. Er is dus geen sprake van een
                                          gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van
                                          artikel 26 AVG.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.3 Juistheidsbeginsel</nadruk>
                              </al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0" />
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="vetcur">3.3.1 – Mechanisme voor periodieke
                                             controle</nadruk>
                              </al>
                              <al>Naar het oordeel van de AP vereist het juistheidsbeginsel
                                          dat in het voorstel een mechanisme wordt opgenomen dat een
                                          periodieke controle van de juistheid van de aantekeningen
                                          verzekert. Zulk een mechanisme zou op verscheidene
                                          manieren kunnen worden vormgegeven. Zo zou bijvoorbeeld
                                          kunnen worden geregeld dat een aantekening na een bepaald
                                          aantal jaren komt te vervallen en dat de beheerder voor
                                          verlenging actuele gegevens aanlevert. Ook zou een
                                          periodieke onderzoeksplicht voor de verstrekker in het
                                          leven kunnen worden geroepen, waarin de verstrekker wordt
                                          verplicht na te gaan of de gelegde relatie nog bestaat.
                                          Tevens kunnen er regels worden gesteld ten aanzien van de
                                          termijn waarbinnen onjuiste aantekeningen dienen te worden
                                          verwijderd.</al>
                              <al>De AP concludeerde dat de wetstekst op dit punt moest
                                          worden aangevuld.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Aan deze opmerking is gevolg gegeven door te kiezen voor
                                          de door de AP gesuggereerde modaliteit van een periodieke
                                          onderzoeksplicht. Voor de invulling hiervan is gekozen
                                          voor een jaarlijkse onderzoeksplicht. Daarbij geldt dat er
                                          zoveel eerder onderzoek verricht wordt als er nieuwe
                                          informatie binnenkomt.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="vetcur">3.3.2 – Verstrekkingsverplichting
                                             informatie die een relatie ontkracht</nadruk>
                              </al>
                              <al>De AP concludeert dat artikel 8.2.4, eerste lid, zou
                                          moeten worden aangepast in de zin dat verstrekkers van
                                          informatie die een relatie legt of bevestigt, worden
                                          verplicht om informatie waaruit blijkt dat die relatie
                                          zich niet langer voordoet, ook te verstrekken.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Aan deze opmerking is gevolg gegeven door een derde lid
                                          toe te voegen aan artikel 8.2.4.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.4 Plaatsing
                                          aantekening</nadruk>
                              </al>
                              <al>Het voorstel bevat voor verschillende openbare registers
                                          een grondslag voor de beheerder om daarin aantekeningen op
                                          te nemen als er een relatie bestaat tussen het onderwerp
                                          van het register en een gesanctioneerde persoon of
                                          entiteit. Hiertoe worden artikelen ingevoegd in de
                                          sectorale regelgeving van elk register. Deze artikelen
                                          hebben telkens eenzelfde opbouw en grotendeels gelijke
                                          bewoordingen.</al>
                              <al>Het tweede lid van de sectorale artikelen van het
                                          handelsregister en het UBO-register trusts had daarbij een
                                          afwijkende formulering. Die bepalingen luidden als volgt:
                                          ‘Een aantekening
                                          [...]
                                          wordt in ieder geval in het handelsregister opgenomen,
                                          indien de [beheerder] informatie ontvangt
                                          [...]
                                          die de relatie legt of bevestigt.’ Alhoewel de woorden ‘in
                                          ieder geval’ de suggestie wekken dat er ook andere
                                          gevallen bestaan, blijkt uit het concept noch uit de
                                          toelichting welke andere gevallen hier onder vallen.</al>
                              <al>De AP concludeerde dat de wetsteksten moeten worden
                                          aangepast in de zin dat daarin duidelijk moet worden
                                          aangegeven in welke andere gevallen een aantekening in het
                                          register kan worden opgenomen.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Aan deze opmerking is gevolg gegeven door in de
                                          betreffende bepalingen de woorden ‘in ieder geval’ te
                                          schrappen.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.5 Verwijdering
                                          aantekening</nadruk>
                              </al>
                              <al>De AP constateerde dat tussen de verwijderingsbepalingen
                                          voor de verscheidene registers enkele verschillen bestaan.
                                          De redenen daarvoor bleken niet uit de toelichting.</al>
                              <al>Bovendien merkte de AP op dat het mogelijk is dat een
                                          aantekening is geplaatst op basis van andere informatie
                                          dan die de beheerder van een dergelijke instantie heeft
                                          ontvangen, bijvoorbeeld als op eigen gezag een relatie
                                          wordt vastgesteld. Ook in dergelijke gevallen dient de
                                          aantekening te worden verwijderd zodra de relatie zich
                                          niet langer voordoet. In een dergelijk geval zal de
                                          beheerder echter geen informatie ontvangen van een
                                          ‘instantie als bedoeld in het tweede lid’.</al>
                              <al>De AP concludeerde dat de wettekst op dit punt moest
                                          worden aangepast.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Op het eerste punt is de toelichting verrijkt. Het
                                          verschil in formulering zit hem erin dat er een tweedeling
                                          bestaat tussen bepalingen waarbij de beheerder op eigen
                                          gezag een aantekening plaatst en die bepalingen waarbij
                                          het alleen op basis van verstrekte informatie van een
                                          ander bestuursorgaan of toezichthouder gebeurt.</al>
                              <al>Door het schrappen van de woorden ‘in ieder geval’ uit de
                                          bepalingen waar dit in stond, is de tweede opmerking niet
                                          meer aan de orde.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.6 Verdere verwerking</nadruk>
                              </al>
                              <al>De AP acht het aannemelijk dat de
                                          verstrekkingsverplichting in het wetsvoorstel een
                                          noodzakelijke en evenredige maatregel kan vormen ter
                                          waarborging van ‘de voorkoming
                                          [...]
                                          van strafbare feiten’<noot id="n317" type="tabel"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>Artikel 23, eerste lid, onderdeel d,
                                                AVG.</noot.al></noot> dan wel ter waarborging van ‘andere belangrijke
                                          doelstellingen van algemeen belang’.<noot id="n318" type="tabel"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>Artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                                                AVG.</noot.al></noot> Uit de toelichting blijkt echter niet op grond van
                                          welke afwegingen en motieven een verdere verwerking van
                                          gegevens ten behoeve van de uitvoer van de
                                          verstrekkingsverplichting, zodat aanvulling van de
                                          toelichting op dit punt nodig is, aldus de AP.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Deze opmerking is opgevolgd door in het algemeen deel van
                                          deze toelichting de redenering over de functie van de
                                          figuur van aantekeningen in registers te completeren.
                                          Aantekeningen vormen een hulpmiddel om te voorkomen dat
                                          burgers en bedrijven onbedoeld sancties schenden. De
                                          gegevensverwerking die in dit kader plaatsvindt vormt
                                          daarmee een noodzakelijke en evenredige maatregel ter
                                          waarborging van de voorkoming van strafbare feiten.</al>
                            </entry>
                          </row>
                          <row rowsep="1">
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col1" morerows="0" rotate="0">
                              <al>
                                <nadruk type="halfvet">3.7 Beperking rechten van
                                             betrokkenen.</nadruk>
                              </al>
                              <al>De AVG voorziet in de mogelijkheid om bepaalde rechten
                                          van betrokkenen te beperken, als dat gebeurt bij Unie- of
                                          lidstatelijk recht welke een noodzakelijke en evenredige
                                          maatregel vormt ter waarborging van enkele in de AVG
                                          vermelde belangen.</al>
                              <al>Alhoewel van deze mogelijkheid geen gebruik hoeft te
                                          worden gemaakt, ligt het in het stelsel van de plaatsing
                                          van aantekeningen in openbare registers allicht voor de
                                          hand om enkele rechten van betrokkenen te beperken, aldus
                                          de AP. Dergelijke beperkingen vereisen een wettelijke
                                          bepaling en een motivering in de bijbehorende toelichting.
                                          Hier voorzag het concept niet in. De AP concludeerde dan
                                          ook dat als en voor zover beperkingen van de rechten van
                                          betrokkenen wel wenselijk zouden zijn, aanpassing van de
                                          wettekst en de toelichting gepast is.</al>
                            </entry>
                            <entry colsep="1" valign="top" align="left" colname="col2" morerows="0" rotate="0">
                              <al>Naar aanleiding van deze opmerking is bezien of het
                                          wenselijk zou zijn om op dit punt de rechten van
                                          betrokkenen specifiek te beperken. De uitkomst hiervan is
                                          dat dit inderdaad wenselijk is, maar dat een aanpassing
                                          van de wettekst niet aan de orde hoeft te zijn. Zie
                                          hiervoor de toelichting bij paragraaf 6.3.</al>
                            </entry>
                          </row>
                        </tbody>
                      </tgroup>
                    </table>
                    <al>Los van de bovenstaande toetsopmerkingen, is de AP verzocht om in te
                           gaan op de verhouding tussen de brede gegevensdelingsgrondslagen in
                           EU-verordeningen – die Nederland als lidstaat niet mag overschrijven of
                           beperken – en de tegen die achtergrond voorgestelde generieke
                           rechtsgrondslag in artikel 8.2.5. Daarbij wordt tevens gevraagd expliciet
                           in te gaan op de verplichting dat verwerkingsdoeleinden welbepaald en
                           uitdrukkelijk omschreven moeten zijn. Ten aanzien van dit punt merkte de
                           AP op dat de regels in het voorstel strekken ter uitvoering van
                           internationale sanctiemaatregelen, waaronder ook toekomstige
                           internationale sanctiemaatregelen, en het daarom in dit geval
                           gerechtvaardigd is dat wettelijke bepalingen ter uitvoering van
                           internationale sanctiemaatregelen een voldoende ruime reikwijdte moeten
                           hebben, om zo de implementatie van – mogelijk verstrekkende –
                           internationale sanctiemaatregelen te kunnen faciliteren.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.3.4.</nr>
                      <titel>Commissie Vennootschapsrecht</titel>
                    </kop>
                    <al>Voorafgaand aan de internetconsultatie is over een voorontwerp van dit
                           wetsvoorstel gesproken met de Commissie vennootschapsrecht. Met de
                           gemaakte opmerkingen is rekening gehouden. Hier wordt kort ingegaan op de
                           belangrijkste daarvan. Allereerst is in overeenstemming met de Commissie
                           vennootschapsrecht de verhouding van het beheer van (langdurig) bevroren
                           economische middelen tot het enquêterecht toegelicht. De figuur van de
                           bewindvoerder verhoudt zich goed tot de taken van bevoegdheid van de
                           onderzoekers van de Ondernemingskamer (artikel 351 van Boek 6 van het
                           Burgerlijk Wetboek) en de tijdelijke bestuurder(s) of commissaris(sen)
                           die wegens wanbeleid wordt aangesteld (artikel 356, aanhef en onderdeel
                           c, van Boek 2 van het burgerlijk Wetboek). Artikel 5.7, derde lid, van
                           het wetsvoorstel is aangepast om dit buiten alle twijfel te stellen. Ten
                           tweede is naar aanleiding van de bespreking in de Commissie
                           vennootschapsrecht in goede afstemming met de Minister van Financiën en
                           de financieel toezichthouders in een samenloopregeling voorzien in
                           artikel 5.7. In het geval gebruik wordt gemaakt van artikel 1:76 van de
                           Wet op het financieel toezicht wordt de benoeming van de bewindvoerder
                           ingetrokken. Voorts is artikel 7.1.7 (bijzondere handhavingsbevoegdheid)
                           nader toegelicht, en dat geldt ook voor het ondernemingsbegrip in artikel
                           1.1. en de verhouding daarvan tot verschillende rechtsvormen. Tot slot is
                           naar aanleiding van de bespreking artikel 231, tweede tot en met vierde
                           lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (de bepalingen over de
                           algemene vergadering bij de Besloten Vennootschap) toegevoegd aan artikel
                           5.3, tweede lid.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <nr status="officieel">9.3.5.</nr>
                      <titel>Europese Centrale Bank (ECB)</titel>
                    </kop>
                    <al>Op 26 augustus 2024 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) advies
                           uitgebracht over het wetsvoorstel. De ECB verwelkomt de mogelijkheid dat
                           DNB informatie met betrekking tot sancties direct met de ECB kan delen.
                           Ook de versterking van de wettelijke basis en de verduidelijking van de
                           toezichtbevoegdheden van DNB weegt de ECB als positief. De ECB geeft
                           verder de volgende adviespunten mee.</al>
                    <al>De ECB doet de suggestie om bij de bepalingen over het beheer van
                           bevroren economische tegoeden een verplichting op te nemen de ECB te
                           informeren over genomen maatregelen, voor zover dergelijke maatregelen
                           gevolgen kunnen hebben voor de prudentiële vereisten die van toepassing
                           zijn op een instelling die onder ECB toezicht valt. De ECB adviseert om
                           de samenloop tussen het aanstellen van een bewindvoerder bij een
                           onderneming en de mogelijkheid van afwikkelingsmaatregelen beter uit te
                           werken, door in het wetsvoorstel bijvoorbeeld rekening te houden met de
                           rol van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (<nadruk type="cur">Single
                              Resolution Board</nadruk> of SRB) binnen de bankenunie. Ook zou
                           overwogen moeten worden dat de verantwoordelijke
                           minister verplicht wordt de
                           gemeenschappelijke afwikkelingsraad en DNB te informeren. Daarnaast moet
                           het wetsvoorstel in de opvatting van de ECB voorzien in het delen van
                           informatie over internationale sanctiemaatregelen door DNB met de
                           Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (<nadruk type="cur">Single Resolution
                              Board</nadruk> of SRB) en de afwikkelingsfunctie binnen DNB, aangezien
                           in het wetsvoorstel een grondslag voor het delen van dergelijke
                           informatie ontbreekt. Tot slot adviseert de ECB om de betrokkenheid DNB
                           van bij het beheer van bevroren economische tegoeden uit te breiden van
                           alleen de toezichtstaak naar ook de taak van DNB als macroprudentiële
                           autoriteit.</al>
                    <al>Deze punten zijn overgenomen door in artikel 5.8 van het wetsvoorstel
                           ook te regelen dat de bewindvoerder aan AFM en DNB alle gegevens en
                           inlichtingen verstrekt die nodig zijn voor de vervulling van hun taken.
                           Dit omvat ook de rol van DNB als macroprudentiële autoriteit. Aan DNB
                           verstrekt de bewindvoerder bovendien alle gegevens en inlichtingen die
                           nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond van de verordening
                           gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en
                           afwikkeling centrale tegenpartijen en de verordening bankentoezicht. Op
                           grond van een met dit wetsvoorstel voorgestelde aanpassing van de Wet op
                           het financieel toezicht kan DNB die gegevens en inlichtingen vervolgens
                           verstrekken aan onder meer de afwikkelingsraad en de ECB in haar
                           hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Internationale sanctiemaatregelen</titel>
                    </kop>
                    <al>Evenals de huidige Sanctiewet 1977, is de Wet internationale
                              sanctiemaatregelen een kaderwet die het mogelijk maakt om uitvoering
                              te geven aan maatregelen die Nederland in internationaal verband is
                              overeengekomen (verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij
                              hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel). Maatregelen die zijn opgenomen in
                              verdragen, bindende besluiten of aanbevelingen van volkenrechtelijke
                              organisaties, of internationale afspraken, die betrekking hebben op de
                              handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid,
                              de bevordering van de internationale rechtsorde of de bestrijding van
                              terrorisme, kwalificeren als internationale sanctiemaatregelen en
                              kunnen daarmee de grondslag vormen voor het stellen van
                              uitvoeringsregels op grond van dit wetsvoorstel. Het begrip
                              internationale sanctiemaatregelen is dan ook bepalend voor het
                              toepassingsbereik van de Wet internationale sanctiemaatregelen.</al>
                    <al>Het begrip ‘internationale sanctiemaatregelen’ verwijst zowel naar de
                              beperkende maatregelen die voorvloeien uit het betreffende verdrag,
                              besluit, aanbeveling of afspraak, als naar maatregelen in het
                              betreffende internationale instrument die betrekking hebben op de
                              uitvoering daarvan. Voor de eerste categorie kan worden gedacht aan
                              bevriezingsmaatregelen. Bij de laatste categorie kan worden gedacht
                              aan maatregelen als meldingsplichten, die op zichzelf geen beperkende
                              maatregelen betreffen, maar wel essentieel zijn voor een adequate
                              uitvoering daarvan. Het begrip internationale sanctiemaatregelen is
                              daarmee een overkoepelend begrip dat in beginsel verwijst naar alle
                              maatregelen die in het betreffende internationale instrument zijn
                              neergelegd.</al>
                    <al>Het gaat om maatregelen die betrekking hebben op de handhaving of het
                              herstel van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van
                              de internationale rechtsorde of de bestrijding van terrorisme.</al>
                    <al>De verwijzing naar de handhaving of het herstel van de internationale
                              vrede en veiligheid, sluit aan bij artikel 39 van het VN-Handvest.
                              Artikel 39 van het VN-Handvest wijst op de bevoegdheid van de
                              Veiligheidsraad tot het doen van aanbevelingen en het nemen van
                              maatregelen tot handhaving of herstel van de internationale vrede en
                              veiligheid. Deze verwijzing sluit ook aan bij artikel 21 VEU, waarin
                              de beginselen en doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands
                              en veiligheidsbeleid van de EU zijn uiteengezet.</al>
                    <al>Het begrip internationale sanctiemaatregelen is in lijn met de
                              doelstellingen zoals opgenomen in artikel 21, tweede lid, VEU,
                              waaronder:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>de bescherming van de waarden, fundamentele belangen en
                                    veiligheid van de EU;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>handhaving van de vrede;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>consolidering en ondersteuning van de democratie, de
                                    rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het
                                    internationaal recht;</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>voorkoming van conflicten en versterking van de internationale
                                    veiligheid.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Het begrip internationale sanctiemaatregelen omvat daarmee dus in
                              ieder geval alle maatregelen in besluiten genomen op grond van artikel
                              29 VEU, en alle maatregelen in verordeningen genomen op grond van
                              artikel 215 VWEU.</al>
                    <al>Ten slotte is de verwijzing naar de bestrijding van terrorisme als
                              doelstelling in de Sanctiewet 1977 opgenomen na de terroristische
                              aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. Deze
                              doelstelling wordt ook opgenomen in dit wetsvoorstel, omdat elke
                              twijfel over de vraag of terrorismebestrijding de internationale
                              rechtsorde aangaat moet worden voorkomen. Het geval kan zich namelijk
                              voordoen dat een terroristische entiteit een overwegend lokaal
                              actieradius heeft, maar haar activiteiten een zodanige impact hebben
                              dat op haar internationale sancties van toepassing zijn. Met andere
                              woorden: het terrorisme zelf hoeft geen internationaal element te
                              hebben, maar in internationaal verband moet tegen het desbetreffende
                              terrorisme worden opgetreden om onder dit wetsvoorstel te vallen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderneming</titel>
                    </kop>
                    <al>Het begrip onderneming zoals opgenomen in deze definitiebepaling sluit
                           aan bij het ondernemingsbegrip zoals dat in Europese regelgeving wordt
                           uitgelegd. Als een onderneming in de zin van artikel 101, eerste lid,
                           VWEU, wordt gezien elke eenheid die een economische activiteit uitoefent,
                           ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.<noot id="n319" type="voet"><noot.nr>308</noot.nr><noot.al>HvJ 23 april 1991, C-41/90 (Höfner en Elser), punt
                                 21.</noot.al></noot> Een economische activiteit bestaat uit het leveren van goederen
                           of diensten op een bepaalde markt.<noot id="n320" type="voet"><noot.nr>309</noot.nr><noot.al>HvJ 16 juni 1987, C- 118/85 (Commissie v. Italië), punt
                                 7.</noot.al></noot> Deze definitie is in lijn met het ondernemingsbegrip dat in
                           Nederland wordt gebruikt in het kader van onder meer de Mededingingswet
                           en subsidieregelgeving. Ook buitenlandse rechtsvormen kunnen hier dus
                           onder vallen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Sanctiebesluit en sanctieregeling</titel>
                    </kop>
                    <al>Met deze begrippen wordt verwezen naar respectievelijk algemene
                           maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die regels bevatten
                           ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen. Deze algemene
                           maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vinden hun grondslag
                           in de artikelen 2.1.1 en 2.2.1 van dit wetsvoorstel. De begrippen
                           verwijzen naar de instrumenten op zichzelf, en niet naar de maatregelen
                           die daarin zijn opgenomen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Sanctiemaatregelen</titel>
                    </kop>
                    <al>Het begrip sanctiemaatregelen verwijst naar internationale
                           sanctiemaatregelen (zie de definitie van dat begrip) en de maatregelen
                           die op grond van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel ter implementatie van
                           de internationale sanctiemaatregelen in een sanctiebesluit of
                           sanctieregeling worden neergelegd. Daarmee is het begrip
                           sanctiemaatregelen een overkoepelend begrip dat in beginsel verwijst naar
                           alle internationale sanctiemaatregelen en alle maatregelen die zijn
                           opgenomen in sanctiebesluiten en sanctieregelingen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Aanvullende begripsbepalingen in hoofdstuk 5</titel>
                    </kop>
                    <al>In hoofdstuk 5 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen. De
                           betreffende begripsbepalingen worden in hoofdstuk 5 opgenomen in plaats
                           van in artikel 1.1, omdat de betreffende definities alleen relevant zijn
                           voor dat hoofdstuk. Dit komt de leesbaarheid van het wetsvoorstel ten
                           goede.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 1.2 Openbare lichamen</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel regelt dat de Wet internationale sanctiemaatregelen mede van
                        toepassing is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en dus
                        voor het gehele grondgebied van Nederland geldt. Uitgezonderd zijn de
                        artikelen uit hoofdstuk 4 en paragraaf 7.2, die respectievelijk zien op
                        bedrijfsvoeringsvoorschriften voor zogenoemde Sanctiewet-instellingen en het
                        toezicht op de naleving daarvan. Deze onderdelen, die met een tweede tranche
                        worden toegevoegd aan de Wet internationale sanctiemaatregelen, zullen niet
                        van toepassing zijn in de openbare lichamen. Voor een nadere toelichting
                        wordt verwezen naar paragraaf 8.3 van het algemeen deel. Op een aantal
                        (overige) onderdelen van dit wetvoorstel is het daarnaast noodzakelijk om
                        voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba andere regels te stellen dan voor het
                        Europese deel van Nederland. Dit betreffen regels over de uitvoering van het
                        toezicht en strafrechtelijke bepalingen, die noodzakelijk zijn omdat
                        respectievelijk de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet op de
                        economische delicten niet van toepassing zijn in de openbare lichamen.
                        Hoofdstuk 9 voorziet daarin.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 2. Uitvoering van internationale
                           sanctiemaatregelen
                     </titel>
                </kop>
                <al>Hoofdstuk 2 bevat grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van
                     internationale sanctiemaatregelen. Daarbij is net als in de huidige Sanctiewet
                     1977 een onderscheid gemaakt tussen de uitvoering van internationale
                     sanctiemaatregelen die zijn neergelegd in juridisch bindende instrumenten, en
                     internationale sanctiemaatregelen die zijn neergelegd in niet-juridisch
                     bindende instrumenten. De eerste categorie ziet op internationale
                     sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
                     organisaties (paragraaf 2.1). De vraag of een volkenrechtelijke organisatie
                     bevoegd is tot het nemen van bindende besluiten vloeit in beginsel voort uit
                     het oprichtingsverdrag van de betreffende organisatie. De tweede categorie
                     betreft internationale sanctiemaatregelen uit aanbevelingen van
                     volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken (paragraaf 2.2). Uit
                     deze maatregelen vloeien voor de betrokken staten geen verplichtingen voort die
                     juridisch bindend van aard zijn.</al>
                <al>In de huidige praktijk is voor Nederland met name de eerste categorie van
                     belang. Het merendeel van de sanctiemaatregelen vloeit voort uit bindende
                     besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die in de regel
                     worden overgenomen door de EU, en (autonome) sanctiemaatregelen van de EU,
                     uitgevaardigd door de Raad in samenwerking met de Europese Commissie. Voor een
                     nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemeen
                     deel.</al>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 2.1 Uitvoering van verdragen en bindende besluiten van
                           volkenrechtelijke organisaties</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 2.1.1 Uitvoeringsregels</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel biedt een grondslag om regels te stellen ter uitvoering
                              van internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende
                              besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het artikel regelt dat
                              de implementatie kan geschieden bij algemene maatregel van bestuur of
                              bij ministeriële regeling. Daarbij is het gebruik van de ministeriële
                              regeling geclausuleerd, in die zin dat dit instrument kan worden
                              gebruikt als sprake is van spoed of beleidsarme implementatie.</al>
                    <al>Sinds de introductie van de mogelijkheid in de Sanctiewet 1977 om
                              juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen bij ministeriële
                              regeling te kunnen implementeren,<noot id="n321" type="voet"><noot.nr>310</noot.nr><noot.al>Wet van 13 april 2000 tot wijziging van de Sanctiewet 1977
                                    en van de In- en uitvoerwet tot vereenvoudiging van de
                                    implementatie van internationale verplichtingen (<extref doc="stb-2000-196" soort="document" status="actief">Stb. 2000,
                                       nr. 196</extref>).</noot.al></noot> heeft de implementatie van dergelijke sanctiemaatregelen
                              uitsluitend langs die weg plaatsgevonden.<noot id="n322" type="voet"><noot.nr>311</noot.nr><noot.al>Een overzicht van de op dit moment geldende ministeriële
                                    regelingen kan worden geraadpleegd via <extref soort="URL" doc="http://www.wetten.nl" status="actief">www.wetten.nl</extref>.</noot.al></noot> Dit wetsvoorstel brengt geen verandering in deze praktijk. Het
                              verplichtende karakter van deze internationale sanctiemaatregelen en
                              de spoedeisendheid die daar doorgaans mee gepaard gaat, maken de
                              ministeriële regeling tot het aangewezen instrument voor de
                              implementatie. Het is essentieel dat Nederland onmiddellijk na de
                              totstandkoming van de internationale sanctiemaatregelen adequaat en
                              slagvaardig kan optreden, mede om anticipatie op de maatregelen te
                                 voorkomen.<noot id="n323" type="voet"><noot.nr>312</noot.nr><noot.al>Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, <extref doc="kst-36045-72" soort="document" status="actief">36 045,
                                       nr. 72</extref> (Rapport van de nationaal coördinator
                                    sanctienaleving en handhaving).</noot.al></noot> Met een ministeriële regeling kan daarin worden voorzien.</al>
                    <al>Daarbij is van belang om in ogenschouw te blijven nemen dat in het
                              algemeen terughoudendheid moet worden betracht met delegatie van
                              regelgevende bevoegdheden aan een
                                 minister.<noot id="n324" type="voet"><noot.nr>313</noot.nr><noot.al>Aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
                                    Zie ook aanwijzing 9.8 inzake delegatie bij
                                    EU-implementatie.</noot.al></noot> In de huidige Sanctiewet 1977 is het gebruik van dit
                              instrument niet geclausuleerd. Er is – in geval van juridisch bindende
                              internationale sanctiemaatregelen – een vrije keuze tussen
                              implementatie bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële
                              regeling. Met het voorgestelde artikel 2.1.1 wordt de huidige praktijk
                              gecodificeerd, in die zin dat de redenen die het gebruik van een
                              ministeriële regeling rechtvaardigen worden neergelegd in de wet
                              (tweede lid, onderdelen a en b). Deze redenen worden hierna nader
                              toegelicht.</al>
                    <al>Implementatie bij ministeriële regeling is in de eerste plaats
                              gerechtvaardigd als er sprake is van voorschriften die met spoed
                              moeten worden vastgesteld (onderdeel a). Dit is, zoals hiervoor ook
                              aangegeven, in de huidige praktijk altijd het geval. De ervaring heeft
                              tot nu toe ook laten zien dat wijzigingen in internationale
                              sanctiemaatregelen elkaar snel kunnen opvolgen, waardoor het
                              noodzakelijk is om de nationale regels frequent, en tevens ook wederom
                              met spoed, te kunnen wijzigen.<noot id="n325" type="voet"><noot.nr>314</noot.nr><noot.al>Zie ook aanwijzing 2.24, eerste en tweede lid, van de
                                    Aanwijzingen voor de regelgeving.</noot.al></noot> Een rechtvaardiging voor implementatie bij ministeriële
                              regeling kan in de tweede plaats worden gevonden in het gegeven dat de
                              implementatie doorgaans beperkt is tot het stellen van regels die de
                              Nederlandse wetgever weinig tot geen ruimte laat voor het maken van
                              keuzes van beleidsinhoudelijke aard. Deze grond wordt neergelegd in
                              het tweede lid, onderdeel b. De meeste implementatieregelingen zijn op
                              dit moment beperkt tot het regelen van de strafbaarstelling van
                              overtredingen van de internationale sanctiemaatregelen<noot id="n326" type="voet"><noot.nr>315</noot.nr><noot.al>In deze ministeriële regeling wordt neergelegd dat het
                                    verboden is te handelen in strijd met de betreffende artikelen
                                    uit de internationale sanctiemaatregel. Overtreding van deze
                                    verboden is strafbaar op grond van de Wet op de economische
                                    delicten.</noot.al></noot> en het aanwijzen van bevoegde autoriteiten, bijvoorbeeld voor
                              het ontvangen van meldingen of het verlenen van ontheffingen. Ook bij
                              omzetting van internationale sanctiemaatregelen uit EU-raadsbesluiten
                              is de beleidsruimte beperkt. Vanzelfsprekend kan op voorhand niet
                              worden uitgesloten dat er internationale sanctiemaatregelen worden
                              uitgevaardigd die veel beleidsruimte laten voor de noodzakelijke
                                 implementatie.<noot id="n327" type="voet"><noot.nr>316</noot.nr><noot.al>De omstandigheid dat een sanctiemaatregel is opgenomen in
                                    een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke
                                    organisatie, en aldus een verplichtend karakter heeft, betekent
                                    niet dat er geen sprake is van beleidsruimte.</noot.al></noot> De praktijk laat tot nu toe echter zien dat er vrijwel altijd
                              sprake is van beleidsarme implementatie. De beleidskeuzes zijn dan al
                              op het internationale niveau gemaakt.</al>
                    <al>Met de wettelijke verankering van deze gronden wordt nadrukkelijk geen
                           wijziging van de huidige praktijk beoogd: het betreft een codificatie die
                           de rechtszekerheid ten goede komt. Op basis van de huidige praktijk is de
                           verwachting dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van
                           situaties waarin het instrument van de algemene maatregel van bestuur
                           moet worden ingezet.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Overwogen alternatief</titel>
                      </kop>
                      <al>Als alternatief is overwogen om in het wetsvoorstel te regelen dat de
                              implementatie van juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen
                              altijd bij ministeriële regeling geschiedt en het gebruik van een
                              algemene maatregel van bestuur dus categorisch uit te sluiten. Hier is
                              niet voor gekozen, omdat niet kan worden uitgesloten dat een algemene
                              maatregel van bestuur in een voorkomend geval wel het meest geëigende
                              instrument zal zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                              situatie waarin een juridisch bindende internationale sanctiemaatregel
                              een ruimere implementatietermijn kent en er maatregelen getroffen
                              moeten worden waarbij veel beleidsruimte geldt voor de (lid)staten. De
                              regering kiest er daarom voor om implementatie bij algemene maatregel
                              van bestuur open te houden en in de wet te verankeren in welke
                              gevallen implementatie bij ministeriële regeling mogelijk is.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Inhoud van ministeriële regelingen en algemene maatregelen van
                                 bestuur</titel>
                      </kop>
                      <al>Over de inhoud van de op grond van artikel 2.1.1 tot stand te komen
                              ministeriële regelingen en, in voorkomend geval, algemene maatregelen
                              van bestuur, kan het volgende worden vermeld. Nederland heeft tot nu
                              toe met name te maken met internationale sanctiemaatregelen vanuit de
                              Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die in de regel worden
                              overgenomen door de EU, en (autonome) sanctiemaatregelen vanuit de EU.
