Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RotterdamStaatscourant 2018, 3821Instelling gemeenschappelijke regelingen



Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018

Logo Rotterdam

De Raad van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2017 (raadsvoorstel nr. 17bb8924); raadsstuk 17bb9934;

 

overwegende:

 

dat de gemeente Rotterdam deelnemer is van de gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren;

 

dat het recreatieschap Rottemeren heeft besloten om te komen tot een gewijzigde gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren, welke op 1 januari 2018 in werking treedt;

 

dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een gebiedsverordening voor het recreatieschap Rottemeren bij de gemeenteraden van de individuele deelnemers ligt;

 

dat de op 29 augustus 2003 in werking getreden Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren (laatstelijk gewijzigd op 29 november 2007), vervalt;

 

dat de gemeenteraden van de individuele deelnemers van het recreatieschap Rottemeren gelijkluidende bepalingen wensen vast te stellen ten behoeve van het recreatiegebied Rottemeren;

 

gelet op de bepalingen:

  • -

    in artikel 3 van de Gemeenschappelijke Regeling van het Recreatieschap Rottemeren;

  • -

    van de in de gebiedsverordeningen aan de colleges toegekende bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid tot de aanwijzing van toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11;

  • -

    van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de collegebevoegdheden als bedoeld in artikel 125 Gemeentewet ten aanzien van toezicht en handhaving, voor wat betreft de behartiging van de belangen en taken van het recreatieschap die overgedragen worden aan het Algemeen Bestuur van het recreatieschap;

besluit:

 

de Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018 (inclusief de gewaarmerkte toelichting en kaart) als volgt vast te stellen:

 

Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018

 

I. Algemene bepalingen: begripsomschrijvingen en procedureregels voor het verkrijgen van vergunningen, ontheffingen en toestemmingen

Artikel I.1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Werkingsgebied: het gehele gebied dat onderdeel uitmaakt van en behoort tot het gebied waarvoor de gemeenschappelijke regeling van het Recreatieschap Rottemeren van toepassing is.

    Zie hiervoor de bij deze verordening behorende kaart.

  • b.

    Openbaar terrein: elk terrein dat - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk is en dat ligt in het werkingsgebied van het recreatieschap Rottemeren. Zie hiervoor de bij deze verordening behorende kaart.

  • c.

    Openbare wateren: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn en die liggen in het werkingsgebied van het recreatieschap Rottemeren. Zie hiervoor de bij deze verordening behorende kaart.

  • d.

    Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.

  • e.

    Kampeermiddelen: alle middelen zoals een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan die geen bouwwerken zijn waarvoor een bouwvergunning of een meldingsplicht vereist is en die terstond verwijderd kunnen worden.

  • f.

    Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

  • g.

    Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.

  • h.

    Bedrijfsvaartuig: elk vaartuig, waarin of waarop uitsluitend of hoofdzakelijk een beroep, bedrijf of dienst wordt uitgeoefend dan wel dat door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om daarin een beroep, bedrijf of dienst uit te oefenen.

  • i.

    Woonschip: elk vaartuig, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning of recreatieverblijf dan wel door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd of geschikt is om te worden gebruikt als woning of recreatieverblijf.

  • j.

    Jachthaven: een deel van het water met de daarbij behorende grond waar - al dan niet onder toezicht - overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen aan de daarvoor aangebrachte voorzieningen, zoals aanlegsteigers en meerpalen.

  • k.

    Rietkraag: een van een water of oever deel uitmakende oppervlakte van ten minste 1 m2, welke is begroeid met riet, biezen, lisdodden en/of helofyten en alle land, water of moeras binnen 5 meter afstand hiervan.

  • l.

    Zwemplaatsen: die gedeelten van de openbare wateren, welke door middel van palen, drijvers of op andere wijze van het openbaar water zijn afgescheiden, dan wel als zodanig zijn aangeduid.

  • m.

    College: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente.

  • n.

    Raad: de Raad van de deelnemende gemeente.

  • o.

    Toezichthouder: de persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • p.

    Deelnemer: de aan de gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren deelnemende gemeente.

Artikel I.2 Indiening aanvraag en de hierbij te overleggen informatie

  • 1.

    Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan door of namens het College besloten worden de aanvraag niet in behandeling te nemen.

  • 2.

    Door of namens het College kan besloten worden om de in het eerste lid genoemde termijn voor een vergunning of ontheffing te verlengen tot maximaal acht weken.

  • 3.

    Uit de aanvraag dient onder andere duidelijk te blijken:

    • a.

      voor wie of namens welke organisatie, instelling deze aanvraag wordt ingediend;

    • b.

      wat de strekking van de aanvraag is en voor welk tijdstip of periode deze aanvraag is.

Artikel I.3 Mogelijkheid College om voorwaarden en beperkingen te stellen

  • 1.

    Aan een op grond van deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze voorwaarden en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. In voorkomende gevallen kunnen zonder meer eisen gesteld worden naar aard, omvang en deskundigheid. Waar het gaat om het verbod gesteld in artikel IV.1 kan een aanvraag om een ontheffing of vergunning niet worden geweigerd op grond van de inhoud van de handelsreclame.

  • 2.

    Onverminderd het gestelde in het eerste lid vindt - waar nodig - overleg plaats met de betreffende overheden en/of beherende instanties in het gebied van het recreatieschap. In ieder geval wordt een besluit voor opslagplaatsen en dempingen zoals bedoeld in de artikelen V.2 en V.3 niet eerder genomen dan na overleg met de betreffende gemeente en/of het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

    Ten aanzien van evenementen is het gestelde in de toelichting van toepassing.

  • 3.

    Degene aan wie op grond van deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht om de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen na te komen.

  • 4.

    Een vergunning of ontheffing wordt, tenzij anders bepaald in deze verordening, zonder meer geweigerd in het belang van de orde, veiligheid en zedelijkheid zoals nader uitgewerkt in de hoofdstukken II en III van deze verordening en voor zover in strijd met de Wet Natuurbescherming en daaraan te relateren (Europese) richtlijnen.

Artikel I.4 Persoonlijk karakter van vergunning, ontheffing of toestemming

De vergunning, ontheffing of toestemming is persoonsgebonden, tenzij anders aangegeven in deze verordening.

Artikel I.5 Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of toestemming

Met inachtneming van het gestelde in artikel I.4 kan een vergunning of ontheffing om de volgende redenen ingetrokken of gewijzigd worden als:

  • a.

    de houder hierom verzoekt;

  • b.

    er onjuiste of onvolledige gegevens bij de aanvraag zijn verstrekt;

  • c.

    op grond van veranderde omstandigheden of inzichten, de intrekking of wijziging van een verleende vergunning of ontheffing op grond van de doelstelling van het recreatieschap en de daaraan verbonden belangen van de (andere) bezoekers, recreanten en gebruikers van het gebied gevorderd moet worden;

  • d.

    de voorwaarden en beperkingen zoals bedoeld in artikel I.3 niet worden nagekomen;

  • e.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of binnen een redelijke termijn als er geen termijn is gesteld.

Artikel I.6 Regelend optreden door of namens het College

  • 1.

    Indien dit voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening nodig is, kan door of namens het College te allen tijde regelend worden opgetreden ten aanzien van onder andere natuurlijke en/of privaatrechtelijke rechtspersonen, vaartuigen, voertuigen, werken, voorzieningen en andere voorwerpen van houderschap, bezit en eigendom alsmede rij-, trek- en andere dieren. De natuurlijke en privaatrechtelijke rechtspersonen moeten voldoen aan de bevelen, welke hen door of namens het College worden gegeven.

  • 2.

    Indien geen eigenaar, houder of begeleider aanwezig is, kan in spoedeisende gevallen door of namens het College tot het direct weghalen of het doen weghalen van de in het eerste lid genoemde zaken worden overgegaan.

  • 3.

    In gevallen anders dan bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder tot het weghalen of het doen weghalen overgegaan dan nadat onder andere een redelijke termijn - zonodig - inclusief de termijn van publicatie in acht is genomen.

  • 4.

    Het College kan de kosten van het weghalen of het doen weghalen bij de overtreder(s) verhalen.

II. Algemene en bijzondere bepalingen over het gebruik van openbare terreinen en openbare wateren

A. Algemene bepalingen over het gebruik van openbare terreinen en openbare wateren

Artikel II.1 Gebruik van groen en recreatieve voorzieningen en bouwwerken

  • 1.

    Het is verboden op openbare terreinen:

    • a.

      zich in of op kunstwerken of bouwwerken en overige niet voor dit specifieke doel bestemde eigendommen van het recreatieschap te bevinden;

    • b.

      bomen, struiken, riet of andere planten, bouwwerken en goederen zodanig te gebruiken waardoor de hiervoor genoemde zaken geheel of gedeeltelijk verloren gaan danwel op een zodanige wijze beschadigd worden dat onder andere het belang van de bezoeker, recreant en gebruiker wordt geschaad;

    • c.

      sport- of andere activiteiten te beoefenen die in strijd met het doel zijn;

    • d.

      vaartuigen neer te leggen, te laten liggen, te water te laten of tegen de oever op te trekken;

    • e.

      voertuigen, die niet of kennelijk niet rijklaar zijn langer dan twaalf uur te laten staan;

    • f.

      de als zodanig aangeduide vissteigers te gebruiken anders dan voor het doel waarvoor deze bestemd zijn;

    • g.

      zich op de stranden te gedragen op zodanige wijze dat schade, gevaar of hinder veroorzaakt wordt of kan worden veroorzaakt aan personen, dieren of goederen;

    • h.

      te overnachten en/of voor dat doel van zonsondergang tot zonsopkomst onder andere kampeermiddelen te laten staan.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing voor die voorzieningen waarvan de Raad de bestemming en het gebruik in beheer- en inrichtingsplannen heeft vastgesteld of waarvoor vergunning, ontheffing of toestemming is afgegeven.

  • 3.

    Het in het eerste lid onder c, d en h bedoelde verbod geldt niet voor de daarvoor door het College aangewezen plaatsen.

Artikel II.2 Geluidsinstrumenten en geluidstoestellen

Behoudens een ontheffing van het College is het verboden op de openbare terreinen en openbare wateren door middel van een geluidsinstrument en/of een toestel, bestemd tot het weergeven van muziek of van de menselijke stem, hinderlijk geluid te maken.

Artikel II.3 Gebruik van vuur

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer op de openbare terreinen en openbare wateren of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel II.4 Rijdieren en vee

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden de openbare terreinen en openbare wateren te doen betreden door rijdieren, trekdieren of vee.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op de door het College aangewezen ruiterpaden, ruiterroutes of ruiter-terreinen.

Artikel II.5 Honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond in het werkingsgebied te laten lopen of verblijven:

    • a.

      zonder een halsband, een identificatie kenmerk of een ander onderscheidingsteken, dat de eigenaar van een hond duidelijk doet kennen; en

    • b.

      zonder dat die hond kort is aangelijnd, met een lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, niet meer dan 1,50 meter bedraagt.

  • 2.

    De eigenaar of houder van een hond draagt er zorg voor, dat dit dier geen:

    • a.

      overlast veroorzaakt aan anderen;

    • b.

      uitwerpselen achterlaat (opruimplicht).

  • 3.

    Het College kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar het verboden is zich met een hond te bevinden.

  • 4.

    Het College kan gebieden aanwijzen waar de aanlijning van een hond en/of de opruimplicht niet gelden.

  • 5.

    Dit artikel geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is.

Artikel II.6 Modelsport

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden de modelsport te beoefenen met miniatuur voer-, vaar- of vliegtuigen welke al dan niet voorzien zijn van verbrandings- en elektromotoren;

  • 2.

    Het College kan gebieden aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod voor nader te bepalen miniatuur voer-, vaar- of vliegtuigen niet geldt.

Artikel II.7 Vissen en duiken vanaf bruggen en het zwemmen en baden nabij bruggen

Voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994, de Scheepvaartverkeerswet en het Binnenvaart-politiereglement, is het verboden:

  • a.

    vanaf bruggen te vissen met een hengel;

  • b.

    vanaf bruggen te duiken en/of zich anderszins te water te begeven;

  • c.

    nabij bruggen te zwemmen of te baden in het openbaar water.

B. Bijzondere bepalingen over het gebruik van openbare terreinen

Paragraaf 1 Parkeerexcessen

Artikel II.8 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • 1.

    wegen: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 2.

    voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    • a.

      tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen;

    • b.

      invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • c.

      kruiwagens, rolstoelen, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen;

  • 3.

    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Artikel II.9 Te koop aanbieden van voertuigen

Behoudens een ontheffing van het College is het verboden op door het College aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel II.10 Defecte voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden (defect voertuig), langer dan twaalf uur op de weg te parkeren.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met het betrokken voertuig het voeren van een zodanig kenteken wettelijk verplicht is.

Artikel II.11 Voertuigwrakken

  • 1.

    Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben.

  • 2.

    Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig of chassis dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel II.12 Aanhangwagens c.a.

  • 1.

    Het is verboden een magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te doen of laten staan;

    • b.

      op een door het College aangewezen plaats te doen of laten staan, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van het recreatieschap.

  • 2.

    Het College kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Zuid-Holland.

Artikel II.13 Parkeren van reclamevoertuigen

Behoudens een ontheffing van het College is het verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel II.14 Parkeren van grote voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het College aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van het recreatieschap.

  • 2.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het College aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3.

    Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op nader te bepalen tijdstippen.

  • 4.

