Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2017, 51832Onteigeningen

Besluit van 4 september 2017, nr. 2017001447 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Coevorden krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Aansluiting Klooster N34).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

ProvincialeStaten van Drenthe (hierna verzoeker) hebben Ons bij besluit van 6 juli 2016, nummer 2016-719-1, verzocht om ten name van de provincie Drenthe over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van onroerende zaken in de gemeente Coevorden, begrepen in het onteigeningsplan Aansluiting Klooster N34. De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van het bestemmingsplan Reconstructie N34 (provinciegrens – aansluiting N377).

Gedeputeerde staten van Drenthe hebben bij brief van 20 juli 2016, kenmerk 201600033-00647807, het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Bij brieven van 29 september 2016, kenmerk 201600033-00656682, respectievelijk 23 mei 2017, kenmerk 201600033-00697157 hebben gedeputeerde staten van Drenthe Ons te kennen gegeven wegens minnelijke eigendomsverkrijging niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor de onroerende zaken met grondplannummer 6, respectievelijk 2. Omdat de noodzaak van onteigening voor deze grondplannummers hiermee is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn gelegen in het bestemmingsplan Reconstructie N34 (provinciegrens – aansluiting N377), verder te noemen: het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 10 november 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Coevorden en is inmiddels onherroepelijk.

Aan de onroerende zaken is de bestemming Verkeer en zijn de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 3 en Leiding – Hoogspanning toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 8 februari tot en met 21 maart 2017 in de gemeente Coevorden en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Coevorden van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 31 januari 2017 openbaar kennis gegeven in de ZuidOosthoeker. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 31 januari 2017, nr. 259-n1.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

Het bestemmingsplan voorziet in de reconstructie van de provinciale weg N34 ter hoogte van de aansluiting ’t Klooster. De N34 is een autoweg (100 km/h) en wordt ingericht volgens de Duurzaam Veilig-principes. Bij de aansluiting ’t Klooster wordt een ongelijkvloerse kruising gemaakt. Daartoe zal bij deze aansluiting de N34 verhoogd worden aangelegd. De op- en afritten zullen met een rotonde op de onderliggende weg worden aangesloten. Tevens wordt een vrijliggende parallelweg aangelegd. De ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken zijn nodig voor de aanleg van een afrit, toe leidende weg, rotonde met fietspad, waterhuishoudkundige werken (sloten en waterberging), bermen en openbaar groen.

In de door de verzoeker om onteigening gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het bestemmingsplan met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding, als ook door de zakelijke beschrijving en de situatietekening behorende bij het onteigeningsplan.

De reconstructie van de N34 aansluiting ‘t Klooster vindt plaats in opdracht en voor rekening van de provincie Drenthe.

Om de werken en werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan tijdig te kunnen realiseren, wenst de provincie Drenthe de eigendom, vrij van lasten en rechten, te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, hebben ProvincialeStaten van Drenthe tot het onteigeningsverzoek besloten, om de tijdige verwezenlijking van het bestemmingsplan zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de provincie voornemens is om in 2017 te starten met de aanbestedingsprocedure. Volgens planning zullen de werkzaamheden in mei 2018 starten. Het werk zal worden opgeleverd in 2019. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. Schipper Vastgoed Exploitatie B.V., huurder en gebruiker van de onroerende zaak met grondplannummer 2, verder te noemen: reclamante 1;

  • 2. Oliehandel Nederland B.V., huurder van de onroerende zaak met grondplannummer 3, verder te noemen: reclamante 2.

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 6 april 2017 te Coevorden te houden hoorzitting. Reclamante 2 heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Omdat de onroerende zaak met grondplannummer 2 blijkens de eerder vermelde brief van gedeputeerde staten van Drenthe van 23 mei 2017 niet langer in de onteigeningsprocedure is begrepen, zullen Wij de zienswijze van reclamante 1 verder buiten behandeling laten.

Reclamante 2 brengt in haar zienswijze het volgende naar voren.

  • 1. Op de lijst met te onteigenen onroerende zaken staat geen vermelding van het verbintenisrechtelijk recht van reclamante. Op de bewuste grond is door de provincie Drenthe echter een concessie verstrekt voor de exploitatie van een tankstation;

  • 2. De Provincie heeft getracht het recht, althans de daarvan deel uitmakende vergunning, op te zeggen. Tegen een door de provincie ingestelde gerechtelijke vordering om de vrije beschikking over de betreffende onroerende zaak terug te krijgen, heeft reclamante zich met succes verzet. Volgens de rechtbank was de beëindiging van de concessie voorbarig en had de provincie de onderliggende overeenkomst moeten volgen, onder meer door reclamante een alternatieve locatie aan te bieden. Ook had opzegging gepaard moeten gaan met een aanbod tot betaling van een schadevergoeding. De concessie is na de uitspraak niet opnieuw opgezegd;

  • 3. Door thans te verzoeken om onteigening omzeilt de provincie het oordeel van de rechtbank en tracht zij kennelijk onder de verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen geldende overeenkomst, dan wel onder de verplichting tot betaling van een schadevergoeding uit te komen. De provincie stelt zich namelijk op het standpunt dat reclamante daar geen recht op heeft. In artikel 4, lid 1 van de onteigeningswet staat dat wanneer een onroerende zaak, die toebehoort aan de onteigenende partij, een recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik, gebruik, bewoning, beklemming of huurkoop rust, dit recht afzonderlijk kan worden onteigend. De concessie, althans de privaatrechtelijke vergunning die daarvan deel uitmaakt, valt volgens reclamante onder het bereik van dit artikellid nu de concessie kan worden aangemerkt als een bijzonder gebruiksrecht;

  • 4. De provincie verschaft de Kroon geen informatie waaruit naar voren komt dat de provincie voor het beëindigen van de concessie geen onteigeningsprocedure hoeft te doorlopen. In de civiele procedure heeft de provincie zich ongemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen alternatieve locatie voorhanden is. Reclamante is van mening dat eerst gedegen onderzoek dient plaats te vinden, alvorens überhaupt aan beëindiging van de concessie door onteigening kan worden gedacht. Bovendien komt onteigening over als een ontwijking van de gerechtelijke uitspraak. De provincie stelt zich op het standpunt dat reclamante het initiatief moet nemen en inzichtelijk moet maken wat haar schade is;

  • 5. Van onteigening moet worden afgezien omdat er een civielrechtelijke regeling tot stand is gekomen die voorziet in de beëindiging van de exploitatie van een tankstation op de te onteigenen onroerende zaak. Het is niet duidelijk waarom de provincie deze weg niet heeft gekozen. Deze regeling is reeds een minnelijke regeling zoals bedoeld in artikel 17 van de onteigeningswet, te weten een minnelijke regeling ter voorkoming van onteigening. De provincie had alsnog tot opzegging kunnen overgaan mits hieraan een concreet aanbod tot schadeloosstelling zou zijn gekoppeld;

  • 6. De onteigeningsprocedure doorkruist de civiele procedure waarin juist de vordering van de provincie aanhangig is tot beëindiging van de concessie. Door desalniettemin gebruik te maken de onteigeningsprocedure is sprake van détournement de pouvoir. Om onder de verplichtingen voortvloeiende uit de concessie uit te komen, tracht de provincie tot onteigening over te gaan;

  • 7. Tegen de uitspraak van de rechter heeft de provincie hoger beroep ingesteld. Eerst dient de uitkomst van dit beroep te worden afgewacht.

  • 8. De provincie heeft geen reële vergoeding aangeboden. Zij heeft slechts – zonder enige onderbouwing – gesteld dat deze op nihil kon worden gesteld. Daarbij gaat de provincie voorbij aan het vonnis van de rechtbank, waarin staat dat de provincie op zijn minst een vergoeding had moeten aanbieden. Om die reden heeft reclamante dan ook nog geen financiële onderbouwing verstrekt aan de provincie.

De zienswijze van reclamante 2 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Algemeen: Reclamante exploiteert op de door haar in gebruik zijnde te onteigenen onroerende zaak met grondplannummer 3 een tankstation. Dit gebeurt op basis van een op 23 juli 2003 aan haar overgedragen concessie. De onroerende zaak waarop het tankstation is gevestigd maakt deel uit van het wegbeheer van de N34. Deze weg, inclusief de te onteigenen onroerende zaak is met het wegbeheer op 1 december 2006 in eigendom overgedragen van de Staat naar de Provincie.