                              De inhoud van de ministeriële regelingen die uitvoering geven aan deze
                              internationale sanctiemaatregelen kunnen op hoofdlijnen als volgt
                              worden samengevat, waarbij uitgegaan is van de huidige praktijk.</al>
                      <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Voor zover internationale sanctiemaatregelen zijn neergelegd in
                                    een EU-verordening hoeven deze niet omgezet te worden in
                                    Nederlandse regelgeving. Europese verordeningen hebben
                                    rechtstreekse werking in EU-lidstaten en zijn voor eenieder
                                    verbindend. Bij implementatie van internationale
                                    sanctiemaatregelen uit een EU-verordening kan doorgaans worden
                                    volstaan met bepalingen die voorzien in de strafbaarstelling van
                                    overtredingen van de daarvoor in aanmerking komende bepalingen
                                    van die verordening en de aanwijzing van bevoegde autoriteiten,
                                    bijvoorbeeld voor het ontvangen van meldingen of het verlenen
                                    van vergunningen of ontheffingen. Na inwerkingtreding van dit
                                    wetsvoorstel zal in aanvulling daarop in voorkomende gevallen,
                                    voor zover daar aanleiding toe is, onder meer worden voorzien in
                                    de aanwijzing andere bestuursorganen die handhavend kunnen
                                    optreden dan de bestuursorganen die al zijn aangewezen in
                                    hoofdstuk 7 van dit wetsvoorstel en zullen, als dat nodig is,
                                    nadere regels worden gesteld over gegevensverwerking (hoofdstuk
                                    8 van dit wetsvoorstel).</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>•</li.nr>
                          <al>Voor internationale sanctiemaatregelen die uitsluitend zijn
                                    neergelegd in een EU-Raadsbesluit, en niet in een
                                    EU-verordening, is het nodig om deze volledig om te zetten in
                                    nationale regelgeving, in die zin dat de inhoud als het ware
                                    wordt overgeschreven in nationale regelgeving. Het gaat hierbij
                                    in de huidige praktijk bijvoorbeeld om wapenembargo’s.</al>
                        </li>
                      </lijst>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 2.2 Uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
                           en internationale afspraken</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 2.2.1 Uitvoeringsregels</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel bevat een grondslag om regels te stellen ter uitvoering van
                           internationale sanctiemaatregelen uit aanbevelingen van volkenrechtelijke
                           organisaties of internationale afspraken. Het onderscheid met de
                           internationale sanctiemaatregelen uit artikel 2.1.1, is dat de betrokken
                           staten vanuit juridisch oogpunt niet gebonden zijn om uitvoering te geven
                           aan de maatregelen. Vanwege het niet-juridisch bindende karakter, is het
                           van belang dat de wijze waarop door het vaststellen van nationale
                           regelgeving uitvoering wordt gegeven aan deze maatregelen, met voldoende
                           waarborgen wordt omkleed.</al>
                    <al>De eerste waarborg is gelegen in het voorschrift dat de uitvoering van
                           deze categorie internationale sanctiemaatregelen geschiedt bij algemene
                           maatregel van bestuur, en aldus op een hoger niveau van regelgeving dan
                           de praktijk is bij de uitvoering van juridisch bindende internationale
                           sanctiemaatregelen. De mogelijkheid uit de huidige Sanctiewet 1977 om in
                           geval van ‘gewichtige redenen’ een ministeriële regeling vast te stellen,
                           die vervolgens binnen tien maanden moet worden vervangen door een
                           algemene maatregel van bestuur, wordt niet opgenomen in dit
                              wetsvoorstel.<noot id="n328" type="voet"><noot.nr>317</noot.nr><noot.al>Artikel 7 van de Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> De regering hecht eraan dat de uitvoering van aanbevelingen van
                           volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken in Nederlands
                           recht met stevige waarborgen wordt omkleed. Het instrument van de
                           ministeriële regeling acht de regering daar niet passend bij. Een tweede
                           waarborg is gelegen in de parlementaire betrokkenheid bij de algemene
                           maatregel van bestuur. Dit is uitgewerkt in artikel 2.2.2. Een derde
                           waarborg is tot slot gelegen in een beperking van de werkingsduur van een
                           dergelijke algemene maatregel van bestuur. Dit is uitgewerkt in artikel
                           2.2.3. Met deze waarborgen wordt grotendeels aangesloten bij de
                           waarborgen die ook op basis van de huidige Sanctiewet 1977 gelden voor de
                           uitvoering van deze categorie internationale sanctiemaatregelen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 2.2.2 Parlementaire betrokkenheid</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit artikel is voorzien in parlementaire betrokkenheid bij een
                           algemene maatregel van bestuur die uitvoering geeft aan niet-juridisch
                           bindende internationale sanctiemaatregelen. De keuze voor een vorm van
                           parlementaire betrokkenheid houdt verband met de aard van niet-juridisch
                           bindende sanctiemaatregelen. Na de totstandkoming van sanctiemaatregelen
                           die zijn opgenomen in aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of
                           internationale afspraken is immers nog ruimte voor een nationale afweging
                           over de opvolging en de invulling van de aanbeveling of afspraak. Met de
                           voorgestelde regeling wordt zeker gesteld dat het parlement zich kan
                           uitspreken over de keuze van de regering om uitvoering te geven aan de
                           betreffende internationale aanbeveling of afspraak en de wijze waarop de
                           regering dat beoogt te doen.</al>
                    <al>Artikel 2.2.2 regelt dat een algemene maatregel van bestuur waarin
                           regels zijn neergelegd ter uitvoering van aanbevelingen van
                           volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken, gedurende een
                           termijn van vier weken wordt voorgelegd aan beide Kamers der
                           Staten-Generaal. Binnen die termijn kan een van beide Kamers, of ten
                           minste een vijfde deel van de leden van een van de Kamers, eisen dat het
                           onderwerp wordt geregeld bij wet. In dat geval wordt zo spoedig als
                           mogelijk een daartoe strekkend voorstel van wet ingediend. In de huidige
                           Sanctiewet 1977 is in artikel 6, tweede lid, een vergelijkbare regeling
                           opgenomen voor de parlementaire betrokkenheid bij niet-juridisch bindende
                           sanctiemaatregelen, zij het dat het voorstel van wet dat door (een deel
                           van) het parlement kan worden verzocht, volgens die regeling is beperkt
                           tot bekrachtiging van de algemene maatregel van bestuur.</al>
                    <al>Als het voorstel van wet wordt ingetrokken of niet wordt aangenomen,
                           schrijft het tweede lid van artikel 2.2.2 voor dat de algemene maatregel
                           van bestuur door de regering wordt ingetrokken. Als het voorstel van wet
                           wordt aangenomen, zal de uitvoering van de betreffende internationale
                           sanctiemaatregelen zijn geregeld in de wet. De algemene maatregel van
                           bestuur is dan niet langer nodig. Het derde lid voorziet erin dat de
                           vastgestelde algemene maatregel van bestuur in een dergelijk geval van
                           rechtswege vervalt op het moment van inwerkingtreding van de wet.</al>
                    <al>De overlegging van de algemene maatregel van bestuur aan de Kamers
                           geschiedt na de vaststelling van de algemene maatregel van bestuur. Het
                           is aan de regering om het moment van inwerkingtreding te bepalen. Daarbij
                           geldt dat de voorschriften in deze situaties in de regel al in werking
                           zullen treden voordat het parlement zich erover heeft uitgesproken. Dit
                           zal doorgaans noodzakelijk zijn omdat bij opvolging van een
                           niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregel, evenals bij
                           juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen, snelle interventie
                           geboden is, en anticipatie op nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld door
                           middel van kapitaalvlucht, moet worden voorkomen.<noot id="n329" type="voet"><noot.nr>318</noot.nr><noot.al>Om dezelfde reden zal bij dergelijke algemene maatregelen van
                                 bestuur in de regel op grond van artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel
                                 a, van de Wet open overheid worden besloten om de openbaarmaking
                                 van de ontwerpregeling, de bijbehorende adviesaanvraag en het
                                 daarop betrekking hebbende advies van de Afdeling advisering van de
                                 Raad van State uit te stellen.</noot.al></noot> Het is aan de regering om daar een afgewogen keuze in te maken,
                           daarbij rekenschap gevend van de mogelijkheid dat het parlement, binnen
                           de vierwekentermijn waarin de algemene maatregel van bestuur wordt
                           voorgelegd, kan bepalen dat zij het onderwerp bij wet geregeld wenst te
                           zien en het wetsvoorstel vervolgens verworpen kan worden, waardoor de in
                           werking getreden maatregelen slechts gedurende een korte periode gelding
                           hebben gehad.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 2.2.3 Werkingsduur algemene maatregel van bestuur</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Dit artikel regelt dat een algemene maatregel van bestuur waarmee
                              uitvoering wordt gegeven aan niet-juridisch bindende internationale
                              sanctiemaatregelen, uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van het
                              besluit vervalt. Op deze wijze wordt verzekerd dat binnen deze termijn
                              een herbeoordeling plaatsvindt van de noodzaak om uitvoering te geven
                              aan de betreffende niet-juridisch bindende internationale
                              sanctiemaatregelen en ook het parlement zich daarover kan
                              uitspreken.</al>
                      <al>Het voorgestelde artikel komt op hoofdlijnen overeen met artikel 6,
                              vierde lid, van de huidige Sanctiewet 1977. Op grond van dat artikel
                              vervalt een algemene maatregel van bestuur die uitvoering geeft aan
                              niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen drie jaar na
                              inwerkingtreding van het besluit, tenzij bij nadere wet anders wordt
                              bepaald. Deze bepaling is in de Sanctiewet 1977 opgenomen om de
                              Staten-Generaal de gelegenheid te geven zich over de inhoud van het
                              besluit uit te spreken als er aanleiding bestaat deze langer dan drie
                              jaar toe te passen.<noot id="n330" type="voet"><noot.nr>319</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 1975/76, <extref doc="kst-14006-1" soort="document" status="actief">14 006, nrs. 1</extref>–3, p.
                                    9.</noot.al></noot> Met het voorgestelde artikel 2.2.3 wordt de vervaltermijn van
                              drie jaren overgenomen. Daarbij wordt eveneens verzekerd dat het
                              parlement zich kan uitspreken over een eventuele verlenging van de
                              maatregelen, zij het dat dit op grond van het tweede lid geschiedt
                              volgens de procedure uit artikel 2.2.2, en dus geen nadere wet vereist
                              wordt.</al>
                    </al-groep>
                    <al>Het kan wenselijk zijn dat de algemene maatregel van bestuur op een
                           eerder tijdstip dan drie jaar na inwerkingtreding vervalt, bijvoorbeeld
                           als de regering, al dan niet na overleg in internationaal verband,
                           vaststelt dat er geen noodzaak meer toe is. Het artikel regelt dat de
                           Minister van Buitenlandse Zaken dan een vervaldatum kan vaststellen. Voor
                           deze constructie is gekozen omdat het tijdstip waarop het besluit moet
                           vervallen niet op voorhand kan worden vastgesteld.<noot id="n331" type="voet"><noot.nr>320</noot.nr><noot.al>Zie aanwijzing 5.71, eerste lid, onderdeel B, met
                                 toelichting, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.</noot.al></noot></al>
                    <al>Als de regering het wenselijk acht dat het besluit na een termijn van
                           drie jaar na inwerkingtreding in stand blijft, zal zij tijdig een nieuwe
                           algemene maatregel van bestuur moeten vaststellen. Deze algemene
                           maatregel van bestuur kan inhoudelijk van aard zijn, maar kan zich ook
                           beperken tot een verlenging van de werkingsduur van het te verlengen
                           besluit. In beide gevallen zal het parlement op grond van artikel 2.2.2
                           opnieuw in staat worden gesteld om zich uit te spreken over de
                           wenselijkheid en inhoud van de (te verlengen) maatregelen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 3. Meldingsplichten</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 3.1 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.1.1 Aanwijzing bestuursorgaan inzake
                              meldingsplichten</titel>
                    </kop>
                    <al>De Europese sanctieregelgeving bevat diverse meldingsplichten en deze
                           zijn op dit moment bij verschillende meldkanalen belegd. Om ervoor te
                           zorgen dat melders makkelijker aan hun meldingsplicht kunnen voldoen
                           voorziet artikel 3.1.1 in een grondslag om in een sanctiebesluit of
                           sanctieregeling een bestuursorgaan aan te wijzen dat belast is met de
                           taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten. In eerste instantie zal de
                           Minister van Buitenlandse Zaken in de betreffende sanctiebesluiten of
                           sanctieregelingen worden aangewezen om de taken en bevoegdheden, bedoeld
                           in artikel 3.1.2, uit te voeren. De Minister van Buitenlandse Zaken zal
                           een centraal meldpunt sancties inrichten dat ontvangstpunt wordt voor de
                           meldingen voortkomend uit de (toekomstige en bestaande) meldingsplichten
                           van VN- en EU-sanctieregimes. Als bijvoorbeeld een meldingsplicht in een
                           sanctieverordening is opgenomen wordt in de betreffende sanctieregeling
                           de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen om die meldingen in
                           ontvangst te nemen, tenzij een ander meldpunt beter geschikt is voor het
                           ontvangen van die meldingen. Als dat laatste het geval is dan wordt er in
                           de betreffende sanctieregeling een ander meldpunt aangewezen. Dat
                           meldingen bij een ander meldpunt moeten worden gedaan kan ook
                           voortvloeien uit andere regelgeving. Het gaat in laatstgenoemd geval
                           bijvoorbeeld om meldingen die bij de Centrale Dienst In- en Uitvoer
                           (CDIU) van de Douane moeten worden gedaan, omdat deze zijn gerelateerd
                           aan de import en export van gesanctioneerde goederen en daarom
                           rechtstreeks vallen onder het toezicht van de Douane. De aanwijzing van
                           de CDIU gebeurt op grond van de bestaande bevoegdheden van de CDIU en
                           wordt niet gedaan op grond van dit artikel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.1.2 Taken en bevoegdheden inzake
                              meldingsplichten</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit artikel zijn de taken en bevoegdheden van het bestuursorgaan,
                           bedoeld in artikel 3.1.1, opgenomen inzake de meldingsplichten die
                           voortvloeien uit sanctiemaatregelen. Zoals bij artikel 3.1.1 al
                           aangegeven zal in eerste instantie de Minister van Buitenlandse Zaken
                           hiervoor worden aangewezen. Voor de uitvoering van deze taken en
                           bevoegdheden zal een centraal meldpunt sancties worden ingericht. De
                           taken en bevoegdheden die in dit artikel zijn opgenomen zullen dus door
                           het centraal meldpunt sancties, onder verantwoordelijkheid van de
                           Minister van Buitenlandse Zaken, worden uitgevoerd. Voor de leesbaarheid
                           zal hierna steeds gesproken worden van het centraal meldpunt sancties of
                           centraal meldpunt in plaats van de Minister van Buitenlandse Zaken.</al>
                    <al>In de onderdelen a en b, is de taak neergelegd voor het centraal
                           meldpunt om meldingen in ontvangst te nemen, de melder een
                           ontvangstbevestiging te sturen en de gemelde informatie zo nodig te
                           controleren. Het meldpunt zal onder andere nagaan of de meldingen
                           inhoudelijk volledig, op de juiste wijze en tijdig gedaan zijn. Daarnaast
                           kan het meldpunt in het kader van zijn analysetaak constateren dat
                           gegevens niet kloppen. Deze gegevens kunnen zo nodig worden uitgewisseld
                           met de toezichthouders en handhavers.</al>
                    <al>In onderdeel c is de hoofdtaak van het centraal meldpunt sancties
                           opgenomen, namelijk het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren
                           van de gegevens die het verkrijgt teneinde te bezien of deze gegevens van
                           belang kunnen zijn voor de uitvoering van sanctiemaatregelen en voor
                           sanctieontwikkeling. Bij deze gegevens gaat het om meldingen door degenen
                           op wie de meldingsplicht van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2.1,
                           eerste lid. Een belangrijke taak is dus het analyseren van de gegevens
                           die het centraal meldpunt ontvangt. De analyses van het centraal meldpunt
                           kunnen een bijdrage leveren aan sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en
                           -analyse en sanctienaleving (waaronder anti-omzeiling) en kunnen de basis
                           vormen voor de aanvang van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
                           procedure. Ook in EU-verband wordt er belang gehecht aan het analyseren
                           van ontvangen meldingen. In het 12<sup>e</sup> sanctiepakket tegen
                           Rusland is de plicht geïntroduceerd om de ontvangen informatie uit
                           meldingen te analyseren. Deze analyseplicht is opgenomen in artikel 5
                           novodecies, derde lid, van Verordening (EU) nr. 2014/833.</al>
                    <al>Een andere taak van het centraal meldpunt sancties is om voorlichting te
                           geven over de invulling van meldingsplichten (onderdeel d).</al>
                    <al>In onderdeel e is de taak opgenomen dat het centraal meldpunt sancties
                           een actueel overzicht beheert van de ontvangen meldingen en een
                           totaaloverzicht van bevroren tegoeden en economische middelen. Om het
                           overzicht actueel te kunnen houden is het noodzakelijk dat als onderdeel
                           van het melden van tegoeden en economische middelen die zijn bevroren, er
                           door de melder wordt aangegeven als de betreffende tegoeden en
                           economische middelen niet langer bevroren zijn. Om die reden bevat
                           artikel 3.2.1 (meldingsplicht) de grondslag om, ter uitvoering van een
                           meldingsplicht, nadere regels te stellen over de wijze waarop de melding
                           geschiedt. Verder is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten
                           gegevens over ontheffingen uitwisselen met het centraal meldpunt
                           sancties.</al>
                    <al>Voor wat betreft de bevoegdheid van het centraal meldpunt sancties om
                           gegevens aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken over het meldgedrag
                           van degenen die onder de meldingsplicht vallen, wordt verwezen naar
                           hoofdstuk 8 waarin de bevoegdheden tot gegevensverstrekking zijn
                           opgenomen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 3.2 Meldingsplicht</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.2.1 Meldingsplicht</titel>
                    </kop>
                    <al>In het eerste lid is de grondslag opgenomen om meldingen te doen bij het
                           centraal meldpunt sancties als een meldingsplicht op grond van een
                           sanctiemaatregel is opgelegd. Een voorbeeld van zo’n meldingsplicht is
                           opgenomen in artikel 9, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014,
                           waarin is bepaald dat het voor personen en entiteiten op de sanctielijst
                           verplicht is om de onder de jurisdictie van een lidstaat vallende
                           tegoeden en economische middelen te melden.</al>
                    <al>De hoofdregel is dus dat meldingen bij het centraal meldpunt moeten
                           worden gedaan tenzij bij sanctiebesluit of sanctieregeling anders is
                           bepaald. Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat om bepaalde
                           meldingsplichten bij een ander meldpunt te beleggen, omdat dat meldpunt
                           beter geschikt is voor het ontvangen van die meldingen. Dat geldt
                           bijvoorbeeld voor meldingen over import en export die zullen blijven
                           binnenkomen bij de CDIU van de Douane.</al>
                    <al>Het eerste lid biedt dus de grondslag om meldingen te doen bij het
                           centraal meldpunt sancties. Ervan uitgaande dat in een sanctiemaatregel
                           wordt bepaald welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd,
                           is ervoor gekozen om dit niet nader uit te werken in het eerste lid en
                           alleen te bepalen dat de benodigde gegevens moeten worden
                           aangeleverd.</al>
                    <al>Als het nodig is voor een goede uitvoering van het eerste lid, biedt het
                           tweede lid de mogelijkheid om bij sanctiebesluit of sanctieregeling
                           regels te stellen over de wijze waarop de melding geschiedt en de
                           gegevens die worden verstrekt.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de
                              meldingsplicht</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel regelt de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht voor
                           advocaten en notarissen en de meldingsplicht op grond van artikel 3.2.1.
                           Advocaten en notarissen vallen onder de reikwijdte van afdeling 5 van de
                           Sanctiewet 1977 die met dit wetsvoorstel wordt gewijzigd, voor zover zij
                           de in artikel 10, tweede lid, onderdeel o respectievelijk onderdeel p,
                           van de Sanctiewet 1977, bedoelde werkzaamheden verrichten. In artikel 10,
                           tweede lid, van de Sanctiewet 1977, is daarnaast een uitzondering
                           neergelegd, die ertoe strekt dat advocaten en notarissen niet onder de
                           reikwijdte van afdeling 5 van die wet vallen voor zover zij bepaalde
                           werkzaamheden verrichten voor een cliënt, waaronder werkzaamheden
                           betreffende de bepaling van de rechtspositie van de cliënt.</al>
                    <al>Als een advocaat of notaris werkzaamheden verricht als bedoeld in
                           artikel 10, tweede lid, onderdeel o respectievelijk onderdeel p, van de
                           Sanctiewet 1977 en de uitzondering van het tweede lid, niet van
                           toepassing is, dan geldt de meldingsplicht uit artikel 3.2.1 onverkort.
                           Het voorgestelde artikel 3.2.2 regelt ten behoeve van deze meldingsplicht
                           een doorbreking van de geheimhoudingsplicht voor advocaten in artikel 11a
                           van de Advocatenwet en voor notarissen in artikel 22 van de Wet op het
                           notarisambt, voor zover dat in een sanctiemaatregel is bepaald. Het
                           regelt dat de advocaat of notaris in afwijking van zijn
                           geheimhoudingsplicht de voor de melding benodigde informatie moet
                           verstrekken aan het centraal meldpunt sancties. Artikel 3.3.2 regelt
                           daarnaast dat het centraal meldpunt sancties, voor de uitvoering van zijn
                           taak, gegevens kan opvragen bij een advocaat of notaris als het centraal
                           meldpunt van oordeel is dat de betreffende advocaat of notaris beschikt
                           over gegevens die relevant zijn voor het analyseren van de gegevens die
                           het centraal meldpunt verkrijgt naar aanleiding van een melding.</al>
                    <al>De doorbreking van de geheimhoudingsplicht houdt verband met
                           verordeningen waarin dit is geregeld. Een goed voorbeeld is Verordening
                           (EU) 2022/1273 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van Verordening
                           (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot
                           acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en
                           onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Artikel 8,
                           eerste lid, van deze verordening bevat sinds 21 juli 2022 de verplichting
                           om alle informatie die de naleving van de verordening vergemakkelijkt,
                           onverwijld te verstrekken aan de bevoegde autoriteit. Deze verplichting
                           geldt ‘niet tegenstaande de geldende voorschriften inzake rapportage,
                           vertrouwelijkheid en beroepsgeheim’ en is thans ook van toepassing op
                           advocaten en notarissen.</al>
                    <al>De meldingsplicht voor advocaten en notarissen geldt alleen voor zover
                           in een verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie
                           wordt bepaald dat de geheimhoudingsplicht wordt doorbroken.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 3.3 Gegevensverwerking inzake meldingen</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.3.1 Verwerking van gegevens</titel>
                    </kop>
                    <al>Het centraal meldpunt sancties verwerkt voor zijn taken en bevoegdheden
                           gegevens, waaronder persoonsgegevens. Bij de verwerking van
                           persoonsgegevens kan worden gedacht aan het beheren van een actueel
                           overzicht van bevroren tegoeden en economische middelen en verleende
                           ontheffingen en het gebruik van persoonsgegevens bij het onderzoek van
                           ontvangen meldingen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 3.3.2 Verstrekking van gegevens</titel>
                    </kop>
                    <al>Het eerste lid voorziet in de mogelijkheid voor het centraal meldpunt
                           sancties om nadere gegevens op te vragen, naar aanleiding van een
                           ontvangen melding. Het centraal meldpunt kan deze gegevens opvragen bij
                           degene die de melding heeft gedaan. Ook heeft het centraal meldpunt de
                           bevoegdheid om naar aanleiding van een melding gegevens op te vragen bij
                           een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet
                           1977 (zogenoemde Sanctiewet-instellingen) die naar het oordeel van het
                           centraal meldpunt beschikt over gegevens die relevant zijn voor het
                           analyseren van de gegevens die door de melder zijn verstrekt.</al>
                    <al>Op grond van het tweede lid is de melder aan wie de gegevens worden
                           gevraagd verplicht om deze te verstrekken. Hij moet deze gegevens
                           onverwijld in schriftelijke vorm verstrekken of mondeling als er sprake
                           is van een spoedeisend geval.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende de bedrijfsprocessen van
                        instellingen en het melden door instellingen</titel>
                </kop>
                <al>Dit hoofdstuk zal met een tweede tranche worden toegevoegd aan de Wet
                     internationale sanctiemaatregelen en wordt daarom aangeduid als gereserveerd.
                     Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen
                     deel.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 5. Bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van
                        ondernemingen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.1 Begripsbepalingen</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel bevat een aantal definities die nodig zijn om zowel de werking
                        van de in hoofdstuk 5 geregelde bevoegdheden te kunnen begrijpen in
                        verhouding tot de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht
                        trustkantoren 2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet,
                        de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet financiële markten BES
                        als de bevoegdheden van de financiële toezichthouders en de Europese
                        Centrale Bank zoals voorzien in artikel 5.7 van dit wetsvoorstel. De
                        definities van ‘verordening bankentoezicht’, ‘verordening gemeenschappelijk
                        afwikkelingsmechanisme’ en ‘verordening herstel en afwikkeling centrale
                        tegenpartijen’ verwijzen naar de relevante EU-wetgevingsinstrumenten waarin
                        de bevoegdheden zijn voorzien voor de toezichthouders op de financiële
                        markten.</al>
                  <al>De definitie van opdracht beoogt duidelijk te maken dat het niet gaat om
                        een overheidsopdracht als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, maar gezien
                        moet worden als een instructie die door de aangewezen persoon wordt gegeven
                        aan het bestuur of sleutelfunctionarissen van een onderneming. Deze
                        opdrachten zijn dwingend en moeten opgevolgd worden (zie bijvoorbeeld
                        artikel 5.4, eerste lid, van dit wetsvoorstel) en doorbreken op deelaspecten
                        daarmee de bevoegdheid van het bestuur om de strategie en het beleid van de
                        onderneming te voeren.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.2 Uitoefening taken en bevoegdheden</titel>
                  </kop>
                  <al>Omdat de Minister van Economische Zaken in het kader van zijn competenties
                        al taken en bevoegdheden uitoefent op het gebied van beheer van
                        ondernemingen is ervoor gekozen om voor dit hoofdstuk de Minister van
                        Economische Zaken aan te wijzen als bevoegde
                        minister. Vervolgens regelt deze bepaling dat
                        de Minister van Economische Zaken de taken en bevoegdheden op grond van dit
                        hoofdstuk uitoefent in overeenstemming met de
                        minister(s) die het mede aangaat. Komt
                        bijvoorbeeld door een sanctiemaatregel de continuïteit van een onderneming
                        in gevaar waarbij ernstige werkgelegenheidseffecten kunnen optreden, dan
                        oefent de Minister van Economische Zaken de taken en bevoegdheden uit in
                        overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de
                        artikelen 5.3 tot en met 5.8 wordt dus alleen verwezen naar de Minister van
                        Economische Zaken, maar door middel van deze bepaling moet hierin tevens
                        worden gelezen ‘in overeenstemming met de
                        minister(s) die het mede aangaat’. De
                        bepaling over het administratief beroep is hiervan uitgezonderd (artikel
                        5.4, vierde lid). Voor deze bepaling geldt dat alleen de Minister van
                        Economische Zaken bevoegd is.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder</titel>
                  </kop>
                  <al>De bevoegdheid vastgelegd in artikel 5.3 is erop gericht de Minister van
                        Economische Zaken de mogelijkheid te bieden om mogelijke ernstige negatieve
                        maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten te beperken als
                        door de toepassing van een sanctiemaatregel de financiële stabiliteit of
                        continuïteit van een onderneming in gevaar komt. De bevoegdheid zoals
                        bepaald in het eerste lid is dubbel geclausuleerd en kan pas worden
                        uitgeoefend als 1) de financiële stabiliteit of continuïteit van de
                        onderneming in het geding is en 2) vervolgens dat weer mogelijke ernstige
                        negatieve maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de
                        Nederlandse samenleving met zich mee kan brengen. De bevoegdheid is enkel
                        van toepassing op in Nederland gevestigde ondernemingen, waaronder
                        ondernemingen gevestigd op de BES,<noot id="n332" type="voet"><noot.nr>321</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1 van de Sanctieregeling BES en de artikelen 1.2 en
                              9.1 van dit wetsvoorstel.</noot.al></noot> en dus niet op ondernemingen gevestigd in andere landen van het
                        Koninkrijk.</al>
                  <al>De Minister van Economische Zaken kan een persoon aanwijzen die feitelijk
                        de rol gaat vervullen van een bewindvoerder. De Minister van Economische
                        Zaken wijst daarbij overeenkomstig het tweede lid alleen personen aan met
                        kennis en ervaring op het gebied van het beheren, herstructureren of
                        afwikkelen van ondernemingen. De groep personen waaruit geselecteerd zal
                        worden, kan in veel gevallen samenvallen met de groep personen en kantoren
                        die worden ingeschakeld als herstructureringsdeskundige in het kader van de
                        Wet Homologatie Onderhands Akkoord, of als bewindvoerder bij surséance van
                        betaling of als curator bij een faillissement. In voorkomend geval zal ook
                        buiten deze groep een persoon kunnen worden aangewezen als er sprake is van
                        een zeer specialistische onderneming waarvoor bijzondere kennis is vereist.
                        Het is zelfs mogelijk dat de Minister van Economische Zaken voor de
                        desbetreffende onderneming meerdere personen aanwijst. De kosten verbonden
                        aan de inschakeling van deze aangewezen persoon komen voor rekening van de
                        rijksbegroting, omdat met deze inschakeling een publiek belang wordt
                        gediend.</al>
                  <al>Het derde lid van artikel 5.3 maakt, in samenhang met artikel 5.4,
                        duidelijk dat de opdrachten die de aangewezen persoon kan uitvaardigen
                        moeten voldoen aan de doelbinding neergelegd in het derde lid: de opdrachten
                        moeten gericht zijn op enerzijds het waarborgen van de effectiviteit van de
                        naleving van sanctiemaatregelen en anderzijds het beperken van de mogelijke
                        negatieve maatschappelijke effecten onder het gelijktijdig streven naar de
                        financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming of de zorgvuldige
                        afwikkeling ervan. Hiermee wordt kleur gegeven aan wat de aard en het doel
                        van deze opdrachten moet zijn, waarbij het (deel)belang van de onderneming
                        niet losstaat van het maatschappelijk belang.</al>
                  <al>Het vierde lid, voorziet in een eindigheid van de aanwijzing. Deze wordt
                        door de Minister van Economische Zaken ingetrokken wanneer de noodzaak van
                        de aanwijzing is komen te vervallen. De intrekking vindt in ieder geval
                        plaats als de verplichting op grond van een sanctiemaatregel niet meer van
                        toepassing is op de onderneming. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de
                        aandelen in de onderneming verkocht zijn waardoor de band met een
                        gesanctioneerde natuurlijke persoon niet langer aanwezig is. Ook kan hier
                        sprake van zijn als de betrokken onderneming bijvoorbeeld een herijking van
                        de activiteiten heeft gerealiseerd waardoor alle activiteiten in een land
                        waarvoor sanctiemaatregelen zijn ingesteld zijn beëindigd.</al>
                  <al>Het besluit dat strekt tot de aanwijzing door de Minister van Economische
                        Zaken wordt door middel van plaatsing in de Staatscourant openbaar gemaakt
                        overeenkomstig het vijfde lid. Daarmee heeft het besluit ook externe
                        kenbaarheid en werking en is inschrijving van de aangewezen persoon in het
                        Handelsregister niet nodig. De bevoegdheden van de aangewezen persoon zijn
                        vastgelegd in dit wetsvoorstel en niet afhankelijk van de inschrijving in
                        het Handelsregister. De aangewezen persoon is zelf geen bestuurder, maar een
                        persoon aangesteld krachtens publiekrecht met een wettelijke taak die
                        geconcretiseerd is door het aanwijzingsbesluit en de eventueel daaraan
                        verbonden voorschriften (vergelijk artikel 5.3, eerste lid, laatste
                        zin).</al>
                  <al>De persoon wordt aangewezen bij besluit van de
                        minister en is dus met openbaar gezag
                        bekleed. De primaire relatie tussen de
                        minister en de aangewezen persoon is dus
                        publiekrechtelijk van aard en dat verklaart ook waarom het handelen van de
                        aangewezen persoon (dat wil zeggen de opdrachten aan het bestuur, tenzij het
                        gaat om feitelijk handelen) vatbaar is voor administratief beroep. Wel zal
                        naast het aanwijzingsbesluit een overeenkomst gesloten moeten worden waarin
                        betaling van kosten, informatie-uitwisseling etc. nader geregeld worden. Dat
                        is een overeenkomst die eigenlijk kwalificeert als een
                        ‘uitvoeringsovereenkomst’ en in de kern een overeenkomst tot dienstverlening
                        is tussen de Staat (de minister) en de
                        desbetreffende persoon. De aangewezen persoon is met openbaar gezag bekleed
                        en is uit dien hoofde geen medewerker van de onderneming waarvoor de persoon
                        wordt aangewezen. Ook is er jegens de Staat geen sprake van een werkgever –
                        werknemer situatie: dit wetsvoorstel attribueert rechtstreeks wettelijke
                        taken en bevoegdheden aan de aangewezen persoon zodra deze is aangewezen
                        krachtens besluit zoals nader uitgewerkt in een overeenkomst tot
                        dienstverlening. De aangewezen persoon handelt binnen de grenzen van de wet
                        en het besluit (inclusief voorschriften van het besluit), maar handelt niet
                        in mandaat namens de minister. De aanwijzing
                        noch de overeenkomst zijn aanbestedingsplichtig, omdat hier sprake is van de
                        uitoefening van openbaar gezag. De wettekst is in lijn gebracht met artikel
                        32 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames om het
                        karakter van de aanwijzing goed tot uitdrukking te brengen. De betaling
                        geschiedt altijd vanuit de Staat. Voor zover deze aanwijzing geschiedt door
                        de minister op grond van de eigen afweging,
                        zal hiervoor incidenteel de budgettaire dekking ten laste van de
                        Rijksbegroting gevonden moeten worden. Voor zover de aanwijzing op verzoek
                        geschiedt zullen de kosten worden doorbelast aan de verzoekende onderneming
                        conform artikel 5.5, maar de betaling van de aangewezen persoon zal altijd
                        vanuit de Rijksbegroting komen.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Omdat de eigen beroepsregels van advocaten en notarissen al voorzien in
                           een instrument waar dit artikel op ziet is in het zesde lid bepaald dat
                           dit artikel niet van toepassing is op ondernemingen die als advocaat,
                           notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden
                           verrichten.</al>
                    <al>Toezicht op de advocatuur is vanwege de rol en positie van de advocaten
                           onafhankelijk van de Staat vormgegeven. Juist vanwege deze rol en positie
                           van de advocaat is het niet verenigbaar dat door de Minister van
                           Economische Zaken kan worden ingegrepen in de bedrijfsvoering of
                           praktijkuitoefening van een advocatenkantoor door een bij de
                           minister aangewezen persoon of personen.
                           Daarnaast heeft de advocaat een wettelijke geheimhoudingsplicht en
                           verschoningsrecht van al hetgeen de advocaat op grond van zijn
                           beroepsuitoefening kennis neemt (artikel 11a Advocatenwet). De
                           Advocatenwet heeft voldoende instrumenten die door de toezichthouder
                           kunnen worden ingezet mocht blijken dat een advocaat niet handelt zoals
                           een behoorlijk advocaat betaamt. Gelijkelijk daaraan, moeten ook
                           notarissen worden uitgezonderd van dit artikel. Notarissen hebben ook een
                           wettelijke geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht en daarmee is niet
                           te verenigen dat een derde wordt aangewezen om het bestuur van de
                           onderneming over te nemen of anderszins wordt ingegrepen in de bedrijfs-
                           of praktijkuitoefening. Ook de beroepsregels van notarissen regelen al
                           een dergelijk instrument als waar dit artikel op ziet. De toezichthouder
                           op het notariaat, het Bureau Financieel Toezicht (BFT) of de Koninklijke
                           Notariële Beroepsorganisatie kan een verzoek doen bij de kamer voor het
                           notariaat (=tuchtrechter) om een stille bewindvoerder aan te wijzen als
                           de continuïteit van de praktijk in gevaar dreigt te komen (artikel 25b
                           Wet op het notarisambt). De kamer voor het notariaat kan dit ook
                           ambtshalve doen.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.4 Regels over opdrachten van de bewindvoerder</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel regelt de verhouding tussen enerzijds de onderneming, de
                        bestuurders, commissarissen, feitelijke leidinggevenden en andere werknemers
                        en anderzijds de aangewezen persoon.<noot id="n333" type="voet"><noot.nr>322</noot.nr><noot.al>Dit artikel regelt dus niet de verhouding met de aandeelhouders.
                              Daarvoor geldt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen
                              gesanctioneerde en niet-gesanctioneerde aandeelhouders. De algemene
                              vergadering van aandeelhouders als orgaan van de onderneming als
                              zodanig kan nog gewoon besluiten nemen, los van de beperkingen die het
                              tweede lid stelt aan het instemmingsrecht. Er is ook geen reden om dit
                              te beperken. De gesanctioneerde aandeelhouder zal zijn
                              aandeelhoudersrechten echter niet kunnen uitoefenen, want hij/zij zal
                              daarin beperkt zijn op grond van de van toepassing zijnde
                              internationale sanctiemaatregelen. Dat behoeft dan ook geen regeling
                              in dit wetsvoorstel.</noot.al></noot> Oogmerk van de bevoegdheid neergelegd in artikel 5.3 is de
                        effectiviteit van de sanctiemaatregel veilig te stellen, terwijl de
                        negatieve maatschappelijke effecten worden geminimaliseerd door de
                        continuïteit van de betrokken onderneming te waarborgen of de beëindiging en
                        afwikkeling van de betrokken onderneming zorgvuldig te laten plaatsvinden.
                        In beginsel bemoeit de aangewezen persoon zich dus niet met de dagelijkse
                        gang van zaken van de doelonderneming en grijpt hij alleen in via gerichte
                        opdrachten, als er (rechts)handelingen worden verricht die – in het licht
                        van de geldende sanctiemaatregelen – leiden tot negatieve maatschappelijke
                        effecten, omdat de financiële stabiliteit en de continuïteit van de
                        betrokken onderneming in het geding is. Ook kan de aangewezen persoon
                        opdrachten verstrekken om een ‘firewall’ te realiseren of de onderneming tot
                        herstructurering over te laten gaan of tot een ordentelijke afwikkeling (zie
                        paragraaf 3.4.1 van het algemeen deel van de toelichting). De opdrachten
                        kunnen er dus toe strekken dat bijvoorbeeld een bestuurder wordt verplicht
                        bepaalde feitelijke handelingen of rechtshandelingen te verrichten of zich
                        juist daarvan moet onthouden. Het middel is het aanstellen van één of meer
                        personen die dergelijke bindende opdrachten kunnen verstrekken aan
                        bestuurders, commissarissen, feitelijk leidinggevenden en andere werknemers
                        van de betrokken onderneming. Zij zijn verplicht alle informatie en
                        medewerking te verstrekken aan een aangewezen persoon (zie het eerste lid
                        van artikel 5.4).</al>
                  <al>Dat betekent dat in beginsel het bestuur, de raad van commissarissen en
                        sleutelfunctionarissen onverminderd hun rol kunnen vervullen zoals in het
                        Nederlandse ondernemingsrecht is voorzien, binnen de grenzen die de
                        opdrachten van de aangewezen persoon stelt. Er is daarbij voorzien in een
                        bescherming van bestuurders, commissarissen, feitelijk leidinggevenden en
                        andere werknemers van de betrokken onderneming tegen aansprakelijkheid als
                        zij de opdrachten van een aangewezen persoon opvolgen. Ze zijn wettelijk
                        daartoe verplicht zelfs als wettelijk, statutair of contractueel een
                        voorafgaande instemming van de houders van aandelen nodig zou zijn (zie
                        artikel 5.4, tweede lid). Dit laatste, de beperking van de
                        aandeelhoudersrechten, is ontleend aan artikel 370, vijfde lid, van de
                        Faillissementswet. Hoewel de publiekrechtelijke medewerkingsverplichting al
                        uit het eerste lid van artikel 5.4 voortvloeit, is mede op grond van
                        ontvangen reacties vanuit de juridische adviseurs van het bedrijfsleven op
                        de preconsultatie gekozen om doorbreking van deze instemmingsverplichting te
                        regelen. Daarmee wordt voorkomen dat bestuurders en commissarissen in
                        juridische procedures verzeild raken, omdat zij aan de wettelijke
                        verplichtingen krachtens deze wet voldoen.</al>
                  <al>Om de effectiviteit van de medewerkingsverplichting neergelegd in het
                        eerste en tweede lid van artikel 5.4 veilig te stellen, is met artikel 5.4,
                        derde lid, voorzien in de vernietigbaarheid van rechtshandelingen in strijd
                        met de opdrachten van de aangewezen persoon. Zijn in strijd met een opdracht
                        van de aangewezen persoon rechtshandelingen gedaan, dan kunnen zowel de
                        aangewezen persoon zelf als de Minister van Economische Zaken deze
                        rechtshandelingen laten vernietigen. Hiervoor gelden de regels van het
                        burgerlijk (proces)recht.</al>
                  <al>Voor zover er bezwaren bestaan tegen de opdrachten en het bestuur
                        bijvoorbeeld van oordeel is dat een opdracht niet in het belang van de
                        betrokken onderneming is, staat tegen opdrachten van een aangewezen persoon
                        administratief beroep open bij de Minister van Economische Zaken (zie
                        artikel 5.4, vierde lid). Hiermee komt tot uitdrukking dat de aangewezen
                        persoon een bestuursorgaan is en dat een door deze persoon verstrekte
                        opdracht een beschikking in de zin van de Awb is, waartegen
                        rechtsbescherming open staat. De keuze voor administratief beroep als eerste
                        stap in het kader van rechtsbescherming hangt samen met de aanwijzing die de
                        Minister van Economische Zaken doet van de aangewezen persoon: door middel
                        van administratief beroep wordt een vorm van toezicht op het handelen van de
                        aangewezen persoon gerealiseerd. De aangewezen persoon fungeert immers als
                        ‘vooruitgeschoven bestuursorgaan’ dat binnen de onderneming op operationeel
                        niveau aanwijzingen kan geven om de belangen die de Minister van Economische
                        Zaken heeft geïdentificeerd te borgen en de negatieve maatschappelijke
                        effecten die de Minister van Economische zaken onacceptabel vond te
                        mitigeren. Het is dan ook voor de hand liggend dat als eerste de Minister
                        van Economische Zaken, die de aangewezen persoon heeft aangewezen, in
                        individuele gevallen kan corrigeren.</al>
                  <al>Tot slot is in artikel 5.4, vijfde lid, voorzien in een maatregel die de
                        effectiviteit van deze bevoegdheid waarborgt: de aangewezen persoon is niet
                        aansprakelijk voor de schade ten gevolge van de door hem verstrekte
                        opdrachten. Daarmee kan de aangewezen persoon zijn werk effectief doen
                        zonder dreiging van grote schadeclaims. Tegelijkertijd handelt de aangewezen
                        persoon krachtens publiekrecht en wordt hij aangewezen door de Minister van
                        Economische Zaken. Om duidelijk te maken dat dergelijke schade wel verhaald
                        kan worden op de Staat, is gekozen voor het expliciteren van de
                        staatsaansprakelijkheid voor de handelingen van de aangewezen persoon.
                        Dergelijke aansprakelijkheid van de Staat brengt het risico met zich mee dat
                        de Staat verplicht zou kunnen worden tot het betalen van schadevergoeding
                        voor de handeling van de bewindvoerder. De regering acht deze risico’s
                        echter aanvaardbaar in het licht van het beoogde doel. De aanwijzing van een
                        bewindvoerder kan immers alleen plaatsvinden als de onverkorte toepassing
                        van de sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of
                        de continuïteit van de onderneming met zich brengt. Zonder handelen van de
                        Staat zou de onderneming dus in zwaar weer komen of in ieder geval schade
                        ondervinden als gevolg van de toepassing van de sanctiemaatregel. De
                        opdrachten die de bewindvoerder geeft moeten, krachtens artikel 5.3, derde
                        lid, gericht zijn op het naleven van deze wet en het beperken van de
                        nadelige maatschappelijke gevolgen van de sanctiemaatregel, waarbij
                        gelijktijdig gestreefd moet worden naar de financiële stabiliteit of
                        continuïteit van de onderneming of de zorgvuldige afwikkeling van de
                        activiteiten van de onderneming. In die omstandigheden acht de regering het
                        risico beperkt dat de opdrachten van de bewindvoerder aanvullende schade
                        aanrichten, bovenop de gevolgen van de al geldende sanctiemaatregel. De
                        eventuele schade waarvoor de Staat aansprakelijk zou kunnen zijn, is om die
                        reden in elk geval beperkt.</al>
                  <al-groep>
                    <al>Artikel 5.5 Verzoek tot aanwijzing van een bewindvoerder en artikel 5.6
                           Aanwijzing bewindvoerder op verzoek</al>
                    <al>Bij de onderbouwing van het verzoek van de onderneming aan de Minister
                           van Economische Zaken om een persoon aan te wijzen is, overeenkomstig het
                           tweede lid van artikel 5.5, voorgeschreven welke informatie moet worden
                           verstrekt. Voor wat betreft de uitleg, met inbegrip van relevante
                           financiële en bedrijfsgegevens, van de gevolgen van de verplichting of
                           beperking voor de financiële stabiliteit of de continuïteit van de
                           onderneming is de inzet van een accountant om deze gevolgen met enig
                           gezag te kunnen beoordelen vaak de meest effectieve route. Ook de
                           onderbouwing welke beperkende maatregel of verplichting als gevolg van
                           een sanctiemaatregel de betrokken onderneming raakt, kan soms
                           gedetailleerde informatie en onderbouwing vereisen waarvoor juridische
                           expertise nodig is die zijn neerslag vindt in een juridisch advies. Ook
                           is voorstelbaar dat eerder een bestuursrechtelijk rechtsoordeel van een
                           bevoegde instantie of toezichthouder is verkregen die verantwoordelijk is
                           voor of toeziet op de relevante beperkende maatregel of
                           verplichting.</al>
                    <al>De aanwijzing van de persoon, bedoeld in artikel 5.6, vindt pas plaats
                           als het positieve besluit op het verzoek onaantastbaar is geworden (zie
                           artikel 5.6, eerste lid, eerste zinsnede). Hiermee wordt enerzijds recht
                           gedaan aan het belang van effectieve rechtsbescherming door
                           belanghebbenden die het wellicht oneens zijn met het verzoek van de
                           onderneming en het besluit. Anderzijds wordt voorkomen dat een persoon
                           aangewezen wordt en dat er al kosten worden gemaakt die voor rekening van
                           de onderneming zouden komen, terwijl het besluit op het verzoek nog
                           onzeker is.</al>
                  </al-groep>
                  <al>De kosten die op grond van het derde lid van artikel 5.6 in rekening worden
                        gebracht moeten de kosten betreffen die daadwerkelijk zijn gemaakt door de
                        aangewezen persoon. Daarbij valt onder meer te denken aan arbeidskosten,
                        reiskosten en ICT-kosten. Bij een ambtshalve aanwijzing van een
                        bewindvoerder komen de kosten voor rekening van de Staat.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.7 Aanwijzing bewindvoerder in de financiële sector</titel>
                  </kop>
                  <al>Financiële ondernemingen, trustkantoren, accountantsorganisaties,
                        (beroeps)pensioenfondsen, aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van
                        cryptoactivadiensten staan onder toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) en
                        de Autoriteit Financiële Markten (AFM) op grond van (achtereenvolgens) de
                        Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet
                        toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte
                        beroepspensioenregeling en de verordening cryptoactiva. De grootste banken
                        staan voorts onder toezicht van de Europese Centrale Bank. Dit toezicht kan
                        onder meer zien op markttoegang (toestemming om in Nederland actief te mogen
                        zijn) en afwikkeling (bevoegdheid tot ingrijpen om de continuïteit van de
                        kritieke financiële en economische functies van een falende onderneming te
                        waarborgen en de gevolgen van het falen van de onderneming te
                        beperken).</al>
                  <al>In artikel 5.7 is de verhouding geregeld tussen de bevoegdheden van de
                        Minister van Economische Zaken op grond van dit hoofdstuk en de bedoelde
                        bevoegdheden van die toezichthouders. De Minister van Economische Zaken kan
                        zijn bevoegdheden ten aanzien van dergelijke ondernemingen alleen uitoefenen
                        in overeenstemming met de relevante toezichthouder. Dit laat ruimte voor die
                        toezichthouder om de aanvaardbaarheid van de aan te wijzen personen te
                        beoordelen en om te beoordelen of inzet van de eigen bevoegdheden de
                        voorkeur verdient. Dit is geregeld in artikel 5.7, eerste lid.</al>
                  <al>In het tweede lid is geregeld dat waar de toezichthouder al heeft besloten
                        tot afwikkeling van de onderneming, de Minister van Economische Zaken zijn
                        bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk niet uitoefent. In dat geval zullen
                        de doeleinden van dit hoofdstuk al zijn gediend met die vergaande
                        maatregelen door de toezichthouder.</al>
                  <al>Zoals benoemd in het algemeen deel van de toelichting doen de maatregelen
                        door de Minister van Economische Zaken op grond van dit hoofdstuk niet af
                        aan de bevoegdheden van de toezichthouders. Dit is geregeld in het derde
                        lid. In het verlengde hiervan is ook een terugtred voorzien als een
                        toezichthouder optreedt: in het vierde lid is geregeld dat de Minister van
                        Economische Zaken in beginsel een aanwijzing op grond van dit hoofdstuk
                        intrekt, als een toezichthouder naderhand zelf ingrijpt bij de onderneming.
                        Het gaat hier bijvoorbeeld om bevoegdheden die de toezichthouder toekomen om
                        een curator of bewindvoerder aan te stellen. Deze kunnen slechts in
                        uitzonderlijke omstandigheden worden ingezet, zoals de situaties omschreven
                        in de artikel 1:76 en 1:76a van de Wet op het financieel toezicht. Zo kan
                        een curator bijvoorbeeld worden aangewezen als een adequate functionering
                        van de financiële onderneming ernstig in gevaar is en de financiële
                        onderneming voorafgaand haar zienswijze naar voren heeft kunnen
                        brengen.</al>
                  <al>Op bovenstaande geldt een uitzondering: de Minister van Economische kan
                        ervoor kiezen om de aanwijzing niet in te trekken, als de relevante
                        toezichthouder hiermee instemt. Een dergelijke situatie zou zich voor kunnen
                        doen als de belangen van het aanwijzen van een bewindvoerder onvoldoende
                        worden ondervangen door de handhavingsinstrumenten genoemd in het vierde lid
                        en tegelijkertijd het aanhouden van de bewindvoerder er niet aan in de weg
                        staat dat de handhavingsinstrumenten op een juiste manier worden
                        ingezet.</al>
                  <al>Verder moeten personen aangewezen op grond van dit hoofdstuk medewerking
                        verlenen aan de toezichtmedewerkers van DNB en AFM en aan de personen die
                        door DNB worden belast met de afwikkeling van financiële ondernemingen, bij
                        de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de hiervoor genoemde
                        wetten. Op basis van de algemene medewerkingsverplichting uit artikel 5:20
                        Awb is eenieder verplicht om aan een toezichthouder binnen een door hem
                        redelijk gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze
                        redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Deze
                        medewerkingsverplichting geldt ook jegens de personen die op grond van dit
                        hoofdstuk als bewindvoerder zijn aangesteld.</al>
                  <al>Voor de bedoelde toezichtmedewerkers volgt dit uit hun hoedanigheid van
                        ‘personen, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                        voorschrift’ in de zin van artikel 5:11 Awb. Zij beschikken om die reden
                        over de toezichtbevoegdheden van afdeling 5.2 Awb (uitgezonderd de
                        bevoegdheden genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van die wet<noot id="n334" type="voet"><noot.nr>323</noot.nr><noot.al>Zie artikel 1:73, eerste lid, van de Wet op het financieel
                              toezicht.</noot.al></noot>). De medewerkingsplicht is geregeld in artikel 5:20 van die wet. In
                        artikel 3A:8 van de Wet op het financieel toezicht is geregeld dat ook de
                        personen die door DNB worden belast met de afwikkeling van financiële
                        ondernemingen beschikken over die toezichtbevoegdheden, en dat jegens hen de
                        medewerkingsplicht van overeenkomstige toepassing is.</al>
                  <al>Die medewerkingsplicht geldt verder ten aanzien van DNB en AFM zelf, waar
                        zij op grond van de hiervoor genoemde wetten beschikken over bepaalde
                        toezichtbevoegdheden – met name de bevoegdheid inlichtingen te vragen – en
                        ook de medewerkingsplicht van artikel 5:20 Awb van overeenkomstige
                        toepassing is verklaard.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 5.8 Gegevensbescherming bij bewindvoering in de financiële
                           sector</titel>
                  </kop>
                  <al>In aanvulling op de hiervoor bedoelde medewerkingsplicht is in artikel 5.8
                        geregeld dat de bewindvoerder die is aangewezen met inachtneming van dit
                        artikel eigener beweging of desgevraagd aan de Minister van Economische
                        Zaken en aan AFM en DNB alle gegevens verstrekt die nodig zijn voor de
                        vervulling van hun taken. Aan DNB verstrekt de bewindvoerder bovendien alle
                        gegevens die nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond van de
                        verordeningen, genoemd in artikel 5.7, derde lid, van de bestuursorganen,
                        genoemd in artikel 1:90, zevende en achtste lid, van de Wet op het
                        financieel toezicht. Dit betreft onder meer de afwikkelingsraad, bedoeld in
                        de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, en de Europese
                        Centrale Bank in haar hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit. DNB kan
                        die gegevens vervolgens op grond van de Wet op het financieel toezicht
                        verstrekken aan die bestuursorganen. Zo is geborgd dat AFM en DNB kunnen
                        beschikken over alle gegevens van de bewindvoerder bij een onderneming waar
                        zij toezicht op houden. Dit is met name van belang waar de onderneming een
                        bank betreft, met het oog op eventuele afwikkeling.</al>
                  <al>Artikel 5.7 ziet op de aanstelling van een bewindvoerder bij een
                        onderneming die onder toezicht staat op grond van de in artikel 5.7, eerste
                        lid, genoemde wetten. In artikel 5.8, derde lid, is geregeld dat het
                        geheimhoudingsregime van de wet op grond waarvan de onderneming onder
                        toezicht staat van overeenkomstige toepassing is op die bewindvoering. Ten
                        aanzien van gegevens die bestuurders en andere betrokkenen op grond van
                        artikel 5.4 moeten verstrekken aan de bewindvoerder gelden zodoende dezelfde
                        waarborgen als ten aanzien van gegevens die zij op grond van de
                        toepasselijke toezichtwet moeten verstrekken aan hun toezichthouder.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 6. Bepalingen over het beheer van registergoederen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 6.1 Beheerovername registergoederen</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit artikel wordt aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
                        Ordening voor wat betreft onroerende zaken en de Minister van Infrastructuur
                        en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, de bevoegdheid
                        gegeven om aan een eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd is tot
                        het in beheer of gebruik geven van een registergoed mede te delen dat het
                        beheer van het registergoed over wordt genomen door die
                        minister, dan wel aan een persoon of
                        instelling die door die minister is
                        aangewezen. De minister heeft deze
                        bevoegdheid alleen als er sprake is van een bevroren registergoed en er naar
                        het oordeel van de minister sprake is van
                        risico’s op maatschappelijke schade met betrekking tot dat registergoed.
