Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Raad voor de RechtspraakStaatscourant 2015, 21198Interne regelingen

Tijdelijke Procesregeling Asiel- en Bewaringszaken 2015

Deze Tijdelijke Procesregeling is van toepassing op alle asiel- en bewaringszaken zoals gedefinieerd in artikel 1, ongeacht of daadwerkelijk elektronisch wordt geprocedeerd of niet. Een met deze regeling overeenkomende regeling is vastgesteld door het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag op 10 juli 2015. De modelregeling is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 2 juli 2015

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Toepassingsbereik

Deze regeling is van toepassing op

  • alle zaken als bedoeld in artikel 79 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waarin beroep is ingesteld tegen besluiten die zijn genomen op of na 20 juli 2015; en

  • alle zaken als bedoeld in artikel 93, 94 en 96 van de Vw; en

  • alle zaken waarin, al dan niet in combinatie met een beroep als bedoeld in de artikelen 93, 94 en 96 van de Vw beroep is ingesteld tegen het terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vw; en

  • alle zaken waarin beroep is ingesteld tegen besluiten als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 50, eerste lid, van de Vw.

In bedoelde zaken is de Procesregeling Bestuursrecht 2013 niet van toepassing.

Artikel 1a Begripsbepalingen

  • a. In deze regeling wordt verstaan onder elektronisch procederen: het voeren van een procedure op de wijze zoals bepaald in artikel 2, eerste en tweede lid, van de onderhavige regeling.

  • b. een voorlopige-voorzieningzaak: een zaak als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • c. een vreemdelingenzaak: een zaak waarin de rechtbank Den Haag ingevolge artikel 6 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bevoegd is;

  • d. een vrijheidsontnemende maatregel: een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b van de Vw;

  • e. een eerste beroep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 94 van de Vw van toepassing is;

  • f. een vervolgberoep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 96 van de Vw van toepassing is;

  • g. een 4-weken-zaak: een zaak als bedoeld in artikel 83b, eerste en derde lid, van de Vw;

  • h. Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV): het onderdeel van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) dat is aangewezen voor het indienen van beroepschriften en verzoekschriften in een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet Coa) en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Artikel 2 Communicatie met de rechtbank (artikelen 8:37 tot en met 8:40a, van de Awb)

  • 1. De rechtbank neemt een elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift uitsluitend in behandeling, indien het is ingediend via de daartoe beschikbaar gestelde webomgeving van de rechtbank (Mijn Rechtspraak1). Hetzelfde geldt voor andere elektronische communicatie en het op elektronische wijze verrichten van proceshandelingen, met dien verstande dat de communicatie door verweerder plaatsvindt via Aansluitpunt Rechtspraak. Een op deze wijze elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift geldt als ondertekend.

  • 2. Indien is gekozen voor elektronisch procederen, wordt in Mijn Rechtspraak per zaak een digitaal dossier aangemaakt, waarin zich de processtukken bevinden en de berichten worden geplaatst. In geval van wijzigingen zendt de rechtbank indien de partij een e-mailadres heeft vermeld in Mijn Rechtspraak, van elke wijziging een notificatie per e-mailbericht.

  • 3. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzendt de griffier de uitnodiging voor de zitting aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

  • 4. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzendt de griffier stukken waarin (de griffier van) de rechtbank een laatste termijn stelt voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde afdoening, eveneens aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax.

  • 5. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzendt de griffier stukken waarop artikel 8:37, tweede lid, van de Awb betrekking heeft bij gewone post of fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

Artikel 3 De gemachtigde (de artikelen 6:17, 8:24 en 8:27 van de Awb)

Indien een partij zich door een gemachtigde laat bijstaan of vertegenwoordigen, communiceert de rechtbank uitsluitend met en zendt de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken uitsluitend aan die gemachtigde. Een oproeping van een partij zendt de rechtbank, voor zover het desbetreffende adres bekend is, aan die partij zelf. Zij stelt de gemachtigde daarvan in kennis.

Artikel 4 Uitstel van een door de rechtbank gestelde termijn

  • 1. De rechtbank verlengt een door haar gestelde termijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.

  • 2. De rechtbank deelt haar beslissing op het verzoek om uitstel aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.

  • 3. Indien de rechtbank een verzoek om uitstel inwilligt, geeft zij aan de verzoeker een nadere termijn van ten hoogste vier weken na de verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. De rechtbank wijst een volgend verzoek om verlenging van een gestelde termijn dat betrekking heeft op dezelfde aangelegenheid in beginsel af.

Artikel 5 Openbare stukken

  • 1. Indien een partij een beroep doet op stukken van algemene aard (inclusief rechterlijke uitspraken) behoeft zij daarvan geen (digitale) kopie over te leggen indien zij de vindplaats vermeldt en die vindplaats openbaar is.

  • 2. De rechtbank merkt in ieder geval de bronnen vermeld in de lijst die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, als openbare vindplaats aan.

Artikel 6 Versnelde behandeling (artikel 8:52 van de Awb)

  • 1. Binnen twee weken na ontvangst van een gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb deelt de rechtbank partijen mee of het verzoek wordt ingewilligd.

  • 2. In geval van versnelde behandeling kunnen de in deze procesregeling gestelde termijnen worden verkort, voor zover de wet dit toelaat.

HOOFDSTUK 2 HET BEGIN VAN DE PROCEDURE

Artikel 7 De ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift (de artikelen 6:14 en 8:42 van de Awb)

  • 1. De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen één week nadat het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.

  • 2. Het CIV verzendt in een vreemdelingenzaak de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, tweede lid, van de Awb, binnen één werkdag nadat het beroepschrift bij hem is binnengekomen. De zittingsplaats waaraan de zaak is toebedeeld, bericht het bestuursorgaan daarvan binnen één week dan wel, indien hoofdstuk 9, 10 of 11 van deze regeling van toepassing is, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.

  • 3. Bij de berichtgeving, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.

  • 4. Indien de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stelt een verweerschrift in te dienen, stelt de rechtbank daarvoor een termijn van vier weken.

Artikel 8

(niet van toepassing)

Artikel 9 Verwijzing, voeging en splitsing (de artikelen 8:13 en 8:14 van de Awb) en overdracht aan een zittingsplaats

  • 1. De rechtbank beslist op een verzoek om verwijzing, voeging of splitsing als bedoeld in de artikelen 8:13, tweede lid, en 8:14, tweede lid, van de Awb binnen vier weken na ontvangst daarvan.

  • 2. Een zittingsplaats van de rechtbank kan het beroep in iedere stand van de procedure overdragen aan een andere zittingsplaats.

  • 3. Indien een partij verzoekt om behandeling door een andere zittingsplaats, beslist de rechtbank binnen vier weken op dat verzoek.

HOOFDSTUK 3 DE VEREISTEN VOOR DE PROCEDURE

Artikel 10 Herstel van een verzuim (de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt zij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen vier weken te herstellen. Bij deze mededeling vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 2. Indien de voorzieningenrechter in een met het beroep samenhangende voorlopige-voorzieningzaak de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid stelt een verzuim als bedoeld in het eerste lid te herstellen binnen een van dat eerste lid afwijkende termijn en bovendien de indiener van het verzoekschrift en de indiener van het beroepschrift dezelfde (rechts)persoon is, kan de rechtbank in de beroepszaak de indiener van het beroepschrift een termijn gelijk aan die in de voorlopige-voorzieningzaak stellen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien een beroep elektronisch is ingediend op een andere wijze dan voorgeschreven in artikel 2, eerste lid.

Artikel 11 De machtiging (artikel 8:24 van de Awb)

Indien de rechtbank van een gemachtigde als bedoeld in artikel 8:24 van de Awb een machtiging verlangt, nodigt zij hem schriftelijk uit de machtiging binnen vier weken in te zenden.

Artikel 12

(Niet van toepassing)

HOOFDSTUK 4 HET VOORONDERZOEK

Artikel 13 De geheimhouding en beperking van de kennisneming (artikel 8:29 van de Awb)

  • 1. Indien is gekozen voor elektronisch procederen, kunnen de stukken waarop een verzoek om beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb betrekking heeft uitsluitend anders dan elektronisch worden ingediend.

  • 2. Indien in een verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming slechts van delen van de inlichtingen of stukken geheimhouding of beperking van de kennisneming wordt verzocht, wijst de rechtbank de verzoeker er zo nodig op dat van hem wordt verwacht dat hij een versie van de inlichtingen geeft of stukken overlegt die aan de andere partij(en) mag worden gezonden.

  • 3. Indien het, zonodig op grond van het tweede lid aangevulde, verzoek betrekking heeft op (delen van) stukken waarvan de openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is geweigerd en het beroep tegen die weigering is gericht, handelt de rechtbank alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is ingewilligd.

  • 4. Indien de verzoeker ook beperking van de kennisneming wenst van (delen van) de motivering van het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming, en hij heeft gekozen voor elektronisch procederen, kan deze motivering (of delen daarvan) uitsluitend anders dan elektronisch worden ingediend. De rechtbank houdt met dat verzoek slechts rekening indien de verzoeker dat bij het verzoek meedeelt en tevens een versie van zijn verzoek overlegt die ook aan de andere partijen mag worden gezonden. Laatstgenoemde versie wordt indien de partij heeft gekozen voor elektronisch procederen elektronisch ingediend.

  • 5. De rechtbank kan de andere partij(en) in de gelegenheid stellen binnen een termijn van twee weken op het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming te reageren. Daarbij neemt de rechtbank het in het vierde lid bedoelde verzoek om beperking van de kennisneming van (delen van) de motivering van het verzoek in acht.

  • 6. Tenzij de rechtbank de partij dan wel het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8:45, tweede lid, van de Awb, om nadere toelichting op het verzoek vraagt, deelt zij de beslissing, bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, mee aan partijen en, voor zover van toepassing, aan het bestuursorgaan als hiervoor bedoeld:

    • a. binnen vier weken na ontvangst van het verzoek of,

    • b. indien toepassing wordt gegeven aan het vijfde lid, binnen vier weken na ontvangst van de reactie(s) of het ongebruikt verstrijken van de reactietermijn.

  • 7. Indien de rechtbank het verzoek om beperking van de kennisneming afwijst, stelt de rechtbank de verzoeker in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk mee te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de rechtbank verbindt. De rechtbank voldoet aan een in reactie hierop gedaan verzoek tot terugzending van de stukken waarop het verzoek betrekking heeft.

  • 8. Indien en voor zover de rechtbank de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, stelt zij de andere partij(en) in de gelegenheid, voor zover niet op een eerder moment al toestemming is verleend, op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb de rechtbank binnen twee weken te berichten of die partij(en) er in toestemt, onderscheidenlijk toestemmen dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de (delen van de) stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht.

  • 9. Na de uitspraak op het beroep zendt de rechtbank de stukken waarvan de kennisneming is beperkt op grond van een beslissing van de rechtbank, binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak terug.

  • 10. Het zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in het vierde lid bedoelde motivering waarvan de beperking van de kennisneming is verzocht.

Artikel 14 De repliek, de dupliek en de schriftelijke uiteenzetting (artikel 8:43 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, geeft zij aan de indiener van het beroepschrift een termijn van vier weken om te repliceren.

  • 2. Na ontvangst van de repliek stelt de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk te dupliceren.

Artikel 15 Het deskundigenonderzoek (de artikelen 8:47 en 8:48 van de Awb)

  • 1. Indien de rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:47, derde lid, tweede volzin, van de Awb, geeft zij aan partijen een termijn van twee weken om hun wensen omtrent het onderzoek aan haar kenbaar te maken.

  • 2. De termijn, genoemd in artikel 8:47, vierde lid, van de Awb, bedraagt ten hoogste dertien weken.

  • 3. De rechtbank zendt het verslag, bedoeld in artikel 8:47, vierde lid, van de Awb, aan partijen binnen één week na ontvangst daarvan, onder verwijzing naar de mogelijkheid van partijen, bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb.

  • 4. De rechtbank legt de ingekomen reacties binnen twee weken voor commentaar voor aan de deskundige, tenzij het commentaar daarvoor geen aanleiding geeft. De rechtbank geeft de deskundige daarbij een termijn van ten hoogste vier weken om zijn nader verslag in te dienen. Met overeenkomstige toepassing van het derde lid zendt de rechtbank dat nader verslag aan partijen.

HOOFDSTUK 5 HET ONDERZOEK TER ZITTING

Artikel 16 De uitnodiging of oproeping voor de zitting (de artikelen 8:56 en 8:59 van de Awb)

  • 1. In de uitnodiging of oproeping vermeldt de rechtbank of de zaak door een enkelvoudige of een meervoudige kamer wordt behandeld. Tevens vermeldt de rechtbank hierin de naam, onderscheidenlijk namen van de rechter(s).

  • 2. Indien de rechtbank een partij oproept, vermeldt zij in de oproeping zo mogelijk de reden waarom de partij wordt opgeroepen. Zij stelt ook de wederpartij(en) van die redengeving in kennis.

  • 3. Indien de rechtbank zaken ter zitting gevoegd of gesplitst behandelt en zij daarvan niet eerder mededeling heeft gedaan, doet zij daarvan mededeling in de uitnodiging of oproeping.

  • 4. Als de datum van behandeling niet op andere wijze in overleg met partijen is bepaald, kondigt de rechtbank aan partijen aan wanneer de zitting zal plaatsvinden en biedt de rechtbank partijen gedurende een week na verzending van die aankondiging de gelegenheid een andere datum te verzoeken onder vermelding van verhinderdata. Die verhinderdata dienen te liggen in de periode van twee weken voor en twee weken na de aangekondigde zittingsdatum als de rechtbank de aankondiging binnen zes weken na binnenkomst van het beroepschrift aan partijen heeft verzonden. In de andere gevallen dienen die verhinderdata te liggen in de periode van zes weken na de geagendeerde zittingsdatum. Indien een partij binnen een week na de aankondiging en onder vermelding van verhinderdata om een andere datum verzoekt, willigt de rechtbank een verzoek om verdaging steeds in.

  • 5. De rechtbank willigt een verzoek om verdaging slechts in indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, behoudens in de situatie zoals bedoeld in de laatste zin van het vierde lid.

  • 6. De rechtbank deelt een weigering de zitting te verdagen mee aan de verzoekende partij binnen een week na ontvangst van dit verzoek.

  • 7. De rechtbank stelt partijen en eventuele andere betrokkenen binnen een week in kennis van een beslissing tot verdaging.

  • 8. Indien de rechtbank een partij aan wie de vrijheid is ontnomen in persoon oproept, gelast zij ambtshalve het transport.

  • 9. Indien een partij aan wie de vrijheid is ontnomen de rechtbank verzoekt de zitting te mogen bijwonen, gelast de rechtbank het transport. Dit verzoek dient uiterlijk twee weken voor de zitting, of zo snel als redelijkerwijs mogelijk bij de rechtbank te worden ingediend.

Artikel 17 Bijstand door een tolk ter zitting (de artikelen 8:59 en 8:60 van de Awb)

  • 1. Bij een eerste beroep inzake een vrijheidsontnemende maatregel zorgt de rechtbank steeds voor een tolk ter zitting indien betrokkene tolkbijstand behoeft. In andere zaken zorgt de rechtbank op verzoek voor een tolk ter zitting indien een partij in persoon is opgeroepen of de rechtbank ambtshalve getuigen en/of deskundigen wil horen en tolkbijstand daarvoor nodig is. De tweede volzin vindt geen toepassing indien betrokkene de vrijheid is ontnomen en hij uitsluitend wordt opgeroepen omdat hij heeft verzocht te willen worden gehoord.

  • 2. De rechtbank zorgt op verzoek voor een tolk ter zitting indien de zaak over een punitieve sanctie gaat en tolkbijstand nodig is om te garanderen dat degene aan wie de punitieve sanctie is opgelegd het verhandelde ter zitting kan volgen in een taal die hij verstaat.

Artikel 18 De schorsing (artikel 8:64 van de Awb)

Indien ter zitting niet alle partijen aanwezig waren en de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft geschorst, doet de griffier binnen twee weken na die zitting mededeling aan partijen van de schorsing en van de wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet.

Artikel 19 De sluiting van het onderzoek zonder (nadere) zitting (de artikelen 8:57 en 8:64 van de Awb)

Binnen vier weken nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, eerste volzin, van de Awb, deelt de rechtbank de beslissing over de sluiting van het onderzoek aan partijen mee. Indien de rechtbank toepassing geeft aan artikel 8:57, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, tweede volzin, van de Awb, deelt de rechtbank de beslissing omtrent de sluiting van het onderzoek aan partijen mee binnen vier weken nadat zich één van de situaties heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 8:57, tweede lid, van de Awb.

HOOFDSTUK 6 DE UITSPRAAK

Artikel 20 De termijn voor de schriftelijke uitspraak (artikel 8:66 van de Awb)

Indien de rechtbank de termijn, genoemd in artikel 8:66, tweede lid, van de Awb, overschrijdt, doet zij aan partijen hiervan mededeling onder vermelding van de datum waarop uiterlijk uitspraak wordt gedaan.

Artikel 21 De grosse (artikel 8:76 van de Awb en artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

  • 1. De griffier verstrekt kosteloos en bij aangetekende brief aan iedere partij op verzoek niet meer dan éénmaal een grosse van een uitspraak. Daarbij worden gezamenlijk procederende personen als één partij aangemerkt.

  • 2. Een door de rechtbank verstrekte grosse is een afschrift van de uitspraak, opgemaakt in de voor afschriften gebruikelijke vorm, behoudens de volgende afwijkingen. Aan het hoofd plaatst de griffier de woorden: ‘IN NAAM DES KONINGS’. Aan het slot plaatst de griffier de woorden: ‘Uitgegeven voor eensluidend afschrift en GROSSE aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden (datum), de griffier,’. Deze slotformule wordt gevolgd door een afdruk van het stempel van de rechtbank en de handtekening van degene die de grosse afgeeft. Gelijktijdig met de ondertekening van de grosse plaatst de griffier op het voorblad van het origineel (de minuut) van de uitspraak met inkt de aantekening: ‘GROSSE afgegeven aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden (datum), de griffier’. Deze aantekening waarmerkt de griffier met een paraaf.

Artikel 22

(Niet van toepassing)

HOOFDSTUK 7 HET NIET TIJDIG NEMEN VAN EEN BESLUIT

Artikel 23 Het beroep tegen het niet tijdig nemen of bekendmaken van een besluit met toepassing van afdeling 8.2.4A van de Awb (de artikelen 6:2, 6:20 en 8:55b tot en met 8:55f van de Awb)

  • 1. Indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb, behandelt de rechtbank, los van het antwoord op de vraag of daarna wordt beslist tot toepassing van de vereenvoudigde behandeling, bedoeld in artikel 8:54 van de Awb, het beroep versneld met toepassing van artikel 8:52 van de Awb. Dit wordt partijen meegedeeld in de ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14, eerste en tweede lid, van de Awb.

  • 2. Indien beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb en sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt de rechtbank in afwijking van artikel 10, eerste lid, van deze regeling de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. Daarbij vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 3. Bij de kennisgeving, genoemd in artikel 7, tweede lid, van deze regeling verzoekt de rechtbank in afwijking van artikel 7, derde en vierde lid, het bestuursorgaan binnen twee weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden en een verweerschrift in te dienen. Daarbij deelt de rechtbank het bestuursorgaan mee dat indien het bestuursorgaan hieraan niet of niet geheel voldoet, op het beroep zal worden beslist op grondslag van de beschikbare stukken.

  • 4. Indien de rechtbank het beroep ter zitting behandelt, zendt zij partijen de uitnodiging of oproeping om op een zitting van de rechtbank te verschijnen ten minste twee weken voor de datum van de zitting. In dat geval doet de rechtbank binnen twee weken na de zitting uitspraak.

  • 5. Binnen één week nadat een verzet gegrond is verklaard als bedoeld in artikel 8:55e, derde lid, van de Awb geeft de rechtbank toepassing aan het vierde lid, eerste volzin. In dat geval doet de rechtbank binnen twee weken na de zitting uitspraak.

  • 6. Indien het bestuursorgaan alsnog een besluit neemt en dat aan de rechtbank heeft gezonden voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan, behandelt de rechtbank het beroep verder op de gewone wijze.

HOOFDSTUK 8 HET VERZET

Artikel 24 Het verzet (artikel 8:55 van de Awb)

  • 1. De rechtbank behandelt een verzet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2, 3, 4, 5, 7, eerste lid, 16 en 17 van deze regeling.

  • 2. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt zij de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. Daarbij vermeldt de rechtbank dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 3. Indien de rechtbank de wederpartij de gelegenheid geeft te reageren op het verzet, stelt de rechtbank een termijn van twee weken.

  • 4. Indien de rechtbank de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid stelt ter zitting te worden gehoord, zendt zij, in afwijking van de artikelen 16 en 17 de kennisgeving daarvan ten minste drie weken voor de datum van de zitting aan de indiener en stelt zij de overige partijen in de bodemzaak daarvan op de hoogte.

  • 5. De rechtbank behandelt het verzet binnen dertien weken na ontvangst van het verzetschrift ter zitting of doet binnen deze termijn zonder zitting uitspraak.

HOOFDSTUK 9 DE VOORLOPIGE VOORZIENING

Artikel 25 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een zaak over een verzoek om voorlopige voorziening.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 7, eerste en tweede lid, 9, 10, eerste lid, 13, 16, achtste en negende lid, 17, 18 en 21 van deze regeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 26 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb)

Alleen ingeval van niet-elektronisch procederen verzoekt de voorzieningenrechter het bestuursorgaan een afschrift van de stukken gelijktijdig ook aan (de gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.

Artikel 27

(Niet van toepassing)

Artikel 28 De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de Awb)

De voorzieningenrechter doet binnen twee weken na de zitting uitspraak

HOOFDSTUK 10 DE VRIJHEIDSONTNEMENDE MAATREGEL

Artikel 29 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een zaak over een vrijheidsontnemende maatregel.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 1a, 2, 3, 4, 5, 7, eerste en tweede lid, 9, 10, eerste lid, 13, 16, eerste, achtste en negende lid, 17, 18 en 21 van deze regeling van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 30 De ontvangstbevestiging (artikel 6:14 van de Awb)

De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.

Artikel 31 De toevoeging van een raadsman (de artikelen 100 en 101 van de Vw)

De rechtbank voegt, zowel bij een eerste beroep, als bij een vervolgberoep, ambtshalve aan de vreemdeling een raadsman toe als bedoeld in de artikelen 100 en 101 van de Vw, tenzij vaststaat dat de vreemdeling zelf een raadsman heeft gekozen. Onder dit laatste wordt tevens verstaan de situatie dat de vreemdeling al wordt bijgestaan door een raadsman, die op verzoek van die vreemdeling door het bureau rechtsbijstandvoorziening aan de vreemdeling is toegevoegd.

Artikel 32 De op de zaak betrekking hebbende stukken in een eerste beroep (artikel 8:42 van de Awb en artikel 94 van de Vw)

  • 1. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan indien het om een eerste beroep gaat, de op de zaak betrekking hebbende stukken, bedoeld in het eerste lid van artikel 8:42 van de Awb in te zenden op zodanig tijdstip dat deze uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur worden ontvangen.

  • 2. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

Artikel 33 De inlichtingen betreffende een vervolgberoep (artikel 96 van de Vw)

  • 1. Indien het om een vervolgberoep gaat, zendt de rechtbank het beroepschrift aan het bestuursorgaan en stelt zij het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen drie werkdagen na die verzending inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak (de zogenoemde voortgangsrapportage).

  • 2. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

  • 3. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen stelt de rechtbank de vreemdeling in de gelegenheid binnen twee werkdagen schriftelijk op deze inlichtingen te reageren en zich uit te laten over de noodzaak van behandeling van het vervolgberoep ter zitting. De rechtbank neemt een verzoek de vreemdeling in persoon op te roepen in behandeling indien de vreemdeling uiterlijk bij het geven van deze reactie daarom verzoekt.

HOOFDSTUK 11 DE 4-WEKEN-ZAAK

Artikel 34 Toepassingsbereik van dit hoofdstuk

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een 4-weken-zaak.

  • 2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk, slechts de artikelen 1, 1a, 2, 3, 5, 7, tweede lid, 9, tweede en derde lid, 16, achtste en negende lid, 17 en 21 van deze regeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat kan worden afgeweken van de in die artikelen genoemde termijnen.

Artikel 35 De ontvangstbevestiging en de uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel 6:14 Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:52, tweede lid, Awb en artikel 83b, vierde lid, Vw)

  • 1. De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.

  • 2. De rechtbank nodigt de indiener van het beroepschrift daarbij uit of roept hem daarbij op voor een zitting, dan wel deelt hem mee op welke datum het beroep ter zitting zal worden behandeld.

Artikel 36 Vaste zittingsdagen

De rechtbank behandelt het beroep in beginsel op vaste wekelijkse zittingsdagen waarvan de data worden gepubliceerd in de Bijlage bij Hoofdstuk 11 (www.rechtspraak.nl).

Artikel 37 De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42, eerste lid, Awb gelezen in samenhang met artikel 8:52, tweede lid, Awb en artikel 83b, vierde lid, Vw)

  • 1. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op het tijdstip vermeld in de Bijlage bij Hoofdstuk 11 (www.rechtspraak.nl) in te zenden.

  • 2. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan de raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

Artikel 38 Herstel van een verzuim (artikel 6:5 en 6:6 Awb gelezen in samenhang met artikel 8:52, tweede lid, Awb en artikel 83b, vierde lid, Vw)

  • 1. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt hij de indiener van het verzoekschrift tegelijk met de in artikel 35, eerste lid, genoemde bevestiging in de gelegenheid het verzuim te herstellen. De termijn voor het herstel eindigt op het tijdstip vermeld in de Bijlage bij Hoofdstuk 11 (www.rechtspraak.nl). Deze termijn wordt niet verlengd. Daarbij vermeldt de rechtbank dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.

  • 2. Ingeval de communicatie anders dan elektronisch verloopt, verzoekt de rechtbank de indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.

Artikel 39

(Niet van toepassing)

HOOFDSTUK 12 (NIET VAN TOEPASSING)

Artikel 40

(Niet van toepassing)

Artikel 41

(Niet van toepassing)

Artikel 42

(Niet van toepassing)

Artikel 43

(Niet van toepassing)

Artikel 44

(Niet van toepassing)

Artikel 45

(Niet van toepassing)

Artikel 46

(Niet van toepassing)

HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALING

Artikel 47 Slotbepaling

  • 1. Op de termijnen, bedoeld in deze regeling, is de Algemene termijnenwet van toepassing.

  • 2. De tekst van deze regeling wordt in de Staatscourant geplaatst en tevens op www.rechtspraak.nl gepubliceerd.

  • 3. Deze regeling treedt in werking de dag na die waarop deze in de Staatscourant is gepubliceerd, maar niet eerder dan nadat de Wijziging Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor toekenning en intrekking van de internationale bescherming en Richtlijn 2013/33/EU tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming in werking is getreden.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke Procesregeling Asiel- en Bewaringszaken 2015.

AANVULLENDE TOELICHTING BIJ DE TIJDELIJKE PROCESREGELING ASIEL- EN BEWARINGSZAKEN 2015 DEZE IS IN AANVULLING OP DE BESTAANDE TOELICHTING PROCESREGELING BESTUURSRECHT 2013.

Algemeen

Naar verwachting zal de rechtbank Den Haag vanaf de derde week van september 2015 de mogelijkheid openen asiel- en vreemdelingenbewaringsprocedures geheel elektronisch te voeren. Deze mogelijkheid wordt gefaseerd ingevoerd in alle (neven-)zittingsplaatsen van deze rechtbank waarin asiel- en vreemdelingenbewaringszaken worden behandeld. Dat betekent dat beroep kan worden ingesteld door middel van ‘Mijn Rechtspraak’ en dat een digitaal dossier wordt aangemaakt en bijgehouden in ‘Mijn Rechtspraak’ waarin zowel de rechtbank als de procespartijen stukken elektronisch kunnen uploaden. Het gebruik van deze mogelijkheid is tot inwerkingtreding van de wet Vereenvoudiging en Digitalisering Procesrecht facultatief. De gefaseerde invoering heeft geen consequenties voor de mogelijkheid om elektronisch te procederen, aangezien beroepen ingediend worden bij het CIV en vervolgens door het CIV worden toebedeeld aan een zittingsplaats waarbij elektronisch kan worden geprocedeerd.

De Procesregeling bestuursrechtspraak 2013 (PrB) voorziet niet in deze mogelijkheid, reden waarom deze Tijdelijke Procesregeling tot stand is gebracht. De wettelijke basis voor het elektronisch instellen van beroep en voeren van de procedure is, tot aan de inwerkingtreding van de wet Vereenvoudiging en Digitalisering Procesrecht, artikel 8:40a Awb, waarin afdeling 2.3 Awb van overeenkomstige toepassing is verklaard. Deze Tijdelijke Procesregeling berust derhalve op de huidige tekst van de Awb.

Deze tijdelijke regeling regelt zowel elektronische procedures zoals in deze regeling gedefinieerd als procedures die op de reeds bestaande wijze worden gevoerd. Dat betekent dat alle in artikel 1 genoemde asiel- en bewaringszaken, waarin op of na de datum van inwerkingtreding van deze tijdelijke regeling beroep is ingesteld bij de rechtbank Den Haag, onder de werking van deze tijdelijke regeling vallen, ongeacht de wijze van indiening en procederen. De PrB is vanaf die datum alleen nog van toepassing op deze categorieën zaken voor zover het beroep vóór de datum inwerkingtreding van deze tijdelijke regeling is ingediend.

De herschikking Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) en herschikking Opvangrichtlijn (Richtlijn 2014/33/EU) maken deel uit van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) en treden 20 juli 2015 in werking. Per 20 juli moeten de Richtlijnen ook in de Nederlandse wetgeving zijn geïmplementeerd. Deze tijdelijke regeling is aangepast aan de betreffende wijzigingen in de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 1, toepasselijkheid

Deze Tijdelijke Procesregeling is van toepassing op alle asiel- en bewaringszaken zoals gedefinieerd in artikel 1, ongeacht of daadwerkelijk elektronisch wordt geprocedeerd of niet. Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze tijdelijke regeling is de PrB dus niet meer op deze zaken van toepassing.

Artikel 1a, begripsbepalingen

Onder elektronisch procederen wordt voor de toepassing van deze regeling uitsluitend verstaan het instellen van beroep via ‘Mijn Rechtspraak’ en het gebruikmaken van het elektronisch dossier in ‘Mijn Rechtspraak’. Dat betekent dat het instellen van beroep of verzenden van berichten per fax, of per e-mail, ofschoon ook vormen van elektronische communicatie, voor de toepassing van deze regeling niet als elektronisch worden aangemerkt.

Artikel 13, de geheimhouding en beperking van de kennisneming

Omdat nog geen voorziening beschikbaar is om de stukken waarop een verzoek om geheimhouding ziet geheim te houden indien een procedure elektronisch wordt gevoerd, dienen deze nog langs andere weg te worden ingediend. In artikel 13 is daarom bepaald dat, ook indien er is gekozen voor elektronisch procederen, de stukken waarop een verzoek om beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb betrekking heeft niet elektronisch, maar op andere wijze moeten worden ingediend. Hetzelfde geldt voor (delen van) de motivering van het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming indien de verzoeker daar ook beperking van de kennisneming van wenst.


X Noot
1

Voorheen Mijn Zaak.