Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ)Staatscourant 2013, 11785Overig

Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen: beter richten! Advies Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming

uitgebracht aan: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

datum: 4 april 2013

Het project Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen (BIJ) beoogt er voor te zorgen dat de burgemeester tijdig wordt geïnformeerd over de aanstaande terugkeer van bepaalde categorieën (ex-)justitiabelen in de gemeente, met vermelding van het gepleegde delict. Naar aanleiding daarvan wordt beoordeeld of als gevolg van deze terugkeer sprake is van dreigende verstoringen van de openbare orde. De burgemeester beslist vervolgens of er maatregelen moeten worden getroffen om deze verstoringen te voorkomen. Dit dient niet alleen ter bescherming van de belangen van de samenleving en het slachtoffer, maar ook ter voorkoming van problemen voor de (ex-)justitiabele.

Knelpunten

De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) schetst in dit gevraagde advies op grond van beschikbaar onderzoek en door hem gevoerde gesprekken een beeld van de opzet en de huidige praktijk van BIJ. De RSJ stelt vast dat de gesprekspartners overwegend positief zijn over BIJ, maar constateert ook belangrijke knelpunten die hij in de volgende drie categorieën onderbrengt:

  • 1. de selectie van de doelgroep is weinig gericht;

  • 2. een bij de opzet van BIJ achterblijvende uitvoeringspraktijk;

  • 3. keuzes die aan BIJ ten grondslag hebben gelegen zoals de vrijwillige deelname van gemeenten aan BIJ.

Visie van de RSJ

Het kan noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn dat overheidsorganen informatie over een (ex-)justitiabele delen en daarmee de privacy schenden bij zijn terugkeer naar de maatschappij. En wel, als het risico op verstoring van de openbare orde (een algemeen belang) van een hogere orde kan worden geacht dan het (individuele) belang van de (ex-)justitiabele. Een zorgvuldige uitvoering van BIJ vraagt er echter om het aantal gevallen waarin deze meldingen plaatsvinden te beperken tot een zo klein mogelijke groep. De huidige selectiecriteria voldoen in onvoldoende mate aan dit criterium. Een verdere (en voortdurende) verbetering van de selectie van de meldingen heeft daarmee de allerhoogste prioriteit.

Ook als BIJ selectiever is gericht op de doelgroep is het van belang over de betreffende personen zo min mogelijk informatie uit te wisselen. Dit dient zoveel mogelijk te worden beperkt tot de kleine kring van direct en reeds betrokken partijen (gemandateerden, politie en burgemeester). Gelet op de privacywetgeving (doelbinding), is een betere handhaving van de bij BIJ afgesproken opzet en aansluitvoorwaarden noodzakelijk.

De zich in de praktijk voordoende combinatie van BIJ en nazorg raakt in een aantal gevallen onnodig de privacy van (ex-)justitiabelen en kan leiden tot onnodige stigmatisering. Hoewel BIJ en nazorg in de tijd gezien ongeveer tegelijkertijd binnen gemeenten plaatsvinden en het vanuit dat oogpunt gezien logisch kan lijken deze samen te voegen, dienen zij verschillende (mogelijk zelfs tegengestelde) doelen. De informatiestromen die er aan ten grondslag liggen, moeten om die reden organisatorisch gescheiden blijven.

Sommige burgemeesters achten de bevoegdheden die zij hebben om maatregelen te treffen in het kader van een BIJ-melding ontoereikend. Dit raakt het doel en de effectiviteit van BIJ. Het verdient daarom overweging om de (noodzaak en aard van de) te nemen maatregelen systematisch aan de orde te stellen in het driehoeksoverleg burgemeester- OM- politie. In deze fase is, in daartoe aanleiding gevende gevallen, daarnaast tijdige afstemming nodig vanuit BIJ met de coördinator nazorg; voorkomen moet worden dat in het kader van het nazorgtraject een niet adequate of zelfs contraproductieve aanpak wordt gekozen.

De vrijwillige deelname van gemeenten aan BIJ kan eveneens de effectiviteit van het project aantasten, evenals de rechtszekerheid en -gelijkheid van (ex-)justitiabelen. Het is daarom beter dat BIJ niet afhankelijk is van de bereidheid van gemeenten om daar aan deel te nemen. Bij landelijke invoering van BIJ zou iedere gemeente geïnformeerd moeten worden over de terugkeer van (ex-)justitiabelen uit de doelgroep.

Tot slot blijkt de informatiestroom vanuit de forensisch psychiatrische centra moeizaam op gang te komen, terwijl op grond van de eerste bevindingen naar voren komt dat juist bij tbs-gestelden relatief vaak een risico op maatschappelijke onrust wordt verwacht. Een groter draagvlak voor BIJ is dan ook juist in deze sector van belang. Dat kan door het inzicht in specifieke knelpunten in deze sector te vergroten en waar mogelijk weg te nemen. Daarbij moet in ieder geval aandacht worden besteed aan de vraag wat gemandateerden en vertegenwoordigers van forensisch psychiatrische centra over en weer kunnen verwachten wat informatie-uitwisseling betreft.

De RSJ doet in zijn advies diverse aanbevelingen tot verbetering van BIJ.

Het advies kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de RSJ

Postbus 30 137

2500 GC Den Haag

070 – 36 19 300,

www.rsj.nl