Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2013, 25275Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 30 augustus 2013, nr. 413922, DGPolitie/Programma Arbeidsvoorwaarden, voor de uitvoering van een regeling met betrekking tot voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaren bij de politie

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 12f, zesde lid, van het Besluit bezoldiging politie;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. ambtenaar:

de ambtenaar, bedoeld in artikel 12f, eerste lid, van het Bbp;

b. Barp:

het Besluit algemene rechtspositie politie;

c. Bbp:

het Besluit bezoldiging politie;

d. bevoegd gezag:

het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van het Bbp;

e. levensloopbijdragen:

de algemene levensloopbijdrage, de toelage bezwarende functies en de inhaaltoelage bezwarende functies, bedoeld in de artikelen 12b, 12c en 12d van het Bbp;

f. uurloon:

het salaris per uur, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van het Bbp;

g. WAO:

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

h. WIA:

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Artikel 2

  • 1. De ambtenaar die gebruik maakt van de in artikel 12f, tweede lid, van het Bbp genoemde keuzemogelijkheden, stelt het bevoegd gezag schriftelijk van diens keuze op de hoogte:

    • a. voor 1 januari 2014 voor zover het betreft de eenmalig keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder a, van het Bbp, over de periode 2006 tot en met 2013; of

    • b. voor 1 januari 2014 voor het jaar 2014 en voor 2015 en volgende jaren, voor 1 november van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de jaarlijkse keuze, bedoeld in artikel 12f, vierde lid, onder b, van het Bbp, betrekking heeft.

  • 2. Bij de eenmalige keuze bedoeld in het eerste lid, onder a, geeft de ambtenaar op grond van artikel 12f, derde lid, van het Bbp, aan of de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend moeten worden aangemerkt.

  • 3. Binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijk gedane keuze bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag een opgave verstrekt van de door de ambtenaar gemaakte keuze en indien van toepassing diens besluit de levensloopbijdragen niet-pensioengevend te laten zijn. De opgave wordt daarbij voorzien van een berekening van:

    • a. de uit te betalen levensloopbijdragen,

    • b. van de levensloopbijdragen waarvan wordt afgezien;

    • c. van het aantal verlofuren dat in de plaats komt van de levensloopbijdragen.

Artikel 3

  • 1. Indien de ambtenaar gekozen heeft voor geheel of gedeeltelijk verlof, dan staat de omvang van het verlof gelijk aan het geheel of het deel van de waarde van de levensloopbijdragen die de ambtenaar maandelijks zou hebben verkregen als de ambtenaar geen uitkering op grond van de WAO of de WIA zou zijn toegekend, gedeeld door zijn uurloon in de maand waarin de levensloopbijdragen zouden zijn toegekend.

  • 2. De ambtenaar kan verzoeken, indien de omvang van het in het eerste lid bedoelde verlof het in artikel 11, eerste lid, onderdeel r. ten eerste van de Wet op de Loonbelasting 1964 genoemde maximum overschrijdt, het verlof tot dat maximum te beperken.

  • 3. Het door het bevoegde gezag toegekende verlof is eenmalig en is, behoudens het zesde lid, niet in enige geldelijke vergoeding om te zetten.

  • 4. Over de tijdstippen waarop het verlof wordt genoten, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.

  • 5. Indien aan de ambtenaar ontheffing van zijn werkzaamheden is verleend, als bedoeld in artikel 55aa van het Barp, is het gestelde in het eerste lid, onderdeel c. van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van eindeloopbaanverlof bedoeld in de levensloopregeling, het verlof wordt bedoeld op grond van dit artikel.

  • 6. Bij overlijden van de ambtenaar, voordat hij het verlof heeft genoten, is artikel 26, eerste lid, van het Barp van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten.

TOELICHTING

Algemeen

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2005 zijn als gevolg van de gewijzigde fiscale wetgeving over VUT, prepensioen en levensloop (VPL) afspraken gemaakt over de vervanging van de Aanvullende flexibele uittredingsregeling politie (AFUP). De AFUP behelsde een aanvulling op de FPU-regeling die gold voor overheidspersoneel. Door combinatie van eindeloopbaanverlof op basis van de nieuwe Regeling levensloop politie en het vóór de AOW-gerechtigde leeftijd laten ingaan van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, kan de politieambtenaar eerder stoppen met werken.

