Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 4876 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 4876 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Beschikken bij dit besluit op het verzoek van Rijkswaterstaat Zeeland bij brief van 18 mei 2011, kenmerk RWS/DZL-2011/2507, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet ten behoeve van de aanleg en reconstructie van de Rijksweg 61 (N61) vanaf de Damstraat (N676), ter hoogte van de Krabbedijk, ten noordwesten van Schoondijke (werkkm. 0,000) tot de aansluiting met de Westerscheldetunnelweg (N62), ten oosten van Hoek (werkkm. 22,275) met bijkomende werken, in de gemeenten Sluis en Terneuzen.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 22 november 2011, nr. RWSCD BJV 2011/1445, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.
Overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben het ontwerp van het te nemen besluit alsmede de in artikel 63 van de onteigeningswet genoemde stukken in de periode van donderdag 11 augustus 2011 tot en met woensdag 21 september 2011 in de gemeenten Sluis en Terneuzen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen. Voorafgaand daaraan is de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht aangekondigd in het huis-aan-huis-blad ‘Zeeuwsch-Vlaams Advertentieblad’ van woensdag 10 augustus 2011 en in de Staatscourant van woensdag 10 augustus 2011, nr. 14571.
Voorts is overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp van het te nemen besluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Belanghebbenden zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Sluis op woensdag 21 eptember 2011. In genoemde kennisgeving zijn belanghebbenden op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen.
De volgende belanghebbenden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt:
1. mevrouw M.L.P. Uitdewilligen-Van Rumste, mede namens de heer A.J.J. Uitdewilligen, eigenaren van de onroerende zaak met grondplannummer 234A;
2. mevrouw D.M. Salomé-Dieleman, namens de heer M.Z. Salomé, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 118, 129B en 142A;
3. de N.V. Nederlandse Gasunie, rechthebbende met betrekking tot de onroerende zaken met de grondplannummers 6A en 11A.
Overwegingen
Ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van wegen, waaronder begrepen onteigening voor aanleg en verbetering van werken ter uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet.
Reclamanten sub 1.
De reclamanten sub 1 hebben opgemerkt, dat zij een perceel grond langs de N61 in eigendom hebben en dat zij met het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: het BBL) overeenstemming hebben bereikt over ruiling van het gedeelte dat van dat perceel voor de reconstructie van de weg nodig is. Reclamanten hebben de overeenkomst hiervoor getekend, maar desondanks is het bedoelde gedeelte toch betrokken in de onteigeningsprocedure.
Naar aanleiding van deze zienswijze overwegen Wij het volgende.
Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken is Ons gebleken dat reclamanten op 12 juli 2010 hebben ingestemd met een voorstel van het BBL om te komen tot ruiling van gronden. Dit houdt in dat reclamanten het gedeelte van hun onroerende zaak met het grondplannummer 234A, dat nodig is voor de realisering van het onderhavige werk, inbrengen in een kavelruil en dat zij tegen bijbetaling een groter gedeelte van een andere onroerende zaak in bezit krijgen. De ruiling is echter omvattender, in die zin dat daar meerdere grondeigenaren bij betrokken zijn. Deze eigenaren dienen eerst allemaal de ruilovereenkomst te ondertekenen voordat de notariële akte kan worden verleden en een en ander kadastraal kan worden verwerkt. Omdat nog niet zeker was of alle eigenaren de overeenkomst zouden tekenen heeft de verzoeker om onteigening op 20 oktober 2010 telefonisch contact met reclamanten gezocht. Hierbij is een afspraak gemaakt om te komen tot een inventarisatie van de schades die als gevolg van de uitvoering van het werk zullen optreden, zulks voor het geval de grondruil onverhoopt niet tot stand zou komen. Op 25 oktober 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen reclamanten en de door de verzoeker ingestelde taxatiecommissie. Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de verzoeker reclamanten een aanbod gedaan gericht op de aankoop van het benodigde gedeelte van de bovengenoemde onroerende zaak. Bij brief van 22 april 2011 heeft de verzoeker reclamanten, bij het uitblijven van de ondertekening van de eerder bedoelde ruilovereenkomst door alle betrokken eigenaren, nog een aangepast bod gedaan.
Naar aanleiding van het bovenstaande merken Wij op, dat reclamanten sub 1 weliswaar de ruilovereenkomst met BBL hebben getekend, maar dat nog geen sprake is van een door alle betrokken eigenaren ondertekende overeenkomst. Daarom moet worden vastgesteld dat van daadwerkelijke verkrijging van de eigendom van reclamanten nog geen sprake is. Gelet op de urgentie van de uitvoering van het werk en de omstandigheid dat de tijdige verkrijging van de benodigde grond door de verzoeker zonder de aanwijzing ter onteigening onzeker is, moet dan ook worden onderkend dat aanwijzing ter onteigening noodzakelijk blijft. De verzoeker om onteigening heeft overigens de verwachting uitgesproken dat eerdergenoemde ruilovereenkomst door alle daarbij betrokken partijen zal worden getekend waardoor deze eind december 2011 via de notaris kan worden verleden. Alsdan zal de onteigeningsprocedure ten aanzien van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak van reclamanten sub 1 worden stopgezet.
In aanvulling op hetgeen Wij hiervoor ten aanzien van de ingebrachte zienswijze hebben overwogen merken Wij in op, dat de verzoeker om onteigening bij e-mailbericht van 14 februari 2012 heeft medegedeeld dat de onroerende zaak met het grondplannummer 234A niet meer ter onteigening hoeft te worden aangewezen. De in dit besluit opgenomen lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.
Reclamant sub 2.
Namens reclamant sub 2 is puntsgewijs het volgende naar voren gebracht:
1. reclamant is verbolgen over de manier waarop de verzoeker onderhandeld heeft. De verzoeker heeft zeker niet getracht om via de minnelijke weg tot overeenstemming te komen. Met een verzoek van reclamant om de verschillen in berekening van de schadeloosstelling eens naast elkaar op tafel te leggen en te bespreken heeft de verzoeker niets gedaan. Reclamant voelt zich overvallen door de start van de onteigeningsprocedure. Hij meent dat hij nog in overleg met de verzoeker was en een redelijke termijn daarvoor was zeker nog niet verlopen. De verzoeker komt de belofte van minnelijk overleg niet na en wil de grond alleen maar zo goedkoop mogelijk verkrijgen;
2. de verzoeker wil de vergoeding van de omrijschade uit de onderhandelingen halen en pas in 2018 bekijken. Reclamant vreest dat het geld dan al lang op is, terwijl de omrijschade juist werkelijke schade is. In dat verband is opgemerkt dat reclamant en zijn echtgenote de N61 drie keer per dag oversteken naar het aan de andere kant gelegen bedrijf met woonhuis van hun zoon, alleen al om daar te gaan werken. In de nieuwe situatie vervalt die oversteek en zal men moeten omrijden. Reclamant vreest dat het aantal extra kilometers in totaal wel uit kan komen op 10.000. Hij vraagt zich af waarom de weg een middengeleider krijgt waardoor hij deze niet meer over kan steken. Er zou, net als elders, ook volstaan kunnen worden met een groene middengeleider. Voorts was er volgens reclamant jarenlang een mogelijkheid tot oversteken gepland door middel van een viaduct, maar dat is geschrapt. Wel wordt nu onder meer een duur ecoduct aangelegd. Volgens reclamant is het enige alternatief een tweede rotonde bij de Komsestraat, waardoor hij maar 400 meter hoeft om te rijden;
3. de communicatie over het verleggen van de leidingen voor de reconstructie van de weg kenmerkte zich door list en bedrog. De leidingen zouden volgens de verzoeker speciaal voor reclamant naar de overzijde van de weg zijn verlegd, in verband waarmee hij niet meer te veel moet eisen;
4. het gestelde onder de ‘Overige overwegingen’ van het ontwerpbesluit over het verkeersveiligheidsprobleem en de slechte doorstroming van het verkeer op de N61 is onjuist. Reclamant merkt in dat verband op dat er geen sprake meer is van een urgent verkeersveiligheidsprobleem op de N61 nu er de laatste vijf jaar door strenge snelheidscontroles op de weg veel minder dodelijke ongelukken zijn gebeurd. Van het gestelde over de kop-staart- en flankbotsingen klopt niets meer. Voor de betere doorstroming van het verkeer is de reconstructie ook niet nodig, aangezien er allemaal rotondes komen waardoor de tijdwinst amper een paar minuten zal bedragen. Al met al vraagt reclamant zich af welke noodzaak er dan nog overblijft. Voor de oplossing van de problemen is een geldverspillend project zoals dat nu voorligt niet nodig, de problemen kunnen worden opgelost met de aanleg van twee aparte parallelwegen en twee aparte fietspaden;
5. de verkeersveiligheid zal niet toe- maar juist afnemen. In de gekozen oplossing wordt het gevaar verlegd van de hoofdweg naar de parallelwegen. Dat worden sluiproutes. In de nieuwe situatie ligt aan de noordzijde van de N61 een parallelweg alsook een vrijliggend fietspad. Aan de zuidzijde, waar reclamant woonachtig is, wordt het vrijliggende fietspad vervangen door een parallelweg waarvan ook fietsers gebruik zullen moeten maken. Fietsers lopen daar groot gevaar omdat de parallelweg intensief gebruikt wordt door landbouwverkeer en vrachtwagens. Bovendien worden landbouwvoertuigen steeds groter, waardoor reclamant bevreesd is voor de veiligheid van zijn kleinkinderen en de kinderen van zijn buren die de weg zullen gaan gebruiken om naar school te gaan. In de publicatie 164d ‘Handboek wegontwerp/erftoegangswegen’ staat: ‘Op de erftoegangswegen maken de fietser en overig langzaam gemotoriseerd verkeer in beginsel gebruik van de rijbaan. De afwikkeling van fietsers op een rijloper van 3,50 m kan bij relatief hoge intensiteit niet als duurzaam veilig worden aangemerkt. Bovendien is integratie van fietsers alleen mogelijk als de werkelijke snelheid lager is dan 60 km/h.’ Volgens reclamant wordt de verkeersveiligheid dus helemaal niet vergroot, het wordt juist onveiliger. In de hoorzitting is namens reclamant ook nog gewezen op de beleidsnota ‘Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland’ (concept 14 april 2011) van het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland. Hierin staat dat er geen nieuwe parallelwegen zonder vrijliggende fietspaden meer mogen worden aangelegd als deze minder dan 5,5 meter breed zijn, omdat deze niet veilig zijn. Voor de verzoeker is veiligheid prioriteit nummer één, dus ook voor fietsers zou daarnaar gehandeld moeten worden, wat in dit geval zou moeten leiden tot de aanleg van een apart fietspad. Als eventueel alternatief stelt reclamant nog voor om het bestaande fietspad te laten liggen, dit is altijd nog veiliger dan helemaal geen fietspad.
