Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Capelle aan den IJsselStaatscourant 2015, 11537Instelling gemeenschappelijke regelingen
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond
Logo Capelle aan den IJssel
 
INHOUDSOPGAVE
 
HOOFDSTUK I Algemene Bepalingen
- Begripsbepalingen artikel 1
- Het openbaar lichaam artikel 2
 
HOOFDSTUK II Doelstelling en taken
- Doelstelling artikel 3
- Taken artikel 4
 
HOOFDSTUK III Het algemeen bestuur
- Samenstelling artikelen 5 en 6
- Werkwijze artikelen 7, 8 en 9
- Bevoegdheden artikel 10
- Inlichtingen en verantwoording artikelen 11 en 12
 
HOOFDSTUK IV Het dagelijks bestuur
- Samenstelling artikel 13
- Werkwijze artikel 14
- Bevoegdheden artikelen 15 en 16
- Inlichtingen en verantwoording artikel 17
 
HOOFDSTUK V De voorzitter
- De voorzitter artikelen 18, 19 en 20
 
HOOFDSTUK VI Ondersteuning bestuur
- De secretaris artikel 21 en 22
 
HOOFDSTUK VII Extern klachtrecht
 - Ombudsman artikel 23
 
HOOFDSTUK VIII Commissies
- Commissies artikel 24
 
HOOFDSTUK IX Financiële bepalingen
- Begroting van het lichaam artikel 25
- Rekening van het lichaam artikel 26
 
HOOFDSTUK X Geschillen
- Geschillen artikel 27
 
HOOFDSTUK XI Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
- Toetreding artikel 28
- Uittreding artikel 29
- Wijziging artikel 30
- Opheffing artikel 31
 
HOOFDSTUK XII Overgangs- en slotbepalingen
- Overgangsbepaling artikel 32
- Inwerkingtreding artikel 33
- Slotbepalingen artikelen 34 en 35
 
 
 
 
 
 
 
