Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ)Staatscourant 2014, 5608Overig

Wetsvoorstel Terugkeer en vreemdelingenbewaring, Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming

uitgebracht aan: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

datum: 20 februari 2014

Samenvatting

Met het afzonderlijk wettelijk regelen van vreemdelingenbewaring, waarbij deze buiten de werkingssfeer van de penitentiaire wetgeving wordt gebracht, wordt tegemoetgekomen aan het karakter van vreemdelingenbewaring als bestuursrechtelijke maatregel.

Het van toepassing verklaren van Europese regelgeving en aanbevelingen, waaronder de Europese Terugkeerrichtlijn, onderstreept het ultimum-remediumkarakter van vreemdelingenbewaring en biedt mogelijkheden voor een meer humane tenuitvoerlegging.

Het loslaten van het openbare-ordecriterium voor het opleggen van vreemdelingenbewaring resulteert in een helderder grond voor de toepassing van de maatregel.

Op deze drie belangrijke onderdelen komt het wetsvoorstel tegemoet aan aanbevelingen van de Raad uit 2008 en van tal van andere adviesorganen en organisaties. De Raad heeft hier waardering voor en steunt het streven naar een humane tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring.

Het wetsvoorstel verdient echter op essentiële onderdelen heroverweging of aanpassing.

Het doel van de bewaring en van de tenuitvoerlegging ervan is beperkt tot het beschikbaar houden van de ingeslotene voor procedures krachtens de Vreemdelingenwet. De directeur van de inrichting voor vreemdelingenbewaring is geen actor in deze procedures. Daarom komen hem geen bevoegdheden toe die zijn gericht op het gedwongen vertrek als zodanig. Een neutrale houding hiertegenover biedt het personeel ruimte voor het opbouwen van een vertrouwensband met de vreemdelingen, die waardevol is in het kader van een humane bejegening.

Door het opbouwen van het wetsvoorstel op de grondslag en volgens het stramien van de Penitentiaire beginselenwet behouden de inrichting en het regime van vreemdelingenbewaring sterker een penitentiair karakter dan strookt met de bestuursrechtelijke aard en de doelstelling van de maatregel.

Teneinde recht te doen aan het beginsel van minimale beperkingen zou het regime in de tenuitvoerlegging beter kunnen worden opgebouwd vanaf de andere kant van het spectrum: geen beperkingen, tenzij deze nodig zijn om ontsnapping tegen te gaan, dan wel ingeslotenen en medewerkers te beschermen tegen agressie of overlast. Tegenover een adequate buitenbeveiliging kan een maximale interne vrijheid staan. De optelsom van het ruime scala aan beheersmaatregelen en -bevoegdheden waarover de directeur beschikt plus het inrichten van een beheersregime is buitenproportioneel zwaar gelet op de kenmerken van de populatie. Het beheersregime wordt gekenmerkt door straffende elementen die in vreemdelingenbewaring niet thuishoren. De Raad acht het invoeren van een beheersregime onnodig, kwetsend en daarom ongewenst.

Bij het aanbieden van activiteiten waarmee wordt beoogd belemmeringen voor terugkeer weg te nemen kan het beste (uitsluitend) worden aangesloten bij de individuele behoeften van vreemdelingen, met name zoals die aan het licht komen in de begeleiding door niet-gouvernementele organisaties als de Internationale Organisatie voor Migratie. Daarnaast is een ruim aanbod van activerende dagbesteding passend om vanuit humaniserend oogpunt de sfeer van lethargie en verveling, die het verblijf in bewaring kenmerkt, tegen te gaan. Het op straffe van een disciplinaire sanctie verplichten tot deelname aan activiteiten wordt afgewezen als niet passend binnen de doelstelling van vreemdelingenbewaring.

Het advies kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de Raad

Postbus 30 137

2500 GC Den Haag

070 – 36 19 300

www.rsj.nl