Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2016
Nr. 64906

Gepubliceerd op 30 november 2016 09:00



Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 november 2016, 2016-0000197720, tot wijziging van Arbeidsomstandighedenregeling in verband met aanpassingen van de Bijlagen XIIIa, XIIIb, XIIIc en XIIIe op het terrein van asbest

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.5a, tweede lid, 1.5b, derde lid, 1.5d, derde lid, 1.5f, tweede lid, en artikel 1.5i, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

ARTIKEL I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie, zoals opgenomen in bijlage XIIIa bij de regeling’ vervangen door: vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, zoals opgenomen in bijlage XIIIa bij de regeling.

2. In onderdeel b wordt ‘vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering, zoals opgenomen in bijlage XIIIb de regeling’ vervangen door: vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, zoals opgenomen in bijlage XIIIa bij de regeling.

B

Bijlage XIIIa, behorend bij artikel 4.27, komt te luiden:

BIJLAGE XIIIA, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4.27

Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering

Paragraaf 1. Definities en afkortingen
Artikel 1. Definities en afkortingen

In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Aanvrager:

bedrijf dat bij een certificerende instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een Procescertificaat Asbestinventarisatie of een Procescertificaat Asbestverwijdering;

Asbest:

hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 4.37, onderdeel a, van het besluit;

Asbesthoudend materiaal:

asbesttoepassing of asbestverontreinigingen;

Asbesttoepassing:

toepassing waarin asbest is verwerkt;

Asbestverdacht materiaal:

materiaal dat op basis van een visuele beoordeling als mogelijk asbesthoudend is beoordeeld;

Asbestverontreiniging:

asbesthoudend stof of restanten asbesthoudend materiaal;

Asbestvezel:

hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 4.37, onderdeel c, van het besluit;

Beheerstichting:

Stichting Ascert, statutair gevestigd te Wageningen, zijnde de beheerstichting, bedoeld in artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit;

Bouwkundige integriteit:

samenstel van constructieve elementen die een gebouw zijn stabiliteit geven;

Calamiteit:

onverwachte gebeurtenis die kan leiden tot ernstige asbestrisico’s voor de werk- en leefomgeving;

Certificatiejaar:

eerste, tweede of derde periode van twaalf maanden na de ingangsdatum van een procescertificaat;

Concern:

groep van ondernemingen die onder gezamenlijke leiding staan en als een eenheid optreden of rechtspersonen die via een aandeelhouderschap zijn verbonden;

Containment:

constructie waarmee een werkgebied waar asbesthoudende materialen worden verwijderd wordt afgeschermd van de leefomgeving en waarin een onderdruk in stand wordt gehouden;

Corrigerende maatregel:

maatregel die gericht is op het blijvend wegnemen van de oorzaak van een opgetreden afwijking;

DAV-1:

persoon die in het bezit is het persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 1 overeenkomstig bijlage XIIIc;

DAV-2:

persoon die in het bezit is van het persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 2 overeenkomstig bijlage XIIIc;

DTA:

persoon die in het bezit is van het persoonscertificaat deskundig toezichthouder asbestverwijdering overeenkomstig bijlage XIIIc;

DIA:

deskundig inventariseerder asbest als bedoeld in artikel 4.54a, zevende lid van het besluit;

Eindbeoordeling:

eindbeoordeling na asbestverwijdering volgens NEN 2990;

Herstelmaatregel:

maatregel die gericht is op het verhelpen van een opgetreden afwijking;

Holding:

moederonderneming van één onderneming of meerdere ondernemingen;

Inspectie-instelling:

door de Raad voor Accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 geaccrediteerde inspectie-instelling die de eindbeoordeling verricht;

LAVS:

Landelijk Asbestvolgsysteem, webportaal waarin informatie over het proces van asbestinventarisatie, asbestverwijdering, eindbeoordeling en afvoer van asbest wordt ingevoerd en opgeslagen via https://www.asbestvolgsysteem.nl;

NEN-ISO 16000-27:

NEN-ISO 16000-27:2014, algemene criteria voor bepaling van de neergestreken stofvezels op oppervlakken door scanning elektronenmicroscopie;

NEN-EN-ISO/IEC 17020:

NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012, algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN-EN-ISO/IEC 17025:

NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005, algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN-EN 2990:

NEN-EN 2990:2012, Algemene eisen voor Lucht – Eindcontrole na asbestverwijdering, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN 2991:

NEN-EN 2991:2015, algemene eisen uitgegeven voor bepaling van de asbestconcentraties in de binnenlucht en risicobeoordeling in en rondom bouwwerken, constructies of objecten waarbij asbesthoudende materialen zijn verwerkt, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN 5896:

NEN-5896:2003, kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatie microscopie, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

Object:

hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 4.37, onderdeel d, van het besluit;

Opdrachtgever:

natuurlijk persoon of rechtspersoon die de asbestinventarisatie of de asbestverwijdering opdraagt;

Niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal:

asbesthoudend materiaal dat niet in het asbestinventarisatierapport is vermeld;

Pakdag:

het aantal manuren dat met adembescherming is gewerkt gedeeld door zes;

Persoonscertificaat:

certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, verstrekt aan een persoon;

Procescertificaat:

certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, verstrekt aan een bedrijf;

Projectlocatie:

adres waar de asbestinventarisatie of asbestverwijdering plaatsvindt;

Risicobeoordeling:

beoordeling van de risico’s van de aanwezige asbestconcentraties uitgevoerd overeenkomstig de NEN 2991;

Risicoklasse 1:

wanneer sprake is van de concentraties asbestvezels als omschreven in de artikelen 4.44 en 4.46 van het besluit;

Risicoklasse 2:

wanneer sprake is van de concentraties asbestvezels als omschreven in de artikelen 4.46 en 4.48 van het besluit;

Risicoklasse 2A:

wanneer sprake is van de concentraties asbestvezels als omschreven in de artikelen 4.46 en 4.53a van het besluit;

SCi:

nadere uitwerking van een eis uit deze bijlage in een interpretatiedocument of protocol dat na afstemming met de minister wordt vastgesteld door de beheerstichting;

SCi-547:

protocol voor het valideren van werkmethoden of innovatieve technieken met betrekking tot asbestverwijdering ten behoeve van het indelen in een risicoklasse, uitgegeven door de beheerstichting, zoals dat luidde op 1 mei 2015;

SCi-548:

protocol voor het bepalen van de concentratie aan respirabele asbestvezels in de lucht tijdens het op projectniveau uitvoeren van asbestverwijdering, uitgegeven door de beheerstichting, zoals dat luidde op 1 mei 2015;

SCi-directe decontaminatie:

protocol voor de uitvoering van de decontaminatie waarbij de decontaminatie-unit is gekoppeld aan het werkgebied, uitgegeven door de beheerstichting, zoals dat luidde op 26 oktober 2016;

SCi-indirecte decontaminatie:

protocol voor de uitvoering van de decontaminatie waarbij de decontaminatie-unit niet is gekoppeld aan het werkgebied, uitgegeven door de beheerstichting, zoals dat luidde op 26 oktober 2016;

SMART:

stoffen manager asbest risico-indelingstechniek, een gevalideerd systeem waarmee de risicoklasse voor verwijdering wordt bepaald, uitgegeven door de beheerstichting;

Validatieonderzoek:

onderzoek naar de blootstelling aan inadembare asbestvezels tijdens het uitvoeren van werkzaamheden met asbest of asbesthoudend materiaal met het doel deze werkzaamheden in een risicoklasse in te delen overeenkomstig de SCi-547, SCi-548 of een methode die aantoonbaar een gelijkwaardig resultaat en zekerheid oplevert;

Ventilatievoud:

het rekenkundig aantal maal per uur dat de lucht in het containment volledig wordt ververst; en

Werkgebied:

afgebakende ruimte of afgebakend gebied op een projectlocatie waarbinnen de asbestverwijdering plaatsvindt.

Paragraaf 2. Aanvraag
Artikel 2. Indieningvereisten aanvraag

In of bij de aanvraag voor een procescertificaat verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden aan de certificerende instelling:

  • a. een uittreksel van de inschrijving van de aanvrager in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel of een buitenlands handelsregister;

  • b. het toepassingsgebied waarvoor het procescertificaat wordt aangevraagd;

  • c. een actuele verklaring getekend door alle bestuurders van de aanvrager met daarin een beschrijving van de volgende onderdelen:

    • 1°. de namen en functies van de bestuurders van de aanvrager;

    • 2°. de namen en functies van de leden van de directie;

    • 3°. indien de aanvrager geen naamloze vennootschap is, de namen van de eigenaren of aandeelhouders van de aanvrager;

    • 4°. de bij de aanvrager aanwezige certificaten op het gebied van asbest;

    • 5°. indien van toepassing, de vestigingen van de aanvrager waarvoor het procescertificaat wordt aangevraagd;

    • 6°. indien van toepassing, het concern waarvan de aanvrager deel uitmaakt; en

    • 7°. een verklaring dat de aanvrager niet betrokken is geweest bij een onderneming waarvan het procescertificaat in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag is ingetrokken; en

  • d. in geval van een aanvraag bij een andere certificerende instelling de verslagen van beoordelingen, bedoeld in artikel 19 van bijlage XIIIe, van de afgelopen drie jaar.

Artikel 3. Meerdere procescertificaten
  • 1. Het bezit van meerdere procescertificaten asbestinventarisatie door een onderneming met meerdere vestigingen of binnen een concern is niet toegestaan, tenzij alle vestigingen ieder vijf of meer DIA’s hebben die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en alle vestigingen ieder ten minste 1000 asbestinventarisatierapporten per certificatiejaar realiseren.

  • 2. Het bezit van meerdere procescertificaten asbestverwijdering door een onderneming met meerdere vestigingen of binnen een concern is niet toegestaan, tenzij in iedere vestiging ten minste één DTA werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst en er door elke vestiging ten minste 880 pakdagen per certificatiejaar worden gerealiseerd.

  • 3. Het bezit van meerdere procescertificaten overeenkomstig het eerste en tweede lid is alleen toegestaan wanneer deze procescertificaten zijn afgegeven door dezelfde certificerende instelling.

Paragraaf 3. Toezicht en afhandeling van afwijkingen
Artikel 4. Medewerking aan beoordelingen en toezicht
  • 1. De certificaathouder verleent medewerking aan beoordelingen van de certificerende instelling, inspecties van de toezichthoudende overheidsinstellingen en beoordelingen door de Raad voor Accreditatie.

  • 2. De certificaathouder meldt onmiddellijk aan de certificerende instelling:

    • a. wijzigingen van zijn adres- en contactgegevens;

    • b. wijzigingen van bestuurders van de onderneming;

    • c. wijzigingen van leden van de directie; en

    • d. indien de certificaathouder geen naamloze vennootschap is, wijzigingen van eigenaren of aandeelhouders van de onderneming.

Artikel 5. Herstelmaatregelen en corrigerende maatregelen

De certificaathouder neemt nadat de certificerende instelling hem een door haar getrokken conclusie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van bijlage XIIIe, heeft gezonden die leidt tot het treffen van een herstelmaatregel of corrigerende maatregel en hij geen zienswijze indient zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van bijlage XIIIe of nadat de certificerende instelling hem het besluit heeft gezonden omtrent het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 24, derde lid, van bijlage XIIIe, de noodzakelijke adequate herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen en rapporteert daarover aan de certificerende instelling:

  • a. binnen twaalf weken in geval van een afwijking uit de categorie IV, zoals bepaald in bijlage 1 bij bijlage XIIIe;

  • b. binnen acht weken in geval van een afwijking uit de categorie III, zoals bepaald in bijlage 1 bij bijlage XIIIe;

  • c. binnen twee weken in geval van een afwijking uit de categorie II, zoals bepaald in bijlage 1 bij bijlage XIIIe; en

  • d. binnen vier weken in geval zijn procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst op grond van artikel 23, vijfde lid, van bijlage XIIIe.

Paragraaf 4. Eisen procescertificaat asbestinventarisatiebedrijf
Artikel 6. Organisatie
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of een buitenlands handelsregister met een hiermee vergelijkbare status.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf heeft ten minste één DIA die werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst en realiseert in de certificatiejaren na verkrijging van het procescertificaat ten minste 50 asbestinventarisatierapporten per jaar.

  • 3. Het asbestinventarisatiebedrijf beschikt over een verklaring getekend door alle bestuurders van het bedrijf met daarin een actuele beschrijving van de volgende onderdelen:

    • a. de namen en functies van de bestuurders;

    • b. de namen en functies van de leden van de directie;

    • c. indien het bedrijf geen beursgenoteerde naamloze vennootschap is, de namen van de eigenaren of aandeelhouders van het bedrijf; en

    • d. indien van toepassing, het concern waarvan het asbestinventarisatiebedrijf deel uitmaakt.

  • 4. Het asbestinventarisatiebedrijf beschikt over een actueel document waarin het doel en de deskundigheid van het bedrijf zijn vastgelegd.

  • 5. Het asbestinventarisatiebedrijf beschikt over actuele kennis inzake:

    • a. asbesthoudende materialen; en

    • b. verwijderingstechnieken en verwijderingsmethoden.

  • 6. Het asbestinventarisatiebedrijf is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid voor risico’s die voortvloeien uit zijn werkzaamheden.

Artikel 7. Samenwerking, onverenigbaarheid van functies en uitbesteding
  • 1. Asbestinventarisatie wordt niet in combinatie met asbestverwijdering binnen één onderneming uitgevoerd.

  • 2. De volgende functies worden niet gecombineerd:

    • a. aandeelhouder bij een asbestinventarisatiebedrijf en bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • b. bestuurder bij een asbestinventarisatiebedrijf en bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • c. aandeelhouder bij een asbestinventarisatiebedrijf en bestuurder bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • d. bestuurder bij een asbestinventarisatiebedrijf en aandeelhouder bij een asbestverwijderingsbedrijf; en

    • e. aandeelhouder of bestuurder bij twee asbestinventarisatiebedrijven, tenzij sprake is van een concern en alle bedrijven ieder vijf of meer DIA’s hebben die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en alle bedrijven ieder ten minste 1000 asbestinventarisatierapporten per certificatiejaar realiseren.

  • 3. Een aandeelhouder of bestuurder van een asbestinventarisatiebedrijf heeft niet een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of een samenwoningsrelatie met een aandeelhouder of bestuurder van een ander asbestinventarisatiebedrijf of asbestverwijderingsbedrijf.

  • 4. Op een zelfde projectlocatie:

    • a. zijn personen die betrokken zijn bij het uitvoeren van asbestinventarisatie niet tevens betrokken bij het uitvoeren van asbestverwijdering of bij de eindbeoordeling; en

    • b. worden geen werkzaamheden verricht als er sprake is van een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder of bestuurder van het asbestinventarisatiebedrijf aandeelhouder of bestuurder van het asbestverwijderingsbedrijf.

  • 5. Een asbestinventarisatiebedrijf dat asbestinventarisatie uitbesteedt aan een ander asbestinventarisatiebedrijf controleert of dat bedrijf beschikt over een geldig Procescertificaat Asbestinventarisatie.

Artikel 8. Personeel
  • 1. De werknemers van het asbestinventarisatiebedrijf worden door het bedrijf ondersteund om bij de uitvoering van de asbestinventarisatie tot een onafhankelijk oordeel te komen.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf heeft een opleidingsplan waarin is vastgelegd met welke opleidingen beoogd wordt de vakbekwaamheid van de werknemers in technische en administratieve zin te waarborgen.

  • 3. Het asbestinventarisatiebedrijf registreert van elke werknemer diploma’s en certificaten, de werkervaring, de gevolgde opleidingen en de geplande opleidingen.

  • 4. Het asbestinventarisatiebedrijf heeft een gedragscode voor zijn werknemers. In de gedragscode komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde:

    • a. de werkhouding bij het omgaan met opdrachtgevers en hun werknemers, bewoners, gebruikers en derden;

    • b. hoe te handelen in situaties waarbij een direct blootstellinggevaar aan asbest dreigt voor bewoners of gebruikers van een bouwwerk of object;

    • c. hoe de werknemers geconstateerde gevaarlijke situaties op de projectlocatie bekend maken aan de verantwoordelijken binnen het asbestinventarisatiebedrijf; d. hoe te handelen indien de opdrachtgever een aanbeveling tot het uitvoeren van een risicobeoordeling niet opvolgt; en

    • e. de wijze waarop toezichthoudende overheidsinstellingen worden geïnformeerd.

Artikel 9. Technisch eindverantwoordelijke
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf benoemt een technisch eindverantwoordelijke voor de asbestinventarisatie en het ondertekenen van het asbestinventarisatierapport.

  • 2. De technisch eindverantwoordelijke voldoet aan de volgende eisen:

    • a. hij is DIA;

    • b. hij voert ten minste tien inventarisaties per jaar zelf uit of heeft ten minste drie jaar relevante werkervaring in asbestinventarisaties; en

    • c. hij beschikt over kennis van het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 12.

Artikel 10. Kwaliteitsfunctionaris
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf benoemt een kwaliteitsfunctionaris die verantwoordelijk is voor het beheer van het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 12.

  • 2. De kwaliteitsfunctionaris heeft directe toegang tot de directie van het asbestinventarisatiebedrijf.

Artikel 11. Interne beoordelingen
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf laat ten minste eenmaal per certificatiejaar interne beoordelingen uitvoeren waarbij systematisch wordt gecontroleerd of het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 12, volledig is geïmplementeerd en effectief is.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf laat interne beoordelingen uitvoeren door personen die aantoonbaar beschikken over kennis inzake:

    • a. de gezondheidsrisico’s bij asbest;

    • b. de regelgeving inzake asbest;

    • c. het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen;

    • d. het asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsproces; en

    • e. het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 12.

Artikel 12. Kwaliteitssysteem
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf heeft een kwaliteitssysteem dat is toegesneden op het werkgebied van de asbestinventarisatie en de uitwerking vormt van alle eisen die in deze bijlage aan het asbestinventarisatiebedrijf en zijn werkzaamheden worden gesteld.

  • 2. Het kwaliteitssysteem van het asbestinventarisatiebedrijf is vastgelegd in een kwaliteitshandhoek dat ten minste de volgende elementen bevat:

    • a. een beschrijving van de rechtsvorm van het asbestinventarisatiebedrijf;

    • b. een directieverklaring met de uitgangspunten en doelstellingen van het kwaliteitsbeleid;

    • c. een beschrijving van het werkveld en de competenties van het asbestinventarisatiebedrijf;

    • d. een organogram van het asbestinventarisatiebedrijf;

    • e. indien van toepassing, informatie over de positie van de inspectie-instelling binnen het concern;

    • f. de functiebeschrijvingen en de vervangingsregelingen van ten minste:

      • 1°. de leden van de directie;

      • 2°. de technisch eindverantwoordelijke, bedoeld in artikel 9;

      • 3°. de DIA, bedoeld in artikel 6, tweede lid;

      • 4°. de kwaliteitsfunctionaris, bedoeld in artikel 10;

    • g. de procedures voor het beheer van de kwaliteitsdocumenten en kwaliteitsregistraties;

    • h. de procedures voor interne beoordelingen;

    • i. de procedures inzake inkoop en afnamecontroles, bedoeld in artikel 15;

    • j. de beschreven veiligheidsinstructies;

    • k. de procedures voor afhandeling van afwijkingen en opvolging van corrigerende maatregelen; en

    • l. de procedures voor het uitvoeren van een directiebeoordeling van het kwaliteitssysteem.

  • 3. Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    • a. de opgestelde procedures en instructies, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g tot en met l, worden gevolgd;

    • b. de actuele versies van de kwaliteitsdocumenten voor de werknemers beschikbaar zijn;

    • c. de veranderingen van of toevoegingen aan kwaliteitsdocumenten zijn geautoriseerd door de kwaliteitsfunctionaris, bedoeld in artikel 10;

    • d. de vervallen kwaliteitsdocumenten apart worden bewaard; en

    • e. de kwaliteitsdocumenten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 4. De directie van het asbestinventarisatiebedrijf beoordeelt ten minste eenmaal per certificatiejaar het kwaliteitssysteem op zijn effectiviteit, waarbij:

    • a. toetsingen die zijn uitgevoerd door één of meerdere personen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, de basis vormen voor de beoordeling van het kwaliteitssysteem door de directie van het asbestinventarisatiebedrijf; en

    • b. deze personen een onafhankelijke positie hebben ten opzichte van de door hen beschouwde onderdelen van het kwaliteitssysteem of personen.

  • 5. De resultaten van de beoordeling van het kwaliteitssysteem door de directie van het asbestinventarisatiebedrijf worden vastgelegd.

Artikel 13. Faciliteiten en arbeidsmiddelen
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf beschikt over passende faciliteiten en arbeidsmiddelen voor alle uit te voeren asbestinventarisatiewerkzaamheden.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf stelt aan zijn werknemers de faciliteiten en arbeidsmiddelen ter beschikking die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een asbestinventarisatie.

  • 3. De arbeidsmiddelen voor de asbestinventarisatie van het asbestinventarisatiebedrijf verkeren in goede staat.

  • 4. De kwaliteitsbepalende arbeidsmiddelen van het asbestinventarisatiebedrijf zijn van een unieke code voorzien.

  • 5. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat de arbeidsmiddelen voor het uitvoeren van de asbestinventarisaties naar behoren worden gebruikt en worden onderhouden.

  • 6. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat alle in te zetten arbeidsmiddelen, voor zover van toepassing, voorafgaand aan het gebruik herleidbaar zijn gekeurd dan wel zijn gekalibreerd volgens een van tevoren opgesteld keurings- of kalibratieschema.

  • 7. Het asbestinventarisatiebedrijf beschikt over een beschreven procedure voor de situatie waarin geconstateerd is dat de gebruikte of te gebruiken arbeidsmiddelen defect zijn.

  • 8. Defecte arbeidsmiddelen worden buiten bedrijf gesteld en voorzien van een duidelijke aanduiding.

Artikel 14. Persoonlijke beschermingsmiddelen
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat in aanvulling op de algemene verplichtingen inzake persoonlijke beschermingsmiddelen op grond van hoofdstuk 8, afdeling 1, van het besluit aan de volgende eisen is voldaan:

    • a. de DIA beschikt over en gebruik maakt van een adembeschermingsmiddel van het juiste model en de goede maat;

    • b. de DIA aantoonbaar één keer per certificatiejaar met een half- en volgelaatsmasker een erkende facefit-test uitvoert volgens de Operational Circular 282/28 – Fit Testing Of Respiratory Protective Equipment Facepieces;

    • c. op de projectlocatie het facefit-testcertificaat van de DIA beschikbaar is;

    • d. de resultaten van de facefit-test in het personeelsdossier van de DIA worden bewaard;

    • e. de DIA heeft deelgenomen aan deel 1 van het online-instructieprogramma adembescherming en binnen twaalf weken daarna het certificaat heeft behaald;

    • f. de DIA de adembeschermingsmiddelen goed onderhoudt en schoon houdt; en

    • g. het certificaat van deelname aan het online-instructieprogramma adembescherming van de DIA op de projectlocatie beschikbaar is.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf ziet er op toe dat de DIA zijn persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt overeenkomstig de instructie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.

Artikel 15. Inkoop en afnamecontroles

Een asbestinventarisatiebedrijf beschikt over beschreven procedures met betrekking tot:

  • a. de keuze van gekwalificeerde leveranciers van producten en diensten die voor de asbestinventarisatie van belang zijn; en

  • b. de controle van bepaalde categorieën van ingekochte producten of diensten die voor de asbestinventarisatie van belang zijn.

Artikel 16. Vooronderzoek asbestinventarisatie
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf voert ten behoeve van het opstellen van een asbestinventarisatieplan een vooronderzoek uit.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf verzoekt ten behoeve van het vooronderzoek aan zijn opdrachtgever:

    • a. de relevante documenten, waarin de toepassing van asbest en asbesthoudende producten is beschreven, beschikbaar te stellen; en

    • b. de mogelijkheid te bieden om bij werknemers en voormalige werknemers van de opdrachtgever, bewoners en gebruikers informatie in te winnen voor zover dit relevant kan zijn voor de asbestinventarisatie.

  • 3. Het vooronderzoek omvat ten minste het inventariseren en het beoordelen van bouwtekeningen, tekeningen van procesinstallaties en andere documenten die relevant zijn voor de asbestinventarisatie.

Artikel 17. Asbestinventarisatieplan
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf stelt op basis van het vooronderzoek een asbestinventarisatieplan op dat wordt voorzien van een unieke projectcode.

  • 2. Het asbestinventarisatieplan bevat:

    • a. een beschrijving van het bouwwerk, het object of de installatietechnische eenheid die op asbest wordt onderzocht;

    • b. de informatie uit het vooronderzoek, bedoeld in artikel 16;

    • c. de gekozen methode van asbestinventarisatie en de verantwoording hoe met deze methode de emissie van asbest zo veel mogelijk wordt voorkomen;

    • d. een overzicht van de noodzakelijke arbeidsmiddelen voor de asbestinventarisatie; en

    • e. een lijst met aandachtspunten voor de uitvoering van de asbestinventarisatie.

  • 3. Het asbestinventarisatieplan is tijdens de asbestinventarisatie aanwezig op de projectlocatie.

Artikel 18. Voorbereiding en melding asbestinventarisatie
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf stelt voorafgaand aan de uitvoering van een asbestinventarisatie van een bouwwerk, object of installatietechnische eenheid vast of alle noodzakelijke voorbereidingen zijn getroffen.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf wijst een DIA aan die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een asbestinventarisatie.

  • 3. Het asbestinventarisatiebedrijf meldt de projectgegevens in het LAVS indien de opdrachtgever dit niet heeft gedaan.

  • 4. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat de DIA voor het begin van de asbestinventarisatie controleert en waarborgt dat:

    • a. het asbestinventarisatieplan en de overige documenten die van belang zijn voor de asbestinventarisatie op de projectlocatie aanwezig zijn;

    • b. het asbestinventarisatieplan aansluit bij de aangetroffen situatie op de projectlocatie; en

    • c. het bouwwerk, het object of de installatietechnische eenheid overeenkomen met de vooraf opgegeven kenmerken.

  • 5. De resultaten van de in het vierde lid bedoelde controle worden door de DIA geregistreerd.

  • 6. Indien uit de controle blijkt dat niet wordt voldaan aan de in het vierde lid, onderdeel b en c genoemde eisen, wordt het asbestinventarisatieplan door het asbestinventarisatiebedrijf aangepast.

  • 7. De uitvoering van de asbestinventarisatie, bedoeld in artikel 19, kan beginnen twee werkdagen na een melding aan de certificerende instelling.

  • 8. Bij een calamiteit of bij het vermoeden van de aanwezigheid van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal overeenkomstig artikel 42:

    • a. mag, in afwijking van het zevende lid, zonder voorafgaande melding direct met de asbestinventarisatie worden begonnen;

    • b. vindt de melding aan de certificerende instelling zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen 24 uur na het begin van het asbestinventarisatiewerk plaats; en

    • c. wordt bij de melding aangegeven wat de noodzaak is voor een spoedinventarisatie.

Artikel 19. Uitvoering asbestinventarisatie
  • 1. Een asbestinventarisatie omvat ten minste het gebied dat na de verwijdering van de asbesthoudende materialen visueel geïnspecteerd wordt als onderdeel van de eindbeoordeling met uitzondering van de eventuele transitroute, zijnde de route tussen de transitsluis en de decontaminatie-unit.

  • 2. De asbestinventarisatie wordt uitgevoerd door de DIA.

  • 3. Bij de uitvoering van een asbestinventarisatie worden ten minste maatregelen genomen overeenkomstig artikel 17, tweede lid, onderdeel c, om verspreiding van asbest te voorkomen.

  • 4. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat de in te zetten arbeidsmiddelen voorafgaand aan het gebruik door de DIA worden gecontroleerd.

  • 5. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat de DIA de werkzaamheden conform het inventarisatieplan uitvoert.

  • 6. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat actuele versies van alle werkinstructies, normen, procedures, registratieformulieren en referentiegegevens die van belang zijn voor de asbestinventarisatie op de projectlocatie aanwezig zijn.

  • 7. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat relevante waarnemingen en andere bij de asbestinventarisatie verkregen gegevens tijdens de inventarisatie worden geregistreerd.

  • 8. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat elke afwijking van het asbestinventarisatieplan of onregelmatigheid die door de DIA zelf wordt opgemerkt of onder zijn aandacht wordt gebracht door de DIA wordt vastgelegd.

Artikel 20. Monsterneming en analyse
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat van elk aangetroffen type asbestverdacht materiaal een representatief monster wordt genomen. Deze verplichting geldt niet voor objecten waarvan de risicoklasse-indeling ten behoeve van verwijdering kan worden bepaald op grond van geraadpleegde documentatie waaruit blijkt welk type asbesthoudend materiaal er in is verwerkt en wat het percentage asbest is.

  • 2. Monstername geschiedt door een DIA.

  • 3. Van materialen waarin het asbest niet homogeen aanwezig is, worden meerdere monsters genomen.

  • 4. Een genomen monster wordt geregistreerd en voorzien van een unieke codering. De plaatsen waar de monsters genomen zijn, worden vastgelegd in een overzichtstekening.

  • 5. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat zijn werknemers betrokken bij de bemonstering van materialen de volgende maatregelen nemen:

    • a. zij dragen voor de situatie geschikte beschermingsmiddelen;

    • b. zij dragen adembeschermingsmiddelen bestaande uit ten minste een halfgelaatsmasker met P3 filter;

    • c. zij bakenen de plaats van monsterneming af van de omgeving;

    • d. zij gebruiken puntafzuiging door middel van een asbeststofzuiger indien vezelemissie tijdens het nemen van een monster niet te voorkomen is;

    • e. zij impregneren de ontstane breukvlakken;

    • f. zij brengen een merkteken aan bij de plaats waar een monster is genomen zodanig dat deze plaats herkenbaar is;

    • g. zij verpakken een monster zodanig dat er geen asbeststof kan vrijkomen bij het transport;

    • h. zij reinigen de arbeidsmiddelen die bij de monstername zijn gebruikt of behandelen deze als asbesthoudend afval; en

    • i. zij reinigen de omgeving van de locaties van de monsters na afloop van de bemonstering.

  • 6. Het asbestinventarisatiebedrijf laat een monster als bedoeld in het eerste lid analyseren overeenkomstig de NEN 5896 door een door de Raad voor Accreditatie voor deze verrichting geaccrediteerd laboratorium.

Artikel 21. Maatregelen bij het aantreffen van beschadigd asbestverdacht materiaal
  • 1. Indien het asbestinventarisatiebedrijf beschadigd asbestverdacht materiaal aantreft, worden de volgende aspecten beoordeeld en beschreven:

    • a. de omvang en mate van beschadiging van het asbestverdacht materiaal; en

    • b. de omvang en verspreiding van de visueel waarneembare restanten asbestverdacht materiaal;

  • 2. Indien uit de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat er sprake is van de aanwezigheid van visueel waarneembare restanten niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal binnen een bouwwerk, informeert het asbestinventarisatiebedrijf de opdrachtgever hierover en breidt het asbestinventarisatiebedrijf na opdracht door de opdrachtgever het asbestinventarisatieonderzoek uit met een inkadering door middel van:

    • a. het nemen van representatieve kleefmonsters per ruimte of gebied overeenkomstig de NEN 2991; en

    • b. een analyse van deze kleefmonsters overeenkomstig de NEN-ISO 16000-27 door een door de Raad voor Accreditatie voor deze verrichting geaccrediteerd laboratorium, als blijkt dat het beschadigde asbestverdachte materiaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, asbesthoudend is.

  • 3. Indien uit de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat er naast de aanwezigheid van visueel waarneembare restanten niet-hechtgebonden asbesthoudend materiaal sprake is van een ernstige verontreiniging die kan leiden tot een blootstelling aan asbestvezels in de lucht boven de van toepassing zijnde grenswaarde informeert het asbestinventarisatiebedrijf onmiddellijk de opdrachtgever hierover en beveelt het asbestinventarisatiebedrijf de opdrachtgever aan om onmiddellijk maatregelen te treffen waaronder het laten uitvoeren van een risicobeoordeling, en bij een in gebruik zijnd bouwwerk het op de hoogte stellen van de toezichthoudende overheidsinstelling als blijkt dat het beschadigde asbestverdachte materiaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, asbesthoudend is.

  • 4. Bij een mogelijke ernstige verontreiniging door niet hechtgebonden asbestverdachte materialen die kan leiden tot een blootstelling aan asbestvezels in de lucht boven de van toepassing zijnde grenswaarde, geschiedt een asbestinventarisatie met gebruikmaking van ten minste een volgelaatmasker met aanblaasunit, beschermende kleding en veiligheidsschoeisel en met gebruikmaking van een decontaminatie-unit.

Artikel 22. Asbestinventarisatierapport
  • 1. Het asbestinventarisatiebedrijf stelt een asbestinventarisatierapport op met daarin een beschrijving van de asbesthoudende materialen met inachtneming van de reikwijdte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, en de geschiktheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, en met daarin een beschrijving van het af te bakenen gebied of de af te bakenen ruimte bij de asbestverwijdering.

  • 2. Het asbestinventarisatiebedrijf stelt een asbestinventarisatierapport op waarbij op het titelblad in ieder geval is opgenomen:

    • a. de naam en het certificaatnummer van het asbestinventarisatiebedrijf;

    • b. de naam van de opdrachtgever;

    • c. de adresgegevens van de projectlocatie;

    • d. de reikwijdte van het asbestinventarisatie, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen:

      • 1°. het gehele bouwwerk of het gehele object;

      • 2°. een gedeelte van het bouwwerk of een gedeelte van het object;

      • 3°. het bouwwerk of het object en het gebied rondom het bouwwerk of het object; of

      • 4°. uitsluitend het gebied rondom het bouwwerk of het object;

    • e. de geschiktheid van het asbestinventarisatierapport, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen:

      • 1°. niet geschikt voor asbestverwijdering, risicobeoordeling noodzakelijk;

      • 2°. geschikt voor uitsluitend de verwijdering van het in dit rapport genoemde asbesthoudende materiaal;

      • 3°. geschikt voor renovatie zonder de bouwkundige integriteit aan te tasten; of

      • 4°. geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop;

    • f. de naam van de DIA, bedoeld in artikel 18, tweede lid, en zijn certificaatnummer;

    • g. de naam van de technisch eindverantwoordelijke, bedoeld in artikel 9 en zijn certificaatnummer; en

    • h. een unieke projectcode met versienummer van het asbestinventarisatierapport.

  • 3. Het asbestinventarisatierapport bevat een samenvatting waarin ten minste is opgenomen:

    • a. een nadere specificatie van de reikwijdte van de asbestinventarisatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d; en

    • b. een nadere specificatie van de geschiktheid van het asbestinventarisatierapport, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e.

  • 4. Het asbestinventarisatierapport bevat alle resultaten van het vooronderzoek, bedoeld in artikel 16.

  • 5. Het asbestinventarisatierapport bevat een overzicht van al het aangetroffen asbesthoudende materiaal met vermelding van:

    • a. een uniek bronnummer;

    • b. een beschrijving van het asbesthoudende materiaal;

    • c. de plaats waar het asbesthoudende materiaal is aangetroffen;

    • d. het soort asbesthoudend materiaal;

    • e. de in de genomen materiaalmonsters aangetroffen asbestsoorten;

    • f. het percentage van de asbestsoorten in de materiaalmonsters;

    • g. de identificatiecode van het analysecertificaat dat bij het asbesthoudende materiaal hoort;

    • h. de mate van beschadiging van de aangetroffen asbesttoepassingen;

    • i. de mate van verwering van de aangetroffen asbesttoepassingen, aangeduid met de kwalificatie niet verweerd, licht verweerd of ernstig verweerd;

    • j. de hoeveelheid van de aangetroffen asbesttoepassingen;

    • k. hoe de asbesttoepassingen bevestigd zijn;

    • l. de risicoklasse 1, 2 of 2A die is gebaseerd op de SMART waaronder het asbesthoudende materiaal verwijderd moet worden; en

    • m. specifieke opmerkingen die van belang zijn voor een veilige verwijdering van het asbesthoudende materiaal.

  • 6. Het asbestinventarisatierapport bevat tekeningen met daarop aangegeven:

    • a. de locaties en afmetingen van alle onderzochte ruimten, gebieden of installaties; en

    • b. de plaatsen waarop asbesthoudende materialen zijn aangetroffen.

  • 7. Het asbestinventarisatierapport bevat foto’s, waaronder per asbesttoepassing ten minste een overzichtsfoto en een detailfoto van de plaats waar het monster genomen is.

  • 8. Het asbestinventarisatierapport bevat de SMART-risicoclassificaties met een verwijzing naar de asbesthoudende materialen, bedoeld in het vijfde lid.

  • 9. Het asbestinventarisatierapport bevat de analysecertificaten.

  • 10. Indien de risicoklasse gebaseerd is op een validatieonderzoek wordt het rapport van dat onderzoek als bijlage opgenomen in het asbestinventarisatierapport.

  • 11. Indien tijdens de asbestinventarisatie asbesthoudend materiaal is aangetroffen dat buiten het toepassingsgebied van deze regeling valt, wordt dit in het asbestinventarisatierapport vermeld met de aanbeveling aan de opdrachtgever tot het uitvoeren van een nader onderzoek.

  • 12. Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt er voor dat het opgestelde asbestinventarisatierapport door de technisch eindverantwoordelijke, bedoeld in artikel 9, wordt gedateerd en ondertekend.

  • 13. Correcties op of toevoegingen aan het asbestinventarisatierapport die plaatsvinden na ondertekening van het asbestinventarisatierapport worden verwerkt en onderbouwd in een herzien asbestinventarisatierapport dat opnieuw wordt ondertekend door een technisch eindverantwoordelijke als bedoeld in artikel 9.

  • 14. In het asbestinventarisatierapport wordt aangegeven dat het rapport drie jaar geldig is na ondertekening.

  • 15. Het asbestinventarisatiebedrijf bewaart een asbestinventarisatierapport en de overige gegevens van de asbestinventarisatie ten minste tien jaar na de ondertekening ervan.

  • 16. Na ondertekening van het asbestinventarisatierapport worden de gegevens van de uitgevoerde asbestinventarisatie ingevoerd en opgeslagen in het LAVS.

Artikel 23. Onderzoek bij melding van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal
  • 1. Indien het asbestinventarisatiebedrijf een melding krijgt over het vermoedelijk aanwezig zijn van asbesthoudend materiaal dat niet gerapporteerd is in een door hem opgesteld asbestinventarisatierapport, onderzoekt het asbestinventarisatiebedrijf of het gemelde asbestverdachte materiaal binnen de reikwijdte van het asbestinventarisatierapport valt.

  • 2. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het gemelde asbestverdachte materiaal niet valt binnen de reikwijdte van het asbestinventarisatierapport, meldt het asbestinventarisatiebedrijf dit schriftelijk aan degene die de melding heeft gedaan en bewaart hij een afschrift van dit schrijven samen met de melding in zijn projectdossier.

  • 3. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat het gemelde asbestverdachte materiaal binnen de reikwijdte van het asbestinventarisatierapport valt, voert het asbestinventarisatiebedrijf een aanvullende asbestinventarisatie uit.

  • 4. Indien uit de aanvullende asbestinventarisatie, bedoeld in het derde lid, blijkt dat sprake is van asbesthoudend materiaal, worden een herzien asbestinventarisatierapport als bedoeld in artikel 22, dertiende lid, en een rapportage met een oorzaakanalyse opgesteld.

  • 5. De rapportage met de oorzaakanalyse bevat ten minste de volgende onderwerpen:

    • a. een analyse van de oorzaak voor het ontbreken van het asbesthoudende materiaal in het oorspronkelijke asbestinventarisatierapport;

    • b. een analyse of het asbesthoudend materiaal al dan niet opgenomen had moeten worden in het oorspronkelijke asbestinventarisatierapport;

    • c. een analyse of het niet rapporteren van het asbesthoudend materiaal een incident betreft of structureel van aard is;

    • d. welke corrigerende maatregelen binnen het asbestinventarisatiebedrijf zijn genomen; en

    • e. op welke wijze en binnen welke termijn de in onderdeel d bedoelde corrigerende maatregelen worden getoetst op effectiviteit.

  • 6. Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat de in het vijfde lid, onderdeel d, bedoelde corrigerende maatregelen effectief zijn.

Paragraaf 5. Eisen procescertificaat asbestverwijderingsbedrijf
Artikel 24. Organisatie
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf is ingeschreven in het handelsregister bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of een buitenlands handelsregister met een hiermee vergelijkbare status.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf realiseert ten minste 70 pakdagen per jaar en heeft ten minste één DTA die werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf beschikt over een verklaring getekend door alle bestuurders van het bedrijf met daarin een actuele beschrijving van de volgende onderdelen:

    • a. de namen en functies van de bestuurders;

    • b. de namen en functies van de leden van de directie;

    • c. indien het bedrijf geen beursgenoteerde naamloze vennootschap is, de namen van de eigenaren of aandeelhouders van het bedrijf; en

    • d. indien van toepassing, het concern waarvan het asbestverwijderingsbedrijf deel uitmaakt.

  • 4. Het asbestverwijderingsbedrijf beschikt over een actueel document waarin het doel en de deskundigheid van het bedrijf zijn vastgelegd.

  • 5. Het asbestverwijderingsbedrijf beschikt over actuele kennis inzake:

    • a. asbesthoudende materialen; en

    • b. verwijderingstechnieken en verwijderingsmethoden.