ALGEMENE BEPALINGEN
Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
  • a.
    ) ‘de regeling’: de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond;
  • b.
    ) ‘het lichaam’: het openbaar lichaam bedoeld in artikel 2;
  • c.
    ) ‘de gemeente’: een aan deze regeling deelnemende gemeente;
  • d.
    ) ‘subregio’: cluster van twee of meer gemeenten;
  • e.
    ) ‘colleges’: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;
  • f.
    ) ‘bovenlokale taken’: gemeentelijke taken in het kader van de Jeugdwet waarvan de deelnemende colleges hebben vastgesteld dat deze in gezamenlijkheid worden uitgevoerd;
g) ‘de uitvoerende gemeente’: de door het algemeen bestuur aangewezen gemeente die in opdracht van en namens het algemeen of dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van bovenlokale taken.
Het openbaar lichaam
Artikel 2
  • 1.
    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond. Het is gevestigd te Rotterdam.
  • 2.
    Het rechtsgebied van het lichaam omvat het grondgebied van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne. Met dien verstande dat met ingang van 1 januari 2015 de gemeenten Bernisse en Spijkenisse samengaan in de gemeente Nissewaard.
HOOFDSTUK II
DOELSTELLING EN TAKEN
Doelstelling
Artikel 3
Het lichaam heeft tot doel te zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet.
Taken
Artikel 4
In het kader van de doelstelling heeft het lichaam de volgende taken:
  • a.
    het uitvoeren van de bovenlokale taken door middel van:
    • -
      het contracteren en/of subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet; de jeugdhulp omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen; de taken worden uitgevoerd met inachtneming van de afspraken die hierover op bovenregionaal of landelijk niveau zijn of worden gemaakt;
    • -
      het organiseren van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.
  • b.
    het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen.
HOOFDSTUK III
HET ALGEMEEN BESTUUR
Samenstelling
Artikel 5
  • 1.
    Elk deelnemend college wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid aan voor het algemeen bestuur.
  • 2.
    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden het dagelijks bestuur aan.
Artikel 6
  • 1.
    De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van het college. Bij de aanvang van elke zittingsperiode vindt de aanwijzing plaats in een van de eerste vergaderingen van de nieuwe benoemde colleges.
  • 2.
    De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het algemeen bestuur in functie treden.
  • 3.
    De leden van het algemeen bestuur treden af op het moment van verlies van het wethouderschap of van het voorzitterschap van het college.
  • 4.
    Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
  • 5.
    De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, behouden leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.
Werkwijze
Artikel 7
Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste drie leden van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoeken. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken.
Artikel 8
  • 1.
    Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.
  • 2.
    Bij het nemen van besluiten door het algemeen bestuur wordt te allen tijde gestreefd naar consensus. Indien het op hoofdelijke stemming aankomt, brengen de leden voor de gemeente die zij vertegenwoordigen ieder één stem uit, met uitzondering van de leden die een gemeente vertegenwoordigen waarbij het aantal inwoners van onder de 18 jaar meer is dan 10.000. Zij brengen voor elk volgend 10.000-tal, of gedeelte daarvan, één stem meer uit tot een maximum van dertien stemmen per gemeente.
  • 3.
    Voor de toepassing van het tweede lid gelden de bevolkingscijfers van de gemeenten per 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers aangehouden.
  • 4.
    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet beraadslaagd worden noch een besluit worden genomen over:
    • a.
      ) de vaststelling en wijziging van de begroting;
    • b.
      ) de vaststelling van de rekening;
    • c.
      ) het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling;
    • d.
      ) het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan;
    • e.
      ) benoeming en ontslag van leden van het dagelijks bestuur.
  • 5.
    In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen over het doen van een uitgave voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd.
Artikel 9
  • 1.
    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
  • 2.
    Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt ter kennisneming aan de gemeenten toegezonden.
Bevoegdheden
Artikel 10
  • 1.
    Het algemeen bestuur wijst de uitvoerende gemeente aan, besluit over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente en de wijze waarop de hiermee gemoeide kosten worden doorberekend aan de gemeenten (de verrekeningssystematiek) voor de vaststelling van hun financiële bijdrage.
  • 2.
    Het algemeen bestuur besluit met unanimiteit van stemmen over de verrekeningssystematiek voor de vaststelling van de financiële bijdragen.
  • 3.
    Het algemeen bestuur neemt een apart besluit met unanimiteit van stemmen over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente (inclusief de inzet van de secretaris). Op basis hiervan wordt een overeenkomst met de uitvoerende gemeente aangegaan en worden bijbehorende mandaten en machtigingen verleend. Bij dit besluit heeft het lid dat namens de uitvoerende gemeente in het bestuur zit geen stemrecht.
  • 4.
    Verder behoren alle andere bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, aan het algemeen bestuur.
Inlichtingen en verantwoording
Artikel 11
  • 1.
    Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door de raad, of een of meer leden daarvan, worden verlangd. Op gelijke wijze dient het lid aan het college van de desbetreffende gemeente inlichtingen te verschaffen.
  • 2.
    Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het lid de gemeente in dat bestuur heeft vertegenwoordigd.
Artikel 12
  • 1.
    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.
  • 2.
    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd.
  • 3.
    Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de twee vorige leden bepaalde.
HOOFDSTUK IV
HET DAGELIJKS BESTUUR
Samenstelling
Artikel 13
  • 1.
    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en maximaal vier leden, door en uit het algemeen bestuur aangewezen, met dien verstande dat het lid van het algemeen bestuur dat door het college van de gemeente Rotterdam is aangewezen in ieder geval deel uitmaakt van het dagelijks bestuur en dat het dagelijks bestuur voor het overige een afspiegeling vormt van de verschillende subregio’s in het rechtsgebied van het openbaar lichaam.
  • 2.
    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
  • 3.
    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, vindt het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, plaats uiterlijk één maand na dat openvallen.
  • 4.
    De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur.
Werkwijze
Artikel 14
  • 1.
    Het dagelijks bestuur vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, of ten minste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken.
  • 2.
    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming overgelegd.
Bevoegdheden
Artikel 15
Het dagelijks bestuur is belast met:
  • a.
    een voortdurend toezicht op al wat het lichaam aangaat;
  • b.
    het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd;
  • c.
    het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;
  • d.
    het voorstaan van de belangen van het lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het lichaam van belang is;
  • e.
    het beheer van inkomsten en uitgaven van het lichaam;
  • f.
    de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;
  • g.
    het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit.
  • a.
    de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, overeenkomstig de in het kader van artikel 40 van de Archiefwet 1995 geldende regeling (Archiefverordening) van de uitvoerende gemeente;
  • b.
    de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het bestuur van de regeling gedelegeerde taken.
Artikel 16
  • 1.
    Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dat bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende bevoegdheden uit, met uitzondering van:
    • a.
      het vaststellen en wijzigen van de begroting;
    • b.
      het vaststellen van de rekening;
    • c.
      het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig hoofdstuk XI van deze regeling;
    • d.
      het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan.
  • 2.
    Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid doet het dagelijks bestuur onverwijld mededeling aan de gemeenten.
Inlichtingen en verantwoording
Artikel 17
  • 1.
    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
  • 2.
    Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet.
  • 3.
    Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet.
  • 4.
    Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de leden een, twee en drie bepaalde.
HOOFDSTUK V
DE VOORZITTER
Artikel 18
  • 1.
    Door en uit het algemeen bestuur wordt een voorzitter aangewezen.
  • 2.
    De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.
  • 3.
    Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de voorzitter.
Bevoegdheden
Artikel 19
  • 1.
    De voorzitter is belast met het bevorderen van een goede behartiging van de zaken van het gemeenschappelijk openbaar lichaam.
  • 2.
    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en van het dagelijks bestuur.
  • 3.
    Hij tekent alle stukken die van het algemeen of van het dagelijks bestuur uitgaan.
  • 4.
    Voorts is hij, naast het leiden van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur, belast met:
    • a.
      het terstond ter tafel brengen van alle tot het algemeen en/of het dagelijks bestuur gerichte brieven en andere stukken in de vergadering van het orgaan tot welks bevoegdheid het nemen van een beslissing omtrent de daarin behandelde zaak behoort;
    • b.
      het daadwerkelijk doen uitvoeren van de besluiten van het dagelijks bestuur;
    • c.
      het zo nodig instellen van een onderzoek, voordat bepaalde zaken ter overweging en beslissing worden voorgelegd aan het algemeen en/of het dagelijks bestuur.
Artikel 20
  • 1.
    De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte.
  • 2.
    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken, wordt het lichaam door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dit bestuur, vertegenwoordigd.
HOOFDSTUK VI
AMBTELIJKE ONDERSTEUNING
De secretaris
Artikel 21
  • 1.
    Het algemeen bestuur beslist op voordracht van het dagelijks bestuur en na afstemming met de uitvoerende gemeente omtrent de benoeming, de schorsing en het ontslag van de secretaris. Het dagelijks bestuur oefent de overige bevoegdheden uit ten aanzien van de secretaris. De secretaris is tevens werkzaam bij de uitvoerende gemeente. De secretaris treft met instemming van het dagelijks bestuur een regeling voor zijn vervanging bij zijn verhindering of ontstentenis.
  • 2.
    De secretaris is secretaris van het algemeen en het dagelijks bestuur. Hij is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of het dagelijks bestuur anders beslist.
  • 3.
    De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend.
  • 4.
    De secretaris wordt in zijn taakuitoefening ondersteund door ambtenaren van de uitvoerende gemeente.
  • 6.
    Ten behoeve van de voorbereiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur en eventueel ingestelde commissies, vindt onder leiding van de secretaris een ambtelijk overleg plaats waaraan wordt deelgenomen vanuit alle gemeenten. Een gemeente kan besluiten dat zij zich hiervoor laat vertegenwoordigen door een ambtenaar van een andere gemeente binnen een subregio.
Artikel 22
  • 1.
    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de uitvoerende gemeente.
  • 2.
    De archivaris van de uitvoerende gemeente is belast met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
HOOFDSTUK VII
EXTERN KLACHTRECHT
Artikel 23
De ombudsman van de gemeente Rotterdam is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK VIII
COMMISSIES
Artikel 24
  • 1.
    Het algemeen bestuur kan commissies van advies aan het algemeen bestuur instellen ten behoeve van de in artikel 4 genoemde taken.
  • 2.
    Een lid van het dagelijks bestuur fungeert als voorzitter van de commissie.
  • 3.