                        Voorbeelden van maatschappelijke schade zijn gevolgen voor de leefbaarheid,
                        de veiligheid en gezondheid en schade aan het milieu door onder meer
                        langdurige leegstand of achterstallig onderhoud. Ook als het belang van de
                        huurder geschaad wordt door de bevriezing van het gehuurde op grond van een
                        sanctiemaatregel heeft de minister de
                        bevoegdheid om het beheer van het bevroren registergoed over te nemen. Het
                        kan hier zowel gaan om de huur van onroerende zaken als om vaartuigen en
                        luchtvaartuigen. De huur van vaartuigen en luchtvaartuigen speelt op dit
                        moment niet, maar in het belang van toekomstbestendige wetgeving is ervoor
                        gekozen om het tweede lid, onderdeel b, ook te laten zien op vaartuigen en
                        luchtvaartuigen.</al>
                  <al>Het beheer wordt overgenomen om de risico’s van de sanctiemaatregel te
                        beperken, of schade te voorkomen, te beperken of te herstellen.</al>
                  <al>Mogelijk worden persoonsgegevens verwerkt in het kader van de
                        beheerovername. Dit betreffen uitsluitend persoonsgegevens die degene aan
                        wie het beheer is opgedragen nodig heeft voor de uitvoering van het beheer.
                        Hierbij kan gedacht worden aan persoonsgegevens van huurders of andere
                        gerechtigden. Dit zijn persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de
                        uitoefening van de wettelijke taak die aan de beheerder is opgedragen. De
                        verwerking van deze persoonsgegevens is gerechtvaardigd op basis van artikel
                        6, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene verordening gegevensbescherming,
                        op grond waarvan de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is als de
                        verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die
                        op de verwerkingsverantwoordelijke rust. De beheerder moet bij de verwerking
                        van deze persoonsgegevens uiteraard voldoen aan alle eisen die uit deze
                        verordening voortvloeien.</al>
                  <al>Registergoederen zijn op grond van artikel 10 van Boek 3 van het Burgerlijk
                        Wetboek goederen waarvoor inschrijving in het daartoe bestemde register
                        noodzakelijk is voor de overdracht of vestiging, zoals onroerende zaken en
                        teboekgestelde schepen en luchtvaartuigen. De regeling heeft betrekking op
                        registergoederen die als gevolg van een sanctiemaatregel zijn bevroren. Voor
                        een onderbouwing van het in beheer nemen van registergoederen wordt verwezen
                        naar paragraaf 3.4.3 van het algemeen deel van deze memorie van
                        toelichting.</al>
                  <al>Met het vierde lid wordt bepaald wat in dit hoofdstuk onder beheer wordt
                        verstaan. Met beheer wordt in dit hoofdstuk bedoeld het verrichten van alle
                        handelingen met betrekking tot een registergoed die volgens het burgerlijk
                        recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren, voor zover die
                        rechten en plichten zien op het wegnemen van de risico’s op maatschappelijke
                        schade. Het vervreemden en bezwaren van het registergoed valt niet onder
                        beheer. Onder beheer vallen bijvoorbeeld wel alle plichten die voortvloeien
                        uit milieueisen, veiligheidseisen, etc. Ook het innen van huurpenningen
                        namens de eigenaar of het aan derden in gebruik geven van het registergoed
                        valt hieronder. De beheerhandelingen moeten wel zien op het wegnemen van de
                        risico’s op maatschappelijke schade die de reden zijn geweest voor de
                        beheerovername.</al>
                  <al>Voor dit artikel is zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 13b van de
                        Woningwet, een artikel dat het college van burgemeester en wethouders de
                        bevoegdheid geeft het beheer van een gebouw, open erf of terrein over te
                        nemen als er bijvoorbeeld sprake is van overtreding van op grond van artikel
                        4.3 van de Omgevingswet gestelde voorschriften.</al>
                  <al>Uit het vijfde lid van artikel 6.1 volgt dat de
                        minister voorwaarden kan stellen aan de
                        uitvoering van het beheer van het registergoed. Hierbij kan gedacht worden
                        aan voorwaarden omtrent het beschikbaar stellen van een onroerende zaak voor
                        een bepaald doel. Per geval zal moeten worden afgewogen of tijdelijk beheer
                        geschikt is om ongewenste maatschappelijke effecten zoals verloedering te
                        voorkomen en welke doelgroep geschikt is voor tijdelijk gebruik.</al>
                  <al>De eigenaar van het registergoed kan zelf geen beheerhandelingen verrichten
                        ten aanzien van het registergoed, zolang het in beheer is genomen. Dit volgt
                        uit het zesde lid. De bevoegdheid om het beheer over te nemen eindigt zodra
                        een registergoed niet meer bevroren is op grond van een sanctiemaatregel of
                        als naar het oordeel van de minister er geen
                        sprake meer is van het risico op maatschappelijke schade met betrekking tot
                        dat registergoed. Uit het zevende lid volgt dat de beheerovername dan wordt
                        beëindigd door de minister.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 6.2 Kostenverhaal beheerovername</titel>
                  </kop>
                  <al>Voor het beheer en alle daarbij behorende handelingen wordt een
                        beheervergoeding vastgesteld. De eigenaar van het in beheer genomen
                        registergoed moet deze beheervergoeding betalen aan de
                        minister die heeft besloten tot de
                        beheerovername. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat de
                        beheervergoeding kostendekkend is voor de uitvoering van het beheer. Als het
                        in beheer genomen registergoed verhuurd wordt en de beheerder de
                        huurpenningen int namens de eigenaar, kan de beheervergoeding betaald worden
                        uit die huurpenningen (als de huurpenning hoger is dan de beheervergoeding).
                        Als die mogelijkheid er niet is, zal de gesanctioneerde eigenaar een
                        ontheffing moeten krijgen om de beheervergoeding te mogen betalen. Als nodig
                        kan de minister, op grond van het derde lid
                        van dit artikel, de beheervergoeding invorderen bij dwangbevel, ook na het
                        aflopen van de sanctiemaatregel.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 7.1 Toezicht en handhaving ter naleving van
                           sanctiemaatregelen</titel>
                  </kop>
                  <al>Paragraaf 7.1 regelt het toezicht- en handhavingsinstrumentarium voor de
                        naleving van sanctiemaatregelen. Het betreft de naleving van internationale
                        sanctiemaatregelen en de voorschriften die op grond van hoofdstuk 2 ter
                        implementatie van deze maatregelen worden gesteld. Voor de naleving van de
                        bij of krachtens hoofdstuk 4 gestelde regels voor Sanctiewet-instellingen,
                        die met een tweede tranche aan de wet worden toegevoegd, zal met de tweede
                        tranche in paragraaf 7.2 worden voorzien in een apart instrumentarium. De
                        aard van die regels vraagt om een specifiek instrumentarium, waarbij op
                        onderdelen aansluiting zal worden gezocht bij financiële
                        toezichtwetgeving.</al>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>§ 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders</titel>
                      </kop>
                      <al>Artikel 7.1.1 voorziet in het eerste lid in een grondslag om
                              toezichthouders aan te wijzen die belast zijn met het toezicht op de
                              naleving van sanctiemaatregelen. De bevoegdheid om toezichthouders aan
                              te wijzen komt op grond van het eerste lid, onderdeel a, in de eerste
                              plaats toe aan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming
                              met de ministers die het mede aangaat.
                              De toezichthouders die op grond van dit onderdeel worden aangewezen
                              betreffen bijvoorbeeld personen die werkzaam zijn bij autoriteiten die
                              in een sanctiebesluit of sanctieregeling zijn aangewezen als bevoegde
                              autoriteit, en voor een adequate uitvoering van hun taken over
                              toezichtbevoegdheden dienen te beschikken.</al>
                      <al>Het eerste lid, onderdeel b, regelt daarnaast dat toezichthouders
                              kunnen worden aangewezen door de bestuursorganen die na
                              inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op grond van artikel 7.1.2,
                              eerste lid, onderdelen a tot en met c, en tweede lid, over handhavende
                              bevoegdheden beschikken. Dit zijn de Minister van Financiën (de
                              Douane), de Minister van Economische Zaken (Bureau Toetsing
                              Investeringen), het Bureau Financieel Toezicht en, in voorkomende
                              gevallen, bij sanctiebesluit of sanctieregeling aangewezen
                              bestuursorganen (zie ook de toelichting bij artikel 7.1.2). In het
                              eerste lid, onderdeel c, wordt tot slot de deken, bedoeld in artikel
                              45a van de Advocatenwet, aangewezen als toezichthouder. Het tweede lid
                              schrijft voor dat een op grond van het eerste lid, onderdelen a en b,
                              genomen besluit tot aanwijzing van toezichthouders wordt gepubliceerd
                              in de Staatcourant.</al>
                      <al>Toezichthouders zijn natuurlijke personen. De personen die als
                              toezichthouder worden aangewezen beschikken als gevolg van de
                              aanwijzing als toezichthouder bij de uitoefening van hun taak over de
                              bevoegdheden die zijn neergelegd in titel 5.2 Awb.<noot id="n335" type="voet"><noot.nr>324</noot.nr><noot.al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de natuurlijke
                                    personen die op grond van artikel 7.1.1 worden aangewezen als
                                    toezichthouder, niet beschikken niet over handhavende
                                    bevoegdheden. Handhavende bevoegdheden worden uitgeoefend door
                                    het daartoe bevoegde bestuursorgaan. De aanwijzing als
                                    toezichthouder door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond
                                    van artikel 7.1.1, eerste lid, onderdeel a, heeft daarnaast niet
                                    automatisch tot gevolg dat het bestuursorgaan waar deze persoon
                                    toe behoort of voor werkzaam is, over handhavende bevoegdheden
                                    beschikt in het kader van deze wet. Slechts die bestuursorganen
                                    die op grond van artikel 7.1.2 zijn of worden aangewezen kunnen
                                    handhavend optreden tegen overtredingen van sanctiemaatregelen,
                                    onder de voorwaarden die in de toepasselijke artikelen zijn
                                    opgenomen.</noot.al></noot> Dit houdt onder meer in dat de aangewezen personen bevoegd
                              zijn om ter vervulling van hun taak inlichtingen te vorderen (artikel
                              5:16 Awb), inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                              (artikel 5:17 Awb) en zaken en vervoermiddelen te onderzoeken
                              (artikelen 5:18 en 5:19 Awb). Een toezichthouder maakt van zijn
                              bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de
                              vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Daarnaast is het
                              ook mogelijk dat de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
                              worden beperkt in het besluit waarin de toezichthouder wordt
                              aangewezen (artikel 5:14 Awb). Eenieder is verplicht om alle
                              medewerking te verlenen die een toezichthouder redelijkerwijs kan
                              vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20
                              Awb).</al>
                      <al>Voor het toezicht dat wordt uitgeoefend door de Douane, wordt voor de
                              volledigheid opgemerkt dat het toezicht op de naleving van deze wet
                              overlap kan vertonen met het toezicht dat wordt uitgeoefend bij of
                              krachtens de Algemene douanewet.<noot id="n336" type="voet"><noot.nr>325</noot.nr><noot.al>Zie de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de Algemene
                                    Douanewet, waarbij de Sanctiewet 1977 – en na inwerkingtreding
                                    van dit wetsvoorstel de Wet internationale sanctiemaatregelen –
                                    is genoemd in bijlage B.</noot.al></noot> In die gevallen volgt uit artikel 1:6 van de Algemene
                              douanewet dat titel 5.2 Awb niet van toepassing is. Aangewezen
                              toezichthouders beschikken dan over de bevoegdheden uit de Algemene
                              douanewet, en niet over de toezichtbevoegdheden uit titel 5.2
                              Awb.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Caribisch Nederland</titel>
                      </kop>
                      <al>De Awb is niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint
                              Eustatius en Saba. In hoofdstuk 9 van dit wetsvoorstel worden daarom
                              aanvullende regels gesteld om ervoor te zorgen dat toezichthouders in
                              Caribisch Nederland over toereikende bevoegdheden beschikken om
                              uitvoering te geven aan hun toezichthoudende taken. Verwezen wordt
                              naar de toelichting bij artikel 9.2.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Verhouding tot de Regeling toezichthoudende ambtenaren
                                 1977</titel>
                      </kop>
                      <al>Op grond van artikel 10, eerste lid, van de huidige Sanctiewet 1977
                              zijn personen aangewezen die op dit moment toezicht houden op de
                              naleving van de Sanctiewet 1977. Dit is neergelegd in de Regeling
                              toezichthoudende ambtenaren 1977. Bij de voorbereiding van dit
                              wetsvoorstel is bezien in hoeverre het wenselijk is dat de aanwijzing
                              van deze ambtenaren als toezichthouder moet worden voortgezet na de
                              inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Voor zover noodzakelijk, zal
                              daar op het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel in worden
                              voorzien. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 7
                              van het algemeen deel.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>§ 7.1.2 Handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende
                                 bevoegdheden</titel>
                      </kop>
                      <al>Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in Nederland een
                                 economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten.
                                 Op grond van de huidige Sanctiewet 1977 worden na de totstandkoming
                                 van internationale sanctiemaatregelen, de noodzakelijke
                                 uitvoeringsmaatregelen doorgaans getroffen in een ministeriële
                                 regeling (zie ook de toelichting bij artikel 2.1.1). In deze
                                 ministeriële regeling wordt neergelegd dat het verboden is te
                                 handelen in strijd met de relevante internationale
                                 sanctiemaatregelen. Overtreding van deze verboden is strafbaar op
                                 grond van artikel 1, onder 1°, van de Wet op de economische
                                 delicten. Met dit wetsvoorstel wordt deze systematiek van
                                 strafbaarstelling voortgezet. Dit betekent dat de strafrechtelijke
                                 weg open blijft staan voor overtredingen van
                                 sanctiemaatregelen.</al>
                      <al>Met de voorgestelde paragraaf 7.1.2 wordt daarnaast de
                                 mogelijkheid geïntroduceerd om, aanvullend op de mogelijkheden die
                                 het strafrecht biedt, bestuursrechtelijk handhavend op te kunnen
                                 treden tegen overtredingen van sanctiemaatregelen. Voor een nadere
                                 toelichting op de beleidsmatige overwegingen die hieraan ten
                                 grondslag liggen wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen
                                 deel.</al>
                      <al>In artikel 7.1.2, eerste lid, worden bestuursorganen aangewezen
                                 die bestuursrechtelijk handhavend kunnen optreden. Dit betreffen de
                                 Minister van Financiën (de Douane), de Minister van Economische
                                 Zaken (Bureau Toetsing Investeringen), het Bureau Financieel
                                 Toezicht en een door de algemene raad van de Nederlandse orde van
                                 advocaten bij besluit aan te wijzen deken als bedoeld in artikel
                                 22, tweede lid, van de Advocatenwet. De aangewezen bestuursorganen
                                 oefenen hun bevoegdheden uit ten aanzien van de sectoren of
                                 handelingen genoemd in de betreffende onderdelen van het eerste
                                 lid. Deze bestuursorganen beschikken over een bestuursrechtelijk
                                 handhavingsinstrumentarium op grond van andere wetgeving en
                                 derhalve over expertise om dit instrumentarium ook in te zetten ten
                                 aanzien van de schending van sanctiemaatregelen. Voor een nadere
                                 toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen
                                 deel.</al>
                      <al>Vanwege het primaat van de wetgever worden voorschriften over
                                 sancties van bestuursrechtelijke aard zoveel mogelijk in de wet
                                 opgenomen. Met de voorgestelde systematiek wordt het
                                 bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium neergelegd op het
                                 niveau van de wet. Voor de bestuursorganen die worden aangewezen op
                                 het niveau van de wet geldt dat zij handhavend kunnen optreden
                                 tegen het overtreden van sanctiemaatregelen die zien op de sectoren
                                 of handelingen, bedoeld in artikel 7.1.1, eerste lid, onderdelen a
                                 tot en met d. Voor deze bestuursorganen wordt bij lagere
                                 regelgeving alleen nog bepaald dat zij bij overtreding van
                                 sanctiemaatregelen bestuursrechtelijk mogen handhaven.</al>
                      <al>Omdat niet te voorspellen is welke sanctiemaatregelen in de
                                 toekomst worden getroffen, geeft artikel 7.1.2, tweede lid, een
                                 grondslag om ook andere bestuursorganen aan te wijzen die zullen
                                 beschikken over het handhavingsinstrumentarium, opgenomen in de
                                 artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5. In het sanctiebesluit of de
                                 sanctieregeling zullen – vergelijkbaar met de
                                 (implementatie)systematiek die nu gehanteerd wordt voor de
                                 strafbaarstelling van sanctiemaatregelen – daarbij ook de
                                 bepalingen worden vermeld waartegen bestuursrechtelijk handhavend
                                 kan worden opgetreden. Dit betekent dat op het moment dat er
                                 (nieuwe) internationale sanctiemaatregelen worden uitgevaardigd,
                                 telkens zal worden bezien welke normen zich – naast de bestaande
                                 mogelijkheid tot strafrechtelijke handhaving – lenen voor
                                 bestuursrechtelijke handhaving en welk bestuursorgaan daartoe het
                                 beste geëquipeerd is.</al>
                      <al>Een aanwijzing van een bestuursorgaan op grond van artikel 7.1.2,
                                 tweede lid, geschiedt in een sanctiebesluit of sanctieregeling. Dit
                                 kan een algemene maatregel van bestuur betreffen, maar zal in de
                                 regel een ministeriële regeling zijn (zie ook de toelichting bij
                                 artikel 2.1.1). In het algemeen is van belang dat terughoudendheid
                                 wordt betracht bij delegatie van regelgevende bevoegdheden aan een
                                    minister.<noot id="n337" type="voet"><noot.nr>326</noot.nr><noot.al>Aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de
                                       regelgeving.</noot.al></noot> De rechtvaardiging voor deze vorm van delegatie vloeit in
                                 dit geval voort uit de wijze waarop sanctiemaatregelen tot stand
                                 komen. Voor sanctiemaatregelen geldt dat de te handhaven
                                 voorschriften zijn opgenomen in een verdrag, een besluit of
                                 aanbeveling van een volkenrechtelijke organisatie, of in
                                 internationale afspraken, dan wel in regelgeving ter uitvoering
                                 daarvan. In de huidige praktijk zijn de normen doorgaans opgenomen
                                 in EU-verordeningen of EU-besluiten. Deze internationale
                                 sanctiemaatregelen zijn in beginsel tijdelijk van aard en aan
                                 wijzigingen onderhevig. Daarnaast is van belang dat na de
                                 totstandkoming van internationale sanctiemaatregelen,
                                 uitvoeringsvoorschriften met spoed worden vastgesteld, mede om
                                 anticipatie op de maatregelen te voorkomen. Om deze redenen is het
                                 niet werkbaar om op het niveau van de wet in formele zin alle
                                 bestuursorganen aan te wijzen die over handhavende bevoegdheden
                                 zullen beschikken en alle gedragingen aan te wijzen waartegen
                                 handhavend kan worden opgetreden. Evenals voor de huidige
                                 systematiek die gehanteerd wordt voor de strafbaarstelling van
                                 sanctiemaatregelen, wordt daarom voorzien in een systematiek die
                                 het mogelijk maakt om de te handhaven voorschriften bij lagere
                                 regeling aan te wijzen. Anders dan in het strafrecht, waar
                                 vervolging is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie, is het
                                 daarnaast in voorkomende gevallen ook van belang om een
                                 bestuursorgaan aan te wijzen dat daartoe bevoegd is.</al>
                      <al>De bestuursorganen die op grond van artikel 7.1.2, eerste en tweede
                              lid, zijn of worden aangewezen beschikken als gevolg daarvan over het
                              handhavingsinstrumentarium dat is neergelegd in de artikelen 7.1.3 tot
                              en met 7.1.5. Dit betekent dat zij een aanwijzingsbeschikking kunnen
                              uitvaardigen en bevoegd zijn tot oplegging van een last onder
                              bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Ook
                              wordt voorzien in de mogelijkheid om in het sanctiebesluit of de
                              sanctieregeling te bepalen dat de oplegging van een bestuurlijke
                              sanctie wordt gepubliceerd (artikel 7.1.6).</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.3 Aanwijzingsbeschikking</titel>
                      </kop>
                      <al>Dit artikel voorziet in de bevoegdheid voor het bestuursorgaan om een
                              aanwijzing te geven aan eenieder die niet voldoet aan een krachtens
                              een sanctiemaatregel op hem rustende verplichting. Op deze wijze kan
                              het bestuursorgaan concretiseren welke verplichtingen uit de norm
                              voortvloeien.</al>
                      <al>De aanwijzingsbeschikking betreft een besluit in de zin van artikel
                              1:3 Awb. Bij de voorbereiding en bekendmaking van het besluit zijn
                              daarom de toepasselijke bepalingen uit de Awb van toepassing. Dit
                              vergt onder meer dat de aanwijzing berust op een deugdelijke
                              motivering (artikel 3:46 Awb) en bekend wordt gemaakt conform de
                              voorschriften in afdeling 3.6 Awb.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.4 Last onder bestuursdwang</titel>
                      </kop>
                      <al>Dit artikel geeft de aangewezen bestuursorganen de bevoegdheid om een
                              last onder bestuursdwang op te leggen. Ingevolge artikel 5:32, eerste
                              lid, Awb, beschikt het bestuursorgaan als gevolg daarvan ook over de
                              bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. De bepalingen uit
                              de afdelingen 5.3.1 en 5.3.2 Awb zijn van toepassing.</al>
                      <al>Voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden in
                              hoofdstuk 9 de nodige aanvullende regels gesteld ten behoeve van de
                              bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
                              dwangsom, aangezien de Awb niet van toepassing is in Caribisch
                              Nederland.</al>
                      <al>Tegen een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
                              dwangsom staat in het Europees deel van Nederland bestuursrechtelijke
                              rechtsbescherming open conform de voorschriften uit de Awb. Voor
                              Caribisch Nederland geldt het in de Wet administratieve rechtspraak
                              BES neergelegde stelsel van rechtsbescherming.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.5 Bestuurlijke boete</titel>
                      </kop>
                      <al>Op grond van dit artikel krijgen de aangewezen bestuursorganen de
                              bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen ter handhaving van
                              sanctiemaatregelen. In het tweede en derde lid wordt de maximumhoogte
                              van de boete geregeld. Dit is conform artikel 5:46, eerste lid, Awb,
                              waarin is voorgeschreven dat de maximale boetehoogte wordt neergelegd
                              in de wet, en dus niet op een lager niveau van regelgeving.<noot id="n338" type="voet"><noot.nr>327</noot.nr><noot.al>Zie ook aanwijzingen 2.8, onderdeel b, en 5.43 van de
                                    Aanwijzingen voor de regelgeving.</noot.al></noot> Bij het bepalen van de maximumhoogte geldt als uitgangspunt
                              dat wordt aangesloten bij de boetehoogte die ten hoogste kan worden
                              opgelegd als een overtreding strafrechtelijk wordt gehandhaafd. In dit
                              geval betreft dat het maximum dat op grond van artikel 6, eerste lid,
                              onder 1°, van de Wet op de economische delicten geldt voor
                              opzettelijke overtredingen (misdrijven).</al>
                      <al>Het vierde lid regelt dat de op te leggen boete voor iedere
                              overtreding kan worden geregeld in het sanctiebesluit of de
                              sanctieregeling. In dat geval bepaalt de regering dan wel de Minister
                              van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met Onze Minister(s) die
                              het mede aangaat, welke boete voor een bepaalde overtreding als
                              evenredig moet worden beschouwd. Het bestuursorgaan heeft dan in
                              beginsel geen ruimte meer om een andere boete op te leggen, met
                              uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 5:46, derde lid, Awb,
                              op grond waarvan het bestuursorgaan in geval van een wettelijk
                              gefixeerde boete niettemin een lagere boete oplegt als de overtreder
                              aannemelijk maakt dat de wettelijk vastgestelde boete wegens
                              bijzondere omstandigheden te hoog is. Bij het opstellen van een
                              sanctiebesluit of sanctieregeling waarin de bestuursrechtelijke weg
                              wordt geopend voor de handhaving van sanctiemaatregelen zal telkens
                              worden bezien of er aanleiding is om een wettelijk gefixeerde boete op
                              te nemen. Voor die gevallen waarin de boetehoogte niet in een
                              sanctiebesluit of sanctieregeling wordt neergelegd, geldt dat het aan
                              het bestuursorgaan is om een passende hoogte vast te stellen, met
                              inachtneming van het in het tweede en derde lid neergelegde maximum.
                              Daartoe kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen.</al>
                      <al>De oplegging van een bestuurlijke boete geschiedt volgens de regels
                              die zijn neergelegd in titel 5.4 Awb. Hieronder begrepen zijn
                              voorschriften die relevant zijn voor duale stelsels waarin
                              overtredingen zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk kunnen
                              worden gehandhaafd. Zo vloeit uit artikel 5:44, eerste lid, Awb voort
                              dat een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt als tegen de
                              overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld
                              en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. De
                              bestuursrechtelijke weg is in dat geval afgesloten. Artikel 5:44,
                              tweede en derde lid, Awb regelt dat er overleg plaats moet vinden
                              tussen het Openbaar Ministerie en het bevoegde bestuursorgaan. Uit
                              deze bepalingen volgt dat het mogelijk is om elke gedraging apart voor
                              te leggen of algemene afspraken te maken. Het Openbaar Ministerie en
                              het bestuursorgaan kunnen bijvoorbeeld gezamenlijk criteria formuleren
                              op basis waarvan in individuele gevallen de keuze kan worden gemaakt
                              tussen de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke weg. Deze criteria
                              kunnen worden vastgelegd in een convenant of vervolgingsrichtlijnen
                              van het Openbaar Ministerie.</al>
                      <al>In hoofdstuk 9 worden aanvullende regels gesteld voor de uitoefening
                              van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete in
                              Caribisch Nederland, waar de Awb niet van toepassing is.</al>
                      <al>Tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete staat
                              rechtsbescherming open conform de voorschriften uit de Awb, of, voor
                              Caribisch Nederland, de Wet administratieve rechtspraak BES.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.6 Publicatie besluit tot oplegging bestuurlijke
                                 sanctie</titel>
                      </kop>
                      <al>Met dit artikel wordt voorzien in de mogelijkheid om in een
                              sanctiebesluit of sanctieregeling voor te schrijven dat besluiten tot
                              oplegging van een bestuurlijke sanctie door het bestuursorgaan
                              openbaar worden gemaakt. De publicatie kan verschillende doelen
                              dienen, zoals het informeren of waarschuwen van marktpartijen en
                              burgers, generale en specifieke preventie, of het geven van inzicht in
                              de handhavingspraktijk van het betrokken bestuursorgaan. De publicatie
                              van sanctiebesluiten is ingrijpend en kan verstrekkende gevolgen
                              hebben voor de overtreder. Het is daarom van belang dat een
                              publicatieplicht met voldoende waarborgen is omgeven. Het eerste lid
                              regelt dat de openbaarmaking pas geschiedt nadat het besluit
                              onherroepelijk is geworden. Als een voorlopige voorziening wordt
                              verzocht om openbaarmaking te voorkomen, regelt het tweede lid dat de
                              openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter
                              uitspraak heeft gedaan. Het derde lid regelt daarnaast dat in het
                              sanctiebesluit of de sanctieregeling nadere regels worden gesteld over
                              de openbaarmaking, en specificeert een aantal elementen die daarin
                              moeten worden opgenomen.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>§ 7.1.3 Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige
                              niet-naleving van sanctiemaatregelen of risico op ernstige
                              ontduiking</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Artikel 7.1.7 Ingrijpen bij ontduiking of ondermijning</titel>
                      </kop>
                      <al>De bevoegdheid neergelegd in artikel 7.1.7 is verdergaand dan de
                              bevoegdheden neergelegd in de artikelen 5.2 tot en met 5.8 en is
                              bedoeld voor situaties waar sprake is van een niet-naleving van
                              sanctiemaatregelen of een duidelijk risico ontstaat of wordt vergroot
                              op ontduiking van of het actief bijdragen aan omzeiling van
                              sanctiemaatregelen door andere ondernemingen die met de betrokken
                              onderneming verbonden zijn. In tegenstelling tot de bevoegdheid
                              neergelegd in de artikelen 5.2 tot en met 5.8 van dit wetsvoorstel
                              vervangt de aangewezen persoon het bestuur en stelt zich daarvoor in
                              de plaats.</al>
                      <al>De aangewezen persoon heeft daarbij als hoofdtaak te waarborgen dat
                              de onderneming handelt overeenkomstig hetgeen is geregeld bij of
                              krachtens deze wet en de verplichtingen ingevolge de
                              sanctiemaatregelen nakomt en niet bijdraagt aan de ontduiking ervan
                              door andere ondernemingen die aan de betrokken onderneming verbonden
                              zijn. Bij dit laatste kan het bijvoorbeeld gaan om een
                              dochteronderneming die een sanctiemaatregel ontduikt. Er is voor
                              gekozen om de inzet van dit instrument mogelijk te maken bij een
                              risico op ernstige ontduiking omdat het voor de uitvoering van
                              sanctiemaatregelen van groot belang is om ernstige ontduiking tegen te
                              gaan. Ter illustratie valt op dit moment bijvoorbeeld te denken aan de
                              situatie dat een onderneming het ernstige risico neemt bij de export
                              van zijn producten, al dan niet via een (buitenlandse) dochter, dat
                              deze ten bate komen van de Russische oorlogsmachine in strijd met de
                              geldende sanctiemaatregelen. In die situatie is het voor een goede
                              uitvoering van de sancties niet voldoende om te wachten tot dit risico
                              zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. In dat geval zou de schade in
                              Oekraïne immers al zijn aangericht met behulp van deze Nederlandse
                              onderneming. Er is sprake van een reparatoire handhavingsmaatregel die
                              verdere overtredingen moet voorkomen en al verrichte overtredingen
                              voor zover mogelijk ongedaan moet maken.</al>
                      <al>Voor zover dit past bij de hoofdtaak moet de aangewezen persoon zich
                              ook richten naar het belang van de onderneming (zie artikel 7.1.7,
                              vierde lid). Dit laatste betekent dat de aangewezen persoon ook
                              rekening moet houden met de belangen van de stakeholders van de
                              onderneming zoals (minderheids)aandeelhouders, klanten,
                              toeleveranciers en werknemers. Het is juist bij deze stakeholders
                              reëel dat (een deel) zich niet bewust is van de rol die de betrokken
                              onderneming heeft gehad bij het ontduiken van sancties. Dat vergt van
                              de aangewezen persoon voldoende inzet om voor zover mogelijk de
                              belangen van deze stakeholders veilig te stellen.</al>
                      <al>Gelet op deze taakvervulling is het wenselijk dat de aan te wijzen
                              persoon in ieder geval beschikt over kennis en ervaring op het gebied
                              van controle op naleving van wettelijke voorschriften ten aanzien van
                              sanctiemaatregelen. De aan te wijzen persoon kan bijvoorbeeld een
                              achtergrond op het gebied van ’compliance’ hebben, waarbij ervaring
                              met implementatie van sanctiemaatregelen in bedrijfsvoering relevant
                              kan zijn. In de kern is er immers sprake van een aanzienlijk
                              verscherpt toezicht van overheidswege via de aangewezen persoon op de
                              gedragingen van de onderneming. Tegelijkertijd kan de aangewezen
                              persoon de betrokkenen ook helpen bij het stabiliseren dan wel
                              zorgvuldig afwikkelen van de betrokken onderneming.</al>
                      <al>Bij het toepassen van deze bevoegdheid zal de Minister van
                              Economische Zaken in overeenstemming met de
                              minister(s) die het mede aangaat een
                              afweging moeten maken tussen het publiek belang van de effectieve
                              naleving van sanctiemaatregelen, de EU-verplichting tot bestrijding
                              van omzeiling van sanctiemaatregelen, de belangen van de betrokken
                              onderneming en diens stakeholders en de belangen van de aandeelhouders
                              of eigenaren van de onderneming. De beginselen van behoorlijk bestuur
                              en de bescherming van eigendomsrechten in combinatie met de aard en
                              inhoud van de betrokken sanctiemaatregel zullen daarbij leidend zijn.
                              Daarbij wordt de betrokkenheid van de onderneming bij het omzeilen of
                              ontduiken van sancties uitdrukkelijk meegewogen. Het wetsvoorstel
                              voorziet daarbij in rechtsbescherming – zowel ten aanzien van het
                              aanwijzen van de aangewezen persoon als tegen de opdrachten die de
                              aangewezen persoon verstrekt. In beide gevallen staat
                              bestuursrechtelijke rechtsbescherming open.</al>
                      <al>Tot slot wordt in afwijking van de hoofdregel dat bij toezicht en
                              handhaving de kosten ten laste komen van de algemene middelen, wel
                              degelijk de kosten voor de inschakeling van de aangewezen persoon
                              doorberekend aan de onderneming waarvoor hij wordt aangesteld (artikel
                              7.1.7, zesde lid). Overeenkomstig de kaders van het Rapport Maat
                                 Houden<noot id="n339" type="voet"><noot.nr>328</noot.nr><noot.al>Rapport van de interdepartementale werkgroep Herziening
                                    Maat houden (11 april 2014) <extref soort="document" doc="blg-333162" status="actief">https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-333162.pdf</extref>.</noot.al></noot> kan deze kostendoorberekening worden gerechtvaardigd door het
                              ‘de veroorzaker betaalt’-beginsel: de vergaande reparatoire
                              handhavingsmaatregel is noodzakelijk om voortzetting van de
                              overtredingen van de sanctiemaatregelen snel en effectief te
                              beëindigen door de (operationele) controle over de onderneming over te
                              nemen. Juist het gedrag van de onderneming is aanleiding voor deze
                              extra en complexe handhavingsinspanning en tasten de principes van
                              goed toezicht niet aan. Ook leidt dit niet tot onaanvaardbare gevolgen
                              voor het bedrijfsleven in algemene zin: het gaat hier niet om
                              ondernemingen die een sanctiemaatregel (incidenteel) overtreden. Het
                              gaat om een onderneming die actief gebruikt wordt als middel om
                              sanctiemaatregelen te omzeilen of te ontduiken. Het verhoogt per saldo
                              niet de regeldruk of de handhavingslasten, want is incidenteel. De
                              gekozen opzet zorgt er ook voor dat financiële motieven ook niet
                              leidend kunnen zijn voor de
                              minister.</al>
                      <al>In het zevende lid is een uitzondering opgenomen voor ondernemingen
                              die onder toezicht staan op grond van de Wet op het financieel
                              toezicht, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet toezicht
                              accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte
                              beroepspensioenregeling, de Wet financiële markten BES, en de
                              verordening cryptoactiva. Op grond van deze wetten en verordening is
                              al sprake van doorlopend toezicht, onder meer op integere
                              bedrijfsvoering, door DNB en AFM. Vastgestelde sanctieschendingen
                              kunnen worden meegewogen in dat doorlopende toezicht en bij de inzet
                              van het toezichtinstrumentarium. DNB en AFM houden echter geen
                              toezicht op individuele schendingen van sancties en stellen deze
                              overtredingen ook niet vast. Bij de inzet van het
                              toezichtinstrumentarium kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geven
                              van een aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom of
                              bestuurlijke boete of het intrekken van de vergunning. Ook kunnen DNB
                              en AFM overgaan tot hertoetsing van, bijvoorbeeld, een bestuurder of
                              commissaris (of het gehele collectief) als daarvoor een redelijke
                              aanleiding bestaat. Een redelijke aanleiding kan zich bijvoorbeeld
                              voordoen in geval van overtreding van wet- en regelgeving.</al>
                      <al>Het hiervoor genoemde bestaande financieel toezicht met het bestaande
                              toezichtinstrumentarium geeft voldoende aanleiding om de bevoegdheden
                              tot interventie in deze sectoren te laten bij de bestaande
                              toezichthouders. De reikwijdte van het toezicht van DNB en AFM blijft
                              met dit artikel ongewijzigd.</al>
                      <al>Ook is een uitzondering opgenomen voor ondernemingen die als
                              advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris
                              werkzaamheden verrichten (zevende lid, onderdeel b). Toezicht op de
                              advocatuur is vanwege de rol en positie van de advocaten onafhankelijk
                              van de Staat vormgegeven. Juist vanwege deze rol en positie van de
                              advocaat is het niet verenigbaar dat door de Minister van Economische
                              Zaken in overeenstemming met de
                              minister die het mede aangaat het
                              bestuur of de leiding van een advocatenkantoor kan worden overgenomen
                              door een bij de minister aangewezen
                              persoon of personen. Gelijkelijk daaraan, moeten ook notarissen worden
                              uitgezonderd van dit artikel. Voor een nadere toelichting wordt
                              verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.3, zesde
                              lid.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 7.2 Toezicht en handhaving ter naleving van hoofdstuk 4</titel>
                  </kop>
                  <al>Deze paragraaf zal met een tweede tranche worden toegevoegd aan de Wet
                        internationale sanctiemaatregelen en wordt daarom aangeduid als
                        gereserveerd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.8
                        van het algemeen deel.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 7.3 Strafrechtelijke handhaving</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 7.3.1 Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel regelt dat de Nederlandse strafwet ook van toepassing is op
                           Nederlanders die zich buiten de Nederlandse landsgrenzen schuldig maken
                           aan een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit. Het artikel is
                           gelijk aan artikel 13 van de huidige Sanctiewet 1977. De achtergrond van
                           dit artikel is gelegen in de aard van sanctieovertredingen, in die zin
                           dat het bij overtredingen van sanctiemaatregelen niet altijd makkelijk is
                           om na te gaan waar de verboden handelingen zijn gepleegd. Daarnaast is
                           van belang dat voorkomen wordt dat sanctiemaatregelen worden ontdoken
                           door verboden handelingen buiten de landsgrenzen te verrichten. Dit zou
                           afbreuk doen aan de doelstellingen van sanctiemaatregelen.<noot id="n340" type="voet"><noot.nr>329</noot.nr><noot.al>Zie ter achtergrond de parlementaire geschiedenis van artikel
                                 13 van de Sanctiewet 1977: Kamerstukken II 1977, <extref doc="kst-14006-9" soort="document" status="actief">14 006,
                                    nr. 9</extref>, p. 2–3 en Kamerstukken I 1978/79, <extref doc="kst-19781979-14006-34" soort="document" status="actief">14 006, nr. 34</extref>, p. 12.</noot.al></noot></al>
                    <al-groep>
                      <al>Met dit artikel wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, onderdeel
                              c, van Richtlijn (EU) 2024/1226 inzake de strafbaarstelling van
                              beperkende maatregelen,<noot id="n341" type="voet"><noot.nr>330</noot.nr><noot.al>Richtlijn (EU) 2024/1226 van het Europees
                                    Parlement en de Raad van
                                    24 april 2024 betreffende de definitie van strafrechtelijke
                                    delicten en van sancties voor de schending van beperkende
                                    maatregelen van de Unie en tot wijziging van Richtlijn (EU)
                                    2018/1673.</noot.al></noot> dat eisen stelt aan de vestiging van rechtsmacht ten aanzien
                              van overtredingen van in EU-verband tot stand gekomen
                              sanctiemaatregelen. Deze eisen houden verband met de wereldwijde
                              activiteiten van daders, de grensoverschrijdende aard van de delicten
                              en de mogelijkheid om grensoverschrijdend onderzoek uit te
                                 voeren.<noot id="n342" type="voet"><noot.nr>331</noot.nr><noot.al>Overweging 31 bij Richtlijn (EU) 2024/1226.</noot.al></noot> Op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de
                              richtlijn, dienen lidstaten de nodige maatregelen te nemen om
                              rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 van
                              die richtlijn bedoelde strafrechtelijke delicten, als de dader
                              onderdaan van die lidstaat is. Met het voorgestelde artikel 7.3.1
                              wordt aan deze verplichting voldaan. Tot aan het moment van
                              inwerkingtreding van artikel 7.3.1 van dit wetsvoorstel wordt aan dit
                              vereiste uit de richtlijn voldaan met artikel 13 van de huidige
                              Sanctiewet 1977. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 12,
                              eerste lid, van de richtlijn ook vereist dat lidstaten rechtsmacht
                              vestigen als het strafrechtelijk delict werd gepleegd aan boord van
                              een vaartuig of een vliegtuig dat in de betrokken lidstaat is
                              geregistreerd of er de vlag van voert. Dit vloeit in Nederland voort
                              uit artikel 3 van het Wetboek van Strafrecht.</al>
                      <al>Het begrip ‘Nederlander’ omvat ook de Nederlandse rechtspersoon.<noot id="n343" type="voet"><noot.nr>332</noot.nr><noot.al>HR 11 december 1990, NJ 1991, 466, r.o. 5.2.</noot.al></noot> Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dochterondernemingen
                              die zelf een Nederlandse rechtspersoon zijn dus ook onder het bereik
                              van dit artikel vallen. De vraag of een dochteronderneming
                              gekwalificeerd moet worden als een Nederlandse rechtspersoon, is
                              afhankelijk van verschillende criteria, die buiten het bereik van dit
                              wetsvoorstel liggen.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 8. Gegevensverwerking</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 8.1 Toepassingsbereik</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.1.1 Toepassingsbereik</titel>
                    </kop>
                    <al>Hoofdstuk 8 van dit wetsvoorstel bevat regels over het verwerken van
                              gegevens, ten behoeve van een effectieve naleving en uitvoering van
                              sanctiemaatregelen. Artikel 8.1.1, eerste lid, bepaalt dat de regels
                              uit dit hoofdstuk niet van toepassing zijn op gegevens die verwerkt
                              worden door:</al>
                    <lijst type="expliciet" start="1" level="single" nr-sluiting=".">
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>een bewindvoerder bij een onderneming, aangewezen
                                    overeenkomstig artikel 5.7; en</al>
                      </li>
                      <li>
                        <li.nr>–</li.nr>
                        <al>de AFM en DNB en de gegevens zijn ontvangen van een
                                    bewindvoerder als hiervoor bedoeld.</al>
                      </li>
                    </lijst>
                    <al>Voor de verwerking van gegevens verkregen bij bewindvoering bij een
                              onderneming als bedoeld in artikel 5.7, bedoeld in het eerste en
                              tweede aandachtsstreepje hierboven, zijn in artikel 5.8 de
                              geheimhoudingsregimes van toepassing verklaard van de wetten en
                              verordening op grond waarvan die ondernemingen onder toezicht
                              staan.</al>
                    <al>Het tweede lid verduidelijkt dat verplichtingen tot het verstrekken
                              van gegevens in internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en
                              bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties blijven gelden.
                              Deze verplichtingen werken rechtstreeks en gaan voor op (eventueel
                              conflicterende) nationale regels. Als bijvoorbeeld een Europese
                              sanctieverordening voorziet in een expliciet voorschrift tot
                              verstrekking, blijft artikel 8.2.5 – dat een generieke bevoegdheid
                              voor gegevensverstrekking bevat – buiten toepassing. De voorwaarden
                              genoemd in artikel 8.2.5, tweede lid, kunnen dan niet voor de
                              voorgeschreven verstrekking worden tegengeworpen. Ditzelfde geldt ook
                              voor de andere specifieke bepalingen over gegevensverstrekking zoals
                              opgenomen in dit hoofdstuk. Een voorbeeld van een
                              gegevensverwerkingsgrondslag in een Europese sanctieverordening is
                              artikel 8, vierde lid, van Verordening 269/2014 (PbEU 2023, L
                              159I):</al>
                    <al>‘4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van
                              handhavingsautoriteiten, douaneautoriteiten in de zin van Verordening
                              (EU) nr. 952/2013 van het Europees
                              Parlement en de Raad, bevoegde
                              autoriteiten in de zin van Verordening (EU) nr. 575/2013, Richtlijn
                              (EU) 2015/849 van het Europees
                              Parlement en de Raad en Richtlijn
                              2014/65/EU, alsmede beheerders van officiële registers waarin
                              natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen alsmede
                              onroerende of roerende goederen worden geregistreerd, verwerken
                              onverwijld informatie, inclusief persoonsgegevens en, indien nodig, de
                              in de leden 1 en 1 bis bedoelde informatie, en wisselen deze
                              onverwijld uit met andere bevoegde autoriteiten van hun lidstaat of
                              andere lidstaten, en met de Commissie, indien die verwerking en
                              uitwisseling noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de taken van de
                              verwerkende autoriteit of de ontvangende autoriteit uit hoofde van
                              deze verordening, met name wanneer zij gevallen vaststellen van een
                              schending of omzeiling, of van pogingen tot schending of omzeiling,
                              van de in deze verordening vastgestelde verbodsbepalingen.’</al>
                    <al>In dit voorbeeld moet exclusief naar het artikel in de Europese
                              verordening worden gekeken. Artikel 8.2.5 is dus niet van toepassing
                              en dient daarmee ook niet om de bepalingen in de verordening verder in
                              te vullen.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 8.2 Gegevensverwerking</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.2.1 Gegevensverstrekking inzake meldingen</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel regelt de bevoegdheid voor het uitwisselen van gegevens
                           tussen het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1 (lees: centraal
                           meldpunt sancties), en de in dit artikel genoemde autoriteiten. Deze
                           bevoegdheid geldt als de grondslagen in Europese sanctieverordeningen
                           niet toereikend zijn voor het uitwisselen van de noodzakelijke gegevens
                           tussen het centraal meldpunt sancties en de in dit artikel genoemde
                           autoriteiten en niet uitputtend geregeld zijn.</al>
                    <al>Het centraal meldpunt sancties heeft als taak om de gegevens die het
                           naar aanleiding van de meldingen ontvangt, te verzamelen, registreren,
                           bewerken en analyseren. Om opvolging te kunnen geven aan de aanvang van
                           een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedure is het niet alleen
                           nodig om de inhoud van de meldingen te delen met de in het eerste lid
                           genoemde autoriteiten, maar ook de analyses die naar aanleiding van de
                           meldingen door het centraal meldpunt sancties gemaakt worden.</al>
                    <al>In eerste instantie zal het centraal meldpunt sancties uitgaan van de
                           informatie die, door degene op wie de meldingsplicht van toepassing is,
                           bij de melding wordt gedaan. Als het centraal meldpunt het noodzakelijk
                           acht voor een nadere analyse van een melding kan het op grond van het
                           eerste lid gegevens opvragen bij de betreffende bevoegde autoriteit.
                           Andersom geldt hetzelfde; als de betreffende bevoegde autoriteit daar
                           aanleiding toe ziet kan hij, op grond van het tweede lid, gegevens
                           uitwisselen met het centraal meldpunt.</al>
                    <al>Overigens is het niet noodzakelijk dat het centraal meldpunt sancties
                           iedere melding doorstuurt naar de betreffende bevoegde autoriteit. Het
                           centraal meldpunt kan de betreffende gegevens uitwisselen als daar
                           aanleiding toe is.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.2.2 Gegevensverwerking vanwege onderzoek naar
                              ondernemingen</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>In het eerste lid is de grondslag van de verwerking van gegevens
                           opgenomen en deze grondslag is beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor
                           een effectieve uitvoering van sanctiemaatregelen.</al>
                      <al>In het tweede lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken
                           verwerkingsverantwoordelijke is. De Minister van Economische Zaken is
                           niet de enige die in het kader van dit artikel en artikel 8.2.3
                           persoonsgegevens zal verwerken. Er worden afspraken gemaakt over de wijze
                           van verwerking van persoonsgegevens, zodat deze op eenduidige wijze
                           plaatsvindt, zowel door de verschillende bij de uitvoering van artikel
                           8.2.3 betrokken ministers als door de
                           instanties die informatie verstrekken. Deze afspraken zullen worden
                           weergegeven in een privacy impact assessment van de uitvoering.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.2.3 Gegevensverstrekking vanwege onderzoek naar
                              ondernemingen</titel>
                    </kop>
                    <al>In dit artikel is een uitgebreide grondslag opgenomen voor de Minister
                           van Economische Zaken om als bevoegde autoriteit voor de eigendom van
                           bedrijven te kunnen toetsen of en op welke wijze de directe of indirecte
                           eigendom van bedrijven is gestructureerd en georganiseerd. Hiermee kan de
                           Minister van Economische Zaken beoordelen of de personen, entiteiten en
                           lichamen genoemd in Europese sanctieverordeningen op enigerlei wijze
                           direct of indirect eigenaar zijn van of belangen hebben in bedrijven
                           gevestigd in Nederland. Hoewel de UBO-registratie van ondernemingen en
                           rechtspersonen in het Handelsregister een belangrijke eerste stap is in
                           het achterhalen van deze eigendomsverhoudingen, leert de praktijk dat bij
                           complexe structuren meer en diepgravend onderzoek nodig is. Met dit
                           artikel wordt dit mogelijk gemaakt. De Minister van Economische Zaken
                           maakt bij het verkrijgen van onafhankelijk van de meldingsplichtige
                           aanwezige informatie in eerste instantie gebruik van de informatiebronnen
                           opgenomen in het eerste lid. De Minister van Economische Zaken kan
                           bijvoorbeeld gebruik maken van overige openbare registers bij de wet
                           ingesteld. Hierbij kan gedacht worden aan de Meldingenregisters AFM, het
                           Register Trustkantoren, het Centraal insolventieregister en het Centraal
                           curatele- en bewindregister. Ook kan de Minister van Economische Zaken
                           gebruik maken van openbare informatie. Dit kan van alles zijn, zoals
                           jaarrekeningen en jaarverslagen en persberichten van ondernemingen, maar
                           bijvoorbeeld ook berichtgeving in de media, die kan helpen bij het
                           gerichter zoeken naar andere informatie.</al>
                    <al>In het tweede lid zijn de partijen opgesomd die desgevraagd alle
                           informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                           artikel en artikel 8.2.2. Het gaat hierbij om informatie die niet met
                           voldoende zekerheid uit openbare gegevens en registraties als het
                           Handelsregister kan worden opgehaald. Het gaat hierbij altijd om
                           gegevensvragen naar aanleiding van een specifieke casus die bij het BTI
                           ligt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om gegevens bij deze partijen
                           op te vragen zonder dat er een casus aan ten grondslag ligt.</al>
                    <al>In het derde lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken een
                           schriftelijk verzoek om mededeling kan doen aan de Minister van
                           Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de Minister van Defensie,
                           voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van dit artikel en
                           artikel 8.2.2. In dat geval kunnen de diensten (AIVD en MIVD) de eigen
                           systemen raadplegen om te bezien of relevante informatie beschikbaar is
                           en gedeeld kan worden. Aldus is kenbaar dat ook informatie van beide
                           diensten kan worden betrokken bij de uitvoering van dit artikel en
                           artikel 8.2.2. Het betreft hier een verzoek om naslag en niet een verzoek
                           van de Minister van Economische Zaken aan de dienst om een onderzoek te
                           verrichten. De diensten zijn niet verplicht om aan een dergelijk verzoek
                           gehoor te geven. Er kunnen immers redenen van nationale veiligheid zijn
                           die aan een eventuele verstrekking in de weg staan. De naslagtaak van de
                           diensten is in artikel 8, tweede lid, onderdeel f, en artikel 10, tweede
                           lid, onderdeel g, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
                           2017 geregeld. De gevallen waarin naslag kan worden gedaan, zijn
                           limitatief opgesomd in de daarop gebaseerde Regeling naslag Wiv
                           2017.</al>
                    <al>In het vierde lid is bepaald dat de notaris van tot zijn protocol
                           behorende verklaringen van erfrecht, desgevraagd afschriften uitgeeft aan
                           de Minister van Economische Zaken, voor zover dit noodzakelijk is voor de
                           uitvoering van dit artikel en artikel 8.2.2. In artikel 49b van de Wet op
                           het notarisambt is bepaald dat de notaris desverlangd afschriften
                           uitgeeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht, aan
                           degenen die daarbij belang hebben in verband met een rechtsverhouding
                           waarin zij tot de erflater stonden. Artikel 8.2.3, vierde lid, is een
                           aanvulling op deze verplichting. In het geval de Minister van Economische
                           Zaken deze informatie nodig heeft voor de uitvoering van dit artikel en
                           artikel 8.2.2 kan hij deze afschriften opvragen. Artikel 49b van de Wet
                           op het notarisambt is van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat de
                           inkadering in dit artikel dat de verplichting uittreksels uit te geven
                           alleen dat gedeelte van de akte betreft dat betrekking heeft op feiten
                           als bedoeld in artikel 188 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, ook op
                           artikel 8.2.3, vierde lid, van dit wetsvoorstel van toepassing is. Dat
                           geldt ook voor de in artikel 49b opgenomen van overeenkomstige toepassing
                           verklaring van artikel 49a van de Wet op het notarisambt. Dat de Minister
                           van Economische Zaken deze informatie kan verkrijgen is noodzakelijk
                           omdat er ook via een erfenis een overgang van zeggenschap of significante
                           invloed kan optreden. In het vijfde lid is bepaald, dat de
                           geheimhoudingsplicht die op grond van artikel 22 van de Wet op het
                           notarisambt op de notaris en onder zijn verantwoordelijkheid werkzame
                           personen rust, niet van toepassing is bij de naleving van de
                           verplichting, bedoeld in het vierde lid. Een gelijkluidende verplichting
                           als in het vierde lid staat met dezelfde reden in artikel 34, zesde lid,
                           van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames.</al>
                    <al>In het zesde lid is opgenomen dat de gegevensverstrekking op basis van
                           dit artikel kosteloos geschiedt. Een uitzondering wordt gemaakt voor de
                           gegevens uit het Handelsregister en het kadaster (eerste lid, onderdelen
                           a en b). Deze partijen mogen op basis van artikel 9, derde lid, van de
                           Wet hergebruik van overheidsinformatie in samenhang met artikel 50,
                           tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 en artikel 108, derde lid, van
                           de Kadasterwet, kosten in rekening brengen.</al>
                    <al>In het zevende lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken, als
                           blijkt dat er onduidelijkheid bestaat over de eigendomsstructuur en
                           -verhoudingen binnen een onderneming, kan vragen om een uittreksel uit
                           het door de onderneming gehouden aandeelhoudersregister. Het zevende lid
                           is van toepassing op een onderneming, voor zover deze geen
                           beursgenoteerde onderneming is.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.2.4 Doorgifteplicht aan registers</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel regelt de verplichting voor bestuursorganen en
                           toezichthouders die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter
                           uitvoering van sanctiemaatregelen, om, als zij daarover beschikken,
                           informatie over een relatie tussen een gesanctioneerde natuurlijke
                           persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de
                           registratie in een register door te geven aan de beheerder van dat
                           register. Daarmee worden de beheerders van de registers in staat gesteld
                           de bevoegdheid uit te oefenen om een aantekening te plaatsen bij het
                           voorwerp van de registratie en de daarmee samenhangende en geregistreerde
                           informatie. Weliswaar zal in diverse gevallen de beheerder van het
                           register ook zelf een dergelijke relatie kunnen leggen (bijvoorbeeld
                           wanneer de rechthebbende op bijvoorbeeld een kwekersrecht zelf op een
                           lijst voorkomt van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of
                           lichamen waarvan de economische middelen en tegoeden bevroren moeten
                           worden), maar in de meeste gevallen zal de beheerder van het register tot
                           een aantekening overgaan, omdat er informatie van een bestuursorgaan of
                           toezichthouder wordt ontvangen. Het is daarbij van belang te onderkennen
                           dat in zulke gevallen voor bepaalde registers geldt dat de beheerder van
                           het register niet zelfstandig tot een verificatie van de aangeleverde
                           informatie overgaat, maar vertrouwt op de aangeleverde gegevens.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Artikel 8.2.5 Bevoegdheid tot gegevensverstrekking</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel regelt een generieke bevoegdheid voor het uitwisselen van
                           gegevens tussen bestuursorganen, toezichthouders en andere personen of
                           entiteiten die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter
                           uitvoering van sanctiemaatregelen, onderling en in internationaal
                           verband. Op basis van deze bepaling kan geen gegevensverstrekking
                           plaatsvinden tussen private partijen, zoals Sanctiewet-instellingen. Deze
                           generieke bevoegdheid geldt, als er geen grondslagen zijn opgenomen in
                           Europese sanctieverordeningen of als er ontoereikende grondslagen zijn
                           opgenomen die niet uitputtend zijn geregeld en ook de grondslagen in de
                           artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 niet toereikend zijn voor het
                           uitwisselen van de noodzakelijke gegevens tussen de autoriteiten en
                           toezichthouders die een rol hebben binnen het regime van de
                           sanctiemaatregelen. In geval de grondslag, toereikend of ontoereikend,
                           uitputtend geregeld is, vindt artikel 8.2.5 geen toepassing, omdat
                           toepassing ervan in strijd zou zijn met hetgeen uitputtend is geregeld in
                           de verordening. Zie voor een toelichting ook paragraaf 3.6 van het
                           algemeen deel. Op grond van het tweede lid is verstrekking van gegevens
                           aan beperkingen onderworpen.</al>
                    <al>In het eerste lid is de generieke bevoegdheid voor het uitwisselen van
                           gegevens opgenomen die geldt voor de autoriteiten en toezichthouders die
                           een rol hebben binnen het regime van de sanctiemaatregelen. De tabel in
                           hoofdstuk 7 van het algemeen deel bevat een overzicht van de huidige
                           toezichthouders en autoriteiten die op dit moment een taak hebben. Deze
                           toezichthouders en autoriteiten vallen dus onder het bereik van deze
                           bepaling. In de toekomst kunnen er ook andere toezichthouders en
                           autoriteiten zijn die een taak zullen krijgen in het toezien op de
                           naleving of de uitvoering van sanctiemaatregelen en daarmee ook onder
                           deze bepaling kunnen vallen.</al>
                    <al>De ontvanger van de gegevens is een Nederlandse overheidsinstantie of
                           een bij overheidswege aangewezen instantie. De ontvanger van de gegevens
                           kan ook een buitenlandse of een buitenlandse van overheidswege aangewezen
                           instantie zijn. In de regel zullen deze buitenlandse overheidsinstanties
                           gevestigd zijn in de EU, omdat ze alleen gegevens kunnen ontvangen als ze
                           belast zijn met de uitvoering van een sanctieverordening.<noot id="n344" type="voet"><noot.nr>333</noot.nr><noot.al>Voor zover verstrekking op grond van dit artikel neerkomt op
                                 doorgifte aan een derde land is hoofdstuk 5 van de AVG,
                                 respectievelijk hoofdstuk 5 van de Richtlijn 2016/680/EU, van
                                 toepassing.</noot.al></noot> Een bij overheidswege aangewezen instantie moet blijken uit een
                           expliciete wettelijke bepaling, zoals een Europese sanctieverordening,
                           deze wet, of een nadere regeling krachtens deze wet.</al>
                    <al>Bij de verstrekking van de gegevens gaat het altijd om gegevens die al
                           rechtmatig in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten of
                           toezichthouders. Dit betekent dat zij al een grondslag hebben voor de
                           verwerking (waaronder het opslaan) van de gegevens. De
                           verstrekkingsplicht is beperkt tot gegevens waarover deze autoriteiten en
                           toezichthouders de beschikking hebben gekregen bij de vervulling van de
                           hen bij of krachtens deze wet opgedragen taken. In veel gevallen zal de
                           grondslag voor de verwerking van die gegevens gelegen zijn in de opdracht
                           in een Europese sanctieverordening of bij of krachtens deze wet.</al>
                    <al>De verstrekking van gegevens op grond van dit artikel heeft het toezicht
                           op de naleving of uitvoering van sanctiemaatregelen tot doel. Denk
                           hierbij bijvoorbeeld aan gegevens die verbondenheid kunnen vaststellen
                           van personen en entiteiten aan een gesanctioneerd persoon of gegevens die
                           nodig zijn om een financiële ontheffing af te geven. In het tweede lid,
                           onderdeel a, van dit artikel is opgenomen dat deze gegevens in ieder
                           geval niet verstrekt mogen worden als dat doel onvoldoende bepaald is.
                           Een instantie die om gegevens verzoekt, zal het doel van de gegevens dus
                           nader moeten specificeren. Voor zover het gaat om persoonsgegevens geldt
                           op grond van de AVG al dat het doeleinde van de gegevensverwerking
                           ‘welbepaald uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd’ moet zijn
                           (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AVG). Het is aan de ontvanger, maar
                           ook aan degene die op grond van dit artikel gegevens verstrekt, om te
                           beoordelen of daaraan voldaan is. De verstrekte gegevens moeten ook
                           voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel c, AVG en niet verder gaan
                           dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor deze worden verstrekt.</al>
                    <al>De afweging of de gegevens rechtmatig verstrekt kunnen worden ligt bij
                           de verstrekkende partij. Het is belangrijk dat hierbij altijd een
                           afweging wordt gemaakt tussen het doel van de gegevensverstrekking en de
                           eventuele inbreuk op het grondrecht op de bescherming van
                           persoonsgegevens. Voordat de verstrekking plaats kan vinden, moet de
                           proportionaliteit van deze verstrekking in het licht van de belangen die
                           daarmee gediend worden gewogen worden.</al>
                    <al>Tot gegevensverstrekking wordt in ieder geval niet overgegaan door de
                           bevoegde autoriteit of de toezichthouder in de gevallen, bedoeld in het
                           tweede lid, onderdelen a tot en met e. Het tweede lid, onderdeel a, is
                           hierboven al toegelicht. Over het tweede lid, onderdelen b tot en met d,
                           wordt het volgende opgemerkt.</al>
                    <al>In onderdeel b vallen onder ‘de wet’ niet alleen verplichtingen die uit
                           andere Nederlandse wet- en regelgeving volgen, maar ook verplichtingen
                           voortvloeiend uit bindende internationale en Europese wet- en
                           regelgeving. Een geheimhoudingsplicht op grond van hoger recht of een
                           geheimhoudingsplicht waarop geen bij wet te bepalen uitzondering bestaat,
                           staan dus aan verstrekking van de bedoelde gegevens in de weg. Strijd met
                           de AVG valt ook onder deze weigeringsgrond.</al>
                    <al>Gelet op de groep van potentiële ontvangers van de gegevens, ligt het
                           niet voor de hand dat bij verstrekking sprake zal zijn van schending van
                           de openbare orde. Desalniettemin is ervoor gekozen dit wel mee te laten
                           wegen. Het biedt enige ruimte om bijvoorbeeld gevaar voor goederen mee te
                           wegen in de beslissing op een verzoek om gegevens, zonder dat meteen
                           sprake hoeft te zijn van een schending van een wettelijk
                           voorschrift.</al>
                    <al>In onderdeel c staat de mate waarin de geheimhouding van gegevens
                           gewaarborgd moet worden in verhouding tot de gevoeligheid van gegevens.
                           De ontvangende partij moet aannemelijk maken dat de maatregelen die hij
                           neemt om de geheimhouding te waarborgen, passend zijn, gelet op de aard
                           en gevoeligheid van deze gegevens.</al>
                    <al>Het opsporingsbelang is een voorbeeld van een belang in de zin van deze
                           wet dat in onderdeel d in de weg kan staan aan gegevensverstrekking op
                           grond van dit artikel.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>§ 8.3 Nadere regels over gegevensverwerking</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>
                        <nadruk type="cur">Artikelen 8.3.1 Nadere regels ter uitvoering van
                                 verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
                                 en 8.3.2 </nadruk>Nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen
                              van volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken</titel>
                    </kop>
                    <al>Op grond van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel kunnen bij algemene
                           maatregel van bestuur of ministeriële regeling regels worden gesteld ter
                           uitvoering van de betreffende internationale sanctiemaatregelen. Met de
                           artikelen 8.3.1 en 8.3.2 worden grondslagen opgenomen voor het stellen
                           van nadere regels over gegevensverwerking. Deze grondslagen zijn
                           concreter dan die van hoofdstuk 2. Met deze grondslagen wordt een eerste
                           invulling gegeven aan het vereiste van artikel 5, eerste lid, onderdeel
                           b, AVG, dat de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens
                           welbepaald en uitdrukkelijk omschreven moeten zijn. Bij het gebruik van
                           deze grondslag in concrete gevallen, wordt aan dat beginsel nog nader
                           invulling gegeven. Een dergelijke nadere regeling zal ook de noodzaak van
                           de gegevensverwerking voor die concrete gevallen moeten beschrijven in
                           het licht van die doeleinden.</al>
                    <al>De artikelen 8.3.1 en 8.3.2 bevatten grondslagen voor het stellen van
                           nadere regels over gegevensverwerking, zodat in een sanctiebesluit of
                           sanctieregeling concrete gegevensverstrekkingen beschreven kunnen
                           worden.</al>
                    <al>Vanwege de verschillende implementatiesystematiek die geldt voor het
                           stellen van regels ter uitvoering van juridisch bindende en
                           niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen, is een
                           onderscheid gemaakt tussen het stellen van nadere regels ter uitvoering
                           van internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten
                           van volkenrechtelijke organisaties (artikel 8.3.1) en het stellen van
                           nadere regels ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen uit
                           aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
                           afspraken (artikel 8.3.2).</al>
                    <al>Als van de mogelijkheid uit artikel 8.3.1 of 8.3.2 gebruik wordt
                              gemaakt, bevat de gedelegeerde regelgeving een grondslag als bedoeld
                              in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG. Bij deze regeling zal de
                              AVG, en in het bijzonder artikel 5 ervan, in acht moeten worden
                              genomen. Op grond van artikel 8.3.1 kan de grondslag om bij algemene
                              maatregel van bestuur of ministeriële regeling de concrete
                              gegevensverstrekking voor te schrijven, alleen benut worden als dat
                              nodig is ter uitvoering van de relevante internationale
                              sanctiemaatregelen. Deze noodzakelijkheid moet aannemelijk gemaakt
                              worden. Als de grondslag op grond van artikel 8.3.2 van toepassing is
                              dan is het noodzakelijk om regels over de verwerking van gegevens te
                              stellen, omdat hierbij geen sprake is van juridisch bindende
                              besluiten, maar van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
                              en internationale afspraken. Vanwege het juridisch niet-bindende
                              karakter, is het nodig om nadere regels bij algemene maatregel van
                              bestuur vast te leggen. Om die reden is in artikel 8.3.2, eerste lid,
                              een grondslag opgenomen om gegevens te verwerken met inbegrip van
                              bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van
                              strafrechtelijke aard.</al>
                    <al>De grondslag voorziet in de mogelijkheid om concreet te beschrijven
                              welke gegevens, door welke organisatie aan welke (andere) organisatie
                              moeten worden verstrekt in welke gevallen. Een dergelijke concrete
                              beschrijving kan daarom bijdragen aan het voorkomen van twijfel over
                              de rechtmatigheid of noodzaak van de verwerking. Twijfel die anders
                              tot handelingsverlegenheid kan leiden, waardoor essentiële gegevens
                              niet of te laat bij een betrokken bevoegde autoriteit bekend worden
                              gemaakt. Die handelingsverlegenheid kan in de weg staan aan een juiste
                              uitvoering van de sanctiemaatregelen.</al>
                    <al>Naast verstrekking, kunnen regels worden gesteld over andere
                              verwerkingen van gegevens. Te denken valt bijvoorbeeld aan de
                              verplichting om bepaalde gegevens voor enige tijd te bewaren of juist
                              te vernietigen.</al>
                    <al>Als van de bevoegdheid van artikel 8.3.1 gebruikgemaakt wordt, kan
                              het nuttig zijn om in het besluit of de regeling op te nemen dat de
                              daarin opgenomen regels verplichtingen van hoger recht die strekken
                              tot verwerking onverlet laten. Het gaat in die gevallen immers om
                              nadere regels ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen uit
                              verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties,
                              die rechtstreekse werking hebben. Deze rechtstreeks werkende
                              bepalingen worden door de nadere regeling op grond van dit artikel
                              niet terzijde geschoven.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 9. Bonaire, Sint Eustatius en Saba</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 9.1 Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen</titel>
                  </kop>
                  <al>Bindende besluiten die door de EU worden genomen in het kader van het
                        Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid zijn in beginsel niet van
                        toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Vanuit
                        het oogpunt van eenheid van buitenlands beleid en eenheid van regelgeving is
                        met de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
                        (2010) de lijn ingezet dat het wenselijk is dat deze besluiten ook op de
                        openbare lichamen worden nageleefd.<noot id="n345" type="voet"><noot.nr>334</noot.nr><noot.al><extref doc="stb-2010-363" soort="document" status="actief">Stb.
                                 2010, nr. 363</extref>. Kamerstukken II 2008/09, <extref doc="kst-31959-3" soort="document" status="actief">31 959,
                                 nr. 3</extref>, p. 31.</noot.al></noot> Dit standpunt wordt voortgezet. Om die reden wordt met dit artikel
                        in het eerste lid geregeld dat bindende besluiten van de EU voor de
                        toepassing van dit wetsvoorstel ook voor de openbare lichamen gelden als
                        bindende besluiten. Op deze wijze wordt buiten twijfel gesteld dat de
                        grondslag in artikel 2.1.1, eerste lid, (ook) benut kan worden voor het
                        vaststellen van uitvoeringsregels in Caribisch Nederland. De bepaling komt
                        inhoudelijk overeen met het huidige artikel 14a van de Sanctiewet 1977.</al>
                  <al>In aanvulling op het voorgaande, wordt in het tweede lid geregeld dat
                        bepalingen van EU-rechtshandelingen waarnaar wordt verwezen in op grond van
                        deze wet vast te stellen (uitvoerings)regels, voor de toepassing van deze
                        regels van overeenkomstige toepassing zijn in de openbare lichamen, tenzij
                        uitdrukkelijk anders bepaald. Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met het
                        huidige artikel 1, tweede lid, Sanctieregeling BES en wordt met dit
                        wetsvoorstel dus op het niveau van de wet vastgelegd. Regeling bij
                        ministeriële regeling is daarmee niet langer nodig.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 9.2 Toezicht</titel>
                  </kop>
                  <al>Op grond van hoofdstuk 7 van dit wetsvoorstel kunnen personen worden
                        aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van dit
                        wetsvoorstel. De bevoegdheden waar de aangewezen toezichthouders over
                        beschikken bij de uitvoering van hun taak zijn neergelegd in titel 5.2 Awb.
                        De Awb is niet van toepassing in de openbare lichamen. Om te verzekeren dat
                        toezichthouders in Caribisch Nederland over de benodigde bevoegdheden
                        beschikken ter uitvoering van hun taak, wordt titel 5.2 Awb van
                        overeenkomstige toepassing verklaard. De verwijzing in 5.16a Awb naar de Wet
                        op de identificatieplicht wordt daarbij vervangen door een verwijzing naar
                        de relevante bepaling uit de Wet op de identificatieplicht BES.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 9.3 Strafrechtelijke handhaving</titel>
                  </kop>
                  <al>Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in het Europese deel van
                        Nederland economische delicten in de zin van de Wet op de economische
                        delicten. De Wet op de economische delicten is niet van toepassing in de
                        openbare lichamen. Met dit artikel worden daarom regels gesteld die de
                        strafbaarstelling van overtredingen van sanctiemaatregelen in de openbare
                        lichamen verzekeren. Het artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan het
                        huidige artikel 14c van de Sanctiewet 1977.</al>
                  <al>Daar waar mogelijk, wordt met dit artikel aangesloten bij de regels die
                        voor het Europese deel van Nederland gelden op grond van de Wet op de
                        economische delicten. Anders dan in het Europese deel van Nederland, komen
                        de mogelijkheid tot oplegging van een taakstraf of verhoging van een
                        geldboete niet voor in het Wetboek van Strafrecht BES. Deze mogelijkheden
                        zijn daarom niet opgenomen in het voorgestelde artikel.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 9.4 Opsporingsbevoegdheden</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan artikel 14b van de huidige
                        Sanctiewet 1977. Het geeft de Minister van Justitie en Veiligheid de
                        mogelijkheid om in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken,
                        ambtenaren aan te wijzen die in Caribisch Nederland belast zijn met de
                        opsporing. Voor zover van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, zijn deze
                        ambtenaren bevoegd naast de ambtenaren die hun bevoegdheden tot opsporing
                        ontlenen aan artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 10. Wijzigingen van andere wetten</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.1 (wijziging Advocatenwet)</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 10.1 voert enkele wijzigingen in de Advocatenwet door. Deze vloeien
                        voort uit de wijziging van de Sanctiewet 1977 (artikel 10.8 van dit
                        wetsvoorstel) waarin een deken wordt aangewezen om toezicht te houden op de
                        naleving van sanctiemaatregelen en houden verband met de huidige bepalingen
                        in de Advocatenwet over toezicht en handhaving op grond van de Advocatenwet.
                        Ten aanzien van het toezicht op de naleving en de handhaving van het bij en
                        krachtens de Sanctiewet 1977 bepaalde, wordt in geval van advocaten dezelfde
                        constructie gevolgd als waarvoor is gekozen bij het toezicht op advocaten in
                        geval van naleving van de Wwft. Zo wordt een beslissing op grond van artikel
                        10c of 10d van de Sanctiewet 1977 tot oplegging aan een advocaat van een
                        last onder dwangsom of een bestuurlijke boete verwerkt op het tableau, net
                        als nu al het geval is bij dergelijke beslissingen op grond van de
                        Advocatenwet en de Wwft. Ook over het toezicht door de deken op grond van
                        dit wetsvoorstel stelt het college van afgevaardigden geen verordeningen
                        vast. Het college van toezicht stelt daarover beleidsregels vast. Bij het
                        college van toezicht berust de taak tot het houden van systeemtoezicht op
                        het toezichthoudende werk van de deken. De deken van de algemene raad kan,
                        net als bij het toezicht op grond van de Advocatenwet en de Wwft,
                        aanwijzingen geven aan de deken, bedoeld in artikel 9a, onderdeel d, van de
                        Sanctiewet 1977, met betrekking tot de uitoefening van de
                        toezichtstaak.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.2 (wijziging Algemene douanewet), artikel 10.9 (wijziging
                           Telecommunicatiewet), artikel 10.11 (wijziging Wet coördinatie
                           terrorismebestrijding en nationale veiligheid), artikel 10.13 (wijziging
                           Wet op de economische delicten), artikel 10.14 (wijziging Wet op de
                           kansspelen), artikel 10.19 (wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en
                           financieren van terrorisme BES) en artikel 10.22 (wijziging Wet
                           veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames)</titel>
                  </kop>
                  <al>De wijzigingen van deze wetten zijn technisch van aard en strekken ertoe
                        verwijzingen naar de Sanctiewet 1977 te vervangen door verwijzingen naar de
                        Wet internationale sanctiemaatregelen. Vanwege de tijdelijke instandhouding
                        van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977, is het voor een aantal wetten
                        noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale
                        sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de inwerkingtreding van
                        de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977 vervallen.
                        De tweede tranche zal daarin voorzien.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.3 Wijziging Algemene wet bestuursrecht</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>De wijziging in onderdeel 1 van de onderdelen A en B is technisch van aard
                        en strekt ertoe om aan te sluiten op de nieuwe nummering van de artikelen in
                        afdeling 5 van de Sanctiewet 1977.</al>
                    <al>In onderdeel 2 van de onderdelen A en B wordt de Wet internationale
                        sanctiemaatregelen ingevoegd in de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 van de
                        Awb. Hiermee wordt bepaald dat een beroepsprocedure in het kader van de
                        continuïteit en afwikkeling van ondernemingen (hoofdstuk 5 van dit
                        wetsvoorstel) plaatsvindt bij de rechtbank Rotterdam, en hoger beroep bij
                        het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Dit is in lijn met de
                        bevoegdheidsverdeling op grond van de Wet veiligheidstoets investeringen,
                        fusies en overnames.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.4 Wijziging Handelsregisterwet 2007</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel A (artikel 16c)</titel>
                    </kop>
                    <al>In het kader van de effectieve tenuitvoerlegging van sanctiemaatregelen
                           is het noodzakelijk dat de Kamer van Koophandel op grond van ontvangen
                           informatie in staat wordt gesteld om kenbaar te maken dat er een relatie
                           is tussen een al bestaande (of nieuw) ingeschreven onderneming of
                           rechtspersoon in het Handelsregister en een natuurlijke persoon of
                           rechtspersoon, entiteit of lichaam, die is opgenomen in een
                           sanctiemaatregel waarvoor een bevriezing van tegoeden en van economische
                           middelen moet plaatsvinden.</al>
                    <al>Met het regelen van een dergelijke ‘aantekening’ wordt het voor eenieder
                           mogelijk om op eenvoudiger wijze informatie in te winnen over of sprake
                           is van een (rechts)relatie met een persoon, entiteit of lichaam zoals is
                           vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen. Het is een hulpmiddel dat
                           bijdraagt aan de juiste naleving door eenieder van die
                           sanctiemaatregelen, waarmee ook de rechtszekerheid in het economisch
                           verkeer wordt gediend. Dit sluit aan bij de doelen van het
                           Handelsregister (zie artikel 2, onderdelen a en c, van de
                           Handelsregisterwet 2007).</al>
                    <al>De aantekening in de systemen van het Handelsregister zijn op
                           dossierniveau en niet voorzien op het niveau van een individueel
                           geregistreerd gegeven. De reden hiervoor ligt besloten in de kenmerken
                           van het Handelsregister dat een veelheid aan informatie bevat waardoor op
                           verschillende aspecten van geregistreerde gegevens er een mogelijke
                           relatie met een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon of
                           entiteit gelegd kan worden. De aantekening heeft voorts geen
                           derdenwerking zoals voorzien in de artikelen 24 en 25 van de
                           Handelsregisterwet 2007: de aantekening wijst enkel op een relatie. De
                           gevolgen die daaraan verbonden moeten worden, volgen rechtstreeks uit de
                           toepasselijke internationale sanctiemaatregel.<noot id="n346" type="voet"><noot.nr>335</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014
                                 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 765/2006.</noot.al></noot></al>
                    <al>De figuur van een ‘aantekening’ is in het kader van het Handelsregister
                           bekend: op grond van artikel 16, tweede lid, en artikel 34, eerste lid,
                           van de Handelsregisterwet 2007 brengt de Kamer een aantekening aan dat
                           een gegeven in onderzoek is als de juistheid van het desbetreffende
                           gegeven onzeker is. Deze bevoegdheid tot aanbrengen van een aantekening
                           zoals neergelegd in de Handelsregisterwet 2007 is evenwel niet passend om
                           te voorzien in de behoefte van effectieve tenuitvoerlegging van
                           sanctiemaatregelen. De aard van de aantekening is namelijk anders. Daar
                           waar de bestaande bevoegdheid tot het aanbrengen van een aantekening ziet
                           op een gegeven waarvan de juistheid uiteindelijk door de Kamer op grond
                           van verkregen en opgevraagde informatie wordt bepaald en zo nodig het
                           gegeven wordt gecorrigeerd, is dat niet het geval bij de aantekening
                           zoals voorzien in deze bepaling.</al>
                    <al>De aantekening zoals voorzien in het voorgestelde artikel 16c van de
                           Handelsregisterwet 2007 heeft geen relatie tot een onderzoek door de
                           Kamer zelf naar de juistheid van een gegeven. De Kamer gaat niet
                           zelfstandig over tot een verificatie van de aangeleverde informatie, maar
                           vertrouwt op de aangeleverde gegevens. De aantekening die de Kamer
                           aanbrengt, zorgt enkel voor een feitelijke weergave en vastlegging in het
                           Handelsregister van een relatie tussen een in het Handelsregister
                           ingeschreven onderneming of rechtspersoon en daaraan verbonden gegevens
                           en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, zoals
                           is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen. Binnen de stand van de
                           techniek van het Handelsregister zal de Kamer van Koophandel de
                           aantekening opnemen en voor zover mogelijk reproduceren en doorgeven aan
                           andere instanties.</al>
                    <al>De aanleverende partij en de Kamer zijn allebei eigenstandig
                           verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. De aanleverende partij
                           is verwerkingsverantwoordelijke voor de informatie die geleverd wordt aan
                           de Kamer en de verwerking van het aanleveren zelf. De Kamer die deze
                           informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een aantekening plaatst,
                           is verwerkingsverantwoordelijke voor die verwerkingen. Er is dus geen
                           sprake van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van
                           artikel 26 AVG.</al>
                    <al>De Kamer onderzoekt, behoudens andersluidende aanwijzingen, niet
                           zelfstandig de juistheid van de aangeleverde informatie maar vertrouwt op
                           de partijen die de informatie daarover hebben aangeleverd zoals de
                           Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse
                           of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
                           met respectievelijk de uitvoering, het toezicht op de naleving van
                           sanctiemaatregelen of de naleving van het bij of krachtens deze wet
                           bepaalde. Het gevolg hiervan is ook dat de aantekening die geplaatst
                           wordt krachtens deze bepaling geen authentiek gegeven is als bedoeld in
                           artikel 30, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007.</al>
                    <al>Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet
                              hij dit kenbaar maken bij de Kamer. De Kamer zal op grond van de
                              doorzendplicht het bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld op
                              grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld op de
                              hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de
                                 afzender.<noot id="n347" type="voet"><noot.nr>336</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, Awb.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen
                              door de informatie die is gedeeld met het register te delen met de
                              afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.</al>
                    <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot
                              het opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd
                              indien de relatie zich niet langer voordoet (derde en vierde
                              lid).</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen B (artikel 22a) en C (artikel 28)</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
                              Sanctiewet 1977, is het voor de Handelsregisterwet 2007 noodzakelijk
                              om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale
                              sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de
                              inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de
                              Sanctiewet 1977 komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin
                              voorzien.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.5 Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk
                           belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische
                           constructies</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel A (artikel 7)</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
                           Sanctiewet 1977, is het voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk
                           belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische constructies
                           noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale
                           sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de inwerkingtreding
                           van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
                           komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel B (artikel 15a)</titel>
                    </kop>
                    <al>Net als bij de aantekenbevoegdheid voor de Kamer bij het Handelsregister
                           voorziet het voorgestelde artikel 15a van de Implementatiewet registratie
                           uiteindelijke belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische
                           constructies in een soortgelijke aantekenbevoegdheid voor de beheerder
                           van het register voor het registreren van trusts en uiteindelijk
                           belanghebbenden van trusts. Deze beheerder is de Kamer van
                           Koophandel.</al>
                    <al>Ook hier draagt het regelen van een aantekenbevoegdheid bij aan de
                           effectieve tenuitvoerlegging van sanctiemaatregelen. De beheerder van het
                           register wordt in staat gesteld om op grond van ontvangen informatie
                           kenbaar te maken dat er een relatie is tussen een al bestaande (of nieuw)
                           ingeschreven trust of geregistreerde uiteindelijk belanghebbende van een
                           trust en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam,
                           die is opgenomen in een sanctiemaatregel waarvoor een bevriezing van
                           tegoeden en van economische middelen moet plaatsvinden.</al>
                    <al>Met het regelen van een dergelijke ‘aantekening’ wordt het voor eenieder
                           mogelijk om op eenvoudiger wijze informatie in te winnen over of sprake
                           is van een (rechts)relatie met een persoon, entiteit of lichaam zoals is
                           vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen. Het is een hulpmiddel dat
                           bijdraagt aan de juiste naleving door eenieder van die
                           sanctiemaatregelen, waarmee ook de rechtszekerheid in het economisch
                           verkeer wordt gediend. Het register heeft tot doel het voorkomen van het
                           gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financieren van
                              terrorisme.<noot id="n348" type="voet"><noot.nr>337</noot.nr><noot.al>Artikel 4, tweede, lid van de Implementatiewet registratie
                                 uiteindelijke belanghebbenden van trusts en soortgelijke juridische
                                 constructies.</noot.al></noot> Het opnemen van de aantekening in het register past daarin:
                           internationale sanctiemaatregelen zijn ook opgelegd aan niet-statelijke
                           actoren of terroristische organisaties<noot id="n349" type="voet"><noot.nr>338</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld verordening (EU) nr. 2016/1686 van de Raad
                                 van 20 september 2016 tot vaststelling van bijkomende beperkende
                                 maatregelen tegen ISIS (Da’esh) en Al Qaida en daarmee verbonden
                                 natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten of lichamen.</noot.al></noot> en trusts worden vaak gebruikt door gesanctioneerde personen en
                           entiteiten om toepasselijke internationale sanctiemaatregelen te omzeilen
                           of bepaalde banden met gesanctioneerde partijen te verhullen. Omgekeerd
                           worden trusts en vergelijkbare juridische constructies ook gebruikt om op
                           een effectieve wijze de banden met een gesanctioneerde persoon te
                           doorbreken door het aanbrengen van een ‘firewall’ tussen de
                           gesanctioneerde persoon en diens eigendom zoals bijvoorbeeld
                           aandelenbelangen. Beide typen gebruik van een trust en vergelijkbare
                           juridische constructies in de context van internationale
                           sanctiemaatregelen onderstrepen het belang van de bevoegdheid om
                           aantekeningen te plaatsen in dit register.</al>
                    <al>De aantekening zoals voorzien in het voorgestelde artikel 15a van de
                           Implementatiewet heeft geen relatie tot een onderzoek door de beheerder
                           zelf naar de juistheid van een gegeven. De Kamer gaat niet zelfstandig
                           over tot een verificatie van de aangeleverde informatie, maar vertrouwt
                           op de aangeleverde gegevens. De aantekening die de beheerder aanbrengt,
                           zorgt enkel voor een feitelijke weergave en vastlegging in het register
                           van een relatie tussen de in het register ingeschreven trust of
                           geregistreerde uiteindelijk belanghebbende en daaraan verbonden gegevens
                           en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, zoals
                           is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen.</al>
                    <al>De aanleverende partij en de Kamer zijn allebei eigenstandig
                           verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. De aanleverende partij
                           is verwerkingsverantwoordelijke voor de informatie die geleverd wordt aan
                           de Kamer en de verwerking van het aanleveren zelf. De Kamer die deze
                           informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een aantekening plaatst,
                           is verwerkingsverantwoordelijke voor die verwerkingen. Er is dus geen
                           sprake van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van
                           artikel 26 AVG.</al>
                    <al>De beheerder onderzoekt, behoudens andersluidende aanwijzingen, niet
                           zelfstandig de juistheid van de aangeleverde informatie maar vertrouwt op
                           de partijen die de informatie daarover hebben aangeleverd zoals de
                           Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse
                           of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn
                           met respectievelijk de uitvoering, het toezicht op de naleving van
                           sanctiemaatregelen. Daarnaast volgt uit de Implementatiewet dat in ieder
                           geval ook de Minister van Financiën en de Financiële inlichtingen eenheid
                           relevante informatie kunnen verstrekken.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet
                              hij dit kenbaar maken bij de beheerder. De beheerder zal op grond van
                              de doorzendplicht het bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld
                              op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld op de
                              hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de
                                 afzender.<noot id="n350" type="voet"><noot.nr>339</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, Awb.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen
                              door de informatie die is gedeeld met het register te delen met de
                              afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.</al>
                      <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot
                              het opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd
                              indien de relatie zich niet langer voordoet (derde en vierde
                              lid).</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.6 Wijziging Kadasterwet</titel>
                  </kop>
                  <al>Met dit artikel wordt een nieuw artikel 118b toegevoegd aan de Kadasterwet.
                        Hiermee krijgt de bewaarder van het kadaster en de openbare registers de
                        bevoegdheid om een aantekening te plaatsen bij een registergoed in de
                        basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen en de registratie
                        voor luchtvaartuigen als de rechthebbende van dat registergoed
                        gesanctioneerd is op grond van een verdrag, een besluit van een
                        volkenrechtelijke organisatie of een beperkende maatregel als bedoeld in
                        artikel 215, tweede lid, VWEU. Hiervan kan sprake zijn als de geregistreerde
                        rechthebbende (zowel natuurlijke personen als rechtspersonen) zelf voorkomt
                        op een sanctielijst, maar ook als de geregistreerde rechthebbende zodanig
                        verbonden is met een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam
                        op een sanctielijst dat ook de geregistreerde rechthebbende daarmee onder de
                        sancties valt.</al>
                  <al>Het doel van de kadastrale registraties is onder meer het bevorderen van
                        rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen in het rechtsverkeer, in
                        het economisch verkeer en in het bestuurlijk verkeer tussen burgers en
                        bestuursorganen (artikel 2a, onderdeel a, van de Kadasterwet). Om die reden
                        zal de bewaarder van het kadaster en de openbare registers alleen overgaan
                        tot het plaatsen van een aantekening als onomstotelijk duidelijk is dat het
                        een bevroren registergoed betreft. De bewaarder van het kadaster en de
                        openbare registers kan deze informatie verkrijgen van de sanctielijsten
                        zelf, van de Kamer van Koophandel en van de Belastingdienst. Voor die
                        laatste twee verstrekkers van informatie is in het tweede respectievelijk
                        het derde lid van het artikel een grondslag voor de gegevensverstrekking
                        geregeld. De bewaarder van het kadaster en de openbare registers heeft geen
                        zelfstandige onderzoeksbevoegdheid om geregistreerde rechthebbenden te
                        onderzoeken. De bewaarder is dus afhankelijk van informatie van derden voor
                        het kunnen plaatsen van een aantekening als een geregistreerde rechthebbende
                        zodanig verbonden is met een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of
                        lichaam op een sanctielijst dat die rechthebbende daarmee onder de sancties
                        valt. Alleen als die informatie tot geen twijfel leidt dat er sprake is van
                        een bevroren registergoed, wordt overgegaan tot het plaatsen van een
                        aantekening. Als geen sprake meer is van een bevroren registergoed, wordt de
                        aantekening verwijderd.</al>
                  <al>Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij
                           dit kenbaar maken bij de bewaarder. De bewaarder zal op grond van de
                           doorzendplicht het bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld op
                           grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld op de hoogte
                           stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.<noot id="n351" type="voet"><noot.nr>340</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, Awb.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door
                           de informatie die is gedeeld met het register te delen met de afzender,
                           voorzien van een rechtsmiddelenclausule.</al>
                  <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het
                           opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de
                           relatie zich niet langer voordoet (vierde en vijfde lid).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.7 Wijziging Pensioenwet</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in
                        de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van
                        Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien van
                        ondernemingen onder toezicht op grond van de Pensioenwet is daartoe van
                        belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke informatie kunnen delen
                        met die minister. Dergelijke informatie kan
                        nodig zijn voor de minister om te beoordelen
                        of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
                        maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van
                        dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.</al>
                    <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle
                        van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de
                        onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich bij de
                        onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                        voorschriften die de minister aan de
                        aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                        wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                        maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                        toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van zulke
                        informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming over die
                        maatregel tussen de minister en de relevante
                        toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in
                        artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld
                        in artikel 208, eerste lid, een grondslag op te nemen voor het delen van
                        zulke informatie met de Minister van Economische Zaken ten behoeve van zijn
                        taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.8 Wijziging Sanctiewet 1977</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen B (artikel 9), C (artikel 9a) en L (artikel
                              10f)</titel>
                    </kop>
                    <al>De wijzigingen in deze artikelen zijn tweeledig. Ten eerste worden de
                           bevoegdheden uit afdeling 5 die op dit moment toekomen aan de Minister
                           van Financiën, toegekend aan AFM en DNB, die deze bevoegdheden op dit
                           moment al uitoefenen als gevolg van de overdracht van deze bevoegdheden
                           in het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977. Ten tweede worden er twee
                           nieuwe toezichthoudende autoriteiten aangewezen in de wet, vanwege de
                           nieuwe categorieën instellingen die onder het bereik van afdeling 5
                           worden gebracht. Deze twee wijzigingen worden hierna nader
                           toegelicht.</al>
                    <al>Het huidige artikel 10f regelt dat de bevoegdheden die de Minister van
                           Financiën op grond van afdeling 5 toekomen, overgedragen kunnen worden
                           aan een of meer rechtspersonen die op grond van artikel 10, tweede lid,
                           zijn belast met het toezicht op de naleving van de krachtens afdeling 5
                           gestelde regels. Deze rechtspersonen zijn de AFM en DNB.<noot id="n352" type="voet"><noot.nr>341</noot.nr><noot.al>Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977.</noot.al></noot> Met het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977 is van de mogelijkheid
                           uit artikel 10f gebruik gemaakt. Als gevolg daarvan komen de bevoegdheden
                           uit afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 sinds 2002 toe aan AFM en DNB. Met
                           de voorgestelde wijziging wordt deze huidige praktijk verankerd in de
                           wet. Dit betekent dat de bevoegdheden in de wet worden toegekend aan AFM
                           en DNB. Artikel 10f komt te vervallen.</al>
                    <al>Met het vervallen van de grondslag in artikel 10f komt ook het
                           Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977 te vervallen. Ook het besluit
                           Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977, dat zijn grondslag vindt in
                           het huidige artikel 10, tweede lid, en dat strekt tot de voornoemde
                           aanwijzing van AFM en DNB als rechtspersonen die zijn belast met het
                           toezicht op de naleving van afdeling 5, komt te vervallen.</al>
                    <al>Naast de voornoemde wijziging, worden twee (nieuwe) toezichthoudende
                           autoriteiten aangewezen. Dit betreffen het BFT (onderdeel c) en een door
                           de algemene raad van de Nederlandse orde van advocaten aan te wijzen
                           deken (onderdeel d). Voor de aan te wijzen deken geldt dat deze deken
                           toezicht uitoefent binnen het gehele grondgebied van het Europese deel
                           van Nederland. Deze deken is dus bevoegd toezicht te houden in alle 11
                           arrondissementen. De aanwijzing van deze autoriteiten houdt verband met
                           het uitbreiden van de categorieën instellingen die onder het bereik van
                           de regels van afdeling 5 worden gebracht. Voor een nadere toelichting op
                           deze keuze wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen deel.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel D (artikel 10)</titel>
                    </kop>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Eerste en vierde lid</titel>
                      </kop>
                      <al>De wijziging in het eerste lid voorziet erin dat de toezichthoudende
                              autoriteiten toezichthouders kunnen aanwijzen die belast zijn met het
                              toezicht op de naleving van de bij of krachtens afdeling 5 gestelde
                              regels. Voor het toezicht op de naleving door advocaten geldt, in
                              afwijking van het voorgaande, dat een door de algemene raad van de
                              Nederlandse orde van advocaten aan te wijzen deken wordt belast met
                              het toezicht op de naleving. De personen die als toezichthouder worden
                              aangewezen beschikken als gevolg van de aanwijzing als toezichthouder
                              bij de uitoefening van hun taak over de bevoegdheden die zijn
                              neergelegd in titel 5.2 Awb. Dit houdt onder meer in dat de aangewezen
                              personen bevoegd zijn om ter vervulling van hun taak inlichtingen te
                              vorderen (artikel 5:16 Awb), inzage te vorderen van zakelijke gegevens
                              en bescheiden (artikel 5:17 Awb) en zaken en vervoermiddelen te
                              onderzoeken (artikelen 5:18 en 5:19 Awb). Een toezichthouder maakt van
                              zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor
                              de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Daarnaast is
                              het ook mogelijk dat de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
                              worden beperkt in het besluit waarin de toezichthouder wordt
                              aangewezen (artikel 5:14 Awb). Eenieder is verplicht om alle
                              medewerking te verlenen die een toezichthouder redelijkerwijs kan
                              vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20
                              Awb).</al>
                      <al>De aanwijzingsbesluiten die op grond van het eerste worden genomen
                              dienen ingevolge het nieuwe vierde lid (nieuw) te worden gepubliceerd
                              in de Staatscourant. De wijziging in het vierde lid is technisch van
                              aard.</al>
                    </divisie>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Tweede en derde lid</titel>
                      </kop>
                      <al>Het huidige artikel 10, eerste lid, kent de mogelijkheid om
                              toezichthouders aan te wijzen uitsluitend toe aan de Minister van
                              Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met de
                              ministers die het mede aangaat. Op
                              grond van deze bepaling zijn in de Regeling toezichthoudende
                              ambtenaren Sanctiewet 1977 toezichthouders aangewezen. De in die
                              regeling aangewezen toezichthouders houden toezicht op de naleving van
                              sanctiemaatregelen zelf, en niet op de bedrijfsvoeringsvoorschriften
                              die op grond van afdeling 5 worden gesteld. Het is niet nodig om deze
                              bevoegdheid voor de Minister van Buitenlandse Zaken te behouden in
                              afdeling 5 van de Sanctiewet 1977, omdat deze bevoegdheid separaat
                              wordt opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet internationale
                              sanctiemaatregelen, die met dit wetsvoorstel wordt vastgesteld. Op
                              grond van die bepaling zal worden voorzien in de aanwijzing van de
                              noodzakelijke toezichthouders die toezicht houden op de naleving van
                              sanctiemaatregelen. Het nieuwe eerste lid in artikel 10 van de
                              Sanctiewet 1977, beperkt zich dan ook tot de bevoegdheid van de
                              toezichthoudende autoriteiten AFM, DNB en BFT om toezichthouders aan
                              te wijzen alsmede de aanwijzing van een deken als toezichthouder, en
                              heeft uitsluitend betrekking op het toezicht op de naleving van de bij
                              of krachtens afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gestelde
                              (bedrijfvoerings)regels.</al>
                      <al>In het tweede lid zijn de instellingen opgenomen waar afdeling 5 op
                              van toepassing is. Met de voorgestelde wijziging worden de volgende
                              categorieën instellingen toegevoegd: belastingadviseurs, accountants,
                              advocaten en notarissen.</al>
                      <al>Voor de volledigheid wordt het volgende opgemerkt over aanbieders van
                              cryptoactivadiensten. Met de Uitvoeringswet verordening bij
                              geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie
                              (Uitvoeringswet TFR) wordt de reikwijdte van de Wwft uitgebreid naar
                              negen categorieën aanbieders van cryptoactivadiensten.<noot id="n353" type="voet"><noot.nr>342</noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2023/24, <extref doc="kst-36526-2" soort="document" status="actief">36 526,
                                    nr. 2</extref>.</noot.al></noot> Als gevolg van dit voorstel komt ook het huidige onderdeel m
                              van artikel 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 te vervallen. De
                              aanbieders van cryptoactivadiensten die onder de reikwijdte van de
                              Wwft komen te vallen, worden met de Uitvoeringswet TFR ook onder de
                              reikwijdte van afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gebracht door middel
                              van een wijziging van artikel 10. Op het moment dat onderhavig
                              voorstel van wet wordt ingediend bij de Tweede Kamer, zal zo nodig
                              worden voorzien in een samenloopbepaling ten aanzien van deze
                              wijziging van artikel 10.</al>
                      <al>Het huidige derde lid van artikel 10 vervalt, omdat het niet nodig is
                              om uitdrukkelijk te bepalen dat de bepalingen uit afdeling 5.2 Awb van
                              overeenkomstige toepassing zijn op aangewezen toezichthouders. Dit is
                              niet nodig, omdat personen als gevolg van hun aanwijzing als
                              toezichthouder zonder nadere regeling over de in de in titel 5.2
                              vermelde bevoegdheden beschikken.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel E (artikel 10a)</titel>
                    </kop>
                    <al>Het huidige artikel 10a regelt dat de Minister van Financiën de (op dit
                           moment) aangewezen rechtspersonen AFM en DNB in de gelegenheid kan
                           stellen een zienswijze naar voren te brengen over de uitvoering van
                           regels ter implementatie van internationale sanctiemaatregelen die het
                           financiële verkeer betreffen. In de praktijk is geen noodzaak gebleken
                           tot behoud van deze bevoegdheid. Artikel 10a komt daarom te
                           vervallen.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel F (artikelen 10aa en 10ab)</titel>
                    </kop>
                    <al>Met dit onderdeel worden twee nieuwe artikelen ingevoegd in afdeling 5.
                           Artikel 10aa schrijft voor dat een toezichthoudende autoriteit haar taak
                           op een risicogebaseerde en effectieve wijze uitvoert. Dit sluit aan bij
                           de wijze waarop het toezicht op de Wwft wordt uitgeoefend (artikel 1d,
                           zesde lid, van de Wwft). De aangewezen toezichthoudende autoriteiten zijn
                           ook op grond van die wet belast met een toezichthoudende taak en zijn dan
                           ook bekend met deze wijze van toezicht uitoefenen. Voor AFM en DNB geldt
                           dat zij hun huidige bevoegdheden op grond van afdeling 5 op dit moment al
                           op deze wijze uitvoeren en betreft dit dus een wettelijke verankering van
                           de huidige werkwijze. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar
                           paragraaf 3.8 van het algemeen deel.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Doorbreking geheimhoudingsplicht (artikel 10ab)</titel>
                      </kop>
                      <al>Dit artikel regelt dat artikel 45a, tweede lid, van de Advocatenwet
                              en 111a, derde lid, van de Wet op het notarisambt van overeenkomstige
                              toepassing zijn op het toezicht op de naleving door respectievelijk
                              advocaten en notarissen. Voor advocaten betekent dit dat de advocaat,
                              zijn medewerkers en personeel, alsmede andere personen die bij de
                              beroepsuitoefening betrokken zijn, niet gehouden zijn aan de in
                              artikel 11a van de Advocatenwet neergelegde geheimhoudingsplicht, voor
                              zover het gaat om informatieverstrekking aan de door de algemene raad
                              aangewezen deken, die op grond van afdeling 5 toezicht uitoefent. Voor
                              notarissen betekent dit dat de notaris en de onder zijn
                              verantwoordelijkheid werkzame personen, niet gehouden zijn aan de in
                              artikel 22 van de Wet op het notarisambt neergelegde
                              geheimhoudingsplicht, voor zover het gaat om informatieverstrekking
                              aan de personen die op grond van afdeling 5 toezicht uitoefenen.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel G (artikel 10b)</titel>
                    </kop>
                    <al>De wijzigingen in het eerste en tweede lid regelen dat de daarin
                           genoemde bevoegdheden tot het stellen van regels toekomen aan de
                           toezichthoudende autoriteiten (verwezen wordt ook naar de toelichting bij
                           de artikelen 9, 9a en 10f). Dat geldt niet voor de door de algemene raad
                           van de Nederlandse orde van advocaten aangewezen deken. Met het beleggen
                           van deze bevoegdheid bij het college van toezicht, bedoeld in artikel 36a
                           van de Advocatenwet, is zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 45h
                           Advocatenwet. De bevoegdheid om regels te stellen is niet belegd bij het
                           college van afgevaardigden omdat artikel 28, vijfde lid, Advocatenwet
                           onder meer regelt dat het college van afgevaardigden geen verordeningen
                           vaststelt met betrekking tot het uitoefenen van het toezicht. Voor AFM en
                           DNB geldt dat deze verankering een voortzetting van de huidige praktijk
                           betreft. Op grond van het huidige artikel 10f van de Sanctiewet 1977 is
                           de bevoegdheid voor de Minister van Financiën tot het stellen van regels
                           overgedragen aan AFM en DNB. Met de door AFM en DNB vastgestelde Regeling
                           toezicht Sanctiewet 1977 is aan deze bevoegdheid invulling gegeven.</al>
                    <al>Het derde lid waarin de Minister van Financiën ontheffing of
                           vrijstelling kan verlenen voor de te stellen regels over de
                           bedrijfsvoering vervalt, omdat die bevoegdheid niet nodig is vanwege de
                           keuze om risicogebaseerd toezicht te houden.</al>
                    <al>Regelgevende bevoegdheden worden slechts bij uitzondering toegekend aan
                           zelfstandige bestuursorganen. Het derde lid (nieuw) en vierde lid
                           voorzien daarom in ministeriële goedkeuring ten aanzien van de door AFM,
                           DNB en BFT gestelde regels.<noot id="n354" type="voet"><noot.nr>343</noot.nr><noot.al>Zie aanwijzing 5.10 van de Aanwijzingen voor de
                                 regelgeving.</noot.al></noot></al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel H (artikel 10ba)</titel>
                    </kop>
                    <al>Met de wijziging in artikel 10ba wordt geregeld dat de
                           aanwijzingsbevoegdheid (artikel 10ba) en de bevoegdheid tot oplegging van
                           een last onder dwangsom (artikel 10c) toekomen aan de toezichthoudende
                           autoriteiten. Voor AFM en DNB is dit een wettelijke verankering van de
                           huidige praktijk, gelet op het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977.
                           Verwezen wordt ook naar de toelichting bij de artikelen 9, 9a en
                           10f.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel I (artikel 10bb)</titel>
                    </kop>
                    <al>Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel toegevoegd aan afdeling 5, op
                           grond waarvan de toezichthoudende autoriteiten AFM, DNB en BFT als
                           bestuursorgaan zelf inlichtingen kunnen vorderen. Deze bevoegdheid wordt
                           verankerd in de wet, in aanvulling op de bevoegdheid waar de als
                           toezichthouder aangewezen personen, in beginsel medewerkers van de
                           toezichthoudende autoriteiten, op grond van artikel 5:16 Awb over
                           beschikken. Aansluiting is gezocht bij artikel 1:74 van de Wet op het
                           financieel toezicht. In het tweede lid zijn de artikelen 5:13 en 5:20,
                           eerste en tweede lid, Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Uit
                           deze bepalingen vloeit voort dat de toezichthoudende autoriteit slechts
                           van zijn bevoegdheid gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de
                           vervulling van zijn taak nodig is en dat de medewerkingsplicht en
                           geheimhoudingsregels uit respectievelijk artikel 5:20, eerste en tweede
                           lid, gelden. Het derde lid van artikel 10bb regelt dat ook artikel 5:20,
                           derde lid, Awb van overeenkomstige toepassing is. Als gevolg daarvan
                           kunnen de toezichthoudende autoriteiten een last onder bestuursdwang, of
                           een last onder dwangsom gelet op artikel 5:32, eerste lid, opleggen ter
                           handhaving van de inlichtingenplicht uit artikel 10bb.</al>
                    <al>Artikel 10bb is niet van toepassing op de door de algemene raad van de
                           orde van advocaten aangewezen deken, omdat de aangewezen deken naast
                           toezichthoudende autoriteit, ook de toezichthouder in de zin van de Awb
                           is (artikel 10, eerste lid). De bepalingen in artikel 10bb hebben voor de
                           aangewezen deken dus geen meerwaarde.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel K (artikel 10d)</titel>
                    </kop>
                    <al>Artikel 10d regelt de bevoegdheid tot oplegging van een bestuurlijke
                           boete ter handhaving van de krachtens artikel 10b gestelde regels. Met de
                           wijziging van het eerste lid wordt in de eerste plaats geregeld dat deze
                           bevoegdheid toekomt aan de toezichthoudende autoriteiten (verwezen wordt
                           ook naar de toelichting bij de artikelen 9, 9a en 10f). Daarnaast wordt
                           geregeld dat de toezichthoudende autoriteit een bestuurlijke boete kan
                           opleggen als niet wordt voldaan aan de medewerkingsplicht die is
                           neergelegd in artikel 5:20, eerste lid, Awb, op grond waarvan eenieder
                           verplicht is om aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde
                           redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs
                           kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Ook wordt geregeld
                           dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter handhaving van artikel
                           10bb, op grond waarvan inlichtingen kunnen worden gevorderd door de
                           toezichthoudende autoriteiten AFM, DNB en BFT zelf.</al>
                    <al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat toezichthoudende autoriteiten
                           op grond van artikel 5:20, derde lid, in samenhang met artikel 5:32,
                           eerste lid, Awb, ook over de bevoegdheid beschikken om een last onder
                           dwangsom op te leggen als niet wordt voldaan aan de in artikel 5:20,
                           eerste lid, Awb neergelegde medewerkingsplicht. Dit geldt ook voor
                           gevallen waarin de inlichtingen op grond van artikel 10bb worden
                           gevorderd door de toezichthoudende autoriteit zelf (zie ook de
                           toelichting bij artikel 10bb, derde lid). De bevoegdheid tot oplegging
                           van een last onder dwangsom voor overtredingen van de inlichtingenplicht
                           behoeft daarom, anders dan de bevoegdheid tot oplegging van een
                           bestuurlijke boete in een dergelijke situatie, geen nadere regeling.</al>
                    <al>In het huidige artikel 10d, tweede lid, is artikel 1:85 van de Wet op
                           het financieel toezicht van overeenkomstige toepassing verklaard ten
                           aanzien van de instellingen waar in dat lid naar wordt verwezen. In het
                           huidige derde lid zijn verwijzingen opgenomen naar de artikelen 184 van
                           de Pensioenwet en 179 van de Wet verplichte pensioensregeling, waarin
                           eenzelfde regeling is opgenomen voor de pensioenfondsen en
                           beroepspensioenfondsen. De voornoemde artikelen uit de Wet op het
                           financieel toezicht, Pensioenwet en de Wet verplichte pensioensregelingen
                           bevatten regels over de schorsing van de verplichting tot betaling van de
                           bestuurlijke boete. Met de voorgestelde wijziging van artikel 10d worden
                           regels over de schorsende werking van dergelijke besluiten opgenomen in
                           het tweede en derde lid, waardoor een verwijzing naar de voornoemde
                           wetten niet meer nodig is. De betreffende regeling wordt hierna
                           inhoudelijk toegelicht. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de
                           verwijzingen naar de artikelen 183 van de Pensioenwet en 178 van de Wet
                           verplichte beroepspensioenregeling in het huidige artikel 10d, derde lid,
                           niet meer nodig zijn omdat de betreffende bepalingen zijn vervallen.</al>
                    <al-groep>
                      <al>Uit artikel 4:87 Awb vloeit voort dat de betaling van een
                              bestuurlijke boete geschiedt binnen zes weken nadat het besluit op de
                              voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, tenzij het besluit een later
                              tijdstip vermeldt of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Het
                              instellen van bezwaar of beroep heeft in beginsel geen schorsende
                              werking (artikel 6:16 Awb), waardoor de verplichting tot betaling
                              blijft bestaan als een rechtsmiddel wordt ingesteld. Het voorgestelde
                              artikel 10d, tweede lid, regelt dat de verplichting tot het betalen
                              van een bestuurlijke boete die op grond van artikel 10d, eerste lid
                              wordt opgelegd, wordt opgeschort als tegen het besluit tot oplegging
                              van de boete een rechtsmiddel is ingesteld. Als bezwaar wordt gemaakt
                              tegen het besluit, wordt de verplichting tot betaling opgeschort
                              totdat de beroepstermijn is verstreken. Als tegen het besluit beroep
                              of hoger beroep is ingesteld, wordt de verplichting tot betaling
                              opgeschort totdat op het beroep dan wel hoger beroep is beslist. Deze
                              regeling is wenselijk vanwege de relatief hoge boetes die op grond van
                              artikel 10e kunnen worden opgelegd. Het derde lid regelt dat de
                              instelling van een rechtsmiddel geen gevolgen heeft voor het moment
                              waarop de berekening van de wettelijke rente aanvangt. Hiermee wordt
                              voorkomen dat een rechtsmiddel wordt aangewend met de enkele reden om
                              een rentevoordeel te behalen. Als in bezwaar of (hoger) beroep blijkt
                              dat een al betaalde boete ten oprechte is opgelegd, wordt de boete
                              inclusief de betaalde wettelijke rente terugbetaald aan de
                              instelling.</al>
                      <al>Met dit artikel wordt aangesloten bij artikel 32b Wwft en artikel
                              1:85 van de Wet op het financieel toezicht. Op grond van het huidige
                              artikel 10d, tweede lid, geldt de opschortende werking van deze
                              betalingsverplichting al ten aanzien van de oplegging van een
                              bestuurlijke boete aan de instellingen, genoemd in artikel 10, tweede
                              lid, onderdelen a tot en met k.<noot id="n355" type="voet"><noot.nr>344</noot.nr><noot.al>Dit vloeit voor de onderdelen a, b, c, d, f, g, h, i, j en
                                    k voort uit artikel 10d, tweede lid, van de Sanctiewet 1977.
                                    Voor onderdeel e vloeit dit voort uit artikel 10d, derde lid, op
                                    grond waarvan de artikelen 184 van de Pensioenwet en 179 van de
                                    Wet verplichte pensioensregeling van overeenkomstige toepassing
                                    zijn verklaard.</noot.al></noot> Voor de in artikel 10, eerste lid, onderdeel l, genoemde
                              instellingen geldt deze regeling op dit moment niet. Dit betreft een
                                 omissie<noot id="n356" type="voet"><noot.nr>345</noot.nr><noot.al>Met de toevoeging van deze instellingen aan artikel 10,
                                    tweede lid, van de Sanctiewet 1977 (<extref doc="stb-2020-146" soort="document" status="actief">Stb. 2020, 146</extref>) is
                                    artikel 10d, tweede lid, abusievelijk niet gewijzigd.</noot.al></noot> die met dit wetsvoorstel wordt hersteld.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen M (artikelen 10g en 10h) en O (artikelen 10j, 10k en
                              10l)</titel>
                    </kop>
                    <al>De artikelen 10g, 10h, 10j en 10k vervangen de huidige
                           informatie-uitwisselingssystematiek uit afdeling 5 van de Sanctiewet
                           1977. Het uitgangspunt is dat er een brede geheimhoudingsplicht geldt en
                           dat er, onder specifieke voorwaarden, informatie gedeeld kan worden met
                           andere, vooraf bepaalde, overheidsorganisaties door de toezichthouders.
                           Hierbij wordt aangesloten bij de informatie-uitwisselingssystematiek uit
                           paragraaf 3.5 (geheimhouding) van de Wwft, waarmee deze toezichthouders
                           al bekend zijn. Het gelijktrekken van de systematiek maakt het voor de
                           toezichthouders helderder en makkelijker om te bepalen wanneer informatie
                           gedeeld kan worden en reduceert de kans op fouten.</al>
                    <al>Artikel 10g schrijft een algemene geheimhoudingsplicht voor ten aanzien
                           van de informatie verkregen uit deze afdeling. Er wordt hierbij
                           aangesloten bij artikel 22 Wwft. Het vierde lid uit het oude artikel 10g
                           Sanctiewet 1977 is behouden gebleven met het oog op continuïteit.</al>
                    <al>Met artikel 10h wordt geregeld dat het BFT en toezichthouder, bedoeld in
                           artikel 1, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 onder
                           voorwaarden informatie kunnen delen met vooraf bepaalde
                           overheidsorganisaties overeenkomstig artikel 22a Wwft. Wat betreft de
                           organisatie waarmee gedeeld kan worden zijn er een aantal verschillen met
                           artikel 22a Wwft. Zo is toegevoegd dat ook informatie gedeeld kan worden
                           met verschillende ministers die
                           verantwoordelijkheid dragen voor de verschillende beleidsterreinen op het
                           gebied van sancties. Verder is het bestuursorgaan, bedoeld in artikel
                           3.1.1, opgenomen die, ter uitvoering van de taken en bevoegdheden inzake
                           meldingsplichten een centraal meldpunt sancties zal inrichten. Het
                           centraal meldpunt sancties zal een centrale rol gaan spelen tussen de
                           verschillende overheidsorganisaties. Wat betreft de voorwaarden waaronder
                           de gegevens gedeeld mogen worden wordt een-op-een aangesloten bij de
                           Wwft. Ten opzichte van het huidige artikel 10h Sanctiewet 1977 levert dit
                           een verscherping op van de voorwaarden omdat ook de voorwaarde is
                           opgenomen, in het derde lid onderdeel b, dat het beoogde gebruik van de
                           gegevens of inlichtingen moet passen in het kader van het toezicht op de
                           naleving van sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                           internationale sanctiemaatregelen of het toezicht op de naleving van de
                           krachtens deze afdeling gestelde regels. Daarmee wordt bedoeld dat het
                           beoogde gebruik ook niet in mag druisen tegen het achterliggende doel
                           waarmee de sanctiemaatregelen zijn ingesteld.</al>
                    <al>Artikel 10j regelt de specifieke informatie-uitwisselingsgrondslagen
                           voor de AFM en DNB overeenkomstig artikel 22b Wwft. Gezien de
                           taakstelling van deze organisaties is het noodzakelijk om nadere
                           grondslagen te creëren. Ook wordt voorzien in een grondslag voor het
                           kunnen verstrekken van informatie aan de DNB voor zover zij taken
                           uitoefent anders dan als toezichthoudende autoriteit, om zo te borgen dat
                           ook met andere organisatieonderdelen gedeeld kan worden. Daarnaast zijn
                           er een aantal leden toegevoegd die samenhangen met de rol van de DNB als
                           resolutie-autoriteit, zo kan onder andere informatie worden verstrekt aan
                           het Depositogarantiefonds, het Afwikkelingsfonds, Stichting Beleggers
                           Compensatiefonds, de Afwikkelingsraad en een bij afwikkeling betrokken
                           instantie in een andere lidstaat. Tevens is aan dit artikel toegevoegd
                           dat informatie gedeeld kan worden met verschillende
                           ministers die verantwoordelijkheid dragen
                           voor de verschillende beleidsterreinen op het gebied van sancties.</al>
                    <al>Voor het BFT wordt, overeenkomstig artikel 22c Wwft, de grondslag
                           gecreëerd in artikel 10k om informatie te verstrekken aan de AFM voor wat
                           betreft het toezicht op belastingadviseurs en accountants uit artikel 10,
                           tweede lid, van dit wijzigingsonderdeel.</al>
                    <divisie opmaak="default">
                      <kop kopopmaak="rom">
                        <titel>Publicatiebevoegdheden (10l)</titel>
                      </kop>
                      <al>Met het voorgestelde artikel 10l worden de regels over de publicatie
                              van bestuurlijke sancties uit de Wwft van overeenkomstige toepassing
                              verklaard. Deze bevoegdheden worden hierna op hoofdlijnen toegelicht.