    Het College kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel II.15 Overlastgevend parkeren van voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel II.16 Overlastgevend stallen van (brom)fietsen

Het College kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van het recreatieschap, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is twee- of driewielige fietsen of twee- of driewielige bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

 

Paragraaf 2 Overige bijzondere bepalingen over het gebruik van openbare terreinen

Artikel II.17 Graven in openbare terreinen

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      putten of kuilen te graven of de vegetatie op een andere manier te verwijderen of te beschadigen;

    • b.

      puin dan wel ander kunstmatig of natuurlijk gesteente te verwijderen van oevers of anderszins beschadiging toe te brengen aan oeververdedigingswerken.

  • 2.

    Het in het eerste lid, onder a bedoelde verbod geldt niet voor de stranden.

Artikel II.18 Rijden met voertuigen op openbare terreinen

  • 1.

    Het is verboden om met voertuigen te rijden op de stranden, de speel- en ligweiden.

  • 2.

    Het College kan van het verbod in het eerste lid, ontheffing verlenen. Deze ontheffing geldt slechts voor de door het College nader aan te wijzen delen van openbare terreinen en de in dat kader nader te bepalen ongemotoriseerde voertuigen. Het zal om een incidenteel te verlenen ontheffing gaan.

     

C. Bijzondere bepalingen over het gebruik van openbare wateren

Artikel II.19 Zaaksgebonden ontheffing

De ontheffing voor de in hoofdstuk opgenomen bepalingen is zaaksgebonden.

Artikel II.20 Toegang tot openbare wateren

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden met vaartuigen langer dan twintig meter de in het gebied gelegen openbare wateren binnen te varen of zich hiermede op de openbare wateren te bevinden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op bedrijfsvaartuigen waarvoor aangetoond kan worden dat uitsluitend voor het laden, of lossen van vracht het noodzakelijk is om het gebied in of uit te varen, dan wel zich daarin te bevinden.

Artikel II.21 Gebruik motorvaartuigen

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden in de openbare wateren aan, op of in vaartuigen motoren te hebben.

  • 2.

    Het verbod als gesteld in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de Rotte, met uitzondering van het noordelijke deel van de Rotte vanaf Rijksweg A12;

    • b.

      de Rottemeren.

Artikel II.22 Zeil- en surfplanken of andere vaartuigen

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College, voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet en het Binnenvaartpolitiereglement, is het verboden zonder daartoe bevoegd te zijn zich met zeil- en surfplanken of andere vaartuigen te bevinden op de stranden of op het water dat voor zwemmen is afgezet.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de door het College aangewezen locaties.

Artikel II.23 Losmaken van gemeerde vaartuigen

Het is anderen dan de rechthebbende(-n) of degene(-n) die handelt respectievelijk handelen met diens toestemming verboden:

  • a.

    een in openbare wateren gemeerd liggend vaartuig geheel of gedeeltelijk te ontmeren;

  • b.

    zich aan boord van een vaartuig te bevinden.

Artikel II.24 Het verbod om met vaartuigen in de nabijheid vanzwemplaatsen te zijn

Het is verboden zich met een vaartuig te bevinden binnen een afstand van vijf meter van een zwemplaats.

Artikel II.25 Ligplaats hebben met vaartuigen

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden zonder daartoe bevoegd te zijn in de openbare wateren vaartuigen te laten liggen tussen zonsondergang en zonsopgang.

  • 2.

    Het verbod als gesteld in het eerste lid is niet van toepassing op de door het College aangewezen (jacht)havens, aanlegsteigers en oevers.

  • 3.

    Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn in de openbare wateren:

    • a.

      vaartuigen af te meren anders dan aan de daartoe bestemde meerpalen, remmingspalen en dergelijke kennelijk speciaal voor dit doel bestemde meer-constructies;

    • b.

      eigenmachtig palen te slaan teneinde daaraan vaartuigen te kunnen afmeren;

    • c.

      met vaartuigen ligplaats in te nemen in de vóór de oever gelegen rietkraag;

    • d.

      in de in dit lid, onder c genoemde rietkraag dan wel in de oever te ankeren;

    • e.

      zich met een vaartuig te bevinden binnen een afstand van twintig meter van een als zodanig aangeduide vissteiger in de meren.

Artikel II.26 Verbod ligplaats in te nemen met vaartuigen langer dan veertien meter

Behoudens een ontheffing van het College en onverminderd het bepaalde in artikel II.27 is het verboden met vaartuigen langer dan veertien meter ligplaats te kiezen in, respectievelijk aan, de in eigendom en beheer van het recreatieschap zijnde haventjes, kreken en steigers in de openbare wateren, dan wel deze haventjes en kreken binnen te varen.

Artikel II.27 Driedagenregeling

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College en onverminderd het bepaalde in artikel II.25, eerste lid, is het verboden in de openbare wateren:

    • a.

      met enig vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats ligplaats te hebben;

    • b.

      met een vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op dezelfde plaats opnieuw een ligplaats in te nemen;

    • c.

      een vaartuig langer dan acht achtereenvolgende uren onbemand te laten. Een vaartuig wordt geacht gedurende acht achtereenvolgende uren onbemand te zijn, indien dat vaartuig gedurende acht opeenvolgende uren op tenminste vier tijdstippen met tussenpozen van tenminste twee uren onbemand is aangetroffen.

  • 2.

    Wanneer een vaartuig wordt verplaatst naar een plaats, liggende op minder dan tweehonderd meter hemelsbreed gemeten van de oude ligplaats, wordt het geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen.

  • 3.

    Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      vaartuigen welke zijn gelegen in/aan door het College aangewezen (jacht-) havens en particuliere steigers;

    • b.

      de veerpont van de exploitant van het veer, die bestemd is voor dit veer over de Rotte.

Artikel II.28 Aanwijzing ligplaats

In afwijking van het bepaalde in artikel II.26 dienen bedrijfsvaartuigen langer dan veertien meter ligplaats in te nemen op een door het College aangewezen ligplaats.

Artikel II.29 (Proef-) draaien van motoren

  • 1.

    Het is een ieder verboden van motorvaartuigen de motor(en) te laten (proef)draaien met ingeschakelde schroef (schroeven) op een zodanige wijze, dat dit aanleiding kan geven tot:

    • a.

      beschadiging van oevervoorzieningen, onderwaterbodems en -taluds, steigers of andere werken in de openbare wateren;

    • b.

      overlast in het gebied en voor de bezoekers, recreanten of de andere gebruikers van het gebied.

  • 2.

    Het in het eerste lid aangegeven verbod geldt eveneens voor het laten draaien van motoren ter opwekking van elektriciteit.

  • 3.

    Het in het tweede lid aangegeven verbod is niet van toepassing op het verrichten van het noodzakelijk onderhoud aan de in het eerste lid, onder a genoemde voorzieningen.

Artikel II.30 Repareren en bouwen van vaartuigen

Het is verboden omvangrijke reparaties en onderhoudswerkzaamheden aan vaartuigen uit te voeren of te laten uitvoeren dan wel vaartuigen te bouwen of af te bouwen in, respectievelijk aan, de in eigendom en beheer van het recreatieschap zijnde haventjes, kreken en steigers in de openbare wateren.

Artikel II.31 Voorzieningen

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden in de openbare wateren één of meer aanleggelegenheden, steigers, vlonders, plankieren, verharde terrassen, palen, beschoeiingen, oeververdedigingen, golfbrekers, hijsmasten, hijskranen, vlotten, bruggen, botenhuizen, bergruimten, optrekjes, onderkomens, windschermen en erfafscheidingen - voor zover die erfafscheidingen hoger zijn dan 1 meter boven het maaiveld - te maken of te hebben.

  • 2.

    Het is de eigenaar, de andere zakelijk gerechtigde, de bezitter, de houder of de gebruiker van een onroerende zaak in de openbare wateren verboden de in het eerste lid bedoelde werken toe te laten of te gedogen op die onroerende zaak.

  • 3.

    Het is verboden in de openbare wateren één of meer havens te maken of te hebben, boezemland te doorgraven, terreinen op te hogen, wateren geheel of gedeeltelijk te dempen of te verondiepen dan wel oevers aan te plempen.

  • 4.

    Het is de eigenaar, de andere zakelijk gerechtigde, de bezitter, de houder of de gebruiker van een onroerende zaak in de openbare wateren verboden de in het eerste lid bedoelde wateren, doorgravingen, ophogingen, dempingen, verondiepingen of aanplempingen toe te laten of te gedogen op die onroerende zaak.

  • 5.

    De in het eerste tot en met vierde lid vervatte verboden zijn – voor zover niet anders bepaald in deze verordening - niet van toepassing:

    • a.

      voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Waterwet, de Wet bodembescherming of de Wet Natuurbescherming;

    • b.

      op ten hoogste drie door een agrarisch productiebedrijf voor agrarische doeleinden gebruikte aanleggelegenheden, waarvan de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan zes m2 bedraagt en welke zijn gelegen op of aan het tot dat bedrijf behorende terrein en in goede staat van onderhoud verkeren.

  • 6.

    Een ontheffing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid kan worden geweigerd:

    • a.

      ter bescherming van terreinen of wateren van ecologische, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve of toeristische waarden;

    • b.

      op grond van gehele of gedeeltelijke onbruikbaar maken van een watergebied voor de ecologische infrastructuur of de recreatie;

    • c.

      op grond van belemmering van de recreatie op, in en bij het water;

    • d.

      op grond van belemmering van het in goede banen leiden van vormen van recreatie op, in en bij het water.

Artikel II.32 Veiligheid op het ijs

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      voor het publiek toegankelijke ijsvlakten in het gebied te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige ander wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2.

    Een ieder is verplicht onmiddellijk het ijs te verlaten wanneer hem dit, ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen, door de met toezicht belaste ambtenaren wordt bevolen.

III. Openbare gezondheid en zedelijkheid

Artikel III.1 Verontreiniging

Voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door de Wet milieubeheer, is het verboden in het gebied:

  • a.

    op de openbare terreinen en wegen en in de openbare wateren afval of resten van levensmiddelen, papier, blikken, flessen of andere materialen te werpen, neer te leggen, of achter te laten, anders dan in de kennelijk daartoe bestemde inrichtingen;

  • b.

    zich van oliën, chemicaliën of andere stoffen, welke tot vervuiling van land, water of lucht aanleiding kunnen geven, dan wel schadelijk moeten worden geacht voor het publiek of voor flora en fauna, te ontdoen anders dan in de kennelijk daartoe bestemde inrichtingen.

Artikel III.2 Zedelijkheid

  • 1.

    De Raad kan gebieden aanwijzen waar het toegestaan is zich ongekleed te bevinden.

  • 2.

    Het is verboden zich op de openbare terreinen of openbare wateren op te houden met de kennelijke bedoeling zich aldaar bevindende personen heimelijk gade te slaan.

Artikel III.3 Toiletten

Het is verboden:

  • a.

    de openbare toiletgelegenheden voor enig ander doel te gebruiken dan waartoe deze bestemd zijn;

  • b.

    buiten de openbare toiletgelegenheden te urineren of zijn behoefte te doen;

  • c.

    zich in de openbare toiletgelegenheden of in de onmiddellijke nabijheid daarvan op een hinderlijke of aanstootgevende wijze op te houden.

IV. Andere zaken van openbaar belang

Artikel IV.1 Venten

  • 1.

    Behoudens een vergunning van het College is het verboden in de uitoefening van de handel op of aan de openbare terreinen en/of openbare wateren goederen te koop aan te bieden, te verkopen, te venten of af te geven dan wel diensten aan te bieden.

  • 2.

    Onder venten wordt mede verstaan goederen in het klein voor de verkoop medevoeren met het kennelijke doel om voor die goederen kopers te zoeken.

  • 3.

    Het in het eerste lid aangegeven verbod geldt niet voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats als bedoeld in artikel IV.2.

  • 4.

    Voor zover het gestelde in artikel 18 van de Wegenverkeerswet 1994 niets bepaald heeft, kan een in het eerste lid bedoelde vergunning - onverminderd het bepaalde in de artikelen I.2 tot en I.4 - worden geweigerd in het belang van de verkeersveiligheid.

  • 5.

    Het College stelt het maximale aantal per branche te verlenen vergunningen vast.

Artikel IV.2 Standplaats innemen

  • 1.

    Behoudens een vergunning van het College is het verboden op of aan de openbare terreinen en/of openbare wateren dan wel op een ander voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats een standplaats of ligplaats in te nemen met de bedoeling goederen of waren aan te bieden, te verkopen of te verhuren dan wel diensten aan te bieden.

  • 2.

    Een in het eerste lid bedoelde vergunning kan - onverminderd het bepaalde in de artikelen I.2 tot en met I.4 - worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de verkeersveiligheid, voor zover het gestelde in artikel 18 van de Wegenverkeerswet 1994 niets bepaald heeft;

    • b.

      in het belang van de zorg voor het uiterlijk aanzien van het gebied;

    • c.

      in het belang van de ruimtelijke ordening, zoals aangegeven in de goedgekeurde bestemmingsplannen van de deelnemers van het schap.

  • 3.

    Het College stelt het maximale aantal per branche te verlenen vergunningen vast.

V. Bepalingen ter bescherming van het landschap en de natuur

Artikel V.1 Handelsreclame en opschriften

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden in het gebied, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart met opschriften, aankondigingen, afbeeldingen of constructies met het oogmerk om handelsreclame te uiten, te plaatsen, welke zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar vaarwater, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats.

  • 2.

    Het is de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak in het gebied verboden deze zaak geheel of ten dele, al dan niet door middel van enige daarop aanwezige roerende zaak aan te wenden of de aanwending daarvan te gedogen voor opschriften, aankondigingen, afbeeldingen of constructies met het oogmerk handelsreclamedoeleinden te uiten, welke zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar vaarwater, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats. 3. Het in het eerste en het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf een openbare weg, een openbaar vaarwater, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;

    • b.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    • c.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen kleiner dan 0,5 m2 en langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebbend op:

      • 1.

        een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      • 2.

        het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd;

    • d.

      aankondigingen van tijdelijke aard ten behoeve van een niet vaker dan eenmaal per jaar in het gebied waarin de aankondiging is aangebracht, te houden openbare wedstrijd of evenement, welke niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, doch voor niet langer dan drie maanden en mits:

      • -

        niet meer dan twee aankondigingen per openbare wedstrijd of evenement worden aangebracht;

      • -

        de aankondigingen niet vaker dan eenmaal per jaar worden aangebracht en

      • -

        de tijdelijke aard blijkt uit een datumaanduiding in de aankondigingen.

    • e.

      tijdelijke opschriften, aankondigingen of afbeeldingen die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, mits zij onmiddellijk bij het werk zijn geplaatst en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van dat werk duurt;

    • f.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, welke dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;

    • g.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer;

    • h.

      op constructies ten behoeve van de onder a tot en met g bedoelde opschriften, aankondigingen of afbeeldingen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel I.3 kan een ontheffing worden geweigerd:

    • a.

      op grond van storing of ontsiering van het landschap;

    • b.

      op grond van aantasting van het type, het karakter of de schaal van het landschap;

    • c.

      op grond van aantasting van het natuurlijk milieu, of

    • d.

      ter bescherming van terreinen of wateren, die ecologische, cultuur-historische, archeologische, geomorfologische, recreatieve of toeristische waarden hebben.

Artikel V.2 Opslagplaatsen

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van het College is het verboden om afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en andere roerende zaken die het aanzicht van het landschap kunnen schaden in het werkingsgebied op te slaan.

  • 2.

    Het is de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak in het werkingsgebied verboden op deze zaak een opslagplaats te hebben of te gedogen.3. Het in het eerste en tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op opslagplaatsen, die gebouwen zijn in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of die zich daarin bevinden;

    • b.

      op een tijdelijke opslag van materialen en/of materieel ten behoeve van de uitvoering of het onderhoud van openbare werken uitsluitend gedurende die uitvoering of dat onderhoud, doch ten hoogste gedurende één jaar, mits die opslag is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats, waar die uitvoering of dat onderhoud plaatsvindt;

    • c.

      op een opslag van nieuwe bouwmaterialen en van afbraak, puin en andere oude bouwmaterialen, op of in een onroerende zaak, waarop, waaraan of waarin onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, mits deze zaken voor de uit te voeren werken nodig of van het bouwwerk, dat hersteld of gesloopt wordt, afkomstig zijn;

    • d.

      voor zover in het geregelde onderwerp niet voorzien wordt door de Wet milieubeheer.

  • 4.

    Een blijvende opslagplaats van materialen en/of materieel ten behoeve van de uitvoering of het onderhoud van openbare werken, die toebehoort aan een overheidsdienst of een overheidsbedrijf, wordt geacht met een ontheffing als bedoeld in artikel I.3 van deze verordening aanwezig te zijn. Het College kan aan een zodanige ontheffing voorwaarden en beperkingen verbinden, welke slechts mogen strekken ter bescherming van de in artikel V.1, vierde lid bedoelde belangen.

Artikel V.3 Demping van wateren

  • 1.

    Behoudens een ontheffing van College is het de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak in de door het College aangewezen delen van het werkingsgebied verboden wateren of drassige terreinen, hoe ook genaamd, geheel of gedeeltelijk te dempen of te gedogen, dat deze geheel of gedeeltelijk worden gedempt.

  • 2.

    Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing, voor zover in het geregelde onderwerp niet voorzien wordt door de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet Natuurbescherming.

  • 3.

    Aan een ontheffing van het in het eerste lid bedoelde verbod kunnen slechts voorwaarden en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de in artikel V.1, vierde lid bedoelde belangen.

VI. Straf-, handhavings-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel VI.1 Strafbepalingen

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel I.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Artikel VI.2 Handhavingsbepalingen

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de buitengewoon opsporingsambtenaar van de deelnemende gemeenten, de overige in artikel 141 Wetboek van Strafvordering genoemde ambtenaren, de opsporingsambtenaren van de provincie Zuid-Holland, en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

  • 2.

    Het college kan andere personen aanwijzen als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • 3.

    Bij de uitvoering van de in lid 1 genoemde werkzaamheden is het gestelde in artikel I.6 van toepassing.

Artikel VI.3 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Vergunningen en ontheffingen in de zin van deze verordening, welke op grond van de vervallen ‘Algemene verordening voor het Recreatieschap Rottemeren’ zijn verleend, worden geacht te zijn verleend op grond van deze verordening tenzij anders is bepaald in de betreffende vergunning en ontheffing.

  • 2.

    Aanvragen om vergunning en ontheffing in de zin van deze verordening, welke zijn ingediend bij het Dagelijks Bestuur van het Recreatieschap Rottemeren op grond van de vervallen ‘Algemene verordening voor het recreatieschap Rottemeren’ en waarop nog niet is beslist, worden geacht aanvragen op grond van deze verordening te zijn.

Artikel VI.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. De Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren (inclusief de gewaarmerkte kaart) welke op 29 augustus 2003 in werking is getreden, en welke op 29 november 2007 laatstelijk in gewijzigde vorm in werking is getreden, is komen te vervallen.

Artikel VI.5 Citeerartikel

Deze verordening wordt aangehaald als Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018.

Artikel VI.6 Afbakening

  • 1.

    Deze gebiedsverordening ziet toe op het gehele gebied dat onderdeel uitmaakt van en behoort tot het gebied waarvoor de gemeenschappelijke regeling van het Recreatieschap Rottemeren van toepassing is.

  • 2.

    Voor zover onderhavige gebiedsverordening voorziet in hetzelfde onderwerp als een toepasselijke verordening van een deelnemende gemeente, zal eerstgenoemde gebiedsverordening in de plaats treden van de verordening van die deelnemer.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 november 2017.

De griffier,

J.M. van Midden

De voorzitter,

A. Aboutaleb

Bijlage 1 Gewaarmerkte kaart Recreatieschap Rottemeren

Bijlage 2. Toelichting op de Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018:

Algemeen:

Met de wijziging van de gemeenschappelijke regeling van Recreatieschap Rottemeren, zoals in werking getreden op 1 januari 2018, zijn aanpassingen doorgevoerd inzake de bestuurlijke en ambtelijke besturing en besluitvorming van het Recreatieschap Rottemeren. Deze wijzigingen behelzen onder meer de omzetting van een gemengde regeling (waaraan raden en colleges deelnemen) in een collegeregeling (waaraan uitsluitend colleges deelnemen). Dit brengt met zich mee dat de kaderstelling (het bepalen van de kaders voor het recreatiebeleid) niet langer een bevoegdheid is van het Algemeen Bestuur van het Recreatieschap, maar van de afzonderlijke gemeenteraden. De gemeenteraden behouden daarmee het politieke primaat inzake het stellen van de recreatiekaders. Het Recreatieschap (gevormd door de colleges) is wel belast met de uitvoering van deze kaders. Daartoe hebben de colleges aan het Recreatieschap taken en bevoegdheden opgedragen die zijn gericht op de praktische realisering van de recreatie. Het gaat dan om taken en bevoegdheden inzake beheer en onderhoud.

 

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Rottemeren, komt de Algemene Verordening voor het Recreatieschap Rottemeren, zoals inwerking getreden op 29 augustus 2003 en laatstelijk gewijzigd in werking getreden op 29 november 2007, te vervallen. De afzonderlijke gemeenteraden kunnen immers vanaf dat moment niet langer hun bevoegdheden, zoals het vaststellen van verordeningen, overdragen aan het Recreatieschap Rottemeren. De bevoegdheid om een verordening vast te stellen ligt bij de afzonderlijke gemeenteraden.

 

De tekst van de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren, zoals deze verordening op 29 augustus 2003 in werking is getreden en laatstelijk gewijzigd in werking is getreden op 29 november 2007, is overgeheveld naar onderhavige Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018. Voor de toelichting op de destijds doorgevoerde wijziging van de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren, wordt verwezen naar de toelichting zoals die is vastgesteld bij de in gewijzigde vorm in werking getreden Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren, welke als bijlage hieronder is opgenomen.

 

De overheveling van de tekst van de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren naar onderhavige tekst van Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018 heeft, op enkele uitzonderingen na, met zo min mogelijk nadere wijzigingen plaatsgevonden. De wijzigen die wel hebben plaatsgevonden, zullen hierna per artikel worden aangegeven.

Algemene wijzigingen zoals doorgevoerd in de gehele verordening:

Alle bepalingen waar in de ‘Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren’ gewezen werd op een bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur, zijn gewijzigd naar bepalingen waaruit blijkt dat thans het College van de desbetreffende deelnemer bevoegd is. Blijkens artikel 3 lid 1 en 2 van de gewijzigde Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren, zoals die in werking treedt op 1 januari 2018, zullen deze collegebevoegdheden voorts weer overgedragen worden aan het Algemeen Bestuur van het Recreatieschap Rottemeren.

 

Daarnaast zijn de bepalingen waar in de ‘Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren’ gewezen werd op een bevoegdheid van het Algemeen Bestuur, gewijzigd naar bepalingen waaruit blijkt dat de Raad van de desbetreffende deelnemer bevoegd is. Raadsbevoegdheden kunnen na de wijziging van de gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren, zoals die in werking treedt op 1 januari 2018, niet langer overgedragen worden aan het Algemeen Bestuur van het Recreatieschap Rottemeren en dit betekent dat deze bevoegdheden bij de afzonderlijke gemeenteraden zullen blijven liggen.

Preambule bij de verordening:

In de preambule van de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren werden de redenen van de wijziging van verordening (zoals gewijzigd in werking getreden op 29 november 2007) uiteengezet. Die overwegingen zijn verwijderd en uit de preambule blijkt nu dat de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren is komen vervallen, als gevolg van de wijzigingen in de ‘Gemeenschappelijke regeling voor het recreatiegebied Rottemeren’, zoals deze op 1 januari 2018 gewijzigd in werking treedt. Voorts blijkt uit de preambule dat de gemeenteraden van de individuele deelnemers gelijkluidende gebiedsverordeningen wensen vast te stellen en om die reden is ervoor gekozen om naast de bestaande Algemene Plaatselijke Verordeningen van de individuele deelnemers, een gelijkluidende Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018 vast te stellen.

Artikel I.1

De definitie onder sub a (definitie ‘werkingsgebied’) is gewijzigd, zodat het werkingsgebied beperkt is tot het grondgebied van de door de deelnemende gemeenten aangewezen recreatiegebieden. De definitie onder sub m (definitie ‘Dagelijks Bestuur’) is voorts verwijderd, nu het Dagelijks Bestuur niet langer genoemd wordt in de tekst van de verordening. De definities onder m, n en p zijn toegevoegd, nu de begrippen ‘College’, ‘Raad’ en ‘Deelnemer’ onderdeel geworden zijn van de tekst van de verordening en een nadere definiëring behoeven.

Artikel I.3 lid 4

De Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet, zoals deze werden genoemd in de ‘Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren’, zijn (beide) vervangen voor de Wet Natuurbescherming. Eerstgenoemde wetten zijn komen te vervallen en de bepalingen zijn (gedeeltelijk) overgeheveld naar de Wet Natuurbescherming.

Artikel II.31 lid 5

De Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Natuurbeschermingswet, zoals deze werden genoemd in de ‘Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren’ zijn vervangen voor de Waterwet en de Wet Natuurbescherming. Eerstgenoemde wetten zijn komen te vervallen en de bepalingen zijn (gedeeltelijk) overgeheveld naar de Waterwet en de Wet Natuurbescherming.

Artikel III.3 lid 2

Dit lid is verwijderd. Instemming van de deelnemende gemeenten om een gebied aan te wijzen is niet langer nodig nu de bevoegdheid bij de deelnemende gemeente zelf komt te liggen.

Artikel V.3 lid 2

De Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Natuurbeschermingswet, zoals deze werden genoemd in de ‘Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren’ zijn vervangen voor de Waterwet en de Wet Natuurbescherming. Eerstgenoemde wetten zijn komen te vervallen en de bepalingen zijn (gedeeltelijk) overgeheveld naar de Waterwet en de Wet Natuurbescherming.

Artikel VI.2

Dit artikel is gewijzigd in die zin dat bevoegdheid tot het aanwijzen van toezichthouders (naast de buitengewoon opsporingsambtenaar op grond van het Wetboek van Strafvordering) eveneens aan het college wordt toegekend en dus ook aan het dagelijks bestuur van het recreatieschap kan worden overgedragen.

Artikel VI.3

In lid 1 van dit artikel werd verwezen naar ‘vergunningen en ontheffingen die op grond van de eerdere Algemene verordening voor het Recreatieschap Rottemeren (in werking getreden op 29 augustus 2003)’ zijn verleend. De tekst zoals opgenomen tussen de haakjes, is thans in de ‘Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren’ verwijderd, zodat deze overgangsbepaling ook betrekking heeft op de vergunningen en ontheffingen die laatstelijk (na de wijziging van 29 november 2007) zijn verleend.

 

In lid 2 van dit artikel werd verwezen naar ‘aanvragen om vergunning en ontheffing in de zin van deze verordening, welke zijn ingediend bij het Dagelijks Bestuur op grond van de op 29 augustus 2003 in werking getreden verordening…’. De woorden ‘op 29 augustus 2003 in werking getreden’ zijn in dit artikel verwijderd zodat deze overgangsbepaling thans ook ziet op de periode na de wijziging (29 november 2007) van die verordening.

Artikel VI.4

In dit artikel is de datum van inwerkingtreding van de verordening gewijzigd. Tevens is bepaald dat de Algemene Verordening van het Recreatieschap Rottemeren, is komen te vervallen;

Artikel VI.5

In dit artikel is de citering van de verordening gewijzigd.

Artikel VI.6

Binnen de gemeenten Rotterdam, Lansingerland en Zuidplas bevindt zich een aantal recreatiegebieden. Ten aanzien van deze recreatiegebieden hebben deze gemeenten afzonderlijke bepalingen opgesteld, die staan opgenomen in onderhavige Gebiedsverordening Recreatieschap Rottemeren 2018. Waar nu, binnen een recreatiegebied op het grondgebied van de gemeente Rotterdam, gemeente Lansingerland of gemeente Zuidplas, onderwerpen zowel in een verordening van die gemeente als in onderhavige gebiedsverordening worden geregeld, gaat in deze recreatiegebieden de bepaling uit onderhavige gebiedsverordening vóór op de verordening van de desbetreffende gemeente.

Bijlage

Toelichting bij de wijzigingen van de Algemene verordening voor het Recreatieschap Rottemeren, waarna deze op 29 november 2009 gewijzigd in werking is getreden.

 

Algemeen:

In de verordening is een combinatie van artikelen gemaakt die duidelijke raakvlakken met elkaar hebben. Dit heeft geleid tot een indeling van algemene naar bijzondere bepalingen toegespitst op de functies van openbare terreinen, openbare wateren, het landschap en de natuur in het rechtsgebied van het recreatieschap. Daarbij is de inhoud van de bepalingen bezien op:

 

  • a.

    de wet- en regelgeving van de diverse overheden;

  • b.

    de steeds veranderende wensen van de recreant, bezoeker en de gebruiker van het schapsgebied;

  • c.

    het gebruik van de functies van het gebied. Een en ander is voor een deel ingegeven door de onder a bedoelde wet- en regelgeving. Voor een ander deel heeft dit ook te maken met de complexiteit en de problematiek van het gebruik en de waarden van de functies in het gebied. Immers het recreatieschap heeft met name in het zomerseizoen te maken met een grote toestroom van mensen die graag allemaal op hun eigen wijze gebruik willen van het schapsgebied; wat mag, kan en moet het schapsbestuur regelen en toestaan. Wat dit voor gevolgen heeft voor het openbare karakter en het gebruik van de gebieden en de wateren.

De conclusie kan niet anders zijn dat de tijd rijp is om de op 29 augustus 2003 in werking getreden Algemene verordening van het Recreatieschap Rottemeren (hierna aangegeven als "oude" verordening) eens op de maatschappelijke en juridische waarden te bezien. In dat kader is eveneens de leesbaarheid, de overzichtelijkheid en in feite de toepasbaarheid van het geheel nadrukkelijk bezien. Al met al blijft het echter wel een juridisch verhaal.

 

De hiervoor bedoelde wijzingen zullen waar nodig per artikel worden aangegeven.

Artikel I.1 Begripsomschrijvingen

 

Werkingsgebied (a, b en c):

De bepalingen van de Algemene Verordening zijn met name voor de beheersgebieden (groen op de kaart) van toepassing.

 

Voertuig (d): Onder het kopje (d) wordt verwezen naar het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Dit reglement geeft aan wat onder voertuigen zoal in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 verstaan moet worden en welke zaken geen voertuigen in de zin van de wet zijn. Een sulky en de hiermee te vergelijken constructies vallen onder het begrip bespannen en onbespannen wagens.

 

Toezichthouder (n): Aangegeven is wat de wettelijke basis van deze functionaris is, wat de verhouding met het schap(sbestuur) is en met welke taken deze functionaris belast is. Overigens worden andere opsporingsambtenaren in deze verordening niet uitgesloten (zie artikel VI.2). Het gaat hierbij om de hen toegekende specifieke taken (voorkomende gevallen).

 

Artikelen I.2 tot en met I.5: Geven de procedureregels en de toetsingscriteria aan vanaf de binnenkomst van een aanvraag om een ontheffing/vergunning tot en met de beslissing hierop. De tot nu toe gehanteerde "spelregels" zijn meer gebundeld in één hoofdstuk. Daarnaast hebben de actuele/relevante wet- en regelgeving en de huidige praktijk een meer nadrukkelijke plek gekregen. Er zijn aanvragen die een beslissing van het Dagelijks Bestuur vragen. Ook bestaat de mogelijkheid dat de G.Z-H aanvragen afdoet. Overigens zijn de voorwaarden en beperkingen in artikel I.3 gekoppeld aan de door het Algemeen Bestuur vastgestelde beleidsregels (beheer- en inrichtingsplannen).In de onderhavige artikelen is niet expliciet verwezen naar de bepalingen zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht. Uiteraard zijn deze wettelijke bepalingen wel van toepassing bij de termijn van afdoening van aanvragen om vergunning of ontheffing inclusief het bekendmaken van het besluit hierop.

 

Artikel I.6 Regelend optreden door of namens het Dagelijks Bestuur. Betreft een bundeling en actualisatie van "oude" verspreid staande artikelen. Nieuw element is de mogelijkheid om achtergelaten voer-, vaartuigen enzovoorts te (doen) verwijderen. Hierbij is een onderscheid gemaakt in een verwijdering met een spoedeisende karakter (tweede lid). Daarnaast is veelal genoeg tijd om tot verwijdering te komen. Zeker waar het gaat om achtergelaten eigendommen, verdient dit enige zorgvuldigheid (derde lid).

 

Artikelen II.1 tot en met II.7 In algemene zin gaat hier om een bundeling en actualisatie van "oude verordening" verspreid staande artikelen. De tot nu toe gehanteerde "spelregels" zijn meer gebundeld in één hoofdstuk. Ook hebben hier de actuele en relevante wet- en regelgeving alsmede de huidige praktijk een meer nadrukkelijke plek gekregen. Het gaat hier om bepalingen die een algemene werking hebben voor zowel de openbare gebieden en openbare wateren. De bijzondere bepalingen (de paragrafen B en C) zijn een nadere uitwerking hiervan.

 

Overigens zult u constateren dat er door de gehele verordening heen ook rekening is gehouden met de wet- en regelgeving van de rijksoverheid ("voor zover in het geregelde onderwerp niet voorzien wordt door de Wet milieubeheer" enzovoorts). Zoals bekend zal zijn, kan/mag het schap niet treden in hetgeen op rijksniveau bepaald is. Dit geldt eveneens voor sommige bevoegdheden die niet rechtstreeks overgedragen kunnen worden aan het schapsbestuur (juridische wegbeheer).

 

Bij het onderdeel "parkeerexcessen" wordt aangegeven waarom dit onderdeel desondanks is opgenomen. Bovendien heeft het schap rekening te houden met (Europese) regelgeving ten aanzien van de flora en fauna.

 

In artikel II.2 wordt in feite aangegeven dat het verwekte geluid uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van het instrument hoorbaar mag zijn. Met andere woorden het geluid van bijvoorbeeld een radio mag niet leiden tot hinder of overlast.

 

In artikel II.3, tweede lid, is bepaald dat het verbod om vuur aan te leggen enzovoorts niet geldt voor onder andere barbecueën. Dit gebruik van vuur is niet zoals in de "oude verordening" gerelateerd tot een aantal personen (tot 30 personen). Met de aanduidingen "geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving" worden meer mogelijkheden geboden tot stroomlijnen c.q. handhaving in relatie tot de activiteiten en de uitstraling/effecten daarvan voor de omgeving. Op het moment dat activiteiten een dermate omvang krijgen (een evenement), zal de burgemeester van een deelnemende gemeente in het kader van de openbare orde en veiligheid, het bevoegde gezag zijn voor het wel of niet verlenen van een vergunning of ontheffing. Artikelen 172 en 174 Gemeentewet zijn hierbij van toepassing. Om die redenen zijn de artikelen in de "oude" verordening die gaan over evenementen, geschrapt. Het onderscheid in klein- en grootschalige evenementen en de destijds hierover gemaakte afspraken blijven evenwel onverkort van toepassing.

 

Bij kleinschalige evenementen gaat het om activiteiten zoals deze opgenomen zijn in deze verordening. Bij grootschalige evenementen gaat het om activiteiten, zoals aangegeven in het "Draaiboek grootschalige evenementen". Laatstelijk gewijzigd in 2005. De burgemeester verleent na/in overleg met het schap de vergunning. Het schap dient wel een privaatrechtelijke toestemming geven op het moment een burgemeester overweegt een vergunning te verlenen. De sluitingstijden van horecavestigingen in het schapsgebied vallen overigens ook onder publiekrechtelijke bevoegdheden van de gemeentelijke bestuursorganen. Dit is mede de reden om de aanduiding van "Openbare orde en veiligheid" uit de algemene verordening van het schap te schrappen.

 

Op grond van artikel II.5, derde lid, kan het Dagelijks Bestuur plaatsen aanwijzen waar het verbod om honden los te laten, niet geldt. Daarbij kan tevens besloten worden om hieraan periodes en tijden te koppelen. Een koppeling van het verbod aan het broedseizoen is hiervan één mogelijkheid.

 

Artikel II.7 geeft het verbod aan om te vissen en te duiken vanaf bruggen. Het zwemmen en het baden bij bruggen vallen daar ook onder. Het huidige gebruik van de bruggen is de aanleiding geweest om de "oude" bepaling aan te passen. Overigens is het vissen in de Rotte en de Rottemeren en het hiervoor afgeven van vergunningen (schubvisvisrecht) momenteel verhuurd aan de visvereniging Groot Rotterdam. Daarom is in deze verordening verder geen bepaling over het vissen opgenomen. Naast de "sportvissers c.a." is ook een beroepsvisser in de genoemde wateren actief. Deze beroepsvisser mag vissen met alle toegestane vismiddelen waaronder fuiken.

 

Artikelen II.8 tot en met II.16 zijn in de plaats gekomen van de verbodsbepalingen ten aanzien van onder andere parkeren van voertuigen en het rondrijden met voertuigen die voorzien van reclame. Eerder is in de toelichting aangegeven dat het schap geen juridisch wegbeheerder kan zijn. Artikel 18 Wegenverkeerswet 1994 sluit dit met zoveel woorden uit. Echter artikel 2a van deze wet biedt de provincie en de gemeenten om verordeningen vast te stellen welke de parkeerexcessen regelen. In het kader van verlengd lokaal bestuur kan deze bevoegdheid overgedragen worden aan het schap. De opname van deze bepalingen in de algemene verordening van het schap biedt het schapsbestuur op te treden tegen parkeeroverlast in het werkingsgebied.

 

Artikelen II.17 en II.18 betreffen de bijzondere bepalingen over het gebruik van openbare terreinen. Artikel II.18 verbiedt in het eerste lid in algemene zin om met voertuigen te rijden op de openbare terreinen. Daarentegen biedt het derde lid van dit artikel het Dagelijks Bestuur de mogelijkheid incidenteel ontheffing te verlenen. Het Dagelijks Bestuur moet hiervoor delen van openbare terreinen aanwijzen alsmede de hiervoor in aanmerking komende voertuigen.

 

Artikelen II.19 tot en II.32 In de "oude verordening" was een limitatieve opsomming opgenomen waar het wel of niet toegestaan was een (motor-)vaartuig af te meren enzovoorts. Voor elke verandering hierin dient het Algemeen Bestuur een besluit te nemen over de aanpassing van de Algemene Verordening. In de artikelen II.19 en II.32 krijgt het Dagelijks Bestuur binnen de kaders van de vastgestelde inrichtings- en beheerplannen (Algemeen Bestuur) en het gestelde in met name artikel I.3, de mogelijkheid om aanwijzingsbesluiten te nemen.

 

Artikel III.2 Zedelijkheid. De nieuwe bepaling biedt het Algemeen Bestuur de mogelijkheid om naaktrecreatie in het schapsgebied toe te staan binnen de grenzen van artikel 430a van het Wetboek van strafrecht. Deze aanwijzingsbevoegdheid is juist vanwege de brede bestuurssamenstelling en mede op uitdrukkelijk advies van de Kring van Gemeentesecretarissen Rijnmond bij het Algemeen Bestuur neergelegd. Dit beslissingsniveau is daarmee vergelijkbaar met die van de raad van de gemeentelijke deelnemers van het schap. Een aanwijzingsbesluit behoeft de instemming van de betrokken gemeente(n): lees hier betreffende deelnemer(s) van het schap. Het gestelde in de artikel III.3 is gebaseerd op de dagelijks gang van zaken in de gebieden.

 

Artikel IV.2 Standplaats innemen. Met de opname van het gestelde in lid 2, onder c wordt nog eens benadrukt dat een standplaats:- slechts een seizoensgebonden activiteit is;- niet in strijd met onder andere vigerende bestemmingsplannen van de gemeentelijke deelnemers van het schap toegestaan mogen worden. Conflicterende situaties uit het verleden worden daarmee uitgesloten.

Dit gemeenteblad 2017, nummer 198, is uitgegeven op 13 december 2017 en ligt op dins-, woens- en donderdagen van 9.00 tot 13.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Wachtruimte Timmerhuis, Halve Maanpassage 1 (trap op, melden bij Informatiebalie)

(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)