Het tankstation kan vanwege de reconstructie van de N34 niet worden gehandhaafd alleen al omdat de grond ter plaatse zal worden verhoogd en deel zal gaan uitmaken van een talud. De huidige, nabij het tankstation gelegen, kruising van de lokale weg met de N34 wordt vervangen door een ongelijkvloerse kruising. Het bestemmingsplan voorziet niet in een vervangende locatie voor een nieuw tankstation.

Lopende het minnelijk overleg met reclamante heeft verzoeker de vraag opgeworpen of reclamante als rechthebbende, zoals omschreven in artikel 3, tweede lid, van de onteigeningswet, dient te worden beschouwd. In een vonnis van de rechtbank inzake onder meer een vordering van de provincie Drenthe tot ontruiming van dezelfde onroerende zaak die in het thans door Ons te beoordelen verzoekbesluit is begrepen, is namelijk onder meer bepaald dat de rechtsverhouding tussen reclamant en verzoeker geen huurovereenkomst is, maar een duurovereenkomst sui generis. Daarbij kan worden overwogen dat de natuur van de rechtsverhouding tussen partijen in geschil is. Mede gelet op genoemde uitspraak waaruit volgt dat er in ieder geval elementen van een huurrelatie aan de orde zijn bij de rechtsverhouding tussen reclamante en verzoeker, sluiten Wij niet uit dat een recht als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de onteigeningswet aan de orde is, zodat inhoudelijk op de gronden voor onteigening zal worden ingegaan. Het is uiteindelijk aan de burgerlijke rechter om daarover te oordelen.

Ad 1. Wat betreft het zienswijzepunt van reclamante dat op de lijst met te onteigenen onroerende zaken geen verbintenisrechtelijk recht staat vermeld merken Wij het volgende op. In artikel 79 aanhef en onder 2° van de onteigeningswet staat nauwkeurig aangegeven welke soorten gegevens de lijst met te onteigenen onroerende zaken moet bevatten. Volgens het tweede en derde lid gaat het wat betreft de tenaamstelling alleen om de eigenaren en rechthebbenden volgens de basisregistratie kadaster. De vermelding van een verbintenisrechtelijk recht alsook de tenaamstelling ervan, wordt daar niet genoemd en hoeft naar Ons oordeel dan ook niet op de lijst van te onteigenen onroerende zaken te worden vermeld.

Ad 2, 3, en 5 tot en met 7. In deze onderdelen van de zienswijze stelt reclamante zich op het standpunt dat verzoeker door het opstarten van de onteigeningsprocedure probeert om onder de verplichtingen uit de concessieovereenkomst uit te komen. Reclamante is van mening dat verzoeker de uitkomst van de civiele procedure tot opzegging moet afwachten. De onteigeningsprocedure doorkruist de civiele procedure, waardoor er volgens reclamante sprake is van détournement de pouvoir.

Wij constateren dat er een geschil is tussen reclamante en verzoeker over de beëindiging van de concessieovereenkomst. Uit de zienswijze, de toelichting op de zienswijze, alsook uit de door de verzoeker overgelegde stukken blijkt dat de provincie Drenthe vanaf 2012 tracht het gebruiksrecht te beëindigen. Reeds op 21 december 2012 zegde de Provincie de concessie op tegen 31 december 2013; ruim voor de vaststelling van het huidige bestemmingsplan. Deze opzegging werd door reclamante echter niet aanvaard en de locatie werd niet ontruimd. In 2014 hebben diverse overleggen plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de Provincie en van reclamante. Deze overleggen hebben niet tot overeenstemming geleid. Teneinde de overeenkomst te laten beëindigen en de locatie te laten ontruimen startte de provincie op 23 juli 2014 een gerechtelijke procedure. Omdat het einde van de civiele procedure tot beëindiging van de overeenkomst en de ontruiming nog niet in zicht was, heeft verzoeker besloten een onteigeningsprocedure op te starten.

Wij stellen voorop dat in het kader van deze administratieve onteigeningsprocedure geen zelfstandige uitspraken gedaan kunnen worden over het geschil over de beëindiging van de concessieovereenkomst. Door onteigening zal de betreffende onroerende zaak zijn bevrijd van het gebruiksrecht dat reclamante heeft, c.q. na de opzegging nog mocht hebben. Of reclamante na de onteigening recht blijft houden op het door haar veronderstelde recht op een vervangende locatie, staat Ons niet ter beoordeling.