  • 6. Het asbestverwijderingsbedrijf is verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid voor risico’s die voortvloeien uit zijn werkzaamheden.

Artikel 25. Samenwerking, onverenigbaarheid van functies en uitbesteding
  • 1. Asbestverwijdering wordt niet in combinatie met asbestinventarisatie binnen één onderneming uitgevoerd.

  • 2. De volgende functies worden niet gecombineerd:

    • a. aandeelhouder bij een asbestverwijderingsbedrijf en bij een asbestinventarisatiebedrijf of inspectie-instelling;

    • b. bestuurder bij een asbestverwijderingsbedrijf en bij een asbestinventarisatiebedrijf of inspectie-instelling;

    • c. aandeelhouder bij een asbestverwijderingsbedrijf en bestuurder bij een asbestinventarisatiebedrijf of inspectie-instelling;

    • d. bestuurder bij een asbestverwijderingsbedrijf en aandeelhouder bij een asbestinventarisatiebedrijf of inspectie-instelling; en

    • e. aandeelhouder of bestuurder bij twee asbestverwijderingsbedrijven, tenzij sprake is van een concern en in ieder bedrijf ten minste één DTA werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst en er door elk bedrijf ten minste 880 pakdagen per certificatiejaar worden gerealiseerd.

  • 3. Een aandeelhouder of bestuurder van een asbestverwijderingsbedrijf heeft niet een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of een samenwoningsrelatie met een aandeelhouder of bestuurder van een ander asbestverwijderingsbedrijf, asbestinventarisatiebedrijf of inspectie-instelling.

  • 4. Op een zelfde projectlocatie:

    • a. zijn personen die betrokken zijn bij de asbestverwijdering niet tevens betrokken bij asbestinventarisatie of bij de eindbeoordeling;

    • b. worden geen werkzaamheden verricht als er sprake is van een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder of bestuurder van het asbestverwijderingsbedrijf en een aandeelhouder of bestuurder van het asbestinventarisatiebedrijf; en

    • c. worden geen werkzaamheden verricht als er sprake is van een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder of bestuurder van het asbestverwijderingsbedrijf en een aandeelhouder of bestuurder van het inspectie-instelling.

  • 5. Een asbestverwijderingsbedrijf dat asbestverwijdering uitbesteedt aan een ander asbestverwijderingsbedrijf controleert of dat bedrijf beschikt over een geldig Procescertificaat Asbestverwijdering.

Artikel 26. Personeel
  • 1. De werknemers van het asbestverwijderingsbedrijf die de asbestverwijdering uitvoeren respectievelijk hierop toezicht houden, beschikken over geldige persoonscertificaten DAV-1, DAV-2 respectievelijk DTA.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf heeft een opleidingsplan waarin is vastgelegd met welke opleidingen beoogd wordt de vakbekwaamheid van de werknemers in technische en administratieve zin te waarborgen.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf registreert van elke werknemer diploma’s en certificaten, de werkervaring, de gevolgde opleidingen en de geplande opleidingen.

Artikel 27. DAV-1

Het asbestverwijderingsbedrijf kan een DAV-1 bij asbestverwijdering inzetten indien het asbestverwijderingsbedrijf:

  • a. is geregistreerd als leerbedrijf in het register van leerbedrijven van de beheerstichting;

  • b. de DAV-1 op de projectlocatie onder begeleiding van een DAV-2 of DTA laat werken, waarbij deze DAV-2 of DTA geen andere DAV-1 begeleidt; en

  • c. een mentor heeft aangesteld die is geregistreerd in het register van mentoren van de beheerstichting en die de DAV-1 begeleidt.

Artikel 28. DTA

Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat voor elk asbestverwijderingswerk een DTA wordt benoemd die:

  • a. verantwoordelijk is voor de controle van het werkplan voor het asbestverwijderingswerk, bedoeld in artikel 36, en de acceptatie daarvan door ondertekening;

  • b. voortdurend toezicht houdt op de uitvoering van de werkzaamheden waarbij hij zijn werktaken zo organiseert, dat hij zo nodig voldoende snel kan ingrijpen in het containment en kan optreden bij incidenten of calamiteiten; en

  • c. feitelijk aanwezig is op de projectlocatie tijdens de uitvoering van de asbestverwijdering tot en met de visuele inspectie van de eindbeoordeling. Indien een luchtmeting deel uitmaakt van de eindbeoordeling is de DTA ook gedurende de luchtmeting op de projectlocatie aanwezig of wijst hij een DAV-2 aan die gedurende de luchtmeting op de projectlocatie aanwezig is.

Artikel 29. Overige personen in het werkgebied
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf instrueert personen die niet hoeven te beschikken over een persoonscertificaat DAV-1, DAV-2 of DTA, maar wel in het werkgebied aanwezig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden, niet zijnde asbestverwijderingswerkzaamheden, over de risico’s van het werken met asbest en over beschermende maatregelen tegen blootstelling aan asbest. De instructie gaat ten minste over:

    • a. de veiligheids- en gezondheidsrisico’s bij het werken binnen het werkgebied;

    • b. het gebruik, de werking, de controle en het onderhoud van de arbeidsmiddelen en van persoonlijke beschermingsmiddelen;

    • c. de werkwijze voor het omgaan met asbesthoudende materialen;

    • d. de procedures bij het betreden en verlaten van het werkgebied waaronder de visuele inspectie van de gebruikte apparatuur; en

    • e. de calamiteitenprocedures bij het uitvallen van de filteroverdrukinstallatie en bij storingen van andere arbeidsmiddelen.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf instrueert personen die niet direct betrokken zijn bij de asbestverwijdering, maar wel op de projectlocatie aanwezig zijn ten minste over het verbod om het werkgebied te betreden.

  • 3. Registraties van de ingevolge het eerste lid en tweede lid gegeven instructies zijn op de projectlocatie aanwezig, waarbij de inhoud van de instructie en de namen van degenen die instructie ontvangen hebben zijn vastgelegd.

Artikel 30. Kwaliteitsfunctionaris
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf benoemt een kwaliteitsfunctionaris die verantwoordelijk is voor het beheer van het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 32.

  • 2. De kwaliteitsfunctionaris heeft directe toegang tot de directie van het asbestverwijderingsbedrijf.

Artikel 31. Interne beoordelingen
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf laat ten minste eenmaal per certificatiejaar interne beoordelingen uitvoeren waarbij systematisch wordt gecontroleerd of het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 32, volledig is geïmplementeerd en effectief is.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf laat interne beoordelingen uitvoeren door personen die aantoonbaar beschikken over kennis inzake:

    • a. de gezondheidsrisico’s bij asbest;

    • b. de regelgeving inzake asbest;

    • c. het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen;

    • d. het asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsproces; en

    • e. het kwaliteitssysteem, bedoeld in artikel 32.

Artikel 32. Kwaliteitssysteem
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf heeft een kwaliteitssysteem dat is toegesneden op het werkgebied van de asbestverwijdering en de uitwerking vormt van alle eisen die in deze bijlage aan het asbestverwijderingsbedrijf en zijn werkzaamheden worden gesteld.

  • 2. Het kwaliteitssysteem van het asbestverwijderingsbedrijf is vastgelegd in een kwaliteitshandhoek dat ten minste de volgende elementen bevat:

    • a. een beschrijving van de rechtsvorm van het asbestverwijderingsbedrijf;

    • b. een directieverklaring met de uitgangspunten en doelstellingen van het kwaliteitsbeleid;

    • c. een beschrijving van het werkveld en de competenties van het asbestverwijderingsbedrijf;

    • d. een organogram van het asbestverwijderingsbedrijf;

    • e. indien van toepassing, informatie over de positie van de inspectie-instelling binnen het concern;

    • f. de functiebeschrijvingen en de vervangingsregelingen van ten minste:

      • 1°. de leden van de directie;

      • 2°. de DTA, bedoeld in artikel 28;

      • 3°. de DAV-1, bedoeld in artikel 27;

      • 4°. de DAV-2;

      • 5°. de kwaliteitsfunctionaris, bedoeld in artikel 30;

    • g. de procedures voor het beheer van de kwaliteitsdocumenten en kwaliteitsregistraties;

    • h. de procedures voor interne beoordelingen;

    • i. de procedures inzake inkoop en afnamecontroles, bedoeld in artikel 35;

    • j. de beschreven veiligheidsinstructies;

    • k. de procedures voor afhandeling van afwijkingen en opvolging van corrigerende maatregelen; en

    • l. de procedures voor het uitvoeren van een directiebeoordeling van het kwaliteitssysteem.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf draagt er zorg voor dat:

    • a. de opgestelde procedures en instructies, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g tot en met l, worden gevolgd;

    • b. de actuele versies van de kwaliteitsdocumenten voor de werknemers beschikbaar zijn;

    • c. de veranderingen van of toevoegingen aan kwaliteitsdocumenten zijn voorzien van een autorisatie van de kwaliteitsfunctionaris, bedoeld in artikel 30;

    • d. de vervallen kwaliteitsdocumenten worden apart bewaard; en

    • e. de kwaliteitsdocumenten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 4. De directie van het asbestverwijderingsbedrijf beoordeelt ten minste eenmaal per certificatiejaar het kwaliteitssysteem op zijn effectiviteit, waarbij:

    • a. toetsingen die zijn uitgevoerd door één of meerdere personen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, de basis vormen voor de beoordeling van het kwaliteitssysteem door de directie van het asbestverwijderingsbedrijf; en

    • b. deze personen een onafhankelijke positie hebben ten opzichte van de door hen beschouwde onderdelen van het kwaliteitssysteem of personen.

  • 5. De resultaten van de beoordeling van het kwaliteitssysteem door de directie van het asbestverwijderingsbedrijf worden vastgelegd.

Artikel 33. Faciliteiten en arbeidsmiddelen
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf beschikt over passende faciliteiten en arbeidsmiddelen voor alle uit te voeren werkzaamheden.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf stelt aan de werknemers de faciliteiten en arbeidsmiddelen ter beschikking die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een asbestverwijdering.

  • 3. De arbeidsmiddelen voor de uitvoering van de asbestverwijdering verkeren in goede staat.

  • 4. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de arbeidsmiddelen die worden ingezet bij het verwijderen van asbest geschikt zijn voor de functie waarvoor ze worden ingezet.

  • 5. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de arbeidsmiddelen voor het uitvoeren van asbestverwijdering naar behoren worden gebruikt en worden onderhouden.

  • 6. De keuring van de arbeidsmiddelen die op basis van hoofdstuk 7 van het besluit ter beschikking gesteld worden voor asbestverwijdering vindt plaats overeenkomstig de criteria en frequentie van bijlage 1.

  • 7. De binnen het werkgebied aanwezige arbeidsmiddelen met een cabine zijn voorzien van een filteroverdrukinstallatie.

Artikel 34. Persoonlijke beschermingsmiddelen
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf draagt er zorg voor dat in aanvulling op de algemene verplichtingen inzake persoonlijke beschermingsmiddelen op grond van hoofdstuk 8, afdeling 1, van het besluit aan de volgende eisen is voldaan:

    • a. de DAV-1, DAV-2 en DTA beschikken over en maken gebruik van een adembeschermingsmiddel van het juiste model en de goede maat;

    • b. de DAV-1, DAV-2 en DTA voeren aantoonbaar één keer per certificatiejaar met een volgelaatsmasker een erkende facefit-test uit volgens de Operational Circular 282/28 – Fit Testing Of Respiratory Protective Equipment Facepieces;

    • c. op de projectlocatie is het facefit-testcertificaat van de DAV-1, DAV-2 en DTA beschikbaar;

    • d. de resultaten van de facefit-test worden in het personeelsdossier van de DAV-1, DAV-2 en DTA bewaard;

    • e. de DAV-1, DAV-2 en DTA hebben deelgenomen aan deel 1 van het online-instructieprogramma adembescherming en binnen twaalf weken daarna het certificaat behaald;

    • f. de DAV-1, DAV-2 en DTA onderhouden de adembeschermingsmiddelen goed onderhouden en houden ze goed schoon; en

    • g. het certificaat van deelname aan het online-instructieprogramma is op de projectlocatie beschikbaar.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf controleert of de DAV-1, DAV-2 en DTA hun persoonlijke beschermingsmiddelen overeenkomstig de instructie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, gebruiken.

Artikel 35. Inkoop en afnamecontroles

Een asbestverwijderingsbedrijf beschikt over beschreven procedures met betrekking tot:

  • a. de keuze van gekwalificeerde leveranciers van producten en diensten die voor de asbestverwijdering van belang zijn; en

  • b. de controle van bepaalde categorieën van ingekochte producten of diensten die voor de asbestverwijdering van belang zijn.

Artikel 36. Werkplan

Het asbestverwijderingsbedrijf stelt voor het begin van het asbestverwijderingswerk een werkplan op dat is toegespitst op de uit te voeren asbestverwijderingswerkzaamheden:

  • a. dat voldoet aan de eisen uit artikel 4.50, vierde lid, van het besluit;

  • b. waarin de beschreven verwijderingstechnieken overeenkomen met die uit het asbestinventarisatierapport; en

  • c. waarin de best bestaande technieken om emissie van asbestvezels naar de lucht zoveel mogelijk te voorkomen zijn beschreven en hoe deze worden toegepast.

Artikel 37. Afwijkende werkmethoden
  • 1. Indien bij de uit te voeren asbestverwijderingswerkzaamheden sprake is van ernstige risico’s die niet aan asbest zijn gerelateerd, is een andere werkmethode dan de werkmethode die is opgenomen in het inventarisatierapport uitsluitend toegestaan na goedkeuring van een gecertificeerde hogere veiligheidskundige als bedoeld in artikel 2.15 van de Arbeidsomstandighedenregeling of een gecertificeerd arbeidshygiënist als bedoeld in artikel 2.16 van de Arbeidsomstandighedenregeling in het bezit van Diploma-ADK of certificaat Asbestdeskundige (ADK) of een diploma of certificaat waaruit een gelijkwaardig asbestkennisniveau blijkt.

  • 2. De gecertificeerde hogere veiligheidskundige of de gecertificeerde arbeidshygiënist motiveert schriftelijk waarom de afwijkende werkmethode nodig en verantwoord is, gelet op risico’s die niet asbestgerelateerd zijn.

  • 3. Een afschrift van de schriftelijke motivatie, bedoeld in het tweede lid, is aanwezig op de projectlocatie.

  • 4. Bij toepassing van een afwijkende werkmethode mag niet worden afgeweken van de risicoklasse-indeling uit het asbestinventarisatierapport.

Artikel 38. Vereiste documenten bij de asbestverwijdering

Het asbestverwijderingsbedrijf draagt er zorg voor dat voor de aanvang van en tijdens de asbestverwijdering de volgende documenten op de projectlocatie aanwezig zijn:

  • a. een afschrift van de sloopmelding, bedoeld in artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012;

  • b. het geldige asbestinventarisatierapport, bedoeld in artikel 22, dat betrekking heeft op de te verrichten asbestverwijdering;

  • c. het werkplan, bedoeld in artikel 36, aangevuld met een risico-inventarisatie en evaluatie die betrekking hebben op de te verrichten asbestverwijdering en de omstandigheden op de projectlocatie; en

  • d. het logboek en overige relevante documenten.

Artikel 39. Controle voor begin van het asbestverwijderingswerk
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de DTA voor het begin van het asbestverwijderingswerk:

    • a. controleert of alle in artikel 38 bedoelde documenten op de projectlocatie aanwezig zijn; en

    • b. waarborgt dat het werkplan aansluit bij de aangetroffen situatie op de projectlocatie.

  • 2. De resultaten van de in het eerste lid genoemde controles worden door de DTA in het logboek geregistreerd.

Artikel 40. Melding
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf meldt uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan de werkzaamheden de begintijd, de eindtijd en de werktijden waarop de asbestverwijdering plaatsvindt in het LAVS.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf meldt wijzigingen van de begintijd, de eindtijd of werktijden van de asbestverwijdering onmiddellijk in het LAVS.

  • 3. Bij een calamiteit die noodzaakt tot directe asbestverwijdering:

    • a. mag, in afwijking van het eerste lid, zonder voorafgaande melding direct met de asbestverwijdering worden begonnen;

    • b. vindt de melding in het LAVS zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen 24 uur na het begin van het asbestverwijderingswerk plaats; en

    • c. wordt bij de melding aangegeven wat de noodzaak is voor een spoedsanering.

  • 4. Indien de asbestverwijderingswerkzaamheden uitgevoerd worden in een lagere risicoklasse die het gevolg is van validatieonderzoek, dan wordt dit in het LAVS opgenomen.

Artikel 41. Toezicht door de DTA tijdens asbestverwijdering
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de DTA tijdens de asbestverwijdering op de projectlocatie controleert, waarborgt en toezicht houdt dat:

    • a. de asbestgerelateerde arbeidsmiddelen goed functioneren en zijn voorzien van een geldig keuringsbewijs;

    • b. inzake medisch onderzoek wordt voldaan aan artikel 4.10a en artikel 4.52 van het besluit;

    • c. de getroffen beschermingsmaatregelen passen bij de risicoklasse waarin wordt gewerkt;

    • d. de personen die het asbest verwijderen in het bezit zijn van het persoonscertificaat DAV-1 of DAV-2 of het persoonscertificaat DTA;

    • e. de personen die het asbest verwijderen:

      • 1°. werken met een schoon adembeschermingsmiddel;

      • 2°. werken met een passend adembeschermingsmiddel;

      • 3°. in het bezit zijn van een facefit-testcertificaat; en

      • 4°. werken met andere beschermingsmiddelen, waaronder in ieder geval beschermende kleding en veiligheidsschoeisel;

    • f. de personen die het asbest verwijderen aantoonbaar zijn geïnstrueerd over de uit te voeren werkzaamheden, de hieraan verbonden risico’s en de taakverdeling;

    • g. een adequate decontaminatie van personen en arbeidsmiddelen plaatsvindt overeenkomstig de SCi-directe decontaminatie respectievelijk de SCi-indirecte decontaminatie;

    • h. het werkgebied en het containment voldoen aan de eisen die hieraan zijn gesteld in het werkplan, bedoeld in artikel 36;

    • i. de veiligheidsmaatregelen die in het werkplan zijn voorgeschreven passend zijn uitgevoerd en resulteren in een beheerste situatie;

    • j. de asbestverwijdering wordt uitgevoerd overeenkomstig het werkplan; en

    • k. onbevoegden het werkgebied niet betreden.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de DTA tijdens de asbestverwijdering op de projectlocatie de in het eerste lid genoemde controles in het logboek registreert.

Artikel 42. Aantreffen van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf meldt een vermoeden van de aanwezigheid van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal direct aan:

    • a. de opdrachtgever; en

    • b. het asbestinventarisatiebedrijf dat het asbestinventarisatierapport voor de projectlocatie heeft opgesteld.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf voert geen werkzaamheden aan het asbestverdachte materiaal uit totdat het asbestinventarisatierapport is bijgewerkt en het werkplan hierop is aangepast.

  • 3. Indien er sprake is van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal, meldt het asbestverwijderingsbedrijf dit zo snel mogelijk:

    • a. schriftelijk aan de certificerende instelling die het procescertificaat heeft verstrekt aan het asbestinventarisatiebedrijf dat de oorspronkelijke asbestinventarisatie heeft uitgevoerd;

    • b. schriftelijk aan het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.26, achtste lid, van het Bouwbesluit 2012; en

    • c. in het LAVS.

Artikel 43. Asbestverwijdering
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf draagt er zorg voor dat voor het begin van de werkzaamheden het werkgebied wordt afgebakend, door ten minste:

    • a. het aanbrengen van waarschuwingsborden met de tekst asbestgevaar op plaatsen die toegang bieden aan het werkgebied;

    • b. het aanbrengen van een afzetlint met een asbestgevaaraanduiding rondom het werkgebied om zeker te stellen dat onbevoegde personen het werkgebied niet kunnen betreden; en

    • c. daar waar alleen een afzetlint hiertoe niet voldoende is het nemen van aanvullende maatregelen.

  • 2. De werkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig de risicoklasse en werkwijze die zijn vastgelegd in het asbestinventarisatierapport en het werkplan.

  • 3. Indien een containment wordt toegepast, worden besloten en afgeschermde ruimten op de juiste onderdruk beproefd. Het containment voldoet aan de volgende eisen:

    • a. een containment is zodanig stevig opgebouwd dat dit ten minste bestand is tegen de voorgeschreven minimale onderdruk van 20 Pascal;

    • b. een containment is zodanig afgeschermd van de omliggende ruimten dat asbestvezelemissie naar die ruimten wordt voorkomen, ook bij wegvallen van de onderdruk;

    • c. het ventilatievoud is ten minste 6;

    • d. tijdens de asbestverwijdering wordt in het containment een onderdruk van ten minste 20 Pascal in stand gehouden. Indien er geen saneringsactiviteiten worden uitgevoerd mag de onderdruk worden verlaagd naar ten minste 10 Pascal met een ventilatievoud van ten minste 4, mits daarvoor een gegronde reden bestaat en deze reden in het werkplan beschreven is;

    • e. de onderdruk in het containment wordt continu gemeten en continu geregistreerd;

    • f. er is een drietraps decontaminatie-unit aan het containment gekoppeld. Uitsluitend indien er geen ruimte beschikbaar is voor een drietraps decontaminatie-unit wordt een tweetraps decontaminatie-unit aan het containment gekoppeld waarbij de schone ruimte vervalt. Als er ook geen ruimte beschikbaar is voor de plaatsing van een tweetraps decontaminatie-unit, mag gebruik worden gemaakt van een transit-sluis in combinatie met de transitprocedure. De motivatie voor gebruik van een tweetraps decontaminatie-unit of van de transit-sluis moet in het werkplan zijn vastgelegd; en

    • g. indien bij aanvang van of tijdens de asbestverwijderingswerkzaamheden niet voldaan wordt aan de eis van 20 Pascal onderdruk worden de werkzaamheden niet aangevangen of worden zij gestaakt en worden de oorzaken opgespoord en maatregelen genomen voordat de asbestverwijderingswerkzaamheden worden begonnen of hervat. Indien deze maatregelen nog steeds niet leiden tot een onderdruk van ten minste 20 Pascal kan, alleen indien de certificaathouder kan aantonen dat 20 Pascal technisch niet uitvoerbaar is, van deze eis worden afgeweken, mits dit is vastgelegd en is gemotiveerd in het logboek.

  • 4. Bij verwijdering van asbesthoudend materiaal wordt emissie zo veel mogelijk voorkomen door bronmaatregelen te treffen, waarbij in ieder geval:

    • a. daar waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van demontage waardoor breuk van een asbesttoepassing wordt voorkomen;

    • b. daar waar breuk van een asbesttoepassing niet voorkomen kan worden, bronafzuiging wordt toegepast; en

    • c. daar waar sprake is van niet hechtgebonden asbesttoepassingen of van ernstig verweerde hechtgebonden asbesttoepassingen de te verwijderen toepassing voor verwijdering geïmpregneerd wordt met een voor asbestsanering geschikt middel totdat de niet-hechtgebonden toepassing verzadigd is.

  • 5. Indien ondanks alle genomen maatregelen verwacht wordt dat de grenswaarde kan worden overschreden, wordt de blootstelling van de persoon beperkt door duur van de handeling te verkorten zodat de uiteindelijke blootstelling onder de grenswaarde blijft.

  • 6. Tijdens de verwijdering van spuitasbest dat in risicoklasse 2A is ingedeeld wordt de asbestvezelconcentratie buiten het containment gemeten en wordt de asbestvezelconcentratie in het containment gemeten volgens de methode in de NEN 2939.

  • 7. Arbeidsmiddelen die in het werkgebied aanwezig zijn geweest worden, voordat zij het werkgebied verlaten, ontdaan van asbestverdacht materiaal of als asbesthoudend afval behandeld.

  • 8. In aanvulling op het zevende lid geldt dat arbeidsmiddelen die in het containment aanwezig zijn geweest, voordat zij het containment verlaten, stofvrij gemaakt worden.

  • 9. Met asbest verontreinigd water wordt voor lozing gefilterd via een filtersysteem met een filterelement met een filterdoorlaat van ten hoogste 5 micron.

  • 10. Onverminderd artikel 42, tweede lid, is afwijken van het werkplan uitsluitend toegestaan indien:

    • a. blijvend wordt voldaan aan deze paragraaf; en

    • b. de afwijkingen worden geregistreerd in het logboek.

Artikel 44. Verpakken en opslaan
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat:

    • a. het asbesthoudende materiaal zo spoedig mogelijk wordt verpakt in een niet-luchtdoorlatende verpakking van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt;

    • b. de verpakking wordt voorzien van aanduidingen overeenkomstig artikel 7 van het Productenbesluit asbest;

    • c. verwijdering van het verpakte asbesthoudend materiaal uit het containment geschiedt via een materiaalsluis;

    • d. voordat het verpakte asbesthoudende materiaal uit het werkgebied wordt verwijderd de verpakking wordt gereinigd; en

    • e. het verpakte asbesthoudend materiaal buiten het werkgebied wordt opgeslagen op een alleen voor bevoegde personen toegankelijke locatie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan bij verwijdering van verpakt asbesthoudend materiaal uit een containment gebruik worden gemaakt van de decontaminatie-unit indien uit het inventarisatierapport en het werkplan blijkt dat de totale hoeveelheid van het uit het containment te verwijderen asbesthoudend materiaal minder weegt dan 100 kg en het asbesthoudende materiaal verpakt wordt in handzame pakketten van maximaal 25 kg per stuk.

  • 3. Indien het te verwijderen asbesthoudende materiaal een dusdanige omvang heeft dat het niet via de materiaalsluis kan worden afgevoerd, mag het in afwijking van het eerste lid, onderdeel c en e, in het containment blijven, mits het materiaal inspecteerbaar is en zowel het containment als het asbesthoudende materiaal volledig door de instelling die de eindbeoordeling uitvoert kunnen worden geïnspecteerd.

Artikel 45. Eindbeoordeling
  • 1. De eindbeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, eerste en tweede lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de artikelen 4.51a en 4.53c van het besluit.

  • 2. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de voor de inspectie noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen in het werkgebied in stand blijven en stelt voor de eindbeoordeling arbeidsmiddelen beschikbaar totdat het werkgebied is vrijgegeven door de inspectie-instelling.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat de DTA controleert en waarborgt dat:

    • a. het werkgebied gereed is voor de eindbeoordeling door de inspectie-instelling; en

    • b. de rapportage van de eindbeoordeling door de inspectie-instelling is ondertekend.

  • 4. Na een afkeur van het werkgebied door de inspectie-instelling registreert de DTA in het logboek welke aanvullende maatregelen zijn genomen voordat de eindbeoordeling opnieuw door die inspectie-instelling wordt uitgevoerd. Ook in geval de inspectie-instelling een eenvoudige visuele afwijking constateert conform de NEN 2990, registreert de DTA in het logboek welke aanvullende maatregelen zijn genomen.

Artikel 46. Transport asbesthoudend afval
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt er voor dat asbesthoudend afval wordt afgevoerd naar een ontvanger, een inrichting zijnde een stortplaats of inrichting ten behoeve van tussenopslag, die daarvoor een omgevingsvergunning of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2. Het vervoer van het asbesthoudend afval vindt plaats door een geregistreerde vervoerder en of inzamelaar van afvalstoffen als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf verstrekt voordat het asbesthoudend afval wordt afgevoerd een omschrijving van de afvalstof aan de ontvanger, voor zover de ontvanger meldingsplichtig is op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen, en vraagt bij de ontvanger een afvalstroomnummer aan als de ontvangende inrichting ontvangstmeldingsplichtig is op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

  • 4. Indien asbesthoudend afval van verschillende projectlocaties wordt samengevoegd in een containers, wordt door het asbestverwijderingsbedrijf een registratie bijgehouden waaruit blijkt van welke projectlocaties het asbest in de desbetreffende container afkomstig is en de hoeveelheden hiervan geregistreerd en verifieerbaar zijn op basis van het inventarisatierapport.

Artikel 47. Afronding asbestverwijderingswerk
  • 1. Het asbestverwijderingsbedrijf draagt na een positieve eindbeoordeling door de inspectie-instelling van het werkgebied zorg voor:

    • a. de verwijdering van alle gebruikte arbeidsmiddelen;

    • b. de laatste controle van de projectlocatie;

    • c. het vastleggen van de laatste controle in het logboek; en

    • d. de completering en archivering van het projectdossier.

  • 2. De gegevens inzake de herkomst, de transporteur en de ontvanger van het verpakte asbesthoudende afval worden geregistreerd op het begeleidingsbiljet.

  • 3. Het asbestverwijderingsbedrijf bewaart de inspectierapportage van de eindbeoordeling, een kopie van het begeleidingsbiljet, de documenten met betreffende stortgegevens waaronder het gewicht van het afgevoerde asbest en, indien van toepassing, het door de stortplaats afgetekende projectregister ten minste vijf jaar.

  • 4. Het asbestverwijderingsbedrijf overhandigt bij oplevering van het asbestverwijderingswerk een kopie van de inspectierapportage van de eindbeoordeling en een kopie van de documenten met betreffende stortgegevens waaronder het gewicht van het afgevoerde asbest aan de opdrachtgever.

  • 5. Het asbestverwijderingsbedrijf voert het begeleidingsbiljet en de documenten met betreffende stortgegevens waaronder het gewicht van het afgevoerde asbest binnen twee weken na de eindbeoordeling in het LAVS.

Paragraaf 6. Overgangsbepalingen
Artikel 48. Overgangsbepalingen
  • 1. Een asbestinventarisatiebedrijf of asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over een Procescertificaat Asbestinventarisatie respectievelijk een Procescertificaat Asbestverwijdering dat is afgegeven voor 1 maart 2017, kan gedurende de looptijd van zijn certificaat zijn activiteiten blijven uitoefenen, mits met ingang van 1 maart 2017 wordt voldaan aan de eisen van grond van deze bijlage.

  • 2. Indien een certificaathouder voor 1 maart 2017 ten behoeve van een bepaald project werkzaamheden inzake asbestinventarisatie is gestart, gelden ten aanzien van dat project de eisen op basis van bijlage XIIIa zoals deze luidden op 28 februari 2017.

  • 3. Indien een certificaathouder voor 1 maart 2017 ten behoeve van een bepaald project werkzaamheden inzake asbestverwijdering heeft gemeld, gelden ten aanzien van dat project de eisen op basis van bijlage XIIIb zoals deze luidden op 28 februari 2017.

  • 4. Wanneer sprake is van een certificatiejaar dat doorloopt op of na 1 maart 2017 worden de afwijkingen van een certificaathouder die in dat certificatiejaar tot en met 28 februari 2017 zijn geconstateerd, in aanmerking genomen bij de beoordeling wanneer op of na 1 maart 2017, maar voor het einde van het certificatiejaar, nog een of meer afwijkingen worden geconstateerd.

  • 5. De certificerende instellingen informeren de certificaathouders over de gevolgen die de inwerkingtreding met ingang van 1 maart 2017 van deze bijlage heeft of kan hebben voor een individuele certificaathouder wanneer:

    • a. het certificaat van een certificaathouder ten tijde van de inwerkingtreding is ingetrokken;

    • b. het certificaat van een certificaathouder ten tijde van de inwerkingtreding geschorst is, of

    • c. bij een certificaathouder tijdens het op 1 maart 2017 lopende certificaatjaar afwijkingen zijn geconstateerd.

  • 6. Indien de positie van de certificaathouder op basis van de met ingang van 1 maart 2017 geldende regelgeving gunstiger is dan op basis van de tot en met 28 februari 2017 geldende bijlage XIIIa en XIIIb, worden de met ingang van 1 maart 2017 geldende bepalingen van deze bijlage toegepast.

  • 7. De certificerende instellingen voeren gezamenlijk overleg over de wijze waarop zij de in het vijfde lid bedoelde informatie verstrekken en zorgen voor onderlinge afstemming.

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 33, ZESDE LID, VAN BIJLAGE XIIIA VAN DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDENREGELING

Nr.

Arbeidsmiddelen

Keuringsgrondslag, c.q. -criteria en controle

Keuringsfrequentie

1.

Omgevingslucht

(on-) afhankelijk adembeschermingsmiddel (ABM, O-ABM)

Keuring op geboden bescherming tegen asbestvezels waarbij in ieder geval gelet wordt op pasvorm, beschadigingen, hoofdbanden, vizier, ademcapaciteit, weerstand in- en uitblaasventielen, ademautomaat, trekbeveiliging koppelstuk, luchtslangen, luchtopbrengst (min. 120, resp. 160 l/min. p.p. bij afhankelijke ABM en min. 300 l/min. p.p. plus 150 l/min. voor elke extra persoon bij 6 – 8 Bar bij onafhankelijke ABM), accu, duurtest accu (6 h) en motorunit volgens NEN-EN 132 t/m 144 en NEN-EN 12942.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

2.

Mobiele decontaminatie-unit

• legionella volgens een specifiek beheersplan;

• eindbeoordeling van tenminste de ‘vuile’ ruimte met visuele controle en minimaal één luchtmeting door een door de RvA geaccrediteerde inspectie-instelling en geaccrediteerd laboratorium;

• de goede werking van de afscheidingen tussen de drie compartimenten en de deuren naar containment en naar buiten;

• onderdrukventilatie met een minimaal ventilatievoud van 12 van de inhoud van de natte cel (minimaal 20 Pascal in de ‘vuile’ ruimte), waarbij de ventilatie zigzaggend en diagonaal van boven naar beneden (of andersom) van de schone naar de ‘vuile’ ruimte plaatsvindt;

• gas-, verwarmingskeuring volgens GIVEG;

• de inrichting, dat met asbest vervuild water wordt opgevangen en gefilterd met een juist waterfilter(systeem), eindigend met een filtertrap met 5 micron poriëndiameter;

• de wagen volgens eisen Rijksdienst voor het Wegverkeer.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

3.

Watermanagement-

systeem

• legionella volgens een specifiek beheersplan (bij boiler-/doorstroomsystemen, facultatief bij volledige leeg-/droogloopsystemen);

• functionaliteit verwarmingsinstallatie;

• de inrichting, dat met asbest vervuild water wordt opgevangen en gefilterd met een juist waterfilter(systeem), eindigend met een filtertrap met 5 micron poriëndiameter.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

4.

Asbeststofzuigsysteem

• HEPA-filter moet voldoen aan NEN-EN 1822, filterklasse H13 of H14;

• HEPA-filter vervangen indien de lekdichtheid in de machine niet voldoet (uit te voeren met een photometer), of het volumedebiet van de machine door vervuiling van het filter is gereduceerd tot 75% of minder van de fabriekswaarde;

• rendementstest.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

5.

Onderdrukmonitor/-meter

Kalibratie volgens DIN 16086

Minimaal 1 keer per 12 maanden

6.

Onderdrukventilatie-

machine (waaronder ook die van decontaminatie-units, overdrukcabines en droge stoffen zuiginstallaties / wagens)

• HEPA-filter moet voldoen aan NEN-EN 1822, filterklasse H13 of H14; het filter moet aan de belastbare zijde voorzien zijn van metalen beschermingsstrippen/-rooster;

• HEPA-filter vervangen indien de lekdichtheid in de machine niet voldoet (uit te voeren met een photometer), of het volumedebiet van de machine door vervuiling van het filter is gereduceerd tot 75% of minder van de fabriekswaarde;

• controle op optredende luchtverplaatsing aan maximaal toelaatbare luchtverplaatsing voor het betreffende filter in m3/h = filteroppervlak (m2) x 3600 (sec./h) x toelaatbare filtersnelheid (m/sec);

• rendementstest en keuringen volgens NEN 50110-1;

• functionaliteitscontrole traploze regeling, urenteller e.d., waar van toepassing.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

7.

Overdrukcabines / -machines

• capaciteitstesten volgens NEN-EN 1822 1 t/m 5;

• in de cabine moet een overdruk van 100-300 Pascal heersen (50 Pascal voor machines van vóór 1997);

• koolwaterstofmeting < 5 ppm bij een meetperiode van minimaal 60 seconden;

• luchtopbrengst tussen de 40 en 120 m3/h;

• controleren plaats uitlaat, zodat geen gassen kunnen worden aangezogen;

• controleren dat de aangezogen lucht alleen via de filters kan toestromen;

• controleren automatische opstart, optische en akoestische signalering;

• bij de machine met overdrukcabine moet een filterlogboek aanwezig zijn, waarin staat aangegeven, welke filters aanwezig zijn en of deze op tijd zijn gewisseld.

Minimaal 1 keer per 12 maanden

C

Bijlage XIIIb, behorend bij artikel 4.27, vervalt.

D

Bijlage XIIIc, behorend bij artikel 4.27, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12. Onderzoek inzake vermeende afwijkingen door certificaathouder

  • 1. De certificerende instelling onderzoekt naar aanleiding van een melding van een certificerende instelling voor het Procescertificaat Asbestverwijdering dan wel van een toezichthoudende overheidsinstelling, of een certificaathouder niet voldoet of voldaan heeft aan of één meer bepalingen opgenomen in bijlage 1 en daarmee sprake is van een of meer afwijkingen.

  • 2. De certificerende instelling stelt binnen een week na ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid, een onderzoek in.

  • 3. De certificerende instelling rondt het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen twee weken af met het vaststellen van haar conclusie ter zake en indien die conclusie inhoudt dat sprake is van een of meer afwijkingen, de bepaling van de sanctie die zij overeenkomstig artikel 12a voornemens is te treffen.

  • 4. De certificerende instelling registreert de meldingen, bedoeld in het eerste lid, de conclusies van de verrichte onderzoeken en de sancties die zijn getroffen.

2. Na artikel 12 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 12a. Bepalen van de sancties

  • 1. Indien de certificaathouder niet voldoet aan of voldaan heeft aan een of meer bepalingen die in bijlage 1 zijn opgenomen is sprake van een afwijking en wordt het persoonscertificaat van de certificaathouder door de certificerende instelling voorwaardelijk geschorst voor ten hoogste 90 dagen, onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen of ingetrokken.

  • 2. Het persoonscertificaat wordt voorwaardelijk geschorst voor ten hoogste 90 dagen in geval van één geconstateerde afwijking van categorie II naar aanleiding van een beoordeling op een projectlocatie.

  • 3. Wanneer een persoonscertificaat voorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder werkzaamheden blijven verrichten waarvoor het bezit van een geldig persoonscertificaat verplicht is.

  • 4. Indien de houder van het persoonscertificaat dat voorwaardelijk is geschorst binnen uiterlijk twee dagen voor afloop van de duur van de opgelegde voorwaardelijke schorsing aan de certificerende instelling heeft aangetoond adequate corrigerende maatregelen te hebben genomen en de certificerende instelling heeft vastgesteld dat deze adequaat zijn, bevestigt de certificerende instelling zulks aan de certificaathouder.

  • 5. Het persoonscertificaat wordt onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen, indien:

    • a. de certificerende instelling een categorie I afwijking constateert;

    • b. de certificerende instelling binnen een periode van één jaar na constatering van een categorie II-afwijking opnieuw een categorie II-afwijking constateert; of

    • c. de certificaathouder waarvan het persoonscertificaat voorwaardelijk is geschorst niet uiterlijk twee dagen voor afloop van de duur van de opgelegde voorwaardelijke schorsing aan de certificerende instelling heeft aangetoond adequate corrigerende maatregelen te hebben genomen.

  • 6. Wanneer een persoonscertificaat onvoorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder geen werkzaamheden verrichten waarvoor het bezit van een geldig persoonscertificaat verplicht is.

  • 7. Het persoonscertificaat wordt ingetrokken indien:

    • a. de certificaathouder tijdens een onvoorwaardelijke schorsing van zijn persoonscertificaat werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor een geldig persoonscertificaat vereist is;

    • b. de certificaathouder van wie het persoonscertificaat onvoorwaardelijk is geschorst niet uiterlijk twee dagen voor afloop van de onvoorwaardelijke schorsing aan de certificerende instelling heeft aangetoond het examen op basis waarvan het certificaat was verstrekt opnieuw te hebben gedaan en met goed gevolg te hebben afgesloten; of

    • c. binnen twee jaar na de aanvangsdatum van een onvoorwaardelijke schorsing van het persoonscertificaat van een certificaathouder opnieuw gronden bestaan voor een onvoorwaardelijke schorsing van zijn persoonscertificaat.

Artikel 12b. Procedure bij afwijkingen

  • 1. De certificerende instelling zendt de certificaathouder binnen een zeven kalenderdagen na afronding van het onderzoek, bedoeld in artikel 12, eerste lid, de door haar getrokken conclusie.

  • 2. Indien de conclusie, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een sanctie als bedoeld in artikel 12a, tweede, vijfde of zevende lid, stelt de certificerende instelling de certificaathouder bij die conclusie in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van die conclusie zijn zienswijze in te dienen op dat voornemen tot het treffen van een sanctie.

  • 3. De certificerende instelling zendt de certificaathouder zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zeven kalenderdagen na de termijn, genoemd in het tweede lid, haar besluit omtrent het al dan niet treffen van een sanctie.

3. Artikel 20, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. in het bezit is van een geldig DAV-1 certificaat dat op de datum van het afleggen van het examen geldig is of dan niet langer dan drie maanden verlopen is en de aanvrager, waarbij de aanvrager het praktijkervaringsdeel in een bedrijf met het procescertificaat asbestverwijdering heeft uitgevoerd, en dit aantoonbaar is:

    • 1°. door middel van tijdens de asbestverwijderingswerkzaamheden verkregen logboekregistraties voor ten minste 240 pakuren; en

    • 2°. door een volledig ingevulde DAV-1 opdrachtenset.

