Besluit van 23 augustus 2017, nr. 2017001371 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Rotterdam krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Ecopassage Schie)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Provinciale staten van Zuid-Holland (hierna verzoeker) hebben Ons bij besluit van 12 oktober 2016, nummer 6927, verzocht om ten name van de provincie Zuid-Holland over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van onroerende zaken in de gemeente Rotterdam, begrepen in het onteigeningsplan Ecopassage Schie. De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van het bestemmingsplan Ecopassages Hofwijk.

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij brief van 24 oktober 2016, kenmerk PZH-2016-553989635, het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben bij brieven van 21 november 2016, kenmerk PZH-2016-571833027 en 11 januari 2017, kenmerk PZH-2017-577539024 DOS-2013-0004069, de onteigeningsstukken aangevuld in verband met na het verzoekbesluit plaatsgevonden eigendomsoverdrachten en kadastrale wijzigingen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn gelegen in het bestemmingsplan Ecopassages Hofwijk, verder te noemen: het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 17 september 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Rotterdam en is vanaf 13 november 2015 onherroepelijk.

Aan de onroerende zaken is de bestemming Natuur, en de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 1, en Waterstaat – Waterkering toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 28 februari 2017 tot en met 10 april 2017 in de gemeente Rotterdam en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Rotterdam van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 22 februari 2017 openbaar kennis gegeven in Havenloods Noord. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 22 februari 2017, nr. 8323.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De Provincie Zuid-Holland heeft in 2006 samen met regionale en maatschappelijke partijen het zogeheten Convenant Integrale Ontwikkeling tussen Delft en Schiedam (hierna: IODS) gesloten. Het IODS beoogt het gebied van Midden-Delfland en stedelijk gebied tussen Schiedam en Vlaardingen aantrekkelijker te maken door onder meer de aanleg van nieuwe natuur. Door middel van een aantal projecten wordt hier invulling aan gegeven. Het project Groenblauw Lint is één van die projecten. Het voorziet in de realisering van 100 hectare nieuwe natuur en de aanleg van enkele ecologische verbindingen (ecopassages).

Het bestemmingsplan voorziet in de realisering van één van deze ecopassages, namelijk de ecopassage over de Schie. Deze passage, aangeduid als de Ecopassage Schie, is noodzakelijk omdat het voor veel dieren onmogelijk is om de Schie met zijn steile oevers over te steken. De aanleg van de Ecopassage Schie zal er samen met de ecopassages onder en over de rijkswegen A13 en A4 voor zorgen dat er één aaneengesloten verbinding ontstaat tussen enerzijds het westelijk van de A4 gelegen gebied van Midden-Delfland (Maasland en Schipluiden) en het oostelijk van de A13 gelegen gebied (gebied ten zuiden en oosten van Delfgauw).

De Ecopassage Schie bestaat aan beide zijden uit een direct naast de Schie gelegen moeraselement, dat door middel van zachte oevers verbonden is met zowel het poldersysteem als de Schie. De beschoeiing van de Schie wordt plaatselijk verlaagd en zodanig ingericht dat de fauna ongehinderd vanuit het water van de Schie op de oever kan klimmen. De westoever van de Schie (tussen de Kandelaarweg en de Schie) wordt deels afgegraven waardoor er uittreedmogelijkheden voor de fauna komen.

In de door de verzoeker om onteigening gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het bestemmingsplan met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding, als ook door de zakelijke beschrijving behorende bij het onteigeningsplan.

De aanleg van de Ecopassage Schie vindt plaats in opdracht van en voor rekening van de verzoeker, conform de afspraken van het programma Integrale Ontwikkeling tussen Delft en Schiedam (IODS) waarin onder meer de gemeente Rotterdam en de Provincie Zuid-Holland partijen zijn.

Om de werken en werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan tijdig te kunnen realiseren, wenst de verzoeker de eigendom, vrij van lasten en rechten, te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, hebben provinciale staten van Zuid-Holland tot het onteigeningsverzoek besloten, om de tijdige verwezenlijking van het bestemmingsplan zeker te stellen. Van de grondplannummers 2, 3, 4 en 5 is de kadastrale oppervlakte na het verzoekbesluit gewijzigd. Verzoeker heeft aan de desbetreffende eigenaren hierop aangepaste biedingen uitgebracht.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de verzoeker de uitvoeringswerkzaamheden reeds heeft aanbesteed. Het voornemen is om eind 2017 een aanvang te nemen met de werkzaamheden. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. J.S. Hoogerbrugge en A.C. Hoogerbrugge, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 4, verder te noemen reclamanten 1;

  • 2. A. de Jong, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 2 en M. Lammerse, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 3, verder te noemen reclamanten 2;

  • 3. M. Hoogerbrugge, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 5, verder te noemen reclamant 3;

  • 4. E. Petit, gebruiker van de onroerende zaken met grondplannummers 2, 3, 4 en 5, verder te noemen reclamant 4.

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Reclamanten hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Reclamanten 1 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. Volgens reclamanten is het belang van de ruimtelijke ontwikkeling met deze onteigening niet gediend. De doelstelling van het bestemmingsplan zal nooit worden bereikt. Realisering van de ecopassage over de Schie heeft geen nut;

  • 2. Waarschijnlijk wordt de herinrichting van de recreatiegebieden Woudhoek en Holierbroek nooit gerealiseerd. Mocht dat wel zo zijn, dan nog is het de vraag of het als leefgebied geschikt is voor de beoogde diersoorten. Er zal nog steeds een geschikt leefgebied ontbreken op alle locaties. Tussen de Vlaardingse Vlietlanden en de Ackerdijkse Plassen, blijven er nog steeds andere barrières aanwezig en ontbreekt een geleiding naar de ecopassage over de Schie;

  • 3. Direct grenzend aan de ecopassage ter plaatse van de A13 zijn aan weerszijden maneges aanwezig, die niet te nemen barrières vormen voor de beoogde diersoorten. Onder andere ook daardoor zal de ecopassage ter plaatse van de A13 nooit gebruikt worden.

De zienswijze van reclamanten 1 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen:

Ad. 1,2 en 3. De onderdelen 1 tot en met 3 van de zienswijze van reclamanten gaan over het nut en het gebruik van de ecopassage en zijn derhalve planologisch van aard. De planologische aspecten kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aan de orde gesteld worden. Reclamanten 1 hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 2 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. Reclamanten stellen dat er geen nut en noodzaak is om het betreffende gedeelte van hun perceel te gebruiken voor de aanleg van de ecopasssage. Het kan met minder grond. De provincie Zuid-Holland heeft niet aangetoond dat de grond van cliënten per se nodig is. Verder had de ecopassage ook elders aangelegd kunnen worden;

  • 2. Er heeft geen minnelijk overleg plaatsgevonden, maar dit gaat wel plaatsvinden op 24 april 2017.

De zienswijze van reclamanten 2 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen:

Ad 1. Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. In dit verband verwijzen Wij naar hetgeen Wij bij de zienswijze van reclamanten 1 hier over in het algemeen hebben overwogen. Daarbij merken Wij op dat ook reclamanten 2 van de mogelijkheid om genoemde aspecten in de totstandkomingsprocedure van het bestemmingsplan naar voren te brengen gebruik hebben gemaakt. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Ad 2. Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid.

Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op basis van artikel 78 van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoekbesluit met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoekbesluit al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

In het bijzonder overwegen Wij het volgende. Op 16 april 2015 heeft verzoeker afzonderlijk aan reclamanten brieven gezonden met de aankondiging van de aanleg van de ecopassage. Daarbij is ook gevraagd of reclamanten bereid zijn tot verkoop van het benodigde deel van het perceel (thans grondplannummers 2 en 3). Reclamanten gaven aan dat zij daartoe niet bereid zijn. Met hun brieven van 11 november 2015 informeert verzoeker reclamanten nader over het traject van de grondverwerving en taxatie. In de brieven wordt verzocht om een gesprek over de verwerving aan te willen gaan. In verband met het uitblijven van een reactie hierop, informeert de verzoeker reclamanten bij brieven van 16 december 2015 over de geplande taxatieopname op 13 januari 2016. Op 18 april 2016 heeft een overleg plaatsgevonden, waarbij reclamanten hebben aangegeven de gronden aangekocht te hebben van reclamant 3 en dat zij op de hoogte zijn van de plannen voor de ecopassage. Tevens hebben zij in dat gesprek aangegeven een insteekhaven op hun perceel te wensen. Hierover laat verzoeker weten daar geen overwegende bezwaren tegen te hebben, maar dat de uiteindelijke goedkeuring van het Hoogheemraadschap van Delfland zal moeten komen. Vervolgens heeft nog meermaals contact plaatsgehad en zijn opnieuw biedingen uitgebracht in de brieven van 26 april, en 2 en 4 augustus 2016. Wij concluderen derhalve dat verzoeker voor het verzoekbesluit voldoende pogingen heeft ondernomen om de gronden van reclamanten langs minnelijke weg aan te kopen.

Wij overwegen voorts dat het overleg ook na het verzoekbesluit van 12 oktober 2016 met (de adviseur van) reclamanten is voortgezet. Onder andere is op 11 januari 2017 een biedingsbrief uitgebracht in verband met een kadastrale wijziging en heeft op 24 april 2017 nog een gesprek plaatsgevonden.

Het voortgezette overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Wij merken op dat dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 3 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. Er is onvoldoende archeologisch onderzoek gedaan;

  • 2. De ecopassage zal nooit gebruikt gaan worden door dieren. Uitvoering van het bestemmingsplan is zinloos. Reclamant verwijst daarbij naar het rapport van de KNNV uit 2016: ‘Noordelijk natuurcorridor Midden Delfland’, opgesteld ná vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens reclamant wordt in dit rapport, aangetoond dat het in de toekomt voor de noordse woelmuis en de waterspitsmuis onmogelijk zal zijn om zich via de ecopassage te kunnen verspreiden naar de Ackerdijkse Plassen en Vlietlanden. Met de onteigening is daarom geen publiek belang gediend;

  • 3. De voorgestelde onteigening is niet noodzakelijk. Ter plaatse van de Kandelaarbrug wordt inmiddels gewerkt aan een ecopassage;

  • 4. Er wordt meer grond onteigend dan noodzakelijk, omdat in het bestemmingsplan een te brede strook grond is bestemd voor de ecopassage;

  • 5. De ter inzagelegging van de onteigeningsstukken is niet juist verlopen. In de kennisgeving stond vermeld dat de stukken onder andere ter inzage lagen op de Coolsingel 40 te Rotterdam. Reclamant heeft op 22 maart 2017 dit adres (gemeentehuis) bezocht. Bij de receptie was niets bekend over de terinzagelegging. Na anderhalf uur werd reclamant verwezen naar de Halvemaanpassage 1 te Rotterdam, alwaar hij de stukken heeft ingezien. Door de onduidelijkheid over de locatie van de terinzagelegging zijn mogelijk door andere belanghebbenden de stukken niet ingezien en hebben die zodoende ook niet hun zienswijze kunnen vormen. De stukken hebben niet gedurende zes weken ter inzage gelegen ter plaatse van de in de kennisgeving aangegeven locatie. De terinzagelegging moet opnieuw worden verricht;

  • 6. Er zijn andere belanghebbenden: de bewoonster van Kandelaarweg 110 (die het ter onteigening aangewezen terrein gebruikt als tuin/parkeerplaats) en de uitbaters van restaurant-eetcafé ‘Het Schielicht’ (bezoekers gebruiken het ter onteigening aangewezen terrein als parkeerplaats). Doordat geen vervangende terreinen beschikbaar zijn wordt het publiek belang niet gediend;

De zienswijze van reclamant 3 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen:

Ad 1. Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. In dit verband verwijzen Wij naar hetgeen Wij bij de zienswijze van reclamanten 1 hier over in het algemeen hebben overwogen. Daarbij merken Wij op dat ook reclamant 3 van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om genoemde aspecten in de totstandkomingsprocedure van het bestemmingsplan naar voren te brengen. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Wij merken aanvullend op dat verzoeker Ons in het kader van het onteigeningsonderzoek heeft meegedeeld dat er voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan Ecopassage Hofwijk een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in het Rapport Zweth/De Zweth Ecopassage De Schie, Provincie Zuid-Holland, Archeologisch bureauonderzoek van 28 april 2014, dat als bijlage 1 bij het bestemmingsplan is gevoegd. Bezwaren tegen dit rapport of tegen de wijze van onderzoek had reclamant 3 naar voren kunnen brengen in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Voorts merken Wij op dat het feit dat er op het te onteigenen perceel onvoldoende onderzoek is verricht verband houdt met het feit dat reclamant 3 als grondeigenaar geen toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Zodra hij toestemming geeft kan het onderzoek van start gaan. Indien reclamant 3 geen toestemming geeft zal het onderzoek uitgevoerd worden na inschrijving van het onteigeningsvonnis in het kadaster.

Ad 2, 3 en 4. Wat betreft de zienswijzeonderdelen dat de Ecopassage nooit gebruikt zal worden, het publiek belang ontbreekt, de onteigening niet noodzakelijk is en er meer grond in de onteigening is betrokken dan noodzakelijk is, zijn Wij van oordeel dat deze, gelet op de onderbouwing ervan, eveneens planologisch van aard zijn. Wij merken aanvullend op dat het rapport dat reclamant 3 noemt gericht is op de noordelijke corridor, waar nog geen specifieke inrichting voor de doelsoorten is gerealiseerd. De Ecopassage Schie, waar wel specifieke maatregelen worden genomen, maakt deel uit van de zuidelijke corridor. Het betreft dus een ander onderzoeksgebied. Voorts benoemt reclamant 3 in zijn zienswijze alleen de noordse woelmuis en waterspitsmuis. De ecopassage is echter niet alleen bedoeld voor deze diersoorten maar heeft tot doel om een verbinding te creëren voor kleine zoogdieren en amfibieën.

Ad 5. Wat betreft het zienswijzeonderdeel van reclamant 3 dat de terinzagelegging onjuist heeft plaatsgevonden merken wij op dat in de hiervoor genoemde openbare kennisgevingen staat vermeld dat de onteigeningsstukken ter inzage zouden liggen onder meer op de locatie ‘Coolsingel 40 te Rotterdam’. Op 22 maart 2017 stelde reclamant 3 ambtenaren van de Corporate Dienst van Rijkswaterstaat telefonisch in kennis van het feit dat op die dag op het genoemde adres de onteigeningstukken niet ter inzage lagen. Door de vasthoudende opstelling van reclamant 3 op de locatie Coolsingel 40 werd hij door ambtenaren van de gemeente Rotterdam uiteindelijk verwezen naar de nabijgelegen gemeentelijke locatie Halvemaanpassage 1. Daar heeft hij alsnog inzage gekregen in de betreffende stukken.

In het onteigeningsonderzoek is naar voren gekomen dat, tijdens de termijn van terinzagelegging, de locatie Coolsingel 40 door de gemeente Rotterdam gesloten is vanaf 14 maart 2017. De terinzagelegging is vanaf dat moment door de gemeente voortgezet in de nabijgelegen, vrijwel aangrenzende gemeentelijke locatie Halvemaanpassage 1. Deze locatiewijziging is gepubliceerd op de website van de gemeente. Door een intern misverstand bij de gemeente is reclamant bij zijn inzageverzoek op 22 maart 2017 echter niet direct verwezen naar de Halvemaanpassage 1. Reclamant heeft telefonisch echter bevestigd dat hij de stukken die middag uiteindelijk wel ter inzage heeft gekregen.

Wij stellen dan ook vast dat reclamant weliswaar hinder heeft ondervonden bij het inzien van de onteigeningsstukken. Hij is door de wijziging van de locatie en het interne misverstand echter kennelijk niet in zijn belangen geschaad.

Dat andere mogelijk belanghebbenden eenzelfde hinder hebben ondervonden, is niet onmogelijk. Naar Ons oordeel is er echter geen reden om aan te nemen dat dit het geval is geweest. Eventuele meldingen daaromtrent zijn echter niet gedaan, zodat Wij aannemen dat het feit dat reclamant op 22 maart 2017 moeilijkheden heeft ondervonden bij het inzien van de onteigeningsstukken op zichzelf staat. Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de terinzagelegging heeft plaatsgevonden conform artikel 78 van de Onteigeningswet.

Ad 6. De door reclamant genoemde aspecten die andere belanghebbenden zouden treffen in het kader van realisatie van het bestemmingsplan zijn eveneens van planologische aard. In dit verband verwijzen Wij dan ook naar wat hierover onder ad 1 vermeld staat. Bovendien zijn in het voorafgaand minnelijk overleg met reclamant 3 geen andere belanghebbenden naar voren gekomen, hoewel daar door verzoeker wel naar gevraagd is.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 3 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 4 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. Reclamant stelt schade te lijden omdat zijn gasten een deel van de gronden gebruiken als parkeerterrein. Verdwijnt dat dan is de gelegenheid van reclamant minder toegankelijk voor bezoekers. Dat zal leiden tot verminderde omzet. Ook zal het ten koste gaan van de werkgelegenheid. Ook wijst reclamante op de functie die haar horecagelegenheid heeft voor recreanten en buurtbewoners.

De zienswijze van reclamant 4 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen:

Ad 1. Reclamant heeft nabij de te realiseren eco-passage een horecagelegenheid. In het kader van het onteigeningsonderzoek is hem gevraagd of het door hem geschetste gebruik plaatsvindt op basis van een overeenkomst. Het bestaan van een overeenkomst is door reclamant niet bevestigd. Reclamant heeft meegedeeld dat de eigenaren van de betreffende percelen geen bezwaar hebben tegen het (mede)gebruik van hun gronden als parkeergelegenheid. In de zienswijze van reclamant 3 wordt het (mede)gebruik, zoals hiervoor vermeld, bevestigd. Naar Ons oordeel is reclamant 4 dan ook te beschouwen als belanghebbende bij de onteigening in de zin van afdeling 3.4 van de Awb.

De zienswijze van reclamant 4 is deels financieel van aard. De hoogte van de schadeloosstelling staat niet ter beoordeling in de administratieve onteigeningsprocedure maar komt, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, aan de orde in de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Evenzeer kan reclamant 4, indien hij meent schade te lijden als gevolg van de wijziging van de bestemming van de onroerende zaak, ingevolge de Wet ruimtelijke ordening een verzoek om vergoeding van planschade bij de gemeente Rotterdam indienen. Voorts is de zienswijze van reclamant 4 mede planologisch van aard. Wat betreft deze zienswijze verwijzen Wij naar hetgeen Wij bij de zienswijze van reclamant 1 hier over in het algemeen over de planologische aspecten hebben opgemerkt. Overigens heeft reclamant 4 geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het schadeaspect in de totstandkomingsprocedure van het bestemmingsplan naar voren te brengen.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 4 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het bestemmingsplan niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de provincie Zuid-Holland de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek de provincie Zuid-Holland tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet, op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 9 juni 2017, nr. RWS-2917/23391, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 12 oktober 2016, nummer 6927;

gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 24 oktober 2016, kenmerk PZH-2016-553989635;

gelezen de brieven van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, van 21 november 2016, kenmerk PZH-2016-571833027 en van 11 januari 2017, kenmerk PZH-2017-577539024 DOS-201 3-0004069;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 2 augustus 2017, no. W14.17.0164/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 18 augustus 2017, nr. RWS-2017/32624, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van het bestemmingsplan Ecopassages Hofwijk van de gemeente Rotterdam ten name van de provincie Zuid-Holland ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Rotterdam en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 23 augustus 2017

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: ECOPASSAGES HOFWIJK (ECOPASSAGE SCHIE)

VERZOEKENDE INSTANTIE: PROVINCIE ZUID-HOLLAND

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Overschie

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1-1

00

00

82

Wegen

00

69

80

F 121

Gemeente Rotterdam, Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

B.V. Nederlandse Pijpleidingmaatschappij, Schiedam, zetel:

’s-Gravenhage.

1-2

00

00

40

                   

2

00

00

45

Wonen

00

01

76

F 160

André de Jong, Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Evides N.V., Rotterdam.

                   

3

geheel

Terrein (grasland)

00

01

00

F 162

Mirjam Lammerse, Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Evides N.V., Rotterdam.

                   

4

geheel

Terrein (grasland)

00

00

54

F 164

Elk 1/2 eigendom:

Jan Simon Hoogerbrugge, gehuwd met Arina Cornelia Hoogerbrugge, Delfgauw;

Arina Cornelia Hoogerbrugge, gehuwd met Jan Simon Hoogerbrugge, Delfgauw.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Evides N.V., Rotterdam.

                   

5

geheel

Wonen

00

02

10

F 163

Marinus Hoogerbrugge, Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Evides N.V., Rotterdam.

                   

6

geheel

Terrein (natuur)

00

02

31

F 178

Provincie Zuid-Holland, ’s-Gravenhage.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Evides N.V., Rotterdam (2x);

N.V. Nederlandse Pijpleiding Maatschappij, Papendrecht, zetel:

’s-Gravenhage;

B.V. Nederlandse Pijpleidingmaatschappij, Schiedam, zetel:

’s-Gravenhage;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

         

voorlopig

 
                   

7

00

01

78

Water

02

15

00

F 113

Provincie Zuid-Holland, ’s-Gravenhage.

Naar boven