6. het is denigrerend dat in het toegezonden ontwerpbesluit staat dat de door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen ‘wel/niet’ van zodanig gewicht worden geacht dat op grond daarvan het verzoek moet worden afgewezen. Door even een streepje door het woord ‘wel’ te zetten zijn alle zienswijzen van tafel geveegd.
Ad 1.
Het gestelde ziet op het gevoerde minnelijk overleg. Ten aanzien van dit punt merken Wij vooreerst in het algemeen op, dat de onteigening moet worden gezien als een uiterst middel, waarnaar eerst (door het starten van de administratieve onteigeningsprocedure) kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. Daarbij geldt, dat in de procedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet in het algemeen genoegzaam aan deze eis is voldaan, indien voor de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, de administratieve onteigeningsprocedure kan worden ingezet. Daarbij is het wenselijk doch niet altijd noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is, dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Alsdan kan een verzoeker om onteigening – teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het betreffende plan van het werk over te kunnen gaan – in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het plan van het werk in eerste instantie moeten zijn ‘uitonderhandeld’. Het is, zoals hiervoor beschreven, voldoende als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen voorlopig niet tot het gewenste resultaat zullen leiden.
Het voorgaande in aanmerking nemend merken Wij ten aanzien van reclamant sub 2 nu het volgende op.
Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken blijkt dat de eerste contacten over de verwerving van de onroerende zaken van reclamant die nodig zijn voor de aanleg en reconstructie van de N61 al in 2006 zijn gelegd. Op basis van een op 15 maart 2006 uitgevoerde taxatie heeft de verzoeker reclamant bij brief van 1 september 2006 een eerste aanbod gedaan. Bij brief van 7 februari 2007 heeft de verzoeker reclamant een gewijzigde bieding gestuurd, waarin rekening is gehouden met de omrijschade en waarbij reclamant ook attent is gemaakt op de mogelijkheid tot participatie in de hiervoor, bij de behandeling van de zienswijze van reclamanten sub 1, al genoemde kavelruil via het BBL. Bij brief van 13 mei 2008 heeft de verzoeker reclamant nogmaals een gewijzigde bieding gestuurd.
Op 5 mei 2009 heeft de door de verzoeker ingestelde taxatiecommissie de gronden van reclamant opnieuw getaxeerd en heeft overleg plaatsgevonden over een aantal zaken. Vervolgens heeft de verzoeker reclamant bij brieven van 3 augustus 2009 en 22 oktober 2010 wederom gewijzigde biedingen gestuurd. Uit laatstgenoemde brief blijkt, dat reclamant in het kader van het minnelijk overleg eerst duidelijkheid wenste over de verlegging van de in zijn gronden gelegen hogedrukwaterleiding voordat hij verder wilde praten over de verkoop van zijn gronden voor de reconstructie voor de weg. De verzoeker deelt reclamant in de brief echter mede dat de procedure voor de verlegging van de leiding niet meer synchroon loopt met de aankoop van de gronden voor aanleg van de weg. Daarom bevat de brief van 22 oktober 2010 een herziene bieding voor die aankoop.
Op 8 april 2011 hebben vertegenwoordigers van de verzoeker om onteigening overleg gevoerd met reclamant, zijn echtgenote en zijn zoon. In dit overleg is een groot aantal onderwerpen aan de orde geweest. Over enkele daarvan konden afspraken worden gemaakt en ten aanzien van enkele onderwerpen is namens de verzoeker nadere actie toegezegd. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de aan- en verkoop van de gronden. Op 16 mei 2011 heeft overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de verzoeker en de inmiddels door reclamant ingeschakelde adviseur. Op het op 17 mei 2011 naar de adviseur gezonden verslag van dit overleg hebben zowel deze adviseur als reclamant met wijzigingen en opmerkingen gereageerd. Vervolgens heeft de taxatiecommissie op 28 juni 2011 aan verzoeker een advies uitgebracht over de omrijschade. Eén van de leden van deze commissie heeft daarna op 5 juli 2011 overleg met de eerdergenoemde adviseur van reclamant gevoerd. Hierbij is het advies aan de adviseur overhandigd en is gesproken over de hoogte van de schadeloosstelling in verband met de aankoop van de benodigde gronden en over de hoogte van de omrijschade. Overeenstemming over deze zaken is echter niet bereikt, wel heeft de adviseur toegezegd dat hij het advies met reclamant zou bespreken.
