Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2016, 51116Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2016, nr. BVE/998927, houdende regels voor de verstrekking van resultaatafhankelijke bekostiging voortijdig schoolverlaten aan mbo-instellingen (Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2.3, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. deelnemer:

deelnemer die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.2.2 of artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB;

b. instelling:

regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs of agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, niet betreffende het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum;

c. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Staatssecretaris van Economische Zaken;

d. nieuwe voortijdig schoolverlater:

jongere die op 1 oktober:

  • 1) niet is ingeschreven bij een instelling terwijl de desbetreffende jongere op 1 oktober van het voorafgaande studiejaar wel was ingeschreven bij een instelling en op die datum jonger was dan 22 jaar;

  • 2) niet in het bezit is van een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een diploma beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; en

  • 3) niet is toegelaten tot een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

e. regionaal programma:

regionaal programma als bedoeld in artikel 2.2 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017;

f. RMC-regio:

de RMC-regio als bedoeld in artikel 3.4 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017;

g. soort beroepsopleiding:

entreeopleiding, basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2. Doel regeling

De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks verstrekt ten behoeve van de beleidsdoelstelling voortijdig schoolverlaten welke ten doel heeft het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 22.500 nieuwe voortijdig schoolverlaters in het kalenderjaar 2019, gemeten over het studiejaar 2017/2018.

Artikel 3. Bekostigingsplafond

Voor de kalenderjaren 2018 en 2019 is jaarlijks maximaal € 36.500.000,– beschikbaar.

Artikel 4. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

In afwijking van artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder bb, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing op deze regeling.

Artikel 5. Besteding en verantwoording aanvullende bekostiging

  • 1. De aanvullende bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de instelling waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

  • 2. De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 6. Verstrekking en betaling aanvullende bekostiging

  • 1. De minister verstrekt voor de kalenderjaren 2018 en 2019 ambtshalve aanvullende bekostiging aan het bevoegd gezag van een instelling dat voor die instelling aan het regionaal programma in de betreffende RMC-regio uitvoering geeft.

  • 2. De aanvullende bekostiging wordt jaarlijks in november betaald, volgend op het bekend worden van de definitieve berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per instelling per soort beroepsopleiding over het desbetreffende studiejaar.

Artikel 7. Berekeningswijze aanvullende bekostiging

  • 1. De aanspraak op de aanvullende bekostiging voor een instelling wordt per kalenderjaar vastgesteld aan de hand van de verhouding van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per studiejaar per soort beroepsopleiding ten opzichte van het aantal deelnemers tot 22 jaar binnen die soort beroepsopleiding van de instelling.

  • 2. Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters wordt bepaald met de formule, opgenomen in bijlage A.

  • 3. Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, en 10, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling gebruik gegevens bron en artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 4. Bij de berekeningen, bedoeld in dit artikel, wordt uitgegaan van het aantal deelnemers tot 22 jaar op de volgende teldata:

    • a. voor het kalenderjaar 2017: op 1 oktober 2016; en

    • b. voor het kalenderjaar 2018: op 1 oktober 2017.

  • 5. De uitkomst van de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgedrukt in een percentage, rekenkundig afgerond op twee decimalen achter de komma.

  • 6. De instelling komt in aanmerking voor een aanvullende bekostiging voor de betreffende soort beroepsopleiding indien het percentage, bedoeld in het vijfde lid, gelijk is aan of lager is dan de procentuele norm voor die soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1.

  • 7. De hoogte van de aanvullende bekostiging wordt bepaald aan de hand van het aantal deelnemers tot 22 jaar per soort beroepsopleiding, genoemd in tabel 2.

    Tabel 1. Procentuele norm nieuwe voortijdig schoolverlaters per soort beroepsopleiding
     

    entreeopleiding

    basisberoepsopleiding

    vakopleiding,

    middenkaderopleiding en specialistenopleiding

    2016–2017

    27,5%

    9,5%

    3,6%

    2,75%

    2017–2018

    27,5%

    9,4%

    3,5%

    2,75%

    Tabel 2. Maximumbedragen aanvullende bekostiging beschikbaar per soort beroepsopleiding per instelling

    Entreeopleiding

    Deelnemers tot 22 jaar

    Bedrag per instelling

    10–50

    € 25.000,–

    51–250

    € 50.000,–

    251-500

    € 100.000,–

    501–1.000

    € 200.000,-

    Meer dan 1.000

    € 300.000,–

    Basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding

    Deelnemers tot 22 jaar

    Bedrag per instelling

    10–50

    € 12.500,–

    51–250

    € 25.000,–

    251–500

    € 50.000,–

    501–1.000

    € 100.000,–

    1.001–2.000

    € 150.000,–

    2.001–4.000

    € 300.000,–

    4.001–6.000

    € 400.000,–

    6.001–8.000

    € 500.000,–

    8.001–10.000

    € 600.000,–

    Meer dan 10.000

    € 700.000,–

Artikel 8. Verdeling niet-uitgeputte middelen

  • 1. Indien het bekostigingsplafond als bedoeld in artikel 3, voor het kalenderjaar 2017 of 2018 niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende deel verdeeld over de soorten beroepsopleidingen van instellingen die niet voldoen aan één van de procentuele normen, bedoeld in tabel 1, als:

    • a. het percentage, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, hoger ligt dan de procentuele norm voor de betreffende soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1; en

    • b. lager is dan de procentuele norm voor die soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1 vermenigvuldigd met een waarde van 1,75.

  • 3. De hoogte van de aanvullende bekostiging per soort beroepsopleiding wordt berekend op grond van de volgende formule:

    D = C x maximumbedrag.

    Hierin staat:

    D = hoogte aanvullende bekostiging

    C = (1 – (B / A))

    A = (procentuele norm x 1,75) – procentuele norm

    B = percentage, bedoeld in artikel 7, vijfde lid – procentuele norm

    maximumbedrag = het maximumbedrag dat voor de soort beroepsopleiding is vastgesteld op grond van artikel 7, zesde lid.

  • 4. Indien door aanspraken van instellingen op een aanvullende bekostiging op grond van dit artikel het bekostigingsplafond als bedoeld in artikel 3, wordt overschreden, wordt de hoogte van de aanvullende bekostiging naar evenredigheid per soort beroepsopleiding verlaagd.

Artikel 9. Correctiebevoegdheid

  • 1. Indien voor de toepassing van de meetsystematiek, bedoeld in bijlage A, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, de gegevensbronnen niet tijdig beschikbaar zijn en dit zal leiden tot een onbillijkheid van ernstige aard bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de betreffende instelling, kan de minister een correctie toepassen op de procentuele normen, als bedoeld in tabel 1.

  • 2. Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een instelling de toepassing van de teldata, bedoeld in artikel 7, derde lid, die als uitgangspunt dient voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende instelling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de minister afwijken van deze gegevens.

Artikel 10. Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 oktober 2016.

  • 2. Deze regeling vervalt per 1 januari 2020.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo.

Artikel 12. Wijziging Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo

1. In de artikelen 1, tweede lid, en 12, eerste lid, van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo wordt ‘bijlage A van de Regeling prestatiebox mbo’ vervangen door: bijlage 1.

2. In artikel 2, tweede lid, van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo wordt ‘Artikel 7 van de Regeling prestatiebox mbo’ vervangen door: Bijlage 1.

3. De inhoud van bijlage B wordt als bijlage 1 aan de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo toegevoegd.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

BIJLAGE A. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 7 VAN DE REGELING RESULTAATAFHANKELIJKE BEKOSTIGING VSV IN HET MBO

Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. teldatum:

datum van 1 oktober waarop het aantal inschrijvingen per onderwijsinstelling bij aanvang van het studiejaar wordt gemeten;

b. vavo:

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;

c. Examenresultatenregister:

registratie door Dienst Uitvoering Onderwijs van examenresultaten in het voortgezet onderwijs op basis de Wet voortgezet onderwijs, dat een overzicht van behaalde examenresultaten van schooljaar 1998–1999 tot en met schooljaar 2004–2005 omvat;

d. startkwalificatie:

diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

e. basisregister:

basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

f. verlate startkwalificatie:

startkwalificatie behaald zonder bekostigde inschrijving in de maanden oktober tot en met december volgend op de teldatum (t+1), na een bekostigde inschrijving op de teldatum (t);

g. niet-bekostigd voortgezet onderwijs:

scholen die op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn aangewezen;

h. niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs:

instelling als bedoeld in artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

i. niet bekostigd vavo:

instelling als bedoeld in artikel 1.4a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgt;

j. Register vrijstellingen LPW:

register als bedoeld in art. 24k2 van de Wet op het onderwijstoezicht, waarin onder andere de vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet staan geregistreerd;

k. register van het UWV:

Polisadministratie zoals bedoeld in de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten

l. schooljaar:

jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;

m. studiejaar:

jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;

n. collegejaar:

jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend.

Berekeningswijze aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per mbo-instelling inzake het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters in de studiejaren 2016–2017 en 2017–2018

Voor het middelbaar beroepsonderwijs wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in vier categorieën ingedeeld:

  • 1. entreeopleiding;

  • 2. basisberoepsopleiding;

  • 3. vakopleiding; en

  • 4. middenkaderopleiding en specialistenopleiding.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (tot 23 jaar) uit het vavo-onderwijs, niet zijnde de leerlingen uit het voortgezet onderwijs die zijn uitbesteed naar een roc (de zogenaamde Rutte-leerlingen), wordt wel geteld per mbo-instelling, maar dit aantal wordt niet meegenomen bij de berekening van het aantal vsv’ers in het kader van de resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor het vo en mbo. Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters uit het vavo telt wel mee in het landelijk gepresenteerde cijfer.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per categorie per studiejaar in het middelbaar beroepsonderwijs wordt door de minister berekend op basis van de volgende formule:

X= A – (B1+B2+B3)- (C1+C2+C3+C4+C5+C6+C7+C8+C9+C10) - (D1+D2+D3+D4+D5)

Waarbij:

X = het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per categorie per studiejaar (t) in het middelbaar beroepsonderwijs;

A = het aantal jongeren in de leeftijd tot 22 jaar dat op de teldatum van het studiejaar (t) door de onderwijsinstelling als deelnemer is ingeschreven per categorie in het middelbaar beroepsonderwijs en voor bekostiging wordt meegeteld;

B = het aantal jongeren onder B is de som van B1, B2 en B3:

B1: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t of voor of op teldatum t + 1 is overleden of geëmigreerd naar het buitenland, zoals geregistreerd in de basisregistratie personen;

B2: het aantal jongeren onder A dat woonachtig is in het buitenland of zonder vaste woon- of verblijfplaats op teldatum t of teldatum t + 1;

B3: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t + 1 onder de vrijstellingen van de artikelen 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet 1969 valt en dit als zodanig is bevestigd door de leerplichtambtenaar in het Register vrijstellingen LPW;

C het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende studiejaar (t + 1) nog een opleiding volgt. Het kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding betreffen aan dezelfde of een andere bekostigde instelling dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

C1: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende studiejaar t + 1 is ingeschreven als deelnemer in het middelbaar beroepsonderwijs en voor bekostiging wordt meegeteld en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C2: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 is ingeschreven in het hoger onderwijs en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C3: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het voortgezet onderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C4: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als vavo-deelnemer is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het niet-bekostigd voorgezet onderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C6: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C7: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd vavo is ingeschreven en als zodanig geregistreerd staat in het basisregister;

C8: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd het basisregister;

C9: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer is ingeschreven binnen een traject, zijnde onderdeel van een met de Onderwijsinspectie afgesproken maatschappelijke prestatie;

C10: Het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t+1 als deelnemer aan de politieschool of defensieopleidingen is ingeschreven op basis van het register van het UWV;

D = het aantal jongeren onder A dat een startkwalificatie heeft behaald. D is de som van:

D1: het aantal jongeren onder A dat gedurende het studiejaar (t) een startkwalificatie heeft behaald zoals geregistreerd in het basisregister;

D2: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf 2004 tot aan het studiejaar (t) al een startkwalificatie heeft behaald in het middelbaar beroepsonderwijs zoals geregistreerd in het basisregister, dat een overzicht omvat van behaalde mbo-diploma’s vanaf kalenderjaar 2004;

D3: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf studiejaar 1998–1999 tot het studiejaar (t) voorafgaand aan de inschrijving op het middelbaar beroepsonderwijs of de vavo een startkwalificatie heeft behaald en als zodanig geregistreerd staat in het Examenresultatenregister of basisregister.

D4: het aantal jongeren onder A dat gedurende de eerste drie maanden na de teldatum (t+1) een startkwalificatie heeft behaald en als zodanig geregistreerd staat in het Examenresultatenregister (de zogenoemde verlate startkwalificatie);

D5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar (t+1) een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft behaald en als werkende geregistreerd staat in het register van het UWV.

BIJLAGE B (REGELING RESULTAATAFHANKELIJKE BEKOSTIGING VSV B0)

Bijlage 1, behorende bij artikel 1, tweede lid, van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo

Berekeningswijze aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per vo-school inzake het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters in de studiejaren 2016–2017 en 2017–2018

Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a. teldatum:

datum waarop het aantal inschrijvingen per onderwijsinstelling bij aanvang van het schooljaar wordt gemeten. Het betreft hier de datum van 1 oktober

b. vavo:

het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;

c. Examen resultaten register:

de registratie door Dienst Uitvoering Onderwijs van examenresultaten in het voortgezet onderwijs op basis de Wet voortgezet onderwijs. Het Examen resultaten register omvat een overzicht van behaalde examenresultaten vanaf schooljaar 1998/1999. Vanaf schooljaar 2005/2006 zijn deze gegevens onderdeel van het Basisregister;

d. startkwalificatie:

diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

e. basisregister:

basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

f. niet-bekostigd voorgezet onderwijs:

scholen die op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs zijn aangewezen;

g. niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs:

een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

h. Register vrijstellingen LPW:

het register waarin de vrijstellingen als bedoeld in artikel 5, 5a en 15 van de Leerplichtwet staan geregistreerd;

k. register van het UWV:

Polisadministratie zoals bedoeld in de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten;

i. schooljaar of, studiejaar:

het jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend;

j. collegejaar:

het jaar waarin de student staat ingeschreven dat loopt van 1 september tot en met 31 augustus daaropvolgend.

Berekeningswijze voor het voortgezet onderwijs

Voor het voortgezet onderwijs wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in drie categorieën ingedeeld: onderbouw (inclusief brug 3), bovenbouw vmbo (inclusief vm2) en bovenbouw havo/vwo. De leerlingen van het vo die uitbesteed zijn naar een roc voor een opleiding vavo (de zogenaamde Rutte-leerlingen) blijven ingeschreven staan bij de vo-school en tellen als zodanig mee bij de vo-school als leerling en mogelijk als nieuwe voortijdig schoolverlater.

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per vo-school per categorie per schooljaar (t) wordt door de minister berekend op basis van de volgende formule:

X= A – (B1+B2+B3) – (C1+C2+C3+C4+C5+C6+C7+C8 +C9) – (D1+D2)

Waarbij:

X = Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per vo-school per categorie per schooljaar (t) in het voortgezet onderwijs

A = (ook wel startpopulatie genoemd) het aantal jongeren per categorie in de leeftijd tot 22 jaar dat op de teldatum bij aanvang van het schooljaar (t) door de onderwijsinstelling:

  • als leerling is ingeschreven en voor bekostiging in het voortgezet onderwijs wordt meegeteld;

  • het geen leerlingen betreft aan het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs;

  • het geen leerlingen betreft die bekend staan als eerstejaars nieuwkomers conform de Regeling Leerplusarrangement VO, Nieuwkomers VO en eerste opvang Vreemdelingen 2009; en

  • het geen leerlingen betreft aan de Engelse Stroom of Internationaal Baccelaureaat.

B = Het aantal jongeren onder B is de som van B1, B2 en B3:

B1: het aantal jongeren onder A dat voor of op teldatum t + 1 is overleden of geëmigreerd naar het buitenland. Deze gegevens worden ontleend aan de basisregistratie personen;

B2: het aantal jongeren onder A dat woonachtig is in het buitenland of zonder vaste woon- of verblijfplaats is op teldatum t of op teldatum t + 1;

B3: het aantal jongeren onder A dat op teldatum t + 1 onder de vrijstellingen van de artikelen 5 en 15 van de Leerplichtwet 1969 valt en als zodanig is bevestigd door de leerplichtambtenaar in het Register vrijstellingen LPW;

C = Het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende schooljaar (t + 1) nog een opleiding volgt. De opleiding kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding zijn aan dezelfde of een andere instelling dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

C1: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van het daaropvolgende schooljaar (t + 1) nog steeds is ingeschreven als leerling in het voortgezet onderwijs op basis van gegevens zoals geregistreerd in het basisregister;

C2: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als deelnemer is ingeschreven en voor bekostiging wordt meegeteld in het middelbaar beroepsonderwijs en als zodanig geregistreerd in het basisregister;

C3: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als vavo-deelnemer is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C4: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 is ingeschreven in het hoger onderwijs zoals geregistreerd in het basisregister;

C5: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C6: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als leerling in het niet-bekostigd voorgezet onderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C7: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van schooljaar t + 1 als deelnemer in het niet-bekostigd middelbaar beroepsonderwijs is ingeschreven zoals geregistreerd in het basisregister;

C8: het aantal jongeren onder A dat op de teldatum van schooljaar t + 1 als leerling is ingeschreven binnen een traject zijnde onderdeel van een met de Onderwijsinspectie afgesproken maatschappelijke prestatie;

C9: het aantal jongeren onder A dat op teldatum van studiejaar t + 1 als deelnemer aan de politieschool of defensieopleidingen is ingeschreven op basis van het register van het UWV;

D = Het aantal jongeren onder A dat gedurende schooljaar (t) is uitgeschreven met een startkwalificatie. D is de som van:

D1: het aantal jongeren onder A dat gedurende schooljaar (t) een startkwalificatie heeft behaald zoals geregistreerd in het basisregister;

D2: het aantal jongeren onder A dat in de periode vanaf begin 1998/1999 tot aan schooljaar (t) reeds een startkwalificatie heeft behaald in het voortgezet onderwijs zoals geregistreerd in het Examen resultaten register of in het basisregister

TOELICHTING

Algemeen

De Regeling resultaatafhankelijke bekostiging voortijdig schoolverlaten mbo (hierna: de regeling) heeft als doel om het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters terug te dringen. In deze regeling wordt de aanvullende (resultaatafhankelijke bekostiging van mbo-instellingen ten behoeve van de aanpak van voortijdig schoolverlaten (vsv) voor de kalenderjaren 2017 en 2018 geregeld. Sinds schooljaar 2007–2008 is resultaatafhankelijke bekostiging beschikbaar voor mbo-instellingen die vsv weten te verminderen. Dit was voorheen geregeld in de regeling Prestatiebox mbo. Deze regeling vindt haar grondslag in de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Inleiding

De afgelopen jaren is met het programma Aanval op de schooluitval het voortijdig schoolverlaten (vsv) stevig teruggedrongen van 71.000 nieuwe vsv’ers per jaar in 2002 naar 24.451 in 2016. De afspraken die onder dat programma zijn gemaakt, lopen af. De urgentie om schooluitval aan te pakken blijft echter onverminderd hoog: nog steeds gaan elk jaar bijna 25.000 jongeren zonder startkwalificatie van school. Dat is zorgelijk, want met een startkwalificatie hebben jongeren een beter toekomstperspectief op de arbeidsmarkt en in de maatschappij.

Daarom krijgt de aanpak van voortijdig schoolverlaten een passend vervolg, waarbij tevens een verbreding van de aandacht naar jongeren in kwetsbare positie plaatsvindt. De succesvolle elementen worden verankerd in wet- en regelgeving. Het succes ligt in de combinatie van elementen. Enerzijds is er de intensieve regionale samenwerking tussen scholen en gemeenten. In alle 39 Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC-) regio’s stellen scholen en gemeenten samen een regionaal programma van maatregelen op. Dat is de basis van de regionale samenwerking. Anderzijds is er de resultaatafhankelijke bekostiging van individuele scholen en instellingen in het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Daarmee worden de individuele scholen ondersteund en beloond voor de aanpak op de school zelf.

Scherpere doelstelling

Om de focus bij alle betrokken partijen vast te houden, heeft het kabinet een nieuw doel bepaald. In 2021 mogen er maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar zijn (gemeten over studiejaar 2019/2020, in vo en mbo samen). Omdat deze regeling een duur kent van twee jaar, wordt als tussentijdse doelstelling aangehouden dat er in 2019 maximaal 22.500 nieuwe vsv’ers per jaar mogen zijn (gemeten over studiejaar 2017–2018).

Dat betekent dat ook in de komende jaren instellingen en scholen in mbo en vo worden gestimuleerd om landelijk bepaalde procentuele vsv-normen te halen. Via deze normen wordt stapsgewijs toegewerkt naar de nieuwe landelijke doelstelling. Haalt een instelling de norm, ontvangt zij extra middelen als stimulans voor de effectieve bestrijding van vsv. Instellingen die ondanks al hun inspanningen de norm niet halen, kunnen toch in aanmerking komen voor een deel van de bekostiging, zodat ook zij gewaardeerd worden voor de resultaten die ze wél weten te bewerkstelligen en gemotiveerd blijven om de uitval terug te dringen.

Samenhang met andere regelingen

Onderhavige regeling betreft de resultaatafhankelijke bekostiging voor het terugdringen van vsv in het mbo. De regionale aanpak vindt haar beslag in de regeling Regionale aanpak voortijdig schoolverlaten. De resultaatafhankelijke bekostiging in het vo zal plaatsvinden op grond van de Regeling resultaatsafhankelijke bekostiging vsv vo. Daarnaast is de aanpak van voortijdig schoolverlaten op mbo-instellingen ook onderdeel van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo (zie volgende paragraaf).

Financiële middelen

Om de totale vervolgaanpak te ondersteunen, wordt opnieuw passende financiering geboden. In totaal is jaarlijks ongeveer € 140 mln. beschikbaar voor het vsv-beleid, zowel voor de regionale inzet als de aanpak op scholen. Met ingang van 1 januari 2017 is € 4,1 mln. beschikbaar via het investeringsbudget van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo.

Daarnaast is € 36,5 mln. bestemd voor de resultaatafhankelijke bekostiging in het mbo in de vorm van aanvullende bekostiging op grond van deze regeling. De hoogte hiervan hangt af van het bereikte vsv-percentage van de instelling.

In deze regeling is uitgewerkt hoe de beschikbare middelen worden verdeeld over de instellingen. De regeling geldt voor de studiejaren 2016–2017 en 2017–2018 en heeft een looptijd tot en met 31 december 2019. Voor de periode erna wordt bezien hoe de resultaatafhankelijke bekostiging van scholen en instellingen vorm zal krijgen.

Voorwaarden vsv-resultaatafhankelijke bekostiging

Onderwijsinstellingen kunnen in aanmerking komen voor de resultaatafhankelijke bekostiging, indien zij het regionaal programma met maatregelen ondertekend hebben dat op grond van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017 door scholen en gemeenten in een RMC-regio is opgesteld.

Aanvullende bekostiging

De aanvullende bekostiging bestaat uit een resultaatafhankelijke variabele bekostiging. De instellingen, die op grond van de regeling hiervoor in aanmerking komen, ontvangen deze aanvullende bekostiging achteraf, na afloop van het studiejaar, op basis van de definitieve vsv-cijfers. Dit wordt uitgekeerd per BRIN-nummer. De hoogte van het bedrag is tevens afhankelijk van het aantal ingeschreven bekostigde leerlingen tot 22 jaar per school.

Resultaat bepalen

Het resultaat van een mbo-instelling wordt bepaald aan de hand van haar uitvalpercentage. Dat betreft het aantal vsv’ers ten opzichte van het aantal studenten in de leeftijd tot 23 jaar dat ingeschreven staat bij de instelling. Voor iedere soort beroepsopleiding van het mbo zijn uitvalpercentages bepaald waaraan de instelling moet voldoen. Oftewel: als een mbo-instelling haar uitvalpercentage weet terug te dringen tot een percentage ter hoogte van of lager dan desbetreffende norm, ontvangt zij een evenredig bedrag aan aanvullende bekostiging. Daarnaast kunnen ook instellingen die de norm niet hebben gehaald onder omstandigheden in aanmerking komen voor een deel van de bekostiging. Hoe dichter zij bij de norm zitten, hoe meer zij ontvangen.

Bekostiging bij behalen van de norm

De procentuele prestatienormen voor het mbo zijn weergegeven in tabel 1 van artikel 7. Deze normen zijn afgeleid van de doelstelling (maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers), en een inschatting van op welke niveaus nog winst behaald kan worden (op basis van een analyse van de prestaties van instellingen van de afgelopen jaren). In tegenstelling tot eerdere jaren is ervoor gekozen om voor de vakopleiding enerzijds (niveau 3) en middenkaderopleiding en specialistenopleiding (niveau 4) anderzijds aparte normen te hanteren, omdat de situatie per onderwijsniveau erg verschilt. Ook is te zien dat de norm voor de entreeopleiding soepeler is dan studiejaar 2015–2016 en daarvoor. Dat komt omdat die norm door nagenoeg geen enkele instelling gehaald werd en dus te streng is gebleken.

Voor instellingen die de norm niet halen

Om de instellingen die de norm niet halen te belonen voor de resultaten die ze wél weten te bewerkstelligen, wordt de volgende werkwijze gehanteerd, indien het subsidieplafond nog niet is bereikt. Een instelling die de norm niet haalt, kan in aanmerking komen voor een gedeelte van het bedrag dat zij zou hebben gekregen als zij de norm wèl zou hebben gehaald.

Het deel van het te ontvangen bedrag wordt bepaald naar rato van de afstand dat het behaalde uitvalpercentage heeft tot de norm tot 1,75 keer het normpercentage. Dus is het uitvalpercentage van de instelling gelijk aan of hoger dan 1,75 keer de prestatienorm, ontvangt de instelling niets. Die bovengrens is gesteld omdat het anders het prestatiegerichte karakter van de bekostiging teniet gedaan zou worden. Voorkomen moet worden dat een uitvalpercentage dat vele malen hoger ligt dat het gewenste streefpercentage beloond zou worden. Dat past niet bij het streven naar de doelstelling.

Alles binnen de bandbreedte tussen de bovengrens en de norm zelf wordt wel beloond, indien het subsidieplafond nog niet is bereikt. Hoe dichter bij de norm, hoe hoger het aandeel van het bedrag. Het gaat dan om de verhouding binnen de bandbreedte waarop het behaalde vsv-percentage zich bevindt. Hoe lager binnen de bandbreedte, hoe hoger het bedrag dat de instelling krijgt. Dus zit het uitvalpercentage op 50% van de bandbreedte, ontvangt de instelling de helft van het bedrag dat zij anders had gekregen als ze wel de norm had gehaald. Zit het uitvalpercentage op 75% van de bandbreedte, ontvangt de instelling een kwart van het bedrag.

Concreet betekent dat voor de berekening:

Stap 1: bepalen bandbreedte (A) = (normpercentage x 1,75) – normpercentage

Stap 2: bepalen rekeneenheid (B) = uitvalpercentage – normpercentage

Stap 3: bepalen positie instellingspercentage binnen bandbreedte (C) = (1 – (B / A))

Stap 4: bepalen beloning (D): uitkomst stap 3 (C) x maximumbedrag

De berekening voor de te krijgen beloning luidt dan: ((1 – (uitvalpercentage – normpercentage)) / ((Norm x 1,75) – normpercentage)) x maximumbedrag

In formulevorm: D = C x maximumbedrag

C = (1 – (B / A))

A = (Norm x 1,75) – normpercentage

B = Uitvalpercentage – normpercentage

Een schematisch voorbeeld:

De norm voor niveau 4 is 2,75%.

Een instelling met een uitvalpercentage van 2,75% voor een soort beroepsopleiding krijgt voor die soort beroepsopleiding het volledige bedrag dat toegekend wordt aan instellingen die de norm halen.

Een instelling met een uitval op of hoger dan 2.75 * 1.75 = 4,8% krijgt voor die soort beroepsopleiding niets.

Een instelling met een uitvalpercentage tussen de 4.8% en 2,75%, krijgt voor die soort beroepsopleiding een gedeelte van het bedrag.

Indien het uitvalpercentage 3,8% is komt de instelling in aanmerking voor: (1 – (3,8 – 2,75) / ((2,75 x 1,75) – 2,75)) x 10.000 = 4.909 euro.

Schematisch weergegeven ziet dat er voor een soort beroepsopleiding als volgt uit:

(de percentages in bovenstaand schema zijn afgerond)

Budget

Verdeelmodel voor uitputten beschikbaar budget

Het beschikbare budget wordt in drie stappen uitgekeerd:

  • 1. Eerst wordt bekostiging bepaald voor instellingen die de prestatienorm halen.

  • 2. Dan wordt bekostiging bepaald voor instellingen die de norm niet halen, maar wel binnen de bandbreedte vallen.

  • 3. Mocht er dan nog een deel van het budget resteren, wordt dat in z’n totaal verdeeld over de instellingen die een van bovenstaande beloningen hebben ontvangen, naar verhouding van de toegekende bedragen.

Als blijkt dat de instellingen dusdanig goede resultaten hebben behaald dat het beschikbare budget ontoereikend is om in de bekostiging voor het behalen van de norm en het behalen van de bandbreedte te kunnen voorzien, wordt de beloning voor het behalen van de bandbreedte naar beneden naar verhouding bijgesteld.

Budgettaire gevolgen

De resultaatafhankelijke bekostiging aan mbo-instellingen wordt jaarlijks verstrekt voor de kalenderjaren 2018 en 2019

Administratieve lasten

OCW voorziet dat aan dit voorstel geen structurele of eenmalige administratieve lasten zijn verbonden omdat er geen nieuwe informatieverplichtingen mee gemoeid zijn en daardoor geen sprake is van extra administratieve lasten. De resultaatafhankelijke bekostiging wordt ambtshalve, dus automatisch op basis van berekeningen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verstrekt aan de instellingen.

Artikelsgewijs

Artikel 1.

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gebruikt. De meeste begrippen komen overeen met de begripsbepalingen in de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: wet) en de Regeling kwaliteitsafspraken mbo.

Deze regeling is van toepassing op regionaal opleidingscentra en het mbo-deel van een agrarisch opleidingscentrum. Het voorbereidend beroepsonderwijs, zoals dat wordt gegeven op een agrarisch opleidingscentrum, wordt uitgezonderd van het begrip onderwijsinstelling. Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende vergoeding op de bekostiging voor individuele onderwijsinstellingen wordt gekeken naar het totaal aantal deelnemers binnen een onderwijsinstelling. Agrarische opleidingscentra hebben binnen de instelling zowel leerlingen die voortgezet onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs volgen. Als de leerlingen aan het voortgezet onderwijs van de agrarische opleidingscentra niet zouden worden uitgezonderd, zouden zij voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende vergoeding op de bekostiging voor mbo-instellingen ook meetellen in de berekeningen.

In onderdeel d is het begrip voortijdig schoolverlater (hierna: vsv’er), zoals dat in de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra is opgenomen, geoperationaliseerd tot het begrip ‘nieuwe voortijdig schoolverlater’. Hiervoor is gekozen om meetbaar op instellingsniveau, landelijk uniform, zonder administratieve lasten voor de instellingen en controleerbaar het aantal (nieuwe) voortijdig schoolverlaters te kunnen meten. Als de wettelijke definitie uit artikel 8.3.1, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs één-op-één zou worden gehanteerd zou per saldo het aantal voortijdig schoolverlaters sterk stijgen. De wet spreekt namelijk van een termijn van "ten minste vier weken" geen onderwijs volgen. Als men van deze termijn uitgaat, blijkt uit de maandelijkse informatieproducten van DUO dat er dan tienduizenden jongeren meer als voortijdig schoolverlater moeten worden aangemerkt. Veel jongeren vinden echter binnen de periode van een jaar de weg weer terug naar school of instelling. De definitie die gehanteerd wordt in de vsv-tellingen gaat daarom uit van een termijn van een jaar: van 1 oktober jaar t tot 1 oktober jaar t+1.

Een jongere is een nieuwe vsv’er indien hij of zij op 1 oktober van een studiejaar stond ingeschreven aan een reguliere, bekostigde vo- of mbo-instelling en op die datum nog geen 22 jaar was en vervolgens op 1 oktober van het daaropvolgende studiejaar niet meer bij een (bekostigde of niet-bekostigde) instelling staat ingeschreven, geen vrijstelling van inschrijving heeft en niet in het bezit is van een startkwalificatie. Deze groep jongeren wordt beschouwd als het aantal nieuwe vsv’ers gedurende het studiejaar. De vsv’ers worden toegerekend aan de instelling waaraan zij ingeschreven waren op het eerste peilmoment. Door het aantal vsv’ers af te zetten tegen het aantal deelnemers kan het vsv-percentage bepaald worden. Bij de berekening van het aantal nieuwe vsv’ers wordt een aantal categorieën buiten beschouwing gelaten. In bijlage A bij deze regeling is opgenomen om welke categorieën het gaat.

Op grond van de berekening wordt de hoogte van de resultaatafhankelijke bekostiging bepaald. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) beschikt over de gegevens die nodig zijn om deze berekeningen te maken.

Artikel 2.

Met de regeling wordt beoogd om – ten behoeve van de ontwikkeling van het bestel van het beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, van de wet – het realiseren van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters tot maximaal 22.500 in het kalenderjaar 2019. Om dat doel te bereiken, wordt een aanvullende bekostiging verstrekt die de instellingen ontvangen.

Het kabinet heeft de doelstelling voor het tegengaan van voortijdige schooluitval verder aangescherpt. Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters mag in het kalenderjaar 2021 maximaal 20.000 zijn, gemeten over schooljaar 2019–2020. Deze ministeriële regeling heeft echter alleen betrekking op de kalenderjaren 2017 en 2018. Daarom luidt de doelstelling als volgt: maximaal 22.500 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2019, gemeten over het studiejaar 2017–2018.

Om individuele mbo-instellingen te ondersteunen in hun bijdrage aan het behalen van deze doelstelling wordt een aanvullende bekostiging ter beschikking gesteld. Deze resultaatafhankelijke bekostiging is met name bedoeld voor het ondersteunen van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten op de individuele instellingen.

Artikel 3.

Dit artikel geeft aan hoeveel budget er jaarlijks maximaal beschikbaar is voor aanvullende bekostiging op grond van deze regeling.

Artikel 4.

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (de Kaderregeling) is niet van toepassing op de verstrekking van de resultaatafhankelijke bekostiging.

Artikel 5.

De aanvullende bekostiging wordt verstrekt ten behoeve van het in artikel 2 genoemde doel. De instelling kan zelf bepalen aan welke activiteiten, waarvoor bekostiging wordt verstrekt, de middelen worden uitgegeven. De aanvullende bekostiging is een beloning voor de instelling voor het bijdragen aan het behalen van de vsv-doelstelling. Om deze reden vindt er geen terugvordering van niet-bestede middelen of overschotten plaats.

De instellingen verantwoorden de ontvangen bekostiging in de reguliere jaarverslaggeving van de onderwijsinstelling, conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 6.

In dit artikel wordt geregeld dat alleen instellingen die uitvoering geven aan het regionaal programma aan maatregelen in aanmerking komen voor resultaatafhankelijke bekostiging. De gedachte hierachter is dat de samenwerking met gemeenten en scholen in de regio op grond van een regionaal programma een positieve bijdrage levert aan het terugdringen van het aantal nieuwe vsv’ers in de hele RMC-regio. Op deze manier worden mbo-instellingen extra gestimuleerd om deel te nemen aan het regionaal programma vsv.

De aanvullende bekostiging wordt ieder jaar achteraf, na afloop van desbetreffend studiejaar berekend nadat de definitieve berekeningen door DUO van het aantal vsv’ers over dat studiejaar bekend zijn geworden.

Artikel 7.

Dit artikel bevat de berekeningswijze van de aanvullende bekostiging. Een instelling komt in aanmerking voor de aanvullende bekostiging indien het percentage nieuwe voortijdig schoolverlaters dat deze instelling binnen een soort beroepsopleiding heeft (entreeopleiding, mbo-2 en mbo-3 en 4 gezamenlijk) op of onder de procentuele norm ligt zoals opgenomen in tabel 1. Het percentage nieuwe vsv’ers over studiejaar 2016–2017 wordt berekend door het aantal nieuwe vsv’ers binnen die categorie beroepsopleiding op 1 oktober 2017 te delen door het aantal ingeschreven bekostigde deelnemers tot 22 jaar binnen die categorie beroepsopleiding op 1 oktober 2016. Dit geldt voor elke categorie beroepsopleiding. Een instelling die de entreeopleiding, mbo-2, mbo-3 en mbo-4 aanbiedt, kan bij het behalen van alle vier de normen dus jaarlijks vier keer recht hebben op een aanvullende bekostiging. De hoogte van de bedragen is afhankelijk van het aantal ingeschreven bekostigde deelnemers tot 22 jaar per soort beroepsopleiding op de teldata zoals genoemd in het derde lid. Hoe meer ingeschreven bekostigde deelnemers een instelling heeft, hoe hoger de aanvullende bekostiging. Dit is uitgewerkt in tabel 2.

Het tweede en derde lid geven aan welke gegevens voor de berekening gebruikt worden. In bijlage A is uiteengezet welke studenten precies wel of niet als vsv’er worden aangemerkt en meegenomen in de berekening van de hoogte van de aanvullende bekostiging.

In het vierde lid zijn de teldata opgenomen. Voor kalenderjaar 2017 is 1 oktober 2016 de teldatum en voor kalenderjaar 2018 is dit 1 oktober 2017. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de werkelijke situatie worden door DUO de meest recente (door accountants gecontroleerde) gegevens gebruikt.

Artikel 8.

In het eerste lid is geregeld dat een instelling waarvan een soort beroepsopleiding niet voldoet aan de bijbehorende procentuele norm in tabel 1 alsnog in aanmerking kan komen voor een deel van de aanvullende bekostiging, indien het subsidieplafond nog niet is bereikt en het percentage, bedoeld in het vijfde lid van artikel 7, hoger ligt dan de procentuele norm per soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1 maar lager is dan de procentuele norm per soort beroepsopleiding genoemd in tabel 1 vermenigvuldigd met een waarde van 1,75. Daartoe is in het derde lid een formule opgenomen.

De berekening voor de te krijgen beloning luidt uitgedrukt in woorden: ((1 – (uitvalpercentage – normpercentage)) / ((Norm x 1,75) – normpercentage)) x maximumbedrag

Concreet betekent dat voor de berekening:

Stap 1: bepalen bandbreedte (A) = (normpercentage x 1,75) – normpercentage;

Stap 2: bepalen rekeneenheid (B) = uitvalpercentage – normpercentage;

Stap 3: bepalen positie instellingspercentage binnen bandbreedte (C) = (1 – (B / A));

Stap 4: bepalen beloning (D): uitkomst stap 3 (C) x maximumbedrag.

Overigens kan op grond van het vierde lid de uitkomst van de berekening naar beneden worden bijgesteld indien het subsidieplafond wordt overschreden.

In het vierde lid is aangegeven dat bij overschrijding van het bekostigingsplafond de hoogte van de aanvullende middelen naar evenredigheid per onderwijsinstelling wordt verlaagd. Dit betekent dat het percentage van de overschrijding wordt berekend, waarna de vergoeding per onderwijsinstelling met dit percentage wordt verlaagd.

Artikel 12

De Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo, die op 7 september 2016 in werking is getreden, verwees naar de Regeling prestatiebox mbo. Aan de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo wordt nu een bijlage toegevoegd, waardoor de verwijzing naar de regeling niet langer noodzakelijk is.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker