Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2015, 12880Overig

Besluit tot intrekking B3-status van 8 inactieve B3-lichamen

De Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties,

gelet op het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, van de Wet privatisering ABP;

Besluit

Artikel 1

De aanwijzing van de in de bijlage genoemde inactieve lichamen in te trekken als aangewezen lichamen in de zin van art. 2, derde lid, sub b of c van de Wet privatisering ABP1.

Waarbij onder art. 2, derde lid, sub b van de Wet privatisering ABP tevens bedoeld wordt de aanwijzingen van artikel 3, vierde lid, van de Wet privatisering ABP.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, voor deze, de directeur Arbeidszaken Publieke Sector L.D.P. Lombaers

Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na bekendmaking van dit besluit bezwaar aantekenen bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Postbus 20011, 2500 EA Den Haag. Het bezwaarschrift moet zijn ondertekend, voorzien van een datum alsmede de naam en het adres van de indiener en dient vergezeld te gaan van een afschrift van het bestreden besluit en de gronden waarop het bezwaar berust.

TOELICHTING

Het betreffen privaatrechtelijke lichamen, die overheidswerkgevers zijn als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b of c van de Wet privatisering ABP, of als bedoeld artikel 2, eerste lid, onder e of f2 van de Wet privatisering ABP.

Hieronder noemen we al deze varianten voor het gemak “B3 lichamen”.

Dat zijn:

  • a. lichamen met een vergelijkbare status onder de Pensioenwet van 1922,

  • b. lichamen aangewezen onder de ABP-wet van 1966-1996, en

  • c. lichamen aangewezen onder de Wet privatisering ABP vanaf 1996.

Deze lichamen worden in het spraakgebruik B3-lichamen genoemd, naar artikel B3 uit de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (vervallen), die van kracht was gedurende 1966 tot 1996.

Er zijn op dit moment een paar honderd ABP-werkgeversnummers van privaatrechtelijke B3 lichamen, waarvan er jaarlijks een beperkt aantal inactief worden. Inactief betekent dat er nog wel een zogenaamde ‘lege aanwijzing’ bij ABP bekend is, maar zonder dat er nog personeel in dienst is van dat lichaam, op dat specifieke ABP-werkgeversnummer. Om het bestand van actieve B3-lichamen actueel te houden, wordt maximaal eenmaal per jaar zo nodig overgegaan tot het ambtshalve intrekken de inactieve B3-lichamen.

Het kan zijn dat een vergelijkbare werkgeversnaam ook nog in het actieve B3 bestand voorkomt, zij het dan onder een ander ABP-werkgeversnummer. Uiteraard vervalt in het geval van een actief ABP-werkgeversnummer die aanwijzing van die werkgever (met een vergelijkbare naam) als B3 lichaam niet. De intrekking betreft de in de bijlage opgesomde lege ABP-werkgeversnummers in combinatie met de bijbehorende naam.

Een aanwijzing in de zin van de Wet privatisering ABP (art. 2, derde lid, sub b en/of c) heeft tot doel om (categorieën) van overheidswerknemers aan te wijzen, die in dienst zijn van een overheidswerkgever. Die overheidswerknemers bouwen verplicht pensioen op bij ABP. Het is niet nodig om ‘lege aanwijzingen’ nog langer in het bestand mee te nemen, omdat er geen overheidswerknemers bij hen in dienst zijn. Dit om een vertroebeling van het bestand van overheidswerkgevers te beëindigen.

Normaliter kunnen er arbeidsrechtelijke gevolgen zijn aan een intrekkingsbesluit voor werknemers die verplicht pensioen opbouwen bij het ABP. Echter voor deze ‘lege aanwijzingen’ of inactieven, zijn er geen arbeidsrechtelijke gevolgen, omdat er geen werknemers meer bij deze ABP-werkgeversnummers als deelnemer bij ABP aangesloten zijn. Het betreft dus slechts een administratieve handeling, waarbij het overlegmodel niet doorkruist wordt (er zijn immers geen werknemers meer, of een werkgever op het ABP-werkgeversnummer).

Bij dit besluit is gelet op artikel 3, vijfde lid, en artikel 22, derde lid, van de Wet privatisering ABP. Omdat er geen werknemers meer bij de betreffende B3-lichamen werken, is artikel 22, derde lid, onder a, b, c en d van de Wet privatisering ABP niet van toepassing.

Gelet op het bovenstaande is aan de voorwaarden voor intrekking door Onze Minister voldaan.

BIJLAGE BIJ BESLUIT 8 INACTIEVE ABP-WERKGEVERSNUMMERS

Deze ABP-werkgeversnummers horen bij inactieve (onderdelen van) B3 lichamen, die eerder aangewezen zijn als overheidswerkgever in de zin van de WPA, maar op welk werkgeversnummer inmiddels geen deelnemers meer aangesloten zijn, die verplicht pensioen opbouwen bij ABP:

5012357 Strekmuziekschool De Waldsang

5012985 Stichting Centrum Muzikale Vorming Nieuwe Waterweg Noord

5315006 Stichting Sport en Recreatie Zelhem

5315151 Monumentenwacht Nederland

5315330 Stichting Muziekschool Noordwest Veluwe

5315333 Stichting Sportzeeland

5315389 De Sluis Groep NV

5315481 Q-Energy BV


X Noot
1

Het betreft intrekking van de in de bijlage genoemde lichamen, in combinatie met het opgesomde inactieve ABP-werkgeversnummer. Deze ABP-werkgeversnummers horen bij inactieve (onderdelen van) lichamen, die eerder aangewezen zijn als overheidswerkgever in de zin van de WPA, maar op welk werkgeversnummer inmiddels geen deelnemers meer aangesloten zijn, die verplicht pensioen opbouwen bij ABP.

X Noot
2

Deze lichamen, met een dergelijke status onder de Pensioenwet van 1922, en zijn opvolger, de ABP-wet van 1966, worden onder art. 3, vierde lid, van de Wet privatisering ABP aangemerkt als art. 2, derde lid, onderdeel b aanwijzingen.