4. Na artikel 36 wordt het volgende artikel ingevoegd.

Artikel 37. Overgangsregelingen in verband met wijzigingen per 1 maart 2017

  • 1. Voor meldingen die door een certificerende instelling procescertificaat of door een toezichthoudende overheidsinstelling zijn gedaan voor 1 maart 2017 blijven de bepalingen van bijlage XIIIc, zoals deze luidden op 28 februari 2017, van toepassing.

  • 2. De certificerende instellingen informeren de certificaathouders over de gevolgen die de inwerkingtreding met ingang van 1 maart 2017 van de artikelen 12, 12a en 12b heeft of kan hebben voor een individuele certificaathouder wanneer:

    • a. het certificaat van een certificaathouder ten tijde van de inwerkingtreding is ingetrokken; of

    • b. het certificaat van een certificaathouder ten tijde van de inwerkingtreding geschorst is.

5. Aan de bijlage wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 12 EN 12A TOETSTERMEN, ARTIKELEN EN BIJBEHORENDE CATEGORIE AFWIJKINGEN

DTA eindterm uit bijlage XIIIc

DAV-2 toetsterm uit bijlage XIIIc

DAV-1 toetsterm uit bijlage XIIIc

Artikel uit bijlage XIIIa

Categorie afwijking DTA

Categorie afwijking DAV, DAV-1, DAV-2

Art. 30.b

NVT

NVT

28.b

II

NVT

Art. 30.b

NVT

NVT

28.c

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

Art. 22 lid 3.10

Art. 17 lid 3.10

34.1.a

I of II*

I

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

34.1.f

II

NVT

Art. 29 lid 2.d

NVT

NVT

41.1.d

II

NVT

Art. 29 lid 2.d

Art. 22 lid 3.10

Art. 17 lid 3.10

41.1.e

II**

II

Art. 29 lid 2.d

Art. 22 lid 1.13

Art. 17 lid 1.13

41.1.g

I of II*

I

Art. 29 lid 2.d

NVT

NVT

41.1.h

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.1.a-c

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.2

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.3.a-g

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

Art. 22 lid 3.6

Art. 17 lid 3.6

43.4.a-c

I of II*

I

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.7

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.8

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

43.9

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

44.1.d

II

NVT

Art. 29 lid 2.a

NVT

NVT

45.2

II

NVT

* categorie I indien de afwijking wordt geconstateerd bij de DTA, categorie II indien de afwijking wordt geconstateerd bij de DAV

** categorie II indien de afwijking ook wordt geconstateerd bij de DTA

E

Bijlage XIIIe, behorend bij artikel 4.28, komt te luiden:

BIJLAGE XIIIE, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4.28

Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing van en Toezicht op certificerende instellingen die Procescertificaten Asbestinventarisatie en Procescertificaten Asbestverwijdering afgeven.

Paragraaf 1. Definities en afkortingen
Artikel 1. Definities en afkortingen

In deze bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Aanvrager:

bedrijf dat bij een certificerende instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een Procescertificaat Asbestinventarisatie of een Procescertificaat Asbestverwijdering;

Asbestverontreiniging:

asbesthoudend stof of restanten asbesthoudend materiaal;

Asbesttoepassing:

asbesthoudende producten of asbestverontreinigingen;

Beheerstichting:

Stichting Ascert, zijnde de beheerstichting, bedoeld in artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit;

Certificaatregister:

register dat door de beheerstichting wordt beheerd op basis van de gegevens die de certificerende instellingen vastleggen op grond van artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel d, van het besluit;

Certificatiejaar:

eerste, tweede of derde periode van twaalf maanden na de ingangsdatum van het procescertificaat;

Concern:

groep van ondernemingen die in belangrijke mate onder gezamenlijke leiding staan en als een eenheid optreden of rechtspersonen die via een aandeelhouderschap zijn verbonden;

Containment:

constructie waarmee een werkgebied waar asbesthoudende materialen worden verwijderd wordt afgeschermd van de leefomgeving en waarin een onderdruk in stand wordt gehouden;

Corrigerende maatregel:

maatregel die gericht is op het blijvend wegnemen van de oorzaak van een opgetreden afwijking;

DIA:

deskundig inventariseerder asbest als bedoeld in artikel 4.54a, zevende lid van het besluit;

Eindbeoordeling:

eindbeoordeling na asbestverwijdering volgens NEN 2990;

Herstelmaatregel:

maatregel die gericht is op het verhelpen van een opgetreden afwijking;

Inspectie-instelling:

door de Raad voor Accreditatie, volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, geaccrediteerde inspectie-instelling die de eindbeoordeling verricht;

NEN-EN-ISO/IEC 17021:

NEN-EN-ISO/IEC 17021-1:2015, eisen voor instellingen die audits en certificatie van managementsystemen leveren, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN-EN-ISO/IEC 17065:

NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012, eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

NEN-EN 2990:

NEN-EN 2990: 2012, richtlijnen voor het uitvoeren van een eindcontrole na asbestverwijdering Lucht – Eindcontrole na asbestinventarisatie, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut;

Opdrachtgever:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die de asbestinventarisatie of de asbestverwijdering opdraagt;

Niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal:

asbesthoudend materiaal dat niet in het asbestinventarisatierapport is vermeld;

Pakdag:

het aantal manuren dat met adembescherming is gewerkt gedeeld door zes;

Persoonscertificaat:

certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet;

Procescertificaat:

certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet;

Projectlocatie:

adres waar de asbestinventarisatie of asbestverwijdering plaatsvindt of zal plaatsvinden;

Vestiging:

onderdeel van een bedrijf dat is gevestigd in een afzonderlijk gelegen kantoor of andere bedrijfsruimte of complex van bedrijfsruimten, waarin of van waaruit het bedrijf zelfstandig dienstverlenende activiteiten uitvoert op het gebied van asbestinventarisatie of asbestverwijdering;

Werkgebied:

afgebakende ruimte of afgebakend gebied op een projectlocatie waarbinnen de asbestverwijdering plaatsvindt.

Paragraaf 2. Beoordeling en aanwijzing certificerende instellingen
Artikel 2. Eisen voor aanwijzing
  • 1. In aanvulling op artikel 1.5a van het besluit gelden voor de aan te wijzen certificerende instelling de volgende eisen:

    • a. zij voldoet aan de eisen uit NEN-EN-ISO/IEC 17065;

    • b. zij draagt er zorg voor dat haar werknemers die met werkzaamheden in het kader van de afgifte van de certificaten zijn belast, deze uitvoeren met de grootste mate van beroepsintegriteit;

    • c. zij heeft een integriteitsbeleid uitgewerkt in een gedragscode en haar bestuurders en werknemers handelen overeenkomstig dat integriteitsbeleid en tekenen een integriteitsverklaring;

    • d. zij treedt integer op en handelt binnen haar bevoegdheden;

    • e. zij heeft een procedure waarin geregeld is dat:

      • 1°. in geval van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de desbetreffende werknemer aan de directie van de certificerende instelling wordt gemeld; en

      • 2°. zij zo spoedig mogelijk, indien nodig, de belanghebbenden informeert, waaronder de gemeente, omgevingsdienst, politie of Inspectie SZW; en

    • f. zij heeft de volgende procedures op schrift gesteld:

      • 1°. een zienswijzeprocedure overeenkomstig afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

      • 2°. een bezwaarschriftprocedure overeenkomstig de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht, en

      • 3°. een klachtenprocedure overeenkomstig titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Beoordelingen als bedoeld in deze regeling kunnen worden uitbesteed aan een derde partij, mits:

    • a. de certificerende instelling een overeenkomst met deze derde partij heeft gesloten; en

    • b. de derde partij de werkzaamheden niet uitbesteedt.

  • 3. De beslissing tot verlenen, weigeren, schorsen en intrekken van procescertificaten wordt niet uitbesteed.

Artikel 3. Eisen aan het certificatiepersoneel
  • 1. De certificerende instelling beschikt voor de verificatie van de competenties inzake kennis, kunde en houding van het certificatiepersoneel over een specifieke verificatiemethode.

  • 2. Een certificerende instelling beschikt over de volgende deskundigen:

    • a. indien van toepassing, een vestigingsauditor voor asbestinventarisatie;

    • b. indien van toepassing, een vestigingsauditor voor asbestverwijdering;

    • c. indien van toepassing, een projectauditor voor asbestinventarisatie;

    • d. indien van toepassing, een projectauditor voor asbestverwijdering;

    • e. een reviewer; en

    • f. een certificaatbeslisser.

  • 3. De in het tweede lid, onderdeel a tot en met e, bedoelde deskundigen voldoen aan de volgende algemene eisen:

    • a. zij zijn in staat zich in woord en geschrift doeltreffend in de Nederlandse taal uit te drukken;

    • b. zij kunnen onafhankelijk en zelfstandig handelen;

    • c. zij beschikken over voldoende communicatieve en contactuele vaardigheden voor de uitoefening van hun taken;

    • d. zij zijn in staat te verantwoorden hoe zij tot hun oordeel zijn gekomen;

    • e. zij zijn in staat om tijdens audits regelend en besluitvaardig op te treden;

    • f. zij hebben gedegen kennis van de toepasselijke regelgeving;

    • g. zij hebben met goed gevolg een door het International Register of Certificated Auditors erkende cursus auditleider gevolgd; en

    • h. zij zijn in het bezit van het Diploma-ADK dat niet langer dan 36 maanden geleden is behaald of van het certificaat Asbestdeskundige (ADK).

  • 4. Een vestigingsauditor en een reviewer voor asbestinventarisatie of voor asbestverwijdering voldoet aan de in het derde lid genoemde eisen en heeft onder toezicht van een gekwalificeerde kantoorauditor minimaal tien vestigingsaudits uitgevoerd bij respectievelijk een asbestinventarisatiebedrijf of een asbestverwijderingsbedrijf.

  • 5. Een projectauditor voor asbestinventarisatie heeft voldoende aantoonbare werkervaring. Daartoe toont hij aan dat hij:

    • a. ten minste 50 asbestinventarisaties heeft uitgevoerd of begeleid;

    • b. bekend is met de eisen die gelden voor een asbestinventarisatie als bedoeld in paragraaf 4 van bijlage XIIIa; en

    • c. ten minst vijf projectaudits asbestinventarisatie onder toezicht van een gekwalificeerde projectauditor heeft uitgevoerd.

  • 6. Een projectauditor voor asbestverwijdering heeft voldoende aantoonbare werkervaring. Daartoe toont hij aan dat hij:

    • a. ten minste 50 asbestverwijderingswerken heeft uitgevoerd of begeleid;

    • b. bekend is met de eisen die gelden voor een asbestverwijdering als bedoeld in paragraaf 5 van bijlage XIIIa; en

    • c. ten minste vijf projectaudits asbestverwijdering onder toezicht van een gekwalificeerde projectauditor heeft uitgevoerd.

  • 7. Een certificaatbeslisser voldoet aan de in het derde lid, onderdelen a, b, c, d, en f genoemde eisen en toont aan dat hij:

    • a. gedegen kennis heeft van het certificatiereglement, bedoeld in artikel 8;

    • b. gedegen kennis heeft van de NEN-EN-ISO/IEC 17021;

    • c. niet direct betrokken is bij de uitgevoerde audits; en

    • d. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met de certificerende instelling.

  • 8. De certificerende instelling houdt een register bij van haar certificatiepersoneel.

  • 9. De certificerende instelling beschikt over de persoonsdossiers van haar certificatiepersoneel waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a. een curriculum vitae;

    • b. een integriteitsverklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c; en

    • c. beoordelingsformulieren en andere relevante, persoonsgebonden documenten.

Artikel 4. Vast personeel

De certificerende instelling beschikt voor de uitvoering van de certificatiewerkzaamheden over ten minste twee werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van ten minste 32 uur per week per werknemer.

Artikel 5. Onpartijdigheid en onafhankelijkheid certificerende instelling
  • 1. De certificerende instelling treedt onpartijdig en onafhankelijk op bij het uitvoeren van beoordelingen en bij het verlenen van een procescertificaat.

  • 2. De certificerende instelling draagt er zorg voor dat haar werknemers geen betaalde of onbetaalde werkzaamheden of andere activiteiten van welke aard dan ook, in welke hoedanigheid dan ook, in opdracht van een aanvrager van een procescertificaat, een certificaathouder of een daar aan gelieerde onderneming verrichten.

  • 3. De certificerende instelling draagt er zorg voor dat door haar werknemers een verklaring wordt ondertekend waarin de werknemer verklaart onafhankelijk te zullen optreden en handelen en zich te houden aan de in verband met de beoordelingen noodzakelijke geheimhouding behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.

  • 4. De volgende functies worden niet gecombineerd:

    • a. aandeelhouder bij een certificerende instelling en bij een asbestinventarisatiebedrijf;

    • b. aandeelhouder bij een certificerende instelling en bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • c. bestuurder bij een certificerende instelling en bestuurder bij een asbestinventarisatiebedrijf;

    • d. bestuurder bij een certificerende instelling en bestuurder bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • e. aandeelhouder bij een certificerende instelling en bestuurder bij een asbestinventarisatiebedrijf;

    • f. aandeelhouder bij een certificerende instelling en bestuurder bij een asbestverwijderingsbedrijf;

    • g. bestuurder bij een certificerende instelling en aandeelhouder bij een asbestinventarisatiebedrijf; en

    • h. bestuurder bij een certificerende instelling en aandeelhouder een asbestverwijderingsbedrijf.

  • 5. De certificerende instelling beschikt over een verklaring getekend door alle bestuurders van de instelling met daarin een actuele beschrijving van de volgende onderdelen:

    • a. de namen en functies van de bestuurders;

    • b. de namen en functies van de leden van de directie;

    • c. indien de certificerende instelling geen beursgenoteerde naamloze vennootschap is, de namen van de eigenaren of aandeelhouders van de certificerende instelling; en

    • d. indien van toepassing, het concern waarvan de certificerende instelling deel uitmaakt.

Artikel 6. Overeenkomst certificerende instelling en beheerstichting
  • 1. Een certificerende instelling sluit een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bepaalt dat:

    • a. de certificerende instelling zich aansluit bij het door de beheerstichting ingestelde Centraal College van Deskundigen;

    • b. de certificerende instelling deelneemt aan het door het Centraal College van Deskundigen georganiseerde harmonisatieoverleg; en

    • c. de certificerende instelling de tijdens het harmonisatieoverleg vastgestelde afspraken over de geharmoniseerde uitvoering van de certificatie-eisen uitvoert.

  • 3. Indien er meerdere certificerende instellingen zijn, kunnen deze instellingen overeenkomen dat zij gezamenlijk een vertegenwoordiger aanwijzen die de betreffende certificerende instellingen vertegenwoordigt bij het Centraal College van Deskundigen.

  • 4. Indien er verschil van inzicht bestaat tussen een certificerende instelling en een certificaathouder over de interpretatie van bijlage XIIIa of de onderhavige bijlage, legt de certificerende instelling dit voor aan het Centraal College van Deskundigen.

Artikel 7. Administratie in Nederlandse taal

De certificerende instelling gebruikt in haar administratie in verband met de certificatie van asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven uitsluitend de Nederlandse taal.

Paragraaf 3. Beoordeling en verlening van een procescertificaat door een certificerende instelling
Artikel 8. Certificatiereglement
  • 1. De certificerende instelling legt de werkwijze voor procescertificatie vast in een certificatiereglement. Het certificatiereglement bevat ten minste de volgende elementen:

    • a. de wijze waarop een aanvrager wordt geïnformeerd over de certificatieprocedure;

    • b. de wijze waarop wordt getoetst of een aanvrager voor een procescertificaat voldoet aan de eisen uit de bijlage XIIIa;

    • c. de wijze van beslissen tot verlening, weigering, schorsing of intrekking van een procescertificaat;

    • d. de wijze waarop de registratie van de gegevens van de certificaathouder in het certificaatregister plaatsvindt; en

    • e. de wijze en frequentie van het doorgeven van mutaties aan de beheerstichting ten behoeve van het certificaatregister.

  • 2. Vanaf de eerste beoordeling op de projectlocatie tot de beslissing over het al dan niet verlenen van het procescertificaat geldt een termijn van maximaal zestien weken. Indien de overschrijding van deze termijn te wijten is aan de aanvrager vervallen de beoordelingsresultaten van de aanvraag van de aanvrager.

  • 3. Indien de aanvrager heeft beschikt over een procescertificaat en dat in een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst, geweigerd of ingetrokken, neemt de certificerende instelling de aanvraag niet in behandeling.

  • 4. Indien de aanvrager aan alle eisen heeft voldaan, wordt het procescertificaat binnen vier weken verstrekt.

Artikel 9. Onderzoek naar voortzetting van een onderneming
  • 1. De certificerende instelling onderzoekt of een aanvrager:

    • a. een procescertificaat in bezit heeft gehad in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van de indiening van de aanvraag dat is ingetrokken of dreigt te worden ingetrokken; en

    • b. een eerstegraads of tweedegraads bloed- of aanverwantschapsrelatie heeft met een eigenaar of bestuurder van een bedrijf waarvan in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van de indiening van de aanvraag een procescertificaat is ingetrokken, of dreigt te worden ingetrokken.

  • 2. Bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens van de aanvrager vergeleken met die van een bedrijf, waarvan het procescertificaat in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag is ingetrokken:

    • a. de verklaring van de aanvrager, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, onder 7°, van bijlage XIIIa;

    • b. de naam en handelsnamen;

    • c. de vestigingsplaats, feitelijke locatie en de contactgegevens;

    • d. de namen van aandeelhouders en bestuurders;

    • e. de opdrachtgevers;

    • f. het gebruik van bedrijfsmiddelen; en

    • g. de inzet van werknemers.

  • 3. Indien op basis van het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, het redelijke vermoeden bestaat dat sprake is van een voortzetting door de aanvrager van asbestinventarisatiewerkzaamheden of asbestverwijderingswerkzaamheden van een andere onderneming of diens werknemers waarvan het procescertificaat is of dreigt te worden ingetrokken, wordt de aanvraag voor een procescertificaat geweigerd en de weigering gemeld aan de beheerstichting.

  • 4. Indien na de verlening van een procescertificaat blijkt dat er sprake is van een voortzetting als bedoeld in het derde lid wordt het procescertificaat ingetrokken.

Artikel 10. Initiële beoordeling aanvraag procescertificaat

De certificerende instelling draagt zorg voor de initiële beoordeling van en beslissing over een aanvraag voor een procescertificaat. Zij beoordeelt daarbij of:

  • a. het kwaliteitssysteem van de aanvrager voldoet aan de eisen uit artikel 12 voor asbestinventarisatie van bijlage XIIIa of artikel 32 voor asbestverwijdering van bijlage XIIIa;

  • b. in geval van een aanvraag voor een Procescertificaat Asbestinventarisatie alle vestigingen van de aanvrager waarvoor het procescertificaat wordt aangevraagd voldoen aan de eisen uit paragraaf 4 van bijlage XIIIa;

  • c. in geval van een aanvraag voor een Procescertificaat Asbestverwijdering alle vestigingen van de aanvrager waarvoor het procescertificaat wordt aangevraagd voldoen aan de eisen aan de eisen uit paragraaf 5 van bijlage XIIIa;

  • d. in geval van een aanvraag voor een Procescertificaat Asbestinventarisatie de asbestinventarisaties op twee projectlocaties van de aanvrager voldoen aan de eisen uit artikel 11; en

  • e. in geval van een aanvraag voor een Procescertificaat Asbestverwijdering twee asbestverwijderingswerken op twee projectlocaties voldoen aan de eisen uit artikel 12.

Artikel 11. Nadere bepalingen procescertificatie asbestinventarisatiebedrijf
  • 1. De certificerende instelling stelt een asbestinventarisatiebedrijf dat een aanvraag voor een procescertificaat heeft ingediend voor de duur van de beoordeling van deze aanvraag op twee projectlocaties gelijk aan een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf indien wordt voldaan de volgende voorwaarden:

    • a. vastgesteld is dat de vestiging van aanvrager voldoet aan de eisen uit artikel 12 van bijlage XIIIa; en

    • b. de aanvrager heeft een schriftelijke aanvraag bij de certificerende instelling ingediend voor het uitvoeren van een asbestinventarisatie op de twee projectlocaties.

  • 2. De certificerende instelling geeft toestemming aan de aanvrager voor het uitvoeren van asbestinventarisaties op de twee projectlocaties indien wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel b.

  • 3. De beoordeling van de aanvraag wordt afgerond indien de aanvrager op twee projectlocaties twee asbestinventarisaties heeft uitgevoerd en twee volledige proef-inventarisatierapporten heeft opgesteld die aan de eisen uit paragraaf 4 van bijlage XIIIa voldoen.

  • 4. Indien één van de twee asbestinventarisaties of één van de proef-inventarisatierapporten door de certificerende instelling is afgekeurd, kan na goedkeuring van de certificerende instelling, op een derde projectlocatie een asbestinventarisatie worden uitgevoerd en een proef-inventarisatierapport worden opgesteld.

Artikel 12. Nadere bepalingen procescertificatie asbestverwijderingsbedrijf
  • 1. De certificerende instelling stelt een asbestverwijderingsbedrijf dat een aanvraag voor een procescertificaat heeft ingediend voor de duur van de beoordeling van deze aanvraag op twee projectlocaties gelijk aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf indien wordt voldaan de volgende voorwaarden:

    • a. vastgesteld is dat de vestiging van aanvrager voldoet aan de eisen uit artikel 32 van bijlage XIIIa;

    • b. de aanvrager heeft een schriftelijke aanvraag bij certificerende instelling ingediend voor het uitvoeren van een asbestverwijdering op de twee projectlocaties met verschillende opdrachtgevers, verschillende inventarisatielocaties, verschillende asbestinventarisatiebedrijven en verschillende inspectie-instellingen voor de eindbeoordeling.

  • 2. De certificerende instelling geeft toestemming aan de aanvrager voor het uitvoeren van asbestverwijderingswerken op de twee projectlocaties indien wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel b.

  • 3. Op ten minste één van de twee projectlocaties wordt de asbestverwijdering in containment uitgevoerd.

  • 4. De beoordeling van de aanvraag wordt afgerond indien de aanvrager twee asbestverwijderingswerken heeft uitgevoerd die aan de eisen van paragraaf 5 van bijlage XIIIa voldoen.

  • 5. Indien één van de asbestverwijderingsprojecten door de certificerende instelling is afgekeurd, kan na goedkeuring van de certificerende instelling, op een derde projectlocatie een asbestverwijderingswerk worden uitgevoerd.

  • 6. Van een afkeuring als bedoeld in het vijfde lid is sprake bij een afwijking uit de categorie I of II, of indien meer dan twee maal een afwijking uit de categorie III, bedoeld in bijlage 1, wordt geconstateerd.

Artikel 13. Gegevens procescertificaat
  • 1. De certificerende instelling vermeldt in ieder geval de volgende gegevens op het procescertificaat:

    • a. de bedrijfsnaam van de certificaathouder;

    • b. de code van de certificaathouder afgegeven door de beheerstichting;

    • c. de contactpersoon van de certificaathouder;

    • d. de vestigingsplaats van de certificaathouder;

    • e. het inschrijvingsnummer van de certificaathouder bij de Kamer van Koophandel of een buitenlands handelsregister;

    • f. het uniek en eenduidig documentnummer of certificaatnummer, afgegeven door de beheerstichting;

    • g. de naam van de certificerende instelling die het certificaat heeft verleend;

    • h. een verwijzing naar de geldende normen waaraan is getoetst;

    • i. de scope van het procescertificaat;

    • j. de ingangsdatum van het procescertificaat en de datum waarop het procescertificaat ophoudt geldig te zijn;

    • k. een verklaring van de certificerende instelling dat de certificaathouder voldoet aan de relevante eisen uit bijlage XIIIa; en

    • l. de verplichtingen voor de certificaathouder, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

  • 2. De certificaathouders die onderdeel uitmaken van een concern krijgen een zelfde registratiecode van de certificerende instelling voor alle deelnemende ondernemingen en per deelnemende onderneming een sub-code.

Artikel 14. Overeenkomst certificerende instelling en certificaathouder
  • 1. De certificaathouder en de certificerende instelling sluiten een certificatie-overeenkomst waarin ten minste de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen van de certificaathouder respectievelijk de certificerende instelling zijn opgenomen.

  • 2. De certificaathouder:

    • a. blijft gedurende de looptijd van het procescertificaat voldoen aan de relevante eisen uit bijlage XIIIa;

    • b. verleent medewerking aan beoordelingen door de certificerende instelling;

    • c. stuurt een ongeldig geworden procescertificaat terug aan de certificerende instelling, binnen veertien dagen na een aangetekend verzoek hiertoe; en

    • d. geeft wijzigingen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van bijlage XIIIa door aan de certificerende instelling.

  • 3. De certificerende instelling:

    • a. informeert de certificaathouder twaalf weken voor het einde van de geldigheid van het procescertificaat over de mogelijkheden van hercertificatie; en

    • b. informeert de beheerstichting binnen twee werkdagen over de afgifte van een procescertificaat ten behoeve van opname in het certificaatregister.

  • 4. Het procescertificaat is maximaal drie jaar geldig.

Artikel 15. Hercertificatie
  • 1. De certificerende instelling beoordeelt bij hercertificatie de vestiging van de aanvrager overeenkomstig artikel 16.

  • 2. Indien de positieve hercertificatiebeslissing valt binnen twaalf weken voor de vervaldatum van het lopende procescertificaat, dan is deze vervaldatum tevens de ingangsdatum van het vervolgcertificaat.

  • 3. Indien de positieve hercertificatiebeslissing valt voor twaalf weken voorafgaand aan de vervaldatum van het lopende procescertificaat, dan is de datum van de hercertificatiebeslissing de ingangsdatum van het vervolgcertificaat.

  • 4. Indien een positieve hercertificatiebeslissing wordt genomen door een andere certificerende instelling dan de certificerende instelling die het lopende procescertificaat heeft afgegeven op een datum voor twaalf weken voorafgaand aan de vervaldatum van het lopende procescertificaat geldt dat het nieuwe procescertificaat een looptijd heeft tot aan de vervaldatum van het oude procescertificaat. In dit geval draagt de oorspronkelijke certificerende instelling alle relevante gegevens met betrekking tot de certificaathouder, waaronder gegevens over uitgevoerde beoordelingen en opgelegde maatregelen, over aan de andere certificerende instelling. De andere certificerende instelling voert de aantallen beoordelingen uit die de oorspronkelijke certificerende instelling zou hebben uitgevoerd wanneer de certificaathouder niet zou zijn overgestapt naar de andere certificerende instelling. Bij een overstap van een certificaathouder naar een andere certificerende instelling neemt deze andere certificerende instelling de door haar voorgangster vastgestelde maatregelen over bij de uitvoering van haar maatregelen ten aanzien van deze certificaathouder.

  • 5. Een nieuw procescertificaat wordt slechts verstrekt onder het gelijktijdig intrekken of ongeldig maken van het eerder afgegeven procescertificaat.

Paragraaf 4. Periodieke beoordelingen door de certificerende instelling tijdens de looptijd van het procescertificaat
Artikel 16. Beoordeling van de vestiging
  • 1. De certificerende instelling voert tijdens de looptijd van het procescertificaat in ieder certificatiejaar ten minste één beoordeling van iedere vestiging van een certificaathouder uit.

  • 2. Bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, gaat de certificerende instelling na of het kwaliteitssysteem van de certificaathouder nog steeds voldoet aan de eisen op grond van artikel 12 van bijlage XIIIa in geval van asbestinventarisatie respectievelijk aan de eisen op grond van artikel 32 van bijlage XIIIa in geval van asbestverwijdering en vindt een dossieronderzoek plaats van ten minste vier uitgevoerde asbestinventarisaties respectievelijk asbestverwijderingen.

Artikel 17. Beoordelingen op projectlocaties asbestinventarisatiebedrijf
  • 1. De certificerende instelling voert per vestiging van een certificaathouder Procescertificaat Asbestinventarisatie in ieder certificatiejaar een aantal aangekondigde beoordelingen en een aantal onaangekondigde beoordelingen op projectlocaties uit.

  • 2. De certificerende instelling bepaalt hoeveel aangekondigde beoordelingen en onaangekondigde beoordelingen per vestiging op de projectlocaties plaatsvinden op basis van het gemiddeld aantal DIA’s werkzaam op een vestiging in één certificatiejaar en het aantal asbestinventarisatierapporten dat door die vestiging in één certificatiejaar wordt opgesteld overeenkomstig onderstaande tabel.

    Gemiddeld aantal DIA’s werkzaam per vestiging per certificatiejaar

    Totaal aantal asbestinventarisatierapporten per certificatiejaar van de vestiging

    Totaal aantal beoordelingen per certificatiejaar door de certificerende instelling

    Aantal onaangekondigde beoordelingen per certificatiejaar

    Aantal aangekondigde beoordelingen per certificatiejaar

    1–2

    < 500

    4

    3

    1

    3–5

    500–1100

    6

    4

    2

    6–8

    1100–1600

    9

    6

    3

    > 8

    > 1600

    12

    8

    4

  • 3. Voor de vaststelling van het gemiddelde aantal DIA’s, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van alle DIA’s die al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst op een vestiging voor de certificaathouder werkzaam zijn.

  • 4. Het aantal per certificatiejaar uit te voeren aangekondigde en onaangekondigde beoordelingen per vestiging wordt bepaald door het criterium dat tot het hoogste aantal beoordelingen leidt.

  • 5. Indien de certificerende instelling tijdens een beoordeling op een projectlocatie een afwijking uit de categorie I of categorie II, bedoeld in artikel 23, constateert volgt een extra onaangekondigde beoordeling op een projectlocatie.

  • 6. Indien een beoordeling op een projectlocatie deel uitmaakt van het uitgevoerde onderzoek, bedoeld in artikel 21, eerste lid, dan telt deze beoordeling mee als een uitgevoerde onaangekondigde beoordeling als blijkt dat er geen sprake is van een afwijking uit de categorie I of categorie II, bedoeld in artikel 23.

  • 7. De certificerende instelling legt de wijze waarop het aantal uit te voeren aangekondigde en onaangekondigde beoordelingen, bedoeld in het vierde lid, is bepaald in het dossier van de certificaathouder vast.

  • 8. De aangekondigde beoordelingen van de projectlocatie vinden plaats na de uitvoering van het inventarisatieonderzoek en voorafgaand aan de asbestverwijdering of sloopwerkzaamheden op de projectlocatie.

  • 9. De certificerende instelling bepaalt door middel van een steekproef op welke projectlocaties de aangekondigde en onaangekondigde beoordelingen worden uitgevoerd.

  • 10. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan maximaal drie beoordelingen uit één certificatiejaar uit te voeren in een daaraan voorafgaande certificatiejaar jaar of het daarop volgende certificatiejaar.

  • 11. Alle op de projectlocatie uit te voeren beoordelingen worden uitgevoerd voor de vervaldatum van het procescertificaat.

Artikel 18. Beoordelingen op projectlocaties asbestverwijderingsbedrijf
  • 1. De certificerende instelling voert per vestiging van de certificaathouder Procescertificaat Asbestverwijdering in ieder certificatiejaar onaangekondigde beoordelingen uit op ten minste zes projectlocaties.

  • 2. Het aantal uit te voeren onaangekondigde beoordelingen per certificatiejaar wordt bepaald volgens de onderstaande tabel.

    Aantal pakdagen per certificatiejaar

    Aantal onaangekondigde beoordelingen

    70 – 280

    6

    281 – 480

    7

    481 – 880

    8

    881 – 1280

    9

    1281 – 1680

    10

    1681 en meer

    11

  • 3. In afwijking van het tweede lid is het toegestaan maximaal drie beoordelingen uit één certificatiejaar uit te voeren in een daaraan voorafgaande certificatiejaar jaar of het daarop volgende certificatiejaar.

  • 4. Indien de certificerende instelling tijdens een beoordeling op een projectlocatie een afwijking uit de categorie I of categorie II, bedoeld in artikel 23, constateert, volgt een extra onaangekondigde beoordeling op een projectlocatie.

  • 5. Indien een beoordeling op een projectlocatie deel uitmaakt van het uitgevoerde onderzoek, bedoeld in artikel 21, eerste lid, dan telt deze beoordeling mee als een uitgevoerde onaangekondigde beoordeling als blijkt dat er geen sprake is van een afwijking uit de categorie I of categorie II, bedoeld in artikel 23.

  • 6. Alle op de projectlocatie uit te voeren beoordelingen worden uitgevoerd voor de vervaldatum van het procescertificaat.

Artikel 19. Verslag van beoordelingen
  • 1. De certificerende instelling stelt overeenkomstig NEN-EN-ISO/IEC 17021 een verslag op van haar bevindingen van de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18.

  • 2. Het verslag wordt ter beschikking gesteld aan de certificaathouder.

Paragraaf 5. Tijdsbesteding certificerende instelling
Artikel 20. Minimale tijdsbesteding certificerende instelling

De certificerende instelling houdt een minimale beoordelingstijd aan van:

  • a. 4 uur voor een beoordeling van het kwaliteitssysteem bij initiële certificatie;

  • b. 8 uur voor een beoordeling van een vestiging bij initiële certificatie;

  • c. 4 uur voor elke projectlocatiebeoordeling bij initiële certificatie;

  • d. 8 uur voor een periodieke beoordeling van een vestiging tijdens de looptijd van het procescertificaat;

  • e. 4 uur voor een periodieke beoordeling van een projectlocatie tijdens de looptijd van het procescertificaat; en

  • f. 8 uur voor een beoordeling bij een hercertificatie.

Paragraaf 6. Meldingen
Artikel 21. Melding door toezichthoudende overheidsinstellingen
  • 1. De certificerende instelling onderzoekt tijdens de reguliere beoordelingen op de vestigingslocatie naar aanleiding van een melding of rapport van bevindingen van een toezichthoudende overheidsinstelling of een certificaathouder indien nodig adequate corrigerende maatregelen heeft genomen. De tijd die dit onderzoek vergt maakt geen deel uit van de minimale tijdsbesteding, bedoeld in artikel 20, onderdeel d.

  • 2. De certificerende instelling registreert de meldingen en rapporten van bevindingen, bedoeld in het eerste lid, de conclusies van de verrichte onderzoeken en de maatregelen die zijn getroffen.

  • 3. Indien de toezichthoudende overheidsinstelling hierom verzoekt, meldt de certificerende instelling gemotiveerd welk gevolg is gegeven aan meldingen of het rapport van bevindingen uit het eerste lid.

  • 4. Indien door een toezichthoudende overheidsinstelling bij het toezicht op de naleving een maatregel is getroffen zoals een bestuurlijke strafbeschikking, stillegging of een boeterapport is opgesteld en aan de certificerende instelling is verstrekt, stelt de certificerende instelling naar aanleiding daarvan binnen vier weken een onderzoek in en stelt zij vast of één of meer afwijkingen zijn geconstateerd van één of meer bepalingen uit bijlage XIIIa die voor een waarschuwing of sanctie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, in aanmerking komen.

  • 5. De certificerende instelling rondt het onderzoek, bedoeld in het vierde lid, binnen twee weken af met het vaststellen van haar conclusie ter zake en indien die conclusie inhoudt dat sprake is van een of meer afwijkingen, de bepaling van de waarschuwing of sanctie die zij overeenkomstig artikel 24 voornemens is te treffen.

  • 6. De certificerende instelling meldt gemotiveerd aan de toezichthoudende overheidsinstelling welk gevolg is gegeven aan het vierde lid.

  • 7. De certificerende instelling registreert de handhavende maatregelen zoals stilleggingen, bestuurlijke strafbeschikkingen en boeterapporten, bedoeld in het vierde lid, de conclusies en de waarschuwingen of sancties die zijn getroffen.

Artikel 22. Onderzoek na melding niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal
  • 1. Indien niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen en dit wordt gemeld aan de certificerende instelling die het betreffende Procescertificaat Asbestinventarisatie heeft afgegeven, dan onderzoekt de laatstbedoelde instelling deze melding tijdens de eerstvolgende reguliere beoordeling van de vestiging, bedoeld in artikel 16.

  • 2. Indien de certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat het niet waarnemen van het asbesthoudende materiaal te wijten is aan de DIA die de asbestinventarisatie heeft uitgevoerd meldt zij deze tekortkoming aan de certificerende instelling die het certificaat aan die DIA heeft afgegeven.

  • 3. Indien de melder hierom verzoekt informeert de certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid, hem over het resultaat van haar onderzoek.

Paragraaf 7. Sanctieregeling
Artikel 23. Bepalen van een waarschuwing of sanctie
  • 1. Indien de certificaathouder niet voldoet of voldaan heeft aan of één meer bepalingen uit bijlage XIIIa, is sprake van een afwijking en wordt het procescertificaat van de certificaathouder door de certificerende instelling ingetrokken, onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen, voorwaardelijk geschorst voor ten hoogste 90 dagen of geeft de certificerende instelling de certificaathouder een waarschuwing.

  • 2. De certificerende instelling volgt bij het toepassen van het eerste lid de categorie-indeling van afwijkingen, zoals opgenomen in bijlage 1.

  • 3. Bij het toepassen van het eerste en tweede lid worden de volgende verzwaringen toegepast:

    • a. indien de certificerende instelling tijdens de beoordeling op een projectlocatie drie of meer afwijkingen uit categorie III dan wel categorie IV constateert, worden deze drie of meer afwijkingen beschouwd als zijnde één afwijking uit de naastgelegen zwaardere categorie;

    • b. indien de certificerende instelling binnen een periode van één jaar na constatering van een afwijking uit categorie III dan wel categorie IV voor de zesde keer een afwijking uit categorie III dan wel categorie IV constateert, worden deze zes afwijkingen beschouwd als zijnde een afwijking uit de naastgelegen zwaardere categorie;

    • c. indien de certificerende instelling constateert dat de certificaathouder bij een afwijking uit de categorie III dan wel categorie IV niet binnen de in artikel 5, onderdeel a en b, van bijlage XIIIa genoemde termijnen aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen, wordt deze afwijking overeenkomstig bijlage beschouwd als zijnde een afwijking uit de naastgelegen zwaardere categorie.

  • 4. Het procescertificaat wordt ingetrokken indien:

    • a. een afwijking uit de categorie I is geconstateerd;

    • b. de certificaathouder onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden heeft verstrekt en de onjuistheid daarvan aan de certificaathouder bekend was of bekend kon zijn, waarbij indien hij juiste inlichtingen verstrekt zou hebben dit zou hebben geleid tot weigering van het procescertificaat;

    • c. de certificaathouder tijdens een onvoorwaardelijke schorsing van zijn procescertificaat werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor een geldig procescertificaat vereist is;

    • d. de certificaathouder van wie het procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst, niet binnen de in artikel 5, onderdeel d, van bijlage XIIIa genoemde termijn aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen; of

    • e. er binnen twee jaar na de aanvangsdatum van de onvoorwaardelijke schorsing van het procescertificaat van een certificaathouder opnieuw gronden bestaan voor een onvoorwaardelijke schorsing van zijn procescertificaat.

  • 5. Het procescertificaat wordt onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen indien:

    • a. de certificerende instelling tijdens de beoordeling op een projectlocatie drie of meer categorie II afwijkingen constateert;

    • b. de certificerende instelling binnen een periode van één jaar na de constatering van een categorie II-afwijking voor de zesde keer een categorie II-afwijking constateert;

    • c. de certificaathouder waarvan het procescertificaat voorwaardelijk is geschorst niet binnen de in artikel 5, onderdeel c, van bijlage XIIIa genoemde termijn aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen; of

    • d. de certificaathouder het werk op de projectlocatie na constatering van een categorie II afwijking aanvangt of voortzet zonder dat herstelmaatregelen zijn genomen en deze door de certificerende instelling adequaat zijn bevonden.

  • 6. Wanneer een procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder van wie het procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst, geen werkzaamheden verrichten waarvoor het bezit van een geldig procescertificaat verplicht is.

  • 7. Het procescertificaat wordt voorwaardelijk geschorst voor ten hoogste 90 dagen in geval van een categorie II afwijking.

  • 8. Wanneer een procescertificaat voorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder de werkzaamheden blijven verrichten waarvoor het bezit van een geldig procescertificaat verplicht is.

  • 9. Indien de houder van het procescertificaat dat voorwaardelijk is geschorst binnen de in artikel 5, onderdeel c, van bijlage XIIIa genoemde termijn aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen en de certificerende instelling heeft vastgesteld dat deze adequaat zijn, bevestigt de certificerende instelling zulks aan de certificaathouder.

  • 10. Aan de certificaathouder wordt door de certificerende instelling een waarschuwing gegeven in geval van een afwijking uit categorie III en IV.

Artikel 24. Procedure bij afwijkingen
  • 1. Indien de certificerende instelling een of meer afwijkingen heeft geconstateerd zendt zij de certificaathouder binnen zeven kalenderdagen de door haar getrokken conclusie.

  • 2. Indien de conclusie, bedoeld in het eerste lid, leidt tot het treffen van een herstelmaatregel of corrigerende maatregel als bedoeld in artikel 5 van bijlage XIIIa, stelt de certificerende instelling de certificaathouder in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van die conclusie zijn zienswijze in te dienen op dat voornemen tot het treffen van die maatregel.

  • 3. De certificerende instelling zendt de certificaathouder zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zeven kalenderdagen na de termijn, genoemd in het tweede lid, haar besluit omtrent het al dan niet treffen van de maatregel of meldt dat nader onderzoek nodig is. Dit nadere onderzoek wordt binnen vier weken afgerond waarna de certificerende instelling zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zeven kalenderdagen na de afronding ervan haar besluit omtrent het al dan niet treffen van de maatregel aan de certificaathouder zendt.

  • 4. De certificerende instelling zendt de certificaathouder binnen een zeven kalenderdagen na afronding van het onderzoek, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, de door haar getrokken conclusie.

  • 5. Indien de conclusie, bedoeld in het vierde lid, leidt tot een waarschuwing als bedoeld in artikel 23, tiende lid, of een sanctie als bedoeld in artikel 23, vierde, vijfde of zevende lid, stelt de certificerende instelling de certificaathouder bij die conclusie in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van die conclusie zijn zienswijze in te dienen op dat voornemen tot het geven van een waarschuwing of het treffen van een sanctie.

  • 6. De certificerende instelling zendt de certificaathouder zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zeven kalenderdagen na de termijn, genoemd in het vijfde lid, haar besluit omtrent het al dan niet geven van een waarschuwing of het treffen van een sanctie of dat nader onderzoek nodig is. Dit nadere onderzoek dient binnen vier weken te zijn afgerond waarna de certificerende instelling zo spoedig mogelijk doch uiterlijk zeven kalenderdagen na de afronding ervan haar besluit omtrent het al dan niet treffen van de maatregel aan de certificaathouder zendt.

  • 7. De certificerende instelling meldt een afwijking die ook gerelateerd is aan werkzaamheden die zijn verricht door een persoon met een persoonscertificaat, en die in bijlage 1 door middel van een asterisk is aangeduid, binnen zeven kalenderdagen na de constatering ervan schriftelijk aan de certificerende instelling die het persoonscertificaat heeft afgegeven en verstrekt daarbij:

    • a. de naam en het certificaatnummer van de persoon op wie de afwijking betrekking heeft;

    • b. de datum waarop en de plaats waar de afwijking is geconstateerd; en

    • c. een kopie van het bericht aan de houder van het procescertificaat waarin de afwijking wordt geconstateerd.

Artikel 25. Concern-controle

Na een intrekking of onvoorwaardelijke schorsing van een procescertificaat van een bedrijf dat onderdeel uitmaakt van een concern beoordeelt de certificerende instelling onmiddellijk of de andere bedrijven van dat concern die van dezelfde certificerende instelling een procescertificaat hebben, de bepalingen waarop de maatregel betrekking heeft naleven.

Artikel 26. Hardheidsclausule
  • 1. De certificerende instelling kan slechts afwijken van de bepalingen in deze bijlage en bijlage 1, indien naar haar oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

  • 2. In het jaarverslag, bedoeld in artikel 1.1a van de regeling, meldt de certificerende instelling over de gevallen waarin toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Paragraaf 8. Aanvullende eisen aan een certificerende instelling
Artikel 27. Informatieverstrekking minister bij beëindiging activiteiten
  • 1. De certificerende instelling informeert de minister, drie maanden van tevoren, wanneer zij voornemens is één of meer van haar taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen.

  • 2. Een certificerende instelling volgt de aanwijzingen van de minister op met betrekking tot de overdracht van dossiers.

  • 3. Een geheel of gedeeltelijk gestopte certificerende instelling is niet gevrijwaard van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in door haar uitgevoerde beoordelingen.

Artikel 28. Informatieverstrekking door de certificerende instelling aan RvA, Inspectie SZW, beheerstichting en certificaathouders

In aanvulling op de verplichtingen inzake het verstrekken van gegevens op grond van artikel 1.5e van het besluit draagt de certificerende instelling er voor zorg dat zij:

  • a. jaarlijks vóór 1 maart schriftelijk aan de minister een verantwoording over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van haar functioneren overeenkomstig artikel 1.1a van de regeling levert;

  • b. de Inspectie SZW, de Stichting Raad voor Accreditatie, de beheerstichting en haar certificaathouders alsmede degenen die een aanvraag tot certificatie hebben ingediend, drie maanden van tevoren informeert, wanneer zij voornemens is één of meer van haar taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen;

  • c. het intrekken en het onvoorwaardelijk schorsen van certificaten en de voornemens daartoe aan de Inspectie SZW meldt; en

  • d. het intrekken en het onvoorwaardelijk schorsen van certificaten aan de beheerstichting meldt.

Paragraaf 9. Kosten
Artikel 29. Kosten
  • 1. De kosten die voortvloeien uit onderzoek dat wordt verricht door de certificerende instelling naar aanleiding van een melding of naar aanleiding van een mogelijke afwijking komen voor rekening van de certificaathouder.

  • 2. De kosten van toezicht dat wordt gehouden door de certificerende instelling nadat een afwijking is geconstateerd, komen voor rekening van de certificaathouder.

Paragraaf 10 Overgangsbepalingen
Artikel 30. Overgangsbepalingen

Een certificerende instelling die voor 1 maart 2017 is aangewezen kan gedurende de looptijd van deze aanwijzing haar activiteiten in dat kader blijven uitoefenen, mits zij met ingang van 1 maart 2017 voldoet aan de aan haar in deze bijlage gestelde eisen.

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 23, TWEEDE LID, VAN DE BIJLAGE XIIIE VAN DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDENREGELING

In onderstaande tabellen wordt per artikellid of -onderdeel van bijlage XIIIa van de Arbeidsomstandighedenregeling aangegeven welke categorie van afwijking van toepassing is.

Wanneer bij de artikelaanduiding meerdere artikelonderdelen zijn aangegeven, met één categorie aanduiding, betekent dit dat afwijkingen van deze artikelonderdelen worden aangemerkt als één afwijking uit de genoemde categorie.

Voorbeeld: artikel 21, eerste lid, bestaat uit drie onderdelen. Het niet voldoen aan één of meer van deze onderdelen leidt tot één categorie III afwijking. Het niet voldoen aan twee of drie onderdelen van dit artikel wordt niet geteld als twee of drie afwijkingen.

Voorbeeld: artikel 22, tweede lid, bestaat uit acht onderdelen, a tot en met h. Het niet voldoen aan één of meer van deze onderdelen leidt telkens tot een categorie III afwijking.

Wanneer een afwijking valt onder verschillende artikelleden of artikelonderdelen, met verschillende categorieën, wordt deze afwijking aangemerkt als een afwijking die valt onder de zwaarste van die categorieën.

Asbestinventarisatie

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

3.1

I

12.2.j

IV

19.1

II

22.5.a

IV

3.3

III

12.2.k

IV

19.2

II

22.5.b

IV

4.1

I

12.2.l

IV

19.3*

II

22.5.c

III

4.2.a–d

III

12.3.a

III

19.4

III

22.5.d

III

5.a

III

12.3.b

IV

19.5

III

22.5.e

IV

5.b

II

12.3.c

IV

19.6

III

22.5.f

IV

5.c

I

12.3.d

IV

19.7

III

22.5.g

IV

5.d

I

12.3.e

IV

19.8

III

22.5.h

IV

6.1

II

12.4.a

III

20.1*

II

22.5.i

IV

6.2

II

12.4.b

III

20.2

III

22.5.j

III

6.3.a–d

III

12.5

III

20.3

III

22.5.k

IV

6.4

IV

13.1

III

20.4

III

22.5.l

II

6.5.a–b

III

13.2

II

20.5.a*

III

22.5.m

IV

6.6

II

13.3

III

20.5.b*

III

22.6.a

IV

7.1

II

13.4

IV

20.5.c

III

22.6.b

III

7.2.a–e

II

13.5

III

20.5.d*

II

22.7

III

7.3

II

13.6

III

20.5.e*

II

22.8

III

7.4.a–b

II

13.7

IV

20.5.f

III

22.9

III

7.5

II

13.8

IV

20.5.g*

II

22.10

II

8.1

IV

14.1.a–e

III

20.5.h*

II

22.11

III

8.2

IV

14.1.f*

III

20.5.i

III

22.12

III

8.3

IV

14.1.g

IV

20.6

II

22.13

III

8.4.a–e

IV

14.2

III

21.1.a–b

III

22.14

IV

9.1

III

15.a

IV

21.2.a

III

22.15

III

9.2.a–c

III

15.b

III

21.2.b

III

22.16

III

10.1

IV

16.1

III

21.3

III

23.1

III

10.2

IV

16.2.a–b

III

21.4*

II

23.2

III

11.1

III

16.3

III

22.1

III

23.3

III

11.2.a–e

III

17.1

III

22.2.a

III

23.4

III

12.1

III

17.2.a–e

IV

22.2.b

III

23.5.a–e

III

12.2.a

IV

17.3

III

22.2.c

III

23.6

II

12.2.b

IV

18.1

III

22.2.d

III

   

12.2.c

IV

18.2

III

22.2.e

III

   

12.2.d

IV

18.3

III

22.2.f

III

   

12.2.e

IV

18.4.a–c

III

22.2.g

III

   

12.2.f

IV

18.5

III

22.2.h

III

   

12.2.g

IV

18.6

III

22.3.a

III

   

12.2.h

IV

18.7

III

22.3.b

III

   

12.2.i

IV

18.8.a–c

III

22.4

III

   

De artikelen in de tabel die zijn voorzien van een asterisk (*) betreffen afwijkingen die ook zijn gerelateerd aan werkzaamheden verricht door een persoon met een persoonscertificaat (artikel 24, zevende lid, van bijlage XIIIe). Het gaat dan om een afwijking die zowel het bedrijf als ook de daarin werkzame medewerker aangerekend kan worden en voor beide tot een sanctie kan leiden.

Asbestverwijdering

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

Artikel

Categorie

3.2

I

32.1

III

35.a

III

42.1.b

III

3.3

III

32.2.a

IV

35.b

III

42.2

II

4.1

I

32.2.b

IV

36.a

III

42.3.a–c

III

4.2.a–d

III

32.2.c

IV

36.b

III

43.1.a–c*

II

5.a

III

32.2.d

IV

36.c

III

43.2*

II

5.b

II

32.2.e

IV

37.1

II

43.3.a–g*

II

5.c

I

32.2.f

IV

37.2

II

43.4.a–c*

II

5.d

I

32.2.g

IV

37.3

III

43.5

II

24.1

II

32.2.h

IV

37.4

III

43.6

II

24.2

II

32.2.i

IV

38.a

III

43.7*

II

24.3.a–d

III

32.2.j

IV

38.b

III

43.8*

II

24.4

IV

32.2.k

IV

38.c

III

43.9*

II

24.5.a–b

III

32.2.l

IV

38.d

IV

43.10.a

II

24.6

II

32.3.a

III

39.1.a–b

III

43.10.b

III

25.1

II

32.3.b

IV

39.2

III

44.1.a–c

III

25.2.a–e

II

32.3.c

IV

40.1

III

44.1.d*

II

25.3

II

32.3.d

IV

40.2

III

44.1.e

III

25.4.a–c

II

32.3.e

IV

40.3.a–c

III

44.2

III

25.5

II

32.4.a

III

40.4

II

44.3

III

26.1

II

32.4.b

III

41.1.a

III

45.1

II

26.2

IV

32.5

III

41.1.b

III

45.2*

II

26.3

IV

33.1

III

41.1.c

III

45.3.a–b

III

27.a–c

II

33.2

II

41.1.d*

III

45.4

III

28.a

III

33.3

III

41.1.e*

III

46.1

II

28.b*

II

33.4

II

41.1.f

III

46.2

III

28.c*

II

33.5

III

41.1.g*

III

46.3

III

29.1.a–e

III

33.6

III

41.1.h*

III

46.4

III

29.2

III

33.7

III

41.1.i

III

47.1.a–d

III

29.3

III

34.1.a*

III

41.1.j

III

47.2

III

30.1

IV

34.1.b–e

III

41.1.k

III

47.3

III

30.2

IV

34.1.f*

III

41.2

III

47.4

III

31.1

III

34.1.g

IV

42.1.a

III

47.5

III

31.2.a–e

III

34.2

III

       

De artikelen in de tabel die zijn voorzien van een asterisk (*) betreffen afwijkingen die ook zijn gerelateerd aan werkzaamheden verricht door een persoon met een persoonscertificaat (artikel 24, zevende lid, van bijlage XIIIe). Het gaat dan om een afwijking die zowel het bedrijf als ook de daarin werkzame medewerker aangerekend kan worden en voor beide tot een sanctie kan leiden.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2017, met uitzondering van artikel I, onderdeel E, artikel 3, derde lid, onderdeel h, dat in werking treedt met ingang van 1 juni 2017.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Asbest is een gevaarlijke stof. Daarom gelden wettelijke regels om burgers in het algemeen en werknemers in het bijzonder te beschermen. Voor een verantwoorde verwijdering van asbest is het Asbestverwijderingsbesluit 2005 van belang. De regelgeving op basis van de Arbeidsomstandighedenwet bevat maatregelen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers die met asbest in aanraking kunnen komen.

Op grond van het bepaalde bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet is het inventariseren en verwijderen van asbest voorbehouden aan bedrijven die beschikken over een procescertificaat asbestinventarisatie respectievelijk een procescertificaat asbestverwijdering. De eisen hiervoor staan in de werkveldspecifieke certificatieschema’s voor asbestinventarisatiebedrijven en voor asbestverwijderingsbedrijven die met ingang van 1 januari 2012 zijn opgenomen in bijlagen bij de Arbeidsomstandighedenregeling (bijlage XIIIa en bijlage XIIIb; zie Stcrt. 2011, 18269 en Stcrt. 2011, 22513). Tegelijkertijd zijn eisen vastgesteld waaraan certificerende instellingen moeten voldoen om door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) te kunnen worden aangewezen waardoor zij bevoegd zijn de wettelijk verplichte procescertificaten asbestinventarisatie en asbestverwijdering af te geven (bijlage XIIIe van de Arbeidsomstandighedenregeling). Deze bijlage wordt wel aangeduid als het werkveldspecifieke document voor Aanwijzing en Toezicht.

In het certificatiestelsel is er sprake van controle door de certificerende instelling die beoordelen moet of de betreffende partij in aanmerking komt om een certificaat te verkrijgen dan wel te behouden. Als basis hiervoor dienen de opgenomen vereisten uit het certificatieschema. Daarnaast controleren toezichthoudende overheidsinstellingen of bedrijven en personen zich aan de wet houden.

De Minister van SZW heeft bij brief van 28 april 2015 de voorzitter van de Tweede Kamer geïnformeerd over het voornemen om deze bijlagen bij de Arbeidsomstandighedenregeling te vereenvoudigen en op te schonen om ze duidelijker te maken en daarmee beter leesbaar1. Heldere regels bevorderen immers de naleving in de praktijk. Ook de Inspectie SZW heeft aangegeven zo’n vereenvoudiging wenselijk te achten.

Er is een aantal redenen om de hierboven bedoelde bijlagen XIIIa, XIIIb en XIIIe aan te passen. Zij zijn erg uitgebreid en complex. Het is daarom gewenst om ze te stroomlijnen en helderder op te zetten. Daarnaast zijn ook enkele inhoudelijke aanpassingen wenselijk. Een aantal daarvan hangt samen met voorstellen van de beheerstichting, de Stichting Certificatie Asbest Ascert (zie de paragrafen 2.2 en 2.2.1), hierna te noemen: Ascert.

2. Hoofdlijnen van de regeling

Bij de aanpassing van de bijlagen XIIIa, XIIIb en XIIIe is gekozen voor de volgende aanpak. Aangezien de voormalige bijlagen XIIIa en XIIIb veel vergelijkbare bepalingen bevatten, zijn zij samengevoegd in één certificatieschema, de nieuwe bijlage XIIIa bij de Arbeidsomstandighedenregeling. Door de samenvoeging van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb worden die overeenkomsten duidelijker zichtbaar. Daarbij zijn zo veel mogelijk overbodige bepalingen en detailvoorschriften geschrapt. Ook zijn toelichtende teksten uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb in de nieuwe artikelen geschrapt. Voorts zijn de eisen die gelden voor de verschillende typen werknemers die betrokken zijn bij asbestinventarisatie en bij asbestverwijdering en hun taken zo helder mogelijk beschreven. De eisen die gelden voor de verschillende fasen in enerzijds het proces van asbestinventarisatie en anderzijds het proces van asbestverwijdering zijn zo precies mogelijk verwoord. In de artikelsgewijze toelichting is meer gedetailleerd ingegaan op de specifieke wijzigingen van de artikelen.

Bij de opstelling van de nieuwe bijlage XIIIa zijn inhoudelijke voorstellen van Ascert grotendeels overgenomen en ook enkele andere inhoudelijke aanpassingen ingevoerd (zie paragraaf 2.1 en volgende).

De nieuwe geïntegreerde bijlage XIIIa bevat in de eerste drie paragrafen (de artikelen 1 tot en met 5) de algemene bepalingen voor zowel asbestinventarisatie- als asbestverwijderingsbedrijven. Paragraaf 4 bevat specifieke eisen aan asbestinventarisatiebedrijven en paragraaf 5 specifieke eisen aan asbestverwijderingsbedrijven. Paragraaf 6 bevat overgangsbepalingen.

De oude bijlage XIIIa met het certificatieschema voor asbestinventarisatie en de oude bijlage XIIIb met het certificatieschema voor asbestverwijdering worden in het dagelijks spraakgebruik ook wel aangeduid met de codes SC-540 respectievelijk SC-530. Dit zijn de benamingen die Ascert eraan heeft gegeven. Er wordt in de praktijk ook wel gesproken over SC-540-bedrijven en over SC-530-bedrijven. Dat zijn dan bedrijven die voldeden aan de eisen uit de oude bijlage XIIIa (asbestinventarisatiebedrijven) respectievelijk de oude bijlage XIIIb (asbestverwijderingsbedrijven).

Het staat bedrijven uiteraard vrij om de aanduidingen SC-530 of SC-540 te blijven gebruiken om aan te geven dat zij gecertificeerd zijn als asbestinventarisatiebedrijf of als asbestverwijderingsbedrijf. Bij de integratie van de bijlagen XIIIa en XIIIb is de vermelding van die codes niet langer opgenomen in de regelgeving.

Ook de inhoud en opzet van de nieuwe bijlage XIIIe zijn ingrijpend gewijzigd. Evenals bij de samenvoeging van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb tot de nieuwe bijlage XIIIa zijn de toelichtende teksten uit de oude bijlage XIIIe zoveel mogelijk geschrapt. Eisen uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb die betrekking hadden op de aan te wijzen certificerende instellingen zijn niet overgenomen in de nieuwe bijlage XIIIa, maar verplaatst naar de nieuwe bijlage XIIIe. Dit geldt ook voor de sanctieregelingen uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. In de nieuwe bijlage XIIIe is een sanctieregeling opgenomen die door de aangewezen certificerende instellingen zal worden toegepast bij geconstateerde afwijkingen. Ook bij de aanpassing van bijlage XIIIe zijn enkele voorstellen van Ascert overgenomen.

Tot slot is bijlage XIIIc aangepast. Bijlage XIIIc bevat het certificatieschema voor de persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA). Deze bijlage is per 1 maart 2016 van kracht (zie Stcrt. 2016, 6137). Zij bevatte echter nog geen uitwerking voor het door de certificerende instellingen bij geconstateerde afwijkingen toepassen van sancties, zoals het schorsen of intrekken van persoonscertificaten. Nu in bijlage XIIIe een sanctieregeling wordt vastgesteld in verband met procescertificatie is eveneens een daarmee samenhangende sanctieregeling vastgesteld in verband met persoonscertificatie in de artikelen 12, 12a en 12b van bijlage XIIIc. Hierdoor wordt duidelijk welke gevolgen geconstateerde afwijkingen gevolgen hebben voor een houder van een procescertificaat asbestverwijdering, voor een houder van een procescertificaat asbestinventarisatie of voor houders van persoonscertificaten DAV-1, DAV-2 of DTA.

2.1. Inhoudelijke aanpassingen

Het niveau van de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers die de aanwezigheid van asbest in gebouwen inventariseren of asbest daaruit verwijderen is in de nieuwe bijlage XIIIa bij de Arbeidsomstandighedenregeling hetzelfde als in de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. Het beschermingsniveau is dus niet gewijzigd. Naast de in paragraaf 1 omschreven aanpassingen, waarmee vooral is beoogd de tekst te verduidelijken, is er ook een aantal inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd. Een deel hiervan is gebaseerd op voorstellen van Ascert. Deze worden in paragraaf 2.2 nader toegelicht. In paragraaf 2.3 worden enkele andere aanpassingen in bijlage XIIIa toegelicht.

2.2. Aanpassingen naar aanleiding van voorstellen van Ascert

Een aantal voorstellen van Ascert die is overgenomen in bijlage XIIIa heeft betrekking op woordgebruik. Zo stelde Ascert voor om het in de oude regelgeving gebruikte begrip ‘besmetting’ met asbest te wijzigen in ‘verontreiniging’. Besmettingen zijn immers veelal microbiologisch van aard. Asbestvezels zijn niet microbiologisch. Bij asbest gaat het om een verontreiniging met asbestvezels. Ook zijn enkele begrippen, zoals bouwkundige integriteit, gedefinieerd ten behoeve van eenduidig gebruik.

Ook heeft Ascert enkele voorstellen gedaan tot aanpassing van de werkwijzen en procedures bij asbestinventarisatie.

Allereerst is nu een methode van onderzoek tot inkadering van verontreinigingen in de regeling opgenomen (zie artikel 21 van bijlage XIIIa). Hiermee wordt de mogelijk aanwezige asbestverontreiniging en de omvang daarvan vastgesteld. Door toepassing van deze methode verbetert de kwaliteit van de asbestinventarisatie. Ook wordt door een beschrijving van de mogelijke omvang en verspreiding van het asbestverdachte materiaal een eventueel advies tot het uitvoeren van een risicobeoordeling beter onderbouwd.

Daarnaast heeft Ascert voorgesteld de verschillende typen van inventarisatieonderzoek (de typen A- en B-inventarisatie) te laten vervallen. In plaats daarvan wordt nu in artikel 22 van bijlage XIIIa een aantal mogelijke doelen onderscheiden waarvoor een asbestinventarisatierapport geschikt kan zijn. Bepaald wordt dat uit een asbestinventarisatierapport moet blijken waarvoor het geschikt is. Zo kan een rapport bijvoorbeeld uitsluitend geschikt zijn voor de verwijdering van het in dat rapport genoemde asbesthoudende materiaal, voor renovatie zonder dat de bouwkundige integriteit wordt aangetast of voor een volledige renovatie of totaalsloop. Wanneer wordt aangegeven waarvoor het inventarisatierapport geschikt is, is niet van belang welke methode is gevolgd om dat te bepalen. In navolging van het voorstel van Ascert is in artikel 22 van bijlage XIIIa bepaald dat de geschiktheid en het toepassingsbereik van het inventarisatierapport op het titelblad van het inventarisatierapport moet worden aangegeven. Dit voorstel is overgenomen. De eisen aan de asbestinventarisatie zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen in artikel 4.54a. Een inventarisatierapport dat niet aan het besluit voldoet, is niet geschikt of is niet volledig.

Het laatste voorstel van Ascert met betrekking tot asbestinventarisatie dat is overgenomen is het schrappen van het verzoek aan de opdrachtgever voor de inventarisatie om een evaluatieformulier in te vullen. In de praktijk wordt nauwelijks gebruik gemaakt van de informatie uit dit formulier. Daardoor werd dit als een onnodige administratieve last ervaren.

Tenslotte heeft Ascert enkele voorstellen gedaan op het terrein van de asbestverwijdering. Zo heeft Ascert voorgesteld gebruik te maken van verwijzingen naar zogenoemde interpretatiedocumenten (SCi’s).

Interpretatiedocumenten voor uniforme uitvoering van werkzaamheden (SCi)

De beheerstichting, in casu Ascert, heeft onder meer tot taak om te adviseren bij het uitwerken en beheren van schema’s voor aanwijzing en toezicht en werkveldspecifieke schema’s voor beoordeling van personen en bedrijven. Deze certificatieschema’s (SC’s) zijn opgenomen in de bijlagen XIIIa tot en met XIIIb bij de Arbeidsomstandighedenregeling.

De beheerstichting kan ook documenten opstellen met het oog op de uniforme uitvoering en toepassing van eisen uit de schema’s van de asbestinventarisatie en asbestverwijdering. Met deze interpretatiedocumenten, afgekort met SCi, worden zowel de certificerende instellingen als de certificaathouders ondersteund doordat hierin bijvoorbeeld eisen uit het schema met betrekking tot werkzaamheden of methodes nader worden beschreven. Deze SCi’s worden voorafgaand aan publicatie op de website van Ascert afgestemd met de Minister van SZW.

Er kan in het certificatieschema op een dwingende wijze worden verwezen naar een SCi of op een wijze die ook toelaat dat op een andere manier dan op de in de SCi beschreven manier kan worden voldaan aan de eisen uit het schema. In het laatste geval zal een certificaathouder moeten aantonen dat zijn alternatieve werkmethode in overeenstemming is met de betreffende eis uit het certificatieschema. In de nieuwe bijlage XIIIa wordt onder meer op een niet verplichtende wijze verwezen naar de SCi-547 (het interpretatiedocument met een protocol voor het valideren van nieuwe werkmethoden en/of innovatieve technieken met betrekking tot asbestverwijdering) en naar de SCi-548 (het interpretatiedocument met een protocol voor het bepalen van de concentratie aan respirabele asbestvezels in lucht tijdens de uitvoering van asbestverwijderingshandelingen).

Daarnaast heeft Ascert voorgesteld dat afwijkende werkmethoden bij een asbestverwijdering mogelijk moeten zijn na accordering door een gecertificeerde Hogere Veiligheidskundige of een gecertificeerde Arbeidshygiënist met aantoonbare kennis van asbest. Dit voorstel is overgenomen in artikel 37 van bijlage XIIIa.

2.3. Enkele andere inhoudelijke aanpassingen
a. LAVS

In de nieuwe bijlage XIIIa is het gebruik van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) geïntroduceerd. De ontwikkeling van het Landelijk Asbestvolgsysteem begon in 2008. In het kader van het programma Slim Geregeld Goed Verbonden (Sggv) van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) is toen in samenwerking met de asbestbranche het Asbestvolgsysteem (AVS) tot stand gebracht. Het AVS was een pilot waaraan onder meer werd deelgenomen door enkele gemeenten en woningbouwcoöperaties. Het AVS bood ondersteuning van het asbestverwijderingsproces en leidde tot verlichting van administratieve lasten.

In 2010 gaf het Ministerie van VROM (nu I en M) opdracht tot het opschalen van het AVS naar het LAVS. Het LAVS is niet alleen gericht op administratieve lastenverlichting maar ook op het inzichtelijk maken van de asbestketen. Dit verbetert de effectiviteit van het toezicht door de toezichthoudende overheidsinstellingen zoals Inspectie SZW, gemeenten en omgevingsdiensten. Het LAVS is zodanig ingericht dat bij alle asbestprojecten de gezette stappen in de gehele keten kunnen worden gevolgd. Alle stappen in de keten en de daarbij behorende relevante documenten dienen in het LAVS te worden geregistreerd door de desbetreffende bedrijven, vanaf het geven van de opdracht tot asbestinventarisatie en asbestverwijdering tot en met de afvoer en stort van het asbest.

Het Ministerie van SZW is bij de inrichting van het LAVS betrokken geweest in verband met de relatie met de arbeidsomstandighedenregelgeving. De verplichte registratie en melding in het LAVS zijn opgenomen voor de werkzaamheden die vallen onder het certificatiestelsel, dat wil zeggen de gecertificeerde inventarisatie en de gecertificeerde verwijdering van asbestbronnen die per 1 januari 2017 zijn ingedeeld in risicoklasse 2 en 2A.

In bijlage XIIIa is nu de verplichting opgenomen dat inventarisatiebedrijven de projectgegevens registreren in het LAVS (zie artikel 18, derde lid). Ook bevat bijlage XIIIa de verplichting dat asbestverwijderingsbedrijven meldingen registreren in het LAVS (zie artikel 40, eerste lid). Naast deze in bijlage XIIIa opgenomen verplichtingen tot meldingen aan het LAVS bestaat er vooralsnog de verplichting uit artikel 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit dat een melding gedaan moet worden aan de daartoe aangewezen toezichthouder. Het voornemen bestaat overigens dit besluit aan te passen in verband met de invoering van het LAVS.

Naar verwachting zal in 2019 ook in de Wet Milieubeheer een verplichting voor het gebruik van LAVS worden vastgelegd.

b. Risicoklasse-indeling

Ook is de indeling in risicoklassen gewijzigd (zie artikel 1 van bijlage XIIIa). Deze sluit aan bij de per 1 januari 2017 gewijzigde risicoklasse-indeling uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Door de aanscherping van de grenswaarden en de daardoor gewijzigde risicoklasse-indeling is het noodzakelijk dat tijdens het werk emissiebeheersende maatregelen worden getroffen waardoor de nieuwe grenswaarde kan worden gehaald.

c. Regeling inzake waarschuwing en sancties

In de nieuwe bijlage XIIIe is een regeling opgenomen inzake waarschuwingen en sancties in verband met procescertificatie die een voortzetting betekent van de regelingen uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. Deze regeling zal door de aangewezen certificerende instellingen worden toegepast bij het bepalen van de categorie van de geconstateerde afwijking en het geven van waarschuwingen en het opleggen van sancties.

Nu de regeling ten aanzien van procescertificaten nader is uitgewerkt, is ook de regeling inzake waarschuwingen en sancties ten aanzien van persoonscertificaten nader geconcretiseerd. Dit is geschied door de wijziging van artikel 12, en invoeging van de artikelen 12a en 12b van bijlage XIIIc.

Bij de bepaling van de sancties in verband met procescertificatie en de regeling voor persoonscertificatie is zorg gedragen voor een goede balans tussen geconstateerde afwijkingen en de daaraan te koppelen sancties voor asbestinventarisatiebedrijven dan wel asbestverwijderingsbedrijven dan wel personen die met een persoonscertificaat werkzaam zijn in de asbestverwijdering.

Samenhang

De samenhang tussen de artikelen over te treffen herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen door de houder van een procescertificaat en het bepalen van te treffen sancties door de certificerende instelling is als volgt.

Bijlage XIIIa bevat de verplichtingen van de houder van een procescertificaat. In artikel 5 van bijlage XIIIa zijn bepalingen opgenomen over het binnen bepaalde termijnen treffen van herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen.

Bijlage XIIIe bevat verplichtingen van de certificerende instellingen die procescertificaten afgeven. In artikel 23 van die bijlage is geregeld hoe moet worden bepaald of er een waarschuwing moet worden gegeven dan wel een sanctie moet worden opgelegd door de certificerende instelling. In artikel 24 van bijlage XIIIe is de procedure uitgewerkt die gevolgd moet worden na het constateren van een afwijking door de certificerende instelling. In bijlage 1 bij bijlage XIIIe is uitgewerkt hoe de afwijkingen van de verplichtingen op grond van bijlage XIIIa moet worden beoordeeld in het kader van de categorie-indeling die in artikel 23 van bijlage XIIIe is opgenomen.

De samenhang tussen de artikelen over te treffen herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen door de houder van een persoonscertificaat en het bepalen van te treffen sancties door de certificerende instelling is als volgt.

Bijlage XIIIc ziet op de verplichtingen van de houders van persoonscertificaten.

In artikel 12a van bijlage XIIIc bepalingen opgenomen voor het vaststellen van sancties voor de certificaathouder door de certificerende instelling, artikel 12b van genoemde bijlage beschrijft de procedure die gevolgd wordt bij geconstateerde afwijkingen. In bijlage 1 bij bijlage XIIIc is de koppeling gelegd tussen afwijking en categorie.

Opzet nieuwe regeling

In de nieuwe regeling is de opzet van de toe te passen sancties bij geconstateerde afwijkingen aangepast en verbeterd. Een afwijking is een handeling van een certificaathouder of het nalaten daarvan in afwijking op datgene wat in het schema is bepaald. Evenals in de voormalige regeling worden vier categorieën van afwijkingen onderscheiden die verschillen in zwaarte naar gelang de ernst van de afwijking. In bijlage 1 bij bijlage XIIIe van de Arbeidsomstandighedenregeling is in tabelvorm het verband gelegd tussen artikelen of artikelleden in het certificatieschema in bijlage XIIIa en de daaraan gekoppelde categorie. Hierdoor kan eenvoudig wordt bepaald tot welke categorie een afwijking behoort. De artikelen in de tabel die zijn voorzien van een asterisk (*) betreffen afwijkingen die zowel het bedrijf als de daarin werkzame persoon met een persoonscertificaat aan te rekenen zijn en die voor beide tot een sanctie kunnen leiden. De certificerende instelling voor het procescertificaat die de afwijking constateert, geeft aan de certificerende instelling die het persoonscertificaat heeft verstrekt door welke afwijking is geconstateerd. In de artikelen 12 tot en met 12b van bijlage XIIIc is uitgewerkt hoe er vervolgens door de certificerende instelling die het persoonscertificaat heeft afgegeven, wordt omgegaan met het onderzoek naar de vermeende overtreding en het bepalen van de maatregelen. Bepaalde afwijkingen worden de persoon zwaarder aangerekend dan het bedrijf. De afwijking door de persoon staat dan in een zwaardere categorie in de tabel in bijlage 1 van bijlage XIIIc.

Bij de indeling van afwijkingen in de vier categorieën is de volgende benadering gehanteerd. De lichtste afwijkingen zijn ingedeeld in categorie IV (waarschuwing). Het gaat in dit geval om administratieve afwijkingen die niet leiden tot risico’s voor de gezondheid of veiligheid van werknemers. Het nemen van corrigerende maatregelen is niet heel urgent. Het kan bijvoorbeeld gaan om de niet-naleving van administratieve voorschriften over de vestiging van een bedrijf. Andere voorbeelden zijn afwijkingen in onderdelen van het kwaliteitssysteem van een certificaathouder.

Wat zwaardere afwijkingen zijn ingedeeld in categorie III (waarschuwing). Afwijkingen in deze categorie betreffen afwijkingen met veelal een administratief karakter die direct gerelateerd is aan de kwaliteit van het werk.

Net als bij afwijkingen in de categorie IV is het nemen van corrigerende maatregelen niet heel urgent. Voorbeelden categorie III afwijkingen zijn onvolkomenheden in de registratie van blootstellinggegevens door de certificaathouder.

Afwijkingen van het op één na zwaarste type zijn ingedeeld in categorie II (voorwaardelijke schorsing). Het gaat daarbij bijvoorbeeld om afwijkingen op een projectlocatie die kunnen leiden tot of hebben geleid tot blootstellingrisico’s voor werknemers, bijvoorbeeld door de inzet van ondeugdelijke persoonlijke beschermingsmiddelen. Ook het afwijken van de werkwijze zoals beschreven in het werkplan kan leiden tot een categorie II afwijking.

De zwaarste afwijkingen zijn ingedeeld in categorie I (intrekking). Tot de categorie I afwijkingen behoren ernstige situaties of gedragingen van certificaathouder die indruisen tegen de doelstellingen van certificatie binnen de regelgeving op het gebied van asbest. Een categorie I afwijking betreft bijvoorbeeld het niet verlenen van medewerking aan beoordelingen van de certificerende instelling of inspecties door een toezichthouder.

Na de constatering van een afwijking (door middel van een gedegen onderzoek) volgt een procedure tot het geven van een waarschuwing of het opleggen van een sanctie. Er worden evenals in de oude regeling naast de waarschuwing drie typen sancties vastgesteld. Omdat in de uitvoeringspraktijk soms interpretatieproblemen bestonden is deels gekozen voor nieuwe benamingen van deze sancties, te weten een voorwaardelijke schorsing van het certificaat van ten hoogste 90 dagen (dit is afhankelijk van de termijn voor de ingevolge artikel 5 door de certificaathouder te treffen maatregelen), een onvoorwaardelijke schorsing van het certificaat voor 30 dagen en intrekking van het certificaat, in plaats van de oude indeling van waarschuwing, voorwaardelijke intrekking, schorsing en onvoorwaardelijke intrekking. De verschillende fasen zijn gebonden aan strakke termijnen van afhandeling.

De ernst van de afwijking bepaalt de termijn die door de certificerende instelling aan de certificaathouder wordt gegeven voor het treffen van corrigerende of herstelmaatregelen op de aangetroffen situatie (zie artikel 5 van bijlage XIIIa).

  • Een herstelmaatregel is gericht op het onmiddellijk verhelpen van de gevaarlijke situatie die door een opgetreden afwijking is ontstaan, bijvoorbeeld door het herstellen of vervangen van een beschadigd arbeidsmiddel.

  • Een corrigerende maatregel is gericht op het blijvend wegnemen van de oorzaak van de opgetreden afwijking, bijvoorbeeld door het aanpassen van het kwaliteitsysteem. Deze maatregel kan naast het verhelpen van de opgetreden afwijking of situatie ook bijvoorbeeld een organisatorisch karakter hebben met als doel herhaling van de afwijking te voorkomen.

Wanneer de certificaathouder geen herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen heeft getroffen, leidt dat bij doorwerken tot een afwijking uit een zwaardere categorie en een mogelijke schorsing of uiteindelijk zelfs een intrekking. Naar verwachting leidt dit ertoe dat er niet wordt doorgewerkt totdat de situatie is hersteld. Tussen het treffen van herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen door de certificaathouder en de schriftelijke goedkeuring door de certificerende instelling waarmee deze de certificaathouder meldt dat de maatregelen adequaat zijn geweest is het, omwille van het niet kunnen doorwerken, van belang dat hier tussen een zo klein mogelijke tijdspanne zit.

In de opzet van de regeling ligt besloten, dat indien meerdere afwijkingen van een bepaalde categorie zijn vastgesteld, bij een volgende constatering van een afwijking die valt binnen die categorie deze wordt aangemerkt als een afwijking uit de naastgelegen zwaardere categorie (de zogenoemde escalatieladder).

Waarschuwing aan een certificaathouder

Een waarschuwing wordt gegeven wanneer een certificerende instelling een afwijking in categorie III of categorie IV constateert (artikel 23, tiende lid, bijlage XIIIe).

Bij een waarschuwing na een categorie IV afwijking dienen binnen 12 weken corrigerende maatregelen te worden genomen door de certificaathouder. Bij een waarschuwing na een categorie III afwijking heeft de certificaathouder 8 weken om corrigerende maatregelen te nemen (zie artikel 5, onderdeel a en b, bijlage XIIIa).

Het niet tijding nemen van corrigerende maatregelen heeft gevolgen voor de escalatieladder en leidt tot verzwaring van de maatregelen. Dit is beschreven in artikel 23, derde lid, van bijlage XIIIe, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen drie situaties waarin verzwaringen worden toegepast.

Wanneer na een waarschuwing bij een afwijking IV niet tijdig corrigerende maatregelen zijn genomen, volgt nog een waarschuwing. Bij het niet tijdig treffen van corrigerende maatregelen na een waarschuwing bij een categorie III afwijking, volgt een voorwaardelijke schorsing van ten hoogste 90 dagen (zie artikel 23, derde lid, onderdeel c, van genoemde bijlage).

Voorafgaand aan het geven van een waarschuwing door de certificerende instelling aan de certificaathouder bij geconstateerde afwijkingen uit categorie III of categorie IV kan de certificaathouder een reactie hierop geven (zienswijze). De certificerende instelling kan naar aanleiding daarvan de voorgenomen waarschuwing aanpassen, of de waarschuwing uiteindelijk niet geven. Een waarschuwing is geen voor bezwaar of beroep vatbaar besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarnaast is ook verzwaring mogelijk bij constatering van meerdere afwijkingen uit dezelfde categorie binnen eenzelfde project (artikel 23, derde lid, onderdeel a, van bijlage XIIIe) of binnen eenzelfde jaar (artikel 23, derde lid, onderdeel b, van genoemde bijlage).

Drie afwijkingen in categorie III binnen eenzelfde project leidt tot het aanrekenen als één categorie II afwijking.

Drie afwijkingen in categorie IV binnen eenzelfde project leiden tot een categorie III afwijking.

Wanneer zes categorie IV afwijkingen binnen een periode van één jaar na constatering van de eerste afwijking, worden geconstateerd, leidt dat ertoe dat de zesde afwijking op de escalatieladder wordt beschouwd als een afwijking in de categorie III.

Voor zes afwijkingen uit categorie III binnen een periode van één jaar na constatering van de eerste afwijking geldt dat deze worden beschouwd als één afwijking in categorie II.

Vanaf het moment dat een certificerende instelling een besluit tot schorsing of intrekking neemt, staat de mogelijkheid voor het indienen van bezwaar en beroep open. Wanneer de constatering van meerdere afwijkingen uit dezelfde categorie binnen eenzelfde project of binnen een bepaalde periode leidt tot een verzwaring, die leidt tot een nieuw besluit, dan bestaat wederom de mogelijkheid om daartegen in bezwaar en beroep te gaan. De besluiten die aan een verzwaring zijn voorafgegaan zijn op dat moment al onherroepelijk geworden waardoor daartegen geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid meer open staat, tenzij daartegen uiteraard bezwaar of beroep is ingesteld. Bij constatering van meerdere afwijkingen binnen één bepaalde projectlocatie tijdens een beoordelingsinspectie is sprake van één besluit gebaseerd op die meerdere afwijkingen.

Voorwaardelijke schorsing voor ten hoogste 90 dagen van het procescertificaat

De sanctie van een voorwaardelijke schorsing voor ten hoogste 90 dagen wordt getroffen in de volgende drie situaties:

  • bij constatering van een afwijking in categorie II;

  • bij constatering van drie of meer afwijkingen uit categorie III binnen één projectcontrole die leiden tot ophoging naar een categorie II afwijking; of

  • bij zes afwijkingen uit categorie III binnen een periode van één jaar na constatering van de eerste afwijking die leiden tot een ophoging naar een categorie II afwijking.

Dit volgt uit artikel 23, zevende lid, artikel 23, derde lid, onderdeel a, respectievelijk artikel 23, derde lid, onderdeel b, van bijlage XIIIe.

Wanneer een certificerende instelling een procescertificaat van een certificaathouder voorwaardelijk heeft geschorst, mag de certificaathouder zijn werkzaamheden wel voortzetten op grond van artikel 23, achtste lid, van bijlage XIIIe. Wel dient hij conform artikel 5, onderdeel c, van bijlage XIIIa binnen twee weken aan te tonen dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen. Wanneer de corrigerende maatregelen niet tijdig worden genomen of de genomen maatregelen worden door de certificerende instelling als niet adequaat beoordeeld is sprake van een nieuwe afwijking, die leidt tot een nieuwe procedure die er toe kan leiden dat het procescertificaat onvoorwaardelijk wordt geschorst.

Op het voornemen tot een voorwaardelijke schorsing kan op grond van artikel 24 van bijlage XIIIe door de certificaathouder binnen twee weken na ontvangst van dat voornemen een zienswijze worden ingediend. Daarna neemt de certificerende instelling binnen zeven kalenderdagen een besluit.

Een voorwaardelijke schorsing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen de certificaathouder bezwaar en beroep kan instellen.

Onvoorwaardelijke schorsing voor 30 dagen van het procescertificaat

Een onvoorwaardelijke schorsing van het procescertificaat geldt voor een periode van 30 dagen en vindt plaats in de volgende situaties:

  • bij constatering van drie of meer afwijkingen uit categorie II binnen één projectcontrole;

  • bij constatering van zes afwijkingen uit categorie II binnen een periode van 1 jaar na constatering van de eerste afwijking;

  • wanneer de certificaathouder na een voorwaardelijke schorsing niet uiterlijk binnen twee weken aan de certificerende instelling aantoont dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen die vervolgens door de certificerende instelling akkoord bevonden zijn; of

  • wanneer het werk op de projectlocatie na constatering van een categorie II afwijking en een voorwaardelijke schorsing wordt hervat zonder dat herstelmaatregelen zijn genomen en deze herstelmaatregelen vervolgens door de certificerende instelling adequaat zijn bevonden.

Dit volgt uit artikel 23, vijfde lid, onderdeel a, b, c en d, van bijlage XIIIe.

Degene van wie het procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst mag op grond van artikel 23, zesde lid, van bijlage XIIIe geen werkzaamheden uitvoeren waarvoor een geldig procescertificaat verplicht is. Uiterlijk twee dagen voor afloop van de schorsing van het procescertificaat dient degene van wie het certificaat onvoorwaardelijk is geschorst aan te tonen dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen. Wanneer de corrigerende maatregelen niet tijdig worden genomen of de genomen maatregelen door de certificerende instelling als niet adequaat worden beoordeeld, is sprake van een nieuwe afwijking die leidt tot een nieuwe procedure die er toe kan leiden dat het procescertificaat wordt ingetrokken. Dit is bepaald in artikel 23, vierde lid, onderdeel d, van bijlage XIIIe. De certificerende instelling bevestigt zijn bevindingen zo spoedig mogelijk aan de certificaathouder.

Op het voornemen tot een onvoorwaardelijke schorsing kan door de certificaathouder op grond van artikel 24 van bijlage XIIIe binnen twee weken na ontvangst een zienswijze worden ingediend.

In de uitvoeringspraktijk kan door de certificerende instelling een vooraankondiging aan de certificaathouder plaatsvinden. In deze periode kan een certificaathouder een reactie voorbereiden en voorzieningen treffen. De schorsing gaat in nadat de certificerende instelling het besluit definitief heeft genomen.

Een onvoorwaardelijke schorsing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen de certificaathouder bezwaar en beroep kan instellen. Conform artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht heeft bezwaar of beroep geen schorsende werking.

Intrekking van het procescertificaat

Een procescertificaat wordt ingetrokken in de volgende situaties:

  • bij de constatering van een afwijking van categorie I;

  • indien de certificaathouder onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden heeft verstrekt die geleid zouden hebben tot weigering van het verstrekken van een procescertificaat;

  • indien de certificaathouder werkzaamheden uitvoert terwijl zijn procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst;

  • indien de certificaathouder na een onvoorwaardelijke schorsing van het procescertificaat niet uiterlijk 2 dagen voor afloop van de schorsing aantoont dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen en de genomen corrigerende maatregelen door de certificerende instelling niet adequaat zijn bevonden; of

  • indien binnen een periode van twee jaar na de ingangsdatum van het besluit tot een onvoorwaardelijke schorsing van het procescertificaat van een certificaathouder er wederom een reden bestaat voor een onvoorwaardelijke schorsing van diens procescertificaat.

Dit volgt uit artikel 23, vierde lid, onderdeel a tot en met e, van bijlage XIIIe. Op het voornemen tot een intrekking kan door de certificaathouder op grond van artikel 24 van bijlage XIIIe binnen twee weken na ontvangst een zienswijze worden ingediend.

Een intrekking is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen de certificaathouder bezwaar en beroep kan instellen. Bezwaar en beroep heeft echter geen schorsende werking (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht).

In artikel 21 van bijlage XIIIe is aangegeven hoe een certificerende instelling moet omgaan met een melding, een rapport van bevindingen, een maatregel (zoals een stillegging of bestuurlijke strafbeschikking) of een boeterapport door toezichthoudende overheidsinstellingen. Bij een melding van een toezichthouder maakt de certificerende instelling gebruik van door de toezichthouder opgesteld en beschikbaar gemaakte documentatie, zoals een rapport van bevindingen of een boeterapport. De certificerende instelling gaat uit van de daarin vermelde feiten bij het bepalen van de geconstateerde afwijking en de bijbehorende te treffen sanctie. Voorts is in artikel 22 van bijlage XIIIe bepaald hoe moet worden gehandeld wanneer niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen. Dit moet worden gemeld aan de certificerende instelling die een procescertificaat heeft afgegeven aan het asbestinventarisatiebedrijf dat deze toepassing niet heeft vermeld in het inventarisatierapport.

3. Gevolgen voor het bedrijfsleven, de uitvoering en het toezicht

De gevolgen van deze wijzigingen in de regeling verschillen voor de verschillende partijen die hierbij betrokken zijn. Het gaat daarbij om asbestinventarisatie-bedrijven, asbestverwijderingsbedrijven en hun werknemers, certificerende instellingen die asbestinventarisatiebedrijven, asbestverwijderingsbedrijven dan wel specifieke typen werknemers bij asbestverwijderingsbedrijven certificeren, om opdrachtgevers voor asbestinventarisatie- en asbestverwijderingswerkzaamheden en tenslotte om diverse instanties (zoals toezichthouders en de Stichting Raad voor Accreditatie (RvA)).

Opdrachtgevers voor asbestinventarisatie- en asbestverwijderingswerkzaamheden zullen zelf nauwelijks gevolgen ondervinden van de nieuwe regeling. Van de door hen ingeschakelde asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven zijn de bedrijfsprocessen beter gestroomlijnd volgens de eisen uit de nieuwe bijlage XIIIa. De wijziging van de regeling brengt al met al geen additionele (administratieve) lasten voor opdrachtgevers met zich. Wel valt te wijzen op het vervallen van de verplichting voor opdrachtgevers voor de inventarisatie om een evaluatieformulier in te vullen. Dit betrof het formulier uit paragraaf 7.17.4 van de oude bijlage XIIIa. Daarmee is een als onnodig ervaren administratieve last vervallen.

Ook de gevolgen voor werknemers bij asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven zijn beperkt. Het niveau van bescherming tegen blootstelling aan asbest op basis van de gewijzigde regeling is verbeterd door de introductie van bronafzuiging en de verplichting tot het impregneren van het asbest. Daarnaast zullen werknemers bij asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven te maken krijgen met enkele nieuwe bepalingen uit bijlage XIIIa, XIIIc en XIIIe. De eisen die gelden voor de verschillende typen werknemers die betrokken zijn bij asbestinventarisatie en bij asbestverwijdering en hun taken zijn immers, zoals eerder gezegd, nader gepreciseerd. Datzelfde geldt voor de eisen die gelden voor de verschillende fases in enerzijds het proces van asbestinventarisatie en anderzijds het proces van asbestverwijdering. Ook zullen werknemers te maken kunnen krijgen met de nadere invulling van het sanctiebeleid.

Voor asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven heeft de gewijzigde regeling een aantal gevolgen. Enerzijds is beter beschreven aan welke eisen zij moeten voldoen om een procescertificaat te verkrijgen en te behouden. Dit kan bijdragen aan een betere organisatie van hun bedrijfsprocessen en een verdere professionalisering. Anderzijds omvat de wijziging van de regeling ook enkele nieuwe verplichtingen voor deze bedrijven.

De belangrijkste daarvan zijn de verplichte registraties in het LAVS. In principe is het werken met het LAVS gratis. Aan de registratie van gegevens in het LAVS zijn voor bedrijven evenwel beperkte initiële kosten verbonden zijn. Er moet een eHerkenningsmiddel worden aangevraagd voordat toegang tot het systeem kan worden gekregen. Informatie over het aanvragen van het eHerkenningsmiddel kan worden gevonden op de website www.eHerkenning.nl. Ondernemers of organisaties die zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel of een buitenlands handelsregister kunnen dit aanvragen. Het is voor de gebruiker van het LAVS ook mogelijk om met zijn computersysteem rechtstreeks toegang te krijgen tot het LAVS. Hieraan zijn wel kosten verbonden, maar het bespaart tijd, omdat projecten maar één keer ingevoerd hoeven worden.

Het LAVS kan dan ook financiële voordelen voor bedrijven bieden. Een voordeel is dat door het LAVS de bij een project betrokken partijen beschikken over informatie die enerzijds een zorgvuldige administratie en anderzijds een goede planning en voorbereiding van hun werkzaamheden ondersteunt. Het LAVS bevat immers altijd de meest recente informatie over een asbestproject, waaronder de asbestinventarisatiegegevens. Deze informatie kan op elk moment door alle betrokkenen bij een asbestproject worden geraadpleegd.

Daarnaast biedt de verplichte registratie van gegevens in het LAVS voordelen voor asbestverwijderingsbedrijven die zich zorgvuldig aan de regelgeving houden. De informatie uit het LAVS stelt toezichthouders immers in staat om hun risico-georiënteerde toezicht meer te richten op verwijderingsbedrijven die zich niet of in mindere mate aan de regels houden. Verwijderingsbedrijven die zich wel aan de regelgeving houden zullen dus een vermindering van de toezichtlast ervaren.

(zie ook: Plan van Aanpak, Casus Asbesttoezicht, Sggv, een programma in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, 2011).

In de artikelsgewijze toelichting is meer in detail aangegeven welke overige verplichtingen nieuw zijn voor de asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven.

Certificerende instellingen die asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven certificeren kunnen deze certificatie uitvoeren aan de hand van beter gestroomlijnde en verhelderde eisen in bijlage XIIIa. Dit kan leiden tot een vereenvoudiging in de uitvoering van de certificatie. Daarnaast zijn in de nieuwe bijlage XIIIe de eisen die gelden voor certificerende instellingen en hun wijze van werken, waaronder het door hen toe te passen sanctiebeleid, helderder geformuleerd. Dit kan bijdragen aan een betere structurering van de wijze van werken van certificerende instellingen. De gewijzigde regeling leidt voor certificerende instellingen niet tot hogere (administratieve) lasten. In de artikelsgewijze toelichting is meer in detail aangegeven welke overige verplichtingen nieuw zijn voor de certificerende instellingen.

Ten slotte heeft de gewijzigde regeling gevolgen voor overheidsinstanties, zoals toezichthouders en de RvA. Toezichthouders, zoals de Inspectie SZW, de ILT en omgevingsdiensten, zullen dankzij het LAVS handvatten hebben voor het inrichten van een efficiëntere uitvoering, omdat alle relevante informatie over asbestprojecten centraal beschikbaar komt. Bij asbestverwijdering in risicoklasse 2 en 2A kan bij inspectie direct worden vastgesteld of het project is opgenomen in het systeem, wat de geplande start- en eindtijd is van een project, en of er een werkplan voor de asbestverwijdering is met een daaraan ten grondslag liggend inventarisatierapport. Feitelijke werkzaamheden kunnen gemakkelijker worden vergeleken met het uit het LAVS oproepbare werkplan. Het LAVS zal toezichthoudende overheidsinstanties in staat stellen om hun toezichtcapaciteit meer te richten op bedrijven waarvan vermoed wordt dat ze zich niet of in mindere mate aan de regelgeving houden. De effectiviteit van het toezicht wordt hierdoor verhoogd.

Tot slot zij vermeld dat de nieuwe regeling ook gevolgen heeft voor de beoordelingen door de RvA van certificerende instellingen. Een positieve beoordeling door de RvA is een voorwaarde voor de (voortzetting van) de ministeriële aanwijzing van certificerende instellingen om de wettelijke verplichte certificaten te mogen afgeven. De RvA zal na het van kracht worden van deze nieuwe regeling bij zijn beoordelingen uitgaan van de nieuwe bijlagen XIIIa en XIIIe. Verwachting is dat ook de RvA door de verduidelijking van de eisen aan de certificerende instellingen gebaat is bij de nieuwe regeling.

4. Consultatie

De onderhavige regeling is voorgelegd aan betrokken partijen, waaronder de Inspectie SZW, de RvA, Ascert en branchepartijen. De Inspectie SZW heeft het certificatieschema beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en heeft een zeventiental verbeterpunten aangeleverd. Ook de RvA heeft het schema beoordeeld een aantal punten ter verbetering aangegeven. De binnengekomen reacties zijn, tezamen met opmerkingen van belanghebbende partijen uit de branche, zo veel mogelijk verwerkt in de onderhavige regeling.

5. Overgangsrecht en inwerkingtreding

Bijlage XIIIa

De aanpassingen die voor asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven op basis van bijlage XIIIa gaan gelden hebben deels betrekking op de inrichting van hun eigen organisatie en deels betrekking op de wijze waarop zij hun werkzaamheden uitvoeren.

Wijzigingen inzake de organisatie van een asbestinventarisatiebedrijf zijn onder meer opgenomen in artikel 6, tweede lid, artikel 7, tweede lid, onderdeel d.

Wijzigingen inzake de organisatie van een asbestinventarisatiebedrijf zijn onder meer opgenomen in artikel 32, tweede lid.

Een asbestinventarisatie- of asbestverwijderingsbedrijf dat een certificaat heeft dat geldig is tot een datum op of ná 1 maart 2017, kan op basis van dat certificaat zijn werkzaamheden blijven uitoefenen, maar moet wel voldoen aan de per 1 maart 2017 geldende eisen.

Ten aanzien van deze wijzigingen kan ervan worden uitgegaan dat de periode tussen de publicatie van de onderhavige regeling en de inwerkingtreding per 1 maart 2017 voldoende is voor de betrokken bedrijven om hun organisatie zodanig aan te passen dat per 1 maart 2017 aan de eisen kan worden voldaan. Er is immers voorafgaand aan de publicatie ook uitvoerig overleg geweest met de sector. In dit verband is het tevens van belang om op te merken dat het voor de certificerende instellingen niet mogelijk is om te toetsen of alle bestaande certificaathouders, dus certificaathouders met een lopend certificaat, op het moment van inwerkingtreding ook daadwerkelijk voldoen aan die nieuwe eisen. Een dergelijke toets zal door de certificerende instelling pas plaatsvinden in het kader van de reguliere periodieke beoordelingen (zie artikel 16, 17 en 18 van bijlage XIIIe) of wanneer er een melding door een toezichthoudende overheidsinstelling op grond van artikel 21 van bijlage XIIIe wordt gedaan.

Daarnaast bevat de regeling wijzigingen die zien op de wijze van uitvoering van werkzaamheden van asbestinventarisatie en -verwijdering. Wanneer een asbestinventarisatie is afgerond voor 1 maart 2017, kan het asbestinventarisatierapport worden gebruikt voor een asbestverwijdering die op of ná 1 maart 2017 van start gaat en is gemeld en hoeft het asbestinventarisatierapport niet nog aangepast te worden op basis van de per 1 maart 2017 geldende eisen. De informatie in het asbestinventarisatierapport dat is opgesteld op basis van de eisen die tot 1 maart 2017 golden, is daarvoor voldoende.

Bij meldingen van asbestverwijderingswerkzaamheden die op of ná 1 maart 2017 worden gedaan, gelden de nieuwe regels voor de uitvoering van de werkzaamheden.

Een van de belangrijkste nieuwe verplichtingen van de certificaathouders is de verplichting om meldingen met betrekking tot hun werkzaamheden te doen in het LAVS (zie artikel 18, derde lid, 22, zestiende lid, 40, eerste, tweede, derde en vierde lid, 42, derde lid en 47, vijfde lid).

Denkbaar is dat bedrijven enkele maanden nodig hebben om met dit systeem vertrouwd te raken.

Afgesproken is dat er drie maanden na de inwerkingtreding van deze regeling een evaluatie van het LAVS plaats vindt door de betrokken partijen. Certificerende instellingen die in die periode onvolkomenheden constateren in de naleving door de certificaathouders van de bepalingen waarin verplichtingen zijn opgenomen ten aanzien van het gebruik van het LAVS kunnen in voorkomende gevallen besluiten om dit niet te sanctioneren. Dat ontslaat certificaathouders overigens niet van de informatieplicht naar de toezichthoudende instellingen op basis van onder meer artikel 4.47c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Er kan dus wel gehandhaafd worden door de toezichthoudende overheidsinstelling wanneer niet aan de informatieplicht is voldaan, zoals bijvoorbeeld het melden van de werkzaamheden.

Bijlage XIIIe

Ook voor de certificerende instellingen gelden wijzigingen die betrekking op hun organisatie en op hun werkwijze. Op dit moment zijn er drie certificerende instellingen aangewezen die alle drie zijn aangewezen tot 1 februari 2018.

De inwerkingtreding van de onderhavige regeling maakt het niet noodzakelijk hen opnieuw aan te wijzen, maar zij moeten wel per 1 maart 2017 aan de nieuwe eisen voldoen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verplichting om een procedure te hebben, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, maar bijvoorbeeld ook voor de eisen die op grond van artikel 3 worden gesteld aan de reviewer en de certificaatbeslisser. Uit overleg met de betrokken partijen is gebleken dat het voor de certificerende instellingen geen probleem is om per 1 maart 2017 aan de nieuwe eisen te voldoen.

Tevens is de regelgeving over hun werkwijze op een aantal punten aangepast. Zo zijn bijvoorbeeld de eisen aan de inhoud van een procescertificaat gewijzigd. Uiteraard gelden deze nieuwe eisen alleen voor procescertificaten die worden afgegeven ná inwerkingtreding van de regeling.

Artikel 17 en 18 bevatten nieuwe bepalingen over de beoordelingen van projectlocaties van asbestinventarisatie- en asbestverwijderingsbedrijven en deze bepalingen moeten wél met ingang van 1 maart 2017 worden toegepast. Zoals eerder al is opgemerkt zullen de certificaathouders voor wat betreft hun organisatie per 1 maart 2017 aan de nieuwe eisen moeten voldoen, maar zullen de certificerende instellingen de toetsing niet direct per 1 maart 2017 hebben of kunnen hebben verricht, maar zal die toetsing na verloop van tijd plaatsvinden in het kader van de periodieke beoordelingen of wanneer er een melding wordt gedaan.

Zoals in paragraaf 2.3, onderdeel c, van het algemeen deel uiteen is gezet, is de opzet van de regeling inzake waarschuwing en sancties herzien.

De escalatieladder blijft gelijk voor afwijkingen die gedurende het certificatiejaar worden geconstateerd door de certificerende instelling. Dat betekent dat bij de zesde afwijking van een gelijke categorie binnen één certificatiejaar deze wordt verhoogd tot afwijking in een naastgelegen hogere categorie. Bijvoorbeeld: bij een bedrijf waarbij vijf keer een categorie III afwijking is geconstateerd en waarbij door de certificerende instelling opnieuw een categorie III afwijking wordt geconstateerd, wordt deze zesde categorie III als een nieuwe categorie II gezien.

Het feit dat tijdens de duur van een certificatiejaar de nieuwe regelgeving in werking treedt betekent uiteraard niet dat het bedrijf na de inwerkingtreding van die nieuwe regelgeving met een schone lei kan beginnen. Voorbeeld: het certificatiejaar loopt van 1 juli 2016 tot 1 juli 2017. Wanneer bij een bedrijf in de periode vanaf 1 juli 2016 tot 1 maart 2017 al vijf keer een categorie II afwijking is geconstateerd, en in de periode van 1 maart tot 1 juli 2017 wordt opnieuw een categorie II afwijking geconstateerd, dan is sprake van een zesde afwijking binnen één certificatiejaar. In dat geval is artikel 23, vijfde lid, onderdeel b, van toepassing.

Voor de in artikel 23 omschreven verzwaringen is van belang of er sprake is van een aantal afwijkingen van dezelfde categorie in een bepaalde periode en de vóór 1 maart 2017 geconstateerde afwijkingen tellen mee in het kader van de escalatieladder.

Bij de inwerkingtreding van de onderhavige regeling is van belang dat voor de certificaathouders van wie op dat moment het certificaat is ingetrokken of is geschorst duidelijk is wat de gevolgen van de nieuwe regeling voor hen zullen zijn. Daarom is geregeld dat de certificaathouder daarover door de certificerende instelling wordt geïnformeerd.

Zo zal bijvoorbeeld een op 1 maart 2017 bestaande schorsing, op basis waarvan de certificaathouder geen werkzaamheden mag uitoefenen, bij het desondanks toch uitvoeren van die werkzaamheden op grond van artikel 23, vierde lid, onderdeel c, leiden tot met intrekking van dat certificaat.

Die informatie over de gevolgen van de nieuwe regeling zijn eveneens van belang voor de certificaathouders bij wie vóór de inwerkingtreding afwijkingen zijn geconstateerd die in het kader van de escalatieladder voor een bepaalde periode van belang blijven.

In dat verband is met name relevant hoeveel afwijkingen van welke categorie zijn geconstateerd in het lopende certificatiejaar, dus het certificatiejaar dat is begonnen voor 1 maart 2017 en dat op of na die datum doorloopt.

Uitgangspunt van de regelingswijziging is dat de afwijkingen qua zwaarte zoveel mogelijk tot dezelfde consequenties leiden als op basis van de oude regeling.

Er zijn echter verschillen in de opzet. In de oude indeling leidde een categorie-I afwijking tot onvoorwaardelijke intrekking, een categorie-II afwijking tot schorsing, een categorie-III afwijking tot voorwaardelijke intrekking en een categorie-IV afwijking tot een waarschuwing.

In de nieuwe indeling leidt een categorie- I afwijking eveneens tot intrekking, leidt een categorie-II afwijking tot voorwaardelijke schorsing, leiden meerdere categorie-II afwijkingen onder bepaalde voorwaarden tot een onvoorwaardelijke schorsing en leiden categorie III en IV afwijkingen tot een waarschuwing.

Wanneer mocht blijken dat in één certificatiejaar voor en na de inwerkingtreding identieke afwijkingen zijn geconstateerd, maar de afwijkingen na de inwerkingtreding op basis van de nieuwe categorieindeling als minder ernstig zijn beoordeeld, dan moet die beoordeling ook gelden van de identieke afwijkingen die voor de inwerkingtreding zijn geconstateerd. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde afwijking op basis van de nieuwe regeling ingedeeld zou zijn in categorie III (waarschuwing) maar op basis van de oude regeling ingedeeld zou zijn in categorie II (schorsing), dan moet bij een beoordeling in het kader van de escalatieladder voor identieke afwijkingen uitgegaan worden van dezelfde categorie III.

Nieuw is dat afwijkingen die tijdens dezelfde projectcontrole worden geconstateerd het bedrijf zwaarder worden aangerekend, omdat het begaan van meerdere overtredingen tijdens eenzelfde project een indicatie is dat er op meerdere punten afwijkingen plaatsvinden. In dat geval telt de escalatieladder sneller op en wordt bij drie afwijkingen geëscaleerd naar een naastgelegen hogere categorie (zie artikel 23, derde lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a). Dit geldt dus alleen bij afwijkingen die tijdens dezelfde controle op de projectlocatie zijn aangetroffen. Deze systematiek gaat gelden op en na 1 maart 2017, en heeft dus geen betrekking op projectcontroles die vóór die datum zijn uitgevoerd.

Bijlage XIIIc

In deze bijlage is in de artikelen 12, 12a en 12b uitgewerkt welke sancties moeten worden toegepast door de certificerende instelling wanneer sprake is van een afwijking als bedoeld in bijlage 1 bij bijlage XIIIc.

Het gaat daarbij om een beperkt aantal afwijkingen. Denkbaar is dat ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling door een certificerende instelling al een actie was ondernomen naar aanleiding van een melding van een certificerende instelling procescertificatie of een toezichthoudende overheidsinstelling op grond van artikel 9 of 10 van bijlage XIIIc. Mocht dat het geval zijn, dat is het niet wenselijk dat daarvoor de nieuwe procedure van artikel 12 en volgende gaat gelden.

In de situatie dat het certificaat van een certificaathouder ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe artikelen 12, 12a en 12b al is geschorst of ingetrokken, is het van belang dat deze certificaathouder door de certificerende instelling geïnformeerd wordt over de consequenties. Ook hier is het uitgangspunt van belang dat wanneer ná inwerkingtreding een eerder geconstateerde afwijking als minder ernstig wordt beschouwd en de procedure nog loopt, dit in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

De integratie van bijlage XIIIa en bijlage XIIIb maakt een aanpassing van artikel 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling noodzakelijk.

Artikel I, onderdeel B (Bijlage XIIIa)

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven zijn bijlage XIIIa en bijlage XIIIb helemaal herzien en tot één nieuwe bijlage XIIIa geïntegreerd.

Artikel 1 (Definities en afkortingen)

In dit artikel is een uitgebreide lijst met definities en afkortingen opgenomen. Een aantal van deze omschrijvingen stond ook in paragraaf 2.1 en bijlage B van de voormalige bijlagen XIIIa en XIIIb.

Enkele van de in de voormalige bijlagen omschreven begrippen of afkortingen in deze bijlage worden niet meer of slechts éénmaal gebruikt, worden alleen in de toelichting gebruikt of behoeven geen uitleg. Daarom worden zij niet opnieuw in deze nieuwe bijlage opgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de begrippen afnemer, afvalprocedure, arbeidshygiënische criteria, amfibool, asbestanalyse of certificatiereglement. Ook de begrippen ’CKI’ en ‘CKI-proces’ worden niet meer gebruikt in deze bijlage. De afkorting ‘CKI’ is in deze bijlage overal vervangen door ‘certificerende instelling’. Tevens zijn de volgende begrippen niet meer opgenomen in de lijst met definities en afkortingen: aanwijzing, asbestverwijderingswerk, bouwkundige eenheid, beoordeling, certificaat, certificatieproces, controle, interne beoordelaar, project, risicoanalyse, toezicht, toezicht, handhavende instellingen en ZBO. Het begrip ’eindbeoordelingsinstelling’ is vervangen door ‘inspectie-instelling’.

De term DIA is gedefinieerd als Deskundig Inventariseerder Asbest, en betreft werknemers die asbestinventarisatiewerkzaamheden uitvoeren en deskundig moeten zijn. Een wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit waarin dit is beschreven is per 1-1-2017 in werking getreden (Stb. 2016, 341). Aan die deskundigheidsverplichting wordt in elk geval voldaan indien zij beschikken over een certificaat Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) conform het certificatieschema SC-560 van stichting Certificatie Asbest (Ascert). Het betreffende certificatieschema is op de website www.ascert.nl te vinden.

Alternatieven behoren aantoonbaar even zo goed te zijn.

De term ‘opdrachtgever’ was in de voormalige bijlagen gedefinieerd door te verwijzen naar artikel 1.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, maar die definitie is nu beperkter geformuleerd.

De definities van ‘asbest’, ‘asbestvezel’ en ‘object’ zijn ontleend aan artikel 4.37 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Maar omdat die definities alleen van toepassing worden verklaard op hoofdstuk 4, afdeling 5 en de daarop rustende bepalingen is het nodig om deze hier te herhalen.

Objecten zijn bijvoorbeeld:

  • gas-, waterleiding- en rioolbuizen die behoren tot een buiten een bouwwerk gelegen ondergronds gas-, water- of rioolleidingnet;

  • verwarmingstoestellen (wanneer die aard- en nagelvast aan een bouwwerk zijn verbonden, zijn ze geen object, maar behoren ze tot het bouwwerk);

  • asbestcementbloembakken; en

  • niet meer aan bouwwerken bevestigde producten, zoals asbestcement golfplaten.

Onder ‘object’ wordt, conform artikel 4.37, onderdeel d, van het besluit onder meer verstaan een constructie. In bijlage B bij de oude bijlage XIIIa was een toelichting opgenomen van ‘constructie’ in de context van een asbestinventarisatie. Een constructie was in die toelichting een zelfstandig onderdeel van een bouwwerk, zoals een hangconstructie van een brug, de fundering van een gebouw, de draagconstructie van een viaduct. In dergelijke constructies kunnen soms specifieke asbesttoepassingen voorkomen.

De definitie van ‘asbestverdacht materiaal’ en ‘containment’ is verbeterd.

De definitie van het begrip ‘projectlocatie’ is iets anders geformuleerd, maar dit begrip betekent inhoudelijk hetzelfde.

De definitie van het begrip ‘risicobeoordeling’ is gewijzigd omdat daarvoor nu de exacte titel gebruikt is zoals de NEN 2991 aangeeft. Dat was voorheen niet het geval.

De definitie van het begrip ‘validatie-onderzoek’ is gewijzigd omdat voor validatie-onderzoek nu wordt verwezen naar de nieuwe SCi 547 en SCi 548 omdat dat de protocollen zijn waarin is weergeven hoe dit onderzoek moet geschieden.

Er is nog een aantal nieuwe definities toegevoegd, te weten: asbesthoudend materiaal, asbesttoepassing, asbestverontreiniging, certificatiejaar, corrigerende maatregel, eindbeoordeling, holding, inspectie-instelling, LAVS, niet gerapporteerde asbesttoepassing, pakdag, risicoklasse, SMART en werkgebied.

Artikel 2 (Indieningvereisten aanvraag)

De inhoud van dit artikel is nieuw. De vereisten voor de indiening van een aanvraag voor een procescertificaat zijn in dit artikel expliciet vastgelegd. In paragrafen 7.1 en 7.1.1 van de oude bijlage XIIIa waren wel bepaalde administratieve eisen opgenomen. Voor de opname van indieningsvereisten is gekozen om, voorafgaand aan de start van het initiële certificatietraject, de certificerende instelling in staat te stellen te beoordelen of een bedrijf in principe in aanmerking komt voor een procescertificaat. De indieningsvereisten kunnen door een certificerende instelling worden opgenomen in een model-aanvraagformulier. De certificerende instelling kan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad, binnen een door de certificerende instelling gestelde termijn, de aanvraag aan te vullen (zie artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht).

Met het ‘toepassingsgebied’ in onderdeel b wordt bedoeld het werkveld van de asbestinventarisatie of de asbestverwijdering.

De verklaring in onderdeel c is van belang voor de beoordeling van een aantal aspecten.

Subonderdelen 2° en 3°

De vereisten voor de verklaring in subonderdeel 2° en 3° van onderdeel c zijn opgenomen om te kunnen beoordelen of de bestuurders of aandeelhouders van de aanvrager ook bestuurder of aandeelhouder zijn bij een ander gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf of asbestverwijderingsbedrijf. Op grond van artikel 7 en 25 zijn bepaalde combinaties van functies in de asbestketen niet toegestaan.

Subonderdeel 4°

Met de ‘aanwezige certificaten’ in subonderdeel 4° wordt bedoeld de bij de aanvrager al aanwezige persoons- en procescertificaten. Deze informatie is nodig om te kunnen beoordelen of de aanvrager over voldoende gekwalificeerd personeel voor de asbestinventarisatie of asbestverwijdering beschikt en of de aanvrager al in het bezit is van een procescertificaat waarvoor hij opnieuw een aanvraag indient. Het is op grond van artikel 3 niet toegestaan meerdere procescertificaten te hebben tenzij wordt voldaan de in dat artikel opgenomen nadere eisen.

Subonderdeel 5°

In dit subonderdeel is de eis opgenomen dat de aanvrager, indien van toepassing, aangeeft voor welke van zijn vestigingen het procescertificaat wordt aangevraagd. Deze informatie is van belang voor de beoordelingen van de vestigingen van de certificaathouder door de certificerende instelling, bedoeld in artikel 16 van de nieuwe bijlage XIIIe.

Subonderdeel 6°

Dit onderdeel is opgenomen om te kunnen beoordelen of een aanvrager onderdeel uitmaakt van een concern met meerdere ondernemingen waarbij eventueel al een procescertificaat is verstrekt aan een of meerdere van deze andere ondernemingen.

Subonderdeel 7°

De certificerende instelling beoordeelt mede aan de hand van deze verklaring van de aanvrager of er al dan niet sprake is van een feitelijke voortzetting van een onderneming waarvan het procescertificaat is ingetrokken. Uitgangspunt is dat procescertificaten alleen worden afgegeven aan rechtspersonen of ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (eenmanszaak, VOF, CV en maatschap) die op zelfstandige wijze en op basis van een eigen procescertificaat werkzaam zijn als asbestinventarisatie- of asbestverwijderingsbedrijf. Beoogd wordt te voorkomen dat een aanvrager door het verkrijgen van het procescertificaat feitelijk asbestinventarisatiewerkzaamheden of asbestverwijderingswerkzaamheden kan voortzetten van een onderneming waarvan het procescertificaat is ingetrokken. Het voortzetten van een onderneming met dezelfde mensen en/of middelen is alleen mogelijk indien het procescertificaat van die voort te zetten onderneming niet is ingetrokken in de twaalf maanden voor de aanvraag. Het is aan de certificerende instelling om vast te stellen of hier wel of geen sprake van is.

Onderdeel d is nieuw. Bij een eventuele overstap naar een andere certificerende instelling is het van belang dat deze instelling op de hoogte is van het ‘sanctieverleden’ van de aanvrager. Deze eis sluit aan bij de huidige uitvoeringspraktijk.

Artikel 3 (Meerdere procescertificaten)

De inhoud van dit artikel is nieuw. Dit artikel heeft tot doel te zorgen dat een concern of een onderneming met een vestiging die al in het bezit is van een procescertificaat voor asbestinventarisatie of asbestverwijdering slechts een aanvraag kan indienen voor een extra procescertificaat voor een andere vestiging indien die vestiging een bepaalde omvang heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een onderneming waarvan het certificaat dreigt te worden ingetrokken zijn werkzaamheden kan onderbrengen bij een andere vestiging met een separaat procescertificaat, waardoor de onderneming zodoende ongehinderd zou kunnen blijven doorwerken. Voor iedere vestiging van een asbestinventarisatiebedrijf geldt daarom bij een aanvraag voor een extra procescertificaat als omvangseis dat op iedere vestiging vijf of meer DIA’s werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en door iedere vestiging ten minste 1000 asbestinventarisatierapporten per certificatiejaar worden gerealiseerd. Asbestinventarisatie mag overigens niet in combinatie met asbestverwijdering binnen een onderneming worden uitgevoerd.

Ook alle vestigingen van een asbestverwijderingsbedrijf moeten een bepaalde omvang hebben bij een aanvraag van een extra procescertificaat voor asbestverwijdering. In die situatie geldt de eis dat op elke vestiging ten minste een DTA werkzaam is en minimum 70 pakdagen per certificatiejaar worden gerealiseerd. De term ‘pakdag’ is gedefinieerd in artikel 1. Een ‘pakdag’ houdt in het aantal manuren dat één asbestverwijderaar op een asbestverwijderingswerk met adembeschermingsmiddelen heeft gewerkt gedeeld door zes. De wijze van de berekening van het aantal pakdagen kan worden geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld. Op een project werken twee DAV-ers en één DTA gedurende twee dagen. Op dag 1 werken de DAV-ers elk 6 uur en de DTA 3 uur met adembeschermingsmiddelen. Op dag 2 werken de DAV-ers elk 2 uur en de DTA 2 uur met adembeschermingsmiddelen. Het aantal manuren met adembescherming voor het project bedragen (2 x 6 uur (DAV) + 3 uur (DTA)) + (2 x 2 uur (DAV)+ 2 uur (DTA)) = 15 uur + 6 uur = 21 uur. Het aantal pakdagen voor het project bedraagt 21 uur gedeeld door 6 uur is 3,5.

Het begrip certificatiejaar in dit artikel heeft betrekking op de geldingsduur van het procescertificaat. Het eerste certificatiejaar loopt twaalf maanden vanaf de ingangsdatum van het procescertificaat. Het procescertificaat heeft op grond van artikel 14, vierde lid, van de nieuwe bijlage XIIIe een geldigheidsduur van maximaal drie jaar. Die duur is niet gewijzigd.

De in het derde lid opgenomen eis dat ondernemingen die deel uitmaken van een concern bij dezelfde certificerende instelling hun certificaat moeten aanvragen is overgenomen uit paragraaf 4.3.4, onderdeel b, van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb.

Artikel 4 (Medewerking aan beoordelingen en toezicht)

De in het eerste lid opgenomen verplichting is ontleend aan paragraaf 5.1, eerste en tweede onderdeel, van de oude bijlage XIIIa. De certificaathouder moet medewerking verlenen aan beoordelingen door de certificerende instelling en inspecties door toezichthoudende overheidsinstellingen, zoals de gemeente, omgevingsdiensten en de Inspectie SZW. Dit betreft medewerking aan beoordelingen en inspecties zowel op de vestigingen als op de projectlocaties. De certificaathouder verleent toegang en stelt informatie ter beschikking. Tenslotte verleent de certificaathouder medewerking aan beoordelingen door de RvA die betrekking hebben op het functioneren van de certificerende instelling en de geaccrediteerde inspectie-instellingen en laboratoria.

Uit de in het tweede lid bedoelde wijzigingen kan bijvoorbeeld blijken dat er sprake is van de verkoop van de onderneming of beëindiging van de onderneming. De certificerende instelling controleert of de certificaathouder na de gemelde wijzing nog aan de eisen uit deze bijlage voldoet.

Artikel 5 (Herstelmaatregelen en corrigerende maatregelen)

Het artikel beschrijft de termijnen die gelden voor het nemen van en rapporteren over de noodzakelijke adequate herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen door de certificaathouder. De genoemde termijnen die zijn genoemd in de onderdelen a tot en met d van het vierde lid gelden na ontvangst van het besluit door de certificaathouder van de certificerende instelling. Voor de verdere toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.3, onderdeel c, van het algemene deel van de toelichting op deze regeling en naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 24 van bijlage XIIIe.

Artikel 6 (Organisatie)

In dit artikel zijn de eisen aan de organisatie van een asbestinventarisatiebedrijf weergegeven. De inhoud komt overeen met hieraan gestelde eisen die verspreid waren opgenomen in de oude bijlage XIIIa.

De in het eerste lid opgenomen eis inzake inschrijving in het handelsregister stond in paragraaf 7.1.1 van de oude bijlage XIIIa.

Het tweede lid is nieuw. Voor een goede uitvoering van asbestinventarisatiewerkzaamheden worden een bepaalde bedrijfsomvang en ruime werkervaring noodzakelijk geacht.

De in het derde lid opgenomen eis inzake een door alle bestuurders ondertekende verklaring stond eveneens in paragraaf 7.1.1 van de oude bijlage XIIIa. Daarin werd onder meer gesproken over de eigendomsverhoudingen en dat is geconcretiseerd door onderdeel c.

De in het vierde lid opgenomen eis inzake een document over doel en deskundigheid lijkt inhoudelijk op de in paragraaf 7.1.1 opgenomen verplichting om doel en dienstverlening actueel te hebben vastgelegd.

De in vijfde lid opgenomen eis inzake het beschikken van bepaalde actuele kennis was in de oude bijlage XIIIa alleen per functionaris geformuleerd en is nu als algemeen geldende eis geformuleerd.

Het zesde lid inzake een aansprakelijkheidsverzekering stond ook in paragraaf 7.1.6 van de oude bijlage XIIIa.