Het bovenstaande in aanmerking nemend, zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. Op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken stond genoegzaam vast dat de verzoeker niet binnen een redelijke termijn met reclamant, al dan niet in de door hem gewenste vorm, tot overeenstemming kon komen. Wij merken hierbij overigens op dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat de verzoeker om onteigening reclamant bij de eerdergenoemde brieven van 7 februari 2007, 13 mei 2008 en 3 augustus 2009 biedingen heeft gedaan gericht op de aankoop van meerdere dan wel andere onroerende zaken dan de onroerende zaken die in onderhavige procedure betrokken zijn. Eerst bij de brief van 22 oktober 2010 heeft de verzoeker de onroerende zaken genoemd die thans in de procedure zijn betrokken, namelijk de onroerende zaken met de grondplannummers 118, 129B en 142A. In de brief worden bij de onroerende zaken met de grondplannummers 118 en 129B echter kleinere te verwerven oppervlakten dan waarop het verzoek om onteigening betrekking heeft. Wij zien echter geen aanleiding om de ter onteigening aan te wijzen oppervlakten van deze onroerende zaken terug te brengen tot de oppervlakten zoals die in de brief van 22 oktober 2010 werden genoemd en waarover partijen in ieder geval geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. Gebleken is namelijk dat de verzoeker de intentie heeft gehad om in april 2011 een brief aan reclamant te versturen met een bod gericht op de aankoop van de oppervlakten zoals die in de onderhavige procedure betrokken zijn. Deze brief is abusievelijk niet aan reclamant verzonden. Wel blijkt dat vertegenwoordigers van verzoeker de brief hebben besproken in het overleg dat op 8 april 2011 met reclamant en zijn echtgenote en zoon werd gevoerd. In dit overleg is vast komen te staan dat reclamant niet akkoord kon gaan met de verkoop van bedoelde onroerende zaken en oppervlakten zoals die thans in de procedure betrokken zijn. Dit blijkt ook uit een door de echtgenote van reclamant opgesteld verslag van dit overleg van 20 april 2011 dat naar de verzoeker is gezonden. Daarin wordt onder meer gesteld dat reclamant niet akkoord kan gaan met de prijs per vierkante meter die is geboden voor de aankoop van 0.39.19 ha van de huiskavel en met de prijs per vierkante meter die is geboden voor de aankoop van 0.11.50 ha van de tuin. Dit betreft in totaal de oppervlakte van 0.50.69 ha van de onroerende zaak met grondplannummer 129B die ook in de onderhavige procedure is betrokken. Voorts heeft de vertegenwoordiger van de verzoeker de bedoelde brief overhandigd in een op 16 mei 2011 gevoerd overleg met de adviseur van reclamant. Aldus heeft de verzoeker tijdig en voorafgaand aan de start van de procedure een aanbod heeft gedaan gericht op de aankoop van de hiervoor genoemde onroerende zaken met de juiste oppervlakten.
Wij merken voorts op, dat het minnelijk overleg na de start van de procedure is voortgezet. In dit verband is gebleken, dat een vertegenwoordiger van de verzoeker op 8 september 2011 contact heeft opgenomen met de adviseur van reclamant en hem heeft gevraagd naar de uitkomst van het overleg dat hij met reclamant zou hebben over het bovengenoemde advies van de taxatiecommissie. Dit overleg had echter nog niet plaatsgevonden. Nadien is namens de verzoeker nog enkele keren contact met de adviseur opgenomen, zonder dat dit echter tot verder overleg heeft geleid. Wij merken hierbij op, dat het minnelijk overleg dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.
Ad 2.
Het gestelde omtrent de omrijschade is financieel van aard en kan de aanwijzing van de onroerende zaken ter onteigening niet in de weg staan. In dat verband merken Wij op, dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling en wijze van berekening daarvan staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure echter niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.
Gelet op het zojuist gestelde kan in deze procedure evenmin een oordeel worden gegeven over het standpunt dat de verzoeker om onteigening inmiddels heeft ingenomen over de omrijschade, namelijk dat de nadeelcompensatie voor deze schade geen onderdeel uitmaakt van de schadeloosstelling in het kader van de aankoop van de gronden omdat het omrijden geen rechtstreeks gevolg is van de onteigening. Verzoeker heeft overigens, ook in de gehouden hoorzitting in het kader van onderhavige procedure, opgemerkt dat reclamant niet tot 2018 hoeft te wachten met een verzoek om nadeelcompensatie. Een dergelijk verzoek kan worden ingediend zodra het tracébesluit is vastgesteld, hetgeen hier het geval is zoals ook blijkt uit het gestelde onder de ‘Overige overwegingen’ hierna. Wel kan eventuele nadeelcompensatie eerst worden uitgekeerd op het moment dat het besluit onherroepelijk is, hetgeen nog niet het geval is. Verzoeker heeft een en ander ook onder de aandacht gebracht van de adviseur van reclamant.
Ad 3.
Het namens reclamant gestelde omtrent de verlegging van de leidingen dient hier buiten beschouwing te blijven. De verlegging van de leidingen valt buiten het verzoek tot aanwijzing van de onroerende zaken ter onteigening. Voor deze verlegging is een apart traject doorlopen, waarin de leidingen uiteindelijk buiten de onroerende zaken van reclamant zijn omgelegd.
Ad 4 en 5.
Het gestelde omtrent het verkeersveiligheidsprobleem en de doorstroming van het verkeer op de N61 alsmede het gestelde omtrent de oplossing die volgens reclamant ook voorhanden is om de gesignaleerde problemen op te lossen is in hoofdzaak planologisch van aard. Dit geldt evenzeer voor het gestelde over de veiligheid voor het fietsverkeer en de vraag of aan de zuidzijde van de weg, waar reclamant woonachtig is, al dan niet terecht is voorzien in een parallelweg waarvan ook fietsers gebruik zullen moeten maken. Ten aanzien van deze aspecten overwegen Wij dat die in de procedure op grond van de Tracéwet aan de orde gesteld hadden kunnen worden. Voor een inhoudelijke beoordeling hiervan is in de administratieve onteigeningsprocedure geen plaats. De omstandigheid dat het (ontwerp van het) onteigeningsbesluit onder de ‘Overige overwegingen’ wel informatie bevat over de planologische inpassing van het werk en over de inhoudelijke gezichtspunten die in dat verband een (overwegende) rol hebben gespeeld maakt dit niet anders. In de administratieve procedure dient deze informatie er enkel toe om inzichtelijk te maken dat de planologische inpassing van het werk voldoende ver gevorderd is om deze procedure te kunnen starten en dat aan het werk overwegingen ten grondslag zijn gelegd die ontleend zijn aan het publiek belang. Wij merken op, dat reclamant ook beroep tegen het besluit tot vaststelling van het tracébesluit heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op dit beroep is nog geen uitspraak gedaan.
Overigens merken Wij nog op, dat op een beperkt aantal parallelwegen aan de zuidzijde van het tracé van de N61, waartoe ook de parallelweg behoort waar reclamant op doelt, sprake is van menging van fietsverkeer, bestemmingsverkeer en landbouwverkeer. Uit de zakelijke beschrijving, die samen met de overige onteigeningsstukken voor belanghebbenden ter inzage heeft gelegen, blijkt dat als uitgangspunt bij het ontwerp het ook door reclamant genoemde ‘Handboek wegontwerp: Erftoegangswegen’ (CROW publicatie 164d) is gehanteerd. De parallelwegen worden tot erftoegangswegen gerekend. De verzoeker heeft er in dat verband op gewezen, dat menging van verkeer op dergelijke wegen in Nederland gebruikelijk is en dat overigens de parallelweg ter plaatse van de woning van reclamant een breedte van 4,5 meter krijgt. Met betrekking tot het gestelde over de conceptbeleidsnota ‘Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland’ merken Wij nog op dat dit concept dateert van 14 april 2011. Hiermee kon, wat er verder ook zij van de door reclamant gesuggereerde tegenstrijdigheid met het tracébesluit, in dat besluit geen rekening worden gehouden nu dit op 21 februari 2011 is vastgesteld. Overigens wordt in bijlage 4 van de genoemde conceptbeleidsnota ‘Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland’ voor de oplossing van de knelpunten in de N61 tussen Schoondijke en Terneuze uitgegaan van het onderhavige tracébesluit.
Ad 6.
Wij merken op, dat Wij reclamant conform de bepalingen van afdeling 3.4 van de Algemene bestuursrecht het ontwerp van het koninklijk besluit hebben toegezonden. Omdat dit dient te geschieden voorafgaand aan de start van de procedure (met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken) en belanghebbenden eerst vanaf de start de mogelijkheid hebben tot het indienen van zienswijzen, kunnen Wij in het ontwerpbesluit nog geen oordeel vellen over de vraag of de zienswijzen al dan niet (geheel of gedeeltelijk) dienen te leiden tot de afwijzing van het verzoek om onteigening. Om die reden is de door reclamant bedoelde passage in het ontwerpbesluit opgenomen. Zulks laat echter onverlet dat elke ingediende zienswijze in het uiteindelijke besluit door Ons zal moeten worden beoordeeld en dat pas in dat besluit, de Raad van State gehoord, de conclusie kan worden getrokken of deze wel of niet gegrond is en wel of niet moet leiden tot de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek.
Reclamante sub 3.
Reclamante sub 3 brengt naar voren dat zij op de onroerende zaken met de grondplannummers 6A en 11A een zakelijk recht heeft. Zij verzoekt om deze rechten na onteigening te hervestigen.
Naar aanleiding van deze zienswijze overwegen Wij het volgende.
De verzoeker om onteigening heeft Ons medegedeeld, dat hij heeft onderzocht waar de leiding van reclamante, ten behoeve waarvan de onroerende zaken met een zakelijk recht zijn belast, precies gelegen is. Hieruit blijkt dat de leiding niet gelegen is in de ter onteigening aan te wijzen gedeelten. De onteigeningsgrens ligt op minimaal 13 meter uit de hartlijn van de leiding terwijl uit onderzoek blijkt dat de zakelijk rechtstrook gerekend vanuit het hart van de leiding aan beide zijden vier meter breed is. Dit betekent dat zowel de leiding als de belemmerde strook niet in de onteigening is betrokken. Gelet hierop valt reclamante naar Ons oordeel in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure gericht op de aanleg van het werk in de gemeenten Sluis en Terneuzen niet aan te merken als belanghebbende. Aan de zienswijze van reclamante moet hier dan ook verder voorbij worden gegaan. De verzoeker om onteigening heeft overigens nog opgemerkt, dat beide onroerende zaken betrokken zijn in kavelruilingen. De verwachting is dat deze eind december via de notaris kunnen worden afgerond waardoor uiteindelijk onteigening van de betrokken gedeelten van beide onroerende zaken in het geheel niet aan de orde zal zijn.
