Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 2022)

Nader Rapport

Den Haag, 7 december 2021

Nr. WJZ/30169573 (12545)

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 2022)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 4 oktober 2021, nr. 2021001955, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 3 november 2021, nr. W05.21.0296/I, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 4 oktober 2021, no.2021001955, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 20xx), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State,

Th. C. de Graaf

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het besluit te actualiseren in verband met het recent gepubliceerde Aanpassingsbesluit WVO 2020 en Uitvoeringsbesluit WVO 2020. In artikel 32 worden enkele reparaties gedaan in de wijzigingen die het Aanpassingsbesluit WVO 2020 aanbrengt in verschillende andere besluiten. Met artikel 40 worden de wijzigingen die artikel 35 aanbrengt in het Besluit bekostiging WVO 2021 ook doorgevoerd in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020. Daarnaast is in artikel 35 van het besluit nog een correctie van artikel 7 van het Besluit register onderwijsdeelnemers opgenomen met betrekking tot het niet langer registreren van het niveau van de eindtoets in het speciaal onderwijs. In de artikelsgewijze toelichting is op deze wijzigingen ingegaan.

Voorts zijn in paragraaf 3.1.3 van de nota van toelichting enkele verduidelijkingen aangebracht ten aanzien van de verschillende beschikkingen en de informatie met betrekking tot de bekostiging die het bevoegd gezag van een school in de loop van een kalenderjaar ontvangt.

Ik bied U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob.

Advies Raad van State

No. W05.21.0296/I

’s-Gravenhage, 3 november 2021

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 4 oktober 2021, no.2021001955, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 20xx), met nota van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... houdende voorschriften inzake de bekostiging van basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs (Besluit bekostiging WPO 20xx)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 september 2021, nr. WJZ/29123337 (12545), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 18a, zestiende lid, 69, derde lid, 116, vierde en achtste lid, 117, derde lid, 135, 143, vijfde lid, 149, tweede lid, 152, derde lid, 163, eerste lid, 165, eerste en derde lid, 166, tweede lid, 167, tweede lid, 178, 192, tweede lid, en 193 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 141, eerste en derde lid, 142, tweede lid, 143, tweede lid, en 158 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van xx MAAND 20xx, nr. xxx);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van xx MAAND 20xx, nr. WJZ/xxxxxxx (12545), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

achterstandsscore:

overeenkomstig artikel 18 berekende score van een basisschool, niet zijnde een school als bedoeld in artikel 193 van de wet, voor de toekenning van aanvullende bekostiging voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.

accountant:

accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

basisschool:

basisschool als bedoeld in artikel 1 van de wet;

bevoegd gezag:

voor wat betreft:

  • a. een openbare school:

    • 1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regels;

    • 2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;

    • de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47 van de wet; dan wel

    • 4°. de stichting, bedoeld in artikel 17 of 48 van de wet;

  • b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 55 van de wet;

  • c. een samenwerkingsschool: de stichting, bedoeld in artikel 17d;

bijzondere school:

bijzondere school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

centrale dienst:

centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de wet;

extra bekostiging:

bekostiging als bedoeld in artikel 116, vierde lid, van de wet;

leerling:

leerling die op grond van artikel 39 van de wet tot een school is toegelaten;

leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond:

leerling:

  • a. die behoort tot de Molukse bevolkingsgroep,

  • b. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Griekenland, Italië, het voormalige Joegoslavië, Kaapverdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije,

  • c. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk,

  • d. van wie ten minste een van de ouders of voogden als vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder c of d, van de Vreemdelingenwet 2000,

  • e. van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit een ander niet-Engelstalig land buiten Europa, echter met uitzondering van Indonesië;

nevenvestiging:

nevenvestiging als bedoeld in artikel 85 van de wet;

Onze Minister:

Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

onderwijsscore:

verwachte score van een leerling van een basisschool, niet zijnde een school als bedoeld in artikel 193 van de wet, die op basis van statistische gegevens door het Centraal bureau voor de statistiek wordt bepaald;

openbare school:

openbare school als bedoeld in artikel 1 van de wet;

ouders:

ouders, voogden en verzorgers;

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;

school:

basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij anders is bepaald;

schooljaar:

tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;

speciale school voor basisonderwijs:

speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de wet;

teldatum:

de datum, bedoeld in artikel 118 van de wet;

wet:

Wet op het primair onderwijs.

HOOFDSTUK 2. GEGEVENSVERSTREKKING, ERKENNING BORGSTELLING EN AANVANG BEKOSTIGING NIEUWE SCHOOL

Paragraaf 1. Gegevensverstrekking
Artikel 2. Gegevensverstrekking aanvang bekostiging
  • 1. Het bevoegd gezag van een school die door Onze Minister voor bekostiging in aanmerking is gebracht, zendt Onze Minister uiterlijk 12 weken voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde gegevens voor de vaststelling van de bekostiging.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden de gegevens, bedoeld in het eerste lid vastgesteld en kunnen hierover voorschriften worden gesteld.

Artikel 3. Gegevens bij mededeling uitzonderingssituatie
  • 1. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vierde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. naam, adres en het door Onze Minister toegekende administratienummer van de desbetreffende school;

    • b. het telefoonnummer van het bevoegd gezag;

    • c. het feitelijk aantal leerlingen op de hoofdvestiging van de desbetreffende school, op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%;

    • d. het door Onze Minister toegekende administratienummer van de school van dezelfde richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft van de school met openbaar onderwijs, waarvan de hoofdvestiging het dichtst bij de hoofdvestiging van de desbetreffende school is gelegen;

    • e. een plattegrond met een schaalverdeling waarop de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de dichtstbijzijnde andere school, bedoeld in onderdeel d, zijn aangegeven; en

    • f. de afstand, hemelsbreed gemeten, tussen de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de dichtstbij gelegen andere school, bedoeld in onderdeel d.

  • 2. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 139, vijfde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde gegevens;

    • b. het door Onze Minister toegekende administratienummer van de school met openbaar onderwijs, waarvan de hoofdvestiging het dichtst bij de hoofdvestiging van de desbetreffende school is gelegen;

    • c. een plattegrond met een schaalverdeling waarop zijn aangegeven:

      • 1°. de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de dichtstbij gelegen andere school, bedoeld in onderdeel b; en

      • 2°. de kortste route over de weg tussen de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de in onderdeel b bedoelde andere school,

    • d. de afstand in tienden van kilometers van de in onderdeel c, onder 2°, bedoelde route; en

    • e. informatie waaruit blijkt dat aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.

  • 3. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, eerste lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde gegevens,

    • b. het feitelijk aantal leerlingen van de desbetreffende school, daaronder begrepen leerlingen van een nevenvestiging, op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%,

    • c. naam, adres en het door Onze Minister toegekende administratienummer van de overige scholen van het bevoegd gezag,

    • d. het feitelijk aantal leerlingen, daaronder begrepen leerlingen van een nevenvestiging, van de overige scholen van het bevoegd gezag op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met 3%,

    • e. de voor de scholen van het bevoegd gezag geldende opheffingsnorm.

  • 4. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, tweede lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de in het eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, onderdelen b tot en met d, genoemde gegevens, en

    • b. de per school van het bevoegd gezag geldende opheffingsnorm.

  • 5. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, derde juncto eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de in het eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, onderdelen b tot en met e, genoemde gegevens,

    • b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 143, derde lid, van de wet, die het bevoegd gezag het eerst heeft gesloten, en

    • c. informatie waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 143, derde lid, onderdelen a en b, van de wet, is voldaan.

  • 6. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 143, derde juncto tweede lid, van de wet, worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de in het eerste lid, onderdelen a en b, derde lid, onderdelen b tot en met d, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdelen b tot en met d, genoemde gegevens,

    • b. het door Onze Minister toegekende administratienummer van de school van dezelfde richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft, de school met openbaar onderwijs, waarvan de hoofdvestiging het dichtst bij de hoofdvestiging van de desbetreffende school is gelegen;

    • c. een plattegrond met een schaalverdeling waarop de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de dichtstbij gelegen andere school, bedoeld in onderdeel b, zijn aangegeven; en

    • d. de afstand, hemelsbreed gemeten, tussen de hoofdvestiging van de desbetreffende school en de hoofdvestiging van de dichtstbij gelegen andere school, bedoeld in onderdeel b.

Paragraaf 2. Erkenning en aanvang bekostiging nieuwe school
Artikel 4. Erkenning organisatie borgstelling
  • 1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagen, die zich borg stelt voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen aan Onze Minister.

  • 2. De organisatie, bedoeld in het eerste lid, is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en is erkend door Onze Minister.

  • 3. De erkenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op verzoek van het bestuur van de organisatie. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. een opgave van elk bevoegd gezag waarvoor borg wordt gesteld;

    • b. voor elke school de gemeente waar de school is of, indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, de gemeente of gemeenten waar de hoofdvestiging en de nevenvestiging of nevenvestigingen zijn gelegen;

    • c. de plaats of plaatsen binnen die gemeente of gemeenten;

    • d. de naam van de rechtspersoon onder wiens bestuur de school staat.

  • 4. Het bestuur van de organisatie, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister binnen twee weken op de hoogte van wijzigingen in de gegevens, bedoeld in het derde lid. Deze wijzigingen ontheffen de organisatie niet van de voor het lopende jaar aangegane borgstelling voor een aangesloten bevoegd gezag.

  • 5. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek tot erkenning.

Artikel 5. Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school
  • 1. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school eenmalig een deel van de bekostiging, bedoeld in artikel 116 van de wet, toekennen vanaf 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging een aanvang neemt.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 6. Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten
  • 1. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 118, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

  • 2. Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, meldt het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuwe school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.

  • 3. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 118, tweede lid, onderdeel b, van de wet, op grond van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening van de nieuwe school.

  • 4. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:

    • a. de bekostiging, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid; en

    • b. de bekostiging, bedoeld in artikel 116, vierde lid, onderdeel a, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Het voorschot, bedoeld in het derde lid, bestaat uit:

    • a. de bekostiging, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het derde lid; en

    • b. de bekostiging, bedoeld in artikel 116, vierde lid, onderdeel a, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het derde lid.

  • 6. Op de betaling van het verleende voorschot is artikel 116, zesde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging.

  • 8. Indien Onze Minister een voorschot verleent in gevallen waarin de bekostiging niet tijdig kan worden vastgesteld door omstandigheden die niet aan het bevoegd gezag van een school zijn toe te rekenen, zijn het zesde en het zevende lid van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 3. LEERLINGENTELLING EN LEERLINGENADMINISTRATIE

Artikel 7. Leerlingentelling
  • 1. Voor de toepassing van de wet en dit besluit worden de leerlingen meegeteld die:

    • a. op de teldatum als werkelijk schoolgaand op de school staan ingeschreven; of

    • b. op de teldatum op grond van artikel 4.1 van het Inrichtingsbesluit WPO tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.

  • 2. Onze Minister neemt voor het bepalen van het aantal leerlingen op de teldatum en het aantal leerlingen op de eerste dag van de maand, bedoeld in artikel 16, de leerlingen in aanmerking van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers binnen vier weken na die dag zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.

  • 3. De termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden verlengd. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verlenging.

  • 4. Een leerling kan op de teldatum, respectievelijk op elke eerste dag van de maand, bedoeld in het tweede lid, slechts op één school voor de bekostiging meetellen.

Artikel 8. Overzicht aantal leerlingen
  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks een overzicht vast van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in aanmerking wordt genomen.

  • 2. Het overzicht wordt uiterlijk acht weken na de teldatum toegezonden aan het bevoegd gezag. Indien toepassing is gegeven aan artikel 7, derde lid, wordt het overzicht uiterlijk vier weken na afloop van de daar bedoelde verlengde termijn toegezonden aan het bevoegd gezag.

  • 3. Het overzicht is voor basisscholen in ieder geval onderverdeeld in leerlingen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 en overige leerlingen.

  • 4. Het overzicht is voor speciale scholen voor basisonderwijs onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.

  • 5. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het overzicht tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

Artikel 9. Inschrijving
  • 1. De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 40, zevende lid, van de wet.

  • 2. De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, tenzij de leerling op 1 augustus de leeftijd van vier jaar nog niet heeft bereikt.

Artikel 10. Uitschrijving
  • 1. De directeur van de school waar een leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.

  • 2. Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op die andere school of die school of instelling voor ander onderwijs.

Artikel 11. Inhoud leerlingenadministratie
  • 1. De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke leerlingenadministratie beschikbaar is van:

    • a. de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school;

    • b. de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de berekening van de bekostiging; en

    • c. indien het een speciale school voor basisonderwijs betreft, de verklaring bedoeld in artikel 40, achtste lid, van de wet.

  • 2. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in de leerlingenadministratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

  • 3. De directeur zorgt dat de leerlingenadministratie op de hoofdvestiging beschikbaar is.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 12. Bewaren gegevens
  • 1. De gegevens, bedoeld in artikel 11, worden in ieder geval gedurende vijf jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven in de leerlingenadministratie bewaard.

  • 2. De gegevens, bedoeld in artikel 11, onderdelen b en c, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, vernietigd.

HOOFDSTUK 4. VASTSTELLING BEKOSTIGING EN EXTRA BEKOSTIGING

Paragraaf 1. Vaststelling bekostiging
Artikel 13. Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling
  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks uiterlijk op 1 januari de bekostiging, bedoeld in de artikelen 116, tweede lid en vierde lid, onderdelen a, b en d, en 121 van de wet, vast voor zover deze mede gebaseerd is op het aantal leerlingen op de teldatum.

  • 2. Onze Minister stelt de extra bekostiging voor groei, bedoeld in artikel 16 vast binnen 14 weken na de voor de desbetreffende bekostiging relevante teldatum.

  • 3. Onze Minister kan de bekostiging, bedoeld in het eerste en tweede lid, wijzigen vanwege loonontwikkelingen of andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

  • 4. Het bedrag per school, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet, bedraagt voor basisscholen met op de teldatum minder dan 100 leerlingen respectievelijk 100 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

  • 5. Het bedrag per school, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de wet bedraagt voor speciale scholen voor basisonderwijs met op de teldatum minder dan 100 leerlingen of 100 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

Paragraaf 2. Extra bekostiging
Artikel 14. Extra bekostiging (zeer) kleine basisscholen
  • 1. Een basisschool die op de teldatum minder dan 150 leerlingen heeft, ontvangt extra bekostiging.

  • 2. De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het verschil tussen een startbedrag en een verminderingsbedrag vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de basisschool op de teldatum. Het startbedrag en het verminderingsbedrag worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 3. Indien de totale bekostiging berekend op grond van artikel 116, tweede lid, van de wet vermeerderd met de bekostiging, bedoeld in het eerste lid en artikel 18, voor een basisschool minder bedraagt dan het basisbedrag, ontvangt de basisschool het verschil als extra bekostiging.

  • 4. Het basisbedrag, bedoeld in het derde lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en is gebaseerd op een minimale schoolgrootte van 23 leerlingen.

Artikel 15. Extra bekostiging internationaal georiënteerd basisonderwijs
  • 1. Aan een basisschool met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a van de wet wordt extra bekostiging toegekend indien op de teldatum ten minste elf leerlingen onderwijs volgen bij deze afdeling.

  • 2. De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bedrag per afdeling en een bedrag per leerling die onderwijs volgt bij deze afdeling. Deze bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 16. Extra bekostiging groei
  • 1. Aan het bevoegd gezag van een of meer basisscholen wordt maandelijks extra bekostiging voor de groei van het aantal leerlingen toegekend indien de uitkomst van de formule X – Y groter dan of gelijk is aan Z.

  • 2. De factoren X, Y en Z, bedoeld in het eerste lid, worden als volgt berekend:

    X = de som van de aantallen leerlingen op de eerste dag van de maand van alle onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen;

    Y= de som van de aantallen leerlingen op de teldatum van alle onder dat bevoegd gezag ressorterende basisscholen;

    Z = 4% van het aantal leerlingen, bedoeld bij factor Y.

  • 3. De onder het bevoegd gezag ressorterende bassischolen, bedoeld in het tweede lid, zijn gedurende de eerste zeven maanden van het kalenderjaar de basisscholen die op 1 augustus van het voorafgaande kalenderjaar onder het bevoegd gezag ressorteerden en gedurende de laatste vijf maanden van het kalenderjaar de basisscholen die op 1 augustus van dat kalenderjaar onder het bevoegd gezag ressorteerden.

  • 4. Indien sprake is van een school die met ingang van 1 augustus van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar of met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar is ontstaan uit een samenvoeging als bedoeld in artikel 117 van de wet, wordt bij de berekening van de factoren Y en Z, bedoeld in het tweede lid, uitgegaan van het aantal leerlingen van alle bij die samenvoeging betrokken scholen op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar.

  • 5. Onverminderd artikel 118, tweede lid, van de wet, worden bij de berekening van de factoren X, Y en Z, bedoeld in het tweede lid, voor de maanden augustus en september van het kalenderjaar waarin een school wordt geopend de aantallen leerlingen op dergelijke scholen die niet op basis van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht buiten beschouwing gelaten.

  • 6. Bij de berekening van de factoren Y en Z, bedoeld in het tweede lid, worden de aantallen leerlingen van scholen die op basis van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht op de teldata, bedoeld in artikel 118, tweede lid, van de wet, buiten beschouwing gelaten.

  • 7. De aanspraak op de extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, ontstaat met ingang van de maand waarin de telling van factor X, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden en vervalt na afloop van diezelfde maand.

