Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2018, 20926Convenanten

Convenant ter bevordering van de productie van de Nederlandse film en Nederlandse publieksfilms in het bijzonder en het bioscoopbezoek in Nederland (btw-convenant Film 2018)

Den Haag

2018

De ondergetekenden:

1. de Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters, waarvan de zetel is gevestigd in Amsterdam, te dezen vertegenwoordigd door mevrouw W. Sorgdrager, voorzitter en G. Nolthenius, directeur hierna te noemen ‘NVBF’

2. de vereniging Filmdistributeurs Nederland, waarvan de zetel is gevestigd in Amsterdam, te dezen vertegenwoordigd door de heer W. van Turnhout, voorzitter en H. Binsbergen, bestuurslid hierna te noemen ‘FDN’

3. de vereniging Filmproducenten Nederland, waarvan de zetel is gevestigd in Amsterdam, te dezen vertegenwoordigd door mevrouw M. Slot, voorzitter en M. Swart, bestuurslid hierna te noemen ‘FPN’

4. de stichting Nederlands Fonds voor de Film, waarvan de zetel is gevestigd in Amsterdam, te dezen vertegenwoordigd door mevrouw D.A.M. Boonekamp, directeur/bestuurder hierna te noemen ‘Filmfonds’

5. de Staat der Nederlanden, waarvan de zetel is gevestigd in ‘s Gravenhage, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw I.K. van Engelshoven Hierna te noemen ‘de Staat’

gezamenlijk dan wel afzonderlijk aan te duiden als: ‘partijen’ c.q. ‘partij’,

overwegende dat:

  • het btw-tarief op de toegang tot bioscoopvoorstellingen per 1 januari 1996 door de wetgever is verlaagd in die zin dat niet langer het algemene tarief geldt maar het verlaagde tarief;

  • het verlaagde btw-tarief leidt tot een financieel voordeel voor de bioscoopsector;

  • de partijen het wenselijk achten dat dit voordeel ook ten goede komt aan de productie van de Nederlandse film en Nederlandse publieksfilms in het bijzonder en het bioscoopbezoek in Nederland;

  • de Staat, de NVBF (toen nog geheten de Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten), de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie, het Filmfonds (Stichting Nederlands Fonds voor de Film), FDN (toen nog geheten de Nederlandse Vereniging van Filmdistributeurs), FPN (toen nog geheten Nederlandse Vereniging van Speelfilmproducenten) en EYE (toen nog genoemd stichting Film Instituut Nederland), voor het laatst in januari 2010 een overeenkomst hebben gesloten over de besteding van een deel van het voordeel uit het verlaagde btw-tarief, hierna aangeduid als de ‘btw-overeenkomst 2010’;

  • de Staat heeft aangegeven het wenselijk te vinden dat, ten opzichte van de ‘btw-overeenkomst 2010’, een groter deel van het financiële btw-voordeel ten gunste komt van het bevorderen van de productie van Nederlandse films en in het bijzonder Nederlandse publieksfilms en ter bevordering van het bioscoopbezoek in het algemeen en aan de Nederlandse film in het bijzonder en daartoe de ‘btw-overeenkomst 2010’ wenst te actualiseren;

  • NVBF en FDN bereid zijn de verplichting op zich te nemen om jaarlijks een bijdrage ter beschikking te stellen, overeenkomstig de in dit convenant benoemde doelen;

  • de Staat met EYE is overeengekomen dat laatstgenoemde niet langer deel uit maakt van de partijen bij dit convenant;

  • dit convenant is opgesteld om een nieuwe bijdrage vast te stellen en om nieuwe afspraken te maken over de besteding en verantwoording van deze bijdrage.

spreken het volgende af:

Artikel 1: Doelen

Met het sluiten van dit convenant beogen partijen het bereiken van de volgende doelen: het bevorderen van de productie van de Nederlandse film en Nederlandse publieksfilms in het bijzonder en het bioscoopbezoek in Nederland.

Artikel 2: Hoogte bijdragen NVBF en FDN

  • 2.1 NVBF en FDN stellen jaarlijks, met ingang van 1 maart 2018, een bedrag beschikbaar van € 0,15 per betaald bioscoopkaartje in het betreffende jaar ter beschikking ten behoeve van de in artikel 1 gestelde doelen.

  • 2.2 Het aantal betaalde bioscoopkaartjes wordt vastgesteld aan de hand van Maccsbox.

  • 2.3 De verdeling tussen de bijdragen van NVBF en FDN is respectievelijk 60 procent en 40 procent.

  • 2.4 De bijdragen van NVBF en/of FDN in het kader van het ‘btw-convenant Film 2018’ worden niet doorbelast, direct dan wel indirect, aan filmproducenten.

Artikel 3: Besteden van beschikbare bedrag

  • 3.1 De opbrengst van het in artikel 2.1 genoemde bedrag, uitgezonderd het in artikel 3.2 genoemde percentage, wordt belegd bij Stichting Abraham Tuschinski Fonds (SATF) en besteed op grond van de Uitvoeringsregeling SATF-2018 of in voorkomend geval de geactualiseerde versie daarvan.

  • 3.2 Van het totale bedrag dat beschikbaar is op grond van het ‘btw-convenant Film 2018’ stellen NVBF en FDN 6% beschikbaar voor een nog op te richten Sociaal Cultureel Fonds (SCF). Het SCF zet zich in voor de hoofddoelen van dit convenant. NVBF en FDN beslissen elk voor de helft van de inzet van de middelen in het SCF.

Artikel 4: Afstemming, verantwoording en controle

  • 4.1 Iedere partij die op grond van het onderhavige convenant bijdragen ontvangt en/of bedragen aan derden betaalt, administreert deze bedragen gescheiden, dusdanig transparant dat te allen tijde inzicht bestaat in de op grond van dit convenant door partijen ontvangen bedragen en/of aan derden betaalde bedragen. Ook garanderen partijen dat zij en/of derden niet handelen op een wijze die in strijd is met of in de weg staat aan het nakomen van de afspraken van dit convenant.

  • 4.2 SATF rapporteert jaarlijks vóór 1 mei inhoudelijk en financieel op inzichtelijke en transparante wijze aan de ondertekenende partijen van dit convenant over de bestedingen van het in artikel 3.1 genoemde bedrag en over de mate waarin deze hebben bijgedragen aan de in artikel 1 genoemde doelen. NVBF en FDN rapporteren jaarlijks vóór 1 mei inhoudelijk en financieel op inzichtelijke en transparante wijze aan de ondertekenende partijen van dit convenant over de bestedingen van het artikel 3.2 genoemde bedrag en over de mate waarin deze hebben bijgedragen aan de in artikel 1 genoemde doelen.

  • 4.3 SATF, NVBF en FDN verstrekken aan de ondertekenende partijen van dit convenant op een daartoe strekkend verzoek de informatie die redelijkerwijs nodig is teneinde de Staat en NVBF, FDN, FPN of Filmfonds in staat te stellen te beoordelen of het bepaalde in deze overeenkomst door de betreffende partij wordt nageleefd.

Artikel 5: Looptijd, evaluatie en beëindiging

  • 5.1 De afspraken uit dit convenant gelden vanaf 1 maart 2018 en gelden voor onbepaalde tijd, maar in elk geval zolang voor de toegang van bioscoopvoorstellingen een verlaagd btw-tarief geldt, artikel 45d van de Auteurswet voor zover het de bioscoopsector aangaat ongewijzigd blijft en er geen sprake is van een door de Staat opgelegde heffing op de opbrengsten uit betaalde bioscoopkaartjes.

  • 5.2 Wanneer voor de toegang tot de bioscoopvoorstellingen niet langer een verlaagd btw-tarief maar het algemene tarief gaat gelden, kan elke partij dit convenant om deze reden opzeggen. Opzeggen geschiedt op zijn vroegst tegen de datum waarop de wijziging in werking treedt.

  • 5.3 Wanneer het verschil tussen het verlaagde btw-tarief en het algemene btw-tarief voor de toegang tot bioscoopvoorstellingen minder is dan 12 procent, treden de partijen met elkaar in overleg over de hoogte van het in artikel 2.1 genoemde bedrag.

  • 5.4 Buiten de in artikelen 5.1 en 5.2 genoemde omstandigheden kan opzeggen alleen met instemming van alle partijen.

  • 5.5 De partijen evalueren minimaal eens in de twee jaar de werking van onderhavig convenant en de Uitvoeringsregeling SATF-2018. Hierbij wordt de in artikel 2.3 genoemde verdeling betrokken.

  • 5.6 Als uit de evaluatie als bedoeld in 5.4 blijkt dat alle partijen van mening zijn dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de werking van onderhavig convenant en de wijze waarop hier uitvoering aan wordt gegeven onvoldoende zijn, kunnen de partijen het initiatief tot herziening van het convenant dan wel de Uitvoeringsregeling SATF-2018 voorstellen.

  • 5.7 In het geval van beëindiging van dit convenant vervallen automatisch de door dit convenant verleende rechten en aanspraken voor de periode die ingaat vanaf de datum waarop dit convenant eindigt, derhalve uitgezonderd rechten en aanspraken die hun grondslag vinden in het tijdvak waarin het convenant van kracht was ter afwikkeling daarvan.

  • 5.8 Ingeval van beëindiging van het convenant krachtens opzegging is geen van de partijen jegens een andere partij schadeplichtig.

Artikel 6: Geschillen

  • 6.1 Een partij die meent dat een geschil bestaat, deelt dat schriftelijk aan de andere partij(en) mee. De mededeling bevat een aanduiding van het geschil.

  • 6.2 Binnen 14 werkdagen na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling zendt elke partij zijn zienswijze over het geschil, alsmede een voorstel voor een oplossing daarvan, aan de andere partij(en).

  • 6.3 Binnen 14 werkdagen na afloop van de in het tweede lid genoemde termijn overleggen partijen over een oplossing van het geschil. Elke partij kan zich door deskundigen doen bijstaan. Indien één van partijen binnen 14 werkdagen na afloop van de in het tweede lid genoemde termijn de wens daartoe kenbaar maakt, wordt het overleg voorgezeten door een door partijen gezamenlijk of, bij gebreke van overeenstemming daarover binnen twee dagen, door de Staat te benoemen voorzitter.

  • 6.4 Elke partij draagt de eigen kosten, voortvloeiend uit de procedure van het eerste tot en met het derde lid. De kosten van de in het derde lid bedoelde voorzitter worden door elke partij voor een gelijk deel gedragen.

Artikel 7: Ongeldigheid

Indien een bepaling van dit convenant in enige mate als nietig, vernietigbaar, ongeldig, onwettig of anderszins als niet-bindend moet worden beschouwd, wordt die bepaling, voor zover nodig, uit dit convenant verwijderd en vervangen door een bepaling die wel bindend en rechtsgeldig is en die de inhoud van de niet-geldige bepaling zoveel mogelijk benadert. Het overige deel van het convenant blijft in een dergelijke situatie ongewijzigd.

Artikel 8: Aanvullende bepalingen

  • 8.1 Onderhavig convenant vervangt de btw-overeenkomst 2010, met dien verstande dat de op basis van laatstgenoemde overeenkomst aangegane verplichtingen in het kader van diezelfde overeenkomst eerst worden afgewikkeld.

  • 8.2 Dit convenant is opgesteld naar en wordt beheerst door Nederlands recht en wordt door partijen aangehaald als ‘btw-convenant Film 2018’.

  • 8.3 De bevoegde rechter in Den Haag is met uitsluiting van alle andere rechters bevoegd om kennis te nemen van geschillen tussen partijen aangaande dit convenant.

  • 8.4 Wijzigingen van of aanvullingen op dit convenant dienen schriftelijk tussen partijen te worden afgesproken en vastgelegd en ondertekend door daartoe bevoegde personen.

Artikel 9: Publicatie in de Staatscourant

  • 9.1 Binnen 14 dagen na ondertekening van dit convenant wordt de tekst daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

  • 9.2 Bij wijzigingen in het convenant vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing.

  • 9.3 Van toetreden, uittreden, opzeggen of ontbinden wordt melding gemaakt in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen op de laatste van de hieronder genoemde data en in vijfvoud ondertekend:

NVBF W. Sorgdrager, voorzitter (Getekend op 30-03-2018)

G. Nolthenius, directeur (Getekend op 29-03-2018)

FDN R. Van Turnhout, voorzitter (Getekend op 30-03-2018)

H. Binsbergen, bestuurslid (Getekend op 30-03-2018)

FPN M. Slot, voorzitter (Getekend op 29-03-2018)

M. Swart, bestuurslid (Getekend op 29-03-2018)

Filmfonds D.A.M. Boonekamp, directeur/bestuurder (Getekend op 28-03-2018)

De Staat K. van Engelshoven, Minister van OCW (Getekend op 27-03-2018)