De verzoeker om onteigening heeft Ons bij brief van 15 september 2011, met kenmerk RWS/DZL-2011/4437, aangevuld bij e-mail bericht van 14 februari 2012 medegedeeld dat de onroerende zaken met de grondplannnummers 6A, 35B, 49B, 73B, 84B, 85B, 85C, 86B, 91A, 102, 103, 112A, 97, 115A, 116B, 121B, 122A, 162A, 212A, 215A, 226A, 228A, 230A, 232A, 234A, 298A en 305A inmiddels zijn aangekocht. De in dit besluit opgenomen lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is hierop aangepast, in die zin dat de onroerende zaken met de zojuist genoemde grondplannummers hieruit zijn geschrapt.
Overige overwegingen
De planstudie van de N61 kent een lange voorgeschiedenis. In 2003 is door de toenmalige Minister van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een standpunt over de N61 ingenomen. Als gevolg van diverse ontwikkelingen is in 2009 een gewijzigd standpunt ingenomen. Aan de hand van dit standpunt is het Ontwerp-Tracébesluit opgesteld. In juli 2010 heeft het Ontwerp-Tracébesluit ter visie gelegen.
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu het Tracébesluit ‘N61 Hoek-Schoondijke’ vastgesteld. Dit heeft van 16 maart tot en met 27 april 2011 ter inzage gelegen. Tegen dit Tracébesluit zijn veertien beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op deze beroepen is nog niet beslist, zodat het besluit nog niet onherroepelijk is.
Het Tracébesluit geldt als een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Het besluit werkt daardoor rechtstreeks door in het ruimtelijke beleid van de betrokken gemeenten. De gemeenteraden van de betrokken gemeenten zijn verplicht om binnen een jaar nadat het Tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of beheersverordening overeenkomstig het Tracébesluit vast te stellen.
De rijksweg N61 is de belangrijkste oost-west verbinding in het westen van Zeeuws-Vlaanderen. In de huidige situatie is deze weg een 80 km weg, die opengesteld is voor alle verkeer met een enkele hoofdrijbaan met twee rijstroken en aan weerszijden vrijliggende smalle fietspaden. Op de huidige N61 is sprake van een verkeerveiligheidsprobleem dat vooral wordt gekenmerkt door de vele frontale kop-staart- en flankongevallen met een relatief hoog slachtofferaantal. De vormgeving van het huidige tracé, de geringe wegbreedte, de hoge rijsnelheid, de aanwezigheid van veel landbouwverkeer en de vele (erf)aansluitingen zijn de voornaamste oorzaken van de – veelal ernstige – ongevallen.
Ten gevolge van de slechte doorstroming op de bestaande Rijksweg N61 wordt het onderliggende wegennet veelvuldig als sluiproute gebruikt met de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid op dit net. Er ligt in het kader van het project ‘Duurzaam veilig West Zeeuws Vlaanderen’ al geruime tijd een urgente taakstelling om de nevendoelstelling van het N61-project, het verbeteren van de verkeersveiligheid op het onderliggend wegennet, te realiseren. Naast de verkeersveiligheidsproblematiek is sprake van veel hinder door de N61 in de kern Schoondijke. Het verkeer op deze weg, die deels als N676 (voorheen N58) door de woonkern loopt, veroorzaakt daar aanzienlijke geluids- en trillingsoverlast.
De hierboven beschreven problemen zijn aanleiding om de weg te gaan verbeteren. Het Tracébesluit N61 voorziet in de aanleg/reconstructie van een 100 km/uur stroomweg tussen Hoek en Schoondijke en een gedeelte 80 km/uur gebiedsontsluitingsweg ten westen van Schoondijke. Er wordt een nieuwe hoofdrijbaan aangelegd die grotendeels naast de bestaande komt te liggen, dit verbetert de verkeersveiligheid. Het gehele tracé wordt voorzien van parallelwegen, fietstunnels en een vrijliggend fietspad. Rotondes zorgen voor de aansluiting op de hoofdrijbaan. Zo kan het verkeer beter en veiliger doorrijden.
Het project Rijksweg N61 is in het kader van de Rijksbegroting/het infrastructuurfonds opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, vastgelegd in het MIRT-projectenboek 2010.
In het MIRT wordt gesteld dat de start van de realisatie van de N61 zal plaatsvinden in 2012, terwijl de oplevering gepland is voor 2014. De huidige actuele planning van het project sluit aan bij de planning volgens het MIRT.
Tevens is het project opgenomen in bijlage II (ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste en tweede lid), onder E (Wegenprojecten), van de Crisis- en Herstelwet (Wet van 18 maart 2010, Stb. 135, in werking getreden op 31 maart 2010). De Crisis- en herstelwet is aangenomen om de aanleg van urgente projecten te bespoedigen.
Het moet in het belang van een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid noodzakelijk worden geacht, dat de Staat (Infrastructuur en Milieu) de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.
De door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden niet van zodanig gewicht geacht dat op grond daarvan het verzoek om een koninklijk besluit ex artikel 72a van de onteigeningswet te bevorderen, moet worden afgewezen.
Beslissing;
Gelet op de onteigeningswet,
Gehoord de Afdeling advisering van de Raad van State, advies van 9 februari 2012, nr. W14.11.0506/IV, en gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 22 februari 2012, nr. RWSCD BJV 2012/303, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed,
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Ten behoeve van de aanleg en reconstructie van de Rijksweg 61 (N61) vanaf de Damstraat (N676), ter hoogte van de Krabbedijk, ten noordwesten van Schoondijke (werkkm. 0,000) tot de aansluiting met de Westerscheldetunnelweg (N62), ten oosten van Hoek (werkkm. 22,275) met bijkomende werken, in de gemeenten Sluis en Terneuzen zal ten algemenen nutte en ten name van de Staat (Infrastructuur en Milieu) worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeenten Sluis en Terneuzen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst ter inzage hebben gelegen als:
|
Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Oostburg |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Grondplan nr. |
Te onteigenen grootte |
Als |
Ter grootte van |
Sectie en nr. |
Ten name van |
||||
|
ha |
a |
ca |
ha |
a |
ca |
||||
|
1B |
0 |
25 |
56 |
Terrein (Akkerbouw) |
4 |
00 |
55 |
P 2109 |
Adriaan Benjamin van de Ree, gehuwd met Linda Emilia Diana Bonte, Groede |
|
11A |
0 |
12 |
61 |
Terrein (Akkerbouw) |
4 |
32 |
95 |
P 2132 |
½ eigendom: Cornelia Tannetje Verkruijsse, gehuwd met Abraham Jacobus van Gijs, Biervliet ½ eigendom: Tannetje Cornelia Verkruijsse, gehuwd met Johan Lambregts, Sint Kruis Zakelijk recht als bedoeld in art. 5 lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, zetel: Groningen |
|
12B |
0 |
04 |
15 |
Terrein (Akkerbouw) |
0 |
45 |
81 |
P 2129 |
½ eigendom: Cornelia Tannetje Verkruijsse, gehuwd met Abraham Jacobus van Gijs, Biervliet ½ eigendom van: Tannetje Cornelia Verkruijsse, gehuwd met Johan Lambregts, Sint Kruis. |
|
37A |
0 |
00 |
33 |
Bedrijvigheid(Agrarisch) Terrein (Akkerbouw) |
1 |
76 |
14 |
M 1583 |
Jacobus Cornelis Jean van Hoeve, ongehuwd, IJzendijke |
|
38A |
0 |
01 |
20 |
Terrein (Akkerbouw) |
3 |
48 |
93 |
M 1585 |
½ eigendom: Alex Prudent Emiel van Hijfte, gehuwd met Sabine Maria Adriaens, B-8000 Brugge, België ½ eigendom: Jeroen Arnold van Hijfte, ongehuwd, 9830 Sint-Martens-Latem, België |
|
40A |
0 |
04 |
19 |
Terrein (Akkerbouw) |
2 |
66 |
50 |
N 1064 |
1/3 eigendom: Jean-Louis Jérôme Barrois, gehuwd met Virginie Reine Marie Andree Lede, 59800 Lille, Frankrijk 1/3 eigendom: Jean-Marie Carl Etienne Joseph Barrois, gehuwd met Armelle Marie Sandra Mahot, 92410 Ville D’avray, Frankrijk |
|
1/3 eigendom: Marie-Henriette Delphine Barrois, gehuwd met Jean-Francois Luc Marie Finet, 75016 Parijs, Frankrijk Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|||||||||
|
55A |
0 |
29 |
84 |
Dijk |
0 |
39 |
00 |
M 1112 |
Staatsbosbeheer, Tilburg, zetel: Utrechtse Heuvelrug |
|
57A |
0 |
33 |
26 |
Dijk |
0 |
54 |
80 |
M 1114 |
Als grondplannummer 55A |
|
62A |
0 |
00 |
63 |
Zijkant dijk |
0 |
37 |
80 |
N 1058 |
Als grondplannummer 55A |
|
64A |
0 |
07 |
42 |
Zijkant dijk |
0 |
14 |
05 |
N 1061 |
Als grondplannummer 55A |
|
71A |
2 |
17 |
72 |
Terrein (Akkerbouw) |
15 |
53 |
55 |
G 688 |
Als grondplannummer 38A |
|
96B |
0 |
16 |
52 |
Terrein (Akkerbouw) |
1 |
45 |
31 |
G 946 |
Frank August Irma Haverbeke, gehuwd met Jeanne Celina Petrus Haverbeke, IJzendijke |
|
98A |
0 |
08 |
75 |
Terrein (Akkerbouw) |
17 |
45 |
64 |
G 922 |
½ eigendom: Frank August Irma Haverbeke, gehuwd met Jeanne Celina Petrus Haverbeke, IJzendijke |
|
½ eigendom: Jeanne Celina Petrus Haverbeke, gehuwd met Frank August Irma Haverbeke, IJzendijke |
|||||||||
|
99B |
0 |
01 |
93 |
Terrein (Akkerbouw) |
0 |
84 |
30 |
G 948 |
Als grondplannummer 98A |
|
110A |
1 |
57 |
68 |
Parken-plantsoenen |
5 |
79 |
70 |
EY 1404 |
Erfpacht: De Gemeente Sluis, Oostburg, zetel: Sluis Einddatum recht: 31-12-2046 Eigendom belast met erfpacht: Staatsbosbeheer, Tilburg, zetel: Utrechtse Heuvelrug |
|
118 |
0 |
03 |
04 |
Terrein (Akkerbouw) |
27 |
39 |
35 |
H 1113 |
Mattheus Zeger Salome gehuwd met Dina Maria Dieleman, IJzendijke Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Waterschap Scheldestromen, zetel Middelburg Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
129B |
0 |
50 |
69 |
Wonen, Terrein (Akkerbouw) |
24 |
42 |
20 |
H 1041 |
Als grondplannummer 118 Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: 2x Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
142A |
0 |
00 |
40 |
Wonen terrein (grasland) |
2 |
41 |
45 |
I 705 |
Als grondplannummer 118 Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Zeeuwse Netten B.V., zetel: Middelburg |
|
161A |
0 |
46 |
78 |
Terrein (Akkerbouw) |
10 |
91 |
25 |
H 521 |
Adriana Johanna Maria Dreve, gehuwd met Willij van Opdorp, Biervliet Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
167A |
0 |
96 |
47 |
Terrein (Akkerbouw) |
4 |
50 |
40 |
H 73 |
Peter Dieleman, gehuwd met Elizabeth Johanna Dingemanse, Biervliet Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
168A |
0 |
02 |
33 |
Terrein (Akkerbouw) |
28 |
05 |
20 |
H 977 |
Als grondplannummer 167A Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
171A |
0 |
73 |
34 |
Terrein (Akkerbouw) |
3 |
81 |
40 |
H 523 |
Als grondplannummer 167A |
|
Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Terneuzen |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Grondplan nr. |
Te onteigenen grootte |
Als |
Ter grootte van |
Sectie en nr. |
Ten name van |
||||
|
ha |
a |
ca |
ha |
a |
ca |
||||
|
175A |
0 |
04 |
10 |
Terrein (Grasland) |
0 |
53 |
90 |
BA 604 |
Jacob Abraham Willem Dhondt, Biervliet Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
177A |
0 |
02 |
84 |
Terrein (Grasland) |
0 |
50 |
20 |
BA 559 |
Als grondplannummer 175A |
|
180A |
2 |
22 |
23 |
Terrein (Akkerbouw) |
3 |
63 |
60 |
BA 823 |
Willem Pieter de Blaeij, IJzendijke Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|
182A |
8 |
09 |
05 |
Terrein (Akkerbouw) |
19 |
97 |
60 |
BA 899 |
2/3 eigendom: Johannes Jacob Dhondt, gehuwd met Cornelia Johanna Luteijn, Biervliet |
|
1/3 eigendom: Magdalena Suzanna Dhondt, gehuwd met Pieter Levinus de Feijter, Middelharnis Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Evides NV, zetel: Rotterdam |
|||||||||
|
184A |
0 |
05 |
17 |
Zijkant dijk |
0 |
08 |
50 |
BA 18 |
2/3 eigendom: Johannes Jacob Dhondt, gehuwd met Cornelia Johanna Luteijn, Biervliet 1/3 eigendom: Magdalena Suzanna Dhondt, gehuwd met Pieter Levinus de Feijter |
|
186A |
0 |
61 |
40 |
Terrein (Akkerbouw) |
0 |
97 |
55 |
BA 872 |
Johannes Jacob Dhondt, gehuwd met Cornelia Johanna Luteijn, Biervliet |
|
233A |
0 |
10 |
29 |
Terrein (Akkerbouw) |
4 |
78 |
20 |
BB 702 |
Jeanette Erna Hilaire Maria Termont, Terneuzen |
|
256A |
0 |
02 |
77 |
Terrein (Grasland) |
0 |
86 |
80 |
U 1485 |
Staatsbosbeheer, Tilburg, zetel: Utrechtse Heuvelrug |
|
262A |
0 |
02 |
95 |
Terrein (Akkerbouw) |
1 |
58 |
60 |
U 1361 |
Pieter Dieleman, gehuwd met Maria Henriette Haak, Hoek |
|
262B |
0 |
00 |
09 |
Terrein (Akkerbouw) |
1 |
58 |
60 |
U 1361 |
Als grondplannummer 262A |
|
266 |
0 |
44 |
31 |
Terrein (Akkerbouw) |
17 |
27 |
25 |
U 1362 |
Als grondplannummer 262A |
|
271A |
0 |
08 |
23 |
Terrein (Akkerbouw) |
12 |
31 |
15 |
U 1351 |
Pieter Dieleman, gehuwd met Pieternella Poulina van Hoeve, Biervliet |
|
275A |
0 |
08 |
15 |
Terrein (Akkerbouw) |
0 |
53 |
30 |
U 1358 |
Als grondplannummer 271A |
|
279A |
1 |
53 |
63 |
Terrein (Akkerbouw) |
5 |
79 |
69 |
U 1353 |
Anthonie van Wijck, gehuwd met Constantina Jacoba Petra de Dobbelaere, Hoek |
|
292 |
0 |
57 |
81 |
Terrein (Akkerbouw) |
13 |
15 |
35 |
U 1467 ged. |
Als grondplannummer 262A |
|
(geschat) |
Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: |
||||||||
|
Evides NV, zetel: Rotterdam |
|||||||||
|
Terrein (Akkerbouw) |
0 |
23 |
20 |
U 1467 ged. |
Waterschap Scheldestromen, zetel: Middelburg |
||||
|
(geschat) |
|||||||||
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-4876.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.