    De secretaris fungeert als secretaris van de commissie.
  • 4.
    De leden van commissies van advies die geen burgemeester of wethouder zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen.
HOOFDSTUK IX
FINANCIELE BEPALINGEN
Begroting van het lichaam
Artikel 25
1.Het algemeen bestuur stelt één keer per vier jaar ten behoeve van de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4, sub a, een meerjarenbegroting en -uitvoeringsplan vast, waarbij het eerste jaar samenvalt met het jaar dat volgt het op het jaar waarin de gemeenteverkiezingen worden gehouden.
Voor dit besluit is ten minste een tweederde meerderheid van het aantal uit te brengen stemmen vereist. Bij deze begroting wordt dezelfde procedure gevolgd als bij de jaarlijkse in te dienen ontwerpbegrotingen. Uit de meerjarenbegroting blijkt welke systematiek ten grondslag ligt aan de jaarlijkse doorberekening van de kosten die verband houden met de inkoop van jeugdhulp per gemeente.
  • 2.
    Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting en een toelichting van baten en lasten op voor het volgende kalenderjaar. De begroting is zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten verband houden met de uitvoering van de bovenlokale taken en de ondersteuning vanuit de uitvoerende gemeente en welk deel daarvan vervolgens aan elke gemeente wordt doorberekend.
  • 3.
    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, doch uiterlijk vóór 1 mei, toe aan de raden van de gemeenten.
  • 4.
    Indien het dagelijks bestuur een groei in het benodigd budget voorziet ten gevolge van veranderd beleid, dan wordt dit door het dagelijks bestuur in een separaat voorstel toegelicht.
  • 5.
    Het dagelijks bestuur legt dit separaat voorstel acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden, voor aan de gemeenteraden.
  • 6.
    Voor de groei in het budget als bedoeld in het vierde lid is een unaniem besluit nodig van het algemeen bestuur.
  • 7.
    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor zij dient.
  • 8.
    Het dagelijks bestuur zendt de begroting en de begrotingswijzigingen binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan gedeputeerde staten.
  • 9.
    Het dagelijks bestuur zendt begrotingswijzigingen acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten.
Rekening van het lichaam
Artikel 26
  • 1.
    Het dagelijks bestuur stelt elk jaar de rekening met een bijbehorend verslag van het voorgaande jaar op, waarbij per gemeente inzichtelijk wordt gemaakt welke jeugdhulp is geleverd en wat daarvan de kosten waren.
  • 2..
    Het algemeen bestuur stelt de rekening vast in het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft.
  • 3..
    Het dagelijks bestuur zendt de rekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten.
HOOFDSTUK X
GESCHILLEN
Artikel 27
In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zullen partijen trachten deze in eerste instantie op te lossen met behulp van mediation.
HOOFDSTUK XI
TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
Toetreding
Artikel 28
  • 1.
    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van toetreding.
  • 2.
    Aan toetreding kunnen door het algemeen bestuur bepaalde voorwaarden worden verbonden.
  • 3.
    Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot toetreding en de eventuele voorwaarden die hieraan worden verbonden.
  • 4.
    Onverminderd het bepaalde in artikel 30, derde lid, gaat toetreding in op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop alle colleges van de gemeenten hebben ingestemd met het besluit tot toetreding, tenzij het algemeen bestuur met instemming van de gemeenten anders bepaalt.
Uittreding
Artikel 29
  • 1.
    Te allen tijde kan een gemeente besluiten uit deze regeling te treden. Uittreding dient te geschieden bij besluit van het college. De uittreding treedt in werking aan het eind van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het uittredingsbesluit ter kennis is gebracht van het algemeen bestuur of eventueel op een later tijdstip indien een geschil over de uittreding aan de orde is.
  • 2.
    Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden betaald. Deze toe te rekenen kosten dienen te worden vastgesteld op basis van een advies van een externe accountant en bevatten in ieder geval de volgende elementen:
    • -
      eventueel nog te verrekenen bedragen, uitgaande van de bestaande systematiek voor berekening van financiële bijdrage per gemeente;
    • -
      kosten van de uitvoerende gemeente die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding;
    • -
      kosten in verband met mogelijk doorlopende verplichtingen ten aanzien van aanbieders van jeugdhulp tot levering aan de uittredende gemeente;
    • -
      overige frictiekosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding.
  • 3.
    Het algemeen bestuur stelt in overleg met de uittredende gemeente en in overeenstemming met de regels genoemd in het tweede lid van dit artikel, ten minste zes maanden voor het tijdstip van uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Daarbij kan overeen gekomen worden dat de uittredende gemeente bepaalde verplichtingen ten opzichte van derden overneemt, ten einde de kosten van uittreding als bedoeld in het tweede lid te beperken. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, geacht te bestaan.
Wijziging
Artikel 30
  • 1.
    Een voorstel aan de gemeenten tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door ten minste drie gemeenten.
  • 2.
    Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot wijziging van deze regeling.
  • 3.
    De wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de gemeenten bekend is gemaakt op de in iedere gemeente gebruikelijke wijze.
Opheffing
Artikel 31
  • 1.
    De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle gemeenten.
  • 2.
    Het algemeen bestuur stelt, de raden van de gemeenten gehoord, een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen.
  • 3.
    De organen van het lichaam blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
HOOFDSTUK XII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Overgangsbepaling
Artikel 32
Indien en voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de invoering van de Jeugdwet en de uitvoering van de bovenlokale taken, heeft het algemeen bestuur de bevoegdheid om namens de gemeenten hiervoor voorbereidende besluiten te nemen.
Inwerkingtreding
Artikel 33
  • 1.
    Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 mei 2014.
  • 2.
    Het college van de uitvoerende gemeente zorgt voor verzending van de regeling aan gedeputeerde staten.
Slotbepalingen
Artikel 34
Twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling, wordt de uitvoering hiervan door het algemeen bestuur geëvalueerd en worden op basis hiervan zo nodig wijzigingen doorgevoerd. Het algemeen bestuur bepaalt welke punten in het bijzonder bij de evaluatie zullen worden betrokken. In ieder geval zal die evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming.
Artikel 35
De regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond.
Memorie van Toelichting bij de Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond
Algemene toelichting
De Gemeenschappelijke regeling Jeugdhulp Rijnmond, hierna te noemen: de regeling, regelt de samenwerking tussen de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen en Westvoorne inzake de uitvoering van een aantal collegetaken waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn in het kader van de Jeugdwet.
Met ingang van 1 januari 2015 gaan de gemeenten Spijkenisse en Bernisse samen in de gemeente Nissewaard.
De regeling is congruent met twee andere regelingen, te weten de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s) en GGD Rotterdam-Rijnmond (uitvoering van de taken in het kader van de Wet publieke gezondheid). In vergelijking met Stadsregio Rotterdam, die voorheen onder meer verantwoordelijk was voor de taken in het kader van de Wet op de jeugdzorg, is het werkgebied van onderhavige regeling uitgebreid met de gemeente Goeree-Overflakkee.
In artikel 2.6 van de Jeugdwet is een aantal verantwoordelijkheden van het college aangegeven. Zo is het college er verantwoordelijk voor dat ‘er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is’ om aan een aantal nader in de Jeugdwet genoemde taken te voldoen.
Voorts is in artikel 2.8, eerste lid, Jeugdwet geregeld dat colleges met elkaar samenwerken, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet aangewezen is.
Onderhavige regeling is een uitwerking van deze bepaling. Dat komt tot uiting in de doelstelling, zoals verwoord in artikel 3 van de regeling: ‘zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken, met inachtneming van de bepalingen in de Jeugdwet’.
De keuze voor een publiekrechtelijke vorm van samenwerking via de vorming van een openbaar lichaam in het kader van een gemeenschappelijke regeling, heeft te maken met het feit dat het hier om de uitvoering van taken gaat waarmee een groot publiek belang is gemoeid.
Omdat met de uitvoering van deze taken veel geld is gemoeid, is er bewust gekozen voor een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, met de mogelijkheid om op eigen naam rechtshandelingen te verrichten en een afscheiden vermogen te creëren. Tegelijkertijd is het streven om onnodige bestuurlijke drukte te vermijden en de uitvoerende taken zo veel mogelijk uit te besteden. Hierin is voorzien door de bevoegdheid van het algemeen bestuur om een uitvoerende gemeente aan te wijzen, die tevens zorg draagt voor invulling van de secretarisfunctie en de daarmee samenhangende ambtelijke ondersteuning.
Bestuurlijke drukte wordt dan in de praktijk beperkt door de vergaderingen van het algemeen te bestuur in de pas te laten lopen met de vergaderingen van het algemeen bestuur van GGD Rotterdam-Rijnmond, gelet op het feit dat het grotendeels om dezelfde personen gaat. Dit in aansluiting op de huidige praktijk, waarin de portefeuillehouders jeugdzorg dit al doen als adviescommissie (met tevens deelname vanuit Goeree-Overflakkee) ten behoeve van de Stadsregio Rotterdam.
De uitgangspunten voor de samenwerking zijn verwoord in een plan van aanpak voor de implementatie van jeugdhulp in de regio Rotterdam-Rijnmond dat in medio 2012 is vastgesteld en de naam ‘Acht is meer dan duizend’ heeft gekregen. Deze titel verwijst naar een oud Nederlands spreekwoord waarmee wordt aangegeven dat een zorgvuldige behartiging van zaken belangrijker is dan het hebben van veel geld.
Dit plan van aanpak is gefundeerd op het Programmaplan decentralisatie jeugdzorg 2012-1015, dat in februari 2012 door de samenwerkende gemeenten is vastgesteld.
Regionale taken zijn volgens ‘Acht is meer dan duizend’ aangewezen voor bepaalde vormen van exclusieve individuele jeugdhulp en bij jeugdbescherming en jeugdreclassering. Over de uitwerking hiervan in de regeling: zie hierna de toelichting bij artikel 4.
Deze regeling kent veel gelijkenis met de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond. Het belangrijkste verschil is dat bij de GGD Rotterdam-Rijnmond in de regeling is vastgesteld dat de gemeente Rotterdam in het kader van de Wet publieke gezondheid alle ‘basistaken’ standaard uitvoert (met uitzondering van de taken op het gebied van de jeugdgezondheidszorg). Daar ligt echter geen overeenkomst aan ten grondslag: de gemeente Rotterdam draagt voor de uitvoering van die taken volledig het bedrijfsrisico, het openbaar lichaam is daarvoor als rechtspersoon juridisch gezien niet aansprakelijk.
Bij de onderhavig regeling is echter een andere keuze gemaakt. Daarbij blijft, net als voorheen het geval was bij de uitbesteding van de jeugdzorgtaken door de Stadsregio Rotterdam, het bestuur van de regeling wel eindverantwoordelijk voor de uitvoering van taken. Wat betekent dat over de uitvoering van die taken een overeenkomst dient te worden afgesloten tussen het openbaar lichaam en de uitvoerende gemeente, waarbij het bestuur van het openbaar lichaam via het verlenen van mandaten/volmachten ervoor zorgt dat de uitvoerende gemeente voor de uitvoering van de taken ook de benodigde bevoegdheden krijgt. Aldus is sprake van een vorm van inbesteding, waardoor de door de uitvoerende gemeente geleverde prestaties vrijgesteld zijn van een eventuele verplichting om aan te besteden. Of voor alle prestaties dan ook geen BTW-heffing aan de orde is, staat nog te bezien.
Deze regeling is sober opgezet. Nadrukkelijk is er voor gekozen om in de tekst niet datgene te regelen waarin de Wet gemeenschappelijke regelingen al voorziet. In de hiernavolgende toelichting zijn verwijzingen naar die wet wel opgenomen. Nadere regelgeving kan worden opgenomen in reglementen van orde, om qua werkwijze en procedures zo flexibel mogelijk te kunnen opereren.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 en artikel 2 naamgeving, begripsbepalingen
Met de naam Openbaar Lichaam Jeugdhulp Rijnmond, wordt iets afgeweken van de benamingen van de GGD en de Veiligheidsregio, waarbij de aanduiding ‘Rotterdam-Rijnmond is.
Zoals hierboven al aangegeven, is de relatie met Rotterdam als uitvoerende gemeente iets anders dan bij de GGD. Bij de GGD is al in de regeling vastgelegd dat de gemeente Rotterdam uitvoerende gemeente is, terwijl in de onderhavige regeling hiervoor een besluit van het algemeen bestuur nodig is, zoals blijkt het de artikel 1, sub g.
Artikel 3 doelstelling
Zoals hierboven al aangegeven, sluit de doelstelling aan bij hetgeen in artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet is verwoord: ’doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet’ vertaalt zich in een streven naar een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van bovenlokale taken.
Artikel 4 taken
Deze taken zijn bovenlokaal, dat wil zeggen aanvullend en in aansluiting op het lokale aanbod, en hebben betrekking op de inkoop voor de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclasssering en jeugdhulp. Om deze taken voldoende te omlijnen, is met name de uitvoering van jeugdhulp nader omschreven. Deze omvat de uitvoering van gesloten jeugdhulp, crisiszorg, pleegzorg, residentiële, intramurale zorg en/of specialistische zorg voor jeugdigen.
Omdat deze taken deels ook bovenregionaal of landelijk worden geregeld, wordt voorts nog aangeven dat ter zake geldende bovenregionale of landelijke afspraken in acht worden genomen.
Voorts is de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AHMK) eveneens als taak opgenomen. Door de invoering van de Jeugdwet dienen de functies van de advies- en meldpunten kindermishandeling en van de steunpunten huiselijk geweld te worden samengevoegd. Via deze bepaling voldoen nu alle 16 deelnemende gemeenten aan de verplichting om dit zo te regelen.
Daarnaast is nog als taak opgenomen het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten inzake de uitvoering van de jeugdhulptaken, welke ingevolge de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen. Dit is conform de gegroeide praktijk van de wethouders Jeugd van de deelnemende gemeenten in het zogenaamde portefeuillehoudersoverleg van de Stadsregio Rotterdam. Hierbij wel de kanttekening dat met invoering van de Jeugdwet elke gemeente voortaan een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de beleidsvorming in het kader van de Jeugdwet, waar deze voorheen in het kader van de Wet op de jeugdzorg bij de Stadsregio Rotterdam lag.
Niettemin blijft behoefte aan afstemming, zoals ook bij de GGD waar dit wordt aangeduid als een ‘platformfunctie’.
Artikel 5 het algemeen bestuur
Artikel 13, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Dit artikel is ook van toepassing als de regeling uitsluitend wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders (art. 13, zesde lid, Wgr). Echter met dien verstande dat in dat geval men artikel 13, eerste lid tot en met vijfde lid, zo moet lezen dat waar ‘gemeenteraad’ staat ‘college van burgemeester en wethouders’ moet worden gelezen. Aangezien in onderhavige regeling uitsluitend collegebevoegdheden betreft, heeft dit tot gevolg dat de leden van het algemeen bestuur door en vanuit de colleges worden aangewezen.
Artikelen 7, 8, 9 werkwijze van het algemeen bestuur
In artikel 8 is expliciet opgenomen dat bij het nemen van besluiten wordt gestreefd naar consensus. Dit sluit aan bij de ervaringen van bestuurders tot dusver bij de GGD en het portefeuillehoudersoverleg Jeugdzorg, waarbij het nog nooit op stemmen aan is gekomen. De bepaling is opgenomen om enigszins tegenwicht te bieden aan een aantal bepalingen in de regeling die erop neer komen dat elke gemeente een vetorecht heeft als over bepaalde onderwerpen besloten moet worden. Dit vetorecht dient derhalve gezien te worden als een uiterst middel.
Mocht het toch op een eventuele stemming uitdraaien, dan wordt uitgegaan van een bepaalde stemverhouding naar rato van het aantal jeugdigen in een gemeente
Uitgaande van peildatum 1-1-2013, zou dit leiden tot de volgende verhoudingen (zie tabel op volgende pagina):
Gemeente
Inwoners 0-18 jarigen
Stemmen (1 per 10.000)
Albrandswaard
2755
1
Barendrecht
11894
2
Bernisse
2361
1
Brielle
3132
1
Capelle ad IJssel
13443
2
Goeree-Overflakkee
10409
2
Hellevoetsluis
7789
1
Krimpen ad IJssel
6303
1
Lansingerland
15000
2
Maassluis
6332
1
Ridderkerk
8218
1
Rotterdam
120838
13
Schiedam
15175
2
Spijkenisse
14063
2
Vlaardingen
13505
2
Westvoorne
2589
1
Totaal
253806
35
Dit betekent dat van 0 tot 10.000 jeugdigen een gemeente 1 stem heeft, van 10.000 tot 20.000 een gemeente 2 stemmen heeft, van 20.000 tot 30.000 een gemeente 3 stemmen heeft, etc.
Verder is voor de werkwijze van het algemeen bestuur van belang art. 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin diverse bepalingen in de Gemeentewet die betrekking hebben op de werkwijze van de raad (lees in dit geval: college) van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Zo regelt artikel 30 Gemeentewet dat voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist is van hen die een stem hebben uitgebracht. Voor bepaalde besluiten kan daarvan worden afgeweken, in welk geval dit in de regeling dient te worden vastgelegd. Dat is gebeurd in artikel 8, eerste, tweede en derde lid en in artikel 23, eerste en zesde lid.
Artikel 10 bevoegdheden van het algemeen bestuur
Alle bevoegdheden komen toe aan het algemeen bestuur, tenzij deze expliciet aan een ander orgaan (lees: het dagelijks bestuur of de uitvoerende gemeente) zijn opgedragen.
Voor een aantal expliciet genoemde besluiten van het algemeen bestuur is bepaald dat deze unaniem genomen dienen te worden, gelet op het grote belang hiervan voor elke afzonderlijke gemeente.
Deze besluiten betreffen de omvang van de inzet van de uitvoerende gemeente en de verrekeningssystematiek die bepaalt hoe hoog de kosten per gemeente zijn die worden doorberekend in verband met de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam.
Om een ‘dubbele pet’ te voorkomen bij het besluit over de inzet van de uitvoerende gemeente, is bepaald dat de vertegenwoordiger van de uitvoerende gemeente in dat geval geen stemrecht heeft.
Artikelen 11 en 12 inlichtingen en verantwoording
Artikel 11 heeft betrekking op het geven van inlichtingen (aan college en raad) en het afleggen van verantwoording (aan de raad) door een lid van het algemeen bestuur, voor zover het zijn of haar gemeente betreft. Dit is een uitvloeisel van de verplichting genoemd in artikel 16 Wet gemeenschappelijke regelingen. De wijze waarop de inlichtingen dienen te worden verstrekt of de verantwoording dient te worden afgelegd, kan per gemeente verschillen.
Artikel 12 gaat vervolgens over het verschaffen van inlichtingen door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten. Ongevraagd als dat voor een juiste beoordeling van het te voeren of gevoerde beleid nodig is. Daarnaast ook als dit door één of meer leden van de raden of colleges wordt verlangd.
Artikel 13 samenstelling dagelijks bestuur
Gelet op de belangen van de gemeente Rotterdam als grote (en uitvoerende) gemeente is, is geregeld dat de gemeente Rotterdam in ieder geval vertegenwoordigd is in het dagelijks bestuur.
Daarnaast zouden de volgende vier subregio’s met elk één lid vertegenwoordigd kunnen worden:
  • -
    Subregio met Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk
  • -
    subregio met Bernisse, Brielle, Goeree-Overflakkee, Hellevoetsluit-Spijkenisse, Westvoorne
  • -
    subregio met Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland
  • -
    subregio met Maassluis,Schiedam, Vlaardingen.
Artikel 14 werkwijze van het dagelijks bestuur
In artikel 14 is een aantal bepalingen met betrekking tot de vergaderingen van het dagelijks bestuur opgenomen. Aangezien het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam belast is met bevoegdheden die aan het college van burgemeester en wethouders toekomen, zijn ook voor het college relevante artikelen uit de Gemeentewet in dit verband van toepassing (volgt uit artikel 33, eerste lid Wgr). Hierbij moet met name worden gedacht aan artikel 56 (vergaderquorum: ten minste de helft van de zittende bestuursleden dient aanwezig te zijn voor beraadslaging/besluitvorming), artikel 58 (van toepassing verklaring van artikel 28, eerste tot en met derde lid, artikel 29 en artikel 30 Gemeentewet: bepalingen m.b.t. stemming en besluitvorming) en artikel 59 (staking van stemming) van de Gemeentewet.
Het derde lid bepaalt dat het dagelijks bestuur voor zijn vergadering een reglement van orde vaststelt dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. In dit reglement kan het dagelijks bestuur nadere bepalingen opnemen ten aanzien van zijn vergaderingen. Hierbij moet gedacht worden aan bepalingen omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de mogelijkheid personen, al dan niet op uitnodiging, de vergadering te laten bijwonen en hen hierin een adviserende stem te geven.
Artikel 19 voorzitter
In artikel 19, tweede lid, is bepaald dat de voorzitter alle stukken tekent die van het algemeen of dagelijks bestuur uitgaan. Daarnaast dient ook altijd de secretaris mede te ondertekenen, zoals is vastgelegd in artikel 21, derde lid.
Artikel 20 voorzitter, vertegenwoordiging
Hoewel het eerste lid van artikel 20 bepaalt dat de voorzitter het lichaam in en buiten rechte vertegenwoordigt, kan hij de vertegenwoordiging ook opdragen aan een gemachtigde die hij in overleg met het dagelijks bestuur aanwijst. Op deze (schriftelijke) volmachtverlening zijn de daartoe strekkende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (afdeling 10.1.1).
Het tweede lid ziet op de situatie dat de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Het dagelijks bestuur wijst in dit geval een ander lid uit zijn midden aan om het lichaam te vertegenwoordigen. Deze bepaling vindt overigens ook onverkort toepassing indien de plaatsvervangend voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken. Ook in dat geval wijst het dagelijks bestuur uit zijn midden een ander lid als plaatsvervangend voorzitter aan.
Artikel 21 en 22 secretaris
De secretaris wordt op voordracht van het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur. Hij is werkzaam bij de uitvoerende gemeente en kan met instemming van het dagelijks bestuur een regeling treffen voor vervanging bij afwezigheid.
Als secretaris woont hij alle bestuursvergaderingen bij, tenzij het bestuur anders beslist.
Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan beraadslagingen waarbij het persoonlijk functioneren van de secretaris aan de orde komt.
Het is echter niet mogelijk om als algemeen of dagelijks bestuur besluiten te nemen in afwezigheid van de secretaris.
Onder leiding van de secretaris of diens vervanger vindt ambtelijk overleg plaats waarbij alle deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn, ten einde de bestuursvergaderingen voor te bereiden.
In artikel 22 is ook nog een taak opgenomen voor de secretaris wat betreft het archiefbeheer in het kader van de Archiefwet 1995. Toezicht hierop wordt uitgeoefend door de archivaris van de uitvoerende gemeente. Hierbij is tevens artikel 15 van belang, waarin is geregeld dat het dagelijks bestuur belast is met de zorg voor archiefbescheiden in het kader van genoemde wet binnen het kader van een door het algemeen bestuur vast te stellen Archiefverordening. Waarbij het voor de hand ligt dat de Archiefverordening van de uitvoerende gemeente wordt gevolgd, gelet op het feit dat het toezicht op het beheer wordt uitgevoerd door de archivaris van de uitvoerende gemeente.
Artikel 23 Extern klachtrecht
Via deze bepaling wordt geregeld dat personen bij de Rotterdamse ombudsman terecht kunnen als zij klachten hebben over de gedragingen van medewerkers bij de taakuitoefening in het kader van deze regeling. Dat is verder weer ingekaderd door de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 24 commissies
Artikel 24 betreft de instelling van (‘lichte’) adviescommissies, zoals bedoeld in artikel 24 Wet gemeenschappelijke regelingen.
Genoemd artikel 24 regelt aanvullend nog het volgende.
De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar samenstelling en bevoegdheden geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.
Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk door de voorzitter ingesteld.