Voor inleg in een levensloopregeling ontvangen politieambtenaren afhankelijk van hun functie op grond van de artikelen 12b tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) respectievelijk een algemene levensloopbijdrage, een toelage bezwarende functie of een inhaaltoelage bezwarende functie. Gebleken is echter dat deze levensloopbijdragen gevolgen hebben voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren die per 1 januari 2006 of later krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering ontvangen of die in de periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2008 een uitkering zijn gaan ontvangen krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt deze aanspraken op levensloopbijdragen bij de beoordeling van het recht op en de hoogte van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Dit geldt eveneens voor de gedeeltelijke arbeidsongeschikte politieambtenaren die tevens een herplaatsingtoelage of een invaliditeitspensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ontvangen. De hoogte van de herplaatsingstoelage en het invaliditeitspensioen wordt immers bepaald door het pensioengevend inkomen waartoe de levensloopbijdragen ook worden gerekend. Bij niet interveniëren zou dat leiden tot een korting op de herplaatsingstoelage en het invaliditeitspensioen

Samengevat gaat het om de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren die:

  • 1. een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) ontvangen

  • 2. een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) en een ABP invaliditeitspensioen ontvangen

  • 3. een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), een ABP invaliditeitspensioen en een herplaatsingstoelage ontvangen

  • 4. een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) en een herplaatsingstoelage ontvangen

  • 5. op grond van de WAO minder dan 15 procent arbeidsongeschikt zijn en een herplaatsingstoelage ontvangen

  • 6. een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), ABP-invaliditeitspensioen en ABP-keuzepensioen ontvangen

Voor de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren genoemd onder 4 is het onbedoelde effect hersteld door middel van overgangsbepaling F bij hoofdstuk 12 van het ABP Pensioenreglement. Daarin is bepaald dat als bij de vaststelling van de herplaatsingstoelage uitgegaan wordt van een berekeningsgrondslag die is afgeleid van een jaarinkomen vóór 1 januari 2006, het inkomen uit de nieuwe dienstverhouding verminderd wordt met de toegekende levensloopbijdragen; ofwel ABP houdt wat de jaarlijkse toetsing betreft over de hoogte van de herplaatsingstoelage geen rekening met toegekende levensloopbijdragen. Daarmee is de weg vrijgemaakt, zonder dat het gevolgen heeft voor de herplaatsingstoelage, voor het verstrekken van levensloopbijdragen.

Artikel 12f van het Bbp bevat in lijn met de aanpassing van het ABP-pensioenreglement een voorziening waarmee de gevolgen van de aanspraak op levensloopbijdragen voor de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren genoemd onder 1, 2, 3, 4 en 6 op de door hen genoten uitkeringen tot een minimum kunnen worden beperkt. Zij worden daartoe in de gelegenheid gesteld te kiezen uit de volgende vier mogelijkheden:

  • a. het toe laten kennen van verlof in plaats van het geheel of een deel van de levensloopbijdragen;

  • b. het geheel of ten dele uit laten betalen van de waarde van de levensloopbijdragen;

  • c. het geheel of ten dele afzien van de levensloopbijdragen, of

  • d. een combinatie van a, b en c.

Daarnaast is in artikel 12f van het Bbp geregeld dat de ambtenaar dit eenmalig kan doen voor de perioden van 2006 tot en met 2013 en jaarlijks vanaf 2014. Optie b waarin de ambtenaar kiest voor uitbetaling, geeft in het derde lid van artikel 12f de keus om alsdan de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend inkomen aan te laten merken. Deze keus kan echter maar eenmaal gemaakt worden. Ook als de uitbetaling in meerdere jaren zal gebeuren, blijft de keus gelijk en kan de ambtenaar dus niet na enkele jaren aangeven dat hij de uitbetaling toch liever wel als pensioengevend inkomen wil laten aanmerken. De niet-pensioengevendheid van de levensloopbijdragen voorziet net als bij de herplaatsingstoelage erin dat de aanspraak op levensloopbijdragen geen gevolgen heeft voor het invaliditeitspensioen die de ambtenaar eventueel geniet. Ook is vastgelegd dat als de ambtenaar al uitbetaling heeft gehad dan wel de bijdragen heeft laten doorstorten, hij geen beroep meer kan doen op artikel 12f.

De onderhavige ministeriele regeling bevat voor de toepassing artikel 12f van het Bbp nadere uitvoeringsvoorschriften en in acht te nemen termijnen.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In dit artikel worden enkele begrippen omschreven die in deze regeling worden gehanteerd, zoals de levensloopbijdragen, WAO of WIA. Het bevat ook een omschrijving van de belanghebbende op wie deze regeling van toepassing is. Het gaat om de op 1 januari 2006 in dienst zijnde ambtenaar die op die datum recht heeft op een uitkering krachtens de WAO of die in de periode 1 januari 2006 tot 1 januari 2008 een recht heeft verkregen op een uitkering krachtens de WAO of WIA. De regeling richt zich hiermee ook op de desbetreffende ambtenaar die na 1 januari 2006 de dienst heeft verlaten.

