Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatscourant 2021, 43214advies Raad van State

Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem

Nader Rapport

16 september 2021

Nr. 3460477

Directie Wetgeving en Juridische Zaken

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Aan de Koning

Advies Raad van State inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 13 juli 2021, nr. 2021001358, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 21 juli 2021, nr. W16.21.0203/II, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Aan de redactionele opmerking van de Afdeling om in de toelichting de transponeringstabel uit te splitsen naar de leden van de artikelen van de verordening en de richtlijn is geen gevolg gegeven. Het uitsplitsen naar de leden van de artikelen zou een aanzienlijk langere transponeringstabel opleveren, terwijl voor nagenoeg alle leden van ieder artikel van de verordening en de richtlijn naar dezelfde bepaling in de implementatieregeling kan worden verwezen of met dezelfde toelichting kan worden volstaan. Het uitsplitsen naar artikelleden komt in dit geval de overzichtelijkheid niet ten goede.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker.

Advies Raad van State

No. W16.21.0203/II

’s-Gravenhage, 21 juli 2021

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2021, no.2021001398, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem, met memorie van toelichting.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het voorstel.

De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.21.0203/II

  • In de toelichting de transponeringstabel uitsplitsen naar de leden van de artikelen van de verordening en de richtlijn.

Tekst zoals aangeboden voor advies Raad van State: Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is Verordening (EU) 2019/816 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN) ter aanvulling van het Europees Strafregisterinformatiesysteem en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1726 (PbEU 2019, L 135), en Richtlijn (EU) 2019/884 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad, betreffende de uitwisseling van informatie over onderdanen van derde landen en betreffende het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris) en ter vervanging van Besluit 2009/316/JBZ van de Raad (PbEU 2019, L 151) uit te voeren, en dat het wenselijk is de hiervoor noodzakelijke bepalingen aan te passen in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel ab door een puntkomma twee onderdelen toegevoegd, luidende:

ac. centrale autoriteit:

de centrale autoriteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PbEU L 93/23);

ad. Ecris-TCN:

Het Europees strafregisterinformatiesysteem-derdelanders, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/816.

B

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a
  • 1. Onze Minister maakt gebruik van Ecris-TCN ten behoeve van de strafrechtspleging en daarnaast voor de volgende doelen:

    • a. een verzoek van de betrokkene om hem betreffende justitiële gegevens als bedoeld in artikel 18;

    • b. veiligheidsonderzoek in verband met werving of vrijwillige activiteiten waarbij sprake is van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen, nadat betrokkene een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28;

  • 2. Onze Minister verzoekt de centrale autoriteit van een lidstaat om doorgifte van justitiële gegevens ten behoeve van de in het eerste lid genoemde doelen.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het doen van een verzoek om doorgifte van justitiële gegevens aan de centrale autoriteiten van andere lidstaten van de Europese Unie en over de ontvangst van justitiële gegevens vanuit andere lidstaten van de Europese Unie.

C

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Justitiële gegevens kunnen worden ter beschikking gesteld ten behoeve van andere doelen dan de strafrechtspleging aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

2. In het derde lid wordt ‘bedoeld in het eerste lid’ vervangen door ‘bedoeld in het eerste en tweede lid’.

3. In het derde lid vervalt ‘, en over de ontvangst van justitiële gegevens vanuit andere lidstaten van de Europese Unie’.

D

In artikel 17a, onderdeel d, wordt ‘artikelen 18, eerste lid, en 22, eerste en tweede lid’ vervangen door ‘artikelen 18 en 22, eerste en tweede lid’.

E

In artikel 17b, tweede lid, wordt ‘inzage, op grond van artikel 18, eerste lid,’ vervangen door ‘een overzicht, op grond van artikel 18,’.

F

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘binnen vier weken’ vervangen door ‘binnen zes weken’ en wordt ‘om die justitiële gegevens in te zien’ vervangen door ‘om een overzicht van die justitiële gegevens te verkrijgen’.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

G

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘om inzage, op grond van artikel 18, eerste lid,’ vervangen door ‘om een overzicht, op grond van artikel 18,’.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 18, eerste lid,’ vervangen door ‘artikel 18’.

H

In artikel 25, eerste lid, wordt ‘artikelen 18, eerste lid, en 22, eerste lid,’ vervangen door ‘artikelen 18 en 22, eerste lid,’.

I

In artikel 36, eerste lid, wordt ‘artikel 18, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 18’.

J

Artikel 51b, tweede en derde lid, komt te luiden:

  • 2. Onverminderd het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens heeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Onze Minister doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende tenuitvoerleggingsgegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.

  • 3. Indien de verwerking betrekking heeft op tenuitvoerleggingsgegevens waarvoor het College van procureurs-generaal verwerkingsverantwoordelijke is, wordt bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen, bedoeld in het eerste lid, in die artikelen alsmede in het tweede lid waar wordt gesproken over ‘Onze Minister’ gelezen ‘het College van procureurs-generaal’.

K

In artikel 51d, derde lid, onderdeel c, tweede gedachtestreepje, wordt ‘voor wat betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 18’ vervangen door ‘met uitzondering van het verder bij wet bepaalde over kennisneming of inzage van tenuitvoerleggingsgegevens’.

L

Artikel 51f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b, 18 en 20 tot en met 25’ vervangen door ‘artikelen 3, 7, 7a, 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b en 20 tot en met 25’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van een gerecht als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende gerechtelijke strafgegevens en, wanneer dat het geval is, om die gerechtelijke strafgegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Het gerecht doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende gerechtelijke strafgegevens, tenzij het gerecht weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.

M

In artikel 51h, derde lid, onderdeel c, tweede gedachtestreepje, wordt ‘artikelen 7e, 17a, 17b, 18, 22 en 24’ vervangen door ‘artikelen 7e, 17a, 17b, 22 en 24, alsmede artikel 51f, derde lid’.

ARTIKEL II

Artikel 27b van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt ‘artikelen 1, onderdelen i, j, l tot en met z, 3, 7 tot en met 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b, 18, 20 en 22 tot en met 26h en 27, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens’ vervangen door artikelen 1, onderdelen i, j, l tot en met z, 3, 7 tot en met 7b, 7d tot en met 7f, 15, 16, 16a, 17a, 17b, 20 en 22 tot en met 26h en 27, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens’.

2. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister van Justitie en Veiligheid uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende gegevens, bedoeld in het derde lid, en, wanneer dat het geval is, om die gegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, te verkrijgen. Onze Minister van Justitie en Veiligheid doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende gegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister voor Rechtsbescherming,

MEMORIE VAN TOELICHTING

A. Algemeen deel

1. Inleiding

Voorliggend voorstel van wet strekt tot implementatie van nieuwe Europese regelgeving over het Europees strafregisterinformatiesysteem (hierna: Ecris), namelijk:

  • Verordening (EU) 2019/816 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN) ter aanvulling van het Europees Strafregisterinformatiesysteem en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1726 (PbEU 2019, L 135; hierna: Ecris-TCN-verordening); en

  • Richtlijn (EU) 2019/884 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad, betreffende de uitwisseling van informatie over onderdanen van derde landen en betreffende het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris), en ter vervanging van Besluit 2009/316/JBZ van de Raad (PbEU 2019, L 151; hierna: Ecris-richtlijn).

Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg). Ter implementatie van voornoemde Europese regelgeving wordt tevens een wijzigingsregeling voorbereid van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Bjsg). De transponeringstabellen zijn opgenomen in onderdeel C van deze memorie van toelichting. De implementatie dient uiterlijk 28 juni 2022 te zijn afgerond.

Het uitgangspunt bij de implementatie van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn is zuivere implementatie van de Europese regelgeving. Bij dit wetsvoorstel zijn geen andere regels opgenomen dan noodzakelijk voor de implementatie.

De reden van bestaan van Ecris is gelegen in de doelstelling dat justitiële gegevens betreffende de in de lidstaten van de Europese Unie uitgesproken veroordelingen buiten de lidstaat van veroordeling in aanmerking worden genomen bij nieuwe strafrechtelijke procedures. Eerdere Europese regelgeving over Ecris hield onvoldoende rekening met onderdanen van derde landen, waaronder onderdanen van de Europese Unie die ook de nationaliteit van een derde land bezitten, staatlozen en personen wier identiteit niet bekend is. Via Ecris kunnen ook over onderdanen van derde landen justitiële gegevens wederzijds worden doorgegeven, maar dat verloopt omslachtig omdat daartoe telkens elke lidstaat van de Europese Unie dient te worden bevraagd. Voor onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie geldt namelijk dat de lidstaat van nationaliteit alle justitiële gegevens over in de Europese Unie uitgesproken veroordelingen bewaart. Voor onderdanen van een derde land ontbreekt een referentielidstaat. De nieuwe Europese regelgeving over Ecris houdt met name verband met de instelling van Ecris-TCN. Met behulp van Ecris-TCN kan een lidstaat onmiddellijk en efficiënt nagaan welke lidstaten beschikken over justitiële gegevens van een onderdaan van een derde land. Na het gebruik van Ecris-TCN kan een lidstaat gericht om de doorgifte van die justitiële gegevens verzoeken via Ecris.

2. Implementatiewetgeving

Deze paragraaf bevat een toelichting op de te implementeren Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn. Omwille van de toegankelijkheid volgt eerst een toelichting op het reeds in 2012 geïmplementeerde Ecris-kaderbesluit. Daarna volgt een toelichting op de te implementeren Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn.

Ecris-kaderbesluit

Ecris is ingesteld bij Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten (PbEU 2009, L 93; hierna Ecris-kaderbesluit). Het Ecris-kaderbesluit is in 2012 omgezet in het Bjsg (Stb. 2012, 130).

Ecris, het Europees strafregisterinformatiesysteem, bestaat uit een elektronisch systeem voor de wederzijdse doorgifte van justitiële gegevens tussen de centrale autoriteiten van de lidstaten. De centrale autoriteit in Nederland betreft de Justitiële informatiedienst. Ecris betreft een decentraal informatiesysteem. Een decentraal informatiesysteem houdt in dat justitiële gegevens uitsluitend zijn opgeslagen in een informatiesysteem van een lidstaat. Op hoofdlijnen werkt Ecris als volgt. De lidstaat waar een onderdaan van een andere lidstaat is veroordeeld, deelt de justitiële gegevens over die veroordeling mee aan de lidstaat waarvan de veroordeelde de nationaliteit heeft. De lidstaat van nationaliteit bewaart de ontvangen justitiële gegevens. Zodoende is geborgd dat de justitiële documentatie in de lidstaat van nationaliteit volledig is met betrekking tot in de Europese Unie uitgesproken veroordelingen. Indien een lidstaat justitiële gegevens behoeft over een onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie, behoeft die lidstaat slechts de lidstaat van nationaliteit te bevragen. De lidstaat van nationaliteit beschikt immers over de volledige justitiële documentatie van diens onderdanen. Dat laat overigens onverlet dat de lidstaat van veroordeling voor nationale doeleinden justitiële gegevens over in die lidstaat uitgesproken veroordelingen mag bewaren.

Ecris was onvoldoende ingericht op onderdanen van een derde land. Een lidstaat die justitiële gegevens behoefde over een onderdaan van een derde land, diende een verzoek daartoe te sturen aan alle lidstaten. Ten aanzien van onderdanen van een derde land bestond immers geen decentrale opslag van de hun betreffende justitiële gegevens in een van de lidstaten, zoals dat bestond ten aanzien onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie in de lidstaat van nationaliteit. Dat gebrek genereerde hoge uitvoeringslasten. De uitvoeringslasten bestonden voor de verzoekende lidstaat uit het aan alle lidstaten sturen van een verzoek en het afwachten van een antwoord daarop. De uitvoeringslasten bestonden voor de aangezochte lidstaat uit het beantwoorden van de verzoeken die dus telkens aan alle lidstaten werden verstuurd. Vanwege de hoge uitvoeringslasten werd weinig gebruik gemaakt van Ecris ten aanzien van onderdanen van een derde land.

Ecris-TCN-verordening

Naar aanleiding van vorenstaande problematiek deed de Europese Commissie in 2017 een voorstel tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen ter aanvulling en ondersteuning van het Europees strafregisterinformatiesysteem (COM/2017/0344). Dat voorstel leidde tot de totstandkoming van de Ecris-TCN-verordening.

Bij de Ecris-TCN-verordening is Ecris-TCN ingesteld en zijn regels gegeven over het gebruik daarvan. Ecris-TCN bestaat uit een centraal informatiesysteem waarin identiteitsgegevens van in de Europese Unie veroordeelde onderdanen van een derde land worden opgeslagen. Ook bestaat Ecris-TCN uit een nationaal centraal toegangspunt in elke lidstaat en een bijbehorende communicatie-infrastructuur en interfacesoftware. Ecris-TCN wordt beheerd door eu-LISA. Ecris-TCN betreft een systeem om vast te stellen welke lidstaten beschikken over informatie over eerdere veroordelingen van onderdanen van een derde land. Het doel van het gebruik van Ecris-TCN is om informatie over die eerdere veroordelingen te verkrijgen via Ecris. Een lidstaat die justitiële gegevens behoeft over een persoon kan aldus via Ecris-TCN vaststellen welke lidstaten beschikken over justitiële gegevens van die persoon, en vervolgens die justitiële gegevens via Ecris verkrijgen bij de desbetreffende lidstaat of lidstaten. Onder onderdanen van een derde land worden tevens verstaan onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die ook de nationaliteit van een derde land bezitten, staatlozen en personen wier nationaliteit niet bekend is.

De centrale autoriteit van iedere lidstaat creëert voor elke veroordeelde onderdaan van een derde land een gegevensbestand in het centrale informatiesysteem van Ecris-TCN. Het gegevensbestand bevat de achternaam, voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, nationaliteit of nationaliteiten, geslacht, en eventuele vroegere namen. Daarnaast bevat het gegevensbestand vingerafdrukken indien de onderdaan van een derde land is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden of voor een strafbaar feit waarop naar het recht van de lidstaat van veroordeling een gevangenisstraf van twaalf maanden of meer is gesteld. Een lidstaat heeft beleidsruimte om ook gezichtsopnamen van veroordeelden toe te voegen aan het gegevensbestand. De Nederlandse regering heeft besloten geen gezichtsopnamen van veroordeelden toe te voegen. Elk gegevensbestand wordt in het centrale informatiesysteem opgeslagen zolang de justitiële gegevens over de veroordelingen van de betrokkene in het nationale strafregister worden opgeslagen.

De centrale autoriteit van iedere lidstaat maakt gebruik van Ecris-TCN indien in de betrokken lidstaat wordt verzocht om justitiële gegevens over die persoon ten behoeve van de strafrechtspleging. De centrale autoriteit kan ook gebruikmaken van Ecris-TCN indien in de betrokken lidstaat wordt verzocht om justitiële gegevens voor andere doeleinden, mits zulks is geregeld bij het nationale recht van de desbetreffende lidstaat.

Ecris-richtlijn

De Ecris-richtlijn strekt tot enkele wijzigingen van het Ecris-kaderbesluit. Die wijzigingen zien met name op de wederzijdse doorgifte van informatie over veroordelingen van onderdanen van derde landen via Ecris. Zo wordt geregeld dat de lidstaten de nationaliteit of nationaliteiten van de veroordeelde registreren, en wordt geregeld dat een door een onderdaan van een derde land opgevraagd uittreksel uit de justitiële documentatie wordt aangevuld met justitiële gegevens uit andere lidstaten. Daarnaast zien de wijzigingen op de procedures voor het beantwoorden van verzoeken om justitiële gegevens en op technische wijzigingen.

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

In deze paragraaf worden de drie hoofdonderdelen van het wetsvoorstel toegelicht. Ter implementatie van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn beoogt het wetsvoorstel regels te geven over het gebruik van Ecris-TCN; het gebruik van Ecris; en het recht op een uittreksel. De overige onderdelen van het wetsvoorstel betreffen het invoegen van drie begrippen aan de begripsbepalingen (artikel I, onderdeel A), een gewijzigde grondslag voor het ter beschikking stellen van justitiële gegevens aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat (artikel I, onderdeel C), en enkele technische wijzigingen (artikel I, onderdelen D, E, G tot en met M en artikel II). Voor een toelichting op die onderdelen zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Het gebruik van Ecris-TCN (artikel I, onderdeel B; artikel 2a, eerste lid, van de Wjsg)

Ecris-TCN wordt gebruikt om vast te stellen welke lidstaten van de Europese Unie beschikken over justitiële gegevens over een onderdaan van een derde land en een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die tevens de nationaliteit van een derde land bezit. Het doel van die vaststelling is om die justitiële gegevens te verkrijgen via Ecris. Onder een onderdaan van een derde land verstaat de Ecris-TCN-verordening tevens een staatloze of een persoon wier nationaliteit niet bekend is.

Het voorgestelde artikel 2a schrijft voor dat Ecris-TCN wordt gebruikt met het oog op (a) een verzoek van de betrokkene om hem betreffende justitiële gegevens als bedoeld in artikel 18; en (b) een veiligheidsonderzoek in verband met werving of vrijwillige activiteiten waarbij er sprake is van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen, nadat betrokkene een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. Het gebruik van Ecris-TCN voor die doelen is verplicht op grond van Europees recht. Ten aanzien van het doel, bedoeld in onderdeel a, geldt die verplichting op grond van artikel 25 van de Ecris-TCN-verordening in combinatie met artikel 7, eerste lid, laatste alinea, van de Ecris-TCN-verordening. Ten aanzien van het doel, bedoeld in onderdeel b, geldt die verplichting op grond van artikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 335) in combinatie met artikel 7, eerste lid, laatste alinea, van de Ecris-TCN-verordening. Voorts zal Ecris-TCN worden gebruikt met het oog op de strafrechtspleging (een strafrechtelijke procedure tegen een persoon). Dit laatste volgt rechtstreeks uit artikel 7, eerste lid, van de Ecris-TCN-verordening. Artikel 7, eerste lid, van de Ecris-TCN geeft de nationale wetgever de ruimte om te regelen dat Ecris-TCN ook wordt gebruikt door de centrale autoriteit voor andere doelen. Omdat in dit implementatiewetsvoorstel geen andere regels zijn opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn, voorziet dit wetsvoorstel niet in het gebruik van Ecris-TCN voor andere doelen. Het gebruik van Ecris-TCN voor de doelen genoemd in het voorgestelde artikel 2a geldt aldus dat het gebruik van Ecris-TCN verplicht is op grond van het Europees recht.

Het gebruik van Ecris (artikel I, onderdeel B; artikel 2a, tweede lid, van de Wjsg)

Ecris wordt gebruikt om de centrale autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie te verzoeken om justitiële gegevens over een betrokkene. Een verzoek zal veelal worden gericht aan de centrale autoriteit van de lidstaat van nationaliteit van de betrokkene of aan de centrale autoriteit van de lidstaat waarvan door middel van het gebruik van Ecris-TCN is vastgesteld dat die lidstaat over justitiële gegevens van de betrokkene beschikt. Het voorgestelde artikel 2a, tweede lid, schrijft voor dat Ecris wordt gebruikt met het oog op de in het eerste lid genoemde doelen.

Omwille van de overzichtelijkheid volgt hierna een tabel. De tabel drukt naar de nationaliteit van de betrokkene uit in welke gevallen justitiële documentatie wordt geraadpleegd, Ecris wordt gebruikt en Ecris-TCN wordt gebruikt.

raadpleging justitiële documentatie

– betrokkene is onderdaan van Nederland

raadpleging justitiële documentatie en bevraging Ecris

– betrokkene is onderdaan van Nederland en ook onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie

– betrokkene is onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie

raadpleging justitiële documentatie, raadpleging Ecris-TCN en, indien bij raadpleging van Ecris-TCN een hit volgt, bevraging Ecris

– betrokkene is onderdaan van Nederland en ook onderdaan van een derde land

– betrokkene is onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie en ook onderdaan van een derde land

– betrokkene is onderdaan van een derde land

– betrokkene is staatloos

– nationaliteit van betrokkene is onbekend

Voorts verdient toelichting waarom op het niveau van de formele wet, en niet bij gedelegeerde regelgeving, de doelen worden vastgelegd waarvoor Ecris-TCN en Ecris worden gebruikt. Artikel 2 van de Wjsg geeft de grondslag voor het verwerken van justitiële gegevens. Ingevolge dat artikel worden justitiële gegevens verwerkt ten behoeve van een goede strafrechtspleging. Op grond van artikel 3, vierde tot en met het zesde lid, van de Wjsg kunnen justitiële gegevens worden verwerkt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verkregen. Het doel waarvoor justitiële gegevens zijn verkregen betreft de strafrechtspleging. Aldus kunnen justitiële gegevens pas voor een ander doel dan de strafrechtspleging worden verwerkt, indien die justitiële gegevens voorafgaand aan die doelafwijkende verwerking worden verwerkt ten behoeve van de strafrechtspleging.

De Ecris-TCN-verordening en het Ecris-kaderbesluit, zoals gewijzigd door de Ecris-richtlijn, staan toe dat Ecris-TCN en Ecris overeenkomstig het nationaal recht rechtstreeks voor een ander doel worden gebruikt dan de strafrechtspleging. Artikel 2 van de Wjsg geeft daarvoor geen grondslag. Ingevolge dat artikel worden justitiële gegevens immers uitsluitend verkregen ten behoeve van de strafrechtspleging. Pas nadat justitiële gegevens zijn verkregen voor de strafrechtspleging, kunnen die justitiële gegevens op de voet van artikel 3, vierde tot en met het zesde lid, van de Wjsg voor een ander doel worden verwerkt. Het gebruik van Ecris-TCN en Ecris voor een ander doel dan de strafrechtspleging vereist dus, naast artikel 2 van de Wjsg, een nieuwe grondslag voor het verwerken van justitiële gegevens. In de Wjsg behoren de verwerkingsgrondslagen tot de hoofdelementen van de regeling. Om die reden wordt het opportuun geacht om de andere doelen waarvoor Ecris-TCN en Ecris worden gebruikt en waarvoor – rechtstreeks, dus zonder dat zij voor de strafrechtspleging opgevraagd zijn – een verzoek om justitiële gegevens aan de centrale autoriteit van een andere lidstaat wordt gedaan, te regelen bij wet en op gelijke voet met het vigerende doel van het verwerken van justitiële gegevens.

Het recht op een uittreksel (artikel I, onderdeel F; artikel 18 van de Wjsg)

Het voorgestelde gewijzigde artikel 18 van de Wjsg geeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijk verzoek een uittreksel, in de wet een overzicht genoemd, te verkrijgen van hem betreffende justitiële gegevens. Dit recht is nieuw en komt te bestaan in plaats van het bestaande recht op inzage op grond van het geldende artikel 18, eerste lid, van de Wjsg. De aanleiding voor het introduceren van dit recht is gelegen in artikel 6 van het Ecris-kaderbesluit, zoals gewijzigd door de Ecris-richtlijn. Het derde lid van dat artikel schrijft voor dat de centrale autoriteit van een lidstaat op verzoek van een onderdaan van een andere lidstaat, de centrale autoriteit van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, verzoekt om diens justitiële gegevens, en deze opneemt in het aan de betrokkene te verstrekken uittreksel. Het derde lid-bis van dat artikel schrijft een overeenkomstige verplichting voor bij een verzoek van een onderdaan van een derde land, met dien verstande dat de centrale autoriteit diens justitiële gegevens niet verzoekt bij het land waarvan hij de nationaliteit heeft, doch uitsluitend bij de centrale autoriteit van de lidstaten die over betrokkene betreffende justitiële gegevens beschikken. Het geldende artikel 18, eerste lid, van de Wjsg voorziet in een recht op inzage, hetgeen geen recht op het ontvangen van een uittreksel inhoudt. Om uitvoering te kunnen geven aan genoemde voorschriften uit het Ecris-kaderbesluit, zoals gewijzigd door de Ecris-richtlijn, wordt voorgesteld het in artikel 18, eerste lid, opgenomen recht op inzage te vervangen door het recht op een uittreksel.

Het recht op een uittreksel betreft een recht van de betrokkene in de zin van hoofdstuk III van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging. Evenals ten aanzien van de andere rechten van de betrokkene is het recht op een uittreksel geregeld bij wet en niet bij gedelegeerde regelgeving.

4. Verhouding tot hoger recht

In deze paragraaf wordt de verhouding van voorliggend wetsvoorstel tot de grondwet en tot de door Nederland geratificeerde verdragen toegelicht.

Verhouding tot de Grondwet

Dit wetsvoorstel geeft regels over het verwerken van persoonsgegevens. Persoonsgegevens die in het kader van dit wetsvoorstel worden verwerkt, worden verwerkt zonder toestemming van de betrokkene. Daarmee raakt het wetsvoorstel het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. In artikel 10, eerste lid, van de Grondwet staat dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Een inbreuk op een grondrecht is gerechtvaardigd indien die inbreuk is toegestaan bij de Grondwet. Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet staat toe dat bij of krachtens de wet een inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Die inbreuk is in dit geval noodzakelijk omdat die inbreuk dient ter uitvoering van Europese regelgeving. Ook is de inbreuk in dit geval proportioneel omdat de inbreuk niet verder gaat dan noodzakelijk om uitvoering te kunnen geven aan de in paragraaf 1 genoemde Europese voorschriften.

In artikel 10, tweede lid, van de Grondwet staat dat de wet regels stelt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van de persoonsgegevens. In artikel 10, derde lid, van de Grondwet staat dat de wet regels stelt inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens. Ten aanzien van het vewerken van justitiële gegevens is aan die verplichtingen in de Wjsg reeds voldaan. Titel 2, afdeling 1, geeft regels over onder meer het vastleggen van justitiële gegevens; titel 2, afdeling 2, geeft regels over het verstrekken van justitiële gegevens; en titel 2, afdeling 3, geeft regels over de rechten van de betrokkene, waaronder het recht op kennisneming en het recht op rectificatie. Dit wetsvoorstel introduceert enkele nieuwe bepalingen die verband houden met artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet. Het voorgestelde artikel 2a geeft regels over het vastleggen van justitiële gegevens; het voorgestelde artikel 16 geeft regels over het verstrekken van justitiële gegevens; en het voorgestelde artikel 18 geeft regels over het recht op het verkrijgen van een uittreksel van de betrokkene betreffende justitiële gegevens.

Verhouding tot de door Nederland geratificeerde verdragen

Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is ook vastgelegd in artikel 8 van het EVRM, artikel 17 van het IVBPR en artikelen 7 en 8 van het EU-handvest.

Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM geldt op hoofdlijnen het volgende. Artikel 8, eerste lid, van het EVRM geeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens rechtspraak van het EHRM raakt het verwerken van persoonsgegevens door het openbaar gezag het recht op respect voor het privéleven. Een inbreuk op dat recht is op de voet van artikel 8, tweede lid, van het EVRM toegestaan indien die inbreuk is voorzien bij de wet, een legitiem doel dient, en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Onderhavig wetsvoorstel voldoet aan die voorwaarden. De inbreuk is voorzien bij de wet. Daarvoor is van belang dat de desbetreffende bepalingen in het wetsvoorstel duidelijk, voorzienbaar en voldoende toegankelijk zijn. Voorts dient de inbreuk een legitiem doel, namelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het doel van de implementatiewetgeving is immers dat gegevens betreffende de in de lidstaten van de Europese Unie uitgesproken veroordelingen buiten de lidstaat van veroordeling in aanmerking worden genomen in het kader van nieuwe strafrechtelijke procedures alsook ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. En ten slotte is de inbreuk noodzakelijk in een democratische samenleving. Daarvoor is van belang dat de inbreuk niet verder gaat dan noodzakelijk is om te voldoen aan voornoemd doel.

Artikel 17 van het IVBPR stelt, voor zover in verband met tot dit wetsvoorstel relevant, dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven. Te dien aanzien wordt opgemerkt dat onderhavig wetsvoorstel geen ruimte laat voor een willekeurige inmenging en voorziet in een wettelijke grondslag voor de noodzakelijke verwerkingen van persoonsgegevens. Artikelen 7 en 8 van het EU-handvest geven eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en bescherming van zijn persoonsgegevens. Ter uitvoering van die rechten zijn reeds adequate regels gegeven in de Wjsg.

5. Verhouding tot nationale regelgeving

In de verhouding van voorliggend wetsvoorstel tot nationale regelgeving is met name van belang de verhouding van het wetsvoorstel tot de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging, zoals omgezet in de Wjsg, en de Algemene verordening gegevensbescherming. In dit hoofdstuk wordt die verhouding nader toegelicht.

De Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde nationale autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van bedreigingen voor de openbare veiligheid. De Algemene verordening gegevensbescherming is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door nationale autoriteiten indien die verwerking niet onder de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging valt. Zulks geldt ook voor het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de Ecris-TCN-verordening en de Ecris-richtlijn (overweging 35 van de Ecris-TCN-verordening en overweging 12 van de Ecris-richtlijn).

De bij dit wetsvoorstel voorgestelde bepalingen ter implementatie van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn worden opgenomen in de Wjsg. Op de voorgestelde bepalingen is de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging van toepassing, zoals geïmplementeerd in – voor zover in dit verband van belang – de Wjsg (Stb. 2018, 401). Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn valt immers onder het toepassingsgebied van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging. De Algemene verordening gegevensbescherming komt in het hierna genoemde geval in beeld. Op grond van de Wjsg worden persoonsgegevens verstrekt aan derden. Het doel waarvoor die derde persoonsgegevens verwerkt is relevant. Indien dat doel buiten het toepassingsgebied valt van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging, is op de verdere verwerking met het oog op dat doel de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de Justitiële informatiedienst Ecris gebruikt met het oog op een veiligheidsonderzoek in verband met werving of vrijwillige activiteiten waarbij er sprake is van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen, nadat betrokkene een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag. Op dat gebruik van Ecris door de Justitiële informatiedienst is de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging van toepassing. Dat geldt ook voor het verstrekken van justitiële gegevens door de Justitiële informatiedienst aan Justis. Justis is op zijn beurt belast met de behandeling van de aanvraag om een verklaring omtrent het gedrag. Het verwerken van persoonsgegevens voor dat doel valt buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging waardoor op die verwerking de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing is.

6. Uitvoering

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel. Met het oog op de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel heeft de Justitiële informatiedienst een uitvoeringstoets opgesteld. Met het oog op de regels van het gegevensbeschermingsrecht is een gegevensbeschermingseffectbeoordeling opgesteld.

Uitvoeringstoets

De Justitiële informatiedienst is in Nederland belast met de uitvoering van de Ecris-TCN-verordening en de Ecris-richtlijn. Daartoe is de Justitiële informatiedienst aangewezen als centrale autoriteit. Bij de uitvoering van de Ecris-TCN-verordening maakt de Justitiële informatiedienst een kanttekening. De Justitiële informatiedienst merkt op dat in de Basisregistratie personen sinds 2014 niet langer naast de Nederlandse nationaliteit een tweede of volgende nationaliteit wordt geregistreerd. Op grond van artikel 5 van de Ecris-TCN-verordening is de Justitiële informatiedienst evenwel gehouden de nationaliteit of nationaliteiten van veroordelingen te registreren in een gegevensbestand in Ecris-TCN. De regering ziet in dat de Justitiële informatiedienst in een voorkomend geval dat de betrokkene beschikt over meer dan één nationaliteit slechts een tweede nationaliteit kan invoeren in een gegevensbestand in Ecris-TCN indien de Justitiële informatiedienst via een andere weg op de hoogte is van die tweede nationaliteit. Behoudens die kanttekeningen wordt geen beletsel verwacht bij de uitvoering van de Ecris-TCN-verordening, de Ecris-richtlijn of onderhavig wetsvoorstel. In de uitvoeringstoets zijn de financiële gevolgen in kaart gebracht verbonden aan de beoogde uitvoering van de Ecris-TCN-verordening, Ecris-richtlijn en onderhavig wetsvoorstel. Aan die financiële gevolgen wordt gerelateerd in paragraaf 8.

Gegevensbeschermingseffectbeoordeling

In de gegevensbeschermingseffectbeoordeling concludeert de verwerkingsverantwoordelijke dat met de beoogde uitvoering van de Ecris-TCN-verordening, Ecris-richtlijn en onderhavig wetsvoorstel aan de regels van het gegevensbeschermingsrecht wordt voldaan. De verwerkingsverantwoordelijke meent dat de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen goed is gewaarborgd. Opgemerkt wordt dat Nederland verplicht is de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn uit te voeren. Ook wordt opgemerkt dat onderhavig wetsvoorstel en de beoogde uitvoering niet verder reiken dan noodzakelijk voor de implementatie van de Europese regelgeving.

7. Toezicht en handhaving

De bij dit wetsvoorstel voorgestelde bepalingen worden geïntroduceerd in de Wjsg. Alle voorgestelde bepalingen hebben betrekking op het verwerken van justitiële gegevens. Op grond van artikel 27 van de Wjsg is de Autoriteit persoonsgegevens belast met toezicht op de naleving op het verwerken van justitiële gegevens overeenkomstig het bij en krachtens de Wjsg bepaalde.

8. Financiële gevolgen

De uitvoering van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn heeft financiële gevolgen voor de Justitiële informatiedienst. Voor het ontwikkelen en het beheer van de benodigde systemen en werkstromen worden deze geraamd op 1,296 miljoen euro aan incidentele kosten en 200.000 euro aan jaarlijkse, structurele kosten. Vanwege de verwachtte inwerkingtreding in medio 2022 zijn de structurele kosten voor dit jaar op 50.000 euro geraamd. Daarnaast brengt de Ecris-TCN-verordening nieuwe uitvoeringslasten met zich mee voor de Autoriteit persoonsgegevens. Deze zijn gezamenlijk met de nieuwe EES-, ETIAS-, SIS- en Interoperabiliteitsverordeningen geraamd op 1,4 miljoen euro aan jaarlijkse, structurele kosten en 132.000 euro aan incidentele kosten. De middelen voor de Autoriteit persoonsgegevens zullen gefaseerd worden toegekend, in lijn met de implementatie van de verschillende verordeningen en richtlijn. Alle bovengenoemde kosten zullen worden gedekt vanuit de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

9. Advies en consultatie

Bij de ambtelijke voorbereidingen van dit wetsvoorstel zijn de uitvoeringsorganisaties betrokken. Omdat dit wetsvoorstel dient ter zuivere implementatie van Europese regelgeving is dit wetsvoorstel vervolgens niet in consultatie gebracht. Een uitzondering daarop is gemaakt voor de Autoriteit persoonsgegevens. Een concept van dit wetsvoorstel is ter consultatie voorgelegd aan de Autoriteit persoonsgegevens. De Autoriteit persoonsgegevens heeft geen opmerkingen gemaakt bij het concept. Wel wees zij erop dat aan de uitvoering van de Europese regelgeving over Ecris ook financiële gevolgen verbonden zijn voor haar als nationaal toezichthoudende instantie. Aan die financiële gevolgen wordt gerelateerd in paragraaf 8.

10. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De implementatie van de Ecris-TCN-verordening en Ecris-richtlijn dient uiterlijk 28 juni 2022 te zijn afgerond. Beoogd wordt dat dit wetsvoorstel, gelijktijdig met een wijzigingsregeling van het Bjsg, op die datum in werking treedt.

B. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Dit artikel introduceert twee begripsbepalingen. Het eerste begrip betreft het begrip centrale autoriteit. Het begrip centrale autoriteit wordt reeds bepaald in het Bjsg. Omdat dat begrip voorkomt in het voorgestelde artikel 2a, wordt voorgesteld dat begrip op eenzelfde wijze op te nemen in de Wjsg. Het tweede begrip betreft het begrip Ecris-TCN. Bij de omschrijving van het begrip Ecris-TCN wordt verwezen naar artikel 4, eerste lid, van de Ecris-TCN-verordening. Ecris-TCN (het Europees strafregisterinformatiesysteem-derdelanders) betreft iets anders dan Ecris, namelijk een specifieke aanvulling op Ecris (het Europees strafregisterinformatiesysteem).

Artikel I, onderdeel B
Artikel 2a, eerste lid

Dit artikel geeft regels voor het gebruik van Ecris-TCN. Artikel 7, eerste lid, van de Ecris-TCN-verordening schrijft voor dat de centrale autoriteit Ecris-TCN gebruikt ten behoeve van de strafrechtspleging (een strafrechtelijke procedure tegen een persoon) of voor een ander doel, mits het gebruik voor dat andere doel is voorzien bij en in overeenstemming is met het nationaal recht. Het gebruik ten behoeve van de strafrechtspleging geschiedt aldus op grond van de Ecris-TCN-verordening. Het gebruik ten behoeve van een ander doel geschiedt overeenkomstig de Ecris-TCN-verordening krachtens nationaal recht. Uit het voorgestelde artikel 2a, eerste lid, volgt dat de centrale autoriteit Ecris-TCN – naast ten behoeve van de strafrechtsrechtspleging – gebruikt ten behoeve van (a) een verzoek van de betrokkene om hem betreffende justitiële gegevens als bedoeld in artikel 18 of (b) een veiligheidsonderzoek in verband met werving of vrijwillige activiteiten waarbij er sprake is van rechtstreeks en geregeld contact met kinderen, nadat betrokkene een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wjsg. De bepaling is verplichtend geformuleerd. Het gebruik van Ecris-TCN voor genoemde doelen is namelijk verplicht op grond van Europees recht. Voor een nadere toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Artikel 2a, tweede lid

Dit artikellid regelt ten behoeve van welke doelen de centrale autoriteit van een andere lidstaat wordt verzocht om justitiële gegevens over een persoon. De doelen zijn gelijk aan de doelen ten behoeve waarvoor Ecris-TCN wordt gebruikt. Voorts zij toegelicht dat artikel 2a, tweede lid, evenals artikel 2a, eerste lid, verplichtend is geformuleerd. Hierboven is de reden daarvoor toegelicht ten aanzien van de doelen, bedoeld in onderdelen a en b. Het doen van een verzoek ten behoeve van de strafrechtspleging is eveneens verplicht op grond van Europees recht, namelijk op grond van artikel 3, eerste lid, van Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PbEU 2008, L 220). Voor een nadere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Artikel 2a, derde lid

Dit artikellid bevat een delegatiegrondslag voor het stellen van nadere regels bij een algemene maatregel van bestuur voor het doen van een verzoek om de doorgifte van justitiële gegevens aan de centrale autoriteit van andere lidstaten van de Europese Unie en over de ontvangst daarvan vanuit andere lidstaten van de Europese Unie. De Ecris-TCN-verordening en de Ecris-richtlijn bevatten voorschriften die zich naar hun aard lenen voor opname in een algemene maatregel van bestuur. Voor een overzicht van die voorschriften zij verwezen naar de transponeringstabellen zoals opgenomen in onderdeel C van deze memorie van toelichting. Het huidige artikel 16, tweede lid, van de Wjsg bevat reeds een delegatiegrondslag voor het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur over de ontvangst van justitiële gegevens vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie. Ter wille van de overzichtelijkheid van de wet is die delegatiegrondslag verplaatst naar en samengevoegd in onderhavig artikellid. Voor een nadere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.

Artikel I, onderdeel C

Het voorgestelde artikel 16 van de Wjsg bevat twee wijzigingen ten opzichte van het vigerende artikel 16 van de Wjsg. Het voorgestelde artikel 16, tweede lid, van de Wjsg is nieuw en regelt dat justitiële gegevens kunnen worden ter beschikking gesteld ten behoeve van andere doelen dan de strafrechtspleging aan de bevoegde autoriteit (waaronder vanzelfsprekend de centrale autoriteit) van een andere lidstaat. Het Bjsg gaf daarover reeds regels, doch een algemene regel daartoe in de Wjsg ontbrak. Nu het Ecris-kaderbesluit, zoals gewijzigd door de Ecris-richtlijn, voorschrijft dat de centrale autoriteit van een lidstaat justitiële gegevens aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat kan verstrekken ten behoeve van andere doelen dan de strafrechtspleging, bestaat daarin een aanleiding om in een grondslag daartoe in de formele wet te voorzien. In het Bjsg kunnen die doelen nader worden bepaald. Daarnaast is, zoals toegelicht in de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 2a, derde lid, van de Wjsg, de delegatiebepaling voor het stellen van nadere regels over de ontvangst van justitiële gegevens vanuit andere lidstaten van de Europese Unie verplaatst naar dat artikel.

Artikel I, onderdeel F

Het voorgestelde artikel 18 van de Wjsg geeft de betrokkene het recht om op diens schriftelijk verzoek een uittreksel, in het wetsvoorstel een overzicht genoemd, te verkrijgen van hem betreffende justitiële gegevens. Dit recht is nieuw en vervangt het bestaande recht op inzage op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wjsg. De reden voor de introductie van dit recht is toegelicht in paragraaf 3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting. De termijn waarbinnen de Minister van Justitie en Veiligheid gehouden is uitsluitsel te geven over de al dan niet verwerking van de betrokkene betreffende justitiële gegevens is verlengd van vier weken naar zes weken. De reden daarvoor is gelegen in de antwoordtermijnen, bedoeld in artikel 8 van het Ecris-kaderbesluit, zoals gewijzigd door de Ecris-richtlijn. Alvorens uitsluitsel kan worden gegeven zal de Justitiële informatiedienst Ecris-TCN en soms ook Ecris gebruiken. De centrale autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie beantwoordt een verzoek binnen twintig werkdagen na de datum van ontvangst van een verzoek. In dat licht is de bestaande termijn van vier weken te kort en wordt voorgesteld die termijn te verlengen naar zes weken.

Artikel I, onderdelen D, E, en G tot en met M, en artikel II

Deze artikelen behelzen uitsluitend technische wijzigingen. Het geldende artikel 18, eerste en tweede lid, van de Wjsg bevat regels over het recht op inzage. Dat artikel is in de Wjsg en het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van andersoortige persoonsgegevens dan justitiële gegevens. Het voorgestelde artikel 18, dat een recht op een uittreksel inhoudt, dient niet te gelden ten aanzien van die andersoortige persoonsgegevens. Te dien aanzien blijft uitsluitend het reeds bestaande recht op een inzage bestaan. De technische wijzigingen regelen dat onderscheid.

C. Transponeringstabellen

Ecris-TCN-verordening

Bepaling EU-regelgeving

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1 (Algemene bepalingen)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 2 (Toepassingsgebied)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 3 (Definities)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 4 (Technische architectuur van Ecris-TCN)

Rechtstreekse werking volstaat

Een lidstaat gebruikt de Ecris-referentie-implementatie of de nationale Ecris-implementatiesoftware.

Nederland maakt gebruik van de Ecris-referentie-implementatie.

Artikel 5 (Invoer van gegevens in Ecris-TCN)

Rechtstreekse werking volstaat

Een lidstaat kan de namen van ouders van veroordeelden en gezichtsopnamen van veroordeelden aan het gegevensbestand toevoegen.

Nederland voegt geen namen van ouders van veroordeelden en gezichtsopnamen van veroordeelden toe aan het gegevensbestand.

Artikel 6 (Gezichtsopnamen)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 7 (Gebruik van Ecris-TCN om vast te stellen welke lidstaten over strafregistergegevens beschikken)

Artikel 2a van de Wjsg (nieuw)

Ecris-TCN wordt gebruikt ten behoeve van de strafrechtspleging en kan daarnaast worden gebruikt voor andere doeleinden indien geregeld bij nationaal recht.

Bij het voorstel van wet zijn geen andere regels opgenomen dan noodzakelijk voor de implementatie.

Artikel 8 (Bewaringstermijn van opgeslagen gegevens)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 9 (De wijziging en het wissen van gegevens)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 10 (Vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie)

Gericht op de Commissie

   

Artikel 11 (Ontwikkeling en operationeel beheer van Ecris-TCN)

Gericht op eu-LISA en de Commissie

   

Artikel 12 (Verantwoordelijkheden van de lidstaten)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 13 (Verantwoordelijkheid voor het gebruik van gegevens)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 14 (Toegang voor Eurojust, Europol en het EOM)

Gericht op Eurojust, Europol en het EOM

   

Artikel 15 (Toegang voor gemachtigd personeel van Eurojust, Europol en het EOM)

Gericht op Eurojust, Europol en het EOM

   

Artikel 16 (Verantwoordelijkheden van Eurojust, Europol en het EOM)

Gericht op Eurojust, Europol en het EOM

   

Artikel 17 (Contactpunt voor derde landen en internationale organisaties)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 18 (Verstrekken van informatie aan een derde land, internationale organisatie of particuliere partij)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 19 (Beveiliging van gegevens)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 20 (Aansprakelijkheid)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 21 (Interne monitoring)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 22 (Sancties)

Artikel 272 van het WvSr

   

Artikel 23 (Verwerkingsverantwoordelijke en verwerker)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 24 (Doel van de verwerking van persoonsgegevens)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 25 (Recht op inzage, rectificatie, wissen en de beperking van verwerking)

Eerste tot en met het derde lid: Rechtstreekse werking volstaat; vierde lid: Artikel 23, eerste lid, van de Wjsg; vijfde lid: Artikel 23, tweede lid, van de Wjsg

   

Artikel 26 (Samenwerking om de eerbiediging van gegevensbeschermingsrechten te waarborgen)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 27 (Rechtsmiddelen)

Artikel 23 van de Wjsg

   

Artikel 28 (Toezicht door de nationale toezichthoudende instanties)

Artikel 27, eerste lid, van de Wjsg; artikelen 5:16, 5:17 en 5:20 van de Awb

   

Artikel 29 (Toezicht door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming

Gericht op de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en eu-LISA

   

Artikel 30 (Samenwerking tussen de nationale toezichthoudende instanties en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 31 (Bijhouden van logbestanden)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 32 (Gebruik van gegevens voor verslagen en statistieken)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 33 (Kosten)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 34 (Kennisgevingen)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 35 (Invoer van gegevens en ingebruikneming)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 36 (Controle en evaluatie)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 37 (Uitoefening van de delegatie)

Gericht op de Commissie, het Europees Parlement en de Raad

   

Artikel 38 (Comitéprocedure)

Gericht op de Commissie

   

Artikel 39 (Adviesgroep)

Gericht op eu-LISA

   

Artikel 40 (Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1726

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 41 (Omzetting en overgangsmaatregelen)

Rechtstreekse werking volstaat

   

Artikel 42 (Inwerkingtreding)

Rechtstreekse werking volstaat

   
Ecris-richtlijn

Bepaling EU-regelgeving

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1, eerste lid (wijzigt artikel 1 – doel)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, tweede lid (wijzigt artikel 2 – definities)

Artikel 1 van het Bjsg (nog aanpassen)

   

Artikel 1, derde lid (wijzigt artikel 4, eerste lid – verplichtingen van de lidstaat van veroordeling)

Artikel 6, eerste lid, onderdeel g, van het Bjsg (nog aanpassen)

   

Artikel 1, vierde lid (wijzigt artikel 6, derde lid – verzoek om gegevens over veroordelingen)

Artikelen 16, tweede lid, en 18, derde lid, van de Wjsg, en een nader te ontwerpen nieuw artikel in het Bjsg

   

Artikel 1, vierde lid (voegt in artikel 6 een derde lid bis toe – verzoek om gegevens over veroordelingen)

Artikelen 16, tweede lid, en 18, derde lid, van de Wjsg, en een nader te ontwerpen nieuw artikel in het Bjsg

   

Artikel 1, vijfde lid (wijzigt artikel 7, vierde lid – antwoord op een verzoek om gegevens over veroordelingen)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, vijfde lid (voegt in artikel 7 een vierde lid bis toe – antwoord op een verzoek om gegevens over veroordelingen)

Artikel 36, eerste lid en derde lid, van het Bjsg

   

Artikel 1, zesde lid (wijzigt artikel 8, tweede lid – antwoordtermijnen)

Artikel 16, tweede lid, van de Wjsg en een nader te ontwerpen nieuw artikel in het Bjsg

   

Artikel 1, zevende lid (wijzigt artikel 9 – voorwaarden voor het gebruik van persoonsgegevens)

Artikelen 36 en 39 van het Bjsg

   

Artikel 1, achtste lid (wijzigt artikel 11, eerste lid – formaat en andere regelingen inzake het organiseren en faciliteren van de uitwisseling van gegevens inzake veroordelingen)

Artikel 6, eerste lid, van het Bjsg

De centrale autoriteit deelt de volgende gegevens mee indien zij voorhanden zijn: (i) vingerafdrukken van de betrokkene, (ii) voor zover van toepassing, pseudoniemen of bijnamen, en (iii) gezichtsopnamen.

Nederland stelt via Ecris geen (i) vingerafdrukken van de betrokkene, (ii) voor zover van toepassing, pseudoniemen of bijnamen, en (iii) gezichtsopnamen ter beschikking.

Artikel 1, achtste lid (wijzigt artikel 11, derde lid – formaat en andere regelingen inzake het organiseren en faciliteren van de uitwisseling van gegevens inzake veroordelingen)

Een nader te ontwerpen nieuw artikel in het Bjsg

   

Artikel 1, achtste lid (wijzigt artikel 11, vierde lid – formaat en andere regelingen inzake het organiseren en faciliteren van de uitwisseling van gegevens inzake veroordelingen)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, achtste lid (wijzigt artikel 11, vijfde lid – formaat en andere regelingen inzake het organiseren en faciliteren van de uitwisseling van gegevens inzake veroordelingen)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, eerste lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, tweede lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, derde lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, vierde lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, vijfde lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Gericht op de Commissie. Behoeft geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, zesde lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Gericht op eu-LISA. Behoeft geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, zevende lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11bis, achtste lid, toe – Europees strafregisterinformatiesysteem (Ecris)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving.

Een lidstaat gebruikt de Ecris-referentie-implementatie of de nationale Ecris-implementatiesoftware.

Nederland maakt gebruik van de Ecris-referentie-implementatie.

Artikel 1, negende lid (voegt artikel 11ter toe – uitvoeringshandelingen)

Gericht op de Commissie. Behoeft geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, tiende lid (voegt artikel 12 bis toe – comitéprocedure)

Gericht op de Commissie. Behoeft geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 1, elfde lid (voegt artikel 13bis toe – verslaglegging door Commissie en evaluatie)

Gericht op de Commissie. Behoeft geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 2 (vervanging van Besluit 2009/316/JBZ)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 3 (omzetting)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 4 (inwerkingtreding en toepassing)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

Artikel 5 (adressaten)

Behoeft naar zijn aard geen omzetting in regelgeving

   

De Minister voor Rechtsbescherming,