Indien op enig moment instelling van (‘zware’) bestuurscommissies (taakcommissies), zoals bedoeld in artikel 25 Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is, zal de onderhavige gemeenschappelijke regeling aangepast dienen te worden. Het eerste lid van genoemd artikel 25 bepaalt namelijk dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam commissies kan instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet.
Artikel 25 begroting van het lichaam
De begroting geeft elk jaar inzicht in de geplande uitvoering voor het begrotingsjaar (het uitvoeringsplan), waarbij bovendien om de vier jaar een meerjarenbegroting wordt vastgesteld. De meerjarencyclus voor de begroting loopt in de pas met de vierjarencyclus van de gemeenteraadsverkiezingen: het meerjarenplan vangt aan in het jaar dat volgt op het jaar waarin de verkiezingen worden gehouden.
Voor het besluit over de meerjarenbegroting is een tweederde meerderheid vereist.
Tweede lid en achtste lid: Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp begroting alsmede begrotingswijzigingen acht weken voordat zij ter vaststelling worden aangeboden aan het algemeen bestuur, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen over de ontwerp begroting dan wel de begrotingswijziging(en) naar voren brengen (artikel 35, derde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). In artikel 25 van de onderhavige regeling is een termijn van 8 weken genoemd omdat de termijn van 6 weken zoals genoemd in artikel 35, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen meestal te kort is om de begroting(swijziging(en)) in de raad te behandelen.
Derde tot en met vijfde lid: in aanvulling op de mogelijkheden die de Wet gemeenschappelijke regelingen geeft, is opgenomen dat een extra groei in het budget ten gevolge van veranderd beleid een unaniem besluit behoeft van het algemeen bestuur. Het gaat hierbij om groei als gevolg van endogene, door de regeling zelf te beïnvloeden, oorzaken. Een groei als gevolg van exogeen bepaalde volumewijzigingen, zoals de stijging van het aantal jeugdigen, wordt buiten beschouwing gelaten. Ook hierbij geldt dat de gemeenteraden ten minste acht weken van tevoren het voorstel toegezonden dienen te krijgen.
Artikel 26mediation
Artikel 28 Wet gemeenschappelijke regelingen geeft gedeputeerde staten de bevoegdheid om te beslissen in geschillen over de toepassing, in de ruimste zin van het woord, van de regeling. Dit kunnen zijn geschillen tussen deelnemende gemeenten of tussen algemeen bestuur en een of meer deelnemende gemeenten.
Gedeputeerde staten kunnen in dat geval het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen met inachtneming van het door gedeputeerde staten bepaalde en binnen een door gedeputeerde staten te stellen termijn. Indien het besluit niet binnen de termijn wordt genomen, nemen gedeputeerde staten zelf het besluit.
Artikel 27 komt neer op een inspanningsverplichting van partijen om eerst te proberen er via mediation zelf uit te komen. Partijen dienen zich dan van te voren te onderwerpen aan de voorwaarden voor mediation. De gedachte achter mediation is dat partijen beter gebaat zijn bij een oplossing die zij gezamenlijk (onder begeleiding) hebben bereikt, dan bij een oplossing die ‘van bovenaf’ is opgelegd.
Levert mediation niets op, of wensen partijen hier niet aan mee te werken, dan beslissen dus gedeputeerde staten zoals hiervoor beschreven.
Dit is ook zo vastgelegd in de regeling van GGD Rotterdam-Rijnmond.
Artikelen 28 t/m 31 toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Voor uittreding geldt een opzegtermijn van één kalenderjaar, volgend op het uittredingsbesluit van het college van de deelnemende gemeente.
Gelet op de risico’s die gemeenten lopen met de gezamenlijke uitvoering van bovenlokale taken, kan het algemeen bestuur regels vaststellen met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden bepaald.
In artikel 28, tweede lid, is dit nog nader uitgewerkt.
In overeenstemming hiermee stelt het algemeen bestuur in overleg met de uittredende gemeente ten minste zes maanden voor uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding.
Lukt dit niet in overleg, dan is sprake van geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 30, derde lid, regelt dat een wijziging van de regeling pas intreedt nadat deze is bekend gemaakt. Dit sluit aan bij artikel 3:40 Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:42 Awb kan dat via een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. In de praktijk is het aan te bevelen dat het openbaar lichaam het initiatief neemt om te zorgen voor bekendmaking door alle gemeenten in het werkgebied van het openbaar lichaam.
Artikel 31, tweede en derde lid, gaat over de liquidatie en de vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam na opheffing. De organen van het lichaam, te weten de voorzitter, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, blijven voor zover dit voor de liquidatie nodig is nog in functie.
Artikel 31 overgangsbepaling
Deze regeling anticipeert op de inwerkingtreding van de Jeugdwet met ingang van 1 januari 2015. Te verwachten valt dat al in 2014, dus nog voor de inwerkingtreding, besluiten zullen moeten worden genomen over de uitvoering van bovenlokale taken, in navolging van het besluit dat reeds door alle gemeenten genomen is over het Transitie Arrangement.
Artikel 32 biedt dan de mogelijkheid om het algemeen bestuur hierover te laten besluiten.
Artikelen 33 en 34 inwerkingtreding, evaluatie
De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit is in lijn is met de besluitvorming over het Transitie Arrangement waaruit een duidelijk bestuurlijk commitment blijkt voor langdurige samenwerking. Tegelijkertijd is het zo dat de ervaringen met de uitvoering van de regeling twee jaar na invoering geëvalueerd zullen worden en nog tot wijzigingen aanleiding kunnen geven. Dit is nader vastgelegd in artikel 34. De evaluatie heeft in ieder geval betrekking op de ervaringen met de verrekeningssystematiek en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming.
De regeling treedt in werking op 1 mei 2014, waarbij rekening is gehouden met de tijd die nodig is om na de gemeenteraadsverkiezingen in maart nieuwe colleges te vormen.
Ingevolge artikel 26, eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het college van de uitvoerende gemeente aangewezen om de regeling, als deze eenmaal is vastgesteld, toe te zenden aan gedeputeerde staten.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 3 maart 2014
De secretaris, De voorzitter,