Artikel 2

Artikel 12f van het Bbp biedt de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaar, behorend tot de gedefinieerde doelgroep, alternatieven om in bepaalde mate keuzen te maken om in plaats van (een deel van) levensloopbijdragen vrije tijd te krijgen, de levensloopbijdragen al dan niet geheel betaalbaar te laten stellen of van de levensloopbijdragen geheel of ten dele af te zien. Ook combinaties daarin zijn mogelijk.

Over de in de periode 2006 tot en met 2013 uitgestelde uitvoering van de artikelen 12b tot en met 12d van het Bbp, betreft het een eenmalige keuze waarin combinaties per tijdsperiode van verlof, betaalbaarstelling en afzien van levensloopbijdragen mogelijk zijn. In het eerste lid van artikel 2 is aangegeven dat voor 1 januari 2014 de ambtenaar het bevoegd gezag schriftelijk in kennis stelt van deze eenmalige keuze. Bij deze keuze dient hij tevens aan te geven of hij bij uitbetaling de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend wil laten aanmerken. Voor 1 januari 2014 stelt hij voor het jaar 2014 het bevoegd gezag eveneens schriftelijke in kennis van diens jaarlijkse keuze, genoemd in artikel 12f, vierde lid, onder b, Bbp. Voor 2015 en volgende jaren dient de schriftelijke inkennisstelling voor de jaarlijkse keuze te geschieden twee maanden voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar. Binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke inkennisstelling verstrekt het bevoegd gezag de ambtenaar een schriftelijke opgave van de keuze die hij heeft gemaakt. Deze opgave gaat vergezeld van een berekening van:

  • 1. de uit te betalen levensloopbijdragen,

  • 2. de levensloopbijdragen waarvan wordt afgezien, en

  • 3. het aantal verlofuren dat in de plaats komt van de levensloopbijdragen.

Voor zover het de eenmalige keuze betreft, wordt in deze opgave tevens vermeld het besluit van betrokkene om de levensloopbijdragen niet-pensioengevend te laten zijn.

Bij gehele of gedeeltelijke uitbetaling van de levensloopbijdragen dient de ambtenaar er rekening mee te houden dat de uitvoeringsorganisatie deze uitbetaling beschouwt als nieuwe inkomsten, die met een toegekende uitkering verrekend wordt. De volgende regelingen kennen bepalingen over anticumulatie:

  • a. WAO: artikel 44 ten aanzien van een uitkering op grond van de WAO;

  • b. WIA: de artikelen 52, 61 en 62 ten aanzien van een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten) resp. WGA-uitkering (Werkhervatting gedeeltelijke arbeidsongeschikten);

  • c. het ABP Pensioenreglement, artikel 11.16, ten aanzien van het invaliditeitspensioen en het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen.

Op grond van artikel 80 WAO, artikel 27 WIA en artikel 1.12 ABP-pensioenreglement is een uitkeringsgerechtigde verplicht elke wijziging in zijn inkomen te melden bij de desbetreffende uitvoeringsorganisatie. Voor zover het artikel 1.12 van het ABP-pensioenreglement betreft, geldt die verplichting ook voor de werkgever. Dit is van belang wanneer de ambtenaar de levensloopbijdragen pensioengevend wil laten zijn.

Het UWV rekent geldelijke aanspraken toe aan de perioden waarover deze aanspraken betrekking hebben. Dit houdt in dat UWV over elke maand berekent of de uitkeringsgerechtigde in die maand meer aan inkomsten heeft genoten, dan waarbij rekening is gehouden met de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Als er levensloopbijdragen vanaf januari 2006 betaalbaar worden gesteld, zal het UWV de uitkering over elke maand in de periode vanaf 2006 gaan herberekenen. Datgene wat meer aan inkomsten is ontvangen dan waar het UWV bij de mate van arbeidsongeschiktheid van uit is gegaan, wordt in de maand waarover de aanspraak betrekking heeft, betrokken bij de herberekening van de WAO-uitkering. Heeft betrokkene een WIA-uitkering, dan wordt in het algemeen 70% van de inkomsten in mindering gebracht op de WIA-uitkering.

Indien de ambtenaar er bijvoorbeeld voor kiest de levensloopbijdragen over het jaar 2006 in verlof om te zetten en deze vervolgens vanaf 2007 in geld te laten uitbetalen, dan zal het UWV de over 2006 toegekende verlofaanspraak niet als in 2006 genoten inkomen aanmerken, voor zover de verlofaanspraak niet meer bedraagt dan 50 weken en de ambtenaar die verlofaanspraak gebruikt voor het opnemen van verlof. De uitbetalingen vanaf 2007 worden op grond van artikel 44 WAO wel geanticumuleerd.

De ambtenaar die een WAO- of WIA-uitkering ontvangt mag op grond van deze regeling geheel of gedeeltelijk afzien van de aanspraak op levensloopbijdragen. Het UWV zal hem in het kader van de WAO of WIA geen benadelingshandeling tegenwerpen.