  • 8. De extra bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door het verschil tussen factor X en factor Y te vermenigvuldigen met een bedrag per leerling dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Artikel 17. Extra bekostiging een of meer nevenvestigingen
  • 1. Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging vermeerderd met:

    • a. een vast bedrag per nevenvestiging; en

    • b. 60% van het verschil tussen:

      • 1°. de som van de extra bekostiging voor kleine scholen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, die de hoofdvestiging en de nevenvestigingen als zelfstandige scholen tezamen zouden ontvangen; en

      • 2°. de extra bekostiging voor kleine scholen, bedoeld in artikel 14, tweede lid, die de basisschool ontvangt.

  • 2. Indien een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de bekostiging vermeerderd met een vast bedrag per nevenvestiging.

  • 3. De bedragen per nevenvestiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 18. Extra bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding
  • 1. Aan een basisschool wordt extra bekostiging toegekend voor de bestrijding van onderwijsachterstanden die bestaat uit een bedrag per eenheid achterstandsscore.

  • 2. Het Centraal bureau voor de statistiek berekent jaarlijks de achterstandsscore van elke basisschool op basis van de onderwijsscores van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool.

  • 3. De achterstandsscore van een basisschool is de uitkomst van de formule A − B en wordt als volgt berekend:

    A = som van de uitkomsten van de formule C – D voor alle leerlingen van de basisschool die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore, waarbij:

    C = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen;

    D = onderwijsscore van de leerling;

    B = E x F x (C – G) waarbij:

    E = aantal leerlingen van de basisschool;

    F = 12%;

    G = landelijk gemiddelde onderwijsscore van alle leerlingen van alle basisscholen die behoren tot de 15% van alle leerlingen van alle basisscholen met de laagste onderwijsscore.

  • 4. De achterstandsscore, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen. Indien de achterstandsscore negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul.

  • 5. Het Centraal bureau voor de statistiek verstrekt jaarlijks aan Onze Minister de achterstandsscores van de basisscholen, berekend op grond van het tweede lid, in voorkomend geval uitgesplitst naar hoofdvestiging en nevenvestiging, en maakt deze zo spoedig mogelijk openbaar.

  • 6. Indien een basisschool bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, bestaat de achterstandsscore van de basisschool uit de som van de rekenkundig afgeronde achterstandsscores die de afzonderlijke vestigingen zouden hebben, indien zij zelfstandige basisscholen zouden zijn.

  • 7. In geval van samenvoeging van scholen is artikel 118, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van de leerlingen die op de teldatum zijn ingeschreven op de basisschool.

  • 8. In geval van verzelfstandiging van een vestiging wordt de achterstandsscore van het overblijvende deel van de basisschool, bedoeld in artikel 84a van de wet verminderd met de achterstandsscore van de nieuwe basisschool die op grond van artikel 84a van de wet voor bekostiging in aanmerking is gebracht. Indien de uitkomst negatief is, wordt deze gelijkgesteld aan nul.

  • 9. Bij de toepassing van dit artikel blijven scholen als bedoeld in artikel 193 van de wet en de leerlingen van die scholen buiten beschouwing.

  • 10. Voor een speciale school voor basisonderwijs waar op de teldatum leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond staan ingeschreven, wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden per leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond extra bekostiging toegekend die bestaat uit een bedrag per leerling.

  • 11. De bedragen, bedoeld in het eerste en het tiende lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 19. Extra bekostiging Nederlands onderwijs anderstaligen
  • 1. Voor een basisschool waar op de teldatum leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk, staan ingeschreven, wordt extra bekostiging toegekend voor het Nederlands onderwijs aan anderstaligen.

  • 2. De extra bekostiging bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling. De bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Artikel 20. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband
  • 1. Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vaststelt of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 18a, achtste lid, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.

  • 2. Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot speciale scholen voor basisonderwijs of tot het speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.

  • 3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 4. De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.

HOOFDSTUK 5. SAMENVOEGING, OPHEFFING SCHOLEN EN BEËINDIGING BEKOSTIGING

Artikel 21. Samenvoeging

Er is sprake van een samenvoeging als bedoeld in artikel 117, eerste of tweede lid, van de wet indien:

  • a. de institutionele fusie, bedoeld in artikel 64a van de wet, die heeft geleid tot de samenvoeging binnen vier weken na de fusiedatum van 1 augustus door het bevoegd gezag bij onze Minister is gemeld;

  • b. alle scholen die onderdeel uitmaken van de fusie op het moment van deze fusie meer dan acht schooljaren bekostigd worden; en

  • c. minimaal 25% van de leerlingen die op 1 februari direct voorafgaande aan de fusie als bekostigde leerling stonden ingeschreven op een bij de fusie opgeheven school en op 1 augustus direct volgend op de opheffing als bekostigde leerling ingeschreven staan op respectievelijk een basisschool ingeval het een opheffing van één of meer basisscholen betreft of een speciale school voor basisonderwijs ingeval het een opheffing van één of meer speciale scholen voor basisonderwijs betreft, zijn doorgestroomd naar de fusieschool en daar op de fusiedatum als bekostigde leerling staan ingeschreven.

Artikel 22. Vermindering bekostiging bij verzelfstandiging van een vestiging
  • 1. Voor de toepassing van artikel 116, achtste lid, van de wet wordt een bedrag per leerling in mindering gebracht op de bekostiging van het overblijvende deel van de basisschool, als bedoeld in artikel 84a van de wet, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen dat op de teldata voorafgaand aan de verzelfstandiging als daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven op het deel van de school dat verzelfstandigd is.

  • 2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid wordt zowel berekend voor het kalenderjaar waarin de verzelfstandiging heeft plaatsgevonden als voor het kalenderjaar na de verzelfstandiging.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 23. Opheffen school

Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school of een nevenvestiging kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de Inspectie van het onderwijs en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging daarvan betreft, eveneens aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de nevenvestiging is gelegen.

Artikel 24. Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag
  • 1. Voor de toepassing van artikel 152 van de wet, wordt onder exploitatieoverschot verstaan:

    • a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 116, 119, 120 en 121 van de wet, verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt;

    • b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en

    • c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.

  • 2. Het bevoegd gezag meldt het overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid, tezamen met het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat vergezeld van een verklaring omtrent de juistheid van de opgave van een accountant.

  • 3. Indien het exploitatieoverschot van een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente in een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Artikel 25. Inhoudingsbedrag voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst
  • 1. In geval van voortijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst wordt voor elk kalenderjaar, of gedeelte daarvan, dat een bijzondere school dan wel een openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 143, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de school.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, is de som van de bekostiging, bedoeld in artikel 14, in elk van die kalenderjaren of gedeelten daarvan. Indien de school niet het gehele kalenderjaar werd bekostigd, wordt daarbij de bekostiging, bedoeld in artikel 14 berekend naar rato van het aantal maanden dat de school in dat kalenderjaar op grond van de samenwerkingsovereenkomst in stand werd gehouden.

  • 3. Voor elk kalenderjaar, of gedeelte daarvan, dat een bijzondere dan wel een openbare nevenvestiging op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 143, derde lid, van de wet, in stand werd gehouden, wordt door het Rijk een bedrag ingehouden op de bekostiging van de nevenvestiging.

  • 4. Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is de bekostiging, bedoeld in artikel 17, in elk van die kalenderjaren, of gedeelten daarvan. Indien de nevenvestiging niet het gehele kalenderjaar werd bekostigd, wordt daarbij de bekostiging, bedoeld in artikel 17 berekend naar rato van het aantal maanden dat de nevenvestiging in dat kalenderjaar op grond van de samenwerkingsovereenkomst in stand werd gehouden.

HOOFDSTUK 6. BEKOSTIGINGSCORRECTIES

Artikel 26. Onderzoek en correcties
  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Onze Minister kan correcties aanbrengen op de bekostiging, indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld.

  • 3. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 4. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 165, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 165, vierde lid, van de wet, of uit een onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 5. Indien de correctie, bedoeld in het tweede lid, strekt tot verhoging van de bekostiging, wordt het bedrag binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, door Onze Minister betaald.

HOOFDSTUK 7. SUBSIDIËRING GODSDIENSTONDERWIJS OF LEVENSBESCHOUWELIJK VORMINGSONDERWIJS OP OPENBARE SCHOLEN

Artikel 27. Subsidieverstrekking
  • 1. Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verstrekking.

Artikel 28. Subsidiebedrag
  • 1. Het subsidiebedrag dat wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, bestaat uit een bedrag dat is bestemd voor personeelskosten voor de leraren die het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs verzorgen, en een bedrag dat is bestemd voor overige kosten.

  • 2. Het bedrag dat is bestemd voor personeelskosten kan met maximaal 2% per jaar stijgen ten opzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemd voor personeelskosten.

  • 3. Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.

  • 4. Voor het berekenen van de hoogte van het subsidiebedrag wordt uitgegaan van ten hoogste veertig uren per schooljaar door leerlingen te ontvangen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

  • 5. Bij het besluit tot verlening van de subsidie verleent Onze Minister voorschotten.

  • 6. Onze Minister stelt bij beschikking het betaalritme vast.

  • 7. Het bedrag dat ten hoogste wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 192, eerste lid, van de wet, is het bedrag dat op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

Artikel 29. Hoogte subsidiebedrag

Voor het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over:

  • a. de minimale omvang van de groepsgrootte per stroming binnen het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs; en

  • b. het maximale aantal schooljaren per school waarin godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven.

Artikel 30. Weigeringsgronden subsidie

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd indien:

  • a. het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs niet wordt gegeven door leraren als bedoeld in artikel 51 van de wet, of

  • b. het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven in strijd met artikel 8, derde lid, van de wet.

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 31. Intrekking Besluit bekostiging WPO

Het Besluit bekostiging WPO wordt ingetrokken.

Artikel 32. Wijziging Besluit bekostiging WVO 2021

Het Besluit bekostiging WVO 2021 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband
  • 1. Het samenwerkingsverband neemt in het ondersteuningsplan een datum op wanneer wordt vastgesteld of sprake is van een meer dan gemiddelde toename van het aantal ingeschreven leerlingen, bedoeld in artikel 17a, achtste lid, van de wet. Deze vaststelling vindt in ieder geval plaats in de periode tussen 1 februari en 1 juni.

  • 2. Indien een meer dan gemiddelde toename, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, draagt het samenwerkingsverband voor het aantal leerlingen dat na 1 februari toelaatbaar is verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs per leerling een bedrag over aan de school waar de leerling is ingeschreven.

  • 3. Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 4. De overdracht, bedoeld in het tweede lid, heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de teldatum.

B

Artikel 33 vervalt.

Artikel 33. Wijziging Besluit informatievoorziening WPO/WEC

Het Besluit informatievoorziening WPO/WEC wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 171 van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 157 van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 165 van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 141 van de Wet op de expertisecentra’.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 171, eerste lid onder a, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 157, eerste lid onder a, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 165, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 141, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de expertisecentra’.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 171, eerste lid onder b, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 157, eerste lid onder b, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 165, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs dan wel artikel 141, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’.

B

In artikel 2a wordt ‘artikel 173 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 159 van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 143 van de Wet op de expertisecentra’.

C

In artikel 3 wordt ‘de artikelen 172 en 173 van de Wet op het primair onderwijs dan wel de artikelen 158 en 159 van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘de artikelen 165 en 166 van de Wet op het primair onderwijs dan wel de artikelen 142 en 143 van de Wet op de expertisecentra’.

D

In artikel 10 wordt ‘171, eerste en derde lid, 172, tweede lid, en 173, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs’ vervangen door ‘165, eerste en derde lid, 166, tweede lid, en 167, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs’ en wordt ‘157, eerste en derde lid, 158, tweede lid, en 159, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘141, eerste en derde lid, 142, tweede lid, en 143, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra’.

Artikel 34. Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers

Het Besluit register onderwijsdeelnemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Van de onderwijsdeelnemer die is of was ingeschreven aan een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de WPO, respectievelijk aan een onderwijsinstelling als bedoeld in de WEC, omvatten de basisgegevens voorts de volgende inschrijvingsgegevens:

    • a. de begin- en einddatum van de periode waarvoor de onderwijsdeelnemer toelaatbaar is verklaard tot een speciale school voor basisonderwijs, respectievelijk tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. indien de onderwijsdeelnemer is toegelaten tot het speciaal onderwijs met toepassing van artikel 40, derde lid, tweede volzin, WEC, de indicatie voor het soort verblijf;

    • c. indien het een inschrijving betreft aan een speciale school voor basisonderwijs of aan een school als bedoeld in de WEC niet zijnde een instelling als bedoeld in de WEC, het registratienummer van het samenwerkingsverband dat de onderwijsdeelnemer toelaatbaar heeft verklaard tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs, respectievelijk tot het speciaal dan wel voortgezet speciaal onderwijs en het volgnummer van de toelaatbaarheidsverklaring, bedoeld in artikel 40, achtste lid, WPO, respectievelijk artikel 40, tiende en twaalfde lid, WEC.

B

In artikel 8, tweede lid, onderdeel c, wordt ‘de artikelen 118, tiende lid, en 132, vierde lid, WPO’ vervangen door ‘artikel 124, vierde en vijfde lid, WPO’.

Artikel 35. Wijziging Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Het Besluit specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de omschrijving van het begrip ‘basisschool’ wordt ‘artikel 185 WPO’ vervangen door ‘artikel 193 WPO’.

2. In de omschrijving van het begrip’ teldatum’ wordt ‘artikel 121, eerste lid, WPO’ vervangen door ‘artikel 118, eerste lid, WPO’.

B

In artikel 2 wordt ‘artikel 168a WPO’ vervangen door ‘artikel 163 WPO’.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. de onderwijsscores van alle leerlingen van alle basisscholen die op de teldatum zijn ingeschreven op een basisschool in die gemeente en van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers binnen vier weken na die dag zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig artikel 14 van de Wet register onderwijsdeelnemers.

2. In het vijfde lid wordt ‘artikel 185 WPO’ vervangen door ‘artikel 193 WPO’.

D

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4. Criteria hoogte specifieke uitkering
  • 1. De hoogte van de uitkering bedraagt per kalenderjaar per gemeente de uitkomst van de formule (H + I) x (J / K), waarbij:

    H = de helft van de achterstandsscore in die gemeente zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldatum één jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar;

    I = de helft van de achterstandsscore in die gemeente zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldatum twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar;

    J = het voor het betreffende kalenderjaar in het kader van de Rijksbegroting beschikbare bedrag voor het doen van de uitkering, bedoeld in artikel 163 WPO, verminderd met het bedrag dat nodig is voor de aanvullingen op de uitkering, bedoeld in het tweede lid;

    en

    K = de helft van de som van de achterstandsscores van alle gemeenten gezamenlijk zoals door het Centraal bureau voor de statistiek is vastgesteld op basis van de onderwijsscores op de teldata één jaar en twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar.

  • 2. Indien de factor A bedoeld in artikel 3, eerste lid, op de teldatum één jaar of twee jaar voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar groter is dan 0 en de hoogte van de uitkering berekend op grond van het eerste lid minder bedraagt dan € 64.000, wordt de uitkering voor de betreffende gemeente vastgesteld op € 64.000.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt bij de berekening van de achterstandsscore:

    • a. voor het kalenderjaar 2022:

      • 1°. bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020;

      • 2°. bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2019;

      • 3°. bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020 en 1 oktober 2019;

      • 4°. in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2020 of 1 oktober 2019;

    • b. voor het kalenderjaar 2023:

      • 1°. bij factor H uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021;

      • 2°. bij factor I uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2020;

      • 3°. bij factor K uitgegaan van de onderwijsscores op 1 oktober 2021 en 1 oktober 2020;

      • 4°. in het tweede lid uitgegaan van factor A op 1 oktober 2021 of 1 oktober 2020.

E

Artikel 6 vervalt.

Artikel 36. Wijziging Besluit trekkende bevolking WPO

Het Besluit trekkende bevolking WPO wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel A 1 vervalt de begripsbepaling van het begrip ‘leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond’.

B

Artikel A 2, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De artikelen 8, 10 tot en met 16, behoudens de in artikel 13 bedoelde algemene maatregel van bestuur, 29 tot en met 36, 38a, 40, eerste, tweede en negende tot en met elfde lid, 40b, 41, 42, 45a, 50 tot en met 63, 66, 67, 69, zesde lid, 120, 152, 155, 165 tot en met 179, 181, 182, 183, 187 tot en met 191 en 194 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing. Voorts is het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO van overeenkomstige toepassing.

C

Artikel A 3 vervalt.

D

Artikel B 1 komt te luiden:

Artikel B 1. Standplaats scholen
  • 1. Het onderwijs aan kinderen van wie de ouders in het kermisbedrijf of het circusbedrijf werkzaam zijn, wordt gegeven in daartoe ingerichte voertuigen die standplaats kiezen bij daarvoor in aanmerking komende kermissen of circussen.

  • 2. Gedurende een aantal maanden in het jaar kunnen de scholen een vaste standplaats innemen die wordt bepaald door het bevoegd gezag in overeenstemming met de inspecteur. Indien de inspecteur bedenkingen heeft tegen de standplaats en het bevoegd gezag weigert daaraan tegemoet te komen, besluit Onze Minister.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan het onderwijs ook gedeeltelijk op afstand worden gegeven.

E

Artikel B 5 vervalt.

F

Artikel B 12 komt te luiden:

Artikel B 12. Besluit bekostiging WPO 20xx

De artikelen 1, 2, 4, 9 tot en met 12, 23, 24 en 26 van het Besluit bekostiging WPO 20xx zijn van overeenkomstige toepassing.

G

Afdeling 6, paragraaf 4, van Titel B komt te luiden:

§ 4. Bekostiging
Artikel B 15. Onderscheiden kosten
  • 1. De kosten die voor vergoeding uit 's Rijks kas in aanmerking kunnen komen, zijn:

    • a. de kosten, bedoeld in artikel 115, tweede lid, onderdelen a tot en met d, f tot en met i en k, van de wet;

    • b. het onderhoud en de schoonmaak van het voertuig, bedoeld in artikel B 14;

    • c. de kosten voor verplaatsing en inneming van standplaats;

    • d. de kosten voor noodzakelijk vervoer van leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek; en

    • e. de reiskosten en andere noodzakelijke kosten verbonden aan het ononderbroken meerdaagse verblijf van het personeel.

  • 2. De bekostiging is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school.

  • 3. De bekostiging bestaat uit een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per school.

Artikel B 16. Aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen
  • 1. In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel B 15, bekostiging verstrekken.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

H

In Titel B vervalt afdeling 6, paragraaf 4a.

I

Artikel B 18 vervalt.

J

Artikel B 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ’15 april’ vervangen door ‘1 januari’, wordt ‘de artikelen B 16b en B 16g’ vervangen door ‘artikel B 15’ en wordt ‘schooljaar’ vervangen door ‘kalenderjaar’.

2. In het tweede lid wordt ‘schooljaar’ vervangen door ‘kalenderjaar’.

K

In artikel B 21 wordt ‘de bekostigingsbedragen voor personeelskosten’ vervangen door ‘de bekostiging’.

L

In afdeling 6, paragraaf 6, van Titel B wordt voor artikel B 22 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel B 21a. Berekening aantal leerlingen
  • 1. In deze paragraaf wordt onder het aantal leerlingen van de school verstaan: het aantal unieke leerlingen als bedoeld in artikel B 10, eerste lid, tot 1 oktober van het schooljaar, geteld over de periode vanaf 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

  • 2. Het bevoegd gezag vermeldt het aantal leerlingen van de school in het jaarverslag, bedoeld in artikel 165, eerste lid, van de wet.

M

Artikel B 22, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De bekostiging van een school onder het bevoegd gezag wordt beëindigd op 1 augustus indien het aantal leerlingen van alle scholen onder dat bevoegd gezag gedurende drie achtereenvolgende jaren per school gemiddeld telkens minder heeft bedragen dan 10.

N

Artikel C 10 komt te luiden:

Artikel C 10. Besluit bekostiging WPO 20xx

De artikelen 7, tweede, derde en vierde lid, en 9 tot en met 12 van het Besluit bekostiging WPO 20xx zijn van overeenkomstige toepassing.

O

Afdeling 4, Paragraaf 2, van Titel C, komt te luiden:

Paragraaf 2. Bekostiging
Artikel C 11. Vaststelling bekostiging
  • 1. Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging voor de school voor varende kinderen vast.

  • 2. De bekostiging bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede lid vastgesteld en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend.

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt uitgegaan van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel C 2, dat op 1 februari van het voorafgaande jaar, aan de school voor varende kinderen is ingeschreven.

Artikel C 12. Aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen
  • 1. In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel C 11 bekostiging verstrekken.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

P

In artikel C 13, vervalt in het opschrift en in het eerste en tweede lid ‘en voor de materiële instandhouding’.

Q

Artikel C 15 vervalt.

R

In artikel C 16, eerste lid, wordt ‘15 april’ vervangen door ‘1 januari’ en wordt ‘schooljaar’ vervangen door ‘kalenderjaar’.

S

In artikel C 16.1 wordt ‘de bekostigingsbedragen voor personeelskosten’ vervangen door ‘de bekostiging’.

T

Artikel C 17 komt te luiden:

Artikel C 17. Overschrijdingsregeling

De artikelen 128 tot en met 134 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 130, vierde en vijfde lid, ‘nevenvestiging’ wordt gelezen als: vestiging, bedoeld in artikel C 1, tweede lid, van het Besluit trekkende bevolking WPO.

U

Artikel G 1 komt te luiden:

Artikel G 1. Omhangbepaling

Dit besluit berust op artikel 193 van de wet.

V

De artikelen G 1.a en G1.b. vervallen.

Artikel 37. Wijziging Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds

Het Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt ‘artikel 183, eerste lid, van de WPO of artikel 169, eerste lid, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 188, eerste lid, van de WPO of artikel 167, eerste lid, van de WEC’ en wordt ‘artikel 184, eerste lid, van de WPO of artikel 170, eerste lid, van de WEC’ vervangen ‘door artikel 190, eerste lid, van de WPO of artikel 169, eerste lid, van de WEC’.

2. In onderdeel e wordt ‘artikel 183, eerste lid, van de WPO en artikel 169, eerste lid, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 188, eerste lid, van de WPO en artikel 167, eerste lid, van de WEC’.

3. In onderdeel f wordt ‘artikel 184, eerste lid, van de WPO en artikel 170, eerste lid, van de WEC’ vervangen ‘door artikel 190, eerste lid, van de WPO en artikel 169, eerste lid, van de WEC’.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 183, eerste lid, van de WPO en artikel 169, eerste lid, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 188, eerste lid, van de WPO en artikel 167, eerste lid, van de WEC’.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 183, eerste lid, onderdeel b, van de WPO en artikel 169, eerste lid, onderdeel b, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 188, eerste lid, onderdeel b, van de WPO en artikel 167, eerste lid, onderdeel b, van de WEC’ en wordt ‘artikel 183, vijfde lid, van de WPO, en artikel 169, vijfde lid, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 188, vijfde lid, van de WPO, en artikel 167, vijfde lid, van de WEC’.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 184, eerste lid, van de WPO en artikel 170, eerste lid, van de WEC’ vervangen ‘door artikel 190, eerste lid, van de WPO en artikel 169, eerste lid, van de WEC’.

C

In de aanhef van artikel 3, eerste lid, wordt ‘artikel 187, eerste lid, van de WPO en artikel 172, eerste lid, van de WEC’ vervangen door ‘artikel 194, eerste lid, van de WPO en artikel 173, eerste lid, van de WEC’.

D

In de aanhef van artikel 4 wordt ‘de artikelen 183, eerste lid, en 184, eerste lid, van de WPO en de artikelen 169, eerste lid, en 170, eerste lid, van de WEC’ vervangen door ‘de artikelen 188, eerste lid, en 190, eerste lid, van de WPO en de artikelen 167, eerste lid, en 169, eerste lid, van de WEC’.

Artikel 38. Wijziging Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs

Het Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van het begrip “assessment” wordt ‘artikel 176c, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’.

2. In de begripsomschrijving van het begrip “bekwaamheidsonderzoek” wordt ‘artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162i van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 175 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 155 van de Wet op de expertisecentra’.

3. In de begripsomschrijving van het begrip “geschiktheidsonderzoek” wordt ‘artikel 176c van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152 van de Wet op de expertisecentra’.

4. In de begripsomschrijving van het begrip “instellingsbestuur” wordt ‘artikel 176e van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162h van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 174 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 154 van de Wet op de expertisecentra’ en wordt ‘artikel 176a, onder b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162d, onder b, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 170, onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 150, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’.

B

In artikel 2 wordt ‘162f, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikelen 152, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra’.

C

In artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 176c, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, derde lid, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, derde lid, van de Wet op de expertisecentra’.

D

In artikel 5, zevende lid, wordt ‘artikel 176c, tweede lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, tweede lid, onder c, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172, tweede lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onder c, van de Wet op de expertisecentra’.

E

In artikel 7, tweede lid, wordt ‘artikel 176c, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, vijfde lid, van de Wet op het expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra’.

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘artikel 176c, tweede lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, tweede lid, onder c, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172, tweede lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onder c, van de Wet op de expertisecentra’.

2. In het derde lid wordt ‘artikel 176c van de Wet op het primair onderwijs, artikel 162f, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra’ vervangen door ‘artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra’.

Artikel 39. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging WPO 20xx.

Artikel 40. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1.

Inleiding

23

2.

Hoofdlijnen

24

3.

Besluit

24

 

3.1.

Algemene wijzigingen

25

 

3.1.1.

Teldatum

25

 

3.1.2.

Verzuim

25

 

3.1.3.

Beschikkingsmomenten voor bekostiging

26

 

3.2.

Basisbekostiging

26

 

3.3.

Extra bekostiging

27

 

3.3.1.

Kleine scholentoeslag en zeer kleine scholentoeslag

27

 

3.3.2.

Internationaal georiënteerd basisonderwijs

27

 

3.3.3.

Groeibekostiging

27

 

3.3.4.

Nevenvestigingen

29

 

3.3.5.

Onderwijsachterstanden

29

 

3.4.

Wijzigingen in specifieke onderdelen

29

 

3.4.1.

Nieuwe scholen

29

 

3.4.2.

Samenvoeging

30

 

3.5.

Trekkende bevolking

31

4.

Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

31

5.

Uitvoering, toezicht en handhaving

32

6.

Financiële gevolgen

33

 

6.1.

Financiële effecten

33

 

6.2.

Gevolgen voor de Rijksbegroting

33

7.

Administratieve lasten en regeldruk

34

 

7.1.

Gevolgen voor de administratieve lasten en regeldruk

34

 

7.2.

Adviescollege toetsing regeldruk

34

8.

Internetconsultatie

34

9.

Inwerkingtreding

35

II. Artikelsgewijs

36

1. Inleiding

Dit besluit voorziet, samen met het Besluit bekostiging WEC 20xx en het Besluit bekostiging WPO BES 20xx, in de verdere uitwerking van de Wet vereenvoudiging bekostiging po.1 Het besluit behelst een nieuwe regeling van de bekostiging voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs, in overeenstemming met die wet. Daartoe wordt het oude Besluit bekostiging WPO ingetrokken en vervangen door het onderhavige besluit. Bepalingen uit het in te trekken Besluit bekostiging WPO die niet op de bekostiging zien, worden opgenomen in een nieuw Inrichtingsbesluit WPO. Het Besluit bekostiging WPO 20xx, het Besluit bekostiging WEC 20xx en het Besluit bekostiging WPO BES 20xx vervangen samen de eerdere bekostigingsbesluiten onder de WPO, de WEC en de WPO BES. Daarnaast worden een aantal andere besluiten, zoals het Besluit trekkende bevolking WPO, het Besluit register onderwijsdeelnemers, het Besluit bekostiging WVO 2021 en het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid aangepast aan de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Een deel van de wijzigingen in dit besluit komt rechtstreeks voort uit de aanpassingen in de WPO door de Wet vereenvoudiging bekostiging po en bestaan uit een technische uitwerking. Die technische wijzigingen zijn grotendeels reeds belicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.2 Een ander deel van de wijzigingen staat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel slechts op hoofdlijnen beschreven en is in dit besluit meer inhoudelijk uitgewerkt. Die inhoudelijke wijzigingen worden in deze nota van toelichting nader toegelicht.

In de volgende paragrafen wordt de Wet vereenvoudiging bekostiging po nog kort op hoofdlijnen toegelicht, zoals de aanleiding en de algemene wijzigingen. Vervolgens wordt ingegaan op de aanpassingen die via dit besluit specifiek voor de bekostiging worden geregeld. Dit betreft voornamelijk de extra bekostiging. Daarna worden de (financiële) gevolgen beschreven, de gevolgen voor de uitvoering, de informatie uit de consultaties en ten slotte de inwerkingtreding.

2. Hoofdlijnen
Aanleiding

De oude bekostiging van het primair onderwijs sloot door de fijnmazigheid onvoldoende aan bij de sturingsfilosofie van de lumpsum. Uitgangspunt van de lumpsum is dat schoolbesturen vrij zijn om binnen de wettelijke kaders de beschikbare middelen naar eigen inzicht te besteden voor de realisatie van hun onderwijskundige doelen. Door de fijnmazigheid van de oude bekostiging werden het maken van goede afwegingen en de dialoog met stakeholders echter bemoeilijkt.

De manier waarop de bekostiging werd vastgesteld, was complex. Er waren vele parameters en talrijke verschillende bekostigingsregels. Daarnaast gebruikten besturen de omvang van de verschillende componenten in de bekostiging als uitgangspunt bij hun eigen verdeling van de middelen over hun scholen in plaats van de lumpsumbekostiging als uitgangspunt te nemen en de vrijheden te benutten. Dit werd ook als houvast gebruikt, omdat het met de oude bekostigingsmethodiek voor schoolbesturen en stakeholders lastig was grip te krijgen op het budget en de voorspelbaarheid voor verbetering vatbaar is. Doel van de vereenvoudiging van de bekostiging is onder andere het vergemakkelijken voor schoolbesturen om goede afwegingen te maken en de dialoog met stakeholders te bevorderen.

Wetsvoorstel

In 2014 is met de PO-Raad in het bestuursakkoord afgesproken te verkennen hoe een transparant, eenvoudig en voorspelbaar bekostigingsmodel eruit zou kunnen zien.3 In de jaren hierna zijn hiervoor verschillende varianten uitgewerkt. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het wetsvoorstel dat op 15 oktober 2020 is ingediend bij de Tweede Kamer en, na in beide Kamers te zijn aangenomen, op 25 februari 2021 tot wet is verheven.

Inhoudelijk

De Wet vereenvoudiging bekostiging po regelt op hoofdlijnen dat de basisbekostiging wordt vereenvoudigd tot één bedrag per leerling voor alle basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs (sbo-scholen) en scholen voor speciaal onderwijs (so-scholen). Daarnaast komt er een apart bedrag per leerling voor scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso-scholen). Naast het bedrag per leerling, komt er een bedrag per school waarin onderscheid wordt gemaakt tussen basisscholen, sbo-, so- en vso-scholen. Hiertoe worden de bekostiging voor personeel en materiële instandhouding (MI) samengevoegd en de parameters als de gemiddelde gewogen leeftijd (GGL) en formatieve onderbouwing geschrapt.

In de oude systematiek werd de personele bekostiging voor het schooljaar toegekend en de materiële bekostiging voor het kalenderjaar. In de nieuwe systematiek wordt de toekenning van de gehele bekostiging op kalenderjaarbasis berekend. Om de voorspelbaarheid van de bekostiging voor een komend kalenderjaar verder te vergroten, wordt de teldatum voor het leerlingenaantal waarvoor bekostiging wordt toegekend, verschoven van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1. Deze wijzigingen worden doorgevoerd voor de basisbekostiging, aanvullende bekostiging, de bijzondere bekostiging en de ondersteuningsbekostiging.

Naast deze maatregelen die voor alle scholen gelden, zijn er enkele maatregelen die specifiek zien op de ondersteuningsbekostiging. Allereerst, de systematiek voor ondersteuningsbekostiging wordt voor sbo-scholen gelijkgetrokken met de systematiek binnen het (voortgezet) speciaal onderwijs. Deze bekostiging zal worden vastgesteld op basis van het feitelijke aantal ingeschreven leerlingen in plaats van op basis van 2% van alle basisschoolleerlingen binnen het samenwerkingsverband. De uitkering van deze gelden geschiedt door DUO vanuit het budget van het verantwoordelijke samenwerkingsverband. Ten tweede, de systematiek van meebetalen aan overschrijdingen van het ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband wordt consistent gemaakt. Scholen betalen voortaan alleen mee aan de overschrijding als zij zelf met doorverwijzingen de overschrijding konden beïnvloeden. Ten derde, de groeibekostiging voor het sbo en (v)so komt te vervallen, omdat de teldatum voor de bekostiging verschuift naar 1 februari. Samenwerkingsverbanden moeten voortaan in het ondersteuningsplan opnemen hoe zij omgaan met meer dan gemiddelde instroom van nieuwe leerlingen.

3. Besluit

Het onderhavige besluit geeft invulling aan de Wet vereenvoudiging bekostiging po waarmee de bekostiging voor scholen in het primair onderwijs aanzienlijk wordt vereenvoudigd. De complexiteit en onbedoeld sturende werking van de bekostiging worden verminderd en de voorspelbaarheid van de te ontvangen bekostiging wordt vergroot.

In dit besluit zijn de hoofdlijnen verder uitgewerkt voor de verschillende componenten van de bekostiging. Hieronder volgt een uitgebreidere toelichting op die wijzigingen. Allereerst worden enkele algemene wijzigingen toegelicht die voornamelijk het gevolg zijn van de nieuwe teldatum van 1 februari t-1 en de kalenderjaarbekostiging. Vervolgens wordt ingegaan op de gevolgen voor de basisbekostiging en de verdere uitwerking van de extra bekostiging. De specifieke aanpassingen ten opzichte van de bekostiging van bijvoorbeeld nieuwe scholen en samenvoegingen van scholen worden belicht in paragraaf 3.4 en tot slot worden ook de wijzigingen beschreven voor de bekostiging van de scholen voor trekkende bevolking.

3.1. Algemene wijzigingen

Als gevolg van de verschuiving naar kalenderjaarbekostiging veranderen de momenten waarop de bekostiging wordt berekend. Om tijdig een beeld te krijgen van de bekostiging voor het komende kalenderjaar is het noodzakelijk dat de teldatum voor de leerlingenaantallen verschuift van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1. Deze leerlingenaantallen zijn het belangrijkste bestanddeel voor de berekening van de bekostiging, dus een vroege vaststelling geeft eerder inzicht in het budget voor het volgende jaar.

3.1.1. Teldatum

In de oude systematiek werd door DUO op 1 december (de prikdatum) bepaald hoeveel leerlingen er op 1 oktober op een school waren ingeschreven.4 Scholen hadden dus twee maanden de tijd om alle leerlingen te registreren en uit te wisselen met het register onderwijsdeelnemers. DUO verstuurde op basis van de bepaling van het aantal leerlingen jaarlijks in december het Overzicht vaststelling tellingen (OVT). In dit overzicht is te zien met welke (type) leerlingen DUO rekening houdt in de bekostiging. Met het OVT kunnen besturen zien op basis van welke aantallen de bekostiging wordt berekend. Waar het bestuur het niet eens is met de aantallen op deze beschikking, kan er bezwaar worden aangetekend.

In de nieuwe situatie, waarbij de teldatum naar 1 februari verschuift, zal de prikdatum op vier weken worden gesteld. Gelet op technische ontwikkelingen, waardoor het eenvoudiger is om leerlingen te registreren en uit te wisselen met het register onderwijsdeelnemers, zal dit geen problemen opleveren. De prikdatum van vier weken gold immers ook al voor bepaalde vormen van extra of aanvullende bekostiging, zoals de groeibekostiging in het basisonderwijs. Net als in de oude situatie zal DUO een vaststellingsbeschikking van de aantallen aan de besturen versturen. De beschikking is vatbaar voor bezwaar en beroep.

De termijn van vier weken zal voor de gehele bekostiging, voor alle teldata, gaan gelden. De termijnen worden hierdoor consequent gehanteerd, wat leidt tot minder verwarring en een eerdere informatievoorziening richting scholen en hun besturen. Alleen als de termijn van vier weken tot praktische problemen leidt, of bij calamiteiten, kan de prikdatum later worden vastgesteld.

Alleen voor het overgangsjaar 2022 geldt een andere termijn. De uitwisseling van leerlingengegevens met het register onderwijsdeelnemers wordt vanaf begin 2022 op een andere manier geregeld. Deze nieuwe uitwisseling staat los van de vereenvoudiging bekostiging po, maar is het gevolg van het traject Doorontwikkelen BRON. De transitie naar de nieuwe wijze van uitwisseling zal in cohorten plaatsvinden rond de teldatum. Daardoor wordt de prikdatum in het overgangsjaar op een later moment bij ministeriële regeling vastgesteld.

3.1.2. Verzuim

Scholen zijn verplicht om het verzuim van leerlingen te registeren. Daarbij is een onderscheid te maken tussen geoorloofd verzuim en ongeoorloofd verzuim. Geoorloofd verzuim is verzuim met een geldige reden, zoals vastgelegd in de Leerplichtwet 1969. Het gaat dan om ziekte, het voldoen aan een religieuze verplichting of een schorsing. Ongeoorloofd verzuim is verzuim zonder geldige reden, bijvoorbeeld spijbelen. Leerlingen die in de periode vanaf het begin van het schooljaar tot 1 oktober meer dan de helft van het aantal schooldagen ongeoorloofd verzuimen, werden in de oude systematiek aangemerkt als niet-meetellend voor de bekostiging.

Met de vereenvoudigde systematiek vervalt deze bepaling. Daar zijn een aantal redenen voor. Allereerst, de oorspronkelijke reden van deze bepaling is niet meer relevant. Deze lag in het feit dat kinderen van gastarbeiders gedurende de zomervakantie naar het land van herkomst gingen en na de zomervakantie niet meer terugkwamen. De kinderen werden niet uitgeschreven, waardoor deze alsnog, ten onrechte, meetelden voor de bekostiging. Ten tweede, de teldatum verschuift van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1, waardoor de periode waarover wordt gekeken of er sprake is van ongeoorloofd verzuim langer wordt. Ten derde, het gaat om slechts een beperkt aantal leerlingen (circa 300 in het bo, sbo en (v)so), terwijl de bepaling wel voor onduidelijkheid zorgt. Tot slot, scholen maken ook kosten als zij zich inzetten voor leerlingen die (dreigen) uit te vallen, daar hoort dan ook bekostiging bij.

3.1.3. Beschikkingsmomenten voor bekostiging

De cyclus van de momenten waarop de bekostigingsbeschikkingen naar de scholen en besturen worden verstuurd, verandert ook door de verschuiving van de teldatum. Aangezien de beschikkingen betrekking hebben op een kalenderjaar, worden de beschikkingen voor een bepaald bekostigingsjaar uiterlijk op 31 december hieraan voorafgaand verstuurd. De beschikkingen worden daarmee door het bestuur ontvangen voordat er bekostiging wordt verstrekt.

Vanwege de kalenderjaarbekostiging en het samenvoegen van de personele en materiële componenten, neemt het aantal beschikkingsmomenten voor de reguliere bekostiging af van vier naar twee. Elk jaar wordt een eerste beschikking voor het komende kalenderjaar verstrekt en een aangepaste beschikking voor het lopende kalenderjaar. Het moment voor vaststellen van de aangepaste beschikking is afhankelijk van het moment dat de loonbijstelling voor dat jaar bekend is. De eerste beschikking zal elk jaar in het najaar na Prinsjesdag worden verstuurd, aangezien voor de prijsbijstelling dan pas de Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB wordt gepubliceerd, die van belang is voor de bepaling van de prijsbijstelling voor het daaropvolgende jaar. Ook biedt dit de ruimte om ontwikkelingen in de begroting van OCW mee te nemen in de eerste beschikking.

Aangezien schoolbesturen vaak al in het voorjaar bezig zijn met de begroting en het personeelsplan voor het daaropvolgende jaar, is het wenselijk om sneller dan in het najaar inzicht te geven in het budget. Om scholen en besturen al eerder van bekostigingsinformatie te voorzien, zal DUO in het voorjaar een informatieproduct verzorgen met een indicatie van de bekostiging voor het daaropvolgende jaar. Dit informatieproduct maakt gebruik van de relevante teldatum, maar bevat nog niet alle ontwikkelingen voor de prijzen. Het informatieproduct is geen beschikking en hiervoor staan dan ook geen bezwaarmogelijkheden open.

In schema zien de drie beschikkingsmomenten er als volgt uit, waarbij kalenderjaar 2025 als voorbeeld is gebruikt:

Beschikking

Moment

Op grond van

Vaststelling tellingen 1-2-2024

Voorjaar 2024

Aantal bekostigde leerlingen op 1-2-2024

Eerste 2025

Najaar 2024 na prijsbijstellingen en MEV

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2024 (1e rij) + voorlopige regeling bekostiging 2025

Aangepaste 2025

Na loonbijstellingen 2025

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2024 (1e rij) + definitieve regeling bekostiging 2025

Betaalritme

Werken met verschillende betaalritmes maakt de bekostiging en de financiële administratie daarvan complex en vergroot de eventuele financiële risico’s. In de nieuwe systematiek wordt in de kalenderjaarbekostiging uitgegaan van een betaalritme in twaalf gelijke maandelijkse termijnen. Mocht hiervan bij uitzondering afgeweken worden voor specifieke onderdelen van de bekostiging, dan wordt dit vastgesteld bij ministeriële regeling.

3.2. Basisbekostiging

In de Wet vereenvoudiging bekostiging po is geregeld dat de bekostiging wordt berekend met een bedrag per leerling en een bedrag per school. Met het samenvoegen van de bekostiging voor personeelslasten, het personeels- en arbeidsmarktbudget (P&A-budget) en de MI is de noodzaak om aparte bekostigingsregels vast te stellen voor de afzonderlijke componenten, komen te vervallen. Bovendien wordt onder andere de GGL niet meer meegenomen in de bekostigingsformules. Hierdoor wordt de berekening van de bedragen niet meer verbonden aan het aantal formatieplaatsen. De artikelen in het Besluit die met bovenstaande componenten verbonden waren, zijn geschrapt evenals de artikelen die deze informatie opvroegen.

Bij ministeriële regeling wordt geregeld dat er één bedrag per leerling wordt vastgesteld voor zowel het basisonderwijs als het speciaal onderwijs. Voor het voortgezet speciaal onderwijs wordt een basisbedrag vastgesteld dat aansluit op het voortgezet onderwijs. Er wordt bij de basisbedragen geen onderscheid meer gemaakt tussen het aantal leerlingen in de onderbouw en bovenbouw.

Het bedrag per school kan volgens de wet verschillend worden vastgesteld voor scholen van verschillende grootte. Voor zowel basisscholen als voor speciale scholen voor basisonderwijs is een grens vastgesteld op 100 bekostigde leerlingen, vergelijkbaar met de oude situatie. Per sector worden verschillende bedragen per school vastgesteld.

3.3. Extra bekostiging

De wijzigingen in de nieuwe systematiek hebben ook betrekking op de toekenning van de extra bekostiging. De bepalingen voor deze bekostiging worden slechts op hoofdlijnen in de wet geregeld en bij dit Besluit specifieker ingericht. Hierbij wordt vooraf opgemerkt dat de beschreven wijzigingen geen of zeer beperkte budgettaire gevolgen hebben.

3.3.1. Kleine scholentoeslag en zeer kleine scholentoeslag

Voor basisscholen met minder dan 150 leerlingen op 1 februari t-1 wordt een toeslag voor kleine scholen toegekend. Voorheen lag de grens bij 145 leerlingen op 1 oktober t‑1, maar gezien de toename van het aantal leerlingen in het schooljaar tussen 1 oktober en 1 februari is deze grens opgeschoven met circa 3%. De kleine scholentoeslag bestaat uit een startbedrag waarvan op grond van de aantallen ingeschreven leerlingen op 1 februari t-1 een bedrag voor kleine scholentoeslag wordt afgetrokken. De berekening van de kleine scholentoeslag zal nooit tot een negatieve bekostiging leiden. De bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Als er op een basisschool op de teldatum minder dan 23 leerlingen staan ingeschreven, ontstaat bovendien recht op zeer kleine scholentoeslag. Deze bekostiging bestaat ook uit een startbedrag, hiervan worden vervolgens op grond van het aantal ingeschreven leerlingen op 1 februari t-1 de bedragen voor basisbekostiging, de kleine scholentoeslag en de extra bekostiging voor nevenvestiging afgetrokken. Het budget wordt hiermee voor zeer kleine scholen vastgesteld op een budget voor minimaal 23 leerlingen. Voor de zeer kleine scholentoeslag geldt ook de voorwaarde dat er geen negatief bedrag kan ontstaan. Het startbedrag wordt bij regeling vastgesteld.

3.3.2. Internationaal georiënteerd basisonderwijs

Basisscholen met een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs (IGBO) ontvingen onder de oude systematiek op aanvraag aanvullende bekostiging voor personeel en bijzondere bekostiging voor MI, waarbij als voorwaarde werd gesteld dat het aantal leerlingen op de teldatum meer dan 10 was. Er werden verschillende bedragen per leerling vastgesteld met een staffel oplopend vanaf 11 leerlingen.

In de nieuwe situatie wordt de bekostiging voor een IGBO-afdeling ambtshalve toegekend op kalenderjaarbasis. Er wordt uitgegaan van een bedrag per IGBO-afdeling en een bedrag per leerling op grond van de aantallen op 1 februari t-1. Hierbij blijft de voorwaarde van minimaal 11 leerlingen wel staan.

Bij ministeriële regeling wordt een bedrag per leerling vastgesteld en worden voorwaarden bij een eventuele groeiregeling voor nieuwe IGBO-afdelingen opgenomen.

3.3.3. Groeibekostiging

In het basisonderwijs neemt het aantal leerlingen in de periode tussen 1 oktober en 1 februari gemiddeld met 3% toe. Dit komt vooral door de instroom van vierjarigen in de loop van het schooljaar. In de oude systematiek werd hiermee op twee manieren rekening gehouden. Ten eerste zaten er ophogingen van 3% in de bekostigingsregels. Ten tweede kregen besturen extra groeibekostiging als het aantal leerlingen meer toenam dan een bepaalde drempel. Met de extra groeibekostiging was jaarlijks € 60 tot € 65 miljoen gemoeid.

In de nieuwe systematiek komt deze noodzaak te vervallen en worden de prijzen per leerling aangepast. Met de overstap van schooljaarbekostiging naar kalenderjaarbekostiging en het verschuiven van de teldatum van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1 kunnen de ophogingen in de bekostigingsregels verdwijnen en kan de extra bekostiging voor personele bekostiging en MI worden samengevoegd in één regeling voor wanneer er sprake is van substantiële groei.

In de oude situatie werd groei bepaald op basis van de toename van het aantal leerlingen boven een groeidrempel van 3% plus 13 leerlingen op de eerste dag van het schooljaar of op de eerste dag van de maand. De groeibekostiging werd vervolgens toegekend voor de rest van het schooljaar. In de nieuwe systematiek is gekozen voor een groeiregeling waarin op maandbasis wordt bepaald en betaald. Dit maakt de systematiek eenvoudiger, beter uitlegbaar en beter uitvoerbaar.

Groei is en blijft berekend op bestuursniveau. Daarbij is leidend welke basisscholen tot het bestuur behoren op 1 augustus. De samenstelling van het bestuur op 1 augustus t-1 is het uitgangspunt voor de groei in de eerste zeven maanden van het kalenderjaar (t), het aantal leerlingen op scholen onder het bestuur op 1 augustus t is het uitgangspunt voor de laatste vijf maanden van dat kalenderjaar (t).

Per elke eerste dag van de maand wordt gekeken of een bestuur in aanmerking komt voor groeibekostiging. De bepaling van aantallen op de eerste dag van het schooljaar wordt geschrapt. Als het aantal leerlingen op de eerste dag van de maand groter of gelijk is aan de drempel van 104% van het aantal bekostigde leerlingen op de teldatum 1 februari t-1, ontstaat recht op groeibekostiging. De bekostiging wordt vastgesteld op grond van het verschil tussen het aantal leerlingen op het groeitelmoment en het aantal leerlingen op de teldatum 1 februari t-1 met een bedrag per leerling. De toekenning van de groeibekostiging is voor de periode van één maand. Deze maandelijkse vaststelling betekent dat het bestuur tot twaalf initiële beschikkingen voor groeibekostiging per jaar kan ontvangen. Voor de maanden zonder groei volgt uiteraard geen beschikking.

In de oude systematiek werd, nadat al een keer groeibekostiging was toegekend, pas weer groeibekostiging berekend als de groeidrempel opnieuw was behaald. Het voordeel van de maandelijkse vaststelling van groei in de nieuwe systematiek is dat besturen ook de aanvullende bekostiging krijgen voor een beperktere groei, nadat er al eens groeibekostiging is toegekend. Als een bestuur in een maand slechts met twee leerlingen groeit (bijvoorbeeld van 13 op 1 mei naar 15 op 1 juni ten opzichte van de teldatum 1 februari t-1), ontvangt het bestuur ook aanvullende bekostiging voor deze twee nieuwe leerlingen.

Met de nieuwe regeling voor groeibekostiging zal circa € 20 mln. gemoeid zijn. Het resterende bedrag dat nu met de groeibekostiging is gemoeid, zal worden verwerkt in het bedrag per leerling in de basisbekostiging.

Groeibekostiging bij bijzondere situaties

Er zijn een aantal gebeurtenissen waarvoor de groeibekostiging anders wordt berekend dan hierboven beschreven:

  • Groei bij nieuwe scholen binnen een bestuur: Leerlingen van een nieuwe school worden vanaf 1 oktober volgend op de start van de nieuwe school meegenomen voor het berekenen van de groei. 1 oktober is namelijk het peilmoment voor de bekostiging van de eerste vijf maanden na de start van de nieuwe school. Naar verwachting zullen er op de peildatum van 1 oktober meer leerlingen staan ingeschreven dan in de periode daarvoor. De periode voor 1 oktober wordt daarom dus buiten beschouwing gelaten bij de groeibekostiging. Vanaf 1 oktober worden de leerlingen van de nieuwe school bij de leerlingen van de andere scholen binnen het bestuur op de teldatum geteld voor het berekenen van de groeibekostiging, eerst met als teldatum 1 oktober en vanaf 1 januari met als teldatum 1 februari. Een verzelfstandigde dislocatie als bedoeld in artikel 84a van de WPO wordt niet beschouwd als nieuwe school bij het bepalen van de groei, maar volgt de reguliere berekening van groeibekostiging.

  • Groei bij samenvoegingen: Bij samenvoegingen binnen een bestuur blijft het aantal leerlingen op de teldatum gelijk aangezien de leerlingentelling op het niveau van het schoolbestuur wordt gedaan. Bij samenvoegingen waarbij een school van bestuur A, bij een school van bestuur B wordt gevoegd, wordt het aantal leerlingen op de teldatum bij beide besturen aangepast. Het aantal leerlingen op de teldatum bij bestuur A wordt verlaagd met het aantal leerlingen van de samengevoegde school op de teldatum, en het aantal leerlingen op de teldatum bij bestuur B wordt verhoogd met hetzelfde aantal.

  • Groei bij sluiten scholen: De leerlingentelling van het bestuur op de teldatum wordt gecorrigeerd vanaf het moment dat een school wordt opgeheven.

  • Groei bij bestuursoverdracht: Bestuursoverdrachten vinden over het algemeen plaats op 1 januari van een jaar. Doordat groeibekostiging telkens wordt bepaald op grond van de samenstelling van een bestuur op 1 augustus, wordt in geval van een bestuursoverdracht de aantallen die de basis vormen voor deze extra bekostiging niet direct aangepast. Dit betekent dat voor de periode januari tot en met juli volgend op de bestuursoverdracht nog wordt gerekend met het aantal leerlingen van de betrokken besturen onder de oude situatie. De geldstroom en de beschikkingen gaan naar het nieuwe bevoegd gezag vanaf het moment van bestuursoverdracht of in ieder geval vanaf het moment dat de bestuursoverdracht is vastgelegd het register instellingen.

3.3.4. Nevenvestigingen

De extra bekostiging voor basisscholen met een nevenvestiging wordt bepaald op basis van het verschil tussen de kleine scholentoeslag van alle vestigingen van de school als ware deze zelfstandige scholen en de kleine scholentoeslag die de basisschool werkelijk ontvangt. Van dit verschil wordt 60% toegekend als extra bekostiging voor de nevenvestiging. Deze manier van berekenen verschilt niet veel van de oude systematiek. Alleen het percentage is verlaagd van 75% naar 60%. Dit heeft te maken met het feit dat nu ook de bekostiging voor P&A en MI onderdeel zijn geworden van de berekening. Om de wijziging budgetneutraal uit te voeren is het percentage verlaagd naar 60%.

In de nieuwe systematiek wordt aan de extra bekostiging voor nevenvestigingen ook een vaste voet toegevoegd per nevenvestiging. Dit is een nieuw element voor basisscholen. Speciale scholen voor basisonderwijs ontvangen onder de nieuwe systematiek ook een vast bedrag per nevenvestiging.

3.3.5. Onderwijsachterstanden

Basisscholen ontvangen budget voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. De verdeling van het landelijke beschikbare budget geschiedt op basis van de door het CBS ontwikkelde achterstandsindicator. Deze wordt sinds 2019 toegepast. Met de vereenvoudiging van de bekostiging wijzigt de indicator inhoudelijk niet. Echter, de leerlingentelling op grond van de ingeschreven leerlingen op 1 februari en het omzetten naar de kalenderjaarsystematiek, zijn wel van invloed op de indicator. Dat betekent dat de achterstandsscore voortaan op basis van de teldatum 1 februari wordt berekend. Het CBS levert de achterstandsscore van de school per vestiging en de bekostiging bestaat uit een bedrag per eenheid achterstandsscore.

Nieuwe scholen ontvangen voor de eerste 5 maanden geen bekostiging voor onderwijsachterstanden, aangezien er geen leerlingentelling voor 1 februari t-1 beschikbaar is. Voor het eerste volledige kalenderjaar volgend op de start van de school wordt de achterstandsscore bepaald op basis van de telling op 1 februari van jaar t. Deze wordt met terugwerkende kracht gebruikt om de bekostiging voor onderwijsachterstandenbeleid vast te stellen voor het lopende kalenderjaar. De bekostiging die scholen ontvangen, is afhankelijk van het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. Sbo- en (v)so-scholen ontvangen ook een budget voor onderwijsachterstanden. Voor sbo en (v)so-scholen betreft dit de categorie culturele minderheden (cumi).

In de oude systematiek werd er via het formatieve gedeelte van de basisbekostiging én via het P&A-budget bekostiging voor cumi-leerlingen verstrekt. De bekostiging in het formatieve gedeelte was afhankelijk van de GGL en er was een drempel van vier cumi-leerlingen, voordat een school bekostiging ontving. In het P&A-gedeelte was er sprake van een bedrag per leerling en werd er geen drempel gehanteerd. In de nieuwe systematiek wordt geen rekening meer gehouden met de leeftijden van leraren en formatieplaatsen. Bovendien komt de drempel van vier leerlingen uit de oude systematiek te vervallen. De extra bekostiging voor onderwijsachterstanden wordt voortaan op de teldatum voor sbo en (v)so bepaald met een bedrag per cumi-leerling. Het bedrag per cumi-leerling voor sbo en (v)so worden aan elkaar gelijkgesteld.

3.4. Wijzigingen in specifieke onderdelen

Hieronder is voor verschillende specifieke onderdelen uiteengezet hoe de bekostigingssystematiek verandert als gevolg van de vereenvoudigingsmaatregelen.

3.4.1. Nieuwe scholen

Voor nieuwe scholen zijn veel bepalingen van de oude systematiek in stand gebleven. Een school kan aanspraak maken op bekostiging vanaf 1 augustus in het schooljaar dat de school begint (1 augustus t). De school kan al vanaf 1 juni daaraan voorafgaand in aanmerking komen voor de verstrekking van een deel van de bekostiging. Deze zogenoemde startbekostiging wordt eenmalig verstrekt. Als een school een jaar later start, wordt de startbekostiging niet nogmaals uitgekeerd. Indien een school helemaal niet start, wordt deze bekostiging teruggevorderd.

Voor de eerste vijf maanden na de opening (dus augustus tot en met december) ontvangt de school bekostiging op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de opening. Voor het daaropvolgende kalenderjaar ontvangt de school bekostiging op basis van het aantal leerlingen op 1 februari van dat jaar. Dat aantal zal vervolgens ook worden gebruikt voor de bekostiging voor het daaropvolgende kalenderjaar. Vanaf dat moment wordt de nieuwe school net als andere scholen bekostigd, namelijk op basis van het aantal leerlingen op 1 februari voorafgaand aan het bekostigingsjaar.

Stel een school start op 1 augustus 2023. Dan ontvangt de school bekostiging:

  • voor de maanden augustus tot en met december 2023 op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 2023;

  • voor kalenderjaar 2024 op basis van het aantal leerlingen op 1 februari 2024;

  • voor kalenderjaar 2025 op basis van het aantal leerlingen op 1 februari 2024 (conform de systematiek die voor andere scholen geldt).

Omdat de gebruikte leerlingaantallen pas bekend worden gedurende de bekostigingsperiode, zullen er voorschotten verstrekt worden. Voor de eerste vijf maanden na de start zal een voorschot worden verstrekt op basis van een prognose van de school van het aantal leerlingen op 1 oktober. Het werkelijke aantal leerlingen op die 1 oktober zal gebruikt worden voor het voorschot voor het daaropvolgende jaar. Uiteindelijk wordt het verschil tussen het voorschot en het werkelijke bekostigingsbudget verrekend met de te ontvangen bekostiging.

Nieuwe school per 1 augustus 2024

Beschikking

Moment van bekostigen

Op grond van

Startbekostiging juni–juli

Na aanvraag/aanmelding nieuwe school voor 1 juni 2024

Aanvraag/aanmelding

Voorschot

Aug–dec 2024

Vanaf augustus 2024 na prognose ontvangen voor 1 juli 2024

Prognose 1-10-2024

Vaststelling tellingen 1-10-2024

Uiterlijk in dec 2024

Aantal bekostigde leerlingen op 1-10-2024

Aangepast

Aug–dec 2024

In dec 2024

Beschikking vaststelling tellingen 1-10-2024 (3e rij) + definitieve regeling bekostiging wpo 2024

Voorschot

jan–dec 2025

Uiterlijk in jan 2025

Beschikking vaststelling tellingen 1-10-2024 (3e rij) + voorlopige regeling bekostiging wpo 2025

Vaststelling tellingen 1-2-2025

Voorjaar 2025

Aantal bekostigde leerlingen op 1-2-2025

Eerste 2025

Voorjaar 2025

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2025 (6e rij) + voorlopige regeling bekostiging wpo 2025

Aangepast 2025

Na loonbijstellingen 2025

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2025 (6e rij) + definitieve regeling bekostiging wpo 2025

Eerste 2026 (cf. reguliere systematiek)

Najaar 2025

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2025 (6e rij) + voorlopige regeling bekostiging wpo 2026

Aangepaste 2026 (cf. reguliere systematiek)

Na loonbijstellingen 2026

Beschikking vaststelling tellingen 1-2-2025 (6e rij) + definitieve regeling bekostiging wpo 2025

3.4.2. Samenvoeging

In de wet is geregeld dat bij een samenvoeging de bekostiging van de opgeheven school blijft doorlopen tot het einde van het kalenderjaar. Voor de bekostiging van het volgende kalenderjaar worden bovendien de leerlingen, die op 1 februari voorafgaand aan de samenvoeging op de opgeheven school stonden ingeschreven, meegeteld bij de bekostiging van de overgebleven school. In de wet staat de term samenvoeging niet verder gedefinieerd. De voorwaarden om voor bovenstaande bekostiging in aanmerking te komen zijn nader uitgewerkt in dit Besluit.

Een samenvoeging is een institutionele fusie van twee of meer scholen, die binnen vier weken na de fusiedatum van 1 augustus wordt gemeld als samenvoeging. Eventuele bewijsstukken hiervoor kunnen op een later moment aangeleverd worden. Daarnaast is de voorwaarde gesteld dat minimaal 25% van de leerlingen, die op 1 februari voor de fusiedatum als bekostigde leerling stonden ingeschreven bij de opgeheven school, op 1 augustus daaropvolgend ook daadwerkelijk is doorgestroomd naar de fusieschool en daar bekostigd wordt. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, is er geen sprake van een samenvoeging als bedoeld in de wet en wordt de bij de fusie gesloten school, gezien als regulier opgeheven school. De leerlingenaantallen van de opgeheven school tellen niet mee voor de bekostiging van de fusieschool in het volgende kalenderjaar.

De 25% doorstroom wordt gebaseerd op het aantal leerlingen dat op 1 augustus nog ingeschreven staat binnen dezelfde soort onderwijs. Dit betekent dat bijvoorbeeld de leerlingen van groep 8 die zijn doorgestroomd naar het voortgezet onderwijs buiten beschouwing worden gelaten, net zoals de leerlingen die van het basisonderwijs zijn doorgestroomd naar speciale scholen voor basisonderwijs of speciaal onderwijs of andersom.

Naast bovengenoemde bekostiging zal de overgebleven school van een samenvoeging ook aanspraak kunnen maken op aanvullende bekostiging. Bepalend voor de omvang van de aanvullende bekostiging is het verschil in bekostiging dat de samengevoegde school krijgt en de bekostiging die de bij de samenvoeging betrokken scholen afzonderlijk zouden hebben gekregen. Dit verschil wordt in het eerste kalenderjaar na de samenvoeging voor 100% uitgekeerd en in het daaropvolgende kalenderjaar voor 50%. De aanvullende bekostiging voor samenvoegingscompensatie voor kalenderjaren volgend op de samenvoeging wordt geregeld bij ministeriële regeling. Die regeling vervangt de Regeling bijzondere bekostiging bij fusie en opheffing van scholen in het primair onderwijs en beleidsregel interpretatie samenvoeging in WPO en WEC.

3.4.3. Opheffing

Scholen worden in de regel opgeheven per 31 juli. Hierdoor ontstaat enkel recht op bekostiging voor de eerste zeven maanden van het kalenderjaar. De bekostiging wordt beëindigd na de maand van opheffing. Dit geldt ook voor institutionele fusies die niet worden geclassificeerd als samenvoegingen, doordat zij niet voldoen aan de voorwaarden van samenvoegingen.

Bij opheffing op ieder ander moment, stopt de bekostiging per direct, alleen de lopende maand wordt nog doorbetaald. De opheffing geschiedt op basis van een melding van het bestuur of als uit de register onderwijsdeelnemers blijkt dat er op de eerste dag van de maand geen leerlingen meer zijn ingeschreven.

3.4.4. Verzelfstandigde dislocatie en vermindering

In de wet is opgenomen dat als een deel van een school of nevenvestiging zich op een andere locatie bevindt dan de school, deze als zelfstandige school voor bekostiging in aanmerking kan komen. Deze verzelfstandigde dislocatie wordt bekostigd, zoals bij nieuwe scholen onder paragraaf 2.3.1 is beschreven. Dit zou betekenen dat het overblijvende deel van de school in de laatste vijf maanden van het kalenderjaar volgend op de verzelfstandiging en het kalenderjaar daarna teveel bekostiging ontvangt. Een deel van leerlingen die op 1 oktober in het kalenderjaar van de verzelfstandiging en op 1 februari van het daaropvolgende kalenderjaar op de verzelfstandigde dislocatie staan ingeschreven, tellen namelijk ook mee in de bekostiging van de overblijvende school.

Om deze dubbele bekostiging te ondervangen, wordt tweemaal een bedrag in mindering gebracht op het overblijvende deel van de school. Deze verminderingsbekostiging wordt voor het kalenderjaar van verzelfstandiging (t) bepaald op grond van het aantal leerlingen, dat op de andere locatie stond ingeschreven op 1 februari t-1. Het totale verminderingsbedrag wordt berekend met een bedrag per leerling voor de maanden augustus tot en met december. Voor het kalenderjaar na verzelfstandiging (t+1) wordt de verminderingsbekostiging ook vastgesteld op grond van het aantal leerlingen van de andere locatie op de teldatum die voor kalenderjaar t+1 van toepassing is.

Bij regeling wordt het verminderingsbedrag bepaald. Bij regeling wordt bovendien bepaald hoe de aantallen leerlingen voor verzelfstandiging moeten worden doorgegeven. Het gaat hierbij om de aantallen leerlingen die op de twee teldata voorafgaand aan de verzelfstandiging op het deel van de school dat verzelfstandigt als bekostigde leerling stonden ingeschreven. Bijvoorbeeld, voor een verzelfstandiging per 1 augustus 2025 worden zowel de aantallen van 1 februari 2023 als de aantallen van 1 februari 2024 van het verzelfstandigde deel doorgegeven.

3.5. Trekkende bevolking

Het Besluit trekkende bevolking WPO wordt aangepast op de nieuwe systematiek van kalenderjaarbekostiging en de teldatum van 1 februari. Ligplaatsscholen ontvangen een bedrag per school en een bedrag per leerling op 1 februari t-1. Rijdende scholen ontvangen een bedrag per school. Dit bedrag is voor elke rijdende school gelijk. Alle bedragen worden bij regeling vastgesteld.

Het Besluit trekkende bevolking WPO wordt voor rijdende scholen bovendien aangepast, zodat het beter aansluit bij de huidige werkelijkheid. De bepalingen met betrekking tot een vast reisseizoen en het doorgeven van een reisplan worden bijvoorbeeld geschrapt. Net als bij andere scholen geldt er een opheffingsnorm voor de rijdende scholen. Om deze goed te kunnen uitvoeren is deze bepaling gemoderniseerd. In dat kader is er een duidelijkere definitie voor meetellende leerlingen van de rijdende school en een clausule voor de verantwoording van de aantallen toegevoegd.

4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn de gevolgen van de vernieuwde systematiek met betrekking tot inzicht in de te ontvangen bekostiging, het registreren van toelaatbaarheidsverklaringen voor sbo en de jaarrekening al besproken.5 Specifieke gevolgen voortkomend uit dit besluit hebben betrekking op de wijziging van de teldatum van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1 en de verplichting om inschrijvingen van leerlingen binnen vier weken na deze teldatum uit te wisselen met het register onderwijsdeelnemers.

Verzuim

Door de wijziging van teldatum naar 1 februari t-1 is besloten dat de registratie van ongeoorloofd verzuim van leerlingen in de periode vanaf het begin van het schooljaar tot aan de teldatum, geen bekostigingsconsequenties meer heeft. Onder de oude systematiek moest de school doorgeven of een leerling in verband met ongeoorloofd verzuim niet voor de bekostiging diende mee te tellen. Deze verplichting komt onder de vereenvoudiging te vervallen.

Beschikkingen

De momenten om te kunnen beschikken zijn afhankelijk van het moment dat bedragen kunnen worden vastgesteld. Het aantal bekostigingsbeschikkingen op grond van loon- en prijsbijstellingen wordt teruggebracht naar een eerste en een aangepaste beschikking. De eerste beschikking kan in het najaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar worden verstuurd; de aangepaste beschikking volgt in het najaar van het lopende kalenderjaar.

In het voorjaar na de teldatum van 1 februari wordt een beschikking gestuurd met de aantallen te bekostigen leerlingen. Om een indicatie te geven van de bekostiging voor het volgende kalenderjaar wordt bovendien een informatieproduct opgesteld, waarin een berekening staat op grond van de vastgestelde aantallen en gebaseerd op de voorlopige prijzen van het lopende kalenderjaar. Dit informatieproduct is geen beschikking.

Betaalritme

In het oude model werden verschillende betaalritmes gehanteerd voor verschillende bekostigingsonderdelen. Van het totale budget op schooljaarbasis werd in de maanden augustus tot en met december bijvoorbeeld een lager percentage per maand uitgekeerd dan in de maanden januari tot en met juli.

De verschillende betaalritmes per onderwerp zorgden voor verwarring en onduidelijkheid. Met de vereenvoudiging zijn de betaalritmes verder geharmoniseerd en zo eenvoudig mogelijk gehouden. Het totale budget op kalenderjaarbasis wordt in maandelijkse gelijke termijnen uitgekeerd. Hierdoor wordt er ogenschijnlijk geen rekening gehouden met bijvoorbeeld de grotere uitgaven die in mei plaatsvinden in verband met het vakantiegeld, maar door de vereenvoudigde systematiek valt hier wel beter op te anticiperen door een bestuur.

Nieuwe scholen

Nieuwe scholen ontvangen extra beschikkingen aangezien in het schooljaar na de start van de school twee keer een voorschot moet worden vastgesteld. Het eerste voorschot wordt verstrekt voor de laatste vijf maanden van het kalenderjaar op grond van de prognosetelling voor 1 oktober na de start. Dit voorschot wordt gecorrigeerd met de definitieve vaststelling van de leerlingenaantallen op die teldatum 1 oktober van jaar t. Deze telling wordt tevens gebruikt voor het tweede voorschot. Deze wordt verstrekt voor het daaropvolgende kalenderjaar. Dit tweede voorschot wordt gecorrigeerd na vaststelling van de definitieve leerlingenaantallen op 1 februari van jaar t.

5. Uitvoering, toezicht en handhaving

Een ontwerp van dit besluit is samen met het Besluit bekostiging WEC 20xx en Besluit bekostiging WPO BES 20xx door DUO, de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk getoetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

DUO constateert dat de drie besluiten een nadere invulling geven aan de Wet vereenvoudiging bekostiging po en hiermee in overeenstemming zijn. Op grond hiervan concludeert DUO dat dit besluit uitvoerbaar, haalbaar en maakbaar is, indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Allereerst dient aansluiting op aangrenzende wet- en regelgeving gegarandeerd te blijven. Als voorbeeld geldt het nieuwe Inrichtingsbesluit WPO, waarin bepalingen worden opgenomen uit het in te trekken Besluit bekostiging WPO die niet op de bekostiging zien. Dit besluit dient gelijktijdig met de Wet vereenvoudiging bekostiging po en de andere twee genoemde bekostigingsbesluiten in werking te treden. Ook dient, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de besluiten de implementatie reeds te starten op basis van de baseline, die in overleg tussen OCW en DUO is opgesteld. De baseline is een technische uitwerking van de wet- en regelgeving, zodat deze goed en eenduidig vertaald kan worden in de uitvoering.

De voorwaarden die DUO heeft gesteld zijn te realiseren. Aan DUO zal de opdracht worden gegeven om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet- en regelgeving alvast te starten met de implementatie, zodat het vereenvoudigde bekostigingsstelstel vanaf kalenderjaar 2023 toegepast kan gaan worden. DUO en OCW hebben veelvuldig contact en overleg over het traject om de bekostiging te vereenvoudigen. Openstaande vragen en de borging van aansluiting op aangrenzende wet- en regelgeving zullen in de gesprekken worden meegenomen. De inhoudelijke en tekstuele opmerkingen van DUO bij het besluit zijn besproken en verwerkt indien opportuun.

6. Financiële gevolgen

Bij het wetsvoorstel zijn ook de herverdeeleffecten van de vereenvoudiging uitgebreid behandeld in de memorie van toelichting. De gevolgen van de uitwerking in lagere regelgeving zijn hier al in meegenomen. Een aantal bekostigingsonderwerpen die in het Besluit specifieker zijn uitgewerkt, worden in onderstaande paragrafen nader behandeld.

6.1. Financiële effecten

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt al ingegaan op de herverdeeleffecten die optreden als gevolg van bovengenoemde maatregelen. Uit de analyse blijkt dat de herverdeeleffecten die optreden over het algemeen beperkt zijn. Om de besturen geleidelijk te laten wennen aan een nieuw budget, is ook een overgangsregeling ingesteld.

Door de wijziging van de groeibekostiging en IGBO treden er geen herverdeeleffecten op. Deze vallen dus buiten de overgangsregeling. Wel kunnen er als gevolg van de wijzigingen financiële effecten optreden. Deze mogelijke effecten worden hieronder toegelicht.

IGBO

Op dit moment hebben 18 scholen een IGBO-afdeling, met in totaal ruim 5.000 leerlingen. Het totale bedrag aan bekostiging bedraagt circa 3,3 miljoen euro. Voor het bepalen van de bekostiging werd in de oude situatie gewerkt met een staffel. Er was een vast bedrag voor afdelingen met 11 tot en met 20 leerlingen, een (hoger) vast bedrag voor afdelingen met 21 tot en met 30 leerlingen, etc. Hierdoor kreeg een afdeling met 11 leerlingen evenveel bekostigd als een afdeling met 20 leerlingen. Een verschil van één leerling meer of minder kon dus relatief grote budgettaire effecten hebben, wanneer daarmee een andere staffel van toepassing zou worden.

In de nieuwe situatie wordt voortaan bekostigd op basis van een vast bedrag per afdeling en een bedrag per leerling. De bedragen worden zodanig bepaald dat de wijziging budgetneutraal doorgevoerd wordt. Door deze nieuwe systematiek kan een school die onder de oude systematiek net wel of net niet in een hogere staffel zat, nu beperkt meer of minder budget ontvangen. Dit wordt echter niet gezien als herverdeeleffect, omdat deze effecten nu ook al jaarlijks optreden.

Groei

In de oude systematiek werd, nadat al een keer groeibekostiging was toegekend, pas opnieuw groeibekostiging toegekend als deze meer is dan de drempel. Dit werd toegekend naar rato van het aantal maanden waarvoor groeibekostiging wordt verstrekt.

In de nieuwe systematiek wordt de groei toegekend op maandelijkse basis op grond van het aantal leerlingen op elke eerste dag van de maand. Besturen ontvangen hierdoor ook aanvullende bekostiging voor beperktere groei, nadat de er al eens groeibekostiging is toegekend.

Door het verleggen van de peildatum waar de groei tegen wordt afgezet van 1 oktober t‑1 naar 1 februari t-1, zal de groei voor de meeste besturen voornamelijk plaatsvinden in het begin van het kalenderjaar. Er ontstaan hierdoor echter geen herverdeeleffecten, aangezien een deel van het bestaande budget voor groei is verwerkt in de basisbekostiging.

6.2. Gevolgen voor de Rijksbegroting

Na de invoering van de vereenvoudiging van de bekostiging wordt het beschikbare bedrag in de begroting op een andere manier verdeeld over de schoolbesturen en samenwerkingsverbanden dan nu het geval is. De parameters en variabelen veranderen, maar het beschikbare bedrag blijft hetzelfde. Met andere woorden, er gaat vanuit het Rijk evenveel geld naar schoolbesturen en samenwerkingsverbanden samen als wanneer de bekostiging niet zou worden vereenvoudigd. De vereenvoudiging van de bekostiging leidt dus niet tot een verhoging of verlaging van de Rijksbegroting.

7. Administratieve lasten en regeldruk

Met de administratieve lasten worden de kosten bedoeld om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid die voortvloeien uit de wetgeving. Het gaat dan om het verzamelen, bewerken en verwerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie. Een groot deel van de gevolgen voor administratieve lasten en regeldruk is al behandeld in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.6

7.1. Gevolgen voor de administratieve lasten en regeldruk

Als gevolg van het wetsvoorstel zullen de administratieve lasten voor scholen, besturen, samenwerkingsverbanden en andere stakeholders afnemen. Doordat het aantal bekostigingsparameters en de complexiteit van de bekostigingsformules aanzienlijk afnemen, krijgen schoolbesturen beter inzicht in hoe de bekostiging in elkaar zit. De specifieke maatregelen met betrekking tot het afnemen van de bekostigingsparameters, zoals de afschaffing van de GGL, zijn al in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel uitgewerkt, evenals de wijzigingen voor speciale scholen voor basisonderwijs met betrekking tot groei en toelaatbaarheidsverklaringen. Dit besluit brengt zeer beperkte nieuwe gevolgen voor de regeldruk met zich, namelijk op het gebied van de extra bekostiging voor groei en de bekostiging voor IGBO. Vanwege de zeer beperkte omvang, zijn de maatregelen niet doorgerekend.

Groei

De systematiek voor het bepalen van groei is sterk vereenvoudigd met betrekking tot de uitlegbaarheid van de berekening en het bepalen van de aantallen. De systematiek is beter te doorgronden en te controleren.

Schoolbesturen boeten wel enigszins in op de zekerheid van de bekostiging die ze maandelijks ontvangen ten gevolge van een mogelijke groei. Als een school gedurende een kalenderjaar krimpt en daardoor onder de drempel zou komen, vervalt de groeibekostiging voor die maanden van krimp. In de oude systematiek werd de groeibekostiging voor langere tijd toegekend, waardoor schoolbesturen beter in staat waren om langere verplichtingen met docenten aan te gaan. Overigens, in de praktijk komt het weinig voor dat schoolbesturen onvoorspelbaar boven en dan weer onder de drempel komen. Een mogelijke daling in leerlingenaantallen ten opzichte van 1 februari t‑1 aan het begin van een schooljaar is vooraf in te schatten.

Een ander gevolg van de nieuwe systematiek is dat besturen gedurende een kalenderjaar meer initiële beschikkingen krijgen voor de groeibekostiging, mogelijk twaalf beschikkingen per jaar. Dit brengt administratieve lasten voor besturen met zich mee. Daar staat wel tegenover dat er geen correcties meer op de groeibekostiging komen vanwege leerlingenaantallen die in de oude systematiek voor het nieuwe schooljaar pas na 1 december definitief konden worden vastgesteld.

IGBO

Onder de nieuwe systematiek wordt de bekostiging voor IGBO ambtshalve toegekend. Er wordt uitgegaan van het werkelijke aantal leerlingen dat op de teldatum als IGBO-leerling staat geregistreerd en is uitgewisseld met BRON. Onder de oude systematiek werd gebruik gemaakt van een staffel en moest het bestuur deze bekostiging tijdig aanvragen en bijhouden wanneer binnen een schooljaar de aantallen voor groei werden bereikt. Deze aanvraagmethodiek wordt overbodig. Dit betekent een lagere administratieve last en minder foutgevoeligheid.

7.2. Adviescollege toetsing regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft. De gevolgen voor de regeldruk zijn bij het bovenliggende wetsvoorstel reeds volledig in beeld gebracht.7

8. Internetconsultatie

Een ontwerp van dit besluit heeft, samen met ontwerpen van het Besluit bekostiging WEC 20xx en het Besluit bekostiging WPO BES 20xx, tussen 8 maart 2021 en 5 april 2021 opengestaan voor internetconsultatie. Specifiek is reactie gevraagd op drie vragen:

  • 1. Is de beschrijving van het nieuwe bekostigingsmodel in de besluiten en de nota van toelichting voldoende duidelijk?

  • 2. Zorgen de besluiten naar uw mening voor een eenvoudigere, minder sturende en meer voorspelbare bekostigingssystematiek?

  • 3. Zijn er effecten van de besluiten die niet in de besluiten en/of in de toelichting zijn verwerkt?

In totaal zijn er zes reacties op de internetconsultatie, waarvan drie reacties vanuit dezelfde organisatie komen.

In reactie op de eerste twee vragen is over het algemeen positief gereageerd. Wel is aangegeven dat de besluiten veel tekst bevatten en dat een beknopter overzicht van de wijzigingen wenselijk was. In een andere reactie is voorgesteld om meer betekenisvolle namen van variabelen te gebruiken. Het is inderdaad zo dat de besluiten omvangrijk en, vanwege de technische inhoud, in sommige gevallen wat abstract zijn. Hierbij zij opgemerkt dat de gehele vereenvoudiging van de bekostiging een omvangrijke wijziging is en dat de besluiten volledig moeten zijn. Het besluit is niet het primaire instrument voor goede communicatie over de maatregelen en de wijze waarop de bekostiging zal plaatsvinden. Dat is gebeurd en gaat gebeuren via andere kanalen. In een eerder stadium is bekeken of meer betekenisvolle namen gegeven kon worden aan de variabelen. Dit resulteerde echter in lastiger te lezen en meervoudig interpreteerbare teksten.

Drie reacties, vanuit dezelfde organisatie, beantwoorden bij vraag 3 dat er geen toelichting wordt gegeven op de gevolgen van de overgang naar kalenderjaarbekostiging voor de vordering op OCW. In de oude systematiek nemen schoolbesturen een vordering op OCW op de balans, vanwege een niet-evenredige uitbetaling van een deel van de schooljaarbekostiging. Met de overgang naar volledige kalenderjaarbekostiging vervalt de grondslag voor deze vordering. Door het verdwijnen van de vordering, wat in wezen een technische, boekhoudkundige exercitie is, daalt het eigen vermogen van besturen aan het eind van boekjaar 2022. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat scholen als geheel niet minder bekostiging ontvangen. Deze hele vereenvoudiging gebeurt immers budgetneutraal. Er gaat dus niet minder geld naar scholen. De reden dat het in de toelichting op het besluit onbenoemd blijft, is dat het vervallen van de grondslag voor de vordering geen gevolg is van het voorliggende besluit, maar een gevolg van de Wet vereenvoudiging bekostiging po. In de memorie van toelichting bij de wet, in paragraaf 3, is al op deze thematiek ingegaan.8 Via andere kanalen wordt hierover duidelijke communicatie verzorgd aan scholen. Een werkgroep, bestaande uit OCW, PO-Raad, de Inspectie van het Onderwijs en een afvaardiging van de accountants en schoolbesturen, is hiermee bezig. Zo hebben de schoolbesturen vanuit OCW een brief ontvangen waarin wordt ingegaan op deze thematiek, worden er aanbevelingen gedaan en wordt gemeld dat de inspectie coulant ermee omgaat indien schoolbesturen door deze ontwikkeling onder bepaalde signaleringswaarden komen. Ook is er een webinar georganiseerd waarin de thematiek is toegelicht en vragen zijn beantwoord.

Een reactie ziet specifiek op de schoonmaakkwaliteit binnen scholen. De respondent geeft aan, gelet op het voorstel, zorgen te hebben over schoonmaak en hygiëne in het primair onderwijs. Oorzaak van de zorgen is dat de bekostiging voor materiële instandhouding en personele bekostiging worden samengevoegd. Hierdoor wordt het volgens respondent makkelijker om te bezuinigen op schoonmaak en de vrijkomende middelen in te zetten voor andere doeleinden. Ook hier geldt dat de samenvoeging van personele en materiële bekostiging al bij de Wet vereenvoudiging bekostiging po is geregeld. Het voorliggende besluit is op dat punt slechts een technische uitwerking van de wet. De vereenvoudiging van de bekostiging heeft geen gevolgen voor de bestedingsvoorwaarden omtrent schoonmaak. In tegenstelling tot wat de respondent beweert wordt het dus niet eenvoudiger om te bezuinigen op schoonmaak. Ook op grond van de voorheen geldende besluiten konden middelen voor materiële instandhouding al ingezet worden voor personeel en andersom. Het bevoegd gezag had dus al de mogelijkheid om meer of minder van haar beschikbare middelen in te zetten voor schoonmaak. Dit sluit aan bij de sturingsfilosofie van de lumpsum, namelijk dat schoolbesturen vrij zijn om binnen de wettelijke kaders de beschikbare middelen naar eigen inzicht te besteden voor de realisatie van hun onderwijskundige doelen. Aan deze bestedingsvrijheid verandert niets.

9. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van dit besluit sluit aan bij de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging po. Deze is voor bepaalde onderdelen voorzien voor 1 februari 2022, de teldatum die gebruikt wordt voor de bekostiging ten behoeve van kalenderjaar 2023. Kalenderjaar 2023 is het eerste jaar dat via de nieuwe bekostigingssystematiek bekostigd wordt. Aangezien in 2022 via de bestaande bekostigingssystematiek bekostigd wordt, zullen enkele delen van de Wet vereenvoudiging bekostiging po en daarmee ook van dit besluit pas vanaf 1 januari 2023 in werking treden.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsbepalingen van het Besluit bekostiging WPO (hierna: het voorheen geldende besluit) op alfabetische volgorde gezet, gemoderniseerd, geactualiseerd en in overeenstemming met de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) gebracht. Een aantal begrippen, zoals hoofdgebouw, is vervallen met de intrekking van de Wet op het basisonderwijs.

Artikel 2. Gegevensverstrekking bekostiging

Dit artikel regelt welke gegevens een bevoegd gezag van een school aan de minister moet verstrekken wanneer zij voor bekostiging in aanmerking is gebracht. Het gaat dan om gegevens in aanvulling op de gegevens die ingevolge de WPO zijn vereist. Bij ministeriële regeling wordt geregeld welke gegevens het betreft.

Deze bepaling komt inhoudelijk overeen met artikel 2 van het voorheen geldende Besluit bekostiging WPO. Dit artikel is vereenvoudigd en gemoderniseerd. De in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is de Regeling voorzieningenplanning po 2021.

Artikel 3. Gegevens bij mededeling uitzonderingssituatie

Dit artikel is inhoudelijk ongewijzigd ten opzichte van de voorheen geldende artikel 5 van het voorheen geldende besluit. De tekst is wetstechnisch gewijzigd, in die zin dat het artikel is vernummerd, de verwijzingen naar de WPO zijn geactualiseerd en de begrippen zijn aangepast aan de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Dit artikel geeft een nadere invulling aan artikel 149, tweede lid, WPO (voorheen artikel 160, tweede lid, WPO). Het eerste en tweede lid zien op de uitzondering vanwege de laatste school, respectievelijk de laatste openbare school. Het derde tot en met zesde lid zien op de uitzonderingen in verband met de gemiddelde schoolgrootte.

Artikel 4. Erkenning organisatie borgstelling

Voorheen was in artikel 3 van het Besluit bekostiging WPO bepaald dat een bevoegd gezag van een bijzondere school om voor bekostiging in aanmerking te komen moest zijn aangesloten bij een organisatie die zich had borg gesteld voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen. Deze voorwaarde voor bekostiging is echter niet gesteld op wetsniveau en de wet biedt evenmin een grondslag om een dergelijke bekostigingsvoorwaarde te stellen. De bepaling is daarom gewijzigd in een verplichting voor het bevoegd gezag van een bijzondere school, waarvoor artikel 69 WPO wel een basis biedt. Verder is het opschrift van het artikel meer in overeenstemming gebracht met de inhoud van het artikel, te weten (het verzoek tot) de erkenning van de organisatie door de minister.

Artikel 5. Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school

Een nieuwe school wordt met ingang van de start van het eerste schooljaar per 1 augustus in aanmerking gebracht voor bekostiging. Het bevoegd gezag van een school kan voor aanvang van het schooljaar verzoeken om al per 1 juni een zogenaamde startbekostiging te ontvangen. De minister kan in dat geval een door hem te bepalen deel van de kosten die de startende school maakt voor een periode van twee maanden voorafgaand aan de eerste schooldag voor bekostiging in aanmerking brengen. De startbekostiging wordt eenmalig verstrekt en wordt teruggevorderd indien een school niet start en ook het daaropvolgende schooljaar nog niet gestart is of nul leerlingen heeft. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld.

Artikel 6. Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten

In artikel 3a van het Besluit bekostiging WPO was voorheen een vergelijkbare regeling opgenomen. Deze bepaling is gemoderniseerd, de tekst is verduidelijkt en de verwijzingen naar de WPO zijn geactualiseerd. Voor het overige zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.

In het eerste schooljaar dat een nieuwe school wordt bekostigd, wordt de bekostiging voor de resterende periode tot het eind van het jaar (vijf maanden: augustus tot en met december) berekend aan de hand van het aantal leerlingen op 1 oktober van dat schooljaar. Het eerste, tweede en vierde lid betreffen het voorschot op de bekostiging voor die vijf maanden. Dit voorschot wordt berekend aan de hand van het vermoedelijke aantal leerlingen op 1 oktober. Er is immers nog geen vastgestelde leerlingentelling beschikbaar.

De bekostiging voor het kalenderjaar daaropvolgend wordt berekend aan de hand van het aantal leerlingen op 1 februari van dat jaar. Ook in het jaar na aanvang van de bekostiging kan immers nog niet uitgegaan worden van een leerlingenaantal op de teldatum 1 februari t-1. De school is immers pas in augustus van dat jaar gestart. Het bevoegd gezag kan een voorschot krijgen, dat wordt gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen op 1 oktober van dat eerste schooljaar (derde en vijfde lid).

Artikel 7. Leerlingentelling

In het voorheen geldende besluit was in artikel 10 een bepaling opgenomen over de voorwaarden waaronder leerlingen in de telling worden meegenomen. Voorheen werden leerlingen niet meegeteld als ze vanaf het begin van het schooljaar tot aan de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hadden verzuimd. In verband met het verschuiven van de teldatum van 1 oktober naar 1 februari is dat echter losgelaten.

Met het eerste lid, onderdeel b, worden de zogenaamde ‘tijdelijke arrangementen’ bedoeld. Als een leerling tijdelijk buiten de school is geplaatst, wordt hij wel gewoon meegeteld voor de bekostiging als is voldaan aan de voorwaarden die daarover zijn gesteld bij amvb. Het gaat dan om de voorwaarden in artikel 4.1 van het Inrichtingsbesluit WPO (dat komt overeen met artikel 34.11 van het oude Besluit bekostiging WPO).

Artikel 8. Overzicht gegevens aantal leerlingen op de teldatum

De terugmelding van het aantal leerlingen op de teldatum was reeds onder de oude systematiek geregeld in artikel 11 van het voorheen geldende besluit. In dit artikel staat echter het onderscheid in leeftijdscategorie van de leerlingen niet meer opgenomen. Het nieuwe overzicht bestaat uit de aantallen leerlingen onderverdeeld op vestigingsniveau.

Voor zowel basisscholen als voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt onderscheid gemaakt in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen. Daartoe wordt in het derde lid verwezen naar artikel 19 van dit besluit, waarin de extra bekostiging voor Nederlands onderwijs aan anderstaligen is geregeld. Basisscholen krijgen extra bekostiging voor leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond, met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname of een van de Caribische delen van het Koninkrijk.

Bij de terugmelding worden daarnaast voor basisscholen de leerlingen onderscheiden die op een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs (IGBO) zitten. Dat in verband met de extra bekostiging, bedoeld in artikel 15.

Artikel 9. Inschrijving

De leerling wordt ingeschreven met ingang van de dag dat de leerling voor het eerst onderwijs ontvangt van de school. Uitzondering is de start van het schooljaar. Als een leerling vanaf dat moment voor het eerst onderwijs ontvangt èn op 1 augustus minimaal vier jaar oud was, moet de inschrijving per 1 augustus worden geregistreerd.

Artikel 10. Uitschrijving

Een leerling die wordt uitgeschreven na op de laatste schooldag van het schooljaar onderwijs te hebben ontvangen, krijgt als uitschrijfdatum de laatste dag van dat schooljaar (31 juli). Dit vormt een uitzondering op de regel dat de inschrijfdatum de dag van het eerste schoolbezoek en de uitschrijfdatum de dag van het laatste schoolbezoek is, waarmee wordt voorkomen dat spanning ontstaat met de Leerplichtwet 1969 doordat een volledig leerplichtige leerling op enig moment niet meer aan een school zou zijn ingeschreven. Wanneer een leerling tijdens de zomervakantie van school verandert, kan er meer dan vier weken liggen tussen de eerste schooldag van de nieuwe school en de laatste schooldag van de oude school. De oude school zal in deze situatie niet binnen 4 weken na uitschrijving een mededeling van inschrijving ontvangen die de school ertoe verplicht de uitschrijfdatum aan te laten sluiten bij de inschrijfdatum (zie hiervoor). Het hanteren van 31 juli als uitschrijfdatum en 1 augustus als inschrijfdatum voorkomt dat leerlingen bij bijvoorbeeld de overgang van het po naar het vo enige tijd niet op een school ingeschreven zouden staan.

Artikel 11. Inhoud leerlingenadministratie

Het oorspronkelijke artikel over de inhoud van de leerlingenadministratie is gemoderniseerd, in overeenstemming gebracht met de vereenvoudiging van de bekostiging zoals in het algemene deel is uiteengezet (bijvoorbeeld het schrappen onderscheid personeelskosten en kosten voor de materiële instandhouding) en de volzinnen zijn ondergebracht in aparte leden, waardoor de tekst beter toegankelijk is.

Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is ingeschreven, moet zorgdragen voor de beschikbaarheid van de gegevens van de leerlingen op de hoofdvestiging. Hierbij is het voldoende als de gegevens digitaal raadpleegbaar zijn op deze vestiging.

Artikel 12. Bewaren van gegevens

Dit artikel is inhoudelijk niet gewijzigd. Leerlinggegevens blijven in ieder geval vijf jaar na uitschrijving bewaard en worden binnen acht weken na deze termijn vernietigd.

Artikel 13. Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling

De bekostiging wordt uiterlijk op 1 januari vastgesteld voor de reguliere bekostiging op grond van de leerlingenaantallen. Voor de bekostiging van de groei, bedoeld in artikel 16, is een termijn van uiterlijk 14 weken gesteld. Voor de bedragen is bepaald dat deze kunnen worden aangepast op grond van loon- of prijsbijstellingen. Zowel voor basisscholen als voor speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat de bedragen per school verschillend kunnen worden vastgesteld als het aantal van 100 leerlingen is behaald.

Artikelen 14 tot en met 19

In deze artikelen wordt de extra bekostiging geregeld. Deze bekostiging is aangepast aan de systematiek van de Wet vereenvoudiging bekostiging po en is in het besluit ook opgenomen in de zelfde volgorde als in artikel 116, vierde lid, van de WPO. De inhoudelijke regeling is alleen voor de artikelen 14, 15 en 16 gewijzigd.

De bekostiging voor kleine en zeer kleine scholen (artikel 14) was voorheen geregeld in de artikelen 23 en 24 van het Besluit bekostiging WPO. De bekostiging voor internationaal georiënteerd basisonderwijs (artikel 15) was voorheen geregeld in artikel 29a van het Besluit bekostiging WPO. De groeibekostiging (artikel 16) was voorheen geregeld in de artikelen 29 en 30 van het Besluit bekostiging WPO. De bekostiging voor nevenvestigingen (artikel 17) was geregeld in artikel 25 Besluit bekostiging WPO. En de bekostiging voor onderwijsachterstanden (artikel 18) was geregeld in de artikelen 27 en 28 Besluit bekostiging WPO. In het algemeen deel van de nota van toelichting is in de paragrafen 3.3.1 tot en met 3.3.5 reeds ingegaan op de extra bekostiging voor respectievelijk kleine en zeer kleine scholen, internationaal georiënteerd basisonderwijs, groeibekostiging, nevenvestigingen en onderwijsachterstanden.

De bekostiging voor Nederlands onderwijs aan anderstaligen (artikel 19) valt onder de extra bekostiging voor de bestrijding van onderwijsachterstanden die de minister op grond van artikel 116, vierde lid, onderdeel e, WPO kan toekennen.

Artikel 20. Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband

Vanwege de verschuiving van de teldatum naar 1 februari is de algemene groeiregeling voor het sbo en (v)so komen te vervallen. In plaats daarvan komt er een regeling voor de situatie waarin er na 1 februari een meer dan gemiddeld aantal leerlingen wordt doorverwezen naar sbo- en (v)so-scholen. Samenwerkingsverbanden worden verplicht om in het ondersteuningsplan op te nemen hoe deze meer dan gemiddelde toename wordt vastgesteld en de wijze waarop dit financieel wordt gecompenseerd. In het gewijzigde artikel 18a van de WPO is deze eis opgenomen. In artikel 20 van het besluit zijn hier nadere regels voor opgenomen. In de eerste plaats over de datum waarop wordt vastgesteld of er sprake is van een meer dan gemiddelde toename. Deze periode moet tussen 1 februari en 1 juni liggen. Met deze bepaling is er ruimte voor samenwerkingsverbanden om, rekening houdend met de lokale situatie, een eigen moment te kiezen voor de vaststelling. Tegelijkertijd biedt het scholen zekerheid dat er niet te lang wordt gewacht met het vaststellen. In de tweede plaats wordt er geregeld welk bedrag per leerling wordt afgedragen aan de scholen. Ook dit is bedoeld om zekerheid te bieden aan de sbo- en (v)so-scholen.

Artikel 21. Samenvoeging

In dit artikel worden de voorwaarden gesteld om een institutionele fusie te kunnen classificeren als een samenvoeging. De fusie moet tijdig gemeld zijn, alle scholen die deel uitmaken van de fusie dienen meer dan 8 jaar voor bekostiging in aanmerking te zijn gekomen en de minimale doorstroom naar de fusieschool is 25%. Zie hiervoor ook paragraaf 3.4.2 van het algemene deel van deze nota van toelichting. Indien niet wordt voldaan aan deze voorwaarden, bestaat er geen recht op de bekostiging bij samenvoeging als bedoeld in artikel 117 WPO.

Artikel 22. Vermindering bekostiging bij verzelfstandiging van een vestiging

Als een deel van de school zich op een andere locatie bevindt dan de rest van de school en zich verzelfstandigd, dan telt een deel van de leerlingen mee op zowel de ‘moederschool’ als op het verzelfstandigde deel. Dit artikel regelt een mindering op de bekostiging van het overblijvende deel van de oorspronkelijke school. Zie hiervoor ook paragraaf 3.4.4 van het algemene deel van de nota van toelichting.

Artikel 23. Opheffen school

Voorheen was in artikel 4 van het Besluit bekostiging WPO een vergelijkbare regeling opgenomen. Deze bepaling is gemoderniseerd, de tekst is verduidelijkt en de verwijzingen naar de WPO zijn geactualiseerd. Voor het overige zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Zie ook paragraaf 3.4.3 van het algemene deel van de nota van toelichting.

Artikel 24. Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag

Voorheen was in artikel 34c van het Besluit bekostiging WPO een vergelijkbare regeling opgenomen. Deze bepaling is gemoderniseerd, de tekst is verduidelijkt en de verwijzingen naar de WPO zijn geactualiseerd. Voor het overige zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.

Artikel 25. Inhoudingsbedrag bij voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst

Artikel 143 WPO biedt een bevoegd gezag onder meer de mogelijkheid om scholen onder de opheffingsnorm in stand te houden door met tenminste één ander bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst te sluiten, die aan een aantal in de wet genoemde voorwaarden moet voldoen. Eén van deze voorwaarden is dat de overeenkomst voor minimaal 10 jaar wordt aangegaan.

In het vijfde lid van artikel 143 is bepaald dat de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende bevoegde gezagsorganen bij voortijdige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst aan het Rijk een bij algemene maatregel van bestuur bepaald bedrag moeten vergoeden.

De regeling over de inhouding van bekostiging bij voortijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst (voorheen artikel 5a van het Besluit bekostiging WPO) is aangepast aan de vereenvoudiging van de bekostiging. De inhouding betreft de aanvullende bekostiging voor kleine scholen, respectievelijk nevenvestigingen voor elk van de jaren dat de school respectievelijk nevenvestiging op basis van de samenwerkingsovereenkomst in stand werd gehouden.

Artikel 26. Onderzoek en correcties

Voorheen was in de artikelen 34a en 34b van het Besluit bekostiging WPO een vergelijkbare regeling opgenomen. Deze bepalingen zijn samengevoegd en gemoderniseerd, de tekst is verduidelijkt en de verwijzingen naar de WPO zijn geactualiseerd. Voor het overige zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.

Artikelen 27 tot en met 30 (Subsidiëring godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen)

Voorheen was in de artikelen 33a tot en met 33d van het Besluit bekostiging WPO eenzelfde regeling opgenomen met betrekking tot de subsidiëring van godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen. Deze artikelen zijn inhoudelijk niet gewijzigd, alleen is de tekst op enkele punten verduidelijkt en zijn de verwijzingen naar de WPO geactualiseerd.

Zie de nota van toelichting bij het Besluit van 2 april 2019 tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO en het Besluit bekostiging WEC in verband met de subsidiëring van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen (Stb. 2019, 152) voor een nadere toelichting.

Artikel 31. Intrekking Besluit bekostiging WPO

Zoals in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet, waren de wijzigingen als gevolg van de Wet vereenvoudiging bekostiging po dusdanig dat is gekozen voor een integrale herziening van het voorheen geldende Besluit bekostiging WPO. Daarmee heeft het besluit de juiste wettelijke grondslag.

Artikel 32. Wijziging Besluit bekostiging WVO 2021

Met de Wet vereenvoudiging bekostiging po zijn ook de bepalingen in de WVO met betrekking tot de bekostiging van samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het voortgezet onderwijs aangepast. Als gevolg daarvan kunnen de huidige artikelen 32 en 33 van het Besluit bekostiging WVO 2021 komen te vervallen. Artikel 32 van het Besluit bekostiging WVO 2021 stelde het leerlingafhankelijk aantal formatieplaatsen vast ten behoeve van de bekostiging van personeel van het samenwerkingsverband. Artikel 33 zag op de vaststelling van de aanvullende bekostiging voor regionale ondersteuning door samenwerkingsverbanden.

De bekostiging voor de samenwerkingsverbanden vo is nu geregeld in de artikelen 84 tot en met 87 (nieuw) WVO. Met de vereenvoudiging van de bekostiging in het po is ook voor de samenwerkingsverbanden (in zowel het po als het vo) het onderscheid tussen personele en materiële bekostiging komen te vervallen. De bekostiging voor regionale ondersteuning door de samenwerkingsverbanden vo is nu geregeld in artikel 84, vijfde lid, (nieuw) WVO en wordt op grond van het achtste lid van dat artikel verder bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarvoor is geen bepaling meer nodig op het niveau van een amvb.

Wel is, parallel aan artikel 20 van het Besluit bekostiging WPO 20xx, in het Besluit bekostiging WVO 2021 een nieuw artikel 32 toegevoegd. Vanwege de verschuiving van de teldatum naar 1 februari is de algemene groeiregeling voor het vso komen te vervallen. In plaats daarvan komt er een regeling voor de situatie waarin er na 1 februari een meer dan gemiddeld aantal leerlingen wordt doorverwezen naar vso-scholen. Samenwerkingsverbanden worden verplicht om in het ondersteuningsplan op te nemen hoe deze meer dan gemiddelde toename wordt vastgesteld en de wijze waarop dit financieel wordt gecompenseerd. In het gewijzigde artikel 17a van de WVO is deze eis opgenomen. In artikel 32 van het Besluit bekostiging WVO 2021 zijn hier nadere regels voor opgenomen. In de eerste plaats over de datum waarop wordt vastgesteld of er sprake is van een meer dan gemiddelde toename. Deze periode moet tussen 1 februari en 1 juni liggen. Met deze bepaling is er ruimte voor samenwerkingsverbanden om, rekening houdend met de lokale situatie, een eigen moment te kiezen voor de vaststelling. Tegelijkertijd biedt het scholen zekerheid dat er niet te lang wordt gewacht met het vaststellen. In de tweede plaats wordt er geregeld welk bedrag per leerling wordt afgedragen aan de scholen. Ook dit is bedoeld om zekerheid te bieden aan de vso-scholen.

Artikel 33. Wijziging Besluit informatievoorziening WPO/WEC

De wijzigingen in dit besluit betreffen slechts correcties van verwijzingen naar de juiste wetsartikelen, zoals die zijn vernummerd door de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Artikel 34. Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers
Onderdeel A (artikel 5)

Het samenwerkingsverband verstrekt niet alleen de toelaatbaarheidsverklaringen voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, maar beslist ook over de toelaatbaarheid van leerlingen tot een school voor speciaal basisonderwijs (artikel 40, achtste lid, WPO). Het speciaal basisonderwijs was nog niet opgenomen in artikel 5, tweede lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers. Voor de uitvoering van de nieuwe systematiek voor de ondersteuningsbekostiging in het speciaal basisonderwijs is het nodig dat deze gegevens worden geregistreerd in het register onderwijsdeelnemers.

Onderdeel B (artikel 8)

Deze wijziging betreft slechts de correctie, zodat wordt verwezen naar de juiste wetsbepalingen, zoals die zijn vernummerd door de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Artikel 35. Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Onderdeel C (artikel 3)

In artikel 3, eerste lid, onderdeel b, werd nog verwezen naar de inmiddels vervallen artikelen 178a, tweede lid (oud), en 178b (oud) WPO. Kennelijk is deze verwijzing over het hoofd gezien bij het Besluit register onderwijsdeelnemers (Stb. 2019, 319). Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid wordt nu aangepast overeenkomstig de wijziging die artikel 60, onderdeel D, van het Besluit register onderwijsdeelnemers destijds heeft aangebracht in vergelijkbare verwijzingen in het Besluit bekostiging WPO.

Onderdeel D (artikel 4)

Gemeenten ontvangen financiële middelen om onderwijsachterstanden te bestrijden en te voorkomen. Voor de verdeling van deze middelen wordt gebruikt gemaakt van de onderwijsachterstandenindicator van het CBS en worden jaarlijks achterstandsscores per gemeente berekend. De verdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen voor gemeenten is gebaseerd op twee teldata. Deze achterstandsscores werden tot nog toe berekend op basis van gegevens op de teldata 1 oktober t-3 en 1 oktober t-2. Met het vervroegen van de teldatum in het primair onderwijs naar 1 februari voorafgaande aan het kalenderjaar (t-1) wordt ook de teldatum voor de onderwijsachterstandenbekostiging van gemeenten gewijzigd. Door het vervroegen van de teldatum naar 1 februari is er namelijk voldoende tijd tussen februari t-1 en januari t voor het verwerken van leerlingentellingen. De berekening van de achterstandsscores wordt op die manier gebaseerd op actuelere gegevens. Vanaf 2024 zal de onderwijsachterstandenbekostiging voor gemeenten worden verdeeld op basis van de gegevens van de teldatum van 1 februari t-2 en 1 februari t-1.

In artikel 4, derde lid, is een overgangsbepaling opgenomen voor de berekening van de hoogte van de specifieke uitkering voor onderwijsachterstanden over de kalenderjaren 2022 en 2023. In die jaren wordt nog gerekend met de oude teldatum van 1 oktober. Vanaf 2024 wordt voor de onderwijsachterstandsbekostiging van gemeenten teldatum 1 februari gebruikt, net als geldt voor de bekostiging van scholen. Pas in dat jaar zijn er immers voldoende gegevens beschikbaar op de nieuwe teldatum 1 februari.

Onderdeel E (artikel 6)

Artikel 6 van het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bevatte overgangsrecht voor de jaren 2019, 2020 en 2021. Aangezien dit na 2021 materieel uitgewerkt is, kan het artikel dan komen te vervallen.

Artikel 36. Wijziging Besluit trekkende bevolking WPO

Het Besluit trekkende bevolking WPO is technisch aangepast om aan te sluiten op de Wet vereenvoudiging bekostiging po. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het besluit te moderniseren, zodat het aansluit bij de huidige praktijk.

Onderdeel A (artikel A 1)

De begripsbepaling ‘leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond’ wordt niet meer gebruikt in het Besluit trekkende bevolking WPO en komt daarom te vervallen.

Onderdelen B, C en T (artikelen A 2, A 3 en C 17)

Artikel A 2 en artikel C 17 zijn aangepast op de vernummeringen die de Wet vereenvoudiging bekostiging po in de WPO heeft aangebracht.

Artikel A 3 (oud) bepaalde dat artikel 3a, zesde lid, van het Besluit bekostiging WPO (oud) van overeenkomstige toepassing is op scholen als bedoeld in het Besluit trekkende bevolking WPO. In artikel 3a, zesde lid, van het Besluit bekostiging WPO (oud) was bepaald dat een school die op de teldatum geen leerlingen heeft, niet voor bekostiging in aanmerking komt. Dit is nu bepaald in artikel 69, zesde lid (nieuw), van de WPO. Daarom is een verwijzing naar artikel 69, zesde lid, WPO toegevoegd aan artikel A 2 van het Besluit trekkende bevolking WPO.

Onderdelen D en E (artikelen B 1 en B 5)

Artikel B 1 is aangepast aan de huidige praktijk. Kinderen van wie de ouders in het kermisbedrijf, onderscheidenlijk het circusbedrijf werkzaam zijn volgen buiten het kermisseizoen of circusseizoen veelal onderwijs aan een reguliere basisschool, waar ze ook als leerling ingeschreven staan. Omdat er in de praktijk geen sprake meer is van een vast rust- en reisseizoen is de bepaling over het indienen van een reisplan (artikel B 5) geschrapt.

Daarnaast is ook verduidelijkt dat vanwege praktische overwegingen afstandsonderwijs ingezet kan worden, bijvoorbeeld als een kermis of circus in het buitenland reist met slechts enkele leerlingen.

Onderdelen G, H, I (artikelen B 15 tot en met B 18) en O (wat betreft artikel C 12)

Met deze onderdelen worden de bepalingen over de bekostiging van rijdende scholen aangepast aan de vereenvoudiging. De artikelen B 16 (oud) en B 16a, eerste lid (oud), komen terug in artikel B 15, eerste en tweede lid (nieuw). Artikel B 16a, tweede lid (oud), komt terug in artikel B 16 (nieuw). Door de vereenvoudiging van de bekostiging zijn de artikelen B 16b, B 16g, B 16l en B 18 (oud) achterhaald. Hiervoor in de plaats is artikel B 15, derde lid (nieuw), in het besluit opgenomen.

Wat betreft aanvullende bekostiging bij bijzondere omstandigheden is in artikel A 2 van het Besluit trekkende bevolking WPO nu artikel 120 (nieuw) van de WPO van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen is, parallel aan artikel 119 (nieuw) van de WPO, in de artikelen B 16 (nieuw) en C 12 (nieuw) een bepaling opgenomen die de mogelijkheid biedt om bij ministeriële regeling hierover regels te stellen. Zo kan bij ministeriële regeling bepaald worden of een specifieke bijzondere ontwikkeling die bijvoorbeeld aanleiding vormt voor de toekenning van aanvullende bekostiging aan basisscholen ook van toepassing dient te worden verklaard op rijdende scholen, op de school voor varende kinderen, of op beide.

Het leerlingenaantal van een rijdende school speelt geen (directe) rol bij de vaststelling van de bekostiging van de school. De bekostiging wordt vastgesteld op een vast bedrag per school (artikel B 15, derde lid). Leerlingenaantallen spelen voor rijdende scholen alleen een rol bij de beëindiging van de bekostiging. Daarvoor is in artikel B 21a (nieuw) een bepaling opgenomen. Die bepaling vervangt artikel B 16c (oud), op grond waarvan de school het leerlingenaantal op 1 oktober diende op te geven.

Onderdelen K, Q en S (artikel B 21, C 15 en C 16.1)

Deze bepalingen over het betaalritme zijn aangepast aan de vereenvoudiging van de bekostiging, waarin er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen bekostiging voor personeel en voor materiële instandhouding.

Onderdelen L en M (artikelen B 21a en B22)

Net als bij andere scholen geldt er een opheffingsnorm voor de rijdende scholen (artikel B 22, eerste lid). De bekostiging van een rijdende school wordt beëindigd indien het aantal leerlingen van alle rijdende scholen onder een bevoegd gezag gedurende drie achtereenvolgende jaren per school gemiddeld telkens minder heeft bedragen dan 10. Het bevoegd gezag verstrekt jaarlijks, via het jaarverslag, informatie over het aantal leerlingen waaraan onderwijs verzorgd is (artikel B 21a).

Op grond van artikel A 2 van het Besluit trekkende bevolking WPO is artikel 8 van de WPO van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag is er dus voor verantwoordelijk dat ook aan de rijdende school het onderwijs zodanig is ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het onderwijs is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van het kind (artikel 8, eerste lid, WPO), mede met behulp van een leerling- en onderwijsvolgsysteem (artikel 8, zesde lid, WPO).

Onderdelen N (artikel C 10) en O (wat betreft artikel C 11)

De verwijzingen in artikel C 10 zijn aangepast aan het Besluit bekostiging WPO 20xx. Ten opzichte van het voorheen geldende besluit is naast artikel 7, vierde lid, (vergelijk artikel 10, vierde lid, van het oude Besluit bekostiging WPO) nu ook het tweede en derde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing verklaard.

De Wet register onderwijsdeelnemers en het Besluit register onderwijsdeelnemers zijn van toepassing op de school voor varende kinderen. Een afzonderlijke opgave bij de minister van het aantal leerlingen op de school, zoals voorheen geregeld in artikel C 11, derde lid, tweede volzin, is daarom niet langer nodig. Bij de vaststelling van de bekostiging wordt wat betreft het aantal aan de school ingeschreven leerlingen, net als bij (reguliere) basisscholen, uitgegaan van de gegevens die in het register onderwijsdeelnemers geregistreerd staan.

Onderdelen U en V

De artikelen G 1 (oud), G 1.a en G 1.b zijn materieel uitgewerkt en komen daarom te vervallen. In het nieuwe artikel G 1 wordt de juiste grondslag voor het Besluit trekkende bevolking WPO aangegeven.

Artikel 37. Wijziging Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds

De wijzigingen in dit besluit betreffen slechts correcties van verwijzingen naar de juiste wetsartikelen, zoals die zijn vernummerd door de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Artikel 38. Wijziging Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs

De wijzigingen in dit besluit betreffen slechts correcties van verwijzingen naar de juiste wetsartikelen, zoals die zijn vernummerd door de Wet vereenvoudiging bekostiging po.

Artikel 39. Citeertitel

Ter onderscheiding van het voorheen geldende Besluit bekostiging WPO wordt dit besluit aangehaald als Besluit bekostiging WPO 20xx, met het jaartal waarin het Besluit wordt vastgesteld.

Artikel 40. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de vaste verandermomenten.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Bijlage, behorende bij de nota van toelichting bij het Besluit bekostiging WPO 20xx

Transponeringstabel oud (Besluit bekostiging WPO) naar nieuw (Besluit bekostiging WPO 20xx)

Artikel oud

Artikel nieuw

Opmerkingen

1 (Begripsbepalingen)

1

 

2 (Gegevens en bescheiden nieuwe scholen en scholen die met toepassing van artikel 84, 87 of 88 van de wet voor bekostiging in aanmerking komen)

2

 

3 (Borgstelling)

4

 

3a (Aanvang van de bekostiging)

5 en 6

 

3b (Vaststelling bevoorschotting en verrekening van voorschotten)

6

 

4 (Opheffing van een school)

23

 

5 (Gegevens bij mededeling bevoegd gezag over uitzonderingssituatie)

3

 

5a (Inhoudingsbedrag bij voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst)

25

 

6 (Inhoud leerlingenadministratie)

11

 

7 (Inschrijving)

9

 

8 (Uitschrijving)

10

 

9 (Bewaren van gegevens)

12

 

10 (Leerlingentelling)

7

 

11 (Terugmelding gegevens aantal leerlingen op de teldatum)

8

 

11a (Verstrekken gewogen gemiddelde leeftijd leraren)

 

11b (Verklaring bevoegd gezag)

 

12a (Vaststelling en nadere vaststelling bekostiging materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding)

13

 

13 (Maandelijkse betaling)

 

14 (Normatieve vaststelling schoolgrootte basisscholen en getal artikel 134, achtste lid, van de wet)

 

16 (Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding)

 

16a (Bekostiging materiële instandhouding nieuwe school)

 

17 (Omvang vergoeding uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding)

 

18 (Vaststelling bekostiging en latere wijziging bekostiging)

13

 

19 (Betaalritme)

Op grond van artikel 116, zesde lid, WPO zal het betaalritme voortaan bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

19a (Bekostiging personeelskosten nieuwe school)

 

20 (Formatie per leerling t.b.v. berekening bedrag per leerling)

 

21 (Bekostiging voor ondersteuningsvoorzieningen speciale school voor basisonderwijs)

 

22 (Vaststelling bedragen

 

23 (Aanvullende bekostiging voor zeer kleine basisscholen

14

 

24 (Aanvullende bekostiging voor kleine basisscholen

14

 

25 (Aanvullende bekostiging voor personeelskosten ten behoeve van basisscholen met een of meer nevenvestigingen

17

 

26 (Aanvullende bekostiging voor de schoolleiding)

 

27 (Achterstandsscore basisscholen)

18, tweede t/m negende lid

 

28 (Berekening aanvullende bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding)

18, eerste lid

 

29 (Aanvullende bekostiging personeelskosten bij reguliere groei)

16

 

29a (Aanvullende bekostiging personeelskosten voor internationaal georiënteerd basisonderwijs)

15

 

30 (Aanvullende bekostiging personeelskosten bijzondere groei)

16

 

31 (Personele ondersteuningsbekostiging samenwerkingsverbanden)

 

32 (Overdracht bekostiging personeelskosten aan speciale school voor basisonderwijs bij toename van het aantal leerlingen na 1 oktober en bij deelname boven 2%)

 

33 (Overdracht bekostiging personeelskosten aan speciale school voor basisonderwijs bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband)

 

33a (Subsidieverstrekking)

27

 

33b (Subsidiebedrag)

28

 

33c (Nadere regels groepsgrootte en schooljaren)

29

 

33d (Weigeringsgronden)

30

 

34.1 (Uitgangspunten bij meting leerresultaten)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.4 (Ministeriële regeling totstandkoming beoordeling en correctie meting leerresultaten)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.5 (Procedure wijziging systematiek beoordeling leerresultaten)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.6 (Meting onmogelijk of gegevens incompleet)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.6a (Monitor veiligheid op school)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.7 (Ontwikkelingsperspectief)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.8 (Deskundigen samenwerkingsverband)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.9 (Tijdelijke landelijke geschillencommissie toelating en verwijdering)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.10 (Voorwaarden inrichting orthopedagogisch-didactische centra)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.11 (Voorschriften aan meetellen onderwijstijd op andere school of instelling)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34.12 (Percentage onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

34a (Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging)

26, eerste t/m vierde lid

 

34b (Betaling i.v.m. correcties)

26, vijfde lid

 

34c (Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag)

24

 

35 (Overgangsbekostiging samenwerkingsverband)

 

35a (Overgangsbepaling her te besteden bedrag)

 

35b (Vereveningspercentages passend onderwijs)

 

36 (Overleg over niet herplaatst personeel)

Materieel uitgewerkt

36a (Overgangsbekostiging onderwijsachterstandenbestrijding)

Materieel uitgewerkt per 1 augustus 2022

37 (Citeertitel)

39

 

38 (Dubbelwijziging artikel 34.6)

Naar Inrichtingsbesluit WPO

Transponeringstabel van nieuw (Besluit bekostiging WPO 20xx) naar oud (Besluit bekostiging WPO)

Artikel nieuw

Artikel oud

Opmerkingen

1 (Begripsbepalingen)

1

 

2 (Gegevensverstrekking aanvang bekostiging)

2

 

3 (Gegevens bij mededeling uitzonderingssituatie)

5

 

4 (Erkenning organisatie borgstelling)

3

 

5 (Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school)

3a, eerste en tweede lid

 

6 (Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten)

3a, derde lid

 

7 (Leerlingentelling)

10

 

8 (Overzicht aantal leerlingen)

11

 

9 (Inschrijving)

7

 

10 (Uitschrijving)

8

 

11 (Inhoud leerlingenadministratie)

6

 

12 (Bewaren gegevens)

9

 

13 (Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling)

12a en 18

 

14 (Extra bekostiging (zeer) kleine basisscholen)

23 en 24

 

15 (Extra bekostiging internationaal georiënteerd basisonderwijs)

29a

 

16 (Extra bekostiging groei)

29 en 30

 

17 (Extra bekostiging een of meer nevenvestigingen)

25

 

18 (Extra bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding)

27 en 28

 

19 (Extra bekostiging Nederlands onderwijs anderstaligen)

 

20 (Periode bepalen meer dan gemiddelde toename door samenwerkingsverband)

 

21 (Samenvoeging)

 

22 (Vermindering bekostiging bij verzelfstandiging van een vestiging)

 

23 (Opheffen school)

4

 

24 (Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag)

34c

 

25 (Inhoudingsbedrag voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst)

5a

 

26 (Onderzoek en correcties)

34a en 34b

 

27 (Subsidieverstrekking)

33a

 

28 (Subsidiebedrag)

33b

 

29 (Hoogte subsidiebedrag)

33c

 

30 (Weigeringsgronden subsidie)

33d

 

31 (Intrekking Besluit bekostiging WPO)

 

32(Wijziging Besluit bekostiging WVO 2021)

 

33 (Wijziging Besluit informatievoorziening WPO/WEC)

 

34 (Wijziging Besluit register onderwijsdeelnemers)

 

35 (Wijziging Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid)

 

36 (Wijziging Besluit trekkende bevolking WPO)

 

37 (Wijziging Besluit Vervangingsfonds en Participatiefonds)

 

38 (Wijziging Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs)

 

39 (Citeertitel)

37

 

40 (Inwerkingtreding)

 

X Noot
1

Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (vereenvoudiging bekostiging po) (Stb. 2021, 171).

X Noot
2

Kamerstukken II 2020/21, 35 605, nr. 3.

X Noot
3

Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs, 10 juli 2014. Kamerstukken II 2013/14, 31 293, nr. 211.

X Noot
4

Zie artikel 12a, eerste lid, en artikel 18, eerste lid, Besluit bekostiging WPO.

X Noot
5

Kamerstukken II 2020/21, 35 605, nr. 3.

X Noot
6

Kamerstukken II 2020/21, 35 605, nr. 3, p. 29.

X Noot
8

Kamerstukken II 2020/21, 35 605, nr. 3, p. 23.

Naar boven