Wij overwegen hierover nog dat de door verzoeker gevraagde aanwijzing ter onteigening van belang is omdat daarmee met de realisering van het bestemmingsplan een evident publiek belang wordt gediend. Wij volgen reclamante dan ook niet in haar redenering dat de verzoeker zich schuldig zou maken aan détournement de pouvoir.

In dit verband constateren Wij dat er thans tussen partijen geen overeenstemming is over de gebruiksbeëindiging van de onroerende zaak. Het is verzoeker tot nu toe immers door pogingen via de minnelijke weg noch de civielrechtelijke weg, gelukt om de grond opgeleverd te krijgen. Op zichzelf beschouwd is dat gegeven voldoende aanleiding voor verzoeker om een onteigeningsprocedure op te starten.

Ons staat in deze procedure de noodzaak en urgentie van de onteigening ter beoordeling. In dit verband beoordelen Wij of de verzoeker zich voldoende heeft ingespannen om tot minnelijke overeenstemming te komen, voordat hij de onteigeningsprocedure heeft opgestart. Wij verwijzen hiervoor naar onze overwegingen onder ad 8.

Ad. 8. In dit onderdeel van de zienswijze stelt reclamante dat verzoeker haar geen reële vergoeding heeft aangeboden door zonder onderbouwing een nihil-aanbod te doen.

In dit verband merken Wij in het algemeen op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op basis van artikel 78 van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoekbesluit met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoekbesluit al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

In het bijzonder overwegen Wij dat verzoeker op 18 februari 2016 aan reclamante heeft verzocht om financiële gegevens over te leggen teneinde eventuele schade vast te kunnen stellen die de beëindiging van de concessie zal hebben. Reclamante heeft aan dit verzoek niet voldaan, reden waarom de verzoeker op 8 maart 2016 een nihil-aanbod heeft gedaan om het gebruiksrecht te beëindigen.

In het bijzonder overwegen Wij dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoeker pogingen heeft ondernomen om een gefundeerd aanbod tot schadeloosstelling te doen. Zij heeft reclamante gevraagd om ter zake gegevens te overleggen. In de hoorzitting van 6 april 2017 werd namens reclamante aangegeven dat vanwege de branchegevoeligheid van de gevraagde gegevens, de gegevens niet zwart-op-wit per e-mail of per brief worden verstrekt. Vervolgens heeft reclamante aangegeven toch bereid te zijn om onder voorwaarden gegevens te doen inzien. De verzoeker acht de inzagevoorwaarden echter niet acceptabel. Los van haar mening dat reclamante geen recht heeft op een aanbod tot schadeloosstelling, wil zij beschikken over controleerbare gegevens om de hoogte van de eventuele schade te kunnen berekenen. Dat reclamante deze gegevens niet wil of kan verstrekken vanwege de branchegevoeligheid ervan doet echter niet af aan het feit dat de verzoeker deze gegevens nodig heeft om een zo juist mogelijk schadeloosstellingsbedrag te kunnen vaststellen. Nu de gegevens niet werden verstrekt door reclamante, meende de verzoeker met een nihil-aanbod te kunnen volstaan. Wij zijn van oordeel dat de verzoeker in het kader van het onteigeningsrecht daarmee niet onjuist heeft gehandeld. In de eerste plaats gaat het onteigeningsrecht uit van volledige schadeloosstelling. Uit de wetgevingsgeschiedenis en uit jurisprudentie blijkt echter ook dat een onteigende partij, na de onteigening niet in een financieel gunstiger positie dient te komen. De verzoeker kan zonder de gevraagde gegevens (jaarcijfers) niet weten of het betreffende tankstation daadwerkelijk winstgevend is en daarmee: óf reclamante schade zal lijden en zo ja, hoe groot deze schade zal zijn. Dat de verzoeker na het verzoekbesluit wel een schadevergoeding heeft aangeboden, heeft zij naar Ons oordeel gedaan op basis van voortschrijdend inzicht vanwege de genoemde gerechtelijke uitspraak en in het kader van een herhaalde civiele opzegging van de concessie. Daarbij komt dat zij het aanvankelijke nihil-aanbod heeft gemotiveerd. Wij zijn dan ook van oordeel dat het betreffende nihil-aanbod als een poging in de zin van artikel 17 van de onteigeningswet dient te worden beschouwd om tot minnelijke overeenstemming te komen.

Verzoeker is van mening dat reclamante geen recht heeft op schadeloosstelling omdat een duurovereenkomst sui generis niet is opgenomen in artikel 3, tweede lid van de onteigeningswet. Reclamante meent echter dat zij daar wel recht op heeft omdat de concessie een onder artikel 4 van de onteigeningswet vallend recht is. In dit verband merken Wij in het algemeen op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen.

In het bijzonder merken Wij op dat indien reclamante zich voegt in de door de verzoeker te zijner tijd te voeren gerechtelijke procedure door de rechter zal worden beoordeeld

of de beëindiging van de aan reclamante overgedragen concessie tot gevolg heeft dat zij recht kan doen gelden op een schadevergoeding, en zo ja: hoe hoog deze schadeloosstelling zal zijn.

Ad 4. Reclamante meent op basis van de concessie er recht op te hebben om een vervangende locatie aangeboden te krijgen. De onteigeningswet verplicht de verzoeker om onteigening echter niet tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond of andere oplossingen zoals een andere locatie voor een tankstation. Uitgangspunt is dat de onteigeningswet de belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. De mogelijkheden tot schadeloosstelling in een andere vorm dan in geld zullen langs minnelijke weg en meestal in samenwerking met andere overheden, of met particuliere eigenaren van gronden onderzocht moeten worden. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijk overleg over de verwerving van de benodigde gronden. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg immers duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, moet de verzoeker nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Omdat onteigening een uiterste middel is, is de noodzaak tot onteigening immers ook afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Hierbij geldt dat de verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning. Uit de stukken en hetgeen op de hoorzitting naar voren is gekomen, is Ons gebleken dat de Provincie heeft onderzocht of compensatie mogelijk is. Volgens de Provincie beschikt zij echter niet over een vervangende locatie voor een tankstation.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het bestemmingsplan niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de provincie Drenthe de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van ProvincialeStaten van Drenthe tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet gedeeltelijk toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 9 juni 2017, nr. RWS-2017/23273, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het besluit van ProvincialeStaten van Drenthe van 6 juli 2016, nummer 2016-719-1;

gelezen de voordracht van gedeputeerde staten van Drenthe van 20 juli 2016, kenmerk 201600033-00647807;

gelezen de brief van gedeputeerde staten van Drenthe van 29 september 2016, kenmerk 201600033-00656682;

gelezen de brief van gedeputeerde staten van Drenthe van 23 mei 2017, kenmerk 201600033-00697157;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 9 augustus 2017, no.W14.17.0161/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 28 augustus 2017, nr. RWS-2017/33006, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van het bestemmingsplan Reconstructie N34 (provinciegrens – aansluiting N377) van de gemeente Coevorden ten name van de provincie Drenthe ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Coevorden en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 4 september 2017

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Aansluiting Klooster N34

VERZOEKENDE INSTANTIE: Provincie Drenthe.

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Coevorden

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1

0

03

14

Terrein (grasland)

4

48

85

L 1431

Henriëtte Brunink, gehuwd met Erik Jan Kramer, Coevorden

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht:

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., Assen, zetel

’s-Gravenhage

Opstalrecht Nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Tennet TSO E B.V., Arnhem

                   

3

0

35

35

Bedrijvigheid (industrie) wegen

4

21

00

L 449

Provincie Drenthe, Assen

                   

4

0

00

20

Terrein (grasland)

0

68

85

K 847

René Gerhardus Carolus Eijsink, Coevorden

                   

5

0

03

78

Terrein (grasland)

0

67

80

K 1256

René Gerhardus Carolus Eijsink, Coevorden

Opstalrecht Nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Tennet TSO E B.V., Arnhem

                   

7

0

04

39

Wonen Erf – Tuin

2

77

81

K 318

Henriëtte Brunink, gehuwd met Erik Jan Kramer,

Coevorden

                 

Opstalrecht Nutsvoorzieningen: Enexis B.V., ’s-Hertogenbosch, zetel: Rosmalen