                              Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de parlementaire
                              geschiedenis van de betreffende artikelen uit de Wwft. Voor de
                              volledigheid wordt opgemerkt dat de betreffende regels (ook) nauw
                              aansluiten bij de publicatiebevoegdheden waar AFM en DNB over
                              beschikken op grond van de Wet op het financieel toezicht.</al>
                      <al>Op grond van de van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel
                              32e Wwft kan de toezichthoudende autoriteit een waarschuwing of
                              verklaring publiceren als sprake is van een overtreding die
                              gerangschikt is in de tweede of derde boetecategorie (zie artikel
                              10e). Artikel 32f Wwft voorziet in de verplichting voor
                              toezichthoudende autoriteiten om een besluit tot oplegging van een
                              bestuurlijke sanctie openbaar te maken, behoudens de in artikel 32g
                              van die wet opgenomen uitzonderingen. Het betreft de openbaarmaking
                              van een besluit tot oplegging van een aanwijzing, last onder dwangsom,
                              bestuurlijke boete of een last onder dwangsom die wordt opgelegd omdat
                              niet wordt voldaan aan de in artikel 5:20, eerste lid, Awb neergelegde
                              medewerkingsplicht. In artikel 32g Wwft zijn regels opgenomen over
                              uitgestelde openbaarmaking, openbaarmaking in geanonimiseerde vorm en
                              redenen die aanleiding vormen voor het achterwege laten van de
                              publicatie. Artikel 32h Wwft bevat regels ten behoeve van de
                              bescherming van persoonsgegevens. Verder bevat artikel 32i van die wet
                              regels over onder meer het moment van publicatie en het beëindigen van
                              het openbaar beschikbaar houden van betreffende gegevens. Artikel 32j
                              Wwft bevat regels die de vertrouwelijkheid van een procedure van een
                              voorlopige voorziening beogen te waarborgen.</al>
                    </divisie>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel N (artikel 10i)</titel>
                    </kop>
                    <al>De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden heeft de
                           Sanctiewet 1977 gewijzigd en een nieuw artikel 10i ingevoegd. Dit artikel
                           wordt gewijzigd om aan te sluiten bij de wijzigingen van afdeling 5 van
                           de Sanctiewet 1977.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel P (artikel 15)</titel>
                    </kop>
                    <al>Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor de voorgestelde aanpassing
                           van afdeling 5. Het eerste lid regelt dat de publicatiebevoegdheden uit
                           artikel 10l niet van toepassing zijn op overtredingen die hebben
                           plaatsgevonden en zijn beëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding
                           van artikel 10.8 van dit wetsvoorstel, dat voorziet in aanpassing van
                           afdeling 5 van de Sanctiewet 1977. Het tweede lid regelt dat de door AFM
                           en DNB vastgestelde Regeling toezicht Sanctiewet 1977 na inwerkingtreding
                           van artikel 10.8 van dit wetsvoorstel berust op de juiste grondslag
                           (artikel 10b, eerste lid) en wordt geacht te zijn voorzien van
                           ministeriële goedkeuring, zoals wordt vereist door het voorgestelde
                           artikel 10b, derde lid. Dit betekent dat de Regeling toezicht Sanctiewet
                           1977 in beginsel geen aanpassing behoeft en niet ter goedkeuring hoeft te
                           worden voorgelegd aan de Minister van Financiën. Eventuele wijzigingen
                           van de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 moeten wel ter goedkeuring
                           worden voorgelegd.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.10 Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën
                           van halfgeleiderprodukten</titel>
                  </kop>
                  <al>In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen
                        opgenomen die voorzien dat alle tegoeden en economische middelen bevroren
                        zijn die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder
                        zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage vermelde natuurlijke
                        personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.<noot id="n357" type="voet"><noot.nr>346</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikelen 14 en 15 van Verordening (EU)
                              nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende
                              maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking
                              van Verordening (EU) nr. 442/2011.</noot.al></noot> Intellectuele eigendomsrechten zoals octrooien zijn economische
                        middelen als gedefinieerd in deze internationale sanctiemaatregelen en
                        moeten dus ook bevroren worden.<noot id="n358" type="voet"><noot.nr>347</noot.nr><noot.al>Q&amp;A nr. 24 <extref doc="https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf" soort="URL" status="actief">https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf</extref>.</noot.al></noot> Daarnaast geldt krachtens sommige internationale sanctiemaatregelen
                        ook expliciete verboden om intellectuele eigendomsrechten of
                        fabrieksgeheimen op enige andere wijze te verkopen, in licentie te geven of
                        over te dragen, alsmede rechten te verlenen op toegang tot of hergebruik van
                        materiaal of informatie die door middel van intellectuele-eigendomsrechten
                        wordt beschermd of die fabrieksgeheimen vormt in relatie tot goederen
                        waarvoor een exportbeperking geldt.<noot id="n359" type="voet"><noot.nr>348</noot.nr><noot.al>Zie artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EU)
                              nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende
                              maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie
                              in Oekraïne destabiliseren.</noot.al></noot></al>
                  <al>Topografieën van halfgeleiders zijn driedimensionale ontwerpen voor de
                        inrichting en bouw van halfgeleiders. Degelijke topografieën zijn in feite
                        de bouwtekening van microchips. In de EU is bijzondere wetgeving tot stand
                        gekomen die een specifiek beschermingsregime in het leven roept voor deze
                        topografieën: richtlijn 87/54/EEG betreffende de rechtsbescherming van
                        topografieën van halfgeleiderproducten. Deze richtlijn introduceerde een
                        ‘sui generis’ bescherming van topografieën door middel van het verlenen van
                        exclusieve rechten op deze topografieën (artikel 2 Richtlijn 87/54/EEG). Dit
                        exclusieve recht omvat de mogelijkheid om als houder van het recht de
                        volgende handelingen toe te staan of te verbieden: de reproductie van de
                        beschermde topografie, de commerciële exploitatie, de invoer voor een
                        dergelijke exploitatie, of de invoer van een halfgeleiderproduct dat met
                        deze beschermde topografie is gemaakt (artikel 5, eerste lid, Richtlijn
                        87/54/EG). Om deze bescherming effectief te laten zijn, moet er een vorm van
                        registratie per lidstaat plaatsvinden, opdat kenbaar is dat de topografie
                        bescherming heeft (zie onder andere artikel 4 van de richtlijn). Zonder
                        registratie is er geen beschermd intellectueel eigendomsrecht.</al>
                  <al>De beheerder van het register waar deze topografieën worden geregistreerd –
                        Octrooicentrum Nederland – draagt zelf actief zorg voor de bevriezing van de
                        economische middelen. Een geregistreerd recht (of een aanvraag tot
                        registratie van een recht) dat op naam staat van een persoon of entiteit die
                        onder het bevriezingsregime van een internationale sanctiemaatregel valt
                        (een ‘bevroren recht’), blijft in stand zolang aan de normale voorwaarden
                        daarvoor wordt voldaan. Wel wordt een aanvraag tot registratie opgeschort.
                        Een verzoek om inschrijving van een overdracht, licentie, zekerheidsstelling
                        met betrekking tot een bevroren recht wordt niet gehonoreerd.<noot id="n360" type="voet"><noot.nr>349</noot.nr><noot.al>Daarmee zou bijvoorbeeld ook een schending van het verbod
                              neergelegd in artikel 5 bis bis van Verordening (EU) nr. 833/2014
                              kunnen plaatsvinden als de beheerder van het register hieraan zou
                              meewerken.</noot.al></noot> Een verzoek om inschrijving van een beslagrecht op een bevroren
                        recht wordt wel gehonoreerd.</al>
                  <al>Gelet op de doorslaggevende betekenis van de registratie voor het bestaan
                        van het recht dat op naam wordt geregistreerd, wordt met voorgesteld artikel
                        10a de beheerder van het register – Octrooicentrum Nederland – bevoegd om
                        zowel op eigen initiatief een aantekening vast te leggen als op grond van
                        informatie verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan
                        wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties
                        die belast zijn met respectievelijk de uitvoering en het toezicht op de
                        naleving van internationale sanctiemaatregelen. Daarmee wordt effectief
                        kenbaar gemaakt dat een topografie is bevroren en bepaalde handelingen met
                        dit intellectuele eigendomsrecht niet meer mogelijk zijn. De regeling
                        voorzien in artikel 10a wijkt af van de bepalingen omtrent de bevoegdheid
                        van de Kamer van Koophandel ten aanzien van het Handelsregister en register
                        voor het registreren van trusts en uiteindelijk belanghebbenden van trusts,
                        omdat het Octrooicentrum Nederland zelf de rechthebbende identificeert, het
                        recht (of de aanvraag) registreert en daarmee het bestaan van het economisch
                        middel in het economisch verkeer brengt en kenbaar maakt. Dit brengt een
                        andere rol voor het Octrooicentrum Nederland met zich mee, hetgeen op punten
                        een afwijkende regeling noodzaakt.</al>
                  <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het
                        opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de
                        relatie zich niet langer voordoet (derde en vierde lid).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.12 Wijziging Wet financiële markten BES</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen A (artikel 2:14) en B (artikel 3:8)</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
                           Sanctiewet 1977, is het voor de Wet financiële markten BES noodzakelijk
                           om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale
                           sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de inwerkingtreding
                           van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
                           komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel C (artikel 1:21)</titel>
                    </kop>
                    <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren
                           in de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de
                           Minister van Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien
                           van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet financiële markten
                           BES is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke
                           informatie kunnen delen met die minister.
                           Dergelijke informatie kan nodig zijn voor de
                           minister om te beoordelen of
                           toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
                           maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3
                           van dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.</al>
                    <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de
                           clientèle van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van
                           de onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich
                           bij de onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                           voorschriften die de minister aan de
                           aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                           wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                           maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                           toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van
                           zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming
                           over die maatregel tussen de minister en
                           de relevante toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen
                           voorgeschreven in artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te
                           maken wordt voorgesteld in artikel 1:21, eerste lid, een grondslag op te
                           nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische
                           Zaken ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.15 Wijziging Wet op het financieel toezicht</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel A (artikel 1:93)</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren
                           in de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de
                           Minister van Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien
                           van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet op het financieel
                           toezicht is daartoe van belang dat de toezichthouders
                           toezichtvertrouwelijke informatie kunnen delen met die
                           minister. Dergelijke informatie kan nodig
                           zijn voor de minister om te beoordelen of
                           toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
                           maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3
                           van dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.</al>
                      <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de
                           clientèle van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van
                           de onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich
                           bij de onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                           voorschriften die de minister aan de
                           aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                           wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                           maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                           toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van
                           zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming
                           over die maatregel tussen de minister en
                           de relevante toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen
                           voorgeschreven in artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te
                           maken wordt voorgesteld een onderdeel toe te voegen aan artikel 1:93,
                           eerste lid, met een grondslag voor het delen van zulke informatie met de
                           Minister van Economische Zaken ten behoeve van zijn taken op grond van
                           hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel B (artikel 1:104)</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
                           Sanctiewet 1977, is het noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen naar
                           de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met
                           de inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de
                           Sanctiewet 1977 komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin
                           voorzien.</al>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.16 Wijziging Wet op het notarisambt</titel>
                  </kop>
                  <al>Artikel 10.16 voert enkele wijzigingen in de Wet op het notarisambt door.
                        Deze vloeien voort uit de wijziging van de Sanctiewet 1977 (artikel 10.8 van
                        dit wetsvoorstel) en houden verband met de huidige bepalingen in de Wet op
                        het notarisambt over toezicht en handhaving op grond van die wet. Artikel 5,
                        tweede lid, onderdeel l, van de Wet op het notarisambt bepaalt dat in het
                        register voor het notariaat gegevens worden opgenomen over een
                        onherroepelijke en onvoorwaardelijke oplegging van een bestuurlijke boete of
                        een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, van de Wet
                        op het notarisambt. Wordt een dergelijke boete of last opgelegd op grond van
                        artikel 10c of 10d, van de Sanctiewet 1077, dan moet ook die daar – niet
                        openbaar -worden geregistreerd. Dit is vergelijkbaar met de regeling voor
                        overeenkomstige beslissingen die de deken neemt jegens advocaten en die
                        worden verwerkt op het tableau (artikel 10.1, onderdeel A, van dit
                        wetsvoorstel). Vergelijkbaar met de regeling voor advocaten (artikel 10.1,
                        onderdeel I) worden notarissen ook aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake
                        van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens de Sanctiewet 1977, net als
                        nu het geval is voor inbreuken op onder meer het bepaalde bij of krachtens
                        de Wet op het notarisambt.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.17 Wijziging Wet open overheid</titel>
                  </kop>
                  <al>Deze wijziging is technisch van aard en strekt ertoe om aan te sluiten op
                        de nieuwe nummering van de artikelen in afdeling 5 van de Sanctiewet
                        1977.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.18 Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten</titel>
                  </kop>
                  <al>Met artikel 10.18 wordt met een nieuw artikel 11a een bevoegdheidsgrondslag
                        geïntroduceerd in de Wet ruimtevaartactiviteiten waarmee de Minister van
                        Economische Zaken kan overgaan tot het plaatsen van aantekeningen in het
                        register met gegevens betreffende ruimtevoorwerpen die gebruikt worden in
                        het kader van ruimtevaartactiviteiten (artikel 11 van de Wet
                        ruimtevaartactiviteiten).</al>
                  <al>In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen
                        opgenomen die voorzien dat alle tegoeden en economische middelen bevroren
                        zijn die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder
                        zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage vermelde natuurlijke
                        personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. Onder economische
                        middelen valt ook het ter beschikking stellen van satellieten en het
                        faciliteren van de exploitatie ervan. Door middel van het
                        vergunningenstelsel neergelegd in artikel 3 van de Wet
                        ruimtevaartactiviteiten kan worden voorkomen dat nieuwe
                        ruimtevaartactiviteiten in of vanuit Nederland dan wel op of vanaf een
                        Nederlands schip of Nederlands luchtvaartuig plaatsvinden die ten goede
                        komen aan door internationale sanctiemaatregelen gesanctioneerde personen of
                        entiteiten.</al>
                  <al>Tegelijkertijd geldt voor de ruimtevoorwerpen die al in gebruik zijn, dat
                        juist de mogelijke relatie van het geregistreerde ruimtevoorwerp met een
                        gesanctioneerde persoon of entiteit van betekenis is om het gebruik of
                        ondersteuning van dit ruimtevoorwerp zoals een communicatie- of
                        observatiesatelliet te verhinderen. Dat ook bij ruimtevoorwerpen er een
                        risico bestaat op gebruik door gesanctioneerde personen en entiteiten is
                        niet illusoir: bij de internationale sanctiemaatregelen jegens de Russische
                        Federatie zijn beperkingen aangebracht jegens relevante Russische
                        technologie-ondernemingen zoals Rostec die betrokken zijn bij de
                        ontwikkeling van satellieten of juist afnemers van de diensten die door
                        satellieten worden ondersteund.</al>
                  <al>Met het mogelijk maken van het plaatsen van aantekeningen wordt het voor
                        andere partijen kenbaar dat een geregistreerd ruimtevoorwerp een relatie
                        heeft met een gesanctioneerde persoon of entiteit. De informatie om tot een
                        dergelijke aantekening te kunnen overgaan, is afkomstig hetzij uit de eigen
                        informatie die de minister heeft in het kader
                        van voornoemde vergunningverlening, hetzij van Nederlandse of buitenlandse
                        van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met respectievelijk
                        de uitvoering, het toezicht op de naleving van internationale
                        sanctiemaatregelen.</al>
                  <al>Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij
                           dit kenbaar maken bij de Minister van Economische Zaken. De Minister zal
                           op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan dat de informatie heeft
                           gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld
                           op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de
                              afzender.<noot id="n361" type="voet"><noot.nr>350</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, Awb.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door
                           de informatie die is gedeeld met het register te delen met de afzender,
                           voorzien van een rechtsmiddelenclausule.</al>
                  <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het
                           opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de
                           relatie zich niet langer voordoet (derde en vierde lid).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.20 Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties</titel>
                  </kop>
                  <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in
                        de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van
                        Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien van
                        ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet toezicht
                        accountantsorganisaties is daartoe van belang dat de toezichthouders
                        toezichtvertrouwelijke informatie kunnen delen met die
                        minister. Dergelijke informatie kan nodig
                        zijn voor de minister om te beoordelen of
                        toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige maatschappelijke,
                        economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
                        kan veroorzaken.</al>
                  <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle
                        van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de
                        onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich bij de
                        onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                        voorschriften die de minister aan de
                        aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                        wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                        maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                        toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van zulke
                        informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming over die
                        maatregel tussen de minister en de relevante
                        toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in
                        artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld
                        in artikel 63cc een lid toe te voegen met een grondslag voor het delen van
                        zulke informatie met de Minister van Economische Zaken ten behoeve van zijn
                        taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.21 Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018</titel>
                  </kop>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdelen A (artikel 7), B (artikel 15) en C (artikel 56)</titel>
                    </kop>
                    <al>Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
                           Sanctiewet 1977, is het voor de Wet toezicht trustkantoren 2018
                           noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale
                           sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de inwerkingtreding
                           van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
                           komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.</al>
                  </divisie>
                  <divisie opmaak="default">
                    <kop>
                      <titel>Onderdeel D (artikel 57)</titel>
                    </kop>
                    <al-groep>
                      <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren
                           in de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de
                           Minister van Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien
                           van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet toezicht
                           trustkantoren 2018 is daartoe van belang dat de toezichthouders
                           toezichtvertrouwelijke informatie kunnen delen met die
                           minister. Dergelijke informatie kan nodig
                           zijn voor de minister om te beoordelen of
                           toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
                           maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3
                           van dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.</al>
                      <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de
                           clientèle van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van
                           de onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich
                           bij de onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                           voorschriften die de minister aan de
                           aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                           wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                           maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                           toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van
                           zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming
                           over die maatregel tussen de minister en
                           de relevante toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen
                           voorgeschreven in artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te
                           maken wordt voorgesteld in artikel 57, eerste lid, een grondslag op te
                           nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische
                           Zaken ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit
                           wetsvoorstel.</al>
                    </al-groep>
                  </divisie>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.23 Wijziging Wet verplichte
                           beroepspensioenregeling</titel>
                  </kop>
                  <al-groep>
                    <al>Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in
                        de omstandigheden van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van
                        Economische Zaken een bewindvoerder aanstellen. Ten aanzien van
                        ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet verplichte
                        beroepspensioenregeling is daartoe van belang dat de toezichthouders
                        toezichtvertrouwelijke informatie kunnen delen met die
                        minister. Dergelijke informatie kan nodig
                        zijn voor de minister om te beoordelen of
                        toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige maatschappelijke,
                        economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
                        kan veroorzaken.</al>
                    <al>Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle
                        van de onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de
                        onderneming. Verder kan informatie over eventuele incidenten die zich bij de
                        onderneming hebben voorgedaan relevant zijn, bijvoorbeeld voor de
                        voorschriften die de minister aan de
                        aanwijzing kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit
                        wetsvoorstel. Daarnaast kan zulke informatie inzicht geven in eventuele
                        maatregelen die de onderneming al neemt of heeft genomen op last van de
                        toezichthouder om de gevolgen van sancties te beperken. Het delen van zulke
                        informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van overeenstemming over die
                        maatregel tussen de minister en de relevante
                        toezichthouder, zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in
                        artikel 5.8 van dit wetsvoorstel. Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld
                        in artikel 202, eerste lid, een grondslag op te nemen voor het delen van
                        zulke informatie met de Minister van Economische Zaken ten behoeve van zijn
                        taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.</al>
                  </al-groep>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 10.24 Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005</titel>
                  </kop>
                  <al>In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen
                        opgenomen die voorzien dat alle tegoeden en economische middelen bevroren
                        zijn die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder
                        zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage vermelde natuurlijke
                        personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.<noot id="n362" type="voet"><noot.nr>351</noot.nr><noot.al>Zie bijvoorbeeld artikelen 14 en 15 van Verordening (EU)
                              nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende
                              maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking
                              van Verordening (EU) nr. 442/2011.</noot.al></noot> Intellectuele eigendomsrechten zoals octrooien zijn economische
                        middelen als gedefinieerd in deze internationale sanctiemaatregelen en
                        moeten dus ook bevroren worden.<noot id="n363" type="voet"><noot.nr>352</noot.nr><noot.al>Q&amp;A nr. 24 <extref doc="https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf" soort="URL" status="actief">https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf</extref>.</noot.al></noot> Kwekersrechten zijn ook intellectuele eigendomsrechten en vallen
                        binnen het toepassingsbereik van deze internationale
                           sanctiemaatregelen.<noot id="n364" type="voet"><noot.nr>353</noot.nr><noot.al>Hoofdstuk 12, Intellectual Property Rights, Q&amp;A nr.1,
                                 <extref doc="https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf" soort="URL" status="actief">https://finance.ec.europa.eu/document/download/66e8fd7d-8057-4b9b-96c2-5e54bf573cd1_en?filename=faqs-sanctions-russia-consolidated_en.pdf</extref>.</noot.al></noot></al>
                  <al>Daarnaast geldt krachtens sommige internationale sanctiemaatregelen ook
                        expliciete verboden om intellectuele eigendomsrechten of fabrieksgeheimen op
                        enige andere wijze te verkopen, in licentie te geven of over te dragen,
                        alsmede rechten te verlenen op toegang tot of hergebruik van materiaal of
                        informatie die door middel van intellectuele-eigendomsrechten wordt
                        beschermd of die fabrieksgeheimen vormt in relatie tot goederen waarvoor een
                        exportbeperking geldt. Voor kwekersrechten is dit relevant, omdat de export
                        van diverse levende planten, bollen, knollen en wortelstokken en daarmee
                        samenhangende intellectuele eigendomsrechten is verboden.<noot id="n365" type="voet"><noot.nr>354</noot.nr><noot.al>Zie artikel 3 duodecies, tweede lid, onderdeel c, en bijlage
                              XXIII van Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014
                              betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van
                              Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren.</noot.al></noot></al>
                  <al>Gelet op de rechtstreeks werkende verplichtingen op grond van de
                        internationale sanctiemaatregelen, draagt de Raad voor plantenrassen zelf
                        zorg voor de bevriezing van de economische middelen in de vorm van
                        geregistreerde kwekersrechten. Een geregistreerd kwekersrecht (of een
                        aanvraag tot registratie van een recht) dat op naam staat van een persoon of
                        entiteit die onder het bevriezingsregime van een internationale
                        sanctiemaatregel valt (een ‘bevroren recht’), blijft in stand zolang aan de
                        normale voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Wel wordt een aanvraag tot
                        registratie opgeschort.</al>
                  <al>In aanvulling hierop wordt met het voorgestelde artikel 56a van de
                        Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 de Raad een bevoegdheid verleend om zowel op
                        eigen initiatief een aantekening vast te leggen als op grond van informatie
                        verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van
                        Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die
                        belast zijn met respectievelijk de uitvoering en het toezicht op de naleving
                        van internationale sanctiemaatregelen. Daarmee wordt effectief extern
                        kenbaar gemaakt dat een kwekersrecht is bevroren en bepaalde handelingen met
                        dit intellectuele eigendomsrecht niet meer mogelijk zijn.</al>
                  <al>Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij
                           dit kenbaar maken bij de Raad. De Raad zal op grond van de doorzendplicht
                           het bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de
                           aantekening is geplaatst hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder
                           gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.<noot id="n366" type="voet"><noot.nr>355</noot.nr><noot.al>Artikel 2:3, eerste lid, Awb.</noot.al></noot> Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door
                           de informatie die is gedeeld met het register te delen met de afzender,
                           voorzien van een rechtsmiddelenclausule.</al>
                  <al>Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het
                           opnemen van een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de
                           relatie zich niet langer voordoet (derde en vierde lid).</al>
                  <al>Deze regeling is inpasbaar in het systeem van registratie zoals voorzien
                           in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005,
                           omdat de Raad op grond van het Besluit werkzaamheden Raad voor
                           plantenrassen ruimte heeft gegevens op te nemen die de Raad dienstig
                              acht.<noot id="n367" type="voet"><noot.nr>356</noot.nr><noot.al>Zie respectievelijk artikel 5, tweede lid, onderdeel f en
                                 artikel 6, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit werkzaamheden
                                 Raad voor plantenrassen.</noot.al></noot> Deze aanvullende grondslag vult deze mogelijkheid nader in met
                           het oog op het verhogen van de effectieve naleving van
                           sanctiemaatregelen.</al>
                </divisie>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Hoofdstuk 11. Slotbepalingen</titel>
                </kop>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 11.1 Evaluatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Het is wenselijk om de doeltreffendheid van de wet, de (neven)effecten van
                        de wet in de praktijk, de uitvoerbaarheid, en de afstemming op andere
                        regelingen te evalueren. Bij de neveneffecten dient in het bijzonder
                        aandacht te worden besteed aan eventuele negatieve bijeffecten voor burgers
                        en (mkb-)bedrijven. De tweede tranche zal een eigenstandige
                        evaluatiebepaling bevatten. Voor wat betreft de termijn wordt aangesloten
                        bij de gebruikelijke termijn voor wetsevaluaties.<noot id="n368" type="voet"><noot.nr>357</noot.nr><noot.al>Aanwijzing 5.58 van de Aanwijzingen voor de
                              regelgeving.</noot.al></noot> Los van deze evaluatie zal ook een invoeringstoets worden verricht
                        (zie hierover paragraaf 9.3.1).</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie</titel>
                  </kop>
                  <al>Vanwege de omvang van dit wetsvoorstel, wordt gebruik gemaakt van een
                        nummering van de artikelen met meerdere cijfers. Om die reden wordt met dit
                        artikel voorgesteld om aan de Minister van Buitenlandse Zaken de opdracht te
                        geven om voor de bekendmaking in het Staatsblad waar nodig over te gaan tot
                        een vernummering en verlettering van artikelen, hoofdstukken en paragrafen.
                        Hierdoor wordt voor de inwerkingtreding van de Wet internationale
                        sanctiemaatregelen een nieuwe doorlopende nummering mogelijk gemaakt.</al>
                </divisie>
                <divisie opmaak="default">
                  <kop>
                    <titel>Artikel 11.3 Inwerkingtreding</titel>
                  </kop>
                  <al>Dit artikel regelt dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel geschiedt
                        bij koninklijk besluit en voorziet daarbij in de mogelijkheid van
                        gedifferentieerde inwerkingtreding. De vaste verandermomenten en
                        minimuminvoeringstermijn worden in acht genomen, tenzij er redenen zijn die
                        zich daartegen verzetten. Dat wordt op dit moment niet voorzien.</al>
                  <al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat er geen aanleiding is tot het
                        treffen van overgangsrecht, anders dan de overgangsrechtelijke bepalingen
                        die met artikel 10.8 van dit wetsvoorstel worden opgenomen in de Sanctiewet
                        1977.</al>
                  <al>Deze memorie van toelichting onderteken ik mede namens de Minister van
                        Justitie en Veiligheid, de Minister van Financiën, de Minister van
                        Economische Zaken, de Minister van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
                        Ordening, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van
                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Staatssecretaris Fiscaliteit,
                        Belastingdienst en Douane en de Staatssecretaris Rechtsbescherming.</al>
                </divisie>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister van Buitenlandse Zaken,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
          <bijlage status="goed">
            <kop>
              <titel>19 hyperlinks van bijlagen betreffende
                  uitvoeringstoetsen en adviezen</titel>
            </kop>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08437&amp;did=2026D08437" soort="URL" status="actief">Advies ECB | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08432&amp;did=2026D08432" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets Belastingdienst (FIOD) | Tweede
                        Kamer der Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08439&amp;did=2026D08439" soort="URL" status="actief">Advies AP | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08438&amp;did=2026D08438" soort="URL" status="actief">Advies ATR | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08424&amp;did=2026D08424" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets Kadaster | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08428&amp;did=2026D08428" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets Douane | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08425&amp;did=2026D08425" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets Inspectie Overheidsinformatie en
                        Erfgoed | Tweede Kamer der Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08426&amp;did=2026D08426" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets ILT | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08441&amp;did=2026D08441" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets NOvA en dekens | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08429&amp;did=2026D08429" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets DNB | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08431&amp;did=2026D08431" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets BFT | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08430&amp;did=2026D08430" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets BTI | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08434&amp;did=2026D08434" soort="URL" status="actief">Oplegnota uitvoeringstoets Belastingdienst (FIOD)
                        | Tweede Kamer der Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08427&amp;did=2026D08427" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets FIUNL | Tweede Kamer der
                        Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08440&amp;did=2026D08440" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets Raad voor de Plantenrassen |
                        Tweede Kamer der Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08435&amp;did=2026D08435" soort="URL" status="actief">EC Guidance Firewalls | Tweede Kamer der
                     Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08433&amp;did=2026D08433" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets AFM | Tweede Kamer der
                     Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref doc="https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D08442&amp;did=2026D08442" soort="URL" status="actief">Uitvoeringstoets KvK | Tweede Kamer der
                     Staten-Generaal</extref>
            </al>
            <al>
              <extref soort="URL" doc="https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D08436" status="actief">https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2026D08436</extref>
            </al>
          </bijlage>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>