Artikel 3

De keuze voor verlof in plaats van de levensloopbijdragen wordt door het UWV niet aangemerkt als een benadelingshandeling die gevolgen heeft voor de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

In fiscaal opzicht wordt toekenning van verlof dat direct voorafgaat aan pensionering gekwalificeerd als een regeling voor vervroegde uittreding waarvan het loonequivalent als eindheffingsbestanddeel op grond van artikel 32ba Wet op de loonbelasting (Wlb) wordt getroffen door een strafheffing van 52%.

Na afstemming met de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën is in mei 2012 besloten een verlofstuwmeer op gelijke wijze te behandelen als een regeling voor levensloopverlof. Een verlofstuwmeer wordt niet als een Regeling voor Vervroegd Uittreden (RVU) aangemerkt als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:

  • de aanspraken op verlof bedragen niet meer dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van 50 weken (de zogenaamde 250-dagenregeling)

  • de verlofaanspraken worden niet op een zodanig moment toegezegd dat opname alleen nog mogelijk is voorafgaand aan het pensioen;

  • aan het toekennen van de verlofaanspraken wordt niet de voorwaarde verbonden dat de werknemer het verlof voorafgaand aan het pensioen moet opnemen.

Betrokken ambtenaar kan dus alle vormen van verlof of extra uren opsparen tot maximaal 50 keer de (gemiddelde) arbeidsduur per week en kan dit verlof naar eigen keuze besteden. Hij kan bijvoorbeeld besluiten dit verlof voorafgaand aan het pensioen op te nemen. Het verlofstuwmeer wordt daardoor geen RVU waarover een eindheffing van 52% verschuldigd is.

Het toekennen van verlof in de plaats van de levensloopbijdragen is verder gebonden aan een fiscaal maximum. De aanspraken op vakantie- en compensatieverlof zijn op basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wlb, vrijgesteld voor zover zij aan het eind van het kalenderjaar niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week gerekend over een periode van 50 weken. Dat betekent 250 dagen verlof (vijf dagen per week gedurende 50 weken) bij een voltijdse dienstverband ofte wel 2.000 uren in totaal. Bij een deeltijddienstverband wordt het maximum van 250 dagen naar rato verlaagd.

Het maximum van 250 dagen bij een voltijdsdienstverband houdt in dat bijvoorbeeld bij een dienstverband van 80% (vier dagen per week) 200 dagen ofte wel 1.600 uren onbelast kunnen worden doorgeschoven en bij een dagelijkse werktijd van 80% (zes uur per dag) blijft het maximum weliswaar 250 dagen, maar bedraagt het totaal aantal uren dan 1.500.

Als het fiscaal maximum wordt overschreden – in voornoemde voorbeelden gaat het om 2.000 uren bij een voltijdsdienstverband of om 1.600 uren resp. 1.500 uren bij een deeltijddienstverband – zijn alleen de aanspraken op verlofdagen die uitstijgen boven dit maximum op basis van artikel 11, derde lid, van de Wlb belast.

Deze aanspraken worden aan het einde van het kalenderjaar belast of aan het einde van de dienstbetrekking als deze in de loop van het jaar eindigt tegen de waarde op dat moment. Het gevolg daarvan is dat bij het opnemen van de verlofdag op een later moment het dan uitbetaalde loon onbelast blijft.

De WAO kent geen artikel dat de benadeling van de fondsen (i.c. het Arbeidsongeschiktheidsfonds) bestraft. Als de ambtenaar bepaalde loonelementen niet geniet, dan worden deze in principe ook niet geanticumuleerd op grond van artikel 44 WAO. In dit kader is dus van cruciaal belang dat hij een duidelijke keus maakt tussen loon en verlof voordat het bevoegd gezag eventuele gelden aan hem beschikbaar stelt. De ambtenaar mag ook niet vrijelijk over een bedrag kunnen beschikken, dat hij zou kunnen gebruiken voor verlof, maar ook zou kunnen laten uitbetalen. Als hij de beschikking krijgt over een ‘spaarpot’ waaruit het verlof gefinancierd wordt, maar dat hij ook kan aanwenden om het uit te laten betalen, dan staat dat geld hem al ter beschikking en wordt het door hem genoten. Van belang hierbij is verder dat binnen het fiscaal maximum van het toekennen van verlof wordt gebleven.

Verlofaanspraken tot aan het fiscaal maximum worden door het UWV namelijk niet gerekend tot het inkomen. De verlofaanspraken die daarboven uitstijgen worden echter wel gerekend tot het inkomen en worden daarom gekort op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De verlofaanspraken zijn geen vakantieafspraken in de zin van Hoofdstuk IV Vakantie van het Barp.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten.