Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de invoering van het aanvullend geboorteverlof en een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode

Nader Rapport

28 november 2019

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de invoering van het aanvullend geboorteverlof en een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 14 juni 2019, nr. 2019001156, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 25 juli 2019, nr. W12.19.0144/III, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) aanleiding tot het maken van een inhoudelijke opmerking over de mogelijke inkomensgevolgen die gepaard kunnen gaan met het opnemen van het aanvullend geboorteverlof.

Hieronder ga ik in op het advies van de Afdeling. Het advies is integraal opgenomen in dit nader rapport en is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 14 juni 2019, no.2019001156, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit

socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de invoering van het aanvullend geboorteverlof en een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode, met nota van toelichting.

De Wet invoering extra geboorteverlof bepaalt dat de partner van de moeder van het pasgeboren kind recht heeft op vijf dagen volledig doorbetaald geboorteverlof. Tevens voorziet die wet er in dat de partner vijf weken aanvullend geboorteverlof kan opnemen, binnen zes maanden na de geboorte van het kind.1 Er bestaat tijdens dit verlof geen recht op doorbetaling van het loon, maar de partner heeft recht op een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ter hoogte van 70% van het (maximum)dagloon.

Het ontwerpbesluit voorziet blijkens de toelichting in een technische aanpassing van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarbij wordt geregeld wat onder inkomen dient te verstaan indien de partner een uitkering of aanvullend geboorteverlof geniet op grond van de Wet invoering extra geboorteverlof.2

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de mogelijke inkomensgevolgen die gepaard kunnen gaan met het opnemen van het aanvullend geboorteverlof. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van de toelichting wenselijk is.

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten regelt wat onder inkomen wordt verstaan als iemand een uitkering ontvangt op grond van de volksverzekeringen, de sociale voorzieningen, de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. In die wetten is namelijk geregeld dat (vormen van) inkomen geheel of gedeeltelijk wordt verrekend met de uitkering.

Met het besluit wordt geregeld dat het verlof op grond van de Wet invoering extra geboorteverlof niet als verlof wordt aangemerkt voor de volksverzekeringen, de sociale voorzieningen, de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, nu de inkomsten uit het aanvullend geboorteverlof reeds als inkomen voor die wetten wordt aangemerkt.

De Afdeling merkt op dat met de gekozen wijze van vormgeving er aanzienlijke positieve en negatieve inkomensgevolgen kunnen ontstaan. Dit is het geval als een partner een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontvangt, en aanvullend geboorteverlof opneemt. In deze situaties kan het voorkomen dat de loonaanvullingsuitkering verandert in een vervolguitkering, of de vervolguitkering in een loonaanvullingsuitkering.

De daaruit voortvloeiende gevolgen voor het inkomen kunnen aanzienlijk zijn. De Afdeling adviseert hier in de toelichting nader aandacht aan te besteden.3

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is de nota van toelichting aangevuld. Toegelicht is waarom het opnemen van aanvullend geboorteverlof inkomensgevolgen kan hebben voor de WIA-gerechtigde die een WGA-loonaanvullingsuitkering of -vervolguitkering ontvangt. In de voorlichting over het (aanvullend) geboorteverlof zal aandacht besteed worden aan het belang van een tijdige oriëntatie op de financiële aspecten van deze verlofopname.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele technische wijzigingen toe te voegen in het ontwerpbesluit. Het gaat om een wijziging in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en een wijziging in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Als gevolg van de nieuwe uitkering op grond van de Wet invoering extra geboorteverlof is het noodzakelijk om in voornoemde besluiten de begripsbepaling ‘Nederlandse socialeverzekeringsuitkering’ aan te vullen met een verwijzing naar de nieuwe uitkering op grond van artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees.

Advies Raad van State

No. W12.19.0144/III

’s-Gravenhage, 25 juli 2019

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 14 juni 2019, no.2019001156, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de invoering van het aanvullend geboorteverlof en een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode, met nota van toelichting.

De Wet invoering extra geboorteverlof bepaalt dat de partner van de moeder van het pasgeboren kind recht heeft op vijf dagen volledig doorbetaald geboorteverlof. Tevens voorziet die wet er in dat de partner vijf weken aanvullend geboorteverlof kan opnemen, binnen zes maanden na de geboorte van het kind.1 Er bestaat tijdens dit verlof geen recht op doorbetaling van het loon, maar de partner heeft recht op een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ter hoogte van 70% van het (maximum)dagloon.

Het ontwerpbesluit voorziet blijkens de toelichting in een technische aanpassing van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, waarbij wordt geregeld wat onder inkomen dient te verstaan indien de partner een uitkering of aanvullend geboorteverlof geniet op grond van de Wet invoering extra geboorteverlof.2

De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de mogelijke inkomensgevolgen die gepaard kunnen gaan met het opnemen van het aanvullend geboorteverlof. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van de toelichting wenselijk is.

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten regelt wat onder inkomen wordt verstaan als iemand een uitkering ontvangt op grond van de volksverzekeringen, de sociale voorzieningen, de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. In die wetten is namelijk geregeld dat (vormen van) inkomen geheel of gedeeltelijk wordt verrekend met de uitkering.

Met het besluit wordt geregeld dat het verlof op grond van de Wet invoering extra geboorteverlof niet als verlof wordt aangemerkt voor de volksverzekeringen, de sociale voorzieningen, de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, nu de inkomsten uit het aanvullend geboorteverlof reeds als inkomen voor die wetten wordt aangemerkt.

De Afdeling merkt op dat met de gekozen wijze van vormgeving er aanzienlijke positieve en negatieve inkomensgevolgen kunnen ontstaan. Dit is het geval als een partner een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontvangt, en aanvullend geboorteverlof opneemt. In deze situaties kan het voorkomen dat de loonaanvullingsuitkering verandert in een vervolguitkering, of de vervolguitkering in een loonaanvullingsuitkering.

De daaruit voortvloeiende gevolgen voor het inkomen kunnen aanzienlijk zijn. De Afdeling adviseert hier in de toelichting nader aandacht aan te besteden.3

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.

De waarnemend vice-president van de Raad van State, S.F.M. Wortmann.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Ontwerpbesluit van ... tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de invoering van het aanvullend geboorteverlof en een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juni 2019, nr.2019-0000082459

Gelet op de artikelen 10, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, 12a van de Algemene Ouderdomswet, 6, tweede lid, van de Toeslagenwet, 1b, zesde lid, en 47, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 4:2b, vijfde lid, van de Wet arbeid en zorg, 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 8, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 10, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 14, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 13, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 31, derde lid, van de Ziektewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van [niet invullen],

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN HET ALGEMEEN INKOMENSBESLUIT SOCIALEZEKERHEIDSWETTEN

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1:1, eerste lid, wordt ‘artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg’ vervangen door ‘artikelen 3:1, 3:2 en 4:2a van de Wet arbeid en zorg’.

B

In artikel 2:10, onderdeel c, wordt ‘op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg’ vervangen door ‘op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of artikel 4:2b van de Wet arbeid en zorg’.

C

In artikel 5:4 wordt ‘10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen’ vervangen door ‘10, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen’.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN HET DAGLOONBESLUIT WERKNEMERSVERZEKERINGEN

Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1, eerste lid, onderdeel h, wordt toegevoegd ‘, met uitzondering van een uitkering op grond van artikel 4:2b van de Wazo’.

B

Artikel 6, vierde lid, komt als volgt te luiden:

  • 4. Dit artikel blijft buiten toepassing indien:

    • a. de toepassing van dit artikel leidt tot een lager dagloon; of

    • b. gedurende het aangiftetijdvak, bedoeld in het eerste lid, het te vervangen loon mede bestaat uit een uitkering op grond van de ZW, vanwege de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid.

C

In artikel 28 wordt ‘artikel 1b, zesde lid, van de WW’ vervangen door ‘de artikelen 1b, zesde lid, van de WW en 4:2b, vijfde lid, van de Wazo’.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2020, met uitzondering van artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel B, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2. Artikel II, onderdeel B, werkt terug tot en met 1 december 2017.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding en doelstelling

Vanaf 1 juli 2020 krijgen werknemers op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo), zoals gewijzigd door de Wet invoering extra geboorteverlof (WIEG), na de geboorte van een kind recht op (maximaal) 5 weken aanvullend geboorteverlof. Dit recht geldt voor de werknemer die echtgeno(o)t(te) of geregistreerde partner van de moeder is, ongehuwd met haar samenwoont of haar kind erkend heeft. Tijdens dit verlof bestaat geen wettelijk recht op loondoorbetaling. Wel heeft men recht op een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ter hoogte van 70% van het (maximum)dagloon.

Het voorliggende besluit voorziet in een technische aanpassing van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: Dagloonbesluit). In beide besluiten moet worden geregeld wat onder inkomen wordt verstaan als de betrokkene respectievelijk een uitkering of verlof geniet op grond van de WIEG.

Daarnaast voorziet het voorliggende besluit in een reparatie van het Dagloonbesluit met betrekking tot de vaststelling van het WW-dagloon. De berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van ziekte in de referteperiode wordt geharmoniseerd met de systematiek die reeds geldt voor de vaststelling van het WIA-dagloon. Dit wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting onder artikel II, onderdeel B.

In de artikelsgewijze toelichting zal worden ingegaan op de specifieke wijzigingen in het AIB en het Dagloonbesluit. Hierna zal eerst worden ingegaan op de beleidsmatige achtergrond van deze wijzigingen (paragraaf 2) en daarna op de reactie van het UWV en de internetconsultatie (paragraaf 3). In paragraaf 4 staan de regeldrukeffecten en de effecten op de uitkeringslasten en uitvoeringskosten van dit besluit.

2. Het aanvullend geboorteverlof in het AIB en het Dagloonbesluit
AIB

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten regelt wat onder inkomen wordt verstaan als iemand een uitkering ontvangt op grond van de volksverzekeringen, de sociale voorzieningen, de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In die wetten is namelijk geregeld dat inkomen, inkomen uit arbeid en/of overig inkomen gedeeltelijk of volledig wordt verrekend met de uitkering.

Met de onderhavige wijziging van het AIB wordt geregeld dat de uitkering op grond van de WIEG als inkomen (uit arbeid) wordt aangemerkt voor de hiervoor bedoelde wetten. Dit hoeft niet expliciet te worden geregeld, omdat de uitkering op grond van de WIEG valt onder het loonbegrip van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Daardoor wordt de uitkering automatisch als inkomen uit arbeid aangemerkt voor de volksverzekeringen en sociale voorzieningen (zie artikel 2:2, eerste lid, onderdeel a, AIB) en als inkomen voor de werknemersverzekeringen (zie artikel 3:2, eerste lid, onderdeel a, AIB) en de Wajong (zie artikel 3:6, tweede lid, AIB).

Wel moet expliciet worden geregeld dat het verlof op grond van de WIEG niet als verlof wordt aangemerkt. Het AIB1 kent namelijk aparte bepalingen als iemand verlof opneemt. Deze regelen dat bij verlof als inkomen (uit arbeid) wordt aangemerkt het inkomen (uit arbeid) dat de betrokkene heeft genoten in het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het verlof aanving (zie artikel 2:3, eerste lid, onderdeel d, AIB en artikel 3:3, derde lid, AIB). Om te voorkomen dat bij het aanvullend geboorteverlof tweemaal een inkomen (uit arbeid) wordt verrekend (één maal omdat de betrokkene een uitkering ontvangt en één maal omdat de betrokkene met verlof is), is geregeld dat het aanvullend geboorteverlof niet als verlof wordt aangemerkt.

Het voorgaande kan met een voorbeeld worden toegelicht. Stel dat een werknemer recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een maandloon van € 2.000. Daarnaast heeft hij een baan waarmee hij € 1.000 per maand verdient. Zijn loongerelateerde WGA-uitkering bedraagt daarom 0,7 * (€ 2.000 – € 1.000) = € 700. De betrokkene neemt vanaf 1 mei vier weken geboorteverlof op. De werkgever betaalt daarom in mei geen loon2, maar hij meldt wel – door invulling van code G in de loonaangifte – dat de betrokkene aanvullend geboorteverlof heeft opgenomen. Als de voornoemde systematiek bij verlof van toepassing zou zijn, dan zou als inkomen in mei worden aangemerkt het loon in april, te weten € 1.000. Met andere woorden, de loongerelateerde WGA-uitkering zou in mei hetzelfde bedragen als in april. Stel vervolgens dat het UWV de uitkering in verband met aanvullend geboorteverlof in juli aan de werkgever uitkeert en dat de werkgever deze uitkering in dezelfde maand doorbetaalt aan de werknemer. In de loonaangifte wordt de uitkering als loon verantwoord, waardoor de werknemer in juli een ‘loon’ ontvangt van € 1.000 (het ‘normale’ loon) plus € 700 (de uitkering in verband met aanvullend geboorteverlof). Dit heeft tot gevolg dat de loongerelateerde WGA-uitkering in juli wordt verlaagd naar 0,7 * (€ 2.000 – € 1.700) = € 210. De uitkering in verband met aanvullend geboorteverlof zou dus tweemaal zijn verrekend doordat in mei een loon van € 1.000 is toegerekend (terwijl de betrokkene die maand in feite geen loon heeft ontvangen) en in juli de uitkering van € 700 als loon is aangemerkt. Om deze dubbele verrekening te voorkomen is ervoor gekozen om bij aanvullend geboorteverlof de uitkering als inkomen (uit arbeid) aan te merken en de verlofregeling van het AIB niet toe te passen.

Voor de Toeslagenwet wordt expliciet geregeld dat de uitkering op grond van de WIEG als inkomen uit arbeid wordt aangemerkt. Dit wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting onder artikel I, onderdeel B.

Dagloonbesluit

Het Dagloonbesluit regelt hoe het dagloon van een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen moet worden vastgesteld. Daarbij wordt bij verlof de hiervoor genoemde systematiek wél toegepast. Ook dit hoeft niet expliciet te worden geregeld, omdat het Dagloonbesluit al een verlofregeling kent. Deze is gelijk aan de verlofregeling in het AIB: in dat geval wordt namelijk als loon aangemerkt, het (hogere) loon in het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het verlof aanving (zie artikelen 6, 12f en 17 van het Dagloonbesluit). Hiermee wordt voorkomen dat het aanvullende geboorteverlof tot een lager dagloon leidt als de betrokkene binnen één jaar daarna recht krijgt op een WW-, ZW- of WIA-uitkering. Dit zal met een voorbeeld worden toegelicht3.

A heeft een dienstbetrekking met een loon van € 100 per dag. Op 1 januari 2021 gaat A met aanvullend geboorteverlof, waarvoor een uitkering op grond van de WIEG ter hoogte van € 70 per dag wordt toegekend. A gaat vier weken met genoemd verlof en hervat daarna het werk. Vervolgens wordt hij op 1 februari 2022 werkloos. De referteperiode van het dagloon voor de WW-uitkering loopt van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022. Dit dagloon zou – zonder nadere regeling – dan (12 x € 100 + € 70) / 13) = € 97,70 bedragen. Indien A niet met aanvullend geboorteverlof was gegaan en had doorgewerkt zou het WW-dagloon € 100 zijn geweest. Dit dagloonverlagende effect loopt op indien er sprake is van een kortere referteperiode of als er sprake is van meerdere periodes van aanvullend geboorteverlof in de referteperiode van het betreffende dagloon. De regering vindt dit dagloonverlagende effect ongewenst.

Daarom wordt in deze situatie de verlofregeling uit het Dagloonbesluit toegepast. Dit brengt in het voorgaande voorbeeld mee dat het loon van december 2020 als loon in januari 2021 wordt aangemerkt. Er wordt dus uitgegaan van een bedrag van € 100 per dag in plaats van € 70 per dag. Het aanvullend geboorteverlof valt nu reeds onder de werkingssfeer van de begripsbepaling van verlof in het Dagloonbesluit.4 Hierdoor zijn de hiervoor genoemde bepalingen in dat besluit bij verlof van toepassing.

Tot slot wordt opgemerkt dat zich in de uitvoeringspraktijk een situatie kan voordoen die tot een dagloonverhogend effect leidt. Deze wordt vanwege de uitvoerbaarheid van het Dagloonbesluit geaccepteerd. Dit speelt bijvoorbeeld indien de werkgever eerst in een aangiftetijdvak minder of geen loon uitbetaalt vanwege het aanvullend geboorteverlof, en in een later aangiftetijdvak de aan hem uitgekeerde uitkering in verband met het aanvullend geboorteverlof in het loon verdisconteert.

3. Uitvoering en internetconsulatie

De aanvraag voor de uitkering in verband met het aanvullend geboorteverlof wordt door de werkgever namens de werknemer gedaan. De aanvraag gebeurt elektronisch en is gericht aan het UWV dat de aanvraag beoordeelt en de uitkering verstrekt. Tijdens de verlofperiode heeft de werknemer recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon (dat een maximum kent). UWV betaalt de uitkering via de werkgever uit. In het kader van het voorliggende besluit dient de werkgever in de aangiftetijdvakken waarin verlof wordt genoten, in de loonaangifte op te geven dat sprake is van geen of lager loon wegens het genieten van aanvullend geboorteverlof. Dit kan eenvoudig door de code ‘G’ aan te vinken. De Belastingdienst heeft de mogelijkheid daartoe in de polisadministratie gecreëerd. Bij een latere aanvraag voor een WW-, ZW-, Wazo-, WAO- of Wet WIA-uitkering zal UWV op basis van de polisadministratie signaleren dat in de referteperiode sprake is geweest van geen of lager loon wegens het genieten van aanvullend geboorteverlof en bij de dagloonberekening daarmee rekening houden op de in het Dagloonbesluit aangegeven wijze.

Uitvoeringstoets UWV

De uitvoeringstoets van het UWV heeft tot een ingrijpende wijziging van dit besluit geleid. In het concept voor de u-toets was voorgesteld om in het AIB te regelen dat als inkomen (uit arbeid) zou worden aangemerkt het dagloon dat aan de uitkering op grond van de WIEG ten grondslag ligt. Dus bij een uitkering van € 70 per dag zou het inkomen (uit arbeid) € 100 bedragen. Dit was voor UWV onuitvoerbaar, omdat deze uitkering niet herkenbaar is in de polisadministratie. Weliswaar moet de werkgever een code ‘G’ invullen, maar dat dient hij te doen in het aangiftetijdvak dat de werknemer geen of minder loon ontvangt vanwege het aanvullende geboorteverlof. Dat hoeft niet hetzelfde aangiftetijdvak of dezelfde aangiftetijdvakken te zijn als het aangiftetijdvak of de aangiftetijdvakken waarin de werkgever de uitkering heeft uitbetaald. Bovendien kan het UWV – omdat de uitkering als ‘loon’ wordt aangegeven door de werkgever – niet vaststellen hoe groot het uitkeringsbedrag is geweest dat de werkgever in een bepaald aangiftetijdvak heeft uitbetaald. Immers, een gedeelte van het bedrag kan ook ‘gewoon’ loon zijn geweest. Daarom heeft de regering ervoor gekozen om in het AIB te regelen dat de uitkering op grond van de WIEG als inkomen (uit arbeid) wordt aangemerkt.

Internetconsulatie

Het conceptbesluit is van 15 januari 2019 tot en met 12 februari 2019 op internet gepubliceerd geweest ter consultatie. Er zijn geen reacties ontvangen.

4. Administratieve lasten en financiën

De werkgever zal bij de uitbetaling van het loon in de periode dat aanvullend geboorteverlof wordt genoten in de polisadministratie moeten aangeven dat sprake is van geen of lager loon wegens het opnemen van dit verlof. Dit kan door het ‘aanvinken’ van een daarvoor bestemde code in de polisadministratie. Geraamd is dat per jaar 93.000 werknemers via de werkgever aanvullend geboorteverlof aanvragen. Bij een verwerkingstijd van een enkele minuut en een uurtarief van € 40,– gaat het om een totaalbedrag van circa € 60.000. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel WIEG is reeds berekend dat de administratieve kosten van het aanvullend geboorteverlof (aanvraag, administratieve afhandeling en archivering) leiden tot extra kosten voor werkgevers van € 1,3 mln. Het ‘aanvinken’ van een code in de polisadministratie ten teken dat sprake is van geen of lager loon in verband met het genieten van aanvullend geboorteverlof betreft een eenvoudige administratieve handeling die deze kosten slechts marginaal zal doen toenemen.

Het Adviescollege toetsing regeldruk acht het op basis van het bovenstaande niet nodig een advies uit te brengen.

Uitkeringslasten en uitvoeringskosten

De impact van dit besluit op de uitkeringslasten is verwaarloosbaar. Zoals aangegeven kunnen er zich situaties voordoen waarin dit besluit leidt tot een dagloonverhogend effect. Het aantal situaties waarin dit het geval zal zijn, is naar verwachting echter zeer beperkt. Binnen de doelgroep van 93.000 werknemers gaat het namelijk om degenen die geen loon doorbetaald krijgen tijdens het verlof (die het loon op een later moment ontvangen) èn die binnen een jaar na opname van het aanvullend geboorteverlof recht krijgen op een ZW, WIA, WW, WAO of Wazo-uitkering. Uitbetaling van het aanvullend geboorteverlof gaat standaard via de werkgever. De verwachting is, net als bij uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof, dat de werkgever tijdens het verlof het loon of een gedeelte van het loon zal doorbetalen.

Artikelsgewijs

Artikel I (Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten)
Onderdeel A

In artikel 1:1, eerste lid, AIB wordt het aanvullend geboorteverlof uitgezonderd van het verlofbegrip. Dit is gedaan omdat een uitkering wordt ontvangen vanwege dit verlof. Deze uitkering wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid. Door het aanvullend geboorteverlof uit te sluiten van het verlofbegrip, wordt voorkomen dat tweemaal een inkomen (uit arbeid) wordt verrekend. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Onderdeel B

In artikel 2:10 AIB zijn de uitzonderingen voor de Toeslagenwet geregeld. De wijziging van onderdeel c wordt met een voorbeeld toegelicht. Stel dat een betrokkene zowel recht heeft op een WW-uitkering (ter hoogte van 50% van het WML) en een toeslag op grond van de TW daarop (van 20% WML). Vervolgens werkt de betrokkene ook nog enkele uren per maand tegen het WML (10% van het WML per kalendermaand). Het inkomen uit die baan wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid en deels (voor 5%) vrijgelaten op grond van artikel 7, eerste lid, van de Toeslagenwet. Hiermee wordt deelname aan of herintreding in het arbeidsproces gestimuleerd. In die laatste dienstbetrekking gaat de betrokkene met (aanvullend) geboorteverlof. Het ligt in de rede om het aanvullend geboorteverlof, nu dit ook plaatsvindt tijdens de dienstbetrekking waarvoor de vrijlating reeds gold, ook als inkomen uit arbeid (in plaats van overig inkomen) aan te merken.

Onderdeel C

Abusievelijk is na de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid, meer specifiek artikel XXXII, onderdeel C, onder 3, de met dat onderdeel verschoven grondslag van het AIB in de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) niet ‘omgehangen’. Hierin is alsnog voorzien. Deze wijziging treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, omdat het een reparatie betreft.

Artikel II (Dagloonbesluit)
Onderdeel A

In artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van het Dagloonbesluit wordt de uitkering op grond van artikel 4.2b Wazo (artikel I, onderdeel D, van de WIEG) uitgezonderd van de begripsbepaling ‘uitkering’. Dit is nodig voor een consistente toepassing van de verlofregeling ten aanzien van de werknemer die aanvullend geboorteverlof heeft genoten in de referteperiode van het WIA-dagloon. Het aanvullend geboorteverlof valt namelijk onder de werkingssfeer van de begripsbepaling ‘verlof’. Dat betekent dat de verlofregeling (artikelen 6, 12f en 17) van toepassing is. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak minder loon heeft genoten vanwege aanvullend geboorteverlof, wordt de methode van het in aanmerking nemen van een vervangend aangiftetijdvak toegepast. Dit voorkomt dat verlof in de referteperiode een dagloonverlagend effect heeft.

In artikel 17, vierde lid, onderdeel b, van het Dagloonbesluit is echter sprake van een uitzondering. Door het begrip ‘uitkering’ in deze bepaling, zou de methode van het vervangend aangiftetijdvak niet van toepassing zijn indien het te vervangen loon mede bestaat uit een uitkering vanwege aanvullend geboorteverlof. Dat betekent dat artikel 16, vierde lid, toegepast zou moeten worden. Om te zorgen dat de uitzondering in artikel 17, vierde lid, onderdeel b, niet van toepassing is op een uitkering vanwege aanvullend geboorteverlof, wordt deze uitkering in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van het Dagloonbesluit uitgezonderd van de begripsbepaling ‘uitkering’.

Onderdeel B

De berekeningswijze van het WW-dagloon wordt geharmoniseerd met de systematiek die reeds geldt voor de vaststelling van het WIA-dagloon. Het gaat om de berekeningswijze van het dagloon in het geval van een lager loon door ziekte in de referteperiode. Voor het WW-dagloon is dit geregeld in artikel 6. Met onderhavige wijziging wordt in het vierde lid een uitzondering toegevoegd die dezelfde strekking heeft als de reeds bestaande uitzondering voor het WIA-dagloon in artikel 17, vierde lid. Dat betekent dat de methode van het in aanmerking nemen van een vervangend aangiftetijdvak niet van toepassing is als het te vervangen loon mede bestaat uit een ZW-uitkering (in verband met de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid). In dat geval wordt de in de referteperiode genoten ZW-uitkering opgehoogd overeenkomstig artikel 5, achtste lid (vermenigvuldiging met 100/A waarbij A staat voor het ZW-uitkeringspercentage). Kortom, als enkel recht bestaat op loondoorbetaling bij ziekte dan wordt het loon uit een vervangend aangiftetijdvak in aanmerking genomen (artikel 6, eerste lid), maar als tegelijk recht bestaat op een ZW-uitkering dan wordt artikel 5, achtste lid, toegepast.

Deze wijziging treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2017, omdat het een reparatie betreft. In het Besluit van 20 juni 2018 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met een andere berekeningswijze van het WW-dagloon in het geval van een lager dagloon door ziekte in de referteperiode en enkele andere wijzigingen (Stb. 2018, 193) werd namelijk al beoogd om de systematiek voor de berekeningswijze van de verschillende daglonen te harmoniseren, maar dat is abusievelijk niet in de tekst van het Dagloonbesluit vastgelegd (artikel I, onderdelen B, C en D van het Besluit Stb. 2018, 193). Met deze wijziging wordt dit alsnog expliciet in het Dagloonbesluit geregeld. Dit heeft verder geen gevolgen voor uitkeringsgerechtigden.

Onderdeel C

Met het met artikel I, onderdeel D, van de WIEG ingevoegde artikel 4:2b, vijfde lid, van de Wazo is een nieuwe grondslag gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over – kortheidshalve – de berekening van het Wazo-dagloon bij aanvullend geboorteverlof. Deze grondslag wordt toegevoegd door middel van een wijziging van artikel 28 van het Dagloonbesluit. De berekening van het Wazo-dagloon voor het aanvullend geboorteverlof is geregeld in hoofdstuk 2a van laatstgenoemd besluit. In paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting is specifiek aandacht geschonken aan de bepalingen inzake verlof in het Dagloonbesluit.

Artikel III

Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel B, in werking met ingang van 1 juli 2020. De wijziging heeft directe werking, waardoor de wijze van aanmerken van het aanvullend geboorteverlof in het AIB reeds vanaf 1 juli 2020 toepassing vindt. Ook de in paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting genoemde toepassing van de verlofregeling in het Dagloonbesluit kan vanaf 1 juli 2020 toepassing vinden, maar zal naar waarschijnlijkheid pas later – in verband met de referteperiode voor de werknemersverzekeringen – feitelijk effect op het dagloon sorteren.

Artikel I, onderdeel C, en artikel II, onderdeel B, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van zowel de vaste verandermomenten als een minimuminvoeringstermijn (aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving), maar dit is gerechtvaardigd nu het reparatieregelgeving betreft. Daarbij wordt aan artikel II, onderdeel B, terugwerkende kracht verleend tot en met 1 december 2017. De reden hiervoor is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij het betreffende artikel.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,


X Noot
1

Dit onderdeel van de Wet invoering extra geboorteverlof treedt in werking met ingang van 1 juli 2020.

X Noot
2

Nota van toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

In dat verband wijst de Afdeling op de memorie van toelichting bij de Wet invoering extra geboorteverlof, waarbij eventuele nadelige inkomenseffecten die gepaard gaan met het opnemen van aanvullend geboorteverlof voor verschillende groepen van werknemers zijn beschreven (Kamerstukken II 2017/18, 34 967, nr. 3, p. 9). Aan de groep die de Afdeling in dit advies aanduidt, is echter geen aandacht besteed.

X Noot
1

Dit onderdeel van de Wet invoering extra geboorteverlof treedt in werking met ingang van 1 juli 2020.

X Noot
2

Nota van toelichting, paragraaf 1.

X Noot
3

In dat verband wijst de Afdeling op de memorie van toelichting bij de Wet invoering extra geboorteverlof, waarbij eventuele nadelige inkomenseffecten die gepaard gaan met het opnemen van aanvullend geboorteverlof voor verschillende groepen van werknemers zijn beschreven (Kamerstukken II 2017/18, 34 967, nr. 3, p. 9). Aan de groep die de Afdeling in dit advies aanduidt, is echter geen aandacht besteed.

X Noot
1

Ook de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen, die de samenloop van een WAO-, WAZ- of een hoofdstuk 3 Wajong-uitkering met inkomen regelt, kent een dergelijke verlofregeling. Het aanvullend geboorteverlof valt onder die verlofregeling (vgl. artikel 1, onderdeel f, jo. artikel 2, zevende lid).

X Noot
2

Een maand wordt gemakshalve beschouwd als bestaande uit vier weken.

X Noot
3

In het voorbeeld wordt voor de eenvoud gewerkt met daglonen in plaats van maandlonen en wordt er tevens van uitgegaan dat de werkgever per vier weken het loon uitbetaalt (daardoor heeft één jaar 13 aangiftetijdvakken).

X Noot
4

Met uitzondering van de verlofregeling voor het WAO en WIA-dagloon, nu artikel 17, vierde lid, onderdeel b, daartoe in de weg staat. Het begrip ‘uitkering’ in dat onderdeel wordt daarom gewijzigd met onderhavig besluit.

Naar boven