Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2016, 16221Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 maart 2016, nummer WBV 2016/5, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A1/9 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

9. Verplichtingen voor vervoerders

Zorgplicht

Een vervoerder moet zijn personeel zodanig instrueren, dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland. Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht. Het personeel van de vervoerder moet bij de controle van de reisdocumenten vaststellen of een document voor grensoverschrijding geldig is.

De vervoerder moet ten minste controleren of:

  • de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden document voor grensoverschrijding zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van het document voor grensoverschrijding;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit.

De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, moet de vervoerder deze apparatuur voor de controle van documenten voor grensoverschrijding gebruiken.

De Nederlandse overheid is bevoegd de vervoerder aanwijzingen te geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.

De Nederlandse overheid mag een vervoerder verzoeken, op grond van de daartoe strekkende internationale regelgeving, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het zeeschip of vliegtuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag deze bevoegdheid uitoefenen als daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.

De Nederlandse overheid houdt, om vervoerders in staat te stellen de controle op reisdocumenten zo goed mogelijk te verrichten, vervoerders regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. De Nederlandse overheid geeft aanwijzingen aan de vervoerder die een effectievere en efficiëntere controle kunnen bewerkstelligen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een proces-verbaal op als de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling aanvoert zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Afschriftplicht

De vervoerder die op grond van artikel 2.2 Vb verplicht is een afschrift te maken van een geldig document voor grensoverschrijding moet de afbeeldingen desgevraagd binnen één uur na het verzoek geven aan de ambtenaar belast met de grensbewaking, als een vreemdeling bij binnenkomst in Nederland niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken.

De ambtenaar belast met de grensbewaking hoeft niet over de exacte gegevens beschikken van de vlucht waarmee de vreemdeling is aangekomen. Een indicatie, verkregen uit de verklaringen van de vreemdeling of uit andere bronnen is hiertoe voldoende.

Passagiersinformatieplicht

Richtlijn 2004/82/EG, ofwel de API-richtlijn heeft tot doel de grenscontroles te verbeteren en illegale immigratie te bestrijden door erin te voorzien dat luchtvervoerders desgevraagd passagiersgegevens (de zogenoemde Advance Passenger Information, API-gegevens) vooraf verstrekken aan de ambtenaren belast met de grensbewaking. Het gaat hier onder andere om gegevens uit het reisdocument en over de reis van de desbetreffende passagier. De ambtenaar belast met de grensbewaking bepaalt op grond van artikel 2.2a Vb ten aanzien van welke plaatsen van vertrek en van welke vervoerders de passagiersgegevens zullen worden gevorderd. De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt op grond van artikel 2.2b Vb de verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken. Indien de passagier behoort tot een categorie vreemdelingen, ten aanzien waarvan een verhoogd risico bestaat op illegale immigratie vernietigt de ambtenaar belast met de grensbewaking de gegevens 4 dagen na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken. Voor het onderkennen van vreemdelingen die een risico vormen voor illegale immigratie worden risico indicatoren gebruikt. De risico indicatoren zijn gebaseerd op onder andere gegevens van reguliere en asiel gerelateerde weigeringen uit het verleden, op informatie van liaisons, op afwijkende vliegbewegingen en op basis van claims die in het verleden zijn opgelegd in het kader van artikel 4 van de Vreemdelingenwet.

De vervoerder die op vordering van de ambtenaar belast met de grensbewaking op grond van artikel 2.2a Vb passagiersgegevens verzendt, gebruikt hiervoor het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden moeten worden, is HDQKMXH.

Terugvoerplicht

De vervoerder is verplicht om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking terug te brengen naar een plaats buiten het Schengengebied. Van toegangsweigering is onverminderd sprake indien de toegangsweigering in eerste instantie is uitgesteld of opgeschort omdat de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. De vervoerder brengt de vreemdeling naar in ieder geval één van de volgende landen:

  • het derde land van waaruit de vreemdeling werd aangevoerd;

  • het derde land dat het geldige document voor grensoverschrijding heeft afgegeven waarmee de vreemdeling heeft gereisd;

  • een derde land waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

Deze terugvoerplicht van de vervoerder geldt in alle volgende situaties:

  • bij weigeringen van toegang van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding;

  • bij weigeringen van toegang op basis van één van de andere gronden van artikel 3 Vw en/of artikel 5 SGC;

  • bij staande houding van vreemdelingen met het oog op uitzetting binnen zes maanden na binnenkomst. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van de staande houding.

De ambtenaar belast met de grensbewaking claimt vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd voor terugname bij de vervoerder.

Voor het vervoer van de vreemdeling door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt, om het terugvoeren van een vreemdeling naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, gebruik van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).

De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd moet zich tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging ophouden in de hem daartoe door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit.

De vervoerder is verantwoordelijk voor de vreemdeling gedurende de gehele periode vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland, tot aan het moment dat de vreemdeling daadwerkelijk door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland is vervoerd.

Als de vervoerder de vreemdeling niet binnen redelijke termijn terug kan brengen, mag de Minister de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder de verblijfskosten, op de vervoerder verhalen (zie A1/9 Vc Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten).

De ambtenaar belast met de grensbewaking bekijkt opnieuw of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang als:

  • de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt; en

  • de vreemdeling terugkeert nadat de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of zeeschip het Nederlands grondgebied had verlaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling opnieuw de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voldoet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft de vervoerder een nieuwe aanwijzing om de vreemdeling zonder kostenvergoeding terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago) als de vreemdeling eerder op grond van artikel 65 Vw is verwijderd.

De vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden moet bij terugkomst in Nederland voldoen aan de voorwaarden voor toegang. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd niet de verplichting van artikel 65 Vw opleggen tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.

De ambtenaar belast met de grensbewaking effectueert het vertrek van vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen op ten minste één van de volgende momenten:

  • zodra het aanvoerende zeeschip vertrekt, of op een eerder tijdstip als het vertrek, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd;

  • zodra plaatsing aan boord van een vliegtuig van de betreffende maatschappij mogelijk is met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.

Verstekelingen

De vervoerder mag de in bijlage 14c en 14d VV genoemde passagierslijsten gebruiken voor de opgave van aangetroffen verstekelingen.

Als een vreemdeling die als verstekeling is aangetroffen aan boord van een zeeschip niet voldoende gedocumenteerd is, moet de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling vaststellen en aan de vreemdeling een vervangend reisdocument geven. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt moet de nationaliteit en identiteit vaststellen en de vervangende reisdocumenten afgeven voor het moment waarop het zeeschip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag niet tot gevolg hebben dat een unieke verwijdermogelijkheid verloren gaat.

De gezagvoerder van een zeeschip mag zich niet zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de vreemdeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet, als de gezagvoerder zich op dit voorschrift beroept, de omstandigheden die de gezagsvoerder aanvoert beoordelen en afwegen tegen het belang van terugplaatsing van de vreemdeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Als de vreemdeling op het moment van vertrek stelt dat zijn leven in het land van waar hij wil vertrekken in direct gevaar is, mag de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging zenden om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. De vervoerder moet contact opnemen met de IND als de vervoerder overweegt een vreemdeling te vervoeren die stelt dat zijn leven in direct gevaar is.

Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd met instemming van het hoofd van de IND, geldt geen terugvoerplicht. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt geen proces-verbaal op van vermoedelijke overtreding van de vervoerder van artikel 4 Vw.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt proces-verbaal op in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht door de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht (zie artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw, artikel 5, eerste en tweede lid, Vw, artikel 65, derde lid, Vw en artikel 197a WvSr). De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt alle processen-verbaal door aan het OM. Het OM biedt eerst een transactie aan de overtreder van de zorg- of afschriftplicht aan.

Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten

De DT&V verhaalt de met de verwijdering gepaard gaande kosten op de vervoerder nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden, en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

Nadat een vreemdeling is terugvervoerd door een vervoerder, leveren alle overheidsinstanties de DT&V een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. De overheidsinstanties doen dit aan de hand van de tarievenlijst zoals opgenomen in bijlage 22 van het VV. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse overheidsinstanties. De DT&V stuurt de vervoerder een rekening die de kosten omvat die door de diverse overheidsinstanties zijn gemaakt.

De terugvoerplicht en de geldende procedure rondom het verhalen van kosten staan beschreven op www.terugvoerplicht.nl.

B

Paragraaf A2/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.3 Staande houden in verband met uitvoering artikel 55 Vw

Alvorens een vreemdeling in het kader van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient en hij/zij aan lichaam, kleding en bagage wordt onderzocht, kan de vreemdeling worden staande gehouden (artikel 55, tweede lid, Vw). Dit geldt ook voor fouillering met het oog op de veiligheid in het aanmeldcentrum (artikel 55, derde lid, Vw). Als zich hierbij bijzonderheden voordoen, wordt model M105-B gebruikt.

C

Paragraaf A2/12.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

12.2 Opneming van signaleringen

In ieder geval in de volgende situaties volgt opname van een vreemdeling in het (N)SIS;

  • als een niet EU-onderdaan ongewenst is verklaard op grond van artikel 67 Vw;

  • als een vreemdeling een zwaar inreisverbod is opgelegd op grond van 66a lid 7 Vw;

  • als een vreemdeling een licht inreisverbod is opgelegd;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) na toegangsweigering tot Nederland in verband met het gebruik van een vals document voor grensoverschrijding of identiteitspapieren. De signaleringsduur is 5 jaar;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) na toegangsweigering tot Nederland in verband met van een aan drugssmokkel gerelateerd misdrijf. De signaleringsduur is 5 jaar;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) bij wie concrete aanwijzing zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De signaleringsduur is 10 jaar.

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) bij wie concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De signaleringsduur is 2 jaar.

In ieder geval de volgende categorieën vreemdelingen worden opgenomen in het OPS:

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) met verblijfsrecht in een Schengen-lidstaat die zich niet gehouden heeft aan de voorwaarden van artikel 12 Vw. De termijn van signalering is maximaal zes maanden;

  • een op grond van artikel 67 Vw ongewenst verklaarde EU-onderdaan;

  • een mvv-plichtige vreemdeling die niet (langer) voldoet aan de voorwaarden waaronder de mvv is afgegeven. De duur van de signalering wordt gelijk gesteld met de (resterende) duur van de afgegeven mvv.

De duur van signaleringen ter fine van handhaving van een inreisverbod of ongewenstverklaring is gelijk aan de duur van de betreffende maatregel.

De IND neemt signaleringen op in het OPS of het (N)SIS:

  • naar aanleiding van een melding in de BVV van een door de politie of KMar opgelegd licht inreisverbod;

  • naar aanleiding van een bekendmaking van een door de IND opgelegd licht of zwaar inreisverbod of een beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw;

  • naar aanleiding van een door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen ingediend model M93.

  • naar aanleiding van een beschikking tot intrekking van een mvv.

  • naar aanleiding van een concrete aanwijzing.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet het model M93 verzenden aan de IND, samen met:

  • een formulier met vingerafdrukken van de vreemdeling;

  • wanneer aanwezig kopieën van identiteitsdocumenten van de vreemdeling;

  • het opgemaakte proces-verbaal van het misdrijf dat aanleiding is voor het voorstel tot signalering.

  • het nummer van het proces-verbaal;

  • als er geen sprake is van een proces-verbaal moeten andere bewijsmiddelen die het voorstel tot signalering ondersteunen, worden meegezonden.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het voorstel tot signalering ‘OVR (ongewenst vreemdeling)’ doet aan de IND, moet de vreemdeling in ieder geval informeren over:

  • het feit dat de vreemdeling gesignaleerd wordt

  • de duur van de signalering

  • dat de signalering voor het gehele Schengengebied geldt

  • de wijze waarop de vreemdeling:

    • kan kennisnemen van de signalering;

    • om opheffing kan verzoeken;

    • bezwaar kan maken tegen de signalering.

Als de identiteit van de vreemdeling niet bekend is en een onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling nog niet heeft plaatsgevonden, moet de politie een onderzoek doen naar de identiteit van de vreemdeling op basis van de vingerafdrukken van de vreemdeling. De vreemdeling met verschillende personalia wordt onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De andere personalia worden als aliasnaam opgenomen.

D

Paragraaf A3/3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3. Vertrektermijnen

Deze paragraaf bevat de beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 62, tweede lid, Vw.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM nemen aan dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht in de zin van artikel 62, tweede lid, onder a, Vw als tenminste twee van de gronden als genoemd in artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb van toepassing zijn.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM moeten lichte gronden als bedoeld in artikel 5.1b, lid 4, Vb nader toelichten om een risico op onttrekken aan toezicht aan te nemen.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM hoeven zware gronden als bedoeld in artikel 5.1b, lid 3, Vb in beginsel niet nader toe te lichten om een risico op onttrekken aan toezicht aan te nemen. Dit is alleen anders als de vreemdeling gemotiveerd toelicht waarom uit de zware gronden in zijn specifieke geval geen risico op onttrekking voortvloeit.

Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.1b, lid 4 onder d, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en paragraaf B1/4.3.3 Vc.

De IND verstaat onder kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder b, Vw de situatie waarin de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 30b Vw.

De IND bekort of onthoudt de vertrektermijn van de vreemdeling in beginsel niet op grond van artikel 62, tweede lid, onder a of b Vw wanneer sprake is van een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij:

  • de vreemdeling de toegang is geweigerd, of als sprake is van een opgeschorte of uitgestelde toegangsweigering zoals beschreven in A1/7.3 Vc;

  • de vreemdeling in bewaring is gesteld;

  • de vreemdeling zich niet direct heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • tegen de vreemdeling eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd;

  • er sprake is van openbare orde aspecten, bijvoorbeeld (een verdenking van) het plegen van een misdrijf; of

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als kennelijk ongegrond is afgewezen, voor zover het geen alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft.

Gevaar openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder c Vw is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

  • de vertrektermijn voor de vreemdeling wordt op grond van artikel 62, tweede lid, Vw verkort;

  • de vreemdeling moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM bepaalt dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten als hij een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in B1/4.4 Vc. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM kan de vreemdeling ook aanmerken als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf.

Bij de beoordeling of de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde betrekt de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval:

  • de aard en de ernst van het misdrijf;

  • het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd; en

  • de omstandigheid dat de vreemdeling toen hij werd aangetroffen bezig was Nederland te verlaten.

Voor zover sprake is van een verdenking van het plegen van een misdrijf wint de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM informatie in bij de politie of het OM over de gegrondheid van die verdenking waarbij in ieder geval wordt betrokken of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

De IND bepaalt dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten als de aanvraag is afgewezen omdat artikel 1F van toepassing is of omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Indien een visum van de vreemdeling nietig is verklaard of ingetrokken om redenen verband houdend met de openbare orde, zal in beginsel steeds eveneens sprake zijn van voldoende redenen om omwille van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, lid 2 Vw, de termijn te verkorten. Het vorenstaande geldt analoog ook bij de beëindiging van de vrije termijn van niet visumplichtige vreemdelingen, vanwege redenen die verband houden met openbare orde.

Proportionaliteit

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM ziet af van het onthouden van een vertrektermijn als de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zodanig zijn dat het onthouden van een vertrektermijn niet proportioneel is. De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM betrekt bij de proportionaliteitstoets alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval:

  • de aanwezigheid van in Nederland verblijvende familieleden, in het bijzonder minderjarige kinderen. Als er sprake is van gezinsleden zonder rechtmatige verblijfstitel, is er in de regel geen aanleiding het onthouden van een vertrektermijn disproportioneel te achten;

  • de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van in Nederland verblijvende familie- of gezinsleden. Als de gezondheidstoestand geen aanleiding geeft om over te gaan tot toepassing van artikel 64 Vw, is er in de regel evenmin reden om het onthouden van een vertrektermijn om medische redenen disproportioneel te achten.

Verlenging van de vertrektermijn

Een vreemdeling aan wie een vertrektermijn is verleend kan vragen om verlenging van deze termijn, zoals beschreven in artikel 6.3 VV. De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DT&V mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken.

Een vreemdeling kan een verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn uitsluitend op een van de volgende manieren indienen:

  • persoonlijk bij één van de loketten van de IND;

  • schriftelijk tijdens vertrekgesprekken met de ambtenaar van de DT&V. De ambtenaar van de DT&V moet het verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn doorsturen naar de IND.

Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim en geeft onmiddellijk een beschikking.

E

Paragraaf A5/2.4 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2.4 Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen

Algemeen

Vrijheidsontneming op grond van artikel 59 Vw, artikel 59a Vw of artikel 59b Vw is een ingrijpende maatregel. De toepassing daarvan moet daarom tot het strikt noodzakelijke beperkt blijven. Een versterkte mate van terughoudendheid dient te worden betracht bij vrijheidsontneming van alleenstaande minderjarigen en gezinnen met minderjarigen. Zulks brengt met zich mee dat er extra aandacht zal moeten zijn voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming. Ten aanzien van alleenstaande minderjarigen en gezinnen met minderjarigen wordt dan ook zoveel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden (zie paragraaf A5/5 Vc). Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan ten minste één ouder of een wettelijk verzorger die in de voogdij voorziet, die samen met één of meer minderjarige kinderen feitelijk een gezin vormt.

Desalniettemin kan kort voor de gedwongen terugkeer het belang van de uitzetting maken dat de alleenstaande minderjarige of het gezin met minderjarigen voor een zo kort mogelijke periode in bewaring worden genomen ten einde de uitzetting zeker te stellen. Dat de in bewaring stellende instantie zich rekenschap heeft gegeven van de individuele omstandigheden van het geval zal door middel van een gedegen motivering eerst en vooral uit het dossier moeten blijken. Hierbij wordt in ieder geval, naast de voorwaarden van 5.1a, 5.1b en 5.1c Vb, de medische achtergrond, de leeftijd van de kinderen en, bij een gezin met minderjarigen, de samenstelling (volledigheid) van het gezin meegewogen.

Alleenstaande minderjarigen

Nog meer dan bij volwassenen, wordt bewaring bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen alleen in uiterste gevallen toegepast en voor een zo kort mogelijke duur. Bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen is bewaring alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is verdacht van- of veroordeeld voor een misdrijf, of;

  • Het vertrek van de alleenstaande minderjarige vreemdeling kan uiterlijk binnen veertien dagen gerealiseerd worden, of;

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is eerder met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang of heeft zich niet gehouden aan een opgelegde meldplicht of vrijheidsbeperkende maatregel.

Zie voor het beleid omtrent het opschorten of uitstellen van de toegangsweigering van een volwassen vreemdeling die tezamen met een minderjarig kind inreist en te kennen geeft een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen paragraaf A1/7.3 Vc.

Bewaring op grond van artikel 59 en 59a Vw van gezinnen met minderjarigen

Bewaring van een gezin met minderjarigen op grond van artikel 59, eerste lid Vw artikel 59a Vw kan slechts dan worden opgelegd indien sprake is van de volgende omstandigheden:

Bij alle familieleden moet zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarden als bedoeld in artikel 5.1a en 5.1b Vb. In aanvulling daarop moet uit nalaten, handelen, of uitlatingen van (één van) de gezinsleden blijken dat geen medewerking is verleend aan de vertrekprocedure, waardoor die vertrekprocedure is vermeden of belemmerd dan wel een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht. Wanneer één of meerdere leden van het gezin signalen afgeven dat zij niet mee zullen werken aan vertrek, zal dit gevolgen hebben voor het aannemen van een risico dat andere gezinsleden zich ook aan het toezicht zullen onttrekken.

Termijn

Bewaring wordt alleen proportioneel geacht indien verwacht mag worden dat de uitzetting of overdracht binnen twee weken kan worden gerealiseerd. In de regel wordt aangenomen dat hiervan sprake is op het moment dat reisdocumenten beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar zullen zijn. Bewaring op grond van artikel 59 of artikel 59a Vw kan bij gezinnen met minderjarige kinderen uitsluitend langer duren dan twee weken als de uitzetting of overdracht niet kan plaats vinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:

  • fysiek verzet van (één van) de gezinsleden;

  • het feit dat (één van) de gezinsleden na de bewaring één of meerdere procedures is gaan voeren terwijl er geen gegronde reden was om die procedures niet reeds in een eerder stadium te starten.

Indien sprake is van een gestarte procedure zoals in de hierboven bedoelde zin, kan de maatregel voortduren tot maximaal twee weken, na het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Indien er sprake is van een (gestarte) procedure naar aanleiding van een door de vreemdeling ingediende aanvraag voor verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet een maatregel als bedoeld in artikel 59b Vw worden opgelegd (zie paragraaf A5/6.3 Vc). De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV heft de bewaring als bedoeld in artikel 59b Vw op indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen en de behandeling van het beroep in Nederland afgewacht mag worden. Indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen, en de behandeling van het beroep niet in Nederland afgewacht mag worden, wordt de maatregel van bewaring voortgezet op grond van artikel 59 Vw. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Plaatsing na inbewaringstelling van alleenstaande minderjarigen en gezinnen met minderjarigen.

Ten aanzien van de plaatsing na inbewaringstelling van zowel alleenstaande minderjarigen als gezinnen met minderjarigen geldt dat zij uiterlijk binnen vijf dagen in de Gesloten Gezinsvoorziening geplaatst moeten worden. Indien bij een voorgenomen inbewaringstelling de verblijfplaats van de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige vreemdeling bekend is, dient de tenuitvoerlegging in de Gesloten Gezinsvoorziening in beginsel aansluitend aan de staandehouding plaats te vinden.

F

Paragraaf A5/6.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6.3 Bewaring in verband met aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 59b Vw

Bewaring op grond van artikel 59b Vw is mogelijk voor de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient of wenst in te dienen. Voor bewaring op grond van artikel 59b Vw maakt de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV gebruik van Model 109-B. Model M109-B bevat in ieder geval:

  • een kenbare belangenafweging, en

  • één of meerdere gronden, als bedoeld in artikel 59b, eerste lid, Vw.

Belangenafweging

De bewaring van een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, of wenst in te dienen, dient zo beperkt mogelijk te geschieden. Bewaring op grond van artikel 59b Vw mag uitsluitend plaatsvinden en voortduren op grond van een daartoe strekkende belangenafweging. De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV neemt over de belangenafweging contact op met de IND. Als overleg met de IND niet mogelijk is, wordt dit vermeld. In model M109-B wordt gemotiveerd aangegeven waarom de vreemdeling in bewaring wordt gesteld op grond van artikel 59b Vw, ondanks de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Gronden voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw

Vreemdelingen die een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw in bewaring worden gesteld, indien:

  • a. bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;

  • b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;

  • c. de vreemdeling:

    • 1. in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van richtlijn 2008/115;

    • 2. al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

    • 3. op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of

  • d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van richtlijn 2013/33.

Het is mogelijk dat een vreemdeling vanwege meerdere gronden in bewaring wordt gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw.

Ad a en b

Hierbij gaat het vooral om situaties waarin een vreemdeling niet in bewaring kan worden gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw, maar waarbij wel één of meerdere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1c, derde lid, Vb van toepassing zijn. Deze situaties kunnen zich met name voordoen, indien:

  • de vreemdeling gedurende zijn strafrechtelijke detentie een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend;

  • de vreemdeling gedurende de periode van overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50, tweede of derde lid, Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend; of

  • de vreemdeling is overgedragen aan Nederland krachtens Verordening (EU) nr. 604/2013.

Bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a of b, Vw is slechts mogelijk als ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb zich voordoen.

Bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel a, Vw is slechts mogelijk indien er sprake is van onduidelijkheid over de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Dat de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling onbekend is, is op zichzelf onvoldoende om een inbewaringstelling te rechtvaardigen.

Ad c

Bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw is slechts mogelijk als de vreemdeling ten tijde van de indiening van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd al in bewaring was gesteld op grond van artikel 59 Vw.

Bij bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, Vw moeten vooral de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • of de vreemdeling eerder een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in relatie tot zijn verklaringen hierover;

  • de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen of zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt;

  • of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem voor een inreisverbod gesignaleerd staat;

  • de gestelde nationaliteit in relatie tot de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw,

  • de onderbouwing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Wanneer er zich meer van de hierboven genoemde omstandigheden voordoen, wordt sneller aangenomen dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Deze opsomming is niet limitatief.

Ad d

Het is mogelijk om een vreemdeling in bewaring te stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw, indien deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Voor bewaring op deze grond is het niet noodzakelijk dat er sprake is van een risico op onderduiken. Bij het bepalen of een vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde kunnen de volgende omstandigheden worden betrokken:

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan mogelijk worden afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • er is sprake van een individuele aanwijzing als bedoeld in artikel 48, tweede lid, Vw, waaruit blijkt dat de vreemdeling dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of de openbare orde;

  • er is sprake van een (individueel) ambtsbericht van de AIVD; of

  • de verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV kan de vreemdeling aanmerken als een gevaar voor de openbare orde om één of meer van de redenen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc en er sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Bij de beoordeling is paragraaf A3/3 Vc onder het kopje daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde, voor zover relevant, van overeenkomstige toepassing.

Opheffing van bewaring op grond van artikel 59b Vw na afwijzing aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Indien in de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is bepaald dat de vreemdeling het beroep niet in Nederland mag afwachten, wordt de bewaring op grond van artikel 59bVw opgeheven. De vreemdeling wordt vervolgens op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in bewaring gesteld door de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV. Indien de inbewaringstelling op grond van artikel 59b Vw wordt opgeheven, en de vreemdeling wordt aansluitend opnieuw in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vw, is het niet noodzakelijk dat de vreemdeling gehoord wordt (zie paragraaf A5/6.4 Vc).

Verlenging van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, Vw na afwijzing aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

In het geval dat in de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is bepaald dat de vreemdeling het beroep in Nederland mag afwachten, wordt de bewaring op grond van artikel 59b Vw niet opgeheven. De bewaring wordt in dat geval op grond van artikel 59b, derde lid, Vw verlengd met ten hoogste drie maanden. De bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen wordt echter niet verlengd op grond van artikel 59b, derde lid, Vw (zie paragraaf A5/2.4 Vc). Indien de bewaring met ten hoogste drie maanden verlengd wordt, motiveert de IND dit in de afwijzende beschikking op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat er beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vraagt de IND de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.

In het geval dat in de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is bepaald dat de vreemdeling het beroep niet in Nederland mag afwachten, kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder h, Vw. Het is dan mogelijk om de vreemdeling voor ten hoogste drie maanden opnieuw in bewaring te stellen op grond van artikel 59b, derde lid, Vw. De IND vraagt de rechtbank om het beroep zo spoedig als mogelijk te behandelen.

Voor zover niet langer sprake is van een situatie dat de vreemdeling het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland mag afwachten, wordt de (verlengde) bewaring op grond van artikel 59b Vw opgeheven, en wordt de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw (opnieuw) in bewaring gesteld. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

  • er na afloop van de beroepstermijn geen beroep is ingesteld; of

  • het beroep door de rechtbank ongegrond wordt verklaard.

Verlenging van bewaring op grond van artikel 59b, vijfde lid, Vw

De bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onderdeel d, Vw duurt niet langer dan zes maanden. Deze bewaring kan op grond van artikel 59b, vijfde lid, Vw verlengd worden met ten hoogste negen maanden. De verlenging van de bewaring vindt, na afweging van alle omstandigheden van het geval, plaats door de IND. Hierbij gaat het om zeer uitzonderlijke gevallen waarin er sprake is van complexe feiten en juridische omstandigheden die betrekking hebben op het asielverzoek. Daarnaast dient er een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid aanwezig te zijn dat in de weg staat aan het verder behandelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terwijl de vreemdeling in vrijheid is gesteld. Een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid kan niet gelegen zijn in de enkele verdenking of veroordeling in verband met een misdrijf.

G

Paragraaf B1/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2 Erkenning als referent

2.1 De erkenning als referent

De VOG

Op grond van artikel 2e, derde lid, Vw junctis artikelen 1.22, aanhef en onder b, Vb en 1.15 VV vraagt de IND een VOG aan degene die om erkenning als referent verzoekt (de aanvrager) als sprake is van één of meer strafrechtelijke antecedenten als genoemd in artikel 1.19 Vb ten aanzien van:

  • de aanvrager die verzoekt om erkenning als referent; en

  • de bij de aanvrager om erkenning als referent betrokken (rechts)personen.

Op grond van artikel 2e Vw junctis artikelen 1.18, 1.19, 1.22 Vb en de artikelen 1.12 t/m 1.15 VV wijst de IND de aanvraag tot erkenning als referent af als:

  • de aanvrager – als dit is vereist op grond van de Handelsregisterwet 2007 – niet is ingeschreven in het handelsregister;

  • de aanvrager, die niet inschrijfplichtig is in het handelsregister, niet de in artikel 1.12 VV gevraagde persoonsgegevens van de bij de onderneming of rechtspersoon betrokken bestuurders aan de IND verstrekt;

  • de aanvrager failliet is, of in surseance van betaling verkeert;

  • de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een negatief advies heeft afgegeven inzake de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager;

  • de aanvrager, of de bij de aanvrager betrokken (rechts)personen, in het jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie keer failliet is verklaard;

  • de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning fiscale vergrijpboetes op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f Algemene wet inzake Rijksbelastingen zijn opgelegd;

  • de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de IND op grond van artikel 55a Vw;

  • de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de Inspectie SZW op grond van artikel 18 juncto 19a van de Wav;

  • de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd door de Inspectie SZW op grond van artikel 18b juncto 18c van de WML;

  • de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning drie of meer boetes zijn opgelegd op grond van een combinatie van artikel 55a Vw en/of artikel 18 Wav en/of artikel 18b juncto 18c WML;

  • de aanvrager in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is veroordeeld ter zake van mensenhandel/mensensmokkel, strafbaar gesteld in artikel 197a WvSr;

  • de aanvrager in het kader van uitwisseling in de tien jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is veroordeeld ter zake van zedendelicten, strafbaar gesteld in artikel 250a WvSr;

  • de aanvrager feitelijk wordt bestuurd door anderen dan op grond van de gegevens uit het handelsregister mag worden verondersteld; of

  • de aanvrager desgevraagd geen VOG, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, verstrekt.

Op grond van artikel 2e Vw juncto artikel 1.19 en 1.22 Vb kan de IND de aanvraag tot erkenning als referent afwijzen als:

  • a. de aanvrager om erkenning in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning boetes zijn opgelegd op grond van de Vw, Wav en/of WML door de IND of de Inspectie SZW. Hierbij wegen de volgende elementen mee:

    • de grondslag van de boete;

    • de hoogte van de opgelegde boete; en

    • de vraag of sprake is van meerdere opgelegde boetes.

  • b. een erkenning van de referent in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning is ingetrokken.

Ad b.

Van deze bevoegdheid maakt de IND in ieder geval geen gebruik als het een intrekking betreft als bedoeld in artikel 1.15a VV of de intrekking op verzoek van de erkende referent heeft plaatsgevonden, zonder dat zich daarbij een van de gronden als neergelegd in artikel 2g, aanhef en onder a, b, of c, Vw heeft voorgedaan.

2.2 Schorsen en intrekken van de erkenning als referent

Schorsen van de erkenning als referent

Op grond van artikel 2f, eerste lid, Vw juncto artikel 1.22 Vb kan de IND de erkenning als referent schorsen als sprake is van in ieder geval één van de volgende omstandigheden:

  • de IND heeft een ernstig vermoeden dat de referent niet meer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, als bedoeld in artikel 2e Vw;

  • de IND doet aangifte bij de officier van justitie of bij een van zijn hulpofficieren tegen de referent of raakt bekend met de omstandigheid dat een ander overheidsorgaan aangifte heeft gedaan tegen de referent, dat er een opsporingsonderzoek is opgestart of vervolging is ingesteld tegen de referent die de voorwaarden voor erkenning raakt;

  • de IND heeft een klacht ingediend tegen een referent bij de Landelijke Commissie Gedragscode internationale student in het Nederlands hoger onderwijs, die de voorwaarden voor erkenning raakt;

  • de Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek ingesteld naar een referent, dat de voorwaarden voor erkenning raakt; of

  • de Inspectie SZW heeft een onderzoek naar fraude door de referent ingesteld in verband met het niet naleven van bepalingen uit de Wav of de Wml.

Een schorsing van de erkenning duurt drie maanden. De IND verlengt de schorsing steeds met drie maanden als advies van derden of de uitkomst van onderzoek door derden of het OM moet worden afgewacht om een besluit omtrent de erkenning als referent te kunnen nemen.

Intrekken van de erkenning als referent

Op grond van artikel 2g Vw trekt de IND de erkenning als referent in als de in dit artikel genoemde feiten zich voordoen. Op grond van artikel 2g, aanhef en onder c, Vw geldt dat de IND de erkenning als referent ook intrekt als zich één van de volgende gevallen voordoet:

  • de referent is voor de derde keer beboet wegens het niet naleven van de zorg- of informatieplicht waarbij de overtreding door de IND als ernstig is gekwalificeerd. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 9.1.3.2. van dit hoofdstuk;

  • de referent weigert om zijn medewerking te verlenen aan nalevingstoezicht door de IND;

  • de referent niet zorgvuldig toetst of de vreemdeling wiens overkomst hij wenst aan de verblijfsvoorwaarden voldoet; of

  • de referent heeft bij kennis of vermoedens van misstanden met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet adequaat opgetreden.

Op grond artikel 1.15a VV kan de IND de erkenning als referent intrekken als de in dit artikel genoemde feiten zich voordoen.

2.3 Beoordeling continuïteit en solvabiliteit van de onderneming

Hoofdregel is dat de IND voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit van de startende onderneming (als bedoeld in artikel 1.13, tweede lid, VV) voldoende is gewaarborgd advies opvraagt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen:

Voor een positief advies zijn minimaal 50 punten vereist (maximaal te behalen 100 punten).

Toets op inschrijving bij de Nederlandse Kamer van Koophandel

  • Is onderneming ingeschreven?

  • Wisseling vennoten/aandeelhouders/zeggenschap ten opzichte van aanvraagdatum?

  • Overname?

  • Surseance?

  • Faillissement?

Toets ondernemingsplan

  • 1. Criterium Marktpotentie

    • 1a Product / dienst (maximaal te behalen 15 punten)

      • kenmerken

      • toepassing

      • behoefte (in hoeverre speelt product/dienst in op algemene marktbehoefte)

      • unique selling points

    Toelichting: Er is sprake van een duidelijke beschrijving van product of dienst. Het is aannemelijk gemaakt dat product of dienst, gelet op de marktontwikkelingen, potentie heeft. Unique sellings points zijn aannemelijk gemaakt.

    • 1b Marktanalyse (maximaal te behalen 25 punten)

      • potentiële klanten

      • concurrenten

      • toetredingsbarrières

      • samenwerking

      • risico’s

      • prijsbeleid

      • marketing / promotie

    Toelichting: De marktanalyse moet toegespitst zijn op de eigen specifieke bedrijfsomgeving. De analyse moet zowel kwalitatief als kwantitatief zijn. Marktomvang, doelgroep, eigen potentiële marktaandeel; helder prijs-, marketing- en promotiebeleid; vergelijking met concurrentie; vergelijking met trends en branchegegevens, ook regionaal; te relateren aan eigen situatie/mogelijkheden. Eigen onderzoek of door derden.

  • 2. Criterium Organisatie (maximaal te behalen 20 punten)

    • ondernemingsstructuur

    • competenties

    Toelichting: Er is sprake van een heldere en adequate organisatiestructuur van de onderneming in Nederland; de juiste competenties op het gebied van ondernemerschap, management en vak inhoud zijn binnen de onderneming in Nederland aanwezig.

  • 3. Criterium Financiering

    • 3a Solvabiliteit (verhouding Eigen vermogen – Totaal vermogen)

      Balanstotaal < € 50.000

      0 punten

      (ook bij solvabiliteit van 100%)

       
         

      Balanstotaal ≥ € 50.000 – < € 250.000 solvabiliteit:

       

      < 20 %

      0 punten

      ≥ 20% – < 35%

      3 punten

      ≥ 35% – < 50%

      8 punten

      ≥ 50%

      10 punten

         

      Balanstotaal ≥ € 250.000 solvabiliteit:

       

      < 20%

      0 punten

      ≥ 20% – < 35%

      5 punten

      ≥ 35% – < 50%

      10 punten

      ≥ 50%

      15 punten

      Toelichting: Uitgaande van de omzet- en liquiditeitsprognoses moet de solvabiliteitsprognose zodanig zijn, dat financiële tegenvallers gedurende drie jaar opgevangen kunnen worden.

    • 3b Omzet

      < € 125.000

      0 punten

      ≥ € 125.000 – < € 250.000

      3 punten

      ≥ € 250.000 – < € 500.000

      7 punten

      ≥ € 500.000

      10 punten

      Toelichting: De omzetprognose is aannemelijk en stemt overeen met de marktpotentie (met name de marktanalyse).

    • 3c Liquiditeitsprognose (maximaal te behalen 15 punten)

      (breakeven)

      Toelichting: De operationele cashflow (kasstroom uit de feitelijke bedrijfsactiviteiten) moet binnen drie jaar positief zijn.

      Uitzondering op de hoofdregel is dat de IND voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd geen advies hoeft op te vragen bij de RVO als het niet gaat om een daadwerkelijk ‘startende’ onderneming als beschreven in artikel 1.13, tweede lid, onderdelen a tot en met d, VV.

      Op grond van artikel 1.13, vierde en vijfde lid, VV vraagt de IND wel advies op bij de RVO als er twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd, ongeacht of het om een startende of gevestigde onderneming gaat.

H

Paragraaf B1/8.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

8.2.2 Bewijsmiddelen erkenning als referent

De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister als bewijsmiddel:

  • van inschrijving in het handelsregister van de rechtspersoon/ onderneming van de referent die om erkenning verzoekt; en

  • dat sprake is van een faillissement of surseance van betaling ten aanzien van de referent die om erkenning verzoekt.

Als de referent, die om erkenning verzoekt, niet inschrijvingsplichtig is in het handelsregister op grond van de Handelsregisterwet 2007, beschouwt de IND de betreffende uitspraak van de rechtbank als bewijsmiddel dat sprake is van het in surseance van betaling of faillissement verkeren van de referent.

Erkenning als referent voor uitwisselingsjongeren

De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister waaruit dat blijkt als bewijsmiddel dat de referent een culturele doelstelling nastreeft.

De IND beschouwt een door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie goedgekeurd uitwisselingsprogramma als bewijsmiddel dat de referent een goedgekeurd uitwisselingsprogramma uitvoert.

Erkenning als referent voor tijdelijke arbeid in loondienst

Als een uitzendbureau om erkenning als referent verzoekt, beschouwt de IND een bewijs van inschrijving in het Register normering arbeid als aanvullend bewijsmiddel dat de betrouwbaarheid van de referent voldoende is gewaarborgd.

Erkenning als referent voor tijdelijke en reguliere arbeid en Kennis en talent

Als een startende vestiging van een bedrijf dat onderdeel uitmaakt van een buitenlands bedrijf verzoekt om erkenning als referent, beschouwt de IND een verklaring van bekendheid van (een onderdeel van) de Netherlands Foreign Investment Agency (hierna: NFIA) als bewijsmiddel dat de continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende is gewaarborgd.

Als een onderneming zich bezighoudt met arbeidsbemiddeling of het beschikbaar stellen van arbeidskrachten en om erkenning als referent verzoekt, beschouwt de IND een bewijs van inschrijving in het Register normering arbeid als aanvullend bewijsmiddel dat de betrouwbaarheid van de referent voldoende is gewaarborgd.

Erkenning als referent voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie

Op grond van artikel 2a Vw, juncto artikel 1.15 en 3.31, tweede lid, Vb, juncto artikel 1.10 VV beschouwt de IND een uittreksel uit het handelsregister als bewijsmiddel dat de referent rechtspersoonlijkheid heeft.

Zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap die deel uitmaken van een koepelorganisatie met rechtspersoonlijkheid en erkenning als referent aanvragen moeten bescheiden overleggen waaruit blijkt dat zij onderdeel vormen van een koepelorganisatie.

De IND beschouwt bescheiden als een verklaring over het betalingsgedrag afgegeven door de Belastingdienst en door een accountant goedgekeurde jaarrekeningen of een bankverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende zijn gewaarborgd.

Continuïteit en solvabiliteit

De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (zie paragraaf B1/2.3 Vc) voor de beoordeling van de continuïteit en solvabiliteit van een startende onderneming of rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.13, tweede lid, VV een ondernemingsplan, aangevuld met bijvoorbeeld:

  • kopieën van onderzoeken, artikelen, verklaringen van branchedeskundigen, waaruit bijzonderheden en/of meerwaarde van product en/of dienst blijken;

  • bewijsstukken zoals kopieën van marktonderzoeken, opdrachtovereenkomsten, ontvangen orders en volledige (omvang in tijdsduur en bedrag) intentieverklaringen, CV’s, referenties, diploma’s;

  • (prognoses van) jaarrekeningen. Als een bank een onderneming financiert via een bedrijfskrediet of als de overheid (mede)financiert via kredietregelingen of subsidieregelingen, bewijsstukken waaruit dit blijkt;

  • (prognoses van) exploitatieoverzichten. Die moeten sporen met de marktpotentie (met name marktanalyse). In het geval van realisaties zijn ter ondersteuning van de jaarrekening onderbouwingen nodig in de vorm van BTW-aangiftes en BTW-beschikkingen;

  • liquiditeitsprognoses. Die moeten overeenkomen met de prognoses van de exploitatieoverzichten.

Als op grond van artikel 1.13, tweede lid, onderdeel a, VV geen ondernemingsplan is vereist overlegt de aanvrager een verklaring van betalingsgedrag, als bedoeld in hetzelfde artikel.

Op grond van artikel 1.13, tweede lid, onderdelen b, c, d, VV is geen ondernemingsplan vereist. De aanvrager overlegt in dat geval de in de betreffende onderdelen genoemde bewijsmiddelen (indien van toepassing) en aanvullende bewijsmiddelen als bijvoorbeeld akten en/of statuten.

Als er twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd, beschouwt de IND het in artikel 1.13, vierde lid, VV gestelde als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

I

Paragraaf B8/3.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.1 Beleidsregels

Voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling die via Schiphol Nederland inreist zijn de bevoegdheden van de Districtscommandant KMar Schiphol gelijkgesteld met die van de Korpschef van Politie.

EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf neergelegde bepalingen voor zover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht.

De IND onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:

  • 1. de bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel;

  • 2. de verblijfsvergunning voor slachtoffers van mensenhandel; en

  • 3. de verblijfsvergunning voor getuige-aangevers van mensenhandel.

Ad 1. De bedenktijd

Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, onder k Vw een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.

Reeds bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel, biedt de politie aan het vermoedelijke slachtoffer de bedenktijd aan.

Gedurende de bedenktijd schort de IND het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland op.

De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.

De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en:

  • werkzaam zijn of zijn geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f WvSr;

  • nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f WvSr, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel; of

  • geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel waarbij de KMar, zo nodig in overleg met het OM, bepaalt of er voldoende signalen van mensenhandel zijn om bedenktijd aan te bieden.

De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel.

De IND verleent de bedenktijd aan vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden uitsluitend als het OM en de politie hiermee akkoord gaan.

Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks bij de regionale eenheid van de politie waar hij of zij administratief is ondergebracht.

De bedenktijd eindigt op het moment dat:

  • de politie vaststelt dat het vermoedelijke slachtoffer tijdens de periode van de bedenktijd ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken;

  • het vermoedelijke slachtoffer gedurende de periode van de bedenktijd aangeeft af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte;

  • het vermoedelijke slachtoffer aangifte van mensenhandel heeft gedaan en het proces-verbaal heeft ondertekend, of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte; of

  • het vermoedelijke slachtoffer een aanvraag voor een verblijfsvergunning (anders dan op grond van deze paragraaf) indient.

Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.

Ad 2. en 3. De verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel

De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel (Model M55) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie is doorgestuurd naar de IND.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid, Vb wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan of anderszins medewerking is verleend; of

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de aanvraag door de politie aan de IND is verzonden.

Ambtshalve verlening in de asielprocedure

De IND toetst ex nunc bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.

De IND laat de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel achterwege als:

  • de vreemdeling al in het bezit is van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel; of

  • de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers die is ingetrokken.

De IND beoordeelt ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel en wijst af als:

  • de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek.

Slachtoffers die niet kunnen of willen meewerken

De IND kan aan een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, Vb een verblijfsvergunning verlenen, als het vermoedelijke slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:

  • een ernstige bedreiging; en/of

  • een medische of psychische beperking.

In aanvulling op artikel 3.48, derde lid Vb wijst de IND de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het vermoedelijke slachtoffer dat niet kan of wil meewerken niet af als het vermoedelijke slachtoffer:

  • een gevaar vormt voor de openbare orde, waarbij sprake is van een inbreuk op de openbare orde die rechtstreeks verband houdt met het feit waar de vreemdeling slachtoffer van is; of

  • niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

J

Paragraaf B8/3.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.3 Bewijsmiddelen

De IND beschouwt een verklaring van de politie of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid over mensenhandel, nog loopt.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met een ernstige bedreiging en/of een medische of psychische beperking:

  • een verklaring van de politie waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel en in ieder geval een van onderstaande twee verklaringen:

  • een verklaring van de politie waaruit blijkt dat van de vreemdeling niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar. Als deze verklaring wordt overgelegd, wordt hiermee ook aannemelijk geacht dat betrokkene zich niet aan de bedreigingen kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst, omdat mensenhandelbendes vrijwel altijd opereren over de grenzen heen; of

  • een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van een medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt:

    • de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s);

    • welke medische klachten de vreemdeling heeft;

    • welke gevolgen de genoemde klachten hebben voor de medewerking aan het strafproces.

K

Hoofdstuk B11 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

B11 Bijzonder verblijf

1 Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven:

  • als economisch niet-actieve langdurig ingezetene;

  • als vermogende vreemdeling;

  • voor het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst omdat artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is; en

  • op grond van de pilot ‘huisvesting Akense niet-EU studenten’.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van 3.29a Vb en artikel 3.4, derde lid, Vb in samenhang met het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’.

2 Beleidsregels
2.1 Economisch niet-actieve langdurig ingezetene

In aanvulling op artikel 3.29a, eerste lid, aanhef en onder b, Vb accepteert de IND alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, et cetera).

2.2 Vermogende vreemdeling

In aanvulling op artikel 3.29a, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. de vreemdeling investeert een bedrag van minimaal € 1.250.000 in een in Nederland gevestigd(e):

    • a. innovatieve onderneming;

    • b. contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve onderneming(en);

    • c. door de Minister van Economische Zaken erkend seedfonds; of

    • d. participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP).

  • 2. het te investeren bedrag is gestort op een bankrekening van een Nederlandse bank of een bank van een EU-lidstaat met een vestiging in Nederland die onder toezicht staan van De Nederlandsche Bank;

  • 3. de investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie; en

  • 4. niet is gebleken dat het vermogen waaruit wordt geïnvesteerd een malafide herkomst heeft.

Ad 1 en 3

De RVO adviseert de IND of de investering in een innovatieve onderneming (voorwaarde 1 sub a) of de investering in een contractueel samenwerkingsverband (voorwaarde 1 sub b) een toegevoegde waarde heeft voor de Nederlandse economie.

  • 1. Een investering door de vermogende vreemdeling in een innovatieve onderneming.

    De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen:

    A. Primaire toets

    Vereist: J J J, anders volgt negatief advies

    Criteria voor de investering in een onderneming

    De onderneming is ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel.

    J/N

    Aard investering(sovereenkomst) is positief voor de Nederlandse economie.

    J/N

    De continuïteit van de onderneming na de investering is aangetoond.

    J/N

    B. Secundaire toets

    Vereist: minimaal 25 punten (maximaal te behalen 50)

    B1. Effecten investering

    Criteria

    Arbeidscreatie

    Aantal extra arbeidsplaat-

     

    (max. 15 punten)

    sen (excl. aanvrager):

     
     

    <1 fte

    0

     

    1 – <5 fte

    5

     

    5 – < 10 fte

    10

     

    > 10 fte

    15

     

    Innovativiteit

     

    (max. 30 punten)

    inbreng of aanschaf octrooi

    10

     

    investering in innovatie, zowel technologisch als niet-technologisch

    10

     

    investering in topsector

    10

    B2. Niet- financiële inbreng vreemdeling in de onderneming

       

    (max. 5 punten)

    (kennis, netwerken, afnemers, actieve betrokkenheid)

     

    De beoogde investering heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie als alle delen van onderdeel A positief worden beoordeeld en ten minste 25 punten worden behaald uit onderdeel B.

  • 2. Een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere innovatieve ondernemingen.

    De toets door RVO bestaat uit de volgende onderdelen:

    • Een check of het contractueel samenwerkingsverband staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

    • Het beoordelen van de innovatieve aard van het contractueel samenwerkingsband en de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd, waarbij het bovenstaand puntensysteem bij de beoordeling wordt betrokken.

    • Het beoordelen van de arbeidscreatie, waarbij bij meerdere investeringen in één of meerdere innovatieve ondernemingen de arbeidscreatie naar rato van de inbreng van de vermogende vreemdeling wordt berekend.

  • 3. De investering in een door het Ministerie van Economische Zaken erkend seedfonds in oprichting heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

  • 4. De investering in een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen heeft toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie.

Ad 4.

De IND vraagt de vreemdeling om toestemming om onderzoek te laten verrichten in het buitenland of dat het vermogen waaruit geïnvesteerd wordt een mogelijk criminele herkomst heeft.

De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning af als de vreemdeling geen toestemming geeft.

De IND verzoekt de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) te toetsen of ten aanzien van de vreemdeling verdacht verklaarde transacties bekend zijn.

De IND verstrekt daartoe de volgende gegevens aan de FIU:

  • persoonsgegevens van de vreemdeling; en

  • gegevens omtrent het te investeren vermogen.

De IND verleent de verblijfsvergunning niet of trekt deze in als de FIU meldt dat gebleken is dat de vreemdeling betrokken is bij één, of meerdere, als verdacht verklaarde transactie(s). Als de FIU meldt dat geen informatie uit het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan worden verkregen met betrekking tot het vermogen van de vreemdeling, wordt in de regel de verblijfsvergunning evenmin verleend.

2.3 Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.31 Vb aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is, als:

  • diens huwelijk of (geregistreerd) partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden;

  • de vreemdeling op grond van dat huwelijk of (geregistreerd) partnerschap was toegelaten; en

  • de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of (geregistreerd) partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, Vw.

Middelen van bestaan

Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘vermogende vreemdeling’ neemt de IND aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.4 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De aanvraag om een verblijfsvergunning is door het voorportaal (de gemeente Kerkrade) namens de vreemdeling conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ ingediend;

  • De vreemdeling is gekoppeld aan een woning in Kerkrade of Heerlen;

  • De vreemdeling is (voorlopig) ingeschreven aan de Rheinisch-Westfaelische Technische Hochschule Aachen (de RWTH) in verband met een voltijdse studie; en

  • De vreemdeling toont aan het begin van elk studiejaar aan zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Procedureel

De IND verstrekt ten behoeve van de pilot jaarlijks maximaal 75 verblijfsvergunningen.

In afwijking op paragraaf B1/3.4.1.2 en conform het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ machtigt de vreemdeling het voorportaal om:

  • namens de vreemdeling de verblijfsaanvraag in te dienen;

  • namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsaanvraag te voldoen; en

  • alle relevante informatie betrekking hebbende op het verblijfsrecht van de vreemdeling te delen met de IND en indien nodig gegevens op te vragen bij de RWTH.

Middelen van bestaan

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende als de vreemdeling voldoet aan de gehanteerde inkomensnorm die wordt vastgesteld aan het begin van elk kalenderjaar voor de uitwonende student (exclusief collegegeld).

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb:

  • een inkomen (uit een studiebeurs) waarmee de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd;

  • een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of anderszins; of

  • een bedrag dat door de vreemdeling op een ten name van het voorportaal gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar is gesteld.

Op grond van artikel 3.75, vierde lid, Vb beschouwt de IND de middelen van bestaan als duurzaam als deze op het tijdstip waarop de aanvraag regulier voor bepaalde tijd is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar beschikbaar zijn.

3 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’.

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’.

Op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verband met de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten onder de beperking ‘verblijf conform beschikking Staatssecretaris’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor economisch niet-actieve langdurig ingezetenen en vermogende vreemdelingen: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor het zoeken of verrichten van arbeid al dan niet in loondienst: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'.

Op grond van artikel 3.1, derde lid, onder l, VV luidt de arbeidsmarktaantekening voor de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten: ‘Arbeid niet toegestaan’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, achtste lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar aan economisch niet-actieve langdurig ingezetenen.

Op grond van artikel 3.58, achtste lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar aan de vermogende vreemdeling.

Op grond van artikel 3.59, vijfde lid, Vb verlengt de IND de verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar aan de vermogende vreemdeling.

Op grond van artikel 3.58, zesde lid, Vb, verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van ten hoogste één jaar voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

Op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-

EU studenten met de geldigheidsduur van één jaar.

De verblijfsvergunning verleend in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten wordt ingevolge artikel 3.5, vierde lid, Vb aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.

4 Bewijsmiddelen
4.1 economisch niet-actieve langdurig ingezetene

De IND beschouwt het gestelde in paragraaf B1/8.3.4 als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de economisch niet-actieve langdurig ingezetene beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene heeft in een andere lidstaat:

  • een kopie van de door de andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met de aantekening: ‘ EG-langdurig ingezetene’, in de taal van die lidstaat.

4.2 vermogende vreemdeling

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een investering van minimaal € 1.250.000 doet in een onderneming in Nederland:

  • een verklaring van de Nederlandse vestiging van de bank die beschikt over een vergunning van De Nederlandsche Bank of gebruikt maakt van een Europees paspoort, waaruit blijkt dat het te investeren bedrag van minimaal € 1.250.000 in Nederland is gestort;

  • een verklaring van een Nederlands accountantskantoor, geregistreerd bij de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants over de identiteit van de vreemdeling, de herkomst en grootte van zijn vermogen. Het gaat daarbij om de zogenoemde beoordelingsverklaring bij een vermogensopstelling, waaruit blijkt:

  • a. de opbouw van het vermogen;

  • b. dat de herkomst van zijn vermogen niet aantoonbaar malafide is; en

  • c. de wijze waarop vermogen ook daadwerkelijk beschikbaar is voor de investering.

Daarnaast dient de accountantsverklaring een prognose te bevatten waaruit blijkt dat de vreemdeling de mogelijkheid heeft om over een periode van ten minste 15 maanden € 1.250.000 te investeren in een Nederlands bedrijf.

De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een onderneming:

  • de investeringsovereenkomst die door betrokken partijen (investeerder en onderneming) is ondertekend en waaruit het doel van de investering blijkt;

  • als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht, een ondernemingsplan dat informatie bevat over:

    • persoonlijke gegevens en achtergrond van het ondernemingsmanagement (opleiding, ervaring);

    • het product of de dienst;

    • een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst;

    • beschrijving van prijsbeleid/-opbouw met alle kosten daarin verdisconteerd;

    • organisatie;

    • balans;

    • exploitatieoverzichten (realisaties en prognoses);

    • omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen;

    • specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen.

  • door een onafhankelijke externe partij geverifieerde jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren of als de onderneming korter dan drie jaar geleden is opgericht de beschikbare jaarrekeningen;

  • investeringsplan van de onderneming waarin het doel van de investering wordt beschreven (kan geïntegreerd worden in het ondernemingsplan of in de investeringsovereenkomst);

  • gegevens waaruit blijkt wat de verwachte effecten van de investering zijn in omvang en tijd met betrekking tot de vermogenspositie, omzet, resultaat (netto winst), werkgelegenheid en/of innovatie, zowel technologisch als niet-technologisch (bijv. patenten, octrooien);

  • bewijsstukken waaruit de eigen inbreng en mate van actieve betrokkenheid van de vermogende vreemdeling bij de onderneming blijkt zoals specifieke kennis, referenties, patenten, netwerk en afnemers.

De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in één of meerdere onderneming(en):

  • de overeenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband waaruit de omvang en de voorwaarden blijken;

  • een fondsplan waaruit blijkt wat de aard van de organisatie en de investeringen is, en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn;

  • bewijs van continuïteit van het contractuele samenwerkingsverband zoals jaarrekeningen;

  • gegevens waaruit blijkt wat de verwachte effecten van de investering zijn in omvang en tijd met betrekking tot de vermogenspositie, omzet, resultaat (netto winst), werkgelegenheid en/of innovatie, zowel technologisch als niet-technologisch (bijv. patenten, octrooien);

  • bewijsstukken waaruit de eigen inbreng en mate van actieve betrokkenheid van de vermogende vreemdeling bij de onderneming blijkt zoals specifieke kennis, referenties, patenten, netwerk en afnemers.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling deelneemt aan een erkend seedfonds:

  • een verklaring waaruit blijkt dat het seedfonds is erkend door het Ministerie van Economische Zaken.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling deelneemt aan een participatiefonds:

  • een bewijs van deelname aan een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen;

  • een bewijs van het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen van het participatiefonds.

De IND beschouwt als bewijsmiddel waarmee de vreemdeling de herkomst van zijn vermogen kan aantonen:

  • een accountantsverklaring, afgegeven door Nederlands accountantskantoor, geregistreerd bij de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA), waarin staat dat niet gebleken is dat het te investeren vermogen een malafide herkomst heeft of dat is gebleken dat de herkomst van het vermogen niet-malafide is. De rapportage bevat een beoordelingsverklaring bij een vermogensopstelling en een onderzoeksrapport bij een prognose over de mogelijkheid te investeren.

4.3 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student gemeente Kerkrade’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat:

  • het voorportaal gemachtigd is om namens de vreemdeling de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen;

  • het voorportaal toestemming van de vreemdeling heeft om informatie te delen met de IND; en

  • het voorportaal namens de vreemdeling de leges voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal voldoen.

De IND beschouwt ‘het model machtigingsformulier student RWTH’, onderdeel van het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’, als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling het voorportaal toestemming geeft om informatie op te vragen bij de RWTH.

De IND beschouwt een schriftelijke verklaring van het voorportaal als bewijs dat de vreemdeling gekoppeld is aan een woning in Kerkrade of Heerlen.

De IND beschouwt een (voorlopige) inschrijving aan de RWTH als bewijsmiddel dat de vreemdeling (voorlopig) is ingeschreven aan de RWTH.

De IND beschouwt de onderstaande bescheiden als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan:

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door de student zelf worden gefinancierd:

  • een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een kopie van een rekeningafschrift (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de student, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de student vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening (inclusief een vertaling hiervan).

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud worden gefinancierd uit een beurs:

  • een originele beursverklaring waarin in ieder geval is opgenomen: de datum, de naam van de beursverstrekker, de persoonsgegevens van de student, de periode (begindatum en einddatum) waarbinnen de beurs verstrekt wordt, het maandelijks door de student te ontvangen bedrag, de naam van het beursprogramma (indien van toepassing).

In het geval de student het minimaal toereikende bedrag voor de kosten van studie en levensonderhoud heeft gestort op een daartoe geopende rekening van het voorportaal:

  • een kopie van het rekeningafschrift met daarop de datum, het rekeningnummer en de naam van het voorportaal en het gestorte bedrag (herleidbaar tot de student).

In het geval de kosten van studie en levensonderhoud door een financier in het buitenland worden gefinancierd:

  • een originele verklaring financiële steun (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de persoonsgegevens van de student (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de persoonsgegevens van de financier (volledige naam, geboortedatum, paspoortnummer); de volledige adresgegevens van de financier; het maandelijks over te maken bedrag; de periode (begindatum en einddatum) waarin de student wordt ondersteund, de handtekening van de financier; • een kopie van het paspoort of de identiteitskaart van de financier; en

  • een originele bankverklaring (op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit de bankverklaring moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken. Als de rekening op naam van meerdere personen staat, dienen al deze personen in te stemmen met de maandelijkse betaling en dienen zij de originele verklaring financiële steun mede te ondertekenen; of

  • een kopie van een rekeningafschrift(op het moment van de aanvraag niet ouder dan drie maanden) voorzien van: de datum, de persoonsgegevens van de financier, het rekeningnummer, het beschikbare saldo, de contactgegevens van de bank. Uit het rekeningafschrift moet duidelijk blijken dat de financier vrijelijk over het beschikbare saldo kan beschikken; of

  • een niet Nederlandse internetprint vergezeld door een originele bankverklaring voorzien van bankstempel en handtekening.

5 Verlenging
5.1 Vermogende vreemdeling

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’ in ieder geval af als:

  • 1. Het geïnvesteerde vermogen van minimaal € 1.250.000 is teruggetrokken; of

  • 2. De investering heeft volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland geen toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie; of

  • 3. De vreemdeling is betrokken bij een door de Financial Intelligence Unit-Nederland verdacht verklaarde transacties.

Ad. 2

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland adviseert positief bij een investering in een onderneming of in een contractueel samenwerkingsverband als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. De onderneming of het contractueel samenwerkingsverband is ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel;

  • 2. De investering is conform het investeringsplan nog aanwezig in de onderneming of in het contractueel samenwerkingsverband; en

  • 3. De beoogde arbeidscreatie is voor 20% gerealiseerd en het is aannemelijk dat de overige 80% in de komende vier jaren wordt gerealiseerd.

5.2 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning in het kader van de pilot huisvesting Akense niet-EU studenten af, of trekt de verblijfsvergunning in, als niet meer aan de algemene toelatingsgronden of aan de voorwaarden van de pilot wordt voldaan, wanneer:

  • 1. de vreemdeling geen medewerking (meer) verleent aan het voorportaal om gegevens uit te wisselen met de IND;

  • 2. de vreemdeling geen volmacht (meer) verleent aan het voorportaal om navraag te doen bij de RWTH inzake de studieresultaten dan wel andere informatie die nodig is om te kunnen beoordelen of de student studievoortgang boekt of deelneemt aan de studie;

  • 3. de vreemdeling niet meer voltijds aan de RWTH studeert;

  • 4. de vreemdeling zijn opleiding voortijdig heeft gestopt of heeft afgerond;

  • 5. de opleiding van de vreemdeling is komen te vervallen aan de RWTH;

  • 6. de vreemdeling onvoldoende studievoortgang voor zijn opleiding boekt aan de RWTH;

  • 7. de vreemdeling (aan het begin van een nieuw studiejaar) niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  • 8. de vreemdeling niet meer aan een woning in Kerkrade of Heerlen is gekoppeld; of

  • 9. de vreemdeling niet beschikt over een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland.

De IND verstaat onder voldoende studievoortgang dat de vreemdeling minimaal 50% van de nominale studiepunten (European Credit Transfer System) voor het (gedeelte van het) studiejaar aan de RWTH behaalt.

6 Bewijsmiddelen verlenging
6.1 vermogende vreemdeling

De IND beschouwt als bewijsmiddel waarmee de vreemdeling bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘vermogende vreemdeling’, kan aantonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan:

Bewijsmiddelen bij een investering in een onderneming:

  • een verklaring van de bestuurders dat het door de vreemdeling geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan aanwezig is in de onderneming;

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot arbeidscreatie;

  • een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing).

Bewijsmiddelen bij een investering in een contractueel samenwerkingsverband dat investeert in een of meerdere onderneming(en):

  • een recente jaarrekening van de onderneming(en) waarin is geïnvesteerd;

  • een bewijs dat de vreemdeling is aangesloten bij het samenwerkingsverband;

  • een verklaring van de bestuurders dat het geïnvesteerde vermogen conform het investeringsplan nog aanwezig is in het contractueel samenwerkingsverband;

  • een beschrijving van de resultaten met betrekking tot de realisatie van arbeidscreatie;

  • een beschrijving van de resultaten van de niet-financiële inbreng door de vreemdeling (indien van toepassing).

Bewijsmiddelen bij een investering in een seedfonds:

  • een bewijs van deelname aan een seedfonds.

Bewijsmiddelen bij een investering in een participatiefonds:

  • een bewijs van deelname aan een participatiefonds dat is aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP);

  • een bewijs dat de investering nog aanwezig is in het participatiefonds.

6.2 Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De IND beschouwt een kopie van een geldige Grenzgängerkarte afgegeven door het Ausländeramt in Duitsland als bewijsmiddel dat het de vreemdeling is toegestaan om dagelijks vanuit Nederland naar Duitsland te mogen reizen.

De IND beschouwt een verklaring van de RWTH als bewijsmiddel ten aanzien van de studievoortgang van de vreemdeling.

L

Paragraaf C2/3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

3.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap

Algemeen

Artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geeft aan welke vreemdeling ‘vluchteling’ is. Het aanmerken als vluchteling is niet afhankelijk van een beoordeling door een individuele staat. Het Vluchtelingenverdrag kent geen verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is wel geregeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in combinatie met artikel 3.105c, Vb.

De IND houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling rekening met de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR.

De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing op personen, zoals beschreven in de artikelen 1D tot en met 1F van het Vluchtelingenverdrag, verder de ‘uitsluitingsgronden’. De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw indien hij onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt. Artikel 1D van het Vluchtelingverdrag heeft betrekking op het genieten van bescherming door of bijstand van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de staatloze Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA).

Dit artikel beperkt zich niet tot de situatie van staatloze Palestijnse vreemdelingen. Er zijn andere vergelijkbare situaties denkbaar.

De IND verleent de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw:

  • als de bescherming van of bijstand aan de vreemdeling door andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR om welke reden ook is opgehouden; én

  • de positie van de vreemdeling niet definitief is geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

De IND oordeelt dat er geen sprake is van ophouden van bescherming of bijstand:

  • op grond van het enkele feit dat de vreemdeling zich bevindt buiten het gebied waarin het UNRWA werkzaam is; of,

  • in het geval van vrijwillig vertrek van de vreemdeling uit dat gebied.

  • De IND past dan de uitsluitingsgrond artikel 1D toe.

De bescherming of bijstand door de UNRWA van de staatloze Palestijnse vreemdeling is beëindigd indien sprake is van een of meerdere van de volgende situaties:

  • a. in geval van opheffing van het orgaan of van de instelling die de bescherming of de bijstand verleent;

  • b. in geval van de onmogelijkheid voor dat orgaan of die instelling om zijn opdracht te volbrengen;

  • c. indien de staatloze Palestijnse vreemdeling niet langer de bescherming of bijstand kan inroepen om een reden die buiten zijn invloed ligt en onafhankelijk is van zijn wil en deze omstandigheid hem dwingt dat gebied te verlaten en hem op die manier belet de door het UNRWA verleende bescherming of bijstand te genieten.

Ad c.

De IND gaat na of de staatloze Palestijnse vreemdeling gedwongen werd het betreffende gebied te verlaten. Hiervan is sprake als wordt voldaan aan één van beide hieronder genoemde voorwaarden:

  • de staatloze Palestijnse vreemdeling bevond zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bescherming;

  • het is voor het UNRWA onmogelijk de staatloze Palestijnse vreemdeling in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee de UNWRA belast is zodat voldaan is aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bijstand.

In het kader van de eerste voorwaarde beoordeelt de IND op individuele basis of:

  • de staatloze Palestijnse vreemdeling binnen het gebied waar de UNRWA mandaat heeft, gegronde vrees heeft voor vervolging of daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw; en, voor zover dit het geval is,

  • hij tegen de actor(en) van deze daden bescherming van de UNRWA kan inroepen of deze bescherming nog steeds krijgt.

Indien de uitsluitingsgrond artikel 1D niet (langer) van toepassing is en de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag van toepassing. De IND verleent in dat geval een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan de staatloze Palestijnse vreemdeling.

Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag

De IND past artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag niet toe als uitsluitingsgrond.

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag

De bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn op grond van artikel 1F van dat verdrag niet van toepassing op een vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie paragraaf C2/7.10.2 Vc).

Groepsvervolging

Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid. Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.

Risicogroepen

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep.

De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is aangewezen als een risicogroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.

Discriminatie

De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling zal bij terugkeer naar het land van herkomst geheel of gedeeltelijke uitsluiting van medische zorg ondervinden;

  • de vreemdeling zal als gevolg van de uitsluiting van de medische zorg ernstige medische consequenties ondervinden;

  • de uitsluiting van medische zorg vindt plaats op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in paragraaf B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag niet:

  • de omstandigheid dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de medische zorg om andere redenen dan uitsluiting vanwege discriminatie;

  • de beschikbaarheid van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst.

Refugié sur place

De IND verleent de vreemdeling die voldoet aan artikel 3.37b VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vreemdeling wordt aangeduid als ‘refugié sur place’.

Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de IND een vreemdeling aanmerken als ‘refugié sur place’. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in het land van herkomst op de hoogte zullen raken van deze activiteiten van de vreemdeling; en

  • deze activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met inachtneming van artikel 3.37 VV. Artikel 3.37 VV noemt onder meer de volgende gronden:

  • godsdienst;

  • sociale groep;

  • politieke overtuiging.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.36 VV.

Godsdienst

De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat:

  • de vreemdeling, die een godsdienst aanhangt, de uitingen van zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden;

  • van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde – voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke – handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.

Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Sociale groep – vrouwen

De IND merkt vrouwen niet enkel op basis van de sekse aan als sociale groep, zoals bedoeld in artikel 3.37 eerste lid, aanhef en onder d, VV, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn.

Sociale groep – seksuele gerichtheid

De IND merkt een vreemdeling aan als lid van een sociale groep als hij behoort tot de groep die als gemeenschappelijk kenmerk (toegedichte) seksuele gerichtheid heeft. Onder de seksuele gerichtheid verstaat de IND:

  • een lesbische gerichtheid;

  • een homoseksuele gerichtheid;

  • een biseksuele gerichtheid.

In verband met de gendergerelaterde aspecten worden ook transgenders tot deze sociale groep gerekend. Een vreemdeling die behoort tot deze sociale groep wordt hierna LHBT genoemd.

De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt op zichzelf onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Niet elke aantasting van het recht op het uiten van de seksuele gerichtheid vormt een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag.

Voor de beoordeling of een aantasting van dit recht een daad van vervolging vormt, moet de IND onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND verleent met inachtneming van artikel 3.36 VV een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als sprake is van ten minste één van de volgende situaties:

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  • de autoriteiten van het land van herkomst voeren op grond van de (toegedichte) seksuele gerichtheid maatregelen uit die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd en deze maatregelen voldoende ernstig zijn; of

  • in het land van herkomst gelden strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid, deze strafrechtelijke bepalingen worden in de praktijk door de autoriteiten daadwerkelijk ten uitvoer gelegd en er is sprake van een zeker gewicht van de strafbepaling.

Bij de beoordeling van de individuele situatie van de vreemdeling betrekt de IND ook de wijze waarop de vreemdeling voornemens is in zijn land van herkomst zijn seksuele gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid daarvan. Hiertoe onderzoekt de IND hoe de vreemdeling in het verleden en heden, in Nederland of elders, invulling heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid.

Hierbij geldt het uitgangspunt dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid verborgen heeft gehouden.

De vreemdeling hoeft zich bij het uiting geven aan zijn seksuele gerichtheid evenmin terughoudend op te stellen om te voorkomen dat problemen ontstaan die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van vervolging.

De IND beoordeelt of de aannemelijk geachte uitingen van de seksuele gerichtheid van de vreemdeling in het land van herkomst tot vervolging zullen leiden. Hiertoe toetst de IND of de wijze waarop de vreemdeling aangeeft zijn seksuele gerichtheid te zullen uiten na terugkeer in het land van herkomst aannemelijk wordt geacht. Indien een deel van die verklaringen als onaannemelijk moet worden gezien, bijvoorbeeld omdat deze niet stroken met de uitingen in Nederland of elders voorafgaand aan zijn vertrek naar Nederland, zullen de gestelde uitingen niet bij de beoordeling worden betrokken.

De IND beoordeelt de wel aannemelijk geachte uitingen tegen het licht van de situatie in het land van herkomst. De IND verlangt van de vreemdeling geen terughoudendheid bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid en hanteert om die reden, bij de beoordeling van het risico op vervolging, steeds een zekere “ondergrens”. Uitgangspunt is dat iemand zijn gerichtheid zal uiten en relaties zal aangaan op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst is geaccepteerd.

Voorts gaat de IND er bij de beoordeling van het risico op vervolging vanuit dat de directe omgeving van de vreemdeling op de hoogte is of zou kunnen geraken van de seksuele gerichtheid.

De IND betrekt bij de beoordeling of in het land van herkomst sprake is van discriminatoire behandeling vanwege de seksuele gerichtheid, de aldaar voor zowel hetero- als homoseksuelen geldende normen en zeden.

Indien in het land van herkomst sprake is van strafbaarstelling van seksuele gerichtheid of seksuele handelingen beoordeelt de IND hoe daar in de praktijk mee wordt omgegaan en zet dit af tegen de persoonlijke situatie van de vreemdeling.

Bij deze beoordeling betrekt de IND in ieder geval:

  • de schaal waarop strafrechtelijke vervolging vanwege de seksuele gerichtheid voorkomt;

  • de toepassing van opgelegde (gevangenis)straffen;

  • het (voorafgaande) politie- en strafvorderlijk onderzoek; en

  • de gevolgen van de strafbaarstelling voor de maatschappelijke positie van LHBT’s.

Als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst hoeft de vreemdeling geen bescherming conform artikel 3.37c VV in te roepen.

De IND betrekt bij de beoordeling of de vreemdeling vanwege zijn (toegedichte) seksuele gerichtheid vervolgd wordt bij het bekend zijn of worden van de seksuele gerichtheid in de directe (leef)omgeving van de vreemdeling, in ieder geval:

  • de verklaringen van de vreemdeling;

  • openbare informatie uit objectieve bron.

Politieke overtuiging

De IND merkt in ieder geval de volgende situaties aan als politieke overtuiging, als de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een vrouw is en de vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag in het land van herkomst plaatsvindt:

  • vanwege overtreding door de vrouw van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen;

  • vanwege overtreding door de vrouw van strafbepalingen, die in strijd zijn met universele mensenrechten;

  • vanwege politiek verzet in het land van herkomst tegen genitale verminking bij vrouwen.

De beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vrouw die zich beroept op het risico van het ondergaan van genitale verminking, wordt beschreven in paragraaf C2/3.3 Vc.

Vervolging wegens dienstweigering of desertie

Het enkele feit dat een vreemdeling, die weigert zijn militaire dienst te vervullen, bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger is op zich onvoldoende om dit als vervolging aan te merken.

Artikel 3.36 lid 2, onder b en c van het Voorschrift Vreemdelingen is alleen toepasselijk indien is vastgesteld dat artikel 3.36 lid 2, onder e niet toepasselijk is. Dat wil zeggen dat de IND, indien de vreemdeling een beroep doet op het feit dat hij dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te hebben moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven, eerst toetst of de vreemdeling op deze grond vluchteling is. Als gebleken is dat daarvan geen sprake is, wordt pas getoetst aan onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel gewetensbezwaren).

De IND verleent, onder toepassing van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen en overeenkomstig vorenstaande een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • 1. De vreemdeling heeft, overeenkomstig artikel 3.36 lid 2, onder e, van het Voorschrift Vreemdelingen aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen.

    Bij de beoordeling van de aannemelijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, met name de situatie in het land van herkomst op het betreffende moment en de situatie van betrokkene.

    De IND hanteert hierbij de volgende drie cumulatieve voorwaarden:

    • a. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan dan wel de kans zeer groot is dat dergelijke misdrijven worden begaan. Indien sprake is van een conflict dat door de internationale gemeenschap is veroordeeld of indien door de bevoegde internationale rechtsprekende instanties (International Criminal Court, VN-tribunalen) uitspraken zijn gedaan omtrent schendingen van de fundamentele normen, wordt in beginsel aangenomen dat, zo er al geen duidelijke informatie is over reeds gepleegde oorlogsmisdrijven, de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd. De bewijslast wordt voor de vreemdeling daarentegen verzwaard, indien het land van herkomst de betreffende militaire acties uitvoert krachtens een mandaat van de VN dan wel op basis van internationale consensus. Dan vindt de IND in beginsel niet aannemelijk dat door het land van herkomst oorlogsmisdrijven worden gepleegd dan wel dat de kans daarop groot is. De bewijslast wordt voor de vreemdeling ook verzwaard indien in het land van herkomst oorlogsmisdrijven, gepleegd door eigen legeronderdelen, niet aanvaardbaar worden geacht en actief (strafrechtelijk) worden vervolgd.

    • b. De vreemdeling dient te behoren tot het militaire personeel, met inbegrip van het logistieke of ondersteunende personeel. Hij dient aannemelijk te maken dat hij een functie en taken had of deze zou moeten vervullen, waardoor hij direct deelneemt aan deze oorlogsmisdrijven dan wel onontbeerlijke ondersteuning zou (moeten) bieden voor de voorbereiding of uitvoering van deze oorlogsmisdrijven. Indien een vreemdeling is opgeroepen voor het verrichten van militaire dienst, maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn, betrekt de IND de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan bij de vraag of het aannemelijk is dat de vreemdeling zich daaraan schuldig zou (moeten) hebben gemaakt. Daarnaast beoordeelt de IND wat de persoonlijke betrokkenheid van de vreemdeling bij het begaan van oorlogsmisdrijven zou zijn.

    • c. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat dienstweigering (of desertie) in zijn situatie het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. Als de vreemdeling een ander middel daartoe had, dan kan bescherming op grond van artikel 3.36 lid 2, onder e VV niet worden ingeroepen. Als de vreemdeling binnen het leger de mogelijkheid had om op grond van gewetensbezwaren vrijgesteld te worden, en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, kan hij dus geen beroep doen op bescherming op grond van deze bepaling. Hierbij betrekt de IND ook of de vreemdeling vrijwillig in dienst is getreden en of hij zijn dienst heeft verlengd. Hierbij houdt de IND rekening met de situatie, zoals deze op het moment van vrijwillige dienstneming of verlenging van de dienstneming bestond, dat wil zeggen in hoeverre het de vreemdeling toen al duidelijk was of had moeten zijn dat sprake was van een gewapend conflict, waarbij oorlogsmisdrijven werden gepleegd en hij door die vrijwillige dienstneming daar deel aan zou gaan nemen.

  • 2. De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Voor deze categorie geldt dat het gewone beleid van toepassing is, zoals hierboven in deze paragraaf uiteengezet is. De IND beoordeelt in zo’n geval derhalve de ernst van de behandeling, waarvoor de vreemdeling te vrezen heeft op grond van de dienstweigering of desertie, met name een behandeling in de zin van artikel 3.36 lid 2, onder b en c, van het Voorschrift Vreemdelingen.

  • 3. De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd individueel, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR als vluchteling is erkend.

De vreemdeling wordt niet verwijderd naar het land van herkomst, als de vertegenwoordiger van de UNHCR in Nederland heeft geoordeeld dat de vreemdeling op grond van zijn individuele verklaringen vluchteling is in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als terugkeer naar een ander land mogelijk is, onder andere op grond van:

  • artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a of d, Vw; of

  • artikel 31, eerste lid, aanhef en onder h of i, Vw.

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging

De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.

Commune delicten

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • de vreemdeling vreest bestraffing in zijn land van herkomst vanwege een commuun delict;

  • de vrees voor bestraffing vanwege een commuun delict vormt de enige grondslag van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

M

Paragraaf C7/13 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

13 Het asielbeleid ten aanzien van Irak

13.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43, eerste lid, Vw.

13.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel in ieder geval ten aanzien van de volgende categorieën ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:

  • hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten:

    • a. de Algemene Inlichtingendienst;

    • b. de Militaire Inlichtingendienst;

    • c. de Speciale Veiligheidsdienst;

    • d. de Algemene Veiligheidsdienst; en

    • e. de Militaire Veiligheidsdienst; en

  • officieren van de Speciale Veiligheidsdienst.

13.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
13.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND merkt Iraakse LHBT’s aan als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

13.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4 Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
13.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND wijst uitsluitend de volgende gebieden in Irak aan als gebieden waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b Vw:

  • De volgende provincies:

    • Anbar,

    • Ninewa,

    • Salaheddin,

    • Ta’mim, en

    • Diyala.

  • De delen van de ring rondom de stad Bagdad (de zogenaamde Baghdad-belts), die grenzen aan de provincies Anbar, Salaheddin en Diyala.

13.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

13.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende groepen aan als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a. christenen afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • b. mandeeërs afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • c. yezidi’s afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • d. joden afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • e. shabak afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • f. kaka’i afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak;

  • g. alleenstaande vrouwen afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak; en

  • h. Turkmenen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak.

Ad g.

De IND merkt een Iraakse vrouw aan als alleenstaand als zij voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • 1. zij heeft in Irak geen echtgenoot (meer) met wie zij kan gaan samenleven; en

  • 2. zij kan bij terugkeer naar Irak niet meer terug naar het ouderlijk gezin omdat de gezinsband als verbroken moet worden aangemerkt of terugkeer naar het ouderlijk gezin niet mogelijk is.

Ad 2.

De IND merkt de gezinsband in elk geval aan als verbroken, als:

  • de Iraakse vrouw deel is gaan uitmaken van een ander gezin dan haar ouderlijk gezin; of

  • de Iraakse vrouw zelfstandig is gaan wonen.

Uitzondering op de regel dat een alleenstaande vrouw bij terugkeer een reëel risico loopt, betreft vrouwen ten aanzien van wie het evident is dat bescherming op grond van haar alleenstaande status niet nodig is.

13.5 Bescherming
13.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt aan dat het voor de vreemdeling afkomstig uit Centraal en Zuid-Irak in beginsel niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties in Centraal- en Zuid-Irak.

De IND neemt aan dat het mogelijk is voor vreemdelingen afkomstig uit de Koerdische Autonome Regio (KAR) de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.

13.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

Vlucht en vestigingsalternatief in Bagdad en Zuid-Irak.

De IND beoordeelt of sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan in individuele gevallen geconcludeerd kan worden dat de persoon zich buiten het gebied van herkomst, bijvoorbeeld in de stad Bagdad, kan vestigen.

De IND neemt aan dat, in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers afkomstig uit een van de gebieden genoemd in paragraaf C7/13.4.1 Vc geen sprake is van een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in andere delen van Irak:

  • minderjarige vreemdelingen die geen familie hebben in het gebied dat als vlucht- of vestigingsalternatief zou gelden; en

  • vreemdelingen die behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C7/13.4.3 Vc.

Vlucht en vestigingsalternatief in de KAR

De IND neemt aan dat een vreemdeling afkomstig uit een van de gebieden genoemd in paragraaf C7/13.4.1 Vc geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief heeft in de KAR, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de persoon zich in de KAR kan vestigen.

13.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Irak geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

13.7 Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

13.8 Bijzonderheden

Fayli-Koerden

De IND merkt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet aan als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2016.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 maart 2016

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, J.C. Goet Directeur-Generaal Vreemdelingenzaken

TOELICHTING

ALGEMEEN

Dit WBV bevat uiteenlopende onderwerpen die hierna artikelsgewijs zijn toegelicht.

ARTIKELSGEWIJS

A

De tekst is geactualiseerd waar het gaat om de verplichting voor vervoerders om in het kader van grenscontrole passagiersgegevens (API) aan te leveren met het doel de grenscontroles te verbeteren en illegale immigratie te bestrijden. Recentelijk heeft een aanpassing van de regelgeving plaatsgevonden op grond waarvan ten aanzien van een bepaalde groep derdelanders de bewaartermijn van API-gegevens verlengd wordt tot maximaal 4 dagen. Na 4 dagen worden deze API-gegevens geanonimiseerd. De vaststelling van deze categorie derdelanders is gebaseerd op risicoindicatoren, namelijk gegevens van reguliere en asiel gerelateerde weigeringen uit het verleden, op informatie van liaisons en op basis van claims die in het verleden zijn opgelegd in het kader van artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000.

De tekst over de aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten is geactualiseerd omdat op 1 april 2016 de IND haar taken in het kader van het opmaken en verhalen van de uitzettings-en verblijfskosten heeft overgedragen aan de DT&V.

B

In paragraaf A2/2.3 is een tekstuele wijziging doorgevoerd.

C

Tot nog toe is in paragraaf A2/12.2 Vc de mogelijkheid om een vreemdeling te signaleren in SIS of OPS vooral ingegeven door strafrechtelijke redenen of reden die verband houden met de nationale veiligheid. Echter, ook niet-strafrechtelijke redenen kunnen aanleiding vormen om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen. Gelet op het niet-limitatieve karakter van de situaties voor opneming van signaleringen werd dit in voorkomende gevallen al gedaan. Naar aanleiding van die gevallen is van belang geacht dit in het beleid tot uitdrukking te laten komen.

D

Indien een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond wordt afgewezen, omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst, wordt geen vertrektermijn toegekend. In paragraaf A3/3 is een nuancering op deze beleidsregel toegevoegd, namelijk dat dit niet geldt voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend.

E

In paragraaf A5/2.4 is een tekstuele wijziging doorgevoerd.

F

In paragraaf A5/6.3 is nader geëxpliciteerd in welke situaties de bewaringsgronden voor asielzoekers kunnen worden toegepast. Hiermee wordt een inmiddels vaste uitvoeringspraktijk in beleidsregels vastgelegd.

Voorts is paragraaf A5/6.3 aangepast naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2015 (201507479/1/V3). Vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen kunnen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw in bewaring worden gesteld indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat voor toepassing van deze bewaringsgrond het noodzakelijk is dat de Staatssecretaris motiveert dat er sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Met de wijziging in paragraaf A5/6.3 zijn de beleidsregels in de Vreemdelingencirculaire 2000 dienovereenkomstig aangepast.

G en H

Paragrafen B1/2.1, B1/2.2 en B1/2.3 zijn gewijzigd naar aanleiding van de aanpassing van de artikelen 1.13, 1.14 en 1.15a, VV bij besluit van 29 maart 2016.

Met de onderhavige aanpassing van deze paragraven wordt de Vreemdelingencirculaire 2000 in lijn gebracht met de aanpassing van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.

De aanpassing bevat de introductie van een nieuwe intrekkingsgrond voor de erkenning als referent. Indien er in de afgelopen drie jaar geen machtiging tot voorlopig verblijf of verblijfsvergunning is verleend en er ook geen vreemdeling meer is waarvoor de onderneming erkend referent is kan ingevolge het nieuwe artikel 1.15a VV de erkenning worden ingetrokken. De tekst is in overeenstemming gebracht met dit artikel.

In paragraaf B1/2.3 is het puntensysteem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) opgenomen. Wanneer de RVO om advies wordt gevraagd in het kader van een aanvraag voor erkenning als referent, toetst de RVO aan de hand van een puntensysteem. Om de toetscriteria van RVO inzichtelijk te maken is het puntensysteem voor de startende onderneming op grond waarvan RVO toetst of de continuïteit en solvabiliteit voldoende is gewaarborgd opgenomen in deze paragraaf.

In het gewijzigde lid van artikel 1.13, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 staat een viertal uitzonderingen op de hoofdregel dat startende ondernemers een ondernemingsplan moeten overleggen. De uitzonderingen zien op niet daadwerkelijk ‘startende’ ondernemingen. Deze ondernemingen hoeven geen ondernemingsplan te overleggen en hoeven niet ter advisering te worden voorgelegd aan RVO voor de beoordeling of de continuïteit en solvabiliteit voldoende is gewaarborgd. De tekst is in overeenstemming gebracht met het gewijzigde artikel.

Verder is het op grond van artikel 1.13, vierde en vijfde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 mogelijk dat de IND, als er twijfel bestaat of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd, in alle gevallen advies kan vragen aan RVO.

I en J

In paragrafen B8/3.1 en B8/3.3 is verduidelijkt dat een officiële vaststelling van het slachtofferschap van mensenhandel geen harde vereiste is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning als slachtoffer dat niet kan of wil meewerken aan een strafproces. Daarnaast zijn in paragraaf B8/3.3 tekstuele aanpassingen gedaan.

K

Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

De gemeente Aken in Duitsland kampt met een groot tekort aan studentwoningen. Voor het jaar 2015 werd een tekort van circa 3.000 wooneenheden voorzien. Gevolg is dat een groot aantal studenten, dat is ingeschreven aan de Rheinisch-Westfaelische Technische Hochschule Aachen (de RWTH- een universiteit) huisvesting zoekt in het Nederlands grensgebied, de regio Parkstad Limburg (Kerkrade en Heerlen), dat juist met leegstand kampt.

Het stadsbestuur van Aken heeft om die reden de gemeente Kerkrade benaderd om studenten van de RWTH te huisvesten. De Stadregio Parkstad Limburg heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst en de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie verzocht de mogelijkheden te bezien voor huisvesting van de groep Akense studenten afkomstig uit niet EU-lidstaten.

De staatssecretaris heeft de bevoegdheid om, in onvoorziene situaties waarvoor geen verblijf verleend kan worden op één van de verblijfsdoelen van artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000, alsnog in te stemmen met het verblijf van een vreemdeling. Deze zogeheten discretionaire bevoegdheid is neergelegd in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. In de toelichting bij het artikel 3.4, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is aangegeven dat deze bevoegdheid noodzakelijk is voor onvoorziene gevallen, die zich in de praktijk nu eenmaal altijd voordoen. In de toelichting is expliciet opgenomen dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik zal worden gemaakt, en dat deze bevoegdheid niet onbeperkt is:

‘de in het derde lid van artikel 3.4 Vb 2000 gegeven bevoegdheid ziet niet op situaties, waarin de vreemdeling in Nederland wil verblijven op een grond die wel in het besluit is opgenomen, maar aan een of meer voorwaarden niet wordt voldaan. In een dergelijke situatie wordt de verblijfsvergunning als regel niet verleend.’ ( Stb.2000, 497 , p. 95).

Het kan dan gaan om een incidenteel, individueel geval, maar veelal gaat het hierbij om een categorie van vreemdelingen. In het laatste geval ligt het in de rede om een beleidsregel op te stellen, waaraan de afdoening van deze zaken getoetst kan worden.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie maakt, mede op verzoek van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid. Door huisvesting van niet-EU studenten in Aken kan de regio Parkstad op een innovatieve manier bijdragen aan het oplossen van de leegstandproblematiek in de regio. De verwachting is dat hoger opgeleiden aan de kenniseconomie van de regio Parkstad zullen worden gebonden. Naast het economisch belang voor de regio, hebben de gemeenten en de regio Parkstad er vanwege de demografische transitie belang bij om woonruimte te verhuren aan Akense studenten. De stadsregio Parkstad Limburg beantwoordt met de huisvesting van Akense studenten aan de hulpvraag van de gemeente Aken en werkt op deze manier mee aan grensoverschrijdende samenwerking.

Er wordt een pilot huisvesting Akense niet-EU studenten ingericht om in nauwe samenwerking met de gemeente Kerkrade bij te dragen aan het huisvestingstekort in Aken. De gemeente Kerkrade (hierna: het voorportaal) en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hebben de afspraken ten aanzien van deze pilot neergelegd in het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’ welke op [datum] in werking is getreden. Het convenant treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening en eindigt na afloop van 5 jaren na ondertekening.

In het convenant zijn afspraken vastgelegd over:

  • De samenwerking tussen de IND en het voorportaal bij het indienen van een verblijfsvergunning voor niet EU-studenten die studeren in Aken en een woonruimte betrekken in Kerkrade of Heerlen;

  • De rol van het voorportaal als gemachtigde van de student en de taak om complete verblijfsaanvragen bij de IND in te dienen; en

  • Het faciliteren van gegevensuitwisseling tussen het voorportaal en de IND. Binnen de pilot voor huisvesting van deze groep zijn afspraken gemaakt met de RWTH en Kerkrade over de rol van het voorportaal en gegevensuitwisseling ten aanzien van de student richting de IND

De pilot heeft een looptijd van vijf jaar en wordt in aantal (75 studenten per jaar) beperkt. In de pilot kan ervaring worden opgedaan en worden bezien waar zich knelpunten voordoen. Partijen evalueren in beginsel tweejaarlijks in hoeverre de risico’s zoals het beroep op voorzieningen, toeslagen of uitkeringen, of illegaal verblijf na het afbreken van de studie zich voor doen. Bij voortijdige beëindiging van de pilot, om welke reden dan ook, zal het voorportaal ten aanzien van de reeds toegelaten vreemdelingen in Nederland de rol van het voorportaal, zoals overeengekomen in het convenant, blijven vervullen. Na vijf jaar zal een grotere evaluatie worden gehouden waarbij nagegaan zal worden of er ook op langere termijn behoefte is aan een oplossing van een dergelijke grensoverschrijdende problematiek.

In deze paragraaf zijn de specifieke voorwaarden opgenomen waaraan de vreemdeling moet voldoen om op grond van deze pilot in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf conform beschikking Staatssecretaris’.

Procedureel

Gedurende de pilot kunnen jaarlijks maximaal 75 verblijfsvergunningen op grond van deze pilot worden verstrekt aan niet-EU studenten die studeren aan de RWTH.

In aanvulling en in afwijking op paragraaf B1/3.4.1.2 zal de aanvraag om een discretionaire verblijfsvergunning in het kader van deze pilot door het voorportaal namens de vreemdeling worden ingediend en de leges voor de verblijfsaanvraag namens de vreemdeling aan de IND worden voldaan. Daarnaast zal de vreemdeling toestemming moeten verlenen aan het voorportaal om informatie betrekking hebbende op het verblijfsrecht van de vreemdeling te mogen delen met de IND en indien nodig gegevens op te vragen bij de RWTH. De vreemdeling zal het voorportaal hiertoe moeten machtigen. Deze machtiging strekt tot het verlenen van toestemming voor het verwerken van persoonsgegevens die de vreemdeling betreffen. Het is voor de student duidelijk dat zijn persoonsgegevens worden gedeeld met de IND met als doel het controleren en toetsen of nog voldaan wordt aan de verblijfsvoorwaarden van de pilot. De aanvraag dient volledig ingevuld en bevoegd ondertekend middels het vastgestelde formulier te worden ingediend door het voorportaal.

De algemene toelatingsvoorwaarden zoals genoemd in paragraaf B1/4 (zoals het overleggen van een geldig paspoort en indien van toepassing een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), de toets aan de openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid) gelden onverkort.

Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

In het kader van deze pilot luidt de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. Hiermee wordtvoorkomen dat de desbetreffende vreemdelingen aanspraak kan maken op sociale, fiscale uitkeringen en of toeslagen in Nederland. Aan het verblijf wordt daarnaast de voorwaarde gesteld dat de niet-EU studenten beschikken over een buitenlandse ziektekostenverzekering (met voldoende dekking in Nederland). Zij zijn dan niet verzekeringsplichtig volgens de Nederlandse Zorgverzekeringswet en hebben daarmee dan ook geen recht op zorgtoeslag.

Deze pilot betreft een tijdelijke regeling. Er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 3.5, vierde lid, Vb biedt om een beperking anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht.

Verlenging

Deze paragraaf ziet op de rol van het voorportaal in het kader van gegevensuitwisseling zoals beschreven in artikel 5 (de rol van het voorportaal na vergunningverlening) in het convenant ‘pilot huisvesting Akense niet-EU studenten’. Het artikel noemt de gegevens die door het voorportaal na vergunningverlening aan de IND moeten worden verschaft. Deze gegevens heeft de IND nodig om te kunnen beoordelen of de vreemdeling recht heeft en houdt op een Nederlandse vergunning.

Daarnaast informeert het voorportaal de IND ten aanzien van al het mogelijke dat verblijfsrechtelijke consequenties kan hebben ten aanzien van het verblijf van de vreemdeling in Nederland. De inlichtingen worden door het voorportaal binnen vier weken na constatering van het feit door het voorportaal aan de IND gemeld. De IND onderzoekt aan de hand van de gegevens en inlichtingen of de vreemdeling nog steeds voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In deze paragraaf is aangegeven wanneer de vreemdeling niet meer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend en de verblijfsvergunning kan worden ingetrokken dan wel niet meer worden verlengd.

L

Het Hof van Justitie van de EU heeft op 26 februari 2015 uitspraak gedaan in de zaak C 472/13, Shepherd tegen Duitsland over de uitleg van artikel 9 van richtlijn 2004/83, waarin gesproken wordt over de vervolging of bestraffing van de weigering dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 12, lid 2 vallen.

Deze uitspraak geeft aanleiding om de beleidsregels van paragraaf C2/3.2 Vreemdelingencirculaire bij het onderwerp ‘vervolging wegens dienstplicht en desertie’ aan te passen.

Daarnaast zijn in de onderwerpen ‘Algemeen’ en ‘Commune delicten’ verwijzingen naar de hogere regelgeving aangepast.

M

In paragraaf C7/13.4.1. is een tekstuele aanpassing gedaan en is verduidelijkt welke gebieden als 15c-gebieden zijn aangewezen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, J.C. Goet Directeur-Generaal Vreemdelingenzaken