﻿<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<officiele-publicatie xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://technische-documentatie.oep.overheid.nl/repository/schemas/op-consolidated/op-consolidated_2014-05-15/xsd/op-xsd-2014-05-15.xsd">
  <metadata>
    <meta name="OVERHEIDop.externMetadataRecord" scheme="" content="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-31990/metadata.xml" />
  </metadata>
  <kop>
    <titel>STAATSCOURANT</titel>
    <subtitel>Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.</subtitel>
  </kop>
  <staatscourant>
    <intitule>Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende tot wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met vaststellen van een maximumtermijn aan het kunnen aftrekken van bepaalde eenmalige uitkeringen van de vermogensgrondslag en een wijziging in het vermogensbegrip voor toepassing van de compensatie vervallen ouderentoeslag</intitule>
    <adviesRvS>
      <nader-rapport>
        <kop>
          <titel>Nader Rapport</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="datum">15 november 2022</context.al>
          <context.al type="kenmerk">3464788-1034996-WJZ</context.al>
          <context.al type="origine">Directie Wetgeving en Juridische Zaken</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>
              <nadruk type="vet">Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, houdende tot wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met vaststellen van een maximumtermijn aan het kunnen aftrekken van bepaalde eenmalige uitkeringen van de vermogensgrondslag en een wijziging in het vermogensbegrip voor toepassing van de compensatie vervallen ouderentoeslag</nadruk>
            </al>
            <al>Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 27 september 2022, no. 2022002038, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 2 november 2022, no. W13.22.00113/III, bied ik U hierbij aan.</al>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerp-besluit en adviseert het besluit te nemen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt enkele louter tekstuele verbeteringen en verduidelijkingen in het ontwerpbesluit en nota van toelichting aan te brengen.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>Ik moge U, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De Minister voor Langdurige Zorg en Sport,</functie>
            <naam>
              <voornaam>C.</voornaam>
              <achternaam>Helder.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </nader-rapport>
      <advies>
        <kop>
          <titel>Advies Raad van State</titel>
        </kop>
        <context>
          <context.al type="kenmerk">No. W13.22.00113/III</context.al>
          <context.al type="datum">’s-Gravenhage, 2 november 2022</context.al>
        </context>
        <vrije-tekst>
          <tekst status="goed">
            <al>Aan de Koning</al>
            <al>Bij Kabinetsmissive van 27 september 2022, no.2022002038, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, in overeenstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met vaststellen van een maximumtermijn aan het kunnen aftrekken van bepaalde eenmalige uitkeringen van de vermogensgrondslag en een wijziging in het vermogensbegrip voor toepassing van de compensatie vervallen ouderentoeslag, met nota van toelichting.</al>
          </tekst>
        </vrije-tekst>
        <tekst-sluiting>
          <slotformulering>
            <al>De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.</al>
          </slotformulering>
          <ondertekening>
            <functie>De vice-president van de Raad van State,</functie>
            <naam>
              <voornaam>Th.C. de</voornaam>
              <achternaam>Graaf.</achternaam>
            </naam>
          </ondertekening>
        </tekst-sluiting>
      </advies>
      <object_van_advies>
        <kop>
          <titel>Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ......... houdende wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in verband met vaststellen van een maximumtermijn aan het kunnen aftrekken van bepaalde eenmalige uitkeringen van de vermogensgrondslag en een wijziging in het vermogensbegrip voor toepassing van de compensatie vervallen ouderentoeslag</titel>
        </kop>
        <wet-besluit>
          <aanhef>
            <wij>Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.</wij>
            <considerans>
              <considerans.al bevat="voordracht">Op de voordracht van Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 september 2022, kenmerk 3437561-1034996-WJZ;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="grondslag">Gelet op artikel 3.2.5, tweede lid, van de Wet langdurige zorg en artikel 2.1.4a, zevende lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gehoord">De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van ........., no. .........;</considerans.al>
              <considerans.al bevat="gezien">Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport ......... van ........., kenmerk .........;</considerans.al>
            </considerans>
            <afkondiging>
              <al>Hebben goedgevonden en verstaan:</al>
            </afkondiging>
          </aanhef>
          <wettekst>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">I</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Het Besluit langdurige zorg wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                <wat>Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In de omschrijving van het begrip <nadruk type="cur">compensatie vervallen ouderentoeslag</nadruk> wordt ‘eerste tot en met derde lid’ vervangen door ‘eerste en tweede lid’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:</wat>
                  <artikeltekst>
                    <definitielijst nr-sluiting="." plaatsing="inline" type="ongemarkeerd">
                      <definitie-item>
                        <term>grondslag sparen en beleggen:</term>
                        <definitie>
                          <al>grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;</al>
                        </definitie>
                      </definitie-item>
                    </definitielijst>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>Aan het slot van de omschrijving van het begrip <nadruk type="cur">vermogensinkomensbijtelling</nadruk> wordt toegevoegd ‘, derde lid’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                <wat>Aan artikel 3.3.1.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                <wat>Artikel 3.3.1.2a wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>Het eerste lid komt te luiden:</wat>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt de som van:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>de vermogensinkomensbijtelling,</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <al>doch ten hoogste 6,8% vermenigvuldigd met 25.000.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot het tweede en derde lid.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>In het tweede lid (nieuw) wordt ‘Het eerste en tweede lid zijn’ vervangen door ‘Het eerste lid is’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                <wat>Artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>Onder 4° wordt ‘4% van dat vermogen,’ vervangen door ‘4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b,’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>Onder 5° wordt ‘4% van zijn vermogen,’ vervangen door ‘4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b,’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
            </wijzig-artikel>
            <wijzig-artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">II</nr>
              </kop>
              <wat type="wijziging">Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">A</lidnr>
                <wat>Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>In de omschrijving van het begrip <nadruk type="cur">compensatie vervallen ouderentoeslag</nadruk> wordt ‘eerste tot en met derde lid’ vervangen door ‘eerste en tweede lid’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:</wat>
                  <artikeltekst>
                    <definitielijst nr-sluiting="." plaatsing="inline" type="ongemarkeerd">
                      <definitie-item>
                        <term>grondslag sparen en beleggen:</term>
                        <definitie>
                          <al>grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;</al>
                        </definitie>
                      </definitie-item>
                    </definitielijst>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>Aan het slot van de omschrijving van het begrip <nadruk type="cur">vermogensinkomensbijtelling</nadruk> wordt toegevoegd ‘, derde lid’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">B</lidnr>
                <wat>Aan artikel 3.2 van wordt een lid toegevoegd, luidende:</wat>
                <wijziging>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">5.</lidnr>
                      <al>Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">C</lidnr>
                <wat>Artikel 3.2a wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>Het eerste lid komt te luiden:</wat>
                  <artikeltekst>
                    <lid>
                      <lidnr status="officieel">1.</lidnr>
                      <al>De compensatie vervallen ouderentoeslag bedraagt de som van:</al>
                      <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b, en</al>
                        </li>
                        <li>
                          <li.nr>–</li.nr>
                          <al>de vermogensinkomensbijtelling,</al>
                        </li>
                      </lijst>
                      <al>doch ten hoogste 6,8% vermenigvuldigd met 25.000.</al>
                    </lid>
                  </artikeltekst>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot het tweede en derde lid.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <wat>In het tweede lid (nieuw) wordt ‘Het eerste en tweede lid zijn’ vervangen door ‘Het eerste lid is’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
              <wijzig-lid>
                <lidnr status="officieel">D</lidnr>
                <wat>Artikel 3.13 eerste lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:</wat>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <wat>Onder 4° wordt ‘4% van dat vermogen,’ vervangen door ‘4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b,’.</wat>
                </wijziging>
                <wijziging>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <wat>Onder 5° wordt ‘4% van zijn vermogen,’ vervangen door ‘4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a en b,’.</wat>
                </wijziging>
              </wijzig-lid>
            </wijzig-artikel>
            <artikel status="goed">
              <kop>
                <label>ARTIKEL</label>
                <nr status="officieel">III</nr>
              </kop>
              <al>Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.</al>
            </artikel>
          </wettekst>
          <wetsluiting status="goed">
            <slotformulering>
              <al>Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.</al>
            </slotformulering>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister voor Langdurige Zorg en Sport,</functie>
            </ondertekening>
          </wetsluiting>
          <nota-toelichting>
            <kop>
              <titel>NOTA VAN TOELICHTING</titel>
            </kop>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <nr status="officieel">I.</nr>
                <titel>Algemeen deel</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">1.</nr>
                  <titel>Inleiding</titel>
                </kop>
                <al>Voor zorg of ondersteuning op basis van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), kan een eigen bijdrage worden geheven. De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld aan de hand van het fiscale inkomen van de persoon en een bijtelling van 4% van het vermogen<noot id="n1" type="voet"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Voor ondersteuning die wordt geleverd op grond van de Wmo 2015 geldt alleen voor beschermd wonen een eigen bijdrage die inkomens- en vermogensafhankelijk is.</noot.al></noot>. Met dit besluit zijn per 1 januari 2023 twee wijzigingen doorgevoerd die verband houden met de relevante vermogensbegrippen:</al>
                <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                  <li>
                    <li.nr>1.</li.nr>
                    <al>Het creëren van een grondslag op basis waarvan bij ministeriële regeling een beperking in de jaren waarin bepaalde vermogensuitzonderingen worden toegepast bij de berekening van de vermogensinkomensbijtelling, kan worden vastgesteld, en</al>
                  </li>
                  <li>
                    <li.nr>2.</li.nr>
                    <al>Technische aanpassingen van het vermogensbegrip dat wordt gehanteerd bij de toepassing van de compensatie vervallen ouderentoeslag (hierna CVO).</al>
                  </li>
                </lijst>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">2.</nr>
                  <titel>Berekeningsjaren vermogensuitzonderingen</titel>
                </kop>
                <al>In bepaalde bijzondere omstandigheden kunnen uitzonderingen worden gemaakt waardoor een bepaald bedrag niet wordt meegerekend bij het vaststellen van het vermogen, bijvoorbeeld bij de uitkeringen die gedaan worden in het kader van de regelingen inzake de hersteloperatie kinderopvangtoeslag<noot id="n2" type="voet"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Artikel 9quater van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.</noot.al></noot>. Voor zover het vermogen doorwerkt in het inkomen zijn dat vrijstellingen op grond van artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Waar het gaat om vrijstellingen van de vermogensinkomensbijtelling vinden die vrijstellingen plaats op grond van artikel 3.3.1.2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit langdurige zorg (hierna: Blz) en artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna: Uvb Wmo 2015). In die artikelen is geregeld dat het vermogen van een persoon de aan die persoon toe te rekenen rendementsgrondslag is (de ‘vermogensgrondslag’). Van deze grondslag wordt, op aanvraag van de verzekerde, de op basis van artikel 47 van de Awir aangewezen eenmalige uitkeringen afgetrokken. Deze uitkeringen worden genoemd in de Uitvoeringsregeling Awir.</al>
                <al>Sommige van de in de Uitvoeringsregeling Awir genoemde vermogenstoetsuitzonderingen kennen bij de daar genoemde vermogenstoets een beperking in berekeningsjaren. Dit betekent dat de vermogenstoetsuitzonderingen uitsluitend van toepassing zijn gedurende een aantal berekeningsjaren volgend op het kalenderjaar waarin de bezitting verkregen werd. De beperking in berekeningsjaren is in de Uitvoeringsregeling Awir voor de bestaande eenmalige uitkeringen vastgesteld op drie of in een enkel geval op één jaar.</al>
                <al>De Uitvoeringsregeling Awir voorziet in een aantal vermogensuitzonderingen voor de huur- en zorgtoeslag en voor het kindgebonden budget die qua duur beperkt zijn tot drie jaar. Deze beperking geldt op dit moment niet voor de eigen bijdrage die geheven wordt op basis van het Blz en het Uvb Wmo 2015 (beschermd wonen). Om de vermogensuitzondering tussen de Uitvoeringsregeling Awir en de vermogensuitzondering voor het Blz en Uvb Wmo 2015 gelijk te kunnen trekken, is in artikel 3.3.1.2 van het Blz en artikel 3.2 van het Uvb Wmo 2015 een delegatiegrondslag opgenomen. Bij ministeriële regeling kan zo worden aangesloten bij de regels van de Uitvoeringsregeling Awir, waardoor de regels voor de vermogensaftrek in verschillende domeinen gelijk lopen. Hierdoor ontstaat duidelijkheid voor de ontvangers van deze uitkeringen.</al>
                <al>Deze wijziging is niet via internet geconsulteerd omdat het besluit om het Blz en het Uvb Wmo 2015 aan te passen een aansluiten betreft aan de Uitvoeringsregeling Awir. Bovendien en vooral is de ongelijkheid tussen het Blz en UvB Wmo 2015 enerzijds en de Uitvoeringsregeling Awir anderzijds pas recent geconstateerd, maar dient deze wijziging wel per 1 januari 2023 in werking te treden. Indien deze wijziging namelijk niet op 1 januari in werking treedt, kan het CAK de toepassing van vermogensuitzonderingen niet, in lijn met de Uitvoeringsregeling Awir, per 2023 maximeren voor 1 of 3 jaar. Diverse vermogensuitzonderingen die de afgelopen jaren, eenmalig, zijn uitgekeerd zullen vanwege de berekensystematiek voor de eigen bijdrage (t-2) vanaf precies dat moment meegenomen kunnen worden. Een latere inwerkingtreding zorgt ervoor dat deze eenmalige uitkeringen niet meer voor 3 jaar kunnen worden meegenomen in de berekening en dit is onwenselijk.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">3.</nr>
                  <titel>Aanpassing vermogensbegrip voor de compensatie vervallen ouderentoeslag</titel>
                </kop>
                <al>Met de inwerkingtreding van de ‘Wet aanpassing box 3’ is het heffingvrije vermogen voor de berekening van de inkomensbelasting per 1 januari 2021 verhoogd van € 30.846 naar € 50.000, of met een fiscaal partner van € 61.692 naar € 100.000. Met het Besluit van 22 augustus 2022 (<extref doc="stb-2022-346" soort="document" status="actief">Stb. 2022, 346</extref>) zijn het Blz en het Uvb Wmo 2015 zo gewijzigd dat die verhoging van het heffingvrije vermogen niet doorwerkt in de berekening van de hoogte van de eigen bijdragen voor Wlz-zorg en het beschermd wonen in de Wmo 2015. In dat besluit is doorwerking van die verhoging voorkomen door per 1 januari 2023 niet langer uit te gaan van de grondslag sparen en beleggen (artikel 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001, hierna Wet IB 2001), maar van de rendementsgrondslag (artikel 5.3 van die wet) voor zover deze hoger is dan het in artikel 9.4 van die wet genoemde bedrag van € 31.340 of € 62.680 bij een fiscaal partnerschap (bedragen peiljaar 2021).</al>
                <al>De wijzigingen in de gehanteerde vermogensbegrippen zijn echter ook van belang voor de toepassing van de CVO. Per abuis is de benodigde wijziging voor de CVO niet meegenomen in besluit <extref doc="stb-2022-346" soort="document" status="actief">Stb. 2022, 346</extref>. Met onderhavig besluit zijn artikel 3.3.1.2a van het Blz en artikel 3.2a van het Uvb Wmo 2015 zo aangepast, dat bij de berekening vanaf 1 januari 2023 alsnog wordt uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen in plaats van de rendementsgrondslag. Deze wijzigingen zijn nodig om de eerste twee van drie stappen van de CVO op een juiste wijze toe te passen.</al>
                <al>In de eerste plaats wordt een inkomensgrens gehanteerd om te bepalen of een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, in aanmerking komt voor de compensatie. In peiljaar 2021 moet het inkomen lager zijn dan € 21.203. Deze inkomensgrens is gebaseerd op het verzamelinkomen minus het inkomen uit vermogen (dus enkel box 1- en box 2-inkomen, niet het inkomen uit box 3). Artikel 3.3.2.3 Blz, eerste lid, onderdeel b, onder 4° en 5°, Blz en artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4° en 5°, Uvb Wmo 2015 geven aan dat 4% van het ‘vermogen’ af moet worden getrokken van het inkomen van mensen om de gewenste uitkomst te krijgen. Via de begripsbepalingen van ‘vermogen’ in het Blz en het UvB Wmo 2015 werd oorspronkelijk verwezen naar de grondslag sparen en beleggen (artikel 5.2 Wet IB 2001). Met de wijziging van het Blz en het Uvb Wmo 2015 van [PM] wordt daarmee de rendementsgrondslag in de zin van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 bedoeld. Voor de inkomenseis bij de toepassing van de CVO moet echter ook vanaf 2023 nog worden verwezen naar de grondslag sparen en beleggen (artikel 5.2 Wet IB 2001) om het inkomen uit box 1 en box 2 van de Wet IB 2001 te benaderen.</al>
                <al-groep>
                  <al>Voldoet de persoon aan dit inkomensvereiste, dan wordt de CVO berekend zonder dat rekening wordt gehouden met het maximum. In deze stap is een wijzing nodig omdat de ongemaximeerde CVO tot 1 januari 2023 was gebaseerd op 8% van de grondslag sparen en beleggen. Die 8% was gebaseerd op de vermogensinkomensbijtelling (4%) en een additionele 4% van het vermogen. Vanaf 1 januari 2023 wordt echter een onderscheid gemaakt in de berekening:</al>
                  <lijst level="single" nr-sluiting="." start="1" type="expliciet">
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Bij de 4% van de vermogensinkomensbijtelling wordt vanaf 2023 uitgegaan van het ‘nieuwe’ vermogensbegrip zoals dat is omschreven in artikel 3.3.1.2 Blz en artikel 3.2 Uvb Wmo 2015. Dat betekent grofweg dat het vermogen is gebaseerd op de rendementsgrondslag en een aftrek kent als genoemd in artikel 9.4, eerste lid, onder c, Wet IB 2001, net als bij de inkomenseis.</al>
                    </li>
                    <li>
                      <li.nr>•</li.nr>
                      <al>Bij de 4% die additioneel aan vermogen wordt meegenomen moet echter ook in vanaf 2023 worden uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen. Die grondslag kent op grond van artikel 5.5 van de Wet IB 2001 een hoger vrijgesteld vermogen dan het bedrag genoemd in artikel 9.4 van die wet. Door rekening te houden met dat hoger vrijgesteld vermogen is de grondslag kleiner en krijgen mensen niet ten onrechte een hogere CVO (voor zover het maximum niet is bereikt, zie toelichting hieronder).</al>
                    </li>
                  </lijst>
                </al-groep>
                <al>De derde stap is het hanteren van het maximumbedrag van de CVO: € 1.700 per persoon. De hoogte en berekening van dit maximum blijven ongewijzigd, maar is per 1 januari 2023 redactioneel aangepast. Voorheen werd nadrukkelijk aangegeven dat het bepalen van de korting plaatsvindt door de som van het percentage van de vermogensinkomensbijtelling (4%) en 2,8% te vermenigvuldigen met € 25.000. Het percentage van 2,8% was het resultaat van de doorwerking van het toenmalige fictief rendement van 4% in het verzamelinkomen minus 1,2% van de daarover te betalen belasting. Omdat deze achtergrond door de fiscale wijzigingen in de rendementsberekening van vermogen niet langer herkenbaar zal zijn, wordt voortaan eenvoudigweg aangegeven dat het maximum de uitkomst van 6,8% van € 25.000 bedraagt. In het geval het percentage van de vermogensinkomensbijtelling naar boven of beneden wordt aangepast, zal worden bezien of dit gevolgen heeft voor het percentage dat wordt gehanteerd om de maximale CVO te berekenen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">4.</nr>
                  <titel>Uitvoerbaarheid</titel>
                </kop>
                <al>Het CAK heeft op 12 augustus 2022 een zogeheten ‘lichte’ uitvoeringstoets uitgebracht over de vermogensuitzonderingen. Het CAK heeft aangegeven de eerder beschreven vermogenstoetsuitzonderingen met ingang van 1 januari 2023 binnen de eigen bijdrage regelingen uit te kunnen voeren. Wel is voor het CAK van belang dat tijdig een opdracht moet zijn gegeven voor implementatie, er sprake moet zijn van gelijkluidende wetgeving in zowel de Awir, het Blz als het Uvb Wmo 2015. Ook is voor het CAK van belang dat de wijziging alleen geldt voor de sinds 2020 in de Uitvoeringsregeling Awir opgenomen vermogenstoetsuitzonderingen. De aanpassingen die zien op de toepassing van de CVO zijn van technische aard. Deze kunnen vanaf 1 januari 2023 worden toegepast door het CAK.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">5.</nr>
                  <titel>Financiële gevolgen</titel>
                </kop>
                <al>Wat betreft de financiële gevolgen voor de burgers zij opgemerkt dat de vermogensuitzondering van drie jaar gelijk is aan de termijn van drie jaar genoemd in de Uitvoeringsregeling Awir wat betreft de mogelijkheid deze in een aantal gevallen buiten beschouwing te laten voor de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Met de termijn van drie jaar is een balans gevonden tussen enerzijds de mogelijkheid om onbelemmerd een compensatie te kunnen ontvangen in de genoemde gevallen en anderzijds een termijn te stellen aan de inzet van de compensatie bij het bepalen van de hoogte van het vermogen. Verwacht mag worden dat gezien de hoogte van de uitkeringen deze op gegeven moment uit het vermogen verdwijnen en er alleen daarom al geen onbeperkt beroep mogelijk moet zijn deze uit te zonderen van het vermogen. Onbeperkte mogelijkheid tot het aanvragen van een uitzondering in deze gevallen zou ook een onevenwichtigheid meebrengen in vergelijking met degenen die niet de mogelijkheid hebben een vermogensuitzondering aan te vragen.</al>
                <al>Vanwege de beperkte benodigde capaciteit voor de implementatie is voor het uitvoeren van deze regeling geen begroting opgesteld en worden deze activiteiten binnen de huidige begroting van het CAK opgevangen.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">6.</nr>
                  <titel>Gevolgen voor regeldruk</titel>
                </kop>
                <al>De mogelijkheid om een aanvraag te doen om van het berekende vermogen (de vermogensgrondslag) de op basis van artikel 47 van de Awir aangewezen eenmalige uitkeringen af te laten trekken, bestaat al. De voorgestelde beperking tot drie jaar heeft daarom geen gevolgen voor de regeldruk voor verzekerden of cliënten.</al>
                <al>Ook voor het CAK ontstaat geen extra regeldruk omdat verzekerden en cliënten al een dergelijke aanvraag kunnen doen. De beperking tot drie jaar zorgt niet voor extra aanvragen. Wel vergt de beperking tot drie jaar een eenmalige administratieve investering om de beperking in te regelen in de systemen.</al>
                <al>Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat de gevolgen voor de regeldruk toereikend in beeld zijn gebracht.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">7.</nr>
                  <titel>Fraude</titel>
                </kop>
                <al>De mogelijkheid om te verzoeken of eenmalige uitkeringen kunnen worden afgetrokken voor de vaststelling van het vermogen bestaat al. Deze mogelijkheid wordt beperkt in de tijd. Het CAK beoordeelt of een aanvraag terecht is en berekent vervolgens de eigen bijdrage. Hiermee ligt de maatregel buiten de beïnvloedingssfeer van de verzekerde of cliënt. Voor de aanbieder heeft deze maatregel geen effect op de mogelijkheden tot fraude, omdat er geen financieel gewin voor de aanbieder te behalen valt.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <nr status="officieel">8.</nr>
                  <titel>Doenvermogen</titel>
                </kop>
                <al>De wijzigingen in dit besluit hebben betrekking op cliënten en verzekerden die al dan niet een eigen bijdrage moeten betalen. Het is op dit moment al mogelijk op basis van het Blz en het Uvb Wmo 2015 een aanvraag te doen om van het berekende vermogen (de vermogensgrondslag) de op basis van artikel 47 Awir aangewezen eenmalige uitkeringen af te laten trekken. Er wordt dus niets extra’s van het doenvermogen van de verzekerden c.q. cliënten gevraagd.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <divisie opmaak="default">
              <kop>
                <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
              </kop>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel I, onderdelen A, C en D, en II, onderdelen A, C en D</titel>
                </kop>
                <al>In de onderdelen C en D van de artikel I en II wordt verwezen naar de grondslag sparen en beleggen. Voor zover van toepassing worden daar de posten genoemd in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, Blz en 3.2, eerste lid, onder a en b, Uvb Wmo 2015 nog van afgetrokken. Het gaat daarbij nadrukkelijk niet alleen over de aftrek van vermogensbestanddelen zoals bedoeld in de onderdelen a van die leden (namelijk de vermogens uitgezonderd op grond van artikel 47 Awir), maar ook over de aftrek voor niet-pensioensgerechtigden. Dat laatste is nodig omdat een persoon die zelf in aanmerking komt voor de CVO (en dus pensioensgerechtigd is) een partner kan hebben die Wlz-zorg ontvangt. In dat geval wordt de aftrek voor niet-pensioensgerechtigden toegepast op beide personen. De CVO wordt dan alleen toegepast op de persoon die de pensioensgerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al>
                <al>Voor de noodzaak en de uitwerking van de technische wijzigingen in deze onderdelen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de toelichting.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel I, onderdeel B, en II, onderdeel B</titel>
                </kop>
                <al>De toevoeging aan artikel 3.3.1.2 van het Blz respectievelijk artikel 3.2 van het Uvb Wmo 2015 voorziet in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling de eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Awir voor een gemaximeerde periode kunnen worden afgetrokken van de vermogensgrondslag. Hiermee wordt de benodigde grondslag gecreëerd om de berekening van het vermogen ten behoeve van de vaststelling van de eigen bijdrage in lijn te brengen met hetgeen in onder andere artikel 9quater, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir is geregeld. In het desbetreffend artikel is namelijk geregeld dat bepaalde vermogenstoetsuitzonderingen voor maximaal drie jaar kunnen worden toegepast ten aanzien van de vaststelling van de toeslagen. Ook ten aanzien van enkele andere eenmalige uitkeringen is dit in de Uitvoeringsregeling Awir geregeld.</al>
              </divisie>
              <divisie opmaak="default">
                <kop>
                  <titel>Artikel III</titel>
                </kop>
                <al>Vanwege de aansluiting bij de fiscale regels en de uitvoerbaarheid, is het nodig dit besluit op 1 januari 2023 in werking te laten treden. Er wordt afgeweken van de minimuminvoeringstermijn, zodat deze wijziging nog mee kan lopen voor de berekening van het nieuwe fiscale jaar (2023). Het CAK is reeds op de hoogte van deze wijziging en acht dit uitvoerbaar.</al>
              </divisie>
            </divisie>
            <ondertekening>
              <functie>De Minister voor Langdurige Zorg en Sport,</functie>
            </ondertekening>
          </nota-toelichting>
        </wet-besluit>
      </object_van_advies>
    </adviesRvS>
  </staatscourant>
</officiele-publicatie>