Artikel 7 (Samenwerking, onverenigbaarheid van functies en uitbesteding)

De in dit artikel opgenomen bepalingen over combinaties van functies en over relaties die niet zijn toegestaan binnen de asbestketen stonden al in paragraaf 7.1.2 van de oude bijlage XIIIa. Het in het tweede lid, onderdeel e, opgenomen verbod op het gelijktijdig vervullen van de functie van bestuurder of aandeelhouder bij meerdere asbestinventarisatiebedrijven is nieuw. Deze bepaling is opgenomen om tegen te gaan dat werkzaamheden na de intrekking van een procescertificaat worden voortgezet onder een ander procescertificaat.

Artikel 8 (Personeel)

In dit artikel worden eisen aan het asbestinventarisatiebedrijf gesteld in relatie tot zijn personeel dat betrokken is bij de asbestinventarisatie. Voor de omschrijving van deze eisen is grotendeels aangesloten bij de eisen die verspreid waren opgenomen in paragrafen 7.2 en 7.6 van de oude bijlage XIIIa. In de oude bijlage werden de termen ‘medewerkers’, ‘personeel’ en ‘werknemers’ gebruikt. Om aan te sluiten bij de Arbeidsomstandighedenwet is in deze regeling gekozen voor de term ‘werknemers’. Dat begrip heeft een ruime strekking. Zie artikel 1, eerste en tweede lid, van de wet.

Het eerste lid inzake onafhankelijkheid van de werknemers is nieuw, maar in paragraaf 7.2 was al bepaald dat het personeel gevrijwaard moet worden van alle vormen van druk die het oordeel van dat personeel zou kunnen beïnvloeden.

Het tweede lid inzake het opleidingsplan is ontleend aan paragraaf 7.6.3.

Het derde lid inzake de registratie van opleidingen lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.6.4.

Het vierde lid inzake een gedragscode voor werknemers lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.6.5.

Artikel 9 (Technisch eindverantwoordelijke)

In dit artikel worden de eisen die gelden voor de technisch eindverantwoordelijke opgesomd. Deze eisen waren al opgenomen in paragraaf 7.4.2 van de oude bijlage XIIIa. De technisch eindverantwoordelijke is degene die verantwoordelijk is voor het asbestinventarisatieproject en het asbestinventarisatierapport accordeert. De technisch eindverantwoordelijke is ook DIA. Zie ook de toelichting bij de definitie van DIA in artikel 1 van Bijlage XIIIa. De eis dat de technisch eindverantwoordelijke bepaalde regelgeving moet kennen is niet meer opgenomen, omdat zij besloten ligt in de eis kennis te hebben van het kwaliteitssysteem.

Artikel 10 (Kwaliteitsfunctionaris)

In dit artikel zijn de eisen ten aanzien van de kwaliteitsfunctionaris opgenomen. De eisen komen overeen met die uit paragraaf 7.5.4 van de oude bijlage XIIIa, met dien verstande dat de kwaliteitsfunctionaris wordt “benoemd” in plaats van “aangewezen” en dat expliciet is aangegeven dat deze functionaris verantwoordelijkheid is voor het beheer van het kwaliteitssysteem.

Artikel 11 (Interne beoordelingen)

Het eerste lid beschrijft omvang en diepgang van de interne beoordeling. In het tweede lid van dit artikel zijn de eisen opgenomen ten aanzien van de personen die de interne beoordelingen binnen het asbestinventarisatiebedrijf moeten uitvoeren. In paragraaf 7.5.8 van de oude bijlage XIIIa waren vergelijkbare eisen opgenomen, met dien verstande dat de functie van interne beoordelaar niet in deze nieuwe bijlage is overgenomen. Het moet gaan om een persoon die aantoonbaar voldoet aan de eisen uit artikel 11.

Een persoon die in het bezit is van een diploma ADK of het ADK-certificaat wordt geacht aan de eisen onder a tot en met e te voldoen. Dit betreft door de beheerstichting afgegeven documenten waarmee iemand kan aantonen ‘asbestdeskundige’ te zijn en daarbij te voldoen aan door de beheerstichting geformuleerde eisen. Het betreft hier dus geen persoonscertificaten als bedoeld in artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarvoor geldende eisen zijn niet uitgewerkt in een ministeriële regeling. In de praktijk wordt al geruime tijd met deze documenten gewerkt.

Artikel 12 (Kwaliteitssysteem)

De inhoud van dit artikel komt grotendeels overeen met paragraaf 7.5 van de oude bijlage XIIIa.

De inhoud van het tweede lid komt grotendeels overeen met paragraaf 7.5.3.

Het derde lid over het beheer van de documenten lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.5.6.

De inhoud van het vierde lid lijkt op paragraaf 7.5.10, maar is nog iets nader uitgewerkt. Nieuw is dat expliciet is bepaald dat deze toetsing moet worden uitgevoerd door één of meerdere personen die een onafhankelijke positie hebben ten opzichte van het kwaliteitssysteem en zij moeten ook onafhankelijk beoordelen of personen de werkzaamheden conform het kwaliteitssysteem uitvoeren. Bij de beoordeling van deze personen wordt onder meer bezien of deze over de noodzakelijke persoonscertificaten beschikken.

Uiteindelijk dient de directie van het asbestinventarisatiebedrijf de resultaten van de beoordeling van het kwaliteitssysteem vast te leggen (vijfde lid).

Artikel 13 (Faciliteiten en arbeidsmiddelen)

Dit artikel stelt een aantal eisen aan het beschikbaar stellen, het gebruik en het onderhoud van de arbeidsmiddelen en het beschikken over en het bieden van passende faciliteiten, zoals opgenomen in het eerste en tweede lid. Eisen ten aanzien van arbeidsmiddelen gelden overigens ook voor ingehuurde arbeidsmiddelen. Het derde lid regelt dat de arbeidsmiddelen die worden ingezet voor de asbestinventarisatie in goede staat moeten verkeren. De basis hiervoor is goed onderhoud. Dat arbeidsmiddelen moeten worden onderhouden, opdat ze altijd in een goede staat verkeren, is opgenomen in artikel 7.5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Veelal is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het arbeidsmiddel informatie gegeven over het onderhoud.

Nieuw is dat is gekozen voor de verzamelterm ‘arbeidsmiddelen’ voor alle gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen. De eisen zijn ontleend aan de paragrafen 7.7.1, 7.7.3, 7.7.4, 7.7.5, 7.7.6, 7.7.10 en 7.14.4 van de oude bijlage XIIIa. Onder ‘arbeidsmiddelen’ vallen ook de in paragraaf 7.7.9 van de oude bijlage XIIIa genoemde ‘geautomatiseerde apparatuur en computer’.

Het tweede lid komt inhoudelijk overeen met paragraaf 7.7.1.

De inhoud van het derde lid komt materieel overeen met paragraaf 7.7.3.

De in het vierde lid opgenomen eis inzake een unieke code was in paragraaf 7.7.4 iets anders geformuleerd door te eisen dat uitrusting en materieel gekenmerkt moeten zijn.

De inhoud van het vijfde en zesde lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.7.5 en 7.7.6.

De inhoud van het zevende en achtste lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.7.10.

De eisen aan persoonlijke beschermingsmiddelen zijn opgenomen in artikel 14.

In paragraaf 7.14.4 van de oude bijlage XIIIa was een gedetailleerde lijst met materialen en hulpmiddelen opgenomen. Deze lijst is niet overgenomen. In artikel 17, tweede lid, onderdeel d, staat nu dat in het asbestinventarisatieplan wordt aangegeven welke arbeidsmiddelen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de asbestinventarisatie.

Artikel 14 (Persoonlijke beschermingsmiddelen)

Voor de persoonlijke beschermingsmiddelen zijn specifieke eisen opgenomen. Over kleding werd in paragraaf 7.16.3.2 van de oude bijlage XIIIa alleen bepaald dat bij monsterneming beschermende kleding moest worden gedragen.

Het eerste en tweede lid zien alleen op adembeschermingsmiddelen. Deze eisen waren voorheen in de laatste alinea van paragraaf 7.14.4 van de oude bijlage XIIIa uitgewerkt. De pasvorm van het ademhalingsbeschermingsmasker moet goed aansluiten bij het gezicht van de drager van het masker. In het Engels wordt dit aangeduid met de juiste ‘fit’. In Groot Brittannië is door de Britse Health and Safety Executive (HSE) een protocol ontwikkeld voor het fittesten van maskers. Nieuw is dat de uitvoering van de facefit-test moet worden uitgevoerd door een erkende tester, waarbij is aangesloten bij het HSE-protocol. De vereniging die zich inzet voor arbeidsomstandigheden, -veiligheid en -gezondheid, industriële hygiëne, acute gezondheidszorg en milieubewaking (AVAG) heeft een erkenningsregeling opgesteld waarmee facefit-testers op een verantwoorde wijze de facefit-testen kunnen uitvoeren.

De in het eerste lid, onderdeel f, opgenomen verplichting dat de DIA de adembeschermingsmiddelen goed onderhoudt en schoon houdt is nu expliciet geformuleerd, maar maakte al onderdeel uit van het instructieprogramma. Het online instructieprogramma adembescherming kan gevolgd worden via www.vezelveiligheid.nl.

De beschikbaarheid van het in onderdeel g genoemde certificaat kan zowel door een fysiek exemplaar als ook met een digitaal exemplaar worden aangetoond.

Artikel 15 (Inkoop en afnamecontrole)

De eisen met betrekking tot de inkoopprocedures in dit artikel zijn overgenomen uit paragraaf 7.7.8 van de oude bijlage XIIIa, met uitzondering van de onderdelen b en c. De eis tot het gebruik van de geëigende inkoopdocumenten is niet overgenomen omdat het inkoopproces in grote mate is geautomatiseerd. De afnamecontrole is nu geregeld in artikel 15.

Artikel 16 (Vooronderzoek asbestinventarisatie)

In dit artikel zijn de eisen aan het onderzoek voorafgaand aan de asbestinventarisatie opgenomen. Het asbestinventarisatiebedrijf voert dit vooronderzoek uit, stelt daarna een asbestinventarisatieplan op en vervolgens een asbestinventarisatierapport. Een goed uitgevoerd vooronderzoek is belangrijk omdat hiermee de kans op asbestverdacht materiaal in een vroegtijdig stadium in kaart kan worden gebracht. Gebleken is dat niet gerapporteerd asbestverdacht materiaal veelal wél door een goede uitvoering van een vooronderzoek ontdekt had kunnen worden.

Een belangrijk onderdeel van het vooronderzoek is het historisch onderzoek. Op oudere bouwtekeningen, de documenten van eerder uitgevoerde asbestverwijderingen en andere bouw- en verbouwingsdocumenten staat vaak relevante informatie over de materialen die in de gebouwen en objecten zijn toegepast. Ook beschrijvingen van eerdere calamiteiten of incidenten kunnen bruikbare informatie bevatten. Bij onderhoudspersoneel, (ex) werknemers van de opdrachtgever, bewoners en gebruikers is vaak kennis aanwezig over in het verleden uitgevoerde werkzaamheden in gebouwen en objecten en over de eventuele aanwezigheid van asbestverdacht materiaal.

In paragraaf 7.16.1 van de oude bijlage XIIIa was al bepaald dat het asbestinventarisatiebedrijf de opdrachtgever moet verzoeken om de relevante documenten en archieven beschikbaar te stellen. Het asbestinventarisatiebedrijf moet ook kunnen aantonen dat het dit verzoek heeft gedaan. In paragraaf 7.16.2 van de oude bijlage XIIIa was al de verplichting opgenomen om deskresearch te doen. Het begrip ‘deskresearch’ was in bijlage B bij de oude bijlage XIIIa gedefinieerd als ‘het uitvoeren van bureauonderzoek naar de bouwhistorie van een object’. In paragraaf 7.16.1 werd ook al bepaald dat de opdrachtgever verzocht moest worden de mogelijkheid te bieden (ex-) werknemers te laten interviewen. Wanneer de opdrachtgever de bouwtekeningen niet (meer) heeft, dan vraagt het inventarisatiebedrijf deze bij de betreffende gemeente op, tenzij het zo’n eenvoudige constructie van een bouwwerk betreft zoals bijvoorbeeld een stal, een schuur of berging dat het beschikken over de bouwtekening niet noodzakelijk is voor het onderzoek. Het opvragen van bouwtekeningen bij de betreffende gemeente kan soms redelijkerwijs ook niet gevergd worden wanneer er grote spoed is in verband met onderzoek na een calamiteit.

Artikel 17 (Asbestinventarisatieplan)

In dit artikel staan de eisen waaraan het asbestinventarisatieplan moet voldoen. Vergelijkbare eisen stonden in de paragrafen 7.14 en 7.16 van de oude bijlage XIIIa.

De in het eerste lid genoemde unieke projectcode is belangrijk omdat hierdoor het asbestinventarisatieplan altijd herleidbaar is. Deze eis is nieuw in relatie tot het asbestinventarisatieplan. In paragraaf 7.8 van de oude bijlage XIIIa was dit wel al geregeld met betrekking tot het asbestinventarisatierapport waarbij de projectcode werd aangeduid als de project identificatiecode.

De meeste in het tweede lid opgenomen inhoudelijke eisen die aan het asbestinventarisatieplan worden gesteld, zijn niet nieuw. De inhoud van het tweede lid, onderdeel a, beschrijft de onderzoeksopdracht die de DIA moet uitvoeren.

De in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen verplichting om de informatie uit het vooronderzoek te betrekken bij het asbestinventarisatieplan stond ook in paragrafen 7.16.1 en 7.16.2 van de oude bijlage XIIIa.

De in het tweede lid, onderdeel c, opgenomen verplichting geeft aan welke maatregelen de DIA moet nemen om emissie van asbest bij het inventariseren zo veel mogelijk te voorkomen.

De in het tweede lid, onderdeel d, opgenomen verplichting stond al in paragraaf 7.14.4 van de oude bijlage XIIIa.

De in het tweede lid, onderdeel e, genoemde lijst met aandachtspunten is een checklist toegespitst op het te inventariseren bouwwerk of object. Die verplichting stond ook in paragrafen 7.8.3 en 7.16.2 van de oude bijlage XIIIa.

Ingevolge het derde lid moet het asbestinventarisatieplan altijd op de projectlocatie aanwezig zijn. De werknemers betrokken bij de asbestinventarisatie kunnen het plan daar inzien en nagaan of hun werkzaamheden overeenkomstig het plan plaatsvinden. Daarnaast is de aanwezigheid van het asbestinventarisatieplan op de projectlocatie ook noodzakelijk voor de beoordelingen door de certificerende instelling en eventuele inspecties van de toezichthoudende overheidsinstellingen.

Artikel 18 (Voorbereiding en melding asbestinventarisatie)

De in dit artikel opgenomen eisen aan de voorbereiding en de melding van de start van de asbestinventarisatie stonden verspreid in de paragrafen 7.8 en 7.16 van de oude bijlage XIIIa. Deze eisen zijn aangepast.

De inhoud van het eerste lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.9.3 van de oude bijlage XIIIa.

Nieuw is dat in het tweede lid expliciet is geregeld dat het asbestinventarisatiebedrijf een DIA aanwijst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van asbestinventarisatie.

Het derde lid regelt de melding van de projectgegevens door het asbestinventarisatiebedrijf in het LAVS. Het asbestinventarisatiebedrijf moet dit doen als de opdrachtgever dit niet heeft gedaan. Vergelijk paragraaf 5.1 van de oude bijlage XIIIa. Een certificerende instelling heeft toegang tot het LAVS en kan op deze wijze de projectgegevens inzien. In het algemeen deel van de toelichting is de introductie van het LAVS al nader toegelicht (zie paragraaf 2.3).

Ook is nieuw het vierde lid waarin de inhoudelijke eisen aan de controlewerkzaamheden van de DIA voor aanvang van het project zijn vastgelegd. De DIA legt de resultaten van deze controle vast (vijfde lid).

Indien uit de controle blijkt dat niet aan deze eisen wordt voldaan dan moet het asbestinventarisatieplan worden aangepast (zesde lid).

In het zevende lid is geregeld dat een asbestinventarisatiebedrijf pas mag beginnen met de asbestinventarisatie na een melding aan de certificerende instelling. Dat stond ook al in paragraaf 7.8.1 van de oude bijlage XIIIa. Nieuw is dat de certificaathouder de inventarisatie ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden moet melden aan de certificerende instelling. Het achtste lid regelt dat een melding vooraf in bepaalde gevallen niet vereist is, bijvoorbeeld in geval van een calamiteit. Dan kan volstaan worden met een melding die zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 24 uur na begin van de asbestinventarisatiewerkzaamheden worden gedaan. Het achtste lid lijkt inhoudelijk op artikel 40, derde lid, dat betrekking heeft op asbestverwijdering zonder melding vooraf in het LAVS.

Artikel 19 (Uitvoering asbestinventarisatie)

Dit artikel bevat de eisen voor de uitvoering van de asbestinventarisatie. De eisen waren verspreid opgenomen in de paragrafen 7.8.5, 7.8.7, 7.9.2, 7.14, 7.15 en 7.16 van de oude bijlage XIIIa.

De in het eerste lid opgenomen eis betreft de minimale omvang van een asbestinventarisatie, waarbij is aangesloten bij het gebied dat na de asbestverwijdering aan een eindbeoordeling wordt onderworpen. Een asbestinventarisatie beperkt zich niet tot een inventarisatie van afzonderlijke bronnen of constructiedelen. Het verbod om de inventarisatie niet te beperken tot afzonderlijke bronnen of constructiedelen is opgenomen om te voorkomen dat de opdrachtgevers de asbestinventarisatiebedrijven met een te beperkte opdracht een onderzoek laten uitvoeren waardoor de veiligheid van de personen die de asbestverwijderingswerkzaamheden uitvoeren onvoldoende wordt gewaarborgd. Een dergelijke verplichting was al ook opgenomen in paragraaf 7.15.2 van de oude bijlage XIIIa.

In het tweede lid is nu expliciet opgenomen dat de asbestinventarisatie moet worden uitgevoerd door een DIA. De in de derde lid opgenomen eis was al in verschillende onderdelen van de oude bijlage XIIIa verwoord, zie bijvoorbeeld paragraaf 7.

De in het vierde lid bedoelde controle van de arbeidsmiddelen door de DIA is nieuw. Hiermee wordt zeker gesteld dat de arbeidsmiddelen voldoen aan het beoogde gebruik. Ook artikel 13 stelt eisen aan het asbestinventarisatiebedrijf in relatie tot de arbeidsmiddelen. Het vijfde lid is nieuw en waarborgt dat de DIA zich houdt aan het asbestinventarisatieplan.Het zesde en zevende lid zijn ook nieuw en waarborgen dat de relevante documenten uit het kwaliteitssysteem voor de uitvoering op projectlocatie op de werkplek aanwezig zijn en dat een registratie van de bevindingen plaatsvindt die tijdens het veldwerk worden gedaan (vergelijk ook paragraaf 7.8.7 van de oude bijlage XIIIa). Ten aanzien van waarnemingen die relevant zijn conform het zevende lid geldt in ieder geval dat de volgende parameters tekstueel worden geregistreerd in het plan:

  • een uniek bronnummer;

  • een beschrijving van het asbesthoudende materiaal;

  • de plaats(en) waar het asbesthoudende materiaal is aangetroffen;

  • de mate van beschadiging van de aangetroffen asbesttoepassingen;

  • de mate van verwering van de aangetroffen asbesttoepassingen, aangeduid met de kwalificatie niet verweerd, licht verweerd of ernstig verweerd;

  • de hoeveelheid van de aangetroffen asbesttoepassingen;

  • hoe de asbesttoepassingen bevestigd zijn;

  • of de toepassing binnen of buiten is aangetroffen;

  • de ingeschatte verwijderingsmethode.

Het achtste lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.9.2 van de oude bijlage XIIIa.

Artikel 20 (Monsterneming en analyse)

De inhoudelijke eisen in dit artikel met betrekking tot monsterneming en analyse komen grotendeels overeen met de eisen uit de paragrafen 7.9, 7.14.11 en 7.16.3.2 van de oude bijlage XIIIa.

Het eerste lid is nieuw. Als er documentatie is waaruit blijkt waar het asbesthoudende materiaal zich in het object bevindt, welke soort asbest is toegepast en wat het percentage asbest is, hoeft er geen monster genomen te worden. Deze mogelijkheid geldt alleen voor objecten en niet voor bouwwerken. Deze informatie kan worden verkregen uit de productgegevens van een fabrikant of uit eerdere onderzoeken naar de asbesttoepassingen. Als het nemen van een monster niet mogelijk blijkt omdat de asbesthoudende toepassing in het object verwerkt is en het nemen van een monster kan leiden tot asbestvezelemissie en de risicoklasse door het ontbreken van een percentage asbest niet bepaald kan worden door middel van SMART, moet de toepassing in de hoogste risicoklasse worden ingedeeld.

Ook nieuw is dat in het tweede lid expliciet is vastgelegd dat het asbestinventarisatiebedrijf er voor zorgt dat een DIA het monster neemt. In paragraaf 7.14.11 stond al dat de inventariseerder ten minste één representatief monster neemt per onderzoeksproject.

De inhoud van het derde lid is ontleend aan paragraaf 7.14.11.

Van materialen waarin het asbest niet homogeen aanwezig is zoals leidingisolatie en beglazingskit dienen meerdere monsters op verschillende toepassingslocaties te worden genomen.

De in het vierde lid opgenomen verplichting stond al in paragraaf 7.9.1 en richt zich op de herleidbaarheid van de plaats waar de monsters zijn genomen. Wanneer door bij verplichting veiligheidsoverwegingen (security) een rol spelen, bijvoorbeeld op defensielocaties, dan kan de opdrachtgever in overleg met het inventarisatiebedrijf een alternatief voorstellen waarbij de herleidbaarheid van de monsters toch wordt geborgd, maar rekening houdende met die overwegingen.

De inhoud van het vijfde lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.16.3.2. De verplichting uit het zesde lid is vergelijkbaar met eisen uit van de oude bijlage XIIIa, waaronder paragraaf 7.14.11.

Artikel 21 (Maatregelen bij het aantreffen van beschadigd asbestverdacht materiaal)

In paragraaf 7.3.2 van de oude bijlage XIIIA was vastgelegd indien tijdens de asbestinventarisatie asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen worden aangetroffen die in redelijk vermoeden kunnen leiden tot een directe normoverschrijdende blootstelling aan asbestvezels in de lucht dit terstond aan de opdrachtgever moest worden gemeld met de dringende aanbeveling een aanvullende risicobeoordeling conform NEN 2991 te doen uitvoeren. Deze eis werd in de praktijk door asbestinventarisatiebedrijven op een verschillende wijze uitgelegd en toegepast. In sommige gevallen leidde dit tot onnodige en kostbare onderzoeken. In andere gevallen werd een asbestblootstellingsonderzoek niet uitgevoerd, terwijl dit wel noodzakelijk was. In dit nieuwe artikel is preciezer aangegeven welke handelingen plaats moeten vinden wanneer beschadigd asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen. Het asbestinventarisatiebedrijf moet dan de omvang van een eventuele verontreiniging vaststellen.

Het eerste lid ziet op de beoordeling en beschrijving van een aantal aspecten. Het tweede beschrijft de methode van beoordeling voor de aanwezigheid op het niet of wel aanwezig zijn van een visueel waarneembare asbestverdachte verontreiniging. In oude bijlage XIIIa werd een verontreiniging door beschadigd asbesthoudend materiaal aangeduid als een ‘asbestbron’, maar werd dit begrip niet nader gespecificeerd. Dat gebeurt nu wel met dit artikel, waarbij is vastgelegd hoe de verontreiniging in kaart moet worden gebracht.

Het derde en vierde lid zijn nieuw en waarborgen dat in een situatie waar sprake is van een redelijk vermoeden van een concentratie aan asbestvezels boven de grenswaarde de opdrachtgever terstond wordt geïnformeerd. En wanneer een bouwwerk nog in gebruik is, wordt ook de toezichthoudende overheidsinstelling op de hoogte gesteld. Het gaat dan om een mogelijke ernstige verontreiniging door niet hechtgebonden asbestverdachte materialen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever om organisatorische maatregelen te nemen en een risicobeoordeling uit te laten voeren.

Artikel 22 (Asbestinventarisatierapport)

Artikel 4.54a van het Arbeidsomstandighedenbesluit beschrijft de uitgangspunten van de asbestinventarisatie en de verplichting om de resultaten van de inventarisatie op te nemen in een inventarisatierapport.

Artikel 22 beschrijft de eisen aan het asbestinventarisatierapport. In de oude bijlage XIIIa werd een onderscheid gemaakt tussen een Type-A en een Type-B asbestinventarisatierapport. Dit is onderscheid is komen te vervallen. De reden hiervoor is dat in de praktijk veel verwarring bestond over de geschiktheid van beide rapporten voor de asbestverwijdering. Voor de achtergrond van deze wijziging wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van het algemene deel van deze toelichting.

In het eerste lid staat nu expliciet dat het asbestinventarisatiebedrijf een asbestinventarisatierapport opstelt waarin de asbesthoudende materialen worden beschreven.

De in het tweede lid opgenomen eisen aan het titelblad waren opgenomen in paragraaf 7.17.2.1 van de oude bijlage XIIIa. De verplichting om de adresgegevens van de onderzochte projectlocatie (tweede lid, onderdeel c) te vermelden is nieuw. Bij de geschiktheid (tweede lid, onderdeel e) moet aangegeven worden voor welk doel het rapport geschikt is, bijvoorbeeld uitsluitend het verwijderen van de geïnventariseerde asbesthoudende materialen, voor renovatie of voor sloop. De verplichting om de naam van de DIA te vermelden is niet nieuw, maar wel dat ook de naam van de technische verantwoordelijke vermeld moet worden (tweede lid, onderdelen f en g).

Bij de reikwijdte van het asbestinventarisatieonderzoek (derde lid, onderdeel a) is van belang om aan te geven of het om een heel of gedeeltelijk gebouw of object gaat en welk deel dat betreft.

In het vierde lid komen bepalingen uit de paragrafen 7.16.1, 7.17.2.5 en 7.17.2.8 van de oude bijlage XIIIa samen. Het nieuwe lid verplicht dat de resultaten van het vooronderzoek, dat is opgenomen in artikel 16, worden opgenomen in het asbestinventarisatierapport.

Met het vijfde lid wordt een aantal kenmerken van het aangetroffen asbesthoudende materiaal vastgelegd in het asbestinventarisatierapport. Diverse onderdelen van deze verplichting stonden in de oude bijlage XIIIa in paragraaf 7.17.2.5. De verplichting om SMART te gebruiken stond al in paragraaf 3.4.6 van de oude bijlage XIIIa. Voor afwijkingen van SMART was paragraaf 3.4.7 van de oude bijlage XIIIa relevant. In onderdeel h en i wordt gevraagd om de mate van beschadiging en de mate van verweerdheid van de aangetroffen asbesttoepassing te vermelden. Deze vermelding betreft een beschrijving op basis van visuele inschatting.

De verplichtingen in het zesde en zevende lid zijn nieuw en zijn opgenomen om te komen tot een verdere standaardisatie en kwaliteitsverbetering van de rapportages op het gebied van asbestinventarisatie.

Het achtste lid regelt het vastleggen van de SMART-risicoclassificaties. In paragraaf 7.17.2.8, onder l, van de oude bijlage XIIIa was dit ook voorgeschreven.

De inhoud van het negende lid is nieuw omdat het al dan niet asbesthoudend zijn van materiaal wordt bepaald door de analyse en het brondocument essentieel wordt geacht om onderdeel uit te maken van de rapportage.

Met het tiende lid wordt geregeld dat de rapportage van een validatieonderzoek moet worden gevoegd bij het asbestinventarisatierapport.

In het elfde lid is opgenomen dat indien bij een asbestinventarisatie wordt geconstateerd dat er sprake is van asbesthoudende materiaal dat niet binnen het toepassingsgebied van deze regeling vallen, zoals bij de aanwezigheid van asbest in de bodem, er in het asbestinventarisatierapport een advies wordt opgenomen voor het uitvoeren van een separaat onderzoek overeenkomstig de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Dit is daarmee iets ruimer dan het bepaalde in paragraaf 7.14.3.

Nieuw is het twaalfde lid waarin staat dat het asbestinventarisatierapport wordt ondertekend door een technisch eindverantwoordelijke van het asbestinventarisatiebedrijf.

Ook het dertiende lid is nieuw. In paragraaf 7.11.4 was alleen bepaald dat correcties of toevoegingen aan een rapport moeten worden vastgelegd en onderbouwd met inachtneming van de in dat hoofdstuk omschreven eisen. Uit het dertiende lid volgt verder dat correcties of toevoegingen aan het asbestinventarisatierapport leiden tot een herzien rapport dat opnieuw wordt gedateerd en ondertekend door de technisch verantwoordelijke. Het inventarisatierapport moet de situatie beschrijven van het moment van het vaststellen van het rapport. Indien bij de werkzaamheden nieuwe asbesttoepassingen worden aangetroffen dient conform artikel 23, vierde lid, een aanvullende inventarisatie uitgevoerd. Het asbest moet immers volledig zijn geïnventariseerd en in het asbestinventarisatierapport zijn opgenomen voordat werkzaamheden worden aangevangen of voortgezet. Een inventarisatierapport dat bestaat uit een rapport met losse bijlagen biedt onvoldoende duidelijkheid. Het veertiende lid is nieuw, de geldigheidsduur van een inventarisatierapport was niet expliciet geregeld, maar in paragraaf 7.14.2 was bepaald dat een inventarisatierapport dat ouder is dan drie jaar getoetst moet worden op de actualiteit.

De in het vijftiende lid verplichting om het asbestinventarisatierapport ten minste tien jaar te bewaren lijkt inhoudelijk op paragraaf 7.10.3.

Met het zestiende lid wordt het opnemen van alle gegevens van de uitgevoerde asbestinventarisatie, inclusief het asbestinventarisatierapport als geheel, in het LAVS verplicht gesteld. De introductie van het LAVS is al toegelicht in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van de toelichting.

Op grond van artikel 4.54d, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet een afschrift van het inventarisatierapport op de arbeidsplaats aanwezig zijn. Door ook het asbestverdacht materiaal dat na onderzoek niet asbesthoudend blijkt te zijn op te nemen in de rapportage, kunnen onderzoeken van mogelijk niet gerapporteerde asbesthoudend materiaal, zoals bedoeld in artikel 23, worden voorkomen.

Artikel 23 (Onderzoek bij melding van niet gerapporteerde asbesthoudend materiaal)

Dit artikel is nieuw en draagt zorg voor een gedegen oorzaakanalyse bij het aantreffen van niet gerapporteerde asbesthoudende materialen met als doel dit in de toekomst te voorkomen. Het vijfde lid, onderdeel b schrijft voor dat in de rapportage met de oorzaakanalyse moet zijn beschreven of het asbesthoudend materiaal al dan niet opgenomen had moeten worden in het oorspronkelijke asbestinventarisatierapport. Door de verplichte registratie wordt inzicht verkregen in hoe vaak asbesthoudend materiaal bij een asbestinventarisatie niet ontdekt wordt. Daarnaast wordt hiermee bewerkstelligd dat asbestinventarisatiebedrijven die herhaaldelijk asbesthoudend materiaal niet rapporteren, terwijl dit wel binnen de reikwijdte van het onderzoek vallen, kunnen worden gesanctioneerd.

Artikel 24 (Organisatie)

In dit artikel zijn de eisen aan de organisatie van een asbestverwijderingsbedrijf weergegeven. De inhoud komt overeen met de eisen die verspreid waren opgenomen in de oude bijlage XIIIb. De eisen zijn van belang om te kunnen beoordelen of een bedrijf in organisatorische zin in staat is de asbestverwijderingswerkzaamheden uit te kunnen voeren. Inhoudelijk zijn de eisen vergelijkbaar met de eisen die in artikel 6 zijn opgenomen voor een asbestinventarisatiebedrijf.

De in het eerste lid opgenomen eis inzake inschrijving in het handelsregister stond in paragraaf 7.1 van de oude bijlage XIIIb.

De in het tweede lid opgenomen eis is een aanvulling op artikel 4.54d, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit en is opgenomen omdat voor een goede uitvoering van asbestverwijderingswerkzaamheden een bepaalde bedrijfsomvang en werkervaring noodzakelijk wordt geacht.

De in het derde lid opgenomen eis inzake een door alle bestuurders ondertekende verklaring stond eveneens in paragraaf 7.1 van de oude bijlage XIIIb. Daarin werd onder meer gesproken over de eigendomsverhoudingen en dat is geconcretiseerd door onderdeel c.

Het vierde lid inzake een document over doel en deskundigheid lijkt inhoudelijk op de in paragraaf 7.1 opgenomen verplichting om doel en dienstverlening actueel te hebben vastgelegd.

De in vijfde lid opgenomen eis inzake het beschikken van bepaalde actuele kennis was in de oude bijlage XIIIb alleen per functionaris geformuleerd en dus nog niet in zijn algemeenheid.

Het zesde lid inzake een aansprakelijkheidsverzekering stond in paragraaf 7.4 van de oude bijlage XIIIb.

Artikel 25 (Samenwerking, onverenigbaarheid van functies en uitbesteding)

De in dit artikel opgenomen bepalingen over combinaties van functies en over relaties die niet zijn toegestaan binnen de asbestketen stonden al in paragraaf 7.2.1 van de oude bijlage XIIIb. Het in het tweede lid, onderdeel e, opgenomen verbod op het gelijktijdig vervullen van de functie van bestuurder of aandeelhouder bij meerdere asbestverwijderingsbedrijven is nieuw. Deze bepaling is opgenomen om tegen te gaan dat werkzaamheden na de intrekking van een procescertificaat worden voortgezet onder een ander procescertificaat.

Artikel 26 (Personeel)

In dit artikel worden eisen aan het asbestverwijderingsbedrijf gesteld in relatie tot zijn personeel dat betrokken is bij de asbestverwijdering. Voor de omschrijving van deze eisen is grotendeels aangesloten bij de eisen die verspreid waren opgenomen in paragrafen 7.11.2 en 7.14.6 van de oude bijlage XIIIb.

Het eerste lid inzake het beschikken over geldige persoonscertificaten DAV-1, DAV-2, respectievelijke DTA stond in paragraaf 7.14.6.

Het tweede lid en derde lid inzake voldoende werknemers met voldoende kennis en het opleidingsplan zijn ontleend aan paragraaf 7.11.2.1, zij het dat de term opleidingsplan in dit verband nog niet gebruikt werd.

Artikel 27 (DAV-1)

Dit artikel is een uitbreiding van de regeling die is vastgelegd in paragraaf 7.11.2.1 van de oude bijlage XIIIb. Deze regeling is met ingang van 1 maart 2016 in deze bijlage opgenomen (Stcrt. 2016, 6137). Vanaf die datum kwam de functie van Leerling-Deskundig Asbestverwijderaar (LDAV) te vervallen. In de plaats van de LDAV, zijn er twee niveaus voor de deskundige asbestverwijderaar, aangeduid met de afkorting DAV-1 en DAV-2. De deskundig asbestverwijderaar van het laagste niveau (niveau 1) kan zich ontwikkelen tot een DAV-2 en de relatief korte geldigheidsduur van het betreffende persoonscertificaat is dan ook mede bedoeld als stimulans om zich tot een deskundige van niveau 2 te ontwikkelen. In onderdeel b is de eis opgenomen dat een DAV-1 slechts mag worden ingezet indien door een leerbedrijf is voorzien in een één op één begeleiding door de DAV-2 of DTA en in een adequaat mentorschap. Nieuw is eis dat de DAV-2 of DTA maar één DAV-1 mag begeleiden. Aan de DAV-1 wordt de mate van zelfstandigheid bij het uitvoeren van de werkzaamheden geboden die naar het oordeel van zijn begeleider passend is. De kern van het onderdeel is dat vereist wordt dat het werk onder begeleiding van DAV-2 of DTA gebeurt. De in onderdeel c opgenomen eis van registratie van de mentor in een register van mentoren van de beheerstichting is eveneens nieuw, maar sluit aan bij de bestaande praktijk.

Artikel 28 (DTA)

In dit artikel zijn eisen ten aanzien van de DTA opgenomen. De eisen komen inhoudelijk overeen met die uit paragrafen 7.14.7 en 7.15.3 van de oude bijlage XIIIb die daar verspreid waren opgenomen. Op grond van artikel 4.54d, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt tevens de eis dat er ten minste één DTA op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is bij het bedrijf (zie artikel 24, tweede lid). Onderdeel a ziet op de verantwoordelijkheid van de DTA voor de controle van het werkplan en acceptatie daarvan. Deze taak is nader uitgewerkt in artikel 39. De eisen aan het werkplan staan in artikel 36.

In onderdeel b van artikel 28 staat dat de DTA voortdurend toezicht moet houden, conform artikel 4.54, onderdeel d, van het besluit, tijdens de asbestverwijdering tot en met de visuele inspectie van de eindbeoordeling. Als een luchtmeting deel uitmaakt van de eindbeoordeling dient de DTA daar ook bij aanwezig te zijn, maar hij kan ook zorgen dat een DAV-2 tijdens de luchtmeting op de projectlocatie aanwezig is.

In onderdeel c is aangegeven dat hij toezicht moet houden op de uitvoering van de werkzaamheden. Deze eisen over aanwezigheid en toezicht zijn afkomstig uit paragraaf 7.15.3. In artikel 41 volgt een uitwerking van zijn toezichthoudende taken tijdens de asbestverwijdering.

Artikel 29 (Overige personen binnen het werkgebied)

De inhoud van dit artikel is nieuw. In het eerste lid van artikel 26 is bepaald dat personen die asbest verwijderen of hierop toezicht houden moeten beschikken over een DAV-1, DAV-2 of DTA persoonscertificaat. Andere personen die ook direct betrokken zijn bij de asbestverwijdering, maar die zelf geen asbestverwijderingswerkzaamheden verrichten, en uitsluitend in het werkgebied moeten zijn voor andere werkzaamheden, bijvoorbeeld kraanmachinisten die enkel hijs- of hefwerkzaamheden uitvoeren of personen die nutsvoorzieningen veilig uitschakelen, hoeven niet over zo’n persoonscertificaat te beschikken, maar moeten wel goed zijn geïnstrueerd. Het eerste lid van dit artikel geeft voor het asbestverwijderingsbedrijf de eisen weer waaraan deze instructie ten minste moet voldoen. Voor kraanmachinisten en derden in werkgebied bestaat hiervoor een protocol dat is opgesteld door Ascert en beschikbaar is op de website van Ascert. Inspecteurs van geaccrediteerde inspectie-instellingen die de eindbeoordeling uitvoeren hoeven niet te worden geïnstrueerd omdat zij over voldoende kennis beschikken over de risico’s van het werken met asbest. De in het tweede lid bedoelde personen kunnen bijvoorbeeld werknemers zijn van een aannemer die op de projectlocatie werkzaamheden uitvoeren. Inspecteurs van geaccrediteerde inspectie-instellingen moeten uiteraard wel toegang hebben tot het te inspecteren werkgebied voor de uitvoering van de eindbeoordeling.

De in het derde lid genoemde registratie bevat de inhoud van de instructie en de namen van de personen die deze gevolgd hebben.

Artikel 30 (Kwaliteitsfunctionaris)

In dit artikel zijn de eisen ten aanzien van de kwaliteitsfunctionaris opgenomen. De term kwaliteitsfunctionaris is nieuw met betrekking tot asbestverwijderingsbedrijven, maar bestond al bij asbestinventarisatiebedrijven (vergelijk artikel 10). In de oude bijlage XIIIb werd deze functionaris aangeduid als directievertegenwoordiger. De eisen uit artikel 30 komen overeen met die uit paragraaf 7.9.4.2 van de oude bijlage XIIIb, met dien verstande dat nu expliciet is aangegeven dat deze functionaris verantwoordelijkheid is voor het beheer van het kwaliteitssysteem.

Artikel 31 (Interne beoordelingen)

Het eerste lid beschrijft omvang en diepgang van de interne beoordelingen. In het tweede lid van dit artikel zijn de eisen opgenomen ten aanzien van de personen die de interne beoordelingen binnen het asbestverwijderingsbedrijf moeten uitvoeren. In paragraaf 7.11.2.3 van de oude bijlage XIIIb waren vergelijkbare eisen opgenomen, met dien verstande dat de functie van interne beoordelaar niet is overgenomen. Het moet gaan om een persoon die aantoonbaar voldoet aan de eisen uit artikel 31. Een vergelijkbare bepaling staat voor asbestinventarisatiebedrijven in artikel 11.

Een persoon die in het bezit is van een diploma ADK of het ADK-certificaat wordt geacht aan de eisen onder a tot en met e te voldoen. Dit betreft door de beheerstichting afgegeven documenten waarmee iemand kan aantonen ‘asbestdeskundige’ te zijn en daarbij te voldoen aan door de beheerstichting te formuleren eisen. Het betreft hier dus geen persoonscertificaten als bedoeld in artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarvoor geldende eisen zijn niet uitgewerkt in een ministeriële regeling. In de praktijk wordt al geruime tijd met deze documenten gewerkt.

Artikel 32 (Kwaliteitssysteem)

De inhoud van dit artikel komt deels overeen met die uit paragraaf 7.7 van de oude bijlage XIIIb. Het tweede lid is nieuw en regelt dat in een kwaliteitshandboek alle elementen uit het kwaliteitssysteem zijn vastgelegd.

De inhoud van het vierde lid lijkt op paragraaf 7.13.2.2 van de oude bijlage XIIIb maar is nog iets nader uitgewerkt. Nieuw is dat expliciet is bepaald dat deze toetsing moet worden uitgevoerd door één of meerdere personen die een onafhankelijke positie hebben ten opzichte van het kwaliteitssysteem en zij moeten ook onafhankelijk beoordelen of personen de werkzaamheden conform het kwaliteitssysteem uitvoeren. Uiteindelijk dient de directie van het asbestverwijderingsbedrijf de resultaten van de uitgevoerde toetsing vast te leggen (vijfde lid).

Artikel 33 (Faciliteiten en arbeidsmiddelen)

Dit artikel stelt een aantal eisen aan het beschikbaar stellen, het gebruik en het onderhoud van de arbeidsmiddelen en het beschikken over en het bieden van passende faciliteiten, zoals opgenomen in het eerste en tweede lid. Eisen ten aanzien van arbeidsmiddelen gelden overigens ook voor ingehuurde arbeidsmiddelen. Het derde lid regelt dat de arbeidsmiddelen die worden ingezet voor de asbestverwijdering in goede staat moeten verkeren. De basis hiervoor is goed onderhoud. Dat arbeidsmiddelen moeten worden onderhouden, opdat ze altijd in een goede staat verkeren, is opgenomen in artikel 7.5, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Veelal is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het arbeidsmiddel informatie gegeven over het onderhoud.

Nieuw is dat is gekozen voor de verzamelterm ‘arbeidsmiddelen’ voor alle gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen. De eisen zijn ontleend aan paragrafen 7.11.3 en 7.15.5 van de oude bijlage XIIIb. In paragraaf 7.11.3 van de oude bijlage XIIIb was een gedetailleerde tabel met procesuitrusting en de voor die arbeidsmiddelen geldende keuringstermijnen opgenomen (Tabel 7.11.3 Procesuitrusting). De nrs. 6 tot met 12 uit die tabel zijn in een vergelijkbare tabel in bijlage I bij de nieuwe bijlage XIIIa opgenomen. De eisen uit de tabel 7.11.3 onder de nummers 1 tot met 5 zijn niet opgenomen, omdat deze arbeidsmiddelen niet specifiek aan asbestverwijdering gerelateerd zijn en hiervoor de algemene wettelijke eisen voor arbeidsmiddelen gelden.

De eisen aan het verpakken van asbesthoudend materiaal, nr. 13 van tabel 7.11.3, zijn aangepast en uitgebreid. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 44.

De in het zevende lid opgenomen eis is afkomstig uit paragraaf 7.11.3, onderdeel 12 van de tabel. De eisen aan persoonlijke beschermingsmiddelen zijn opgenomen in artikel 34.

Artikel 34 (Persoonlijke beschermingsmiddelen)

Voor de persoonlijke beschermingsmiddelen zijn specifieke eisen opgenomen. De eisen inzake onderhoud en opslag van kleding in tabel 7.11.3 van de oude bijlage XIIIb zijn niet overgenomen omdat de kleding maar éénmalig gebruikt wordt.

Het eerste en tweede lid zien alleen op adembeschermingsmiddelen. Deze eisen waren voorheen in paragraaf 7.11.2.4 van de oude bijlage XIIIb uitgewerkt. De pasvorm van het ademhalingsbeschermingsmasker moet goed aansluiten bij het gezicht van de drager van het masker. In het Engels wordt dit aangeduid met de juiste ‘fit’. In Groot Brittannië is door de Britse Health and Safety Executive (HSE) een protocol ontwikkeld voor het fittesten van maskers. Nieuw is dat de uitvoering van de facefit-test moet worden uitgevoerd door een erkende tester, waarbij is aangesloten bij het HSE-protocol. De vereniging AVAG die zich inzet voor arbeidsomstandigheden, -veiligheid en -gezondheid, industriële hygiëne, acute gezondheidszorg en milieubewaking heeft een erkenningsregeling opgesteld waarmee facefit-testers op een verantwoorde wijze de facefit-testen kunnen uitvoeren.

De in het eerste lid, onderdeel f, opgenomen verplichting voor de DAV-1, DAV-2 en DTA om de adembeschermingsmiddelen goed te onderhouden en schoon te houden is nu expliciet geformuleerd, maar maakte al onderdeel uit van het instructieprogramma. Het in het verleden gemaakte onderscheid tussen deel 1 en deel 2 van het instructieprogramma is niet meer relevant. Het online instructieprogramma adembescherming kan worden gevolgd via www.vezelveiligheid.nl.

Artikel 35 (Inkoop en afnamecontrole)

De eisen met betrekking tot inkoopprocedures in dit artikel zijn overgenomen uit paragraaf 7.12.3.1 van de oude bijlage XIIIb. De verplichting tot het registreren van inkoopgegevens is niet overgenomen omdat andere eisen uit deze paragraaf waarborgen dat arbeidsmiddelen aan die eis voldoen. De eisen aan ingeleend personeel uit paragraaf 7.12.3.3 van de oude bijlage XIIIb zijn niet overgenomen omdat ook dit personeel moet voldoen aan de eisen voor DAV-1, DAV-2 of DTA.

Artikel 36 (Werkplan)

In dit artikel zijn de eisen aan het werkplan opgesomd. In paragraaf 7.14.4 van de oude bijlage XIIIb waren uitgangspunten aangegeven die van toepassing zijn op het werkplan. Een aantal van deze uitgangspunten is verwerkt in dit artikel.

In paragraaf 7.14.4 waren twintig uitgangspunten van het werkplan opgenomen, die deels wel en niet zijn overgenomen. De uitgangspunten nrs. 1, 2, en 3, tweede deel, en nr. 4 zijn nu geregeld in dit artikel.

Uitgangspunt nr. 5 is nu uitgewerkt in artikel 42, eerste lid, onderdeel a.

De uitgangspunten nr. 6 respectievelijk nr. 7 zijn niet overgenomen omdat niet asbestbesmette inventaris nooit in een asbestinventarisatierapport wordt genoemd respectievelijk omdat het inrichten van een schone zone een algemene eis is op basis van de arbeidsomstandighedenregelgeving en dus niet specifiek is voor asbestwerkzaamheden.

Uitgangspunt nr. 8 staat nu in meer algemene bewoordingen in artikel 45, tweede lid. De uitgangspunten nrs. 9, 10, 11, 13 en 18 zijn nu uitgewerkt in artikel 43, derde en achtste lid. Uitgangspunt nr. 12 is nu met de eisen aan het containment in artikel 43, derde lid, onderdeel b, gewaarborgd. Uitgangspunt nr. 14 is in meer algemene bewoordingen opgenomen in artikel 33, derde lid. De uitgangspunten nrs. 15, 16 en 17 zijn uitgewerkt in artikel 36, onderdeel c, en in opvolging voor de uitvoering in artikel 43, tweede lid. De uitgangspunten nrs. 19 en 20 zijn niet overgenomen omdat die al volgen uit de asbestinventarisatie.

Artikel 37 (Afwijkende werkmethoden)

In dit artikel wordt aan het asbestverwijderingsbedrijf de mogelijkheid geboden om voor bepaalde asbestverwijderingswerkzaamheden, waarbij sprake is van mogelijke risico’s die niet asbest gerelateerd zijn (zoals instortingsgevaar) een werkmethode te gebruiken die afwijkt van werkmethoden uit het asbestinventarisatierapport. Een afwijkende werkmethode is uitsluitend toegestaan na goedkeuring door een gecertificeerde Hogere Veiligheidskundige of een gecertificeerd Arbeidshygiënist. Deze functionarissen moeten beoordelen of vanwege bijzondere omstandigheden een andere werkmethode verantwoord is. De goedkeuring voor een andere werkmethode moet schriftelijk worden verantwoord en gemotiveerd door de gecertificeerde Hogere Veiligheidskundige of de gecertificeerde Arbeidshygiënist. Een afschrift van deze motivatie moet tijdens de werkzaamheden op de projectlocatie aanwezig zijn. Afwijken van de werkmethode is enkel toegestaan bij ernstige risico's zoals instortingsgevaar van een bouwwerk. Slechts bij dragende motivering is afwijking van de werkmethode toegestaan. Als de motivering bij toetsing niet dragend blijkt te zijn, is er sprake van een overtreding. Bijvoorbeeld bij vermeend instortingsgevaar moet een beoordeling en berekening van een constructeur of bouwkundige die ter zake deskundig is worden bijgevoegd bij de motivatie van de gecertificeerde Hogere Veiligheidskundige of gecertificeerde arbeidshygiënist om af te wijken van de werkmethode. Deze informatie moet bij het aangepaste werkplan worden gevoegd en moet op de projectlocatie aanwezig zijn.

Wanneer een afwijkende werkmethode wordt toegepast, dan mag niet worden afgeweken van de risicoklasse-indeling uit het asbestinventarisatierapport. Als er reden is tot wijziging van de risicoklasse-indeling dan moet het inventarisatierapport worden aangepast. Dit is voorbehouden aan een asbestinventarisatiebedrijf. De gecertificeerde Hogere Veiligheidskundige of gecertificeerde Arbeidshygiënist is niet bevoegd om de risicoklasse uit het asbestinventarisatierapport aan te passen.

Artikel 38 (Vereiste documenten bij begin van de asbestverwijdering)

Dit zijn, met uitzondering van onderdeel b, nieuwe bepalingen. Zij sluiten aan bij de huidige uitvoeringspraktijk.

Artikel 4.54d, negende lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt al dat het asbestinventarisatierapport aanwezig moet zijn op de arbeidsplaats. De onderdelen a tot en met c vereisen dat bepaalde documentatie aanwezig is op de projectlocatie. Onderdeel d vereist dat daarnaast het logboek en andere relevante documenten zoals diploma’s en certificaten aanwezig zijn.

Artikel 39 (Controle voor begin van het asbestverwijderingswerk)

Voorafgaand aan de start van de asbestverwijdering moet door de DTA een aantal controles worden uitgevoerd. De omschrijving van deze controles sluit aan met die van paragraaf 7.15.1 van de oude bijlage XIIIb.

De registratieplicht in het logboek zoals beschreven in het tweede lid, komt overeen met paragraaf 7.12.4.1 van de oude bijlage XIIIb.

Artikel 40 (Melding)

De regeling van de melding in dit artikel sluit aan bij de huidige procedures die zijn verwoord in paragraaf 7.14.5 van de oude bijlage XIIIb. Op grond van artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet de melding aan de toezichthouder uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden worden gedaan. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit moet zo’n melding elektronisch plaatsvinden. Bij die melding moet worden aangegeven wat de datum en het tijdstip is waarop de werkzaamheden aanvangen. Hierbij moeten ook de duur van de werkzaamheden en de plaats waar de werkzaamheden worden verricht worden gemeld. Daarnaast moeten zowel de soorten en hoeveelheden asbesthoudende producten als ook de werkzaamheden die met asbest of asbesthoudende producten worden verricht, de werkmethoden alsmede de indeling van de concentraties asbestvezels in de lucht in een risicoklasse worden gemeld. Ook het aantal betrokken werknemers en de maatregelen die zullen worden getroffen om blootstelling van werknemers aan asbest te beperken moeten op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden gemeld. Nieuw is dat de melding moet plaatsvinden in het LAVS. Het LAVS geeft aan welke gegevens moeten worden gemeld en of de melding compleet is. Het LAVS stuurt dit vervolgens door aan de betrokken toezichthouders. Vanuit het LAVS worden de gegevens van de melding onder meer aan toezichthoudende instanties zoals Inspectie SZW, aan de certificerende instellingen en de gemeenten doorgezonden. Bedrijven die werkzaamheden uitvoeren aan asbesthoudend materiaal of asbesthoudende toepassen die zijn geclassificeerd als risicoklasse 1 moeten dit ook melden. Hiervoor is voor niet-gecertificeerde bedrijven het Webportaal van de Inspectie SZW beschikbaar op http://www.inspectieszw.nl/contact/melden_en_aanvragen/melding_asbestverwijdering_1.aspx.

De begintijd is het tijdstip waarop volgens de melding in het LAVS met de asbestverwijdering wordt begonnen en de (geplande) eindtijd is het tijdstip waarop volgens de melding in het LAVS de eindbeoordeling door de inspectie-instelling aanvangt. De begintijd en de te verwachte eindtijd van het asbestverwijderingswerk en de werktijden waarop de asbestverwijdering plaatsvindt moeten in het LAVS worden aangegeven. De reden hiervoor is dat beoordelingen door certificerende instellingen en inspecties door toezichthouders gerichter plaats kunnen vinden als bekend is in welke fase een project zich bevindt.

Een speciale procedure in geval van een calamiteit (zie derde lid) geldt ook al op basis van paragraaf 7.14.5 van de oude bijlage XIIIb.

Het vierde lid is nieuw en bepaalt dat in het LAVS moet worden aangegeven of er sprake is van een validatieonderzoek en het terugschalen van de risicoklasse. Hiervoor is een tijdelijke voorziening getroffen in het LAVS, waarbij in het opmerkingenveld bepaalde gegevens worden ingevoegd, totdat in het LAVS hiervoor separate invoervelden gemaakt zijn. In een volgende versie van het LAVS kunnen deze gegevens dan afzonderlijk ingevoerd worden en zal het opmerkingenveld hiervoor niet meer gebruikt worden. Voor de invoer van de gegevens in het LAVS-systeem wordt bij de melding het opmerkingenveld als volgt ingevuld, en aangevuld met het juiste antwoord:

Vul Ja of Nee in als er wel/niet sprake is van

Validatiemeting:

Terugschalen:

Afwijken werkplan:

Beoordeeld door deskundige:

Hoeveel m² asbestdak:

Het oppervlak van het asbestdak wordt uitgedrukt in vierkante meters.

Artikel 41 (Toezicht door de DTA tijdens asbestverwijdering)

Dit artikel geeft een nadere invulling van de toezichthoudende taken van de DTA bij de asbestverwijdering. Deze eisen komen inhoudelijk nagenoeg overeen met die uit paragraaf 7.15.3 van de oude bijlage XIIIb.

In het eerste lid, onderdeel b, is een verwijzing opgenomen naar artikel 4.10a en artikel 4.52 van het Arbeidsomstandighedenbesluit over het arbeidsgezondheidskundig onderzoek waarmee wordt geborgd dat de personen die het asbest verwijderen aantoonbaar medisch geschikt zijn.

In het eerste lid, onderdeel e, wordt daaraan toegevoegd dat de DTA controles uitvoert ten aanzien van de persoonlijke beschermingsmiddelen van de personen die de asbestverwijdering uitvoeren. Onderdeel g van het eerste lid is nieuw. Hierin wordt de toepassing van de SCi directe en SCi indirecte decontaminatie voorgeschreven voor de decontaminatie van personen en arbeidsmiddelen.

Vanwege het belang dat onbevoegden het werkgebied niet betreden, is onderdeel k toegevoegd om de toezichthoudende taak van de DTA op dit punt te expliciteren.

Artikel 42 (Aantreffen van niet gerapporteerde asbesthoudend materiaal)

De eis in het eerste lid komt uit paragraaf 7.15.4 van de oude bijlage XIIIb. De eisen in het tweede lid en derde lid zijn nieuw. Met dit artikel is beoogd om beter inzicht te krijgen in asbesttoepassingen die bij de asbestinventarisatie niet opgemerkt zijn en maatregelen te kunnen nemen tegen asbestinventarisatiebedrijven die structureel asbesttoepassingen niet inventariseren, terwijl deze redelijkerwijs wel opgemerkt hadden moeten worden.

Het tweede lid schrijft voor dat bij het aantreffen van niet gerapporteerd asbest, de werkzaamheden worden gestopt en het inventarisatieplan en het werkplan worden vernieuwd zodat de onvoorziene asbestbron is opgenomen, voordat de werkzaamheden kunnen worden hervat.

Artikel 43 (Asbestverwijdering)

Dit artikel stelt eisen aan de asbestverwijdering die gedeeltelijk zijn overgenomen uit paragrafen 7.15.5 tot en met 7.15.8 van de oude bijlage XIIIb. Daarnaast zijn in dit artikel enkele eisen opgenomen die gedeeltelijk overeenkomen met de uitgangspunten voor het werkplan uit paragraaf 7.14.4 van de oude bijlage XIIIb. Dit betreft de eisen aan de afbakening van het werkgebied (eerste lid), de eisen aan het containment (derde lid) en de eisen aan de lozing van met asbest verontreinigd water (negende lid).

Daarmee zijn de uitgangspunten nrs. 9, 10, 11, 13, 15, 16, 17 en 18 uit paragraaf 7.14.4 uitgewerkt (zie ook de toelichting bij artikel 36). In het derde lid worden eisen aan het containment uitgewerkt, waaronder de eis van een onderdruk in het containment van ten minste 20 Pascal en de ventilatievoud.

In artikel 43, derde lid, onderdeel d, is de situatie beschreven dat de onderdruk tijdelijk lager dan de vereiste 20 Pascal onderdruk mag zijn wanneer er voor een langere periode geen asbestsaneringswerkzaamheden plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld in de nachtperiode of in het weekend aan de orde zijn, wanneer er geen werkzaamheden in het containment worden verricht. Voor de verlaging moet dan wel een gegronde reden zijn en deze reden moet vooraf goed beschreven zijn in het werkplan. Een verlaging van de onderdruk van 20 Pascal naar 10 Pascal kan dus niet aan de orde zijn bij de eindschoonmaak. Bij de eindbeoordeling kan de onderdruk lager zijn dan 20 Pascal wanneer tape wordt verwijderd om goed te kunnen beoordelen. De periode tussen ploegendiensten (‘shifts’) geldt niet als een dergelijke periode waarin de onderdruk tijdelijk lager mag zijn.

Bij het derde lid, onderdeel g, is opgenomen dat alleen indien de certificaathouder kan aantonen dat 20 Pascal technisch niet uitvoerbaar is, van deze eis kan worden afgeweken, mits dit is vastgelegd in het logboek. Dit vastleggen in het logboek omvat dan in elk geval dat er afgeweken wordt van 20 Pascal en hoe er wordt afgeweken. Zo moet er voorafgaand aan het afwijken eerst geprobeerd zijn de oorzaken op te sporen en moeten maatregelen worden genomen. Ook deze maatregelen en hun resultaat moeten zijn beschreven in het logboek. Daarnaast moet in het logboek zijn aangetoond dat het technisch niet uitvoerbaar is en waarom het technisch niet uitvoerbaar is

Het vierde lid gaat in op de minimaal noodzakelijke bronmaatregelen. Zo wordt nu voorgeschreven dat bij verwijdering van asbesthoudend materiaal waarbij breuk niet voorkomen kan worden bronafzuiging wordt toegepast op die plaatsen waar breuk optreedt. Bij verwijdering van asbestdaken is een verhoogde risico op valgevaar. Bronafzuiging is op een asbestdak niet verplicht.

Bij verwijdering van niet-hechtgebonden materiaal en hechtgebonden materiaal dat door ernstige verwering aangetast is waardoor vezelemissie ontstaat, geldt naast de verplichting tot bronafzuiging dat het asbesthoudend materiaal geïmpregneerd moet worden voordat het verwijderd wordt. Gebleken is dat nat saneren een effectief middel is om vezels te binden. Als eis in artikel 43, vierde lid, onderdeel c, is opgenomen dat de betreffende asbesttoepassing verzadigd moet zijn door het impregneermiddel. De eis van verzadiging van een asbestbron met een daarvoor geschikt impregneermiddel geldt voor niet-hechtgebonden asbest. Deze verzadiging is dan merkbaar wanneer er geen impregneermiddel meer wordt opgenomen door het niet-hechtgebonden asbest. In aanvulling hierop is opgemerkt dat ook het impregneren of nat maken met water van breukvlakken van niet verweerde hechtgebonden asbesttoepassingen vezelemissie kan beperken. Bij hechtgebonden asbest kan bevochtigen met water dus ook vezelemissie beperken. De eis voor verzadiging geldt niet voor hechtgebonden asbest dat niet ernstig verweerd is.

In het vijfde lid is opgenomen dat de blootstelling binnen het masker, waar de werknemer kan worden blootgesteld in de ademhalingszone, beperkt kan worden door de duur van de handeling te verkorten. In de uitvoeringspraktijk kan hiertoe SMART een handvat bieden.

Met het zesde lid wordt bij de verwijdering van spuitasbest dat in risicoklasse 2A valt verplicht tot het meten van de asbestvezelconcentratie zowel binnen als ook buiten het containment. Buiten het containment moet men toetsen aan de grenswaarde van 2.000 vezels per m3. Mocht er overschrijding zijn, dan moet het asbestverwijderingsbedrijf onmiddellijk maatregelen nemen om de concentratie onder deze grenswaarde te brengen. Men mag geen mensen zonder adembescherming in de ruimte buiten het containment toelaten. Binnen het containment moet men meten via de methode NEN 2939. Het is van belang deze resultaten te bewaren. Dat gebeurt door de resultaten van deze meting tezamen met de rapportage van de eindbeoordeling in het LAVS te plaatsen. Met de informatie uit de meting kan het bedrijf toetsen of aan de uitgangspunten uit de RI&E wordt voldaan, of dat maatregelen moeten worden genomen om hieraan te voldoen. De vezelconcentratie in het containment tezamen met beschermingsfactor van het masker moeten zodanig zijn dat de concentratie in inademingslucht (dus in het masker) beneden de 2.000 vezels per m3 ligt. Uiteraard is wenselijk dat de vezelconcentratie in het containment altijd zo laag mogelijk is. Het zevende en achtste lid gaan in op het reinigen van, of omgang met, alle arbeidsmiddelen die door de werkzaamheden met asbestvezels verontreinigd kunnen zijn geraakt. De definitie van zowel werkgebied als containment is opgenomen in artikel 1 van bijlage XIIIa.

Artikel 44 (Verpakken en opslaan)

Dit artikel stelt eisen aan de verpakking en de opslag van asbesthoudend materiaal en is een uitwerking van artikel 4.45, tweede lid, onderdeel d, van het besluit en paragraaf 7.15.10 van de oude bijlage XIIIb. Zo schrijft het besluit voor dat het asbest zo spoedig mogelijk wordt verzameld en afgevoerd in een daartoe geschikte en gesloten verpakking. Als handvat voor de uitleg van ‘zo spoedig mogelijk’ verpakken uit artikel 44, eerste lid, kan in geval van het gebruik van een containment het einde van de shift of ploegendienst worden gehanteerd. Bij een buitensanering kan het eind van de werkdag hiervoor een goed moment zijn. De technische specificaties waaraan de verpakking van asbesthoudend materiaal moet voldoen zijn niet overgenomen uit de oude bijlage XIIIb. Inmiddels zijn betere verpakkingsmiddelen beschikbaar dan het in paragraaf 7.15.10 voorgeschreven polyethyleen folie van 0,2 mm dik. Een minder goed type folie is dus niet toegestaan. Tevens is de methode van uitsluizen verduidelijkt en is de mogelijkheid gecreëerd dat voor de afvoer van kleine hoeveelheden asbesthoudend materiaal geen afvalsluis hoeft te worden toegepast. Hierbij moet het asbesthoudend materiaal ‘handzaam’ zijn. Het is niet toegestaan dat asbest met opzet wordt gebroken in kleinere stukken om het handzaam te maken.

Artikel 45 (Eindbeoordeling)

In dit artikel zijn de eisen voor de eindbeoordeling opgesomd. De in het tweede, derde en vierde lid, opgenomen eisen zijn nieuw. Het asbestverwijderingsbedrijf dient zorg te dragen dat de projectlocatie voldoet aan de eisen voor een eindbeoordeling en voor de blijvende aanwezigheid van de voor de inspectie noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen tijdens de eindbeoordeling. De eisen aan de eindbeoordeling zijn vastgelegd in de NEN 2990 (zie definitie van het begrip ‘eindbeoordeling’ in artikel 1). Zo is in de NEN 2990 opgenomen dat het containment in stand blijft en de decontaminatie-unit ten behoeve van de eindbeoordeling aanwezig is tot en met het einde van de inspectie en het resultaat daarvan bekend is.

Bij een eventuele afkeuring van het werkgebied door de inspectie-instelling dient de DTA de genomen maatregelen om te komen tot een positieve eindbeoordeling te hebben vastgelegd. Hiermee wordt aangetoond welke aanvullende maatregelen zijn genomen om te komen tot een positieve eindbeoordeling.

Artikel 46 (Transport asbesthoudend afval)

In dit artikel is een aantal eisen opgenomen voor het transport van asbesthoudend afval. Een aantal van deze eisen stond in paragraaf 7.17 van de oude bijlage XIIIb. De eis dat gedurende het transport van asbesthoudende afvalstoffen een volledig ingevuld begeleidingsbiljet bij de vracht aanwezig moet zijn is niet overgenomen. Deze eis richtte zich tot de transporteur van het afval en niet tot de certificaathouder. Als een asbestverwijderingsbedrijf zelf zorg draagt voor het transport van het asbesthoudend afval is het in die hoedanigheid transporteur en moet het aan de eisen voldoen die aan de transporteur zijn gesteld. De eis aan het asbestverwijderingsbedrijf is beperkt tot de verplichting om het transporteren van het asbesthoudende afval te laten verrichten door een geregistreerde vervoerder en of inzamelaar van afvalstoffen als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen. Vanuit de asbestverwijderingsector is opgemerkt dat er geen afvalnummer wordt aangevraagd voor een situatie van tussenopslag bij de certificaathouder zelf of wanneer de ontvangende inrichting niet ontvangstmeldingsplichtig is op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

In het vierde lid is opgenomen dat asbesthoudend afval dat van verschillende projectlocaties wordt samengevoegd in een container verifieerbaar te herleiden moet zijn naar de projectlocatie waarvandaan het asbesthoudend afval afkomstig is.

De eisen die in paragraaf 7.17 inzake de stortdocumenten waren opgenomen zijn nu opgenomen in artikel 47.

Artikel 47 (Afronding asbestverwijderingswerk)

Het asbestverwijderingsbedrijf is verantwoordelijk voor het opleveren van een asbestveilige projectlocatie en het verstrekken van de gegevens inzake de eindbeoordeling en stortdocumenten aan de opdrachtgever en het bevoegd gezag. Deze eisen zijn gedeeltelijk overgenomen uit paragrafen 7.16.6 en 7.16.7 van de oude bijlage XIIIb. De term ‘stortbon’ die genoemd werd in paragraaf 7.17 is aangepast omdat het geen officiële benaming is en informeel taalgebruik betreft. Het gaat nu over documenten met betreffende stortgegevens, waaronder het gewicht van het afgevoerde asbest. De in paragraaf 7.16.7 genoemde eis voor het invullen en inzenden van het evaluatieformulier en het verstrekken ervan aan het asbestinventarisatiebedrijf bij het aantreffen van onvoorzien asbest is niet overgenomen, omdat hieraan nu een andere invulling is gegeven in artikel 42.

De in het vijfde lid opgenomen de verplichting tot het invoeren in het LAVS is nieuw, maar in paragraaf 7.16.7 van de oude bijlage XIIIb werd die verplichting tot invoering in het LAVS al ‘aangekondigd’.

Artikel 48 (Overgangsbepalingen)

Zoals in paragraaf 5 van het algemeen deel van toelichting is aangegeven is het wenselijk dat bestaande certificaathouders hun activiteiten kunnen voortzetten, maar moeten die bepalingen die betrekking hebben op de inrichting van hun organisatie wel vanaf de datum van inwerkingtreding van toepassing zijn. Dit is beoogd met het eerste lid.

Naast de eisen die gesteld worden aan de organisatie zijn er ook eisen die gesteld worden aan de wijze waarop de certificaathouders hun werkzaamheden verrichten. Dit is uitgewerkt in het tweede lid voor asbestinventarisatie en in het derde lid voor asbestverwijdering.

Het derde lid voorziet in het ‘doorlopen’ van de escalatieladder. Het is immers niet de bedoeling dat afwijkingen die voor 1 maart 2017 zijn geconstateerd, daarna niet meer relevant kunnen zijn.

Omdat de gevolgen van de wijziging van de onderhavige regeling voor de verschillende certificaathouders zeer uiteenlopend zullen zijn, is het noodzakelijk dat de certificerende instellingen de certificaathouders daarover apart informeren wanneer ten tijde van de inwerkingtreding van de regeling sprake is van schorsing of intrekking of wanneer ten aanzien van die certificaathouder eerder afwijkingen zijn geconstateerd die nog gevolgen kunnen hebben voor de periode op of na 1 maart 2017.

Dit is uitgewerkt in het vijfde, zesde en zevende lid.

Artikel I, onderdeel C (vervallen bijlage XIIIb)

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven zijn bijlage XIIIa en bijlage XIIIb helemaal herzien en tot één nieuwe bijlage XIIIa geïntegreerd en komt bijlage XIIIb te vervallen.

Artikel I, onderdeel D (Bijlage XIIIc)

Artikel 12 (Onderzoek inzake vermeende overtredingen van certificaathouder)

Artikel 9 en 10 van bijlage XIIIc hebben betrekking op meldingen inzake afwijkingen van bijlage XIIIc door een certificerende instelling die procescertificaten afgeeft voor asbestverwijdering en toezichthoudende overheidsinstellingen.

Het nieuwe artikel 12 ziet eveneens op meldingen door een certificerende instelling die certificaten afgeeft voor asbestverwijdering en toezichthoudende overheidsinstellingen, maar in artikel 12 gaat het niet om alle afwijkingen van bijlage XIIIc, maar alleen om afwijkingen van de bepalingen zijn opgenomen in bijlage 1 van bijlage XIIIc. In bijlage 1 worden bepaalde normen van bijlage XIIIc voor een DTA-er (artikel 29, tweede lid, onderdeel a en d, artikel 30, onderdeel b), een DAV-2 er (artikel 22, eerste lid, onderdeel 13, en derde lid, onderdeel 6 en 10) en een DAV-1er (artikel 17, eerste lid, onderdeel 13 en derde lid, onderdeel 6 en 10), gekoppeld aan normen die gelden voor asbestverwijderingsbedrijven en vindt op basis daarvan een categorie-indeling van sancties plaats.

Voor de afwijkingen die wél in bijlage XIIIc staat, maar niet in bijlage 1 bij bijlage XIIIc, gelden de artikelen 12, 12a en 12b niet. Voor dergelijke afwijkingen is dus ook geen categorie-indeling uitgewerkt.

Het vaststellen door de certificerende instelling van een categorie I afwijking in het tweede lid betreft een bestuurlijk rechtsoordeel. Pas bij het opleggen van de sanctie is sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 12a (Bepalen van sancties)

Artikel 12a is nieuw en regelt het vaststellen van de sancties bij het niet voldoen aan de bepalingen die zijn opgenomen in bijlage 1 bij de bijlage XIIIc.

Het eerste lid van artikel 12a maakt onderscheid tussen drie sancties, te weten een voorwaardelijke schorsing, een onvoorwaardelijke schorsing en een intrekking van het certificaat.

Het tweede, derde en vierde lid, hebben betrekking op de voorwaardelijke schorsing. De in het tweede lid opgenomen voorwaardelijke schorsing na constatering van één categorie II afwijking is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vierde lid is opgenomen dat een certificerende instelling de certificaathouder bevestigt wanneer aan voorwaarden voor beëindiging van de voorwaardelijke schorsing is voldaan.

Het vijfde en zesde lid hebben betrekking op de onvoorwaardelijke schorsing.

In het vijfde lid, onderdeel c, is vastgelegd dat het persoonscertificaat onvoorwaardelijk wordt geschorst wanneer niet uiterlijk 2 dagen voor afloop van de voorwaardelijke schorsing aan de certificerende instelling is aangetoond dat adequate corrigerende maatregelen zijn getroffen. Dit veronderstelt een nieuw besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht met de daaraan ten grondslag liggende besluitvormingsprocedure. Dit betreft dus geen automatisme.

Het zevende lid ziet op de intrekking van het certificaat.

Artikel 37 voorziet in overgangsrecht met betrekking de invoering van artikel 12, 12a en 12b.

Artikel 12b (Procedure bij afwijkingen)

Dit artikel is nieuw en beschrijft hoe de certificerende instelling na vaststelling van een afwijking handelt en regelt ook hoe de bekendmaking aan de houder van het persoonscertificaat verloopt.

Artikel 20 (Entreecriteria DAV-2)

Het eerste lid, onderdeel c, is aangepast door niet alleen een aanvrager met een geldig DAV-1 certificaat, maar ook iemand met een DAV-1 certificaat dat maximaal drie maanden verlopen is in aanmerking te laten komen. De formulering is zo meer in lijn gebracht met het entreecriterium genoemd in onderdeel b. Wanneer een DAV-1 onverhoopt niet slaagt voor het examen, zou hem de mogelijkheid voor het doen van een herexamen onterecht worden ontnomen wanneer het certificaat verlopen is. Een herkansing voor het doen van examen is wenselijk.

Artikel 37. Overgangsregelingen in verband met wijzigingen per 1 maart 2017

Dit artikel is al toegelicht in paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting.

BIJLAGE 1 (TOETSTERMEN, ARTIKELEN EN BIJBEHORENDE CATEGORIE AFWIJKINGEN)

Deze bijlage is nieuw en koppelt toetstermen uit bijlage XIIIc en artikelen uit bijlage XIIIa aan een bepaalde categorie afwijking voor de DAV-1, DAV-2 en de DTA.

Artikel I, onderdeel E (Bijlage XIIIe)

Artikel 1 (Definities en afkortingen)

In dit artikel is een lijst met definities en afkortingen opgenomen. Een aantal van deze definities en afkortingen stond ook in paragraaf 2.1 en bijlage B van de voormalige bijlagen XIIIa en XIIIb en in paragraaf 2.1 van de oude bijlage XIIIe.

De term ‘opdrachtgever’ heeft in deze bijlage een beperkter betekenis dan in artikel 1.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en is daarom opnieuw gedefinieerd.

Daarnaast worden enkele in de voormalige bijlagen omschreven begrippen of afkortingen in deze bijlage niet meer of slechts éénmaal gebruikt, worden zij alleen in de toelichting gebruikt of zijn zij voldoende duidelijk. Daarom worden zij niet opnieuw in deze nieuwe bijlage opgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de begrippen asbest of certificatiereglement. Ook de begrippen ’CKI’ en ‘CKI-proces’ worden niet meer gebruikt in deze bijlage. De afkorting ‘CKI’ is in deze bijlage overal vervangen door ‘certificerende instelling’. Tevens zijn niet meer opgenomen: aanwijzing, asbestverwijderingswerk, beoordeling, certificaat, certificatieproces, controle, eindbeoordelingsinstelling, risicoanalyse, toezicht en handhavende instellingen en ZBO. Het begrip ’eindbeoordelingsinstelling’ is vervangen door ‘inspectie-instelling’.

Het begrip ‘containment’ is nu zo gedefinieerd dat het beter aansluit bij de praktijk.

In plaats van de term ‘eindbeoordeling’ werd gesproken over ‘eindcontrole na asbestverwijdering’.

De definitie van het begrip ‘projectlocatie’ was niet opgenomen in de oude bijlage XIIIe en is iets anders geformuleerd dan in de oude bijlagen XIIIa en XIIIb, maar dit begrip betekent inhoudelijk hetzelfde.

Er is een aantal nieuwe definities toegevoegd, te weten: asbestverontreiniging, asbesttoepassing, certificatiejaar, corrigerende maatregel, herstelmaatregel, inspectie-instelling, niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal, pakdag, vestiging en werkgebied.

Artikel 2 (Eisen voor aanwijzing)

De aanhef in het eerste lid verwijst naar de eisen die op basis van artikel 1.5a van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden gesteld in het kader van een aanwijzing als certificerende instelling. De in onderdeel a opgenomen eis dat de certificerende instelling voldoet aan de eisen uit NEN-EN-ISO 17065 stond in paragraaf 4.3 van oude bijlage XIIIe.

De in onderdeel b opgenomen eis inzake beroepsintegriteit komt overeen met paragraaf 4.5.1 van de oude bijlage XIIIe.

De eis inzake het integriteitsbeleid in onderdeel c sluit aan bij paragraaf 4.5.2 van de oude bijlage XIIIe. De in dit onderdeel bedoelde ondertekende integriteitsverklaring wordt op grond van artikel 3, achtste lid, opgenomen in het persoonsdossier.

Het onderdeel d is ontleend aan paragraaf 4.5.3 van de oude bijlage XIIIe, met dien verstande dat de (enigszins onduidelijke) toevoeging ‘in de markt’ niet is overgenomen.

De in onderdeel e geregelde meldingsprocedures komen overeen met die in paragraaf 4.5.7 van de oude bijlage XIIIe. Nieuw is dat nu expliciet geregeld is dat in een situatie van direct gevaar de betreffende werknemer dit ook onmiddellijk aan de directie moet melden.

Onderdeel f komt overeen met paragraaf 4.5.9 van de voormalige bijlage XIIIe.

Het tweede en derde lid gaan over uitbesteding. In paragraaf 4.3.1 van de oude bijlage XIIIe waren vergelijkbare regels over uitbesteding van werkzaamheden door de certificerende instelling opgenomen. De eisen dat de certificerende instelling de beheerstichting moet informeren over de uitbesteding van werkzaamheden en dat de certificerende instelling de beheerstichting te allen tijd een accurate lijst verstrekt met onderaannemers, zijn niet overgenomen. De reden hiervoor is dat de beheerstichting in dit verband geen rol heeft.

Nieuw is de inhoud van het tweede lid, onderdeel a. Een certificerende instelling kan haar beoordelingen uitbesteden aan een derde partij indien zij een overeenkomst met die partij heeft gesloten. Deze eis is gebaseerd op de eis uit paragraaf 6.6.2 van de NEN-EN-ISO/IEC 17065.

In het derde lid zijn expliciet de werkzaamheden van de certificerende instelling opgesomd die niet kunnen worden uitbesteed aan een derde partij.

Artikel 3 (Eisen aan het certificatiepersoneel)

De eisen aan het certificatiepersoneel komen grotendeels overeen met de eisen opgenomen in paragraaf 4.3.3 van de oude bijlage XIIIe.

Nieuw is de vermelding van de reviewer. Deze deskundige heeft als taak om na de auditor te beoordelen of in het beoordelingsproces aan alle eisen is voldaan. De reviewer moet aan dezelfde eisen voldoen als de vestigingsauditor (zie derde en vierde lid). De certificaatbeslisser beoordeelt vervolgens de resultaten van het certificatie-onderzoek en of deze op de juiste wijze tot stand gekomen zijn en heeft de bevoegdheid heeft om certificatiebeslissingen te nemen.

De in het derde lid, onderdeel g, opgenomen eis met betrekking tot de opleiding tot auditor is anders geformuleerd. Er wordt niet meer naar de basisopleiding auditor NEN-EN-ISO/IEC 19011:2011 of een gelijkwaardige opleiding verwezen.

In de in het derde lid, onderdeel h, opgenomen eis inzake de asbestdeskundige is bepaald dat wanneer sprake is van een diploma, dit maximaal 36 maanden geleden mag zijn behaald. Voor het certificaat asbestdeskundige wordt die eis niet gesteld omdat zo’n certificaat, anders dan een diploma, altijd maar een beperkte geldigheidsduur heeft. Dit betreft door de beheerstichting afgegeven documenten waarmee iemand kan aantonen ‘asbestdeskundige’ te zijn en daarbij te voldoen aan door de beheerstichting geformuleerde eisen. Het betreft hier dus geen persoonscertificaten als bedoeld in artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet en de daarvoor geldende eisen zijn niet uitgewerkt in een ministeriële regeling.

De eis dat de certificerende instelling moet beschikken over minimaal twee werknemers met een vast dienstverband van een bepaalde omvang is niet dit artikel opgenomen, maar staat in artikel 4. De term ’kantoorauditor’ uit de oude bijlage XIIIe is vervangen door ’vestigingsauditor’.

Het vijfde lid, onderdeel b, betreft een invulling van de in paragraaf 4.3.3 van de voormalige bijlage XIIIe omschreven aantoonbare werkervaring met de beoordeling van ten minste vijf asbestinventarisatierapporten. Daarmee wordt de formulering van het vijfde lid, onderdeel b en het zesde lid, onderdeel b, geüniformeerd.

De eisen die aan een certificaatbeslisser worden gesteld zijn iets beperkter dan de eisen die gelden voor de overige deskundigen en zijn daarom in een apart lid opgenomen. De certificaatbeslisser hoeft niet te voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 3, onderdeel e, g en h. De in het zevende lid, onderdeel a, b, en d, geformuleerde eisen waren niet opgenomen in paragraaf 4.3.3 van de oude bijlage XIIIe. Nieuw is onder meer de eis dat de certificaatbeslisser een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde tijd.

De in het negende lid opgenomen eisen aan de personeelsdossiers van het certificatiepersoneel zijn nieuw. Deze bepaling leidt tot meer uniforme personeelsdossiers van alle certificerende instellingen.

Artikel 4 (Vast personeel)

Deze eis stond in paragraaf 4.3.3 van de oude bijlage XIIIe en is ongewijzigd overgenomen.

Artikel 5 (Onpartijdigheid en onafhankelijkheid certificerende instelling)

De in het eerste lid opgenomen eisen dat een certificerende instelling onpartijdig en onafhankelijk optreedt, is een nadere invulling van artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De inhoud van het tweede lid is nieuw. Dit lid is opgenomen om zeker te stellen dat de werknemers van een certificerende instelling onafhankelijk kunnen optreden en geen sprake is van een financiële of andere relatie met een aanvrager, een certificaathouder of een daaraan gelieerde onderneming.

De in het derde lid opgenomen verklaring was voor wat betreft het onderdeel ‘geheimhouding’ al geregeld in paragraaf 4.5.4 van de oude bijlage XIIIe. Daarbij kan worden opgemerkt dat de geheimhoudingsverplichting van een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan ook is geregeld in artikel 2.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Nieuw is dat een werknemer van de certificerende instelling ook expliciet moet verklaren dat hij onafhankelijk zal optreden.

De inhoud van het vierde lid komt overeen met de niet toegestane combinaties van functies die werden genoemd in onderdeel a en b van paragraaf 4.5.14 van de oude bijlage XIIIe.

De verklaring, bedoeld in het vijfde lid, was ook voorgeschreven in paragraaf 4.5.14 van de oude bijlage XIIIe, met dien verstande dat informatie over doel en aard van de onderneming en haar dienstverlening niet meer in deze verklaring behoeft te worden opgenomen, omdat die evident zijn.

Artikel 6 (Overeenkomst certificerende instelling en beheerstichting)

De in het eerste lid opgenomen verplichting vloeit al voort uit artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, maar is voor alle duidelijkheid ook hier opgenomen.

In het tweede lid, onderdeel a, is expliciet geregeld dat een certificerende instelling zich moet laten vertegenwoordigen in het door de beheerstichting ingestelde Centraal College van Deskundigen. De genoemde aansluiting houdt in dat de certificerende instelling wordt uitgenodigd voor vergaderingen van de Centrale Commissie van Deskundigen, maar daarin geen stemrecht heeft.

De onderdelen b en c zijn ontleend aan paragraaf 4.5.10 van de oude bijlage XIIIe.

Het derde lid is nieuw en is een uitwerking van het tweede lid. Het heeft tot doel kleine certificerende instellingen de mogelijkheid te bieden op dit punt samen te werken en zo kosten te kunnen besparen.

Het vierde lid is eveneens nieuw en sluit aan bij de verantwoordelijkheid van de Centrale Commissie van Deskundigen voor de uniforme interpretatie van bepalingen in bijlage XIIIa. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 5, vierde lid, van bijlage XIIIf.

Artikel 7 (Administratie in Nederlandse taal)

De verplichting van de certificerende instelling om de Nederlandse taal te gebruiken voor rapportages en dossiers stond in de oude bijlage XIIIe in paragraaf 4.5.13. Nu is gekozen voor de verzamelterm ‘administratie’ voor rapportages en dossiers van de certificerende instelling.

De eis uit paragraaf 4.15.3 uit de oude bijlage XIIIe dat tijdens beoordelingen uitsluitend wordt gecommuniceerd in de Nederlandse taal is niet meer opgenomen omdat in artikel 2.6, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht is vastgelegd dat bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen de Nederlandse taal gebruiken, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In afwijking hiervan kan op grond van artikel 2.6, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht door een certificerende instelling een andere taal worden gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad. Er zijn situaties denkbaar waarin het praktisch is wanneer een werknemer van een certificerende instelling een andere taal, bijvoorbeeld de Engelse taal gebruikt; te denken valt aan het geval wanneer bij een beoordeling van een certificaathouder door de certificerende instelling deze werknemer wordt geconfronteerd met een alleen Engels sprekende werknemer van de certificaathouder.

Artikel 8 (Certificatiereglement)

In het eerste lid zijn de elementen van een certificatiereglement vastgelegd. De procedures die omschreven moesten worden in het certificatiereglement waren voorheen opgenomen in paragraaf 4.3.2 van de oude bijlage XIIIe. De inhoud van het eerste lid van artikel 8 komt deels overeen met deze paragraaf.

De termijn van maximaal zestien weken vanaf de eerste beoordeling op projectlocatie tot de beslissing over het al dan niet verlenen van het certificaat in het tweede lid stond ook in paragraaf 4.3.3 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb.

Het derde lid komt overeen met paragraaf 4.3.2, onderdeel c en d, van de oude bijlage XIIIa en XIIIb en beoogt te voorkomen dat er sprake is van een feitelijke voortzetting van een onderneming waarvan het procescertificaat eerder is ingetrokken of geschorst. Artikel 9 is hierbij ook van belang. In dat artikel zijn eisen opgenomen voor het door de certificerende instelling uit te voeren onderzoek naar eventueel eerder geweigerde, ingetrokken of geschorste procescertificaten van de aanvrager of verwanten met als doel feitelijke voorzetting van de onderneming onder een nieuw procescertificaat tegen te gaan.

De termijn van vier weken in het vierde lid is nieuw. Deze termijn wordt in de praktijk al door de certificerende instellingen aangehouden. Na de aanvraag wordt als eerste op de kantoorlocatie het kwaliteitssysteem van de aanvrager beoordeeld. Daarna volgen twee afzonderlijke beoordelingen van asbestwerken op projectlocaties. Tussen de laatste van deze projectbeoordelingen en de beslissing van de certificerende instelling op afgifte van het procescertificaat zit maximaal 4 weken.

Artikel 9 (Onderzoek naar voortzetting van een onderneming)

De onderzoeksplicht in het eerste lid is ontleend aan paragraaf 4.3.2 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb en is verduidelijkt.

De in het tweede lid opgesomde gegevens die worden betrokken bij het onderzoek naar de mogelijke voorzetting van een onderneming waaraan een sanctie is opgelegd, komen grotendeels overeen met de opsomming in paragraaf 4.3.2 uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. Niet overgenomen is dat gekeken wordt naar het klantenbestand en naar de (interventie) onderzoeken die lopen of zijn afgerond door de toezichthouders. De verklaring, genoemd onder a, is de verklaring van de aanvrager dat hij niet betrokken is geweest bij een onderneming waarvan het procescertificaat in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag is ingetrokken.

Op basis van een analyse van de gegevens wordt door een certificerende instelling bepaald of de aanvraag al dan niet in behandeling wordt genomen.

Het vierde lid ziet op de situatie dat al een certificaat is afgegeven. Het is mogelijk dat er ten tijde van het afgeven van het procescertificaat (nog) niet wordt geconstateerd dat er sprake is van een voortzetting van de (kern-)activiteiten van de onderneming waarvan het certificaat in de twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag is ingetrokken. Als later op grond van niet eerder bij de certificerende instelling bekend zijnde relevante feiten en omstandigheden wordt geconstateerd dat er toch sprake is van een voortzetting van die onderneming, dient het procescertificaat door de certificerende instelling alsnog te worden ingetrokken.

Artikel 10 (Initiële beoordeling aanvraag procescertificaat)

Dit opzet van dit artikel is ontleend aan paragraaf 4.3.5 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. De procedure voor de initiële beoordeling is ongewijzigd.

Onderdeel a regelt de beoordeling van het kwaliteitssysteem van de aanvrager. In paragraaf 4.3.5 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb was onder A een vergelijkbare eis opgenomen. Het gaat hierbij om de beoordeling van documenten.

Op grond van de onderdelen b en c moet de certificerende instelling beoordelen of een of meerdere vestigingen van het asbestinventarisatiebedrijf of het asbestverwijderingsbedrijf voldoen aan de eisen opgenomen in de nieuwe bijlage XIIIa. In paragraaf 4.3.5 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb was onder B1 een vergelijkbare eis opgenomen.

Op grond van de onderdelen d en e moet de certificerende instelling beoordelen of de projectlocaties van het asbestinventarisatiebedrijf of het asbestverwijderingsbedrijf voldoen aan de eisen opgenomen in nieuwe bijlage XIIIa. In paragraaf 4.3.5 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb was onder B2 een vergelijkbare eis opgenomen.

Artikel 11 (Nadere bepalingen procescertificatie asbestinventarisatiebedrijf)

Dit artikel heeft betrekking op de voorwaarden voor de beoordeling door de certificerende instelling van twee projectlocaties (zogenoemde proefasbestinventarisaties) van het asbestinventarisatiebedrijf als onderdeel van de initiële beoordeling van een aanvraag voor een procescertificaat. De voorwaarden hiervoor waren opgenomen in de paragrafen 4.3.6 en 4.3.7.1 van de oude bijlage XIIIa. In deze paragrafen waren ook bepalingen opgenomen over het afbreken van de beoordeling. Deze bepalingen zijn niet overgenomen omdat de beoordeling wordt afgebroken als niet aan de eisen is voldaan.

Het eerste lid komt inhoudelijk nagenoeg overeen met de eerste alinea van paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIa.

De procedure voor de aanvraag en het verkrijgen van toestemming voor het uitvoeren van twee proefasbestinventarisaties uit paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIa wordt door dit nieuwe artikel eenvoudiger. Een belangrijk verschil is dat de certificerende instelling zelf de toestemming aan de aanvrager kan verlenen voor het uitvoeren van de twee proefasbestinventarisaties op de projectlocaties (onderdeel a). Aan de beheerstichting behoeft hiervoor geen schriftelijke toestemming meer te worden gevraagd. Bij de oude bijlage XIIIa was een Bijlage C opgenomen die een modelaanvraag voor initiële certificatie inhield. Die bijlage is vervallen omdat de aanmelding van een proefproject hiervan nu conform het certificatiereglement van de certificerende instelling plaatsvindt.

Het derde lid komt grotendeels overeen met paragraaf 4.3.7.1 van de oude bijlage XIIIa.

Het vierde lid regelt expliciet de mogelijkheid dat op een derde projectlocatie een asbestinventarisatie wordt uitgevoerd en naar aanleiding daarvan een proef-asbestinventarisatierapport wordt opgesteld. Deze mogelijkheid tot herkansing was ook opgenomen in paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIa.

Artikel 12 (Nadere bepalingen procescertificatie asbestverwijderingsbedrijf)

Dit artikel heeft betrekking op de voorwaarden van de beoordeling door de certificerende instelling van twee projectlocaties van het asbestverwijderingsbedrijf als onderdeel van de initiële beoordeling van een aanvraag voor een procescertificaat. De voorwaarden hiervoor waren opgenomen in paragrafen 4.3.6 en 4.3.7 van de oude bijlage XIIIb. In deze paragrafen waren ook bepalingen opgenomen over het afbreken van de beoordeling. Deze bepalingen zijn niet overgenomen omdat de beoordeling wordt afgebroken als niet aan de beoordelingseisen is voldaan.

Het eerste lid komt inhoudelijk nagenoeg overeen met de eerste alinea van paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIb. De mogelijkheid voor de beoordeling op een derde projectlocatie wordt geregeld in het vijfde lid.

De inhoud van het tweede lid wijkt af van paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIb. Nieuw is dat de certificerende instelling zelf de toestemming aan de aanvrager kan verlenen voor het uitvoeren van de asbestverwijderingswerken op twee projectlocaties (onderdeel a). Aan de beheerstichting behoeft geen schriftelijke toestemming meer te worden gevraagd. Overgenomen uit paragraaf 4.3.6 is de eis dat de twee projectlocaties van elkaar zijn te onderscheiden door verschillende opdrachtgevers, inventarisatielocaties, asbestinventarisatiebedrijven en verschillende inspectiestellingen. De overige eisen uit paragraaf 4.3.6, onder meer met betrekking tot het (nu vervallen) aanvraagformulier van Bijlage C en de goedkeurende verklaring over het werkplan, zijn niet overgenomen in deze nieuwe bijlage.

De inhoud van het derde en vierde lid stond ook in paragraaf 4.3.7 van de oude bijlage XIIIb.

Het vijfde lid regelt expliciet de mogelijkheid dat op een derde projectlocatie een asbestverwijderingswerk wordt uitgevoerd. De mogelijkheid van deze extra beoordeling was ook opgenomen in paragraaf 4.3.6 van de oude bijlage XIIIb.

Artikel 13 (Gegevens procescertificaat)

De in paragraaf 9.1 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb opgenomen opsomming van gegevens die op een procescertificaat vermeld moeten worden is nu opgenomen in dit artikel. Onderdeel c is nieuw. Het in onderdeel f genoemde nummer is van belang om zekerheid te bieden over de geldigheid van het procescertificaat. Een uniek nummer is daarvoor belangrijk. Dit nummer wordt afgegeven door de certificerende instelling conform de tussen beheerstichting en certificerende instelling gesloten overeenkomst.

Van de certificerende instelling die het procescertificaat heeft afgegeven hoeft op basis van onderdeel g alleen nog de naam te worden vermeld en dus niet meer adres, logo en van de certificerende instelling en kenmerk van de aanwijzingsbeschikking van de minister. De handtekening van de bevoegde persoon bij de certificerende instelling wordt ook niet meer vereist.

Met onderdeel h wordt beoogd duidelijkheid te geven over de geldende regelgeving op het moment waarop het procescertificaat is afgegeven. Daarbij moet aangegeven worden welke versie van de onderhavige bijlage relevant is zodat die daarbij geraadpleegd kan worden. Als bekend is om welke versie het gaat kan de relevante versie worden opgezocht op www.wetten.nl.

Met het begrip ‘scope’ in onderdeel i wordt het toepassingsbereik van het procescertificaat bedoeld: asbestinventarisatie of asbestverwijdering.

Het is ook niet langer nodig om het beeldmerk en het logo van de beheerstichting op te nemen. De vermelding van de code SC-530 of SC-540 is door de integraties van de schema’s niet meer mogelijk. Wel zal op grond van onderdeel k vermeld moeten worden aan welke eisen van de bijlage XIIIa wordt voldaan. In ieder geval moet worden voldaan aan de eisen voor de aanvraag uit paragraaf 2 uit de nieuwe bijlage XIIIa. Een asbestinventarisatiebedrijf moet voldoen aan de eisen uit paragraaf 4 van de nieuwe bijlage XIIIa en een asbestverwijderingsbedrijf aan de eisen opgenomen in paragraaf 5 van die bijlage.

De in het tweede lid opgenomen eisen voor de registratie van certificaathouders die deel uitmaken van een concern, waren ook opgenomen in paragraaf 4.3.4 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb.

Door het hanteren van een sub-code door de certificerende instelling voor de verschillende ondernemingen van het concern kunnen de verhoudingen gemakkelijker zichtbaar worden gemaakt. Bijvoorbeeld:

Onderneming A: Ascert-code 03-D030014.01a

Onderneming B: Ascert-code 03-D030014.01b

In dit verband wordt ook de term sub-certificaat gebruikt om aan te geven dat het gaat om certificaathouders die deel uitmaken van hetzelfde concern.

Artikel 14 (Overeenkomst certificerende instelling en certificaathouder)

Het eerste lid is nieuw en regelt dat er een overeenkomst tussen de certificaathouder en de certificerende instelling moet worden gesloten. Deze eis was niet opgenomen in de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. De modelovereenkomst tussen certificerende instelling en de kandidaat certificaathouder die als informatieve bijlage D was opgenomen bij de oude bijlagen XIIIa en XIIIb is niet opgenomen bij deze nieuwe bijlage.

De in het tweede lid, onderdeel a, b en d, genoemde verplichtingen voor de certificaathouder stonden ook in bovengenoemde modelovereenkomst. De in onderdeel b opgenomen verplichting om mee te werken aan beoordelingen sluit aan bij de op grond van artikel 1.5i, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaande verplichting om informatie te verstrekken. Nieuw is de verplichting van de certificaathouder tot het terugzenden van een ongeldig procescertificaat aan de certificerende instelling (tweede lid, onderdeel c).

De in het derde lid, onderdeel a, opgenomen informatieverplichting is nieuw. De in onderdeel b opgenomen verplichting van de certificerende instelling om de beheerstichting te informeren over opname in het certificaatregister van Ascert is ook nieuw. Het register heeft onder andere als functie om te kunnen nagaan wat de certificatiegegevens van een bedrijf of persoon een certificaathouder zijn. Het register moet dan ook de actuele situatie weergeven. Daartoe is een periode van twee werkdagen opgenomen waarbinnen een nieuw certificaat moet zijn aangemeld in het register. In de praktijk blijkt dat certificerende instellingen mutaties veelal rechtstreeks in het register kunnen melden, waardoor vrij snel een afgifte of intrekking van een certificaat kan worden geregistreerd.

De verplichting om te informeren over de voldoening aan de betalingsverplichtingen was reeds opgenomen in de eerder genoemde modelovereenkomst.

Op basis van het vierde lid is een procescertificaat maximaal drie jaar geldig. In paragraaf 4.5 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb en in de modelovereenkomst was deze termijn ook opgenomen.

Artikel 15 (Hercertificatie)

De regels voor hercertificatie waren opgenomen in paragraaf 4.5.1 en 4.5.2 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. Deze eisen zijn overgenomen in dit artikel. De eis voor de minimale tijdsbesteding in het kader van hercertificatie is opgenomen in artikel 20, onderdeel f.

De in het eerste lid opgenomen bepaling dat de certificerende instelling bij hercertificatie alleen de vestiging van de certificaathouder beoordeelt is overgenomen uit de oude bijlagen XIIIa en XIIIb paragraaf 5.3.1.

Met het tweede en derde lid wordt beoogd er in te voorzien dat een certificatiehouder tijdig een aanvraag tot hercertificatie kan indienen. De bedoelde leden regelen de ingangsdata van een nieuw procescertificaat in verschillende situaties. Wanneer bijvoorbeeld de vervaldatum 1 augustus is en op 16 juni een positief besluit over de hercertificatie is genomen, dan wordt 1 augustus de ingangsdatum voor het nieuwe procescertificaat. Wanneer de vervaldatum 1 augustus is, maar ten aanzien van de betrokkene al op 17 januari een positieve certificatiebeslissing is genomen, dan is 17 januari de ingangsdatum van het nieuwe procescertificaat.

De inhoud van het vierde lid is nieuw en regelt de looptijd van een nieuw procescertificaat in de situatie dat een certificaathouder tussentijds overstapt naar een andere certificerende instelling.

Het vijfde lid is opgenomen omdat het wenselijk is te voorkomen dat iemand tegelijkertijd twee geldige procescertificaten heeft. Daarom moet het eerder afgegeven procescertificaat, dat waarschijnlijk nog (beperkt) geldig is op het moment waarop de positieve hercertificatiebeslissing is genomen, worden ingetrokken of ongeldig worden gemaakt. Daarvoor moet dat procescertificaat aan de certificerende instelling worden overlegd die het nieuwe procescertificaat afgeeft. Dat kan dus ook een andere instelling zijn dan die het oorspronkelijk heeft afgegeven.

Artikel 16 (Beoordeling van de vestiging)

De inhoud van het eerste en tweede lid van dit artikel stond al in paragraaf 5.2.1 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. In het tweede lid is toegevoegd is dat de certificerende instelling nagaat of het kwaliteitssysteem van de certificaathouder nog steeds voldoet.

In onderhavige bijlage komen de termen ‘hoofdvestiging’ en ‘filiaal’ niet meer voor en wordt alleen de term ‘vestiging’ gebruikt.

Artikel 17 (Beoordelingen op projectlocaties asbestinventarisatiebedrijf)

In dit artikel zijn eisen opgenomen met betrekking tot de aantallen beoordelingen door een certificerende instelling van projectlocaties van een asbestinventarisatiebedrijf. De inhoud van dit artikel is ontleend aan paragraaf 5.2.2 van de oude bijlage XIIIa. Daarin werd een onderscheid gemaakt tussen een ’reguliere implementatiebeoordeling die onaangekondigd plaatsvindt’ en een ‘resultaatgerichte implementatiebeoordeling die samen met het asbestinventarisatiebedrijf wordt gepland’. In dit artikel is volstaan met een onderscheid tussen een ‘aangekondigde beoordeling’ en een ‘onaangekondigde beoordeling’.

De in het tweede lid beschreven methode voor het bepalen van het aantal beoordelingen op projectlocaties komt overeen met paragraaf 5.2.2 van de oude bijlage XIIIa, maar de tabel is verduidelijkt. De tabel werkt als volgt. Op basis van de aantallen in de eerste en tweede kolom wordt bepaald hoeveel beoordelingen op projectlocaties per certificatiejaar plaatsvinden en dat staat in de derde kolom. De aantallen in de vierde en vijfde kolom geven aan hoe het totale aantal beoordelingen op projectlocaties in de derde kolom wordt verdeeld. Een certificaathouder die bijvoorbeeld jaarlijks 550 asbestinventarisatierapporten opstelt en gemiddeld 2 DIA’s per vestiging in dienst heeft dient in principe in totaal 6 keer per jaar te worden beoordeeld door een certificerende instelling. Dit betreft 4 aangekondigde beoordelingen en 2 onaangekondigde beoordelingen.

Het derde lid is nieuw en geeft een verduidelijking van de wijze van vaststelling van het gemiddelde aantal DIA’s in een asbestinventarisatiebedrijf.

De inhoud van het vierde lid stond in de toelichting bij de tabel in paragraaf 5.2.2 van de oude bijlage XIIIa. Nieuw in dit lid is de term ‘certificatiejaar’. Het begrip certificatiejaar in dit artikel heeft betrekking op de geldigheidsduur van het procescertificaat. Het eerste certificatiejaar loopt twaalf maanden vanaf de ingangsdatum van het procescertificaat.

De inhoud van het vijfde lid komt gedeeltelijk overeen met paragraaf 5.2.2. De bepaling uit deze paragraaf dat een extra beoordeling plaats moest vinden bij de constatering van een categorie III afwijking is geschrapt. Extra beoordelingen vinden uitsluitend plaats na constatering van een categorie I, een categorie II of meer dan twee categorie III afwijkingen. Een categorie III afwijking is een administratieve afwijking, waarvan een enkele overtreding niet zwaar genoeg bevonden wordt voor een sanctie in de vorm van een extra beoordeling. In de uitvoeringspraktijk werd dit door de certificerende instelling ook al niet toegepast.

De bepaling in het zesde lid is nieuw en sluit aan bij de bepaling in het vijfde lid. Niet alleen afwijkingen uit de categorie I en II die bij beoordelingen door de certificerende instellingen worden geconstateerd leiden tot een extra beoordeling, maar ook de afwijkingen die bij controles van de Inspectie-SZW en omgevingsdiensten worden geconstateerd en waarvan door de certificerende instelling wordt vastgesteld dat deze in de categorie I of II vallen.

De inhoud van het zevende en achtste lid zijn ook nieuw en hebben tot doel de werkwijze van de certificerende instellingen te harmoniseren.

Het negende lid stond ook in paragraaf 5.2 van de oude bijlage XIIIa.

In het tiende lid is een regeling opgenomen voor het doorschuiven van beoordelingen naar een volgend jaar. Deze regeling stond in paragraaf 5.2.3 van de oude bijlage XIIIa onder het opschrift ‘Periodieke beoordeling op projectlocatie tijdelijk niet mogelijk’, maar is in dit lid verduidelijkt en vereenvoudigd.

De inhoud van het elfde lid is nieuw.

Artikel 18 (Beoordelingen op projectlocaties asbestverwijderingsbedrijf)

In dit artikel staan de eisen met betrekking tot de aantallen beoordelingen door een certificerende instelling van projectlocaties van een asbestverwijderingsbedrijf. Deze eisen zijn minder gedetailleerd dan de eisen die waren opgenomen in paragraaf 5.2.2 en 5.2.3 van de oude bijlage XIIIb.

De in het eerste lid opgenomen eis van ten minste zes beoordelingen was opgenomen in paragraaf 5.2.2, onderdeel e, van de oude bijlage XIIIb.

In het tweede lid is een tabel opgenomen voor het bepalen van het aantal onaangekondigde beoordelingen. In plaats van het aantal projectdagen wordt nu uitgegaan van aantal pakdagen. Met de ondergrens van 70 pakdagen per certificatiejaar die in de tabel in het tweede lid is opgenomen kan in de uitvoeringspraktijk ook voorkomen worden dat een certificaathouder over een certificaat kan blijven beschikken zonder dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarmee kunnen zogenoemde ‘slapende’ certificaten zoals benoemd in de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 3 april 20152 worden voorkomen.

Het derde lid is nieuw en sluit aan bij de huidige praktijk. Nieuw is de term ‘certificatiejaar’. Het begrip certificatiejaar in dit artikel heeft betrekking op de geldigheidsduur van het procescertificaat. Het eerste certificatiejaar loopt twaalf maanden vanaf de ingangsdatum van het procescertificaat.

De inhoud van het vierde lid stond in de toelichting bij de tabel in paragraaf 5.2.2 van de oude bijlage XIIIb. De inhoud van het vierde lid komt gedeeltelijk overeen met paragraaf 5.2.2. De bepaling uit deze paragraaf dat een extra beoordeling plaats moest vinden bij de constatering van een categorie III afwijking is geschrapt. Extra beoordelingen vinden uitsluitend plaats na constatering van een categorie I, een categorie II of meer dan twee categorie III afwijkingen. Een categorie III afwijking is een administratieve afwijking, waarvan een enkele overtreding niet zwaar genoeg bevonden wordt voor een sanctie in de vorm van een extra beoordeling. In de uitvoeringspraktijk werd dit door de certificerende instelling ook al niet toegepast.

De bepaling in het vijfde lid is nieuw en sluit aan bij de bepaling in het vierde lid. Niet alleen afwijkingen uit de categorie I en II die bij beoordelingen door de certificerende instellingen worden geconstateerd leiden tot een extra beoordeling, maar ook de afwijkingen die bij controles van de Inspectie SZW en omgevingsdiensten worden geconstateerd en waarvan door de certificerende instelling wordt vastgesteld dat deze in de categorie I of II vallen

De inhoud van het zesde lid is nieuw.

Artikel 19 (Verslag van beoordelingen)

In dit artikel staan eisen met betrekking tot de verslaglegging. In paragraaf 5.2.3 van de oude bijlage XIIIa en paragraaf 5.2.4 van de oude bijlage XIIIb werd verwezen naar NEN-EN-ISO/IEC 19011:2002, maar die verwijzing is aangepast omdat NEN-EN-ISO/IEC 17021:2012 hier de relevante normen bevat.

Artikel 20 (Minimale tijdsbesteding certificerende instelling)

In dit artikel zijn eisen opgenomen die vergelijkbaar zijn met de eisen in paragraaf 5.3.1 van de oude bijlagen XIIIA en XIIIb voor de minimale tijdsbesteding van de certificerende instelling aan de periodieke beoordeling, hercertificatie en beoordeling op projectlocatie.

Nieuw in dit artikel is de opgenomen minimale tijdsbesteding voor de initiële certificatie.

De minimale beoordelingstijden hebben niet meer de status van richtlijnen, maar zijn dwingend voorgeschreven. De eis uit paragraaf 5.3.1 van de oude bijlagen XIIIA en XIIIb dat er maximaal twee beoordelingen per dag worden gedaan is niet overgenomen omdat de minimale tijdsbesteding voor één beoordeling is voorgeschreven en het aan de certificerende instelling wordt overgelaten om te bepalen hoeveel beoordelingen per dag plaats kunnen vinden.

Artikel 21 (Melding door toezichthoudende overheidsinstellingen)

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met paragraaf 5.5.4.2 ‘Onderzoek door overheidsinstellingen’ uit de oude bijlagen XIIIA en XIIIb. Daarbij is van belang is dat de sanctietabel uit Bijlage H die was opgenomen bij deze oude bijlagen, nu niet is overgenomen. Het bepalen en het opleggen van de maatregelen is nu uitgewerkt in de artikelen 23 en 24 en bijlage 1.

Door de formulering in artikelen is nu duidelijker welke procedure de certificerende instellingen moeten volgen bij de afhandeling van meldingen van overheidsinstellingen. Hiermee is gehoor gegeven aan de wens van de certificerende instellingen om te komen tot een eenduidige procedure inzake deze meldingen. Het artikel ziet alleen op meldingen door toezichthoudende overheidsinstellingen. Toezichthoudende overheidsinstellingen zijn bijvoorbeeld de Inspectie SZW, gemeenten, omgevingsdiensten en de ILT.

Het eerste tot en met het derde lid regelt wat een certificerende instelling moet doen wanneer deze een melding of rapport van bevindingen heeft ontvangen van een toezichthoudende overheidsinstelling. De certificerende instelling hoeft hier niet een afzonderlijke beoordeling voor uit te voeren, maar zij kan de informatie uit de melding of uit het rapport van bevindingen van de toezichthoudende overheidsinstelling meenemen in een reguliere beoordeling op de vestigingslocatie. De extra tijd die nodig is voor de beoordeling van een melding of een rapport wordt niet in mindering gebracht op de minimale tijdsbesteding van de beoordeling, bedoeld in artikel 20.

Het vierde lid schrijft voor hoe de certificerende instelling omgaat met een maatregel als een bestuurlijke strafbeschikking, stillegging, boeterapport. Omdat het opleggen van een maatregel ernstiger is dan de in het eerste lid genoemde melding of rapport van bevindingen, vindt het onderzoek door de certificerende instelling plaats binnen een periode van vier weken na verstrekking ervan door de toezichthoudende overheidsinstelling. Indien er een proces verbaal is opgesteld dan kan dit bij het onderzoek betrokken worden. Tevens biedt het uitwisselingsprotocol dat is opgesteld tussen de Inspectie SZW en de certificerende instellingen kwalitatieve handvatten over de meldingen die bij die instellingen binnenkomen.

Artikel 22 (Onderzoek na melding van niet gerapporteerd asbesthoudend materiaal)

De inhoud van dit artikel is nieuw. Wanneer in een asbestinventarisatierapport bepaalde asbesthoudend materiaal op een projectlocatie niet worden vermeld hoewel dit gelet op de scope van het asbestinventarisatieonderzoek wel daarin vermeld had moeten worden, is dat rapport onvolledig. Een onvolledig asbestinventarisatierapport is onwenselijk, omdat dat ertoe kan leiden dat bij de asbestverwijdering werknemers aan asbest worden blootgesteld indien niet de juiste veiligheidsmaatregelen zijn genomen. Ook kan een onvolledig rapport leiden tot extra kosten voor de opdrachtgever wanneer tijdens de asbestverwijdering blijkt dat een aanvullend asbestinventarisatieonderzoek moet plaatsvinden of hierdoor de realisatie van een bouwproject wordt vertraagd. Omdat asbest in zeer veel materialen is toegepast, waardoor er altijd toepassingen zijn die niet voorzien waren bij de asbestinventarisatie, is met dit nieuwe artikel beoogd sancties te kunnen treffen wanneer niet gerapporteerd asbest wordt aangetroffen. Op basis van de constateringen ter plaatse en het asbestinventarisatierapport kan de certificerende instelling onderzoek doen naar de verwijtbaarheid van het niet ontdekken en het niet rapporteren van de toepassing. Als uit dit onderzoek blijkt dat sprake is van ernstige nalatigheid van het asbestinventarisatiebedrijf kunnen maatregelen tegen dat bedrijf worden genomen.

Artikel 23 (Bepalen van een waarschuwing of sanctie)

De constatering dat een certificaathouder niet aan de voor hem geldende eisen voldoet kan gebaseerd zijn op eigen onderzoek van de certificerende instelling (al dan niet na een melding van een derde) of op onderzoek van de toezichthoudende overheidsinstellingen.

Het vaststellen van de maatregelen bij het niet voldoen aan de certificatieregeling gebeurde op basis van een tabel die was opgenomen in Bijlage H bij de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. In die bijlage H waren normen omschreven die een uitwerking waren van de eisen uit de certificatieregeling. Gebleken is dat deze uitwerkingen niet altijd helemaal in overeenstemming waren met de eisen uit het bovenliggende certificatieschema. Daarom is er nu voor gekozen om in de nieuwe opzet van de sanctieregeling de bepaling van de maatregelen één op één te koppelen aan de artikelen uit de regeling. De nieuwe eisen zijn onderverdeeld in nieuwe gradaties die in zwaarte de lijn zijn van de bestaande. Het tweede lid schrijft voor dat een certificerende instelling die categorie-indeling volgt bij het constateren van afwijkingen. In beginsel geldt iedere afwijking als een afzonderlijke afwijking. In geval afwijkingen samenhangen, of de ene afwijking een gevolg is van een andere afwijking, dan geldt de afwijking van de zwaarste categorie.

Het derde lid voorziet in bepaalde situaties in verzwaring van de sancties. Deze systematiek wordt in de oude bijlagen XIIIa en XIIIb aangeduid met het begrip ‘escalatieladder’. Wanneer de constatering van meerdere afwijkingen uit dezelfde categorie binnen eenzelfde project of binnen een bepaalde periode leidt tot een verzwaring dan is die verzwaring een nieuw besluit, waarvoor de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar en beroep open staat. De besluiten die aan een verzwaring zijn voorafgegaan zijn op dat moment definitief geworden waardoor daartegen geen bezwaar- en beroepsmogelijkheid meer open staat. Bij constatering van meerdere afwijkingen binnen één bepaalde projectlocatie tijdens een beoordelingsinspectie is sprake van één besluit gebaseerd op die meerdere afwijkingen.

Het zesde lid regelt dat een certificaathouder 30 dagen geen werkzaamheden mag verrichten bij een onvoorwaardelijke schorsing van zijn procescertificaat.

Het zevende lid beschrijft de voorwaardelijke schorsing wanneer een categorie II afwijking wordt geconstateerd. In het achtste lid wordt bepaald dat de certificaathouder bij een voorwaardelijke schorsing de werkzaamheden mag blijven verrichten. Het negende lid regelt dat indien de certificaathouder na een voorwaardelijke schorsing binnen de gestelde termijn herstelmaatregelen heeft genomen en de certificerende instelling heeft vastgesteld dat deze herstelmaatregelen adequaat zijn de certificerende instelling de certificaathouder de bevestiging stuurt dat aan de voorwaarden voor beëindiging van de schorsing is voldaan. Deze bevestiging is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Voor een nadere toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemene deel van de toelichting.

Artikel 24 (Procedure bij afwijkingen)

In dit artikel zijn de eisen overgenomen uit paragrafen 5.5.1, 5.5.2, 5.5.3 en 5.5.4 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb, maar zijn deze herschreven in een logischere volgorde. De door de certificerende instelling uit te voeren sanctieregeling was beschreven in paragraaf 5.5 en volgende van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb. Deze regeling is opgenomen in paragraaf 7 van de nieuwe bijlage XIIIe. In bijlage 1 bij die bijlage staat welke sanctie hoort bij een afwijking van categorie I, II, III en IV.

Deze sanctieregeling biedt de certificaathouder de ruimte om binnen een bepaalde termijn herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen te nemen. Omdat het aan certificaathouders is om corrigerende maatregelen te nemen is dat onderdeel van de sanctieregeling vastgelegd in bijlage XIIIa (artikel 5) en niet in deze nieuwe bijlage XIIIe. In paragraaf 5.5.2.1 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb was bepaald dat bij een categorie III-afwijking een hersteltermijn van twee maanden geldt, voor de overige categorieën waren geen hersteltermijnen opgenomen. De termijnen voor het nemen van de corrigerende maatregelen zijn op verzoek van de beheerstichting gedifferentieerd en gerelateerd aan de zwaarte van overtreding.

Het eerste lid beschrijft het constateren en melden van afwijkingen aan de certificaathouder.

In het tweede lid is de mogelijkheid voor de certificaathouder opgenomen om binnen een bepaalde termijn een zienswijze conform de Algemene wet bestuursrecht in te dienen op dat voornemen tot het treffen van die maatregel.

Het derde lid schrijft voor dat de certificerende instelling haar besluit aan de certificaathouder kenbaar moet maken binnen zeven kalenderdagen, die ingaan na het verstrijken van de periode uit het tweede lid waarin nog een zienswijze kon worden ingediend. Dit besluit kan het al dan niet treffen van de maatregel zijn, of de certificerende instelling kan besluiten dat nader onderzoek nodig is. Conform de oude bijlage XIIIa en XIIIb moet dit nadere onderzoek binnen vier weken zijn afgerond.

Het vierde, vijfde en zesde lid beschrijven de procedure bij onderzoek na een melding door een toezichthoudende instelling, conform artikel 21, vijfde lid.

Het zevende lid regelt het doormelden door de certificerende instelling van het gecertificeerde bedrijf aan de certificerende instelling van de gecertificeerde persoon, wanneer een afwijking ook toe te rekenen is aan de persoon.

Artikel 25 (Concern-controle)

De inhoud van dit artikel komt overeen met de laatste zin van paragraaf 5.5.2.1 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb.

Artikel 26 (Hardheidsclausule)

De inhoud van het eerste lid van dit artikel lijkt op paragraaf 4.5.12 van de oude bijlage XIIIe.

Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

Het tweede lid is ontleend aan paragraaf 5.1, onderdeel a, nr. 11 van de oude bijlage XIIIe.

Artikel 27 (Informatieverstrekking minister bij beëindiging activiteiten)

In de oude bijlage XIIIe stond in paragraaf 4.5.8 ‘Informatieplicht aan SZW bij beëindiging activiteiten’ de verplichting van de certificerende instelling om bij beëindiging van een of meer van haar taken terstond de Minister van SZW te informeren.

De inhoud van het eerste lid stond ook in paragraaf 4.5.8. De eis dat de minister ‘terstond’ wordt geïnformeerd is vervangen door de bepaling dat de certificerende instelling ‘drie maanden van te voren’ de minister informeert over de beëindiging van een of meerdere van haar taken. Hiermee wordt aan de minister voldoende tijd gegeven om passende maatregelen te nemen.

Met het tweede lid wordt voorzien in een ordentelijke overdracht van dossiers wanneer een certificerende instelling zelf aangeeft niet langer als aangewezen gecertificeerde instelling werkzaam te willen zijn, dan wel wanneer een gecertificeerde instelling niet langer kan worden aangewezen omdat deze niet meer aan de voorwaarden voldoet. In dat geval wordt er naar gestreefd een andere certificerende instelling te vinden die de betreffende dossiers kan overnemen en wordt ook met de certificaathouders overlegd over het sluiten van een overeenkomst met die andere certificerende instelling.

In het derde lid is expliciet geregeld dat een gestopte gecertificeerde instelling niet wordt gevrijwaard van aansprakelijkheid voor eventuele fouten in door haar uitgevoerde beoordelingen. De inhoud van dit derde lid stond ook in paragraaf 4.5.8 van de oude bijlage XIIIe.

Artikel 28 (Informatieverstrekking door de certificerende instelling aan RvA, Inspectie SZW, beheerstichting en certificaathouders)

De in paragraaf 5.1, onderdeel b, uit de oude bijlage XIIIe opgenomen verplichting van de certificerende instelling om mee te werken aan controles door de RvA is al geregeld in artikelen 1.5e en 1.5d van het besluit en hoeft in de regeling niet nog een keer herhaald te worden.

De in paragraaf 5.1, onderdeel c, uit de oude bijlage XIIIe opgenomen verplichting is niet meer apart opgenomen omdat de verplichting om aan de Inspectie SZW informatie te verstrekken al geregeld is het tweede lid.

In onderdeel b is de in paragraaf 5.1, onderdeel g, uit de oude bijlage XIIIe opgenomen verplichting om ‘SZW’ te informeren is aangepast door te bepalen dat de ‘Inspectie SZW’ moet worden geïnformeerd. De verplichting om de minister te informeren staat nu in artikel 27.

De verplichting om de RvA en de certificaathouders te informeren over een voorgenomen beëindiging van een of meer haar taken door een certificerende instelling is nieuw.

De in paragraaf 5.1, onderdeel g, uit de oude bijlage XIIIe opgenomen verplichting om aan te geven naar welke certificerende instelling de certificaathouders willen overgaan is niet overgenomen. In de praktijk vindt daarover overleg plaats met de certificaathouders.

De inhoud van onderdeel c sluit inhoudelijk aan bij paragraaf 5.1, onderdeel d, van de oude bijlage XIIIe, zij dat nu aan de Inspectie SZW ook een voornemen tot intrekken en onvoorwaardelijk schorsen wordt gemeld.

De inhoud van onderdeel d sluit inhoudelijk aan bij paragraaf 5.1, onderdeel d, van de oude bijlage XIIIe.

Artikel 29. Kosten

De inhoud van dit artikel was opgenomen in paragraaf 5.6 van de oude bijlagen XIIIa en XIIIb.

In artikel 1.1b van de Arbeidsomstandighedenregeling staat een algemene bepaling over de kosten van de afgifte van een certificaat. In artikel 1.5i van het Arbeidsomstandighedenbesluit staat dat de kosten van de periodieke vaststelling of de certificaathouder nog aan de eisen voldoet voor rekening van de certificaathouder zijn.

Artikel 30 (Overgangsbepalingen)

Het eerste lid bepaalt dat certificerende instellingen die door de minister zijn aangewezen voor het moment van inwerkingtreding van deze bijlage hun aanwijzing behouden. Certificerende instellingen dienen vanaf het moment van inwerkingtreding te voldoen aan de eisen uit deze bijlage.

Artikel II

In paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting zijn de overgangsbepalingen toegelicht en is toegelicht waarom gekozen is voor 1 maart 2017 als datum van inwerkingtreding.

Daarop geldt één uitzondering, er is behoefte aan een langere termijn voor de in artikel 3, derde lid, onderdeel h, opgenomen verplichting (tot 1 juni 2017), zodat personen die een ADK-diploma hebben dat ouder is dan 36 maanden nog de tijd hebben om een nieuw certificaat te verwerven.

Met de keuze voor de datum van 1 maart 2017 wordt afgeweken van de vaste verandermomenten, maar het is wenselijk dat de regeling zo snel mogelijk in werking treedt. Met de betrokken partijen heeft afstemming plaatsgevonden over de duur van de periode tussen publicatie en inwerkingtreding.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 99.

X Noot
2

Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 95.

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl