Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 september 2016, nr. IENM/BSK-2016/152520, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen (Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 8, 10, tweede lid en 13, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

branche:

een groep ondernemingen in de BRZO-sector die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen;

branchesamenwerkingsverband:

samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen uit dezelfde branche, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

BRZO-onderneming:

onderneming waarop het Besluit risico's zware ongevallen 2015 van toepassing is;

cluster:

groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie;

clustersamenwerkingsverband:

locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee of meer ondernemingen binnen een veiligheidsrisicogebied, waaronder ten minste een BRZO-onderneming;

grote onderneming:

onderneming als bedoeld in artikel 2 onderdeel 24 van de algemene groepsvrijstelling verordening;

kaderbesluit:

Kaderbesluit subsidies I en M;

keten:

twee of meer ondernemingen gebonden door een contractuele relatie in een toe- of afleveringsketen binnen de BRZO-sector;

ketensamenwerkingsverband:

samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer ondernemingen in een toeleveringsketen binnen de BRZO-sector, zijnde productieondernemingen, tankopslagondernemingen, logistieke dienstverleners, havenondernemingen en in ieder geval een BRZO-onderneming;

Minister:

Minister van Infrastructuur en Milieu;

onderzoeksorganisatie:

organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

project a:

project inzake proces- en organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 96 en 97, en artikel 29, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot een toepassing van een nieuwe organisatiemethode danwel een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode;

project b:

project inzake opleiding als bedoeld in artikel 31, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot kennisoverdracht;

project c:

project inzake milieustudies als bedoeld artikel 49, van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot het in beeld krijgen van de investeringen die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming en in dit geval omgevingsveiligheid te bereiken.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van initiatieven die voldoende bijdragen aan blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

  • 1. De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die het bereiken van het in artikel 2 genoemde doel beogen en betrekking hebben op één of meer van de volgende thema’s:

    • a. veiligheidscultuur;

    • b. ketenverantwoordelijkheid;

    • c. veilige bedrijventerreinen en veilige clusters.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdelen

  • 1. Het subsidieplafond voor 2016 bedraagt € 2.000.000.

  • 2. Het subsidieplafond voor 2017 bedraagt € 2.000.000.

  • 3. De Minister stelt het subsidieplafond voor de daaropvolgende jaren vast en maakt dit bekend in de Staatscourant voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het wordt vastgesteld.

  • 4. De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Aanvragers en aanvraagformulier

  • 1. Een aanvraag kan voor de uitvoering van een project a, b of c uitsluitend worden ingediend door een aanvrager die optreedt als penvoerder van een branchesamenwerkingsverband, een clustersamenwerkingsverband of een ketensamenwerkingsverband.

  • 2. Indien in geval van een project a een grote onderneming deelneemt aan het samenwerkingsverband dient sprake te zijn van een situatie als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3. Voor een project a, b of c geldt dat een onderzoeksorganisatie deel kan uitmaken van het samenwerkingsverband.

  • 4. Voor een clustersamenwerkingsverband geldt dat een omgevingsdienst of veiligheidsregio betrokken kan zijn, maar niet als aanvrager van subsidie.

  • 5. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 6. Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven

  • 1. Als subsidiabele kosten voor een project a worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 2. Als subsidiabele kosten voor een project b worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 3. Als subsidiabele kosten voor een project c worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, beschouwd.

  • 4. Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:

    • a. berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.

Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

  • 1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

  • 2. De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 8. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

  • 1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

  • 2. De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

    • a. vaste opslag voor indirecte kosten van 50% van de loonkosten;

    • b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • c. aan derden betaalde kosten.

  • 3. Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 50 per uur.

Artikel 9. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

  • 1. Het forfaitaire uurtarief, bedoeld in artikel 6, vierde lid, onderdeel c, bedraagt € 50.

  • 2. De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

    • a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;

    • b. aan derden betaalde kosten.

Artikel 10. Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie voor een project a bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 29, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 2. De subsidie voor een project b bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 31, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 3. De subsidie voor een project c bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 49, derde en vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 500.000.

  • 4. Ten aanzien van een onderzoeksorganisatie bedraagt de subsidie voor een project ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten.

Artikel 11. Beoordelingscriteria

  • 1. Een project voldoet in ieder geval aan de volgende criteria:

    • a. in voldoende mate bijdragen aan versterking van de omgevingsveiligheid;

    • b. in voldoende mate bijdragen aan het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid.

  • 2. Per criterium zijn maximaal 2 punten te behalen. Een project moet minimaal 3 punten halen om in aanmerking te komen voor subsidie.

  • 3. De beschrijving van de criteria en de wijze van toekenning van punten is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 12. Afwijzingsgronden

Een subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 11 en artikel 12 van het kaderbesluit, in ieder geval afgewezen, indien:

  • a. het project strekt ter invulling van een wettelijke verplichting dan wel een voorziene wettelijke verplichting;

  • b. de resultaten van het project niet ter beschikking aan de branche, het cluster, of de keten worden gesteld. Indien er kosten zijn verbonden aan het ter beschikking stellen van de resultaten, mogen die kosten worden doorberekend;

  • c. reeds een subsidie is verstrekt op grond van deze regeling voor een soortgelijk project;

  • d. het project onvoldoende punten scoort op de beoordelingscriteria genoemd in artikel 11;

  • e. de uitvoering van een project naar verwachting langer zal duren dan twee jaar; of

  • f. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 13. Verplichting

Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft.

Artikel 14. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016 en vervalt met ingang van 1 oktober 2021, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 11 VAN SUBSIDIEREGELING VERSTERKING OMGEVINGSVEILIGHEID BRZO-SECTOR

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van de versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De additionaliteit van het project, blijkend uit een vergelijking met de actuele (inclusief de aangekondigde) wet- en regelgeving waaraan ondernemingen in dit verband zijn onderworpen alsmede uit het aantal projectdeelnemers;

  • De effectiviteit en efficiëntie blijkend uit de omschrijving van het project voor wat betreft inhoud en daaraan gerelateerde kosten;

  • Het specifiek omschreven projectresultaat.

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De aantrekkelijkheid van de concrete projectresultaten (na afloop van het project) voor blijvende toepassing, ook buiten de kring van de projectdeelnemers;

  • Het in de projectomschrijving beschreven draagvlak, inclusief eventuele randvoorwaarden, dat voorafgaand aan of tijdens de projectuitvoering onderzocht is of wordt;

  • De gespecificeerde inzet van de projectdeelnemers om na afloop van (een succesvol) project bij te dragen aan brede toepassing ervan in de branche, in de keten of in het cluster

Zowel op bijdrage aan versterking van de omgevingsveiligheid als op het blijvende effect daarvan kunnen projecten scoren op drie niveaus:

Bijdrage versterking omgevingsveiligheid: matig(0), voldoende(1) en hoog(2);

Blijvend effect: laag(0), gemiddeld(1) en hoog(2).

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Het doel van de onderhavige subsidieregeling is het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Deze regeling geeft een kader voor het verlenen van subsidies aan projecten die bijdragen aan de omgevingsveiligheid. Voor deze regeling is gekozen om de focus te leggen op drie thema’s: verbeteren van de veiligheidscultuur, ketenverantwoordelijkheid en de bevordering van veilige bedrijventerreinen en veilige clusters.

2. Aanleiding en achtergrond

De primaire verantwoordelijkheid voor de omgevingsveiligheid bij het werken met gevaarlijke stoffen ligt bij de betrokken ondernemingen. De overheid ziet er daarbij op toe dat de ondernemingen zich aan de regelgeving houden. De overheid verwacht daarnaast ook dat de eigen verantwoordelijkheid wordt ingevuld. Daarin spelen de gekozen thema’s een belangrijke rol. Juist op het gebied van verbeteren van de veiligheidscultuur, ketenverantwoordelijkheid en de bevordering van veilige bedrijventerreinen en veilige clusters is er veel ruimte voor bedrijven om met nieuwe projecten te komen.

3. Hoofdlijnen

Met deze regeling wil de Minister in het bijzonder collectieve initiatieven faciliteren. Samenwerkingsverbanden, hetzij in ketens (verticaal), in branches (horizontaal), dan wel in clusters (lokaal), komen in aanmerking voor subsidie. Daarmee wordt gestreefd naar brede toepasbaarheid en maximale impact.

Er moet bij samenwerkingsverbanden tussen ondernemingen voor gewaakt worden dat de mededinging verstoord wordt. Burgers mogen geen last ondervinden van prijsafspraken. Dit is naar verwachting niet aan de orde, want de inzet is het binnen de gehele sector verspreiden van de opgedane kennis in een project. Naleving van de mededingregels is de verantwoordelijkheid van de betrokken ondernemingen.

De doelstelling (versterking omgevingsveiligheid) van de regeling omvat de hieronder genoemde 3 thema’s.

Veiligheidscultuur

Onder veiligheidscultuur wordt verstaan een hoog veiligheidsbewustzijn binnen alle gelederen van een onderneming, dat veilig gedrag zeker stelt. Een onderneming met een sterke veiligheidscultuur reageert proactief op tekortkomingen. Met als basis een goed geïmplementeerd veiligheidsbeheerssysteem is de onderneming met een hoogontwikkelde veiligheidscultuur zich doorlopend bewust van risico’s en heeft het beheersen daarvan volledig geïnternaliseerd in de bedrijfsvoering. Meldingen van tekortkomingen worden in zo’n onderneming zowel zorgvuldig als in alle openheid behandeld en, indien nodig, op de kortst mogelijke termijn van maatregelen voorzien.

Ketenverantwoordelijkheid

Onder ketenverantwoordelijk wordt verstaan de verantwoordelijkheid die een onderneming heeft ten aanzien van de veiligheidsprestatie van de ondernemingen waarmee het zaken doet. Ketenverantwoordelijkheid sluit nauw aan bij een sterke veiligheidscultuur. Ketenverantwoordelijkheid uit zich er onder andere in dat ondernemingen elkaar scherp houden en durven aan te spreken, elkaar ondersteunen om veiligheidsprestaties in de keten te verbeteren en als laatste stok achter de deur een contractuele relatie te beëindigen, indien de veiligheidsprestaties onvoldoende blijven. Er ontstaat een effect van ondernemingen in de keten die aan elkaar hoge eisen stellen met betrekking tot veiligheid. Geen onderneming kan zich dan meer aan de dominante cultuur onttrekken. Evenmin geldt dat een onderneming die zich aan die cultuur onttrekt, nog deel kan uitmaken van de sector.

Veilige bedrijventerreinen en clusters

Het gaat hier om zowel veiligheidscultuur als onderlinge samenwerking en eventueel ook ketenverantwoordelijkheid. Enerzijds leidt clustering van ondernemingen op locatie in het werken met gevaarlijke stoffen tot minder activiteiten in gebieden waar veel mensen verblijven. Anderzijds kan synergie van ondernemingen leiden tot verminderd gebruik en transport van gevaarlijke stoffen en tot meer investeringen in maatregelen om effecten van incidenten te beperken (bundeling van middelen).

4. Verhouding tot bestaande regelgeving

De wettelijke grondslag voor deze regeling is gelegen in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, (subsidie inzake milieubeheer) 4, eerste en tweede lid, (activiteiten en criteria voor subsidieverstrekking) en 5 (nadere regels mogelijk) van de Kaderwet subsidies I en M. Verder is de grondslag voor deze regeling gelegen in de artikelen 2, eerste lid, (subsidie mogelijkheid) 4 (nadere regels), 6, zesde lid (subsidiabele kosten), 7, derde lid, (toepassing standaardberekeningswijze) 8 (subsidieplafond), 10, tweede lid (aanvraag en aanvraagperiode) en 13 (aanvullende afwijzingsgronden) van het kaderbesluit.

In het kaderbesluit zijn procedureregels opgenomen die eveneens op de uitvoering van deze regeling van toepassing zijn. Het gaat om de volgende bepalingen: artikel 3 (aanvrager moet rechtspersoon of natuurlijke persoon zijn), 5 (cumulatie van subsidies en verlaging van subsidie bij toepasselijkheid van de algemene groepsvrijstellingsverordening), 6 (gemaakte kosten), 11 en 12 (afwijzingsgronden) 14 tot en met 17 (subsidieverstrekking), 17 tot en met 20 (verplichtingen), 23 (betaling en bevoorschotting) en 24 (subsidievaststelling), 26 (samenwerkingsverbanden) en 27 (misbruik en oneigenlijk gebruik).

Ter illustratie: ten aanzien van het vaststellen van de subsidie is in artikel 24 van het kaderbesluit bepaald dat de aanvraag tot vaststelling moet plaatsvinden binnen 13 weken nadat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn verricht. In artikel 24 staat welke eisen in ieder geval aan een dergelijke aanvraag tot vaststelling gesteld worden. Ook is in artikel 24 opgenomen welke stukken gevoegd moeten worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling.

Het kaderbesluit maakt het verder mogelijk bepaalde verplichtingen of eisen te stellen in de beschikking tot subsidieverlening. Zie bijvoorbeeld artikel 23 van het kaderbesluit ten aanzien van het verlenen van voorschotten voor nog niet vastgestelde subsidie.

Voor de subsidieontvanger is daarom niet alleen deze regeling van belang, maar ook hetgeen is opgenomen in het kaderbesluit en in de beschikking tot subsidieverstrekking.

Verder wordt in deze regeling gebruik gemaakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Dit begrip wordt reeds in het kaderbesluit gedefinieerd. Het gaat om Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU 26.6.2014, L 187/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving. In de begripsbepalingen is verwezen naar het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Omdat op deze regeling de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, is er sprake van geoorloofde staatssteun. Steunregelingen zijn verenigbaar met de interne markt, in de zin van artikel 107, tweede en derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en zijn vrijgesteld van een aanmeldingsverplichting van artikel 108, derde lid, van het VWEU mits die steun voldoet aan alle voorschriften zoals gesteld in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening, en aan de toepasselijke bepalingen uit hoofdstuk III van deze verordening. Met een kennisgeving op basis van artikel 11 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt de Europese Commissie op de hoogte gesteld van deze regeling. In het kaderbesluit en de regeling zijn vereisten opgenomen om te voldoen aan hetgeen is bepaald in hoofdstuk I van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Het gaat hierbij om cumulatie, stimulerend effect, maximale steunbedragen, onderneming in moeilijkheden, ondernemingen waartegen een terugvorderingsbesluit open staat en eisen aan de aanvraag. Tevens wordt, zie hiervoor ook de artikelsgewijze toelichting, aan de voorschriften van de artikelen 18, 29, 31 en 49 uit hoofdstuk III van de algemene groepsvrijstellingsverordening voldaan.

5. Uitvoering en handhaving

Deze regeling wordt in 2016 uitgevoerd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en vanaf 1 januari 2017 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Mandaat en machtiging daartoe is verleend in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2015.

De uitvoerbaarheid in handhaafbaarheid van deze regeling is getoetst door RVO. Dit heeft niet tot aanpassing van de regeling geleid omdat RVO.nl betrokken is geweest bij het opstellen van de regeling.

6. Gevolgen

De administratieve lasten voor aanvragers bestaan in de aanvraagfase uit het kennisnemen van de regeling, het invullen van het aanvraagformulier, het opstellen van de projectbegroting, het activiteitenplan, indien aan de orde de samenwerkingsovereenkomst, en het aanleveren van overige bescheiden. In de uitvoeringsfase zijn de administratieve lasten beperkt tot een eventueel verzoek tot wijziging, het voeren van een administratie en een schriftelijk tussentijds verslag bij een projectduur van meer dan een jaar. De bevoorschotting wordt in de beschikking opgenomen en vindt ambtshalve plaats. In de vaststellingsfase zijn de lasten voor de subsidies van € 125.000,– en hoger een schriftelijke eindrapportage en een controleverklaring (artikel 24 kaderbesluit). Voor subsidies lager dan dit bedrag is naast een schriftelijke eindrapportage alleen een verklaring van de subsidieontvanger vereist over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten. Na afloop van het project zijn er nog de lasten van het openbaar maken van de projectresultaten en het meewerken aan een evaluatieonderzoek. Voorts vloeien er lasten voort uit eventueel ingediende bezwaar- en beroepschriften.

De totale lasten voor de projecten a, b en c in 2016 en 2017 zijn geschat op € 229.600. Dat is 5,7% procent van het voor 2016 en 2017 beschikbare subsidieplafond van € 4.000.000.

De regeling is zodanig vormgegeven dat deze tot zo min mogelijk administratieve lasten voor aanvragers zal leiden.

7. Advisering en consultatie

In de verzamelbrief regeldruk 2011–2015 van 19 september 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 29 515 nr. 333)1 is te lezen dat ‘uitgangspunt is dat voorstellen die significante verandering brengen in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen of die grote gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk via internet worden geconsulteerd’.

De mogelijkheid subsidie aan te vragen voor de uitvoering van een project in het kader van deze regeling brengt geen significante verandering aan in de rechten en plichten van burgers. Wel kunnen ondernemingen een subsidieaanvraag indienen. De eisen om voor toekenning in aanmerking te komen vloeien grotendeels voort uit de algemene groepsvrijstellingsverordening en het kaderbesluit. Deze regeling is een nadere uitwerking en invulling daarvan. Consultatie met het bedrijfsleven heeft plaatsgevonden in het kader van Veiligheid Voorop, het samenwerkingsverband voor veiligheid van branches in de BRZO-sector. Het bedrijfsleven is enthousiast over de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor projecten en is gebaat bij een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de regeling. De toegevoegde waarde van internetconsultatie is daarom als gering in te schatten. Gelet hierop is afgezien van internetconsultatie van deze regeling.

8. Evaluatie

Naar verwachting zal de regeling in 2020/2021 worden geëvalueerd.

9. Inwerkingtreding/overgangsrecht

Doordat is gekozen voor inwerkingtreding op 1 oktober 2016 wordt aangesloten bij een voor ministeriële regelingen geldend vast verandermoment. Van de vaste invoeringstermijn van tenminste twee maanden wordt afgeweken. Reden daarvan is het openbaar belang van veiligheid, dat gediend is met een zo snel mogelijke inwerkingtreding van de regeling. Het subsidiebudget voor 2016 is reeds vastgesteld. De doelgroep is nauw betrokken bij het opstellen van de regeling en heeft aangegeven reeds in 2016 van de regeling gebruik te willen en te kunnen maken. De regeling geldt voor een periode van vijf jaar en vervalt op 1 juli 2021. Zij blijft uiteraard van toepassing op de afhandeling van de vóór dat tijdstip ontvangen subsidieaanvragen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

De meeste definities die relevant zijn voor de verstrekking van subsidies in het kader van deze regeling zijn opgenomen in artikel 1 van het kaderbesluit. Denk bijvoorbeeld aan de definitie van aanvrager, penvoerder of samenwerkingsverband. Alleen aanvullende definities in verband met deze regeling zijn in dit artikel opgenomen.

Omdat deze regeling gebruik maakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt bij de definitie van de te subsidiëren projecten daarbij aangesloten.

Project a betreft proces- en organisatie-innovatie zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 96 en 97, en artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Organisatie-innovatie is als volgt gedefinieerd in de algemene groepsvrijstellingsverordening: ‘de toepassing van een nieuwe organisatiemethode in de bedrijfsvoering, in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen van een onderneming, maar met uitsluiting van veranderingen die zijn gebaseerd op organisatiemethoden die reeds in gebruik zijn in de onderneming, veranderingen in de managementstrategie, fusies en acquisities, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg zijn van prijswijzigingen voor productiefactoren, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke, seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten’. En procesinnovatie als ‘de toepassing van een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode (daaronder begrepen aanzienlijke veranderingen in technieken, uitrusting of software), maar met uitsluiting van geringe veranderingen of verbeteringen, verhogingen van de productie- of dienstverleningscapaciteit door de toevoeging van productie- of logistieke systemen die sterk gelijken op die welke reeds in gebruik zijn, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten’.

Een voorbeeld van een project a is onderzoek en ontwikkeling van een platform voor data-uitwisseling over locatie, aard en hoeveelheid van gevaarlijke stoffen voor onder andere routering en inzet van hulpdiensten. Of het systeem dat informatie direct vertaalt naar de burgers en hulpdiensten in geval van een incident (e-nose). Hierdoor kunnen de gevolgen beperkt gehouden worden. En andere voorbeelden zijn track and trace van transport van gevaarlijke stoffen over spoor, transitie van een papieren passysteem naar een digitaal passysteem (digital safety pass), het ontwikkelen van een botsproef voor VBS-systemen en het ontwikkelen en invoeren van best practices voor zover dit proces-en/of organisatie-innovatie betreft, bijvoorbeeld voor de handling en het transport van gevaarlijke stoffen.

Bij een project b zoals bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de inzet van zogenoemde buddy’s. Het gaat hierbij om kennisontwikkeling, kennisoverdracht en kennisverspreiding gericht op versterking van de veiligheidscultuur. Goed presterende bedrijven gaan een buddyschap aan met minder presterende bedrijven waardoor de veiligheid van de gehele sector naar een hoger niveau kan worden gebracht.

Een project c, zoals bedoeld in artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, behelst een milieustudie om in beeld te krijgen of een bepaalde milieu-investering, zoals genoemd in deel 7 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, het gewenste doel kan bereiken. Hierbij kan gedacht worden aan studies en risico-analyses van product- en procesketens, gericht op preventie van majeure incidenten, met als doel concrete voorstellen te kunnen doen voor investeringen ten behoeve van de verbetering van de veiligheidsprestatie van BRZO-ondernemingen en hun ketenpartners. Een ander voorbeeld is het onderzoeken welke veiligheidsinvesteringen er nodig zijn bij de introductie van nieuwe (milieuvriendelijkere) grond- of brandstoffen (zoals waterstof) in een (productie)proces.

Artikel 2. Doel van de regeling

Voor wat betreft het doel van de regeling wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 3. Verstrekken van subsidie

In het algemeen deel van de toelichting is aangegeven dat de doelstelling van de regeling de drie in het tweede lid van artikel 3 genoemde thema’s omvat. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdelen

Het subsidieplafond voor 2016 en 2017 is vastgesteld op in totaal € 4.000.000.

De subsidie wordt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen beoordeeld. Hierbij is het bepaalde in artikel 8 van het kaderbesluit van toepassing.

Een aanvrager kan in het jaar waarvoor er subsidiebudget beschikbaar is een aanvraag indienen. Een aanvraag voor subsidie zal worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is.

Artikel 5. Aanvragers en aanvraagformulier

Deze regeling focust in het geval van een project a, b, of c op samenwerkingsverbanden waarvan ten minste één BRZO-onderneming onderdeel uitmaakt. De regeling is primair bedoeld voor initiatieven uit het bedrijfsleven. De thema’s veiligheidscultuur en ketenverantwoordelijkheid rechtvaardigen dat ook.

Omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s maken geen deel uit van een clustersamenwerkingsverband en kunnen dus geen subsidie aanvragen, maar wel kan het in sommige gevallen goed zijn als ze wel betrokken worden door het clustersamenwerkingsverband. Voor omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s bestaan er andere specifieke financieringsinstrumenten om initiatieven op het gebied van uitvoering binnen het BRZO-veld te faciliteren.

Op grond van artikel 29, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening komen grote ondernemingen in een samenwerkingsverband alleen voor subsidie in aanmerking wanneer ook kmo’s (kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening) aan het samenwerkingsverband deelnemen en tenminste 30% van de in aanmerking komende kosten dragen.

Ten aanzien van een aanvraag bevat artikel 10 van het kaderbesluit reeds een aantal eisen ten aanzien van onder andere de vereiste bescheiden.

Dit artikel geeft invulling aan de artikel 4, eerste lid onder c en d van het kaderbesluit. In het kader van deze regeling kan een aanvraag worden gedaan door de in dit artikel van de regeling genoemde aanvragers. De definities van de verschillende soorten samenwerkingsverbanden zijn opgenomen in artikel 1 van het kaderbesluit. In artikel 26 van het kaderbesluit is opgenomen dat een penvoerder namens het samenwerkingsverband een subsidie indient en dat er bij de aanvraag een samenwerkingsovereenkomst gevoegd moet worden.

Indiening van de aanvraag kan via het elektronisch loket van RVO.nl worden gedaan. Daarnaast bestaat de mogelijkheid een aanvraag te doen per post.

Artikel 6, 7, 8 en 9. Subsidiabele kosten en de berekening daarvan met gebruikmaking van de standaardberekeningswijze uurtarieven en de toepassing daarvan

De op grond van artikel 29, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking komende kosten voor een project a zijn:

  • personeelskosten;

  • kosten van apparatuur en uitrusting, gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project;

  • kosten voor contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verkregen van externe bronnen;

  • bijkomende algemene kosten en andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

De op grond van artikel 31, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking komende kosten voor een project b zijn:

  • personeelskosten van de opleiders, voor de uren dat de opleiders aan de opleiding deelnemen;

  • rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten van opleiders en deelnemers aan de opleiding, zoals reiskosten, materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met het project verband houden, de afschrijving van werktuigen en uitrusting voor zover deze uitsluitend voor het opleidingsproject worden gebruikt. Accommodatiekosten zijn uitgesloten, met uitzondering van de minimaal noodzakelijke accommodatiekosten voor aan de opleiding deelnemende werknemers met een handicap;

  • kosten van adviesdiensten met betrekking tot het opleidingsproject;

  • de personeelskosten van de deelnemers aan de opleiding en algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten), voor de uren dat de deelnemers de opleiding bijwonen.

De op grond van artikel 49, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking komende kosten voor een project c zijn de kosten van de studie.

Gelet op artikel 7 van het Kaderbesluit dient vastgesteld te worden welke standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd. Ten aanzien van de standaardberekeningswijze voor uurtarieven wordt het de aanvragers toegestaan zelf een keuze te maken uit de drie beschikbare mogelijkheden uit het Kaderbesluit. Ter uitwerking van deze bepaling is in artikel 7 opgenomen hoe de standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven met behulp van de integrale kostensystematiek moet worden toegepast en hoe vervolgens de subsidiabele kosten kunnen worden berekend. In artikel 8 is opgenomen hoe de standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven op basis van de kosten per kostendrager met forfaitaire opslag moet worden gehanteerd en hoe daarmee de subsidiabele kosten kunnen worden berekend. In artikel 9 is de standaardberekeningswijze opgenomen voor zover gebruik wordt gemaakt van een forfaitair vastgesteld uurtarief loonkosten van € 50 per uur. In dit bedrag zijn zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten begrepen. Ook is in dit artikel opgenomen hoe in dit geval de subsidiabele kosten kunnen worden berekend.

Artikel 10. Hoogte van de subsidie

Hieronder zijn de subsidiepercentages per project opgenomen zoals die uit de algemene groepsvrijstellingsverordening voortvloeien.

% subsidie

grote onderneming

middelgrote onderneming

kleine onderneming

project a

15

+35

+35

project b

50

+10

+20

project c

50

+10

+20

Onder kleine onderneming wordt verstaan een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt (artikel 2, tweede lid, van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingverordening). Middelgrote ondernemingen zijn ondernemingen die geen kleine of grote onderneming zijn als bepaald in bijlag I van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De aanvrager moet inzichtelijk maken wat de totale subsidiabele kosten zijn van een project en welk deel voor rekening van de aanvragers komt, om na te kunnen gaan of aan het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt voldaan.

Omdat ten aanzien van een onderzoeksorganisatie in beginsel een volledige subsidiëring mogelijk zou zijn, maar dit gelet op de beschikbaarheid van middelen en de relatie tot andere partijen in een project niet gewenst is, wordt het subsidiepercentage gemaximeerd tot 60% van de subsidiabele kosten.

Artikel 11. Beoordelingscriteria

De beoordelingscriteria hebben tot doel om te wegen of een project in voldoende mate bijdraagt aan het doel van de regeling. De subsidie moet fungeren als een vliegwiel dat een project steun in de rug geeft, maar dat gedragen door de partijen in het veld tot wasdom komt en ook blijvend effect heeft. Aan de hand van de criteria wordt de kwaliteit van het project, respectievelijk uitgedrukt in bijdrage aan de versterking van de omgevingsveiligheid en het blijvend effect van die bijdrage, van het project te beoordeeld. Een project moet minimaal 3 punten scoren om positief beoordeeld te worden. Dit betekent dat een aanvraag die op één van de twee criteria matig/ laag scoort niet in aanmerking komt voor subsidie. Hiervoor is gekozen om zeker te stellen dat de toegekende projecten over een hoge kwaliteit op zowel de versterking van de omgevingsveiligheid als het blijvend effect daarvan beschikken.

Artikel 12. Afwijzingsgronden

De afwijzingsgronden genoemd in artikel 12 zijn dwingend. Wanneer aan één van deze gronden wordt voldaan, wordt de subsidie afgewezen.

Projectaanvragen die ertoe strekken om bestaande of voorziene wet- en regelgeving in te vullen vallen niet onder deze regeling. Een onderneming is verplicht om de wet na te leven. Sectorale projecten die tot doel hebben het invulling geven aan wettelijke verplichtingen te uniformeren en te faciliteren (zowel voor bedrijven als toezichthouders) mogen wel. Het moet in projecten gaan om additionele en te plegen inspanningen, die verder gaan dan de vereiste maatregelen.

Initiatieven die na afronding commercieel geëxploiteerd kunnen worden, vallen niet onder deze regeling. Resultaten van het project moeten dus ter beschikking worden gesteld aan de gehele branche, keten of cluster, zodat zij ook kunnen kennisnemen van de resultaten en van de geleerde lessen.

Aanvragen voor projecten die soortgelijk zijn aan een project dat al eerder subsidie heeft ontvangen onder deze regeling worden niet gehonoreerd. De regeling richt zich op innovatieve, nieuwe initiatieven die met een steun in de rug versneld van de grond kunnen komen.

Daarnaast wordt subsidie geweigerd wanneer de subsidie niet in overeenstemming is met het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening. Ten aanzien van deze afwijzingsgrond kan bijvoorbeeld geen subsidie worden verleend aan een onderneming in moeilijkheden. Dit volgt uit artikel 1, vierde lid, onderdeel c, algemene groepsvrijstellingsverordening. De uitvoeringsorganisatie controleert bij de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 13. Verplichting

Het is, gelet op het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, toegestaan om te eisen dat een onderneming op het tijdstip van de uitkering van de steun een vaste inrichting of dochteronderneming heeft in de steun verlenende lidstaat. Ter uitwerking hiervan is in artikel 13 van deze regeling de eis een vestiging in Nederland te hebben ten tijde van de uitkering opgenomen. Het gaat hier dus niet om een afwijzingsgrond vooraf.

Artikel 14 en 15. Inwerkintreding en citeertitel

Deze regeling treedt in werking op een vast verandermoment, 1 oktober 2016. Wel is afgezien van bekendmaking twee maanden voor inwerkingtreding. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting onderdeel 9.

Gelet op de looptijd van de algemene groepsvrijstellingsverordening tot en met 31 december 2020, zal bij mogelijke wijziging daarvan mogelijk deze regeling moeten worden aangepast. Eventuele wijzigingen betreffen dan alleen nog niet verleende subsidies.

BIJLAGE 1

In bijlage 1 staan de criteria voor beoordeling van de aanvragen nader omschreven.

Daarbij wordt als referentiekader gehanteerd de actuele (inclusief de aangekondigde) wet- en regelgeving waaraan ondernemingen in dit verband zijn onderworpen. Bovendien is de toegankelijkheid van projectresultaten uitgangspunt omdat beschikbaarstelling van resultaten voor het gebruik ervan in de branche, in de keten of in het cluster (industrieterrein) bijdraagt aan de mogelijkheid om de omgevingsveiligheid blijvend